§ 1. Het "Karakter":
Theophrastos heeft ongetwijfeld voortgebouwd op aanzetten tot karakterbeschrijving (zgn.
ἠθοποιία) bij oudere auteurs: zelfs al in de
Ilias (z. XIII, 276-87: contrast tussen de
δειλός
en de ἄλκιμος); bij Semonides van Amorgos (met zijn "Vrouwenspiegel"); Aristophanes (volgens Ussher
zijn Theophrastos' εἴρων
en ἄγροικος
"overwegend
Aristophanische figuren")[101] en natuurlijk de Komedie in het algemeen; de retoren; de
Σωκρατικοὶ λόγοι , Platoon en, vooral, Aristoteles.
Toch heeft Theophrastos met zijn
Ἡθικοὶ Χαρακτῆρες een nieuw literair genre
geschapen - het zij dan een "petit genre", zoals dat heet - nl. dat van de "Karakters(chetsen)", of "Zedeprenten". Zoals gezegd, zijn vooral in Aristoteles'
Nikomachische Ethiek beschrijvingen te vinden, die zeer dicht bij Theophrastos staan.
Zoals J.W. Smeed schrijft[102]:
"It may be that the master gave the pupil a hint of what might be done, but Theophrastus seems to have been the first to have hit on the idea of taking various moral
and social qualities, examining them as manifested in imaginary but typical
individuals, and presenting these descriptions in a complete and self-contained form".
Het grote succes ervan, nadien (vooral vanaf de 17de eeuw, zie verder), moet ongetwijfeld
op rekening worden gebracht van de aantrekkelijkheid van de typologische benadering van de menselijke persoonlijkheid. De mens, geconfronteerd met de complexiteit van zijn medemensen, heeft er zich sedert de oudheid steeds weer
toe laten verleiden, die medemens te "vangen" in types: zie bv. in de zgn. Nieuwe Komedie[103]
Inderdaad, "types": een "karakter"[104] - en dat moet beklemtoond worden - biedt zich
niét aan als een geïndividualiseerd portret van een actuele persoon (hoewel de inspiratie
ertoe wel degelijk afkomstig kan zijn van de observatie van een reële persoon). Het moet
dus onderscheiden worden van dat andere "petit genre", nl. het "portrait".
Dit laatste werd
in het 17de-eeuwse Frankrijk populair naast het "karakter" (en heeft ongetwijfeld La Bruyère beïnvloed), en gaf wél de (min of meer gecamoufleerde) beschrijving van een reële
persoon. Verwijzen we bv. naar de verzameling "La Galerie des Portraits", in 1659
gepubliceerd door de secretaris van Mlle de Montpensier[105].
Het karakter heeft als essentiële vereiste veeleer het samengaan van het algemene
(τὸ
κοινόν) en het individuele
(τὰ
ἴδια). Een karakter m.a.w. is "de som van de individuele symptomen van een ethisch begrip"[106]. Dat houdt in dat het onderwerp ervan,
hoewel zoveel mogelijk afgebeeld àls een individuele persoon, tegelijkertijd "moet staan
voor een sociale, morele of psychologische categorie"[107].
Een gevolg daarvan is dat "karakters" ons geen complexe, veelzijdige persoonlijkheden
schetsen, maar dat ze altijd selectief/eenzijdig en in mindere of meerdere mate zelfs "overdreven" zijn: elk
"karakter" illustreert telkens slechts één enkele hoedanigheid, waarbij abstractie gemaakt wordt van alle andere hoedanigheden in de bezitter ervan. "Daardoor is
de geschetste mens geworden tot de zuivere en ideële vertegenwoordiger van het type"[108].
De lezer heeft dus a.h.w. met een "karikatuur" te doen. Nochtans mag de beschrijving niet
in het groteske vervallen. Zoals Smeed schrijft:
"it has usually been felt that the 'character' should not stray too far in the direction
of eccentricity and extravagance. It should illustrate what happens when a particular
quality is carried to an extreme, without making us disbelieve in the human being
depicted"[109].
In "De Dronkaard", m.a.w., moeten wij àlle reële dronkaards kunnen erkennen, in "De
Vleier" àlle concrete vleiers, enz.
Van groot belang voor het "karakter", als literaire creatie, is dat de beschreven trekken,
gedragingen, enz. een eenheid vormen, zonder onderlinge tegenstrijdigheden; zij moeten
voortkomen uit de eenheid van de levende persoon en tegelijkertijd die essentiële eenheid
helpen uitdrukken. De literaire kwaliteiten van een "karakter" zijn recht evenredig met de directheid, concreetheid en levendigheid van de beschrijving. Omzeggens alle auteurs kiezen daarom een representatieve figuur en houden, tot het slot, vast aan "hij" of "zij", allicht
vanuit het gevoel dat afwisseling tussen verschillende vormen - hij/zij (mv.) of hij/zij (vr.) -
al te zeer het generische zou beklemtonen ten nadele van het individuele. Om dezelfde reden zal de succesvolle beoefenaar van het genre doorgaans ook vermijden om de beschrijving te doorkruisen met meer algemene abstracte beschouwingen van moraliserende of bespiegelende aard, of met uitweidingen over eigenschappen die niet aan een particuliere persoon gekoppeld zijn. Tenslotte moeten ook taal en stijl zo sober en direct mogelijk worden
gehouden: de vorm moet zichzelf a.h.w. volledig wegcijferen ten voordele van de
inhoud[110].
Zoals we dat ook moeten constateren m.b.t. de meeste andere genres die de Grieken
gecreëerd hebben, is het opvallend dat Theophrastos, als schepper van het genre, het
"karakter" meteen ook op een omzeggens perfecte manier gerealiseerd heeft. In zijn inleiding
typeert Kuiper Theophrastos' "boekje" treffend op de volgende manier[111]:
"alles wat men stijl noemt, compositie, periodisering, afronding, afwisseling,
vermijding van eentonigheid in woordgebruik en zinsbouw, dat alles ontbreekt hier
[maar zie verder, HdL]. Wat wij lezen is een soort ziektebeschrijving, een psychische
symptomatiek, die echter ternauwernood bestemd schijnt voor lectuur, maar eer voor
het oor van den geamuseerden hoorder, omdat iedere trek, als werd hij onder het
impuls van het ogenblik bedacht, hetzelfde beeld met groter precisie omlijnt en zijn
waarde vooral ontleent aan de levendigheid en aanschouwelijkheid der mededeling,
die als het ware vraagt om de steun van gebaren en mimiek, waarin volgens een oude
overlevering Theophrastus inderdaad een meester was (Hermippos bij Athenaeus I 21
A). Dat hij deze typologie uit de komedies zijner tijdgenoten heeft getrokken is niet
waarschijnlijk, al vormt zij ongetwijfeld een schakel in de ontwikkeling der komische
karakterkunde. Maar wel mag men, hoe schaars onze gegevens in dezen ook zijn, het
vermoeden uitspreken, dat zijn werkwijze dezelfde was als die van de komediedichters
uit den tijd, die aan Menander voorafging. Evenals zij waarschijnlijk deden, gebruikt
ook Theophrastus het middel der gevarieerde herhaling. Hij beeldt een menselijke eigenschap uit door ons de drager dezer eigenschap te tonen in onderscheiden situaties
van het leven; een populaire methode, die nog altijd in zwang is. Dat de uitkomst ons
een mens voor ogen stelt, compleet en individueel, zal niemand kunnen volhouden.
Maar niettemin dragen deze gepersonifieerde eigenschappen een stempel van
levenswaarheid. Dien danken zij aan de overvloed van pittoreske details".
§ 2. Oorsprong en betekenis van de titel:
Terwijl D.L. (tweemaal) als titel
Ἠθικοὶ Χαρακτῆρες opgeeft (zie ook de Souda),
hebben alle handschriften - met één uitzondering: de Venetianus Nanianus 266, waar de
titel, volgens Steinmetz "offensichtlich" ontleend is aan D.L.[112] - het kortere
"Χαρακτῆρες".
Onder de moderne commentatoren heerst er geen eenstemmigheid over de oorspronkelijke titel. Zo bestempelt Indemans het adjectief "Ἠθικοὶ" zonder meer als een latere toevoeging[113], en ook Ussher, in zijn uitgave van 1960, beschouwt de authenticiteit ervan als
twijfelachtig[114]. Steinmetz, daarentegen, in de tweede band van zijn uitgave, acht de toevoeging van het adjectief onontbeerlijk, en dus theophrastisch[115].
Reeds op het einde van de vorige eeuw, in zijn artikel Ueber Theophrasts Charaktere,
had O.Immisch de aandacht getrokken op het merkwaardig feit dat het werkje middels retorica-codices tot ons is gekomen - wat hem sterkte in zijn overtuiging dat het
tot Theophrastos' "rhetorische Schriftstellerei" behoorde, "als eine der praktischen
Kunstübung dienende Monographie", vergelijkbaar met bv. de
Ἐλεοὶ
van Thrasumachos en met andere verzamelingen van kant-en-klare
Ἐπίλογοι
en προοίμια
[116]. De kwalificatie "ἠθικοὶ" - wie ze ook moge gegeven hebben - moet z.i.
vanuit die oorspronkelijk retorische
context begrepen worden. We kunnen hierbij
verwijzen naar de aristotelische retorica-theorie, waarin het
ἦθος fungeert als één van de drie kunstintrinsieke
πίστεις, of "overtuigingsgronden", naast de
λόγος en het
πάθος
[117].
Immisch zelf stipt het onderscheid aan dat geformuleerd wordt door de latere retorica-theoreticus Hermogenes (2de eeuw nK), in diens
Περὶ ἰδεῶν, maar dat z.i. veel ouder
is, nl. tussen ἤθη
die samenhangen met een bepaalde beroepsactiviteit, "zoals die van
strategen of retoren", en
τὰ ἰδίως ὀνομασθέντα ἠθικά, "degene die in eigenlijke
zin 'ethisch' worden genoemd, bv. die van snoeperds, lafaards, geldzuchtigen" (id. 2,2,
350 Sp.). Volgens Immisch kan dit onderscheid moeiteloos worden afgeleid uit het
"bekende" onderscheid in de peripatetische retorica tussen, enerzijds, een
ἠθικὸς
τόπος en, anderzijds, een
οἰκονομικὸς καὶ πολιτικὸς τόπος. Wat hem doet concluderen[118]: "Wer also die Theophrastea
ἠθικοὶ χαρακτῆρες
nannte, der fasste sie deshalb
noch nicht ethisch auf".
Wel is de verzameling zo genoemd "a potiori", aangezien er ook niét strikt
"ethische" portretten in voorkomen (vgl. de
ἀγροικός en de
ὀλίγαρχος) - wat de latere retoren die
de teksten in hun corpora opnamen, er de voorkeur zou hebben doen aan geven de
bijvoeglijke bepaling te laten vallen. Immisch oppert tenslotte het vermoeden dat we het
moraliserende prooemium en de moraliserende clausulae wellicht te danken hebben aan een
latere foutieve interpretatie van het woord [maar dat moet dan gebeurd zijn
vóóraleer het adjectief uit de titel verdwenen was, HdL][119].
De laatste uitgever van de tekst, Steinmetz,
benadert het probleem van de titel vanuit
de betekenis van het Griekse substantief,
χαρακτήρ [120]. Het woord hangt samen met het
werkwoord χαράσσειν
- oorspronkelijk "punten" of "scherpen" - en met
χάραξ,
"gepunte paal" of "staak". Vandaar is een
χαρακτήρ "op de eerste plaats een graveur,
dan een graveerstaal en (munt)stempel"[121]. Ten tijde
van Theophrastos had "χαρακτήρ" de betekenis van "muntstempel" (i.e. de
afdruk ervan) en, meer algemeen, "stempel, karakter, kenmerk; stempeling". Door Theophrastos
is de term voor de eerste maal toepasselijk gemaakt op de menselijke
ψυχή, meer bepaald
op het ἦθος. Een bijvoeglijke bepaling ten einde dat nieuwe,
overdrachtelijke gebruik te
specificeren, was derhalve van in den beginne onmisbaar. Dat met
Ἠθικοὶ Χαρακτῆρες bij
D.L. inderdaad de oorspronkelijke, theophrastische titel voorligt,
mag volgens Steinmetz met des te meer vertrouwen worden aanvaard, aangezien de lijst
van Theophrastos' werken, bij D.L., lijkt terug te gaan op de
πίνακες die Hermippos en
Andronikos daarvan hebben opgesteld. De kopiist van de latere archetypus (ca 8ste eeuw),
die het werk heeft opgenomen als aanhangsel in een retorisch corpus, heeft de bijvoeglijke
bepaling laten vallen, allicht omdat hij meende dat het woord
Ἠθικοὶ het geschrift
verkeerdelijk toewees aan de ethica.
De uitdrukking Ἠθικοὶ
Χαρακτῆρες moet dus begrepen worden in de zin van
"stempelingen (wij zouden zeggen: "prenten") op het vlak van het
èthos" - waarbij
ἦθος in de aristotelische psychologie staat voor het zgn.
ἄλογον, of "niet-redelijke" zielsdeel,
d.w.z. het zielsdeel dat de
λόγος slechts indirect
bezit, nl. enkel "in zoverre het
eraan gehoorzaamt"[122]. Dat "niet-redelijke" zielsdeel - dat, in onderscheid met het vegetatieve of nutritieve vermogen, dus
wel degelijk kan deelhebben aan de rede - is in die psychologie de zetel van de verlangens
(het kan derhalve ook als τὸ
ὀρεκτικόν, het "appetitieve", vereenzelvigd worden) en
van de affecties of emoties (τὰ πάθη) zoals:
"begeerte, woede, vrees, zelfzekerheid, nijd, vreugde, liefde, haat, verlangen, wedijver,
medelijden en, in het algemeen, al wat gevolgd wordt door plezier of smart" (E.N.,
1105b21-23).
De psychische vermogens (δυνάμεις)
die ons in staat stellen effectief kwaad te worden,
pijn te voelen, medelijden te hebben, enz., bevinden zich, als resultaat van opvoeding en
gewoontevorming (ἔθος) maar ook vanuit onze erfelijke aanleg (φύσις), alle in een welbepaalde,
particuliere "gesteldheid" of "habitus" (ἕξις) - zodanig dat de ene persoon bv. opvliegend,
moedig, vrijgevig en loyaal is, de andere bangelijk, schraperig, haatdragend, enz. Welnu,
het is de som (of het samenspel) van al die psychische "gesteldheden" die ieders
ἦθος, of "persoonlijk karakter", uitmaakt.
Tenslotte, in zoverre deze
ἕξεις al dan niet het resultaat zijn van controle door de
(praktische) verstandigheid (φρόνησις)
kunnen zij ofwel
(1) optimaal zijn - en dan vermag de "goede" mens telkens het juiste "midden", te kiezen tussen afkeurenswaardige extreme
attitudes (gespecificeerd als
ἔλλειψις, "tekort", en
ὑπερβολή, "overdrijving").
Bijvoorbeeld tussen verspilzucht (als overdrijving) en vrekkigheid (als tekort) is dat juiste "midden"
of de morele "voortreffelijkheid"
(ἀρετή) de
vrijgevigheid; tussen waaghalzerij en lafheid is het moed, enz. -; ofwel
(2) blijven zij in gebreke, en vervalt de mens inderdaad in mindere of meerdere mate in die extremen: d.w.z. is
hij laf, vrekkig, verkwistend, enz., en dient hij als
κακός, of moreel "slecht" te worden beoordeeld.
In het eerste, optimale geval spreekt men dus van
ἠθικαὶ ἀρεταί, kortweg ook
ἀρεταί, letterlijk: de "staten van voortreffelijkheid van het
èthos"[123], maar traditioneel vertaald als "morele deugden"; in het andere van (ἠθικαὶ)
κακίαι , of "ondeugden" (eigenlijk "disfuncies")[124].
Wat Theophrastos'
Ἠθικοὶ Χαρακτῆρες betreft, moet opgemerkt
worden dat de uitgebeelde "karakterstempels" (de genitief in de kapitteltiteltjes is telkens
afhankelijk van een verzwegen 'χαρακτήρ')
κακίαι betreffen in de "technische" of peripatetische zin van het woord: het gaat m.a.w. om "extreme" (of misschien beter:
excentrische) psychische gesteltenissen (in de "definities" komt de technische term
nochtans niet voor).
Zo krijgen we 11 gedragswijzen beschreven die ook door Aristoteles onderzocht werden, in zijn ethische en retorische geschriften: nl.
εἰρωνεία (I),
κολακεία (II),
ἀγροικία (IV),
ἀρεσκεία (V),
ἀναισχυντία (IX),
ἀναισθησία (XIV),
αὐθαδεία (XV),
ἀνελευθερία (XXII),
ἀλαζονεία (XXIII),
δειλία (XXV),
αἰσχροκέρδεια (XXX). Ook
ἀδολεσχία (III), hoewel geen "ethische" term in de
striktere zin, wordt door Aristoteles gedefiniëerd. Er dient nochtans te worden opgemerkt
dat, enkele toevallige uitzonderingen niet te na gesproken, bij Theophrastos de
bezwaarlijke hoedanigheden nooit gedefinieerd worden vanuit het
μεσότης-principe, d.w.z. àls
ἔλλειψις resp.
ὑβερβολή t.o.v. het "midden".
In de traditionele morele betekenis van het woord, evenwel, lijkt het vaak wat overdreven
om van echte "ondeugden" te spreken. Het gaat doorgaans om (meer onschuldige)
ridicule en/of onaangename "hebbelijkheden"[125], waarvan een groot aantal niet eens
vernoemd worden door Aristoteles.
Om de 30 "zedeprenten" even in hun totaliteit op te sommen (in de vertalingen van respectievelijk Kuiper en Van Dolen): geveinsdheid/de huichelaar (I), kruiperigheid/de
hielenlikker (II), wauwelarij/de zwamneus (III), boersheid/de boerenpummel (IV), behaagzucht/de uitslover (V), verstoktheid/de randfiguur(?) (VI), zwetszucht/de betweter
(VII), nieuwtjesfabricage/de fantast (VIII), onbeschaamdheid/de profiteur (IX), krenterigheid/een echte krent (X), fluimigheid/de vlerk ((XI), taktloosheid/de bokkeschieter
(XII), albeschikzucht/de bedilal (XIII), suffigheid/de sufkop (XIV), stuursheid/de nurks
(XV), bigotterie/de kwezelaar (XVI), kankeren/de kankerpit (XVII), wantrouwendheid/de achterdochtige (XVIII), viesheid/de asociaal (XIX), naarheid/de ongelikte beer
(XX), ijdelheid/het burgermannetje (XXI), schrielheid/de gierigaard (XXII),
grootsprekerij/de blaaskaak (XXIII), verwatenheid/de pedante kwast (XXIV),
lafheid/de bangerik (XXV), absolutisterij/de regent (XXVI), seniele leerlust/de oude
gek (XXVII), kwaadsprekendheid/de lastertong (XXVIII), schurkenliefde/diefjesmaat
(XXIX), vrekkigheid/de geldwolf (XXX).
De mate waarin de Nederlandse vertalingen van de overgeleverde Griekse termen -
zij
het de letterlijke, abstracte termen van Kuiper (van 1936), of de personificaties (nomina
agentis) van Van Dolen (1991) - aansluiten bij ons "natuurlijk" taalgebruik, is ongetwijfeld
erg betrekkelijk[126]. Wellicht is juist dit soort van Grieks, sociaal-ethisch en sociaal-psychologisch vocabularium hoogst tijd- en
contextgebonden, en derhalve nauwelijks vertaalbaar in een moderne taal. Lezenswaard in dit verband zijn de inleidende beschouwingen
van Jebb, bij het begin van zijn "Introduction"[127]: naast de taal die door literatuur kan
bewaard blijven, heeft elke volk een andere taal die noodzakelijk samen met dat volk
ten ondergaat, nl. wat Jebb noemt: "the language of society", i.e. de taal van de sociale
omgang. De algemene betekenis van een woord overleeft in boeken, en soms is het
mogelijk om door een vergelijking van passages, betekenisnuances te onderscheiden,
"but it is seldom or never possible to be sure that we have seized the precise notions
which the word conveyed long ago to the men in whose mouths it was a part of living
speech. A thousand associations which we cannot guess at, reaching back into the
infancy of the people, becoming more complex with its growth, intertwining
themselves with every part of its civil and social being, were blent together in every
word through which this life found utterance, and dyed each with tints which are lost
for ever when the glow from which they were caught is extinct".
Dit verlies, aldus Jebb, is tegelijkertijd het ergst en het moeilijkst herstelbaar in het geval
van de termen die iedere samenleving uitvindt of adapteert om de vertrouwde morele feiten
uit te drukken vanuit gezichtspunten die gans eigen zijn aan die samenleving. Zelfs in het
geval van een levende taal worden zulke termen zelden correct begrepen door een
vreemdeling. Welnu, in de "Zedeprenten" van Theophrastos worden dértig zulke woorden
uitgelegd en geïllustreerd: de precieze voorstelling, bv., die een Athener hechtte aan
ἀνελευθερία wordt ons duidelijk gemaakt door een lijst van de handelingen die de
ἀνελεύθερος zal stellen. In een aantal gevallen wordt nog een grotere duidelijkheid
bereikt door de beschrijving van verwante hoedanigheden: bv. wordt het toepassingsgebied
van ἀνελευθερία nog precieser afgebakend door juxtapositie met
αἰσχροκέρδεια
("vrekkigheid") en
μικρολογία ("krenterigheid"). Jebb's waarderende
conclusie luidt daarom:
"we have, in fact, in this book, a fragment of the social language of Athens
interpreted by a very full and explicit commentary".
De overgeleverde titels, in elk geval, van de stukjes - nl. de abstracte termen - mogen ons
niet misleiden: zoals Indemans opmerkt[128], alhoewel elk stukje start met een definitie van
het te behandelen type,
"treden de eigenaars meer op de voorgrond dan de eigenaardigheden zelf; dit komt
vooral, omdat de auteur de hebbelijkheid illustreert aan bepaalde personen, in
bepaalde omstandigheden".
En, daarbij aansluitend, Steinmetz[129]: in onderscheid
met wat een aantal
commentatoren gesuggereerd
hebben, is Theophrastos niét vertrokken vanuit een "fichier" van (geobserveerde)
particuliere gedragingen, die hij a.h.w. geklasseerd heeft onder de hoofdingen van de
abstracte begrippen; het gebruik van het enkelvoud, de constructie in één lange zin, het
zich beperken, bij een aantal karakters, tot één of een klein aantal scènes, dat alles
"laat erkennen dat Theophrastos een bepaalde persoon voor ogen had, en niet de
bedoeling had, een groep (bv. van ) of een begrip (bv. ) te
presenteren".
§ 3. Stijl en Vorm:
3.1. Elke "prent" is gebaseerd op één, vrij uniforme zinsconstructie: na een definitie, die
bijna altijd volgens hetzelfde schema opgesteld is (maar waarvan de authenticiteit, zoals gezegd,
controversieel is), volgt: "de <bezitter van deze hebbelijkheid> is zo iemand, dat
hij..." - bv. "..., ὁ δὲ
εἴρων τοιοῦτός τις οἷος..." -, waarop dan een lijst van typische
gedragingen volgt, uitgedrukt door middel van infinitiefconstructies (afhangend van
οἷος)
en telkens ingeleid door καί.
Lichte variaties zijn mogelijk: bv.
τοιόσδε i.pl.v.
οἷος; soms is bij de overgang
van definitie naar beschrijving
ἀμέλει
of ἐστι ingevoegd, of wordt verzaakt aan
τις ;
soms wordt een indicatief gevonden in plaats van een infinitief - wat niet altijd per se aan een
"excerptor" moet geweten worden: bv. aan het slot van VIII, de beschrijving van de
λογοποιός
, "einem der durchgeformtesten Stücke des ganzen Büchleins"[130].
Deze paratactische constructie is, aldus Ussher, het meest frapperende stijlkenmerk
van het boek[131].
Andere opmerkelijke punten zijn[132]:
1) het gebruik van de directe rede, ten einde aan het portret een grotere levendigheid te
geven; deze directe rede wordt dikwijls ingeleid door
λέγειν ὅτι of
ὡς , waarbij het
voegwoord, zoals bekend, a.h.w. in de plaats staat van onze aanhalingstekens « »;
2) sommige woorden worden gebruikt in een betekenis die zeldzaam is, of voor de rest enkel betuigd bij late auteurs: bv.
ἦθος als "gelaatsuitdrukking" (VIII, r.4);
διάφορον
voor "uitgaven" (X, r.2);
δεισιδαιμονία in zijn pejoratieve betekenis (XVI);
διάζευγμα , "pier" (XXIII, r.4);
ψυχή, "liefje"(?) (XXVIII, r.8); e.a.
3) Realisme en humor worden mede gerealiseerd door het gebruik van uitdrukkingen en gezegdes uit de dagelijkse omgangstaal. Dergelijk aansluiten bij de omgangstaal geldt ook
voor de "ethische" begrippen zélf die door de stukjes geïllustreerd worden (precieser: voor
de nomina agentis). Steinmetz stelt hierbij vast, wat de "definities" betreft (het gaat in feite
om omschrijvingen van de begripsinhoud, veeleer dan om definities in de eigenlijke zin van
het woord), dat Theophrastos enkel daar afwijkt van Aristoteles waar die laatste een term
niét overeenkomstig het gewone taalgebruik heeft gehanteerd[133].
4) Eigennamen (al dan niet fictief) zorgen voor een realistische "background" (zo was Archias, in IV, misschien een bekende of beruchte handelaar).
5) Twee woordjes die vaak voorkomen, verdienen hier apart vermeld te worden:
a) ἀμέλει
: gewoonlijk als eerste woord in de zin, ter introductie van een karakter.
Het lijkt een voorafgaande vraag te impliceren, bv. "wat is X?", waarop
ἀμέλει letterlijk antwoordt met: "maak je geen zorgen", "no problem"; in het Nederlands
misschien te vertalen met "ja,...", "natuurlijk".
b) δεινὸς
wordt gebruikt met de betekenis van "geneigd tot", "hij pleegt te" (cf. omgangstaal); het herneemt a.h.w.
οἷος.
3.2. Zoals hoger, in § 1, opgemerkt werd, vergt een goede "karakter"-stijl dat de literaire
vormgeving ervan zo eenvoudig en onopvallend mogelijk is gehouden. Dat betekent nochtans niet dat de auteur geen aandacht zou geschonken hebben aan stijl en kompositie. Het
integendeel is het geval, want niets is moeilijker, dan met literaire middelen de indruk van
eenvoud en natuurlijkheid op te roepen. Zo merkt Steinmetz terecht op dat de afwezigheid,
bij Theophrastos, van elke "äusserlich aufgesetzte rhetorische Schmuck" geenszins
betekent dat zijn taal "kunstlos" zou zijn. Ze maakt wel degelijk gebruik van stijlmiddelen,
maar die zijn volledig functioneel gehouden, ten dienste van de verduidelijking[134]. Ook
Smeed schrijft[135]:
"Theophrastus' manner of proceeding seems simple at first sight, but as one comes
to know these short pieces better, one sees that each detail chosen, each habit of
speech recorded, each episode related is telling and appropriate, one more significant
piece in the design. The art is of the kind that conceals art (and the plain writing
conceals it still further)" (m.o.).
Zo ook wat de structuur betreft, mogen we ons niet laten misleiden door de ogenschijnlijk
volledig willekeurige en ordeloze opbouw van de stukjes. Bij nader toezien kunnen wel degelijk een aantal
compositorische principes onderscheiden worden, zowel voor de "definities", de structuur van de afzonderlijke scènes als voor de opbouw van de karakterbeschrijvingen[136]:
3.2.1. De "definities":
Zoals gezegd, gaat het veeleer om omschrijvingen van de begripsinhoud dan om definities
in de eigenlijke zin. Opvallend daarbij is dat de definities van eenduidige begrippen (bv.
φιλοπονηρία,
αἰσχροκέρδεια, e.a.) zeer algemeen zijn gehouden, terwijl zij in het
geval van noties met een breed betekenisspectrum - waaruit Theophrastos dan de koerante
gebruikswijze kiest - scherper geformuleerd wordt (bv.
ἀνελευθερία, ἀναισχυντία,
μικρολογία, λογοποιία, enz.).
Zoals Steinmetz aanstipt moet dat verklaard worden vanuit het feit dat Theophrastos
zijn "karakters" voor Grieken schreef, d.w.z. voor mensen die niet eerst een woordenboek
moesten openslaan om een woord te begrijpen, maar zich onmiddellijk en onwillekeurig, bij
het horen van het woord, een bepaalde voorstelling vormden:
"Die Definition braucht also nicht erst eine Vorstellung hervorzurufen, ihre Aufgabe
ist es vielmehr, eine schon vorhandene Vorstellung schärfer zu umreissen. Aufgabe
der Beschreibung wird es dann sein, diesen Umriss mit Leben und Farbe zu füllen"[137].
De definities fungeren derhalve als een soort van ondertitels en inleidingen. Zij geven de
gezichtspunten aan van waaruit bepaalde concrete situaties moeten beschouwd worden.
Dat wordt bevestigd door de vaststelling dat in sommige gevallen de definitie een kenmerk
in het licht stelt, dat nadien in de beschrijvingen niet meer ter sprake komt (vaak juist één
van de redenen om de authenticiteit van de definities in vraag te stellen), maar wel een
noodzakelijke vereiste is voor een goed begrip van die beschrijvingen. Steinmetz geeft het
voorbeeld van de κολακεία
(II): terwijl enkel in de definitie vastgesteld wordt dat de
κόλαξ
met zijn gedrag op persoonlijk voordeel uit is, wordt het erop volgend beschreven
gedrag slechts begrijpelijk wanneer we ons bewust zijn van die beweegreden van de vleier.
Die onmisbare functie van de definities is voor Steinmetz een argument te meer om de authenticiteit ervan te aanvaarden.
3.2.2. De afzonderlijke scènes:
Er kunnen, wat de beschrijving van de gedragswijzen betreft, in de tekst twee types onderscheiden worden:
-- ofwel wordt het gedrag van een karakter beschreven als een reactie op een
concrete situatie (die aangegeven wordt b.m.v. een participiumconstructie); die reactie kan dan ofwel
in enkele rake woorden geopponeerd worden aan de situatie, ofwel beschreven worden met
alle aandacht voor de kleine, maar karakteristieke en komisch werkende details;
-- ofwel worden gedragingen geschilderd zónder verwijzing naar een
concrete situatie; gaat
het dus om gewoontes. Een beschrijving van zulke gewoontes kan eventueel gereduceerd
worden tot een loutere opsomming.
3.2.3. De beschrijvingen:
De opbouw van de karakterbeschrijvingen als zodanig lijkt op het eerste gezicht volkomen
willekeurig en ordeloos, nl. als een toevallige opeenvolging van gedragingen.
Daartegenover merkt Steinmetz op dat de eerst vermelde scène dikwijls bijzonder
karakteristiek is en blijkbaar de functie heeft om, in samenhang met de definitie, het model
voor de overige scènes aan te geven[138].
De verzameling laat zich, compositorisch, bovendien in een 5-tal groepen onderverdelen:
1) in een aantal karakters wordt eenzelfde handeling uitgebeeld in slechts één situatie of
in een heel beperkt aantal situaties (bv. VIII:
λογοποιία, XXV:
δειλία, III:
ἀδολεσχία, XXVI:
ὀλιγαρχία);
2) in andere worden groepen van afzonderlijk scènes onderling verbonden d.m.v. een externe handeling: bv. in XXIII (de
ἀλάζων gaat ondertussen van de havenpier naar de agorà); ook in II (κολακεία), VII (λαλιά) en XI (βδελυρία);
3) sommige karakters zijn gestructureerd volgens het gezichtspunt van de "engere" tegenover de "bredere" betekenis van het woord (bv. V:
ἀρέσκεια; XIX:
δυσχέρια; XXII:
ἀνελευθερία; XXVII:
ὀψιμαθία);
4) in heel wat karakters ontwikkelt zich naar het einde toe een climax: de gedragingen
worden steeds lachwekkender; tegelijkertijd heeft er ook een soort van "ontmaskering"
plaats: wat in het begin nog min of meer positief leek, blijkt naar het einde toe volkomen
ridicuul te zijn (zo bv. I:
λογοποιία; XIII:
περιεργία; XVII:
μεμψιμοιρία; XX:
ἀηδία, XV:
ἀυθάδεια; XIV:
ἀναισθησία; XXI:
μικροφιλοτιμία);
5) tenslotte is er een groep waarin elk ordeningsprincipe lijkt te ontbreken. Hun overtuigingskracht, echter, berust juist op de
compactheid van de massa scènes waarmee de toehoorder overspoeld wordt (bv. XII:
ἀκαιρία, XVI:
δεισιδαιμονία).
In enkele kapittels vinden we verschillende van deze ordeningsprincipes met elkaar verbonden (bv. V:
ἀρέσκεια). Bij de keuze ervan, zo merkt Steinmetz op, is Theophrastos
niet willekeurig te werk gegaan: hij heeft zich enerzijds laten leiden door de
doeltreffendheid naar de toehoorder toe, anderzijds door de aard van de stof: de
λογοποιός, bv., kan men nog het best in één situatie, met aandacht voor de kleine
details, zijn "nieuwtjes" laten brengen; dat ook op die manier te doen voor de
ἄκαιρος wordt door de aard van de stof zelf uitgesloten[139].
§ 4. τὸ γελοῖον
Theophrastos heeft, zoals gezegd, in het kader van zijn retorica-onderricht een
Περὶ γελοίου
(in het Latijn: De ridiculo) geschreven. Uit het enige fragment dat
eruit
bewaard is (fr. 130 W., bij Athenaios, VIII, 348A), blijkt alleszins dat hij het geestig spelen
met gangbare zegswijzen wist te appreciëren.
Het belang van het
γελοῖον voor de welsprekendheid werd al door Aristoteles, in
zijn Rhetorica, uitdrukkelijk beklemtoond: cf. het slot van boek III, 1419b2, waar we voor
een bespreking van de verschillende ervan helaas naar de "Περὶ
ποιητικῆς"
worden verwezen. "Helaas", want de bewaarde Poetica bevat geen dergelijke bespreking.
De betreffende passus wordt daarom vaak als een testimonium beschouwd voor een
verloren tweede boek van de Poetica, dat dan over de komedie zou hebben gehandeld[140].
Onder Theophrastos' werken wordt alleszins een
Περὶ κωμωδίας vermeld.
In Aristoteles' Poetica vinden we enkel, in het kader van een korte verwijzing naar de komedie, V, 1449a32 e.v., de volgende omschrijving (vert. Van der Ben & Bremer, p. 35):
"er is aan het slechte en lelijke iets wat de lachlust opwekt (γελοῖόν
τι); men lacht nl. om iemand als hij een fout begaat of een lelijkheid vertoont, zolang
althans die niet <voor hemzelf of anderen> de oorzaak is van hevige pijn of dood. Een voor de hand liggende illustratie van het hier gezegde zijn de
komische maskers: lelijke en scheve gezichten maar zonder hevige pijn".
In een passage in de Rhetorica (I.11, 1371b33) worden
τὰ γελοῖα (en dat kan dan zowel
slaan op mensen, redevoeringen als daden) in dezelfde zin tot de "prettige" zaken (ἡδεῖα)
gerekend.
Had Theophrastos, hadden de Grieken in het algemeen, gevoel voor "humor"? Of is
humor überhaupt geen Grieks begrip? Dat laatste is alleszins de mening van Steinmetz[141].
Indemans, daarentegen, verwijst naar de dissertatie van een zekere E.Jongejan,
De Humor-"cultus" der Romantiek in Nederland (Zutphen 1932), waarin nadrukkelijk de stelling
wordt verdedigd "dat ook de Ouden (i.c. Socrates en Plato) humor hebben gekend"[142].
Indemans zelf biedt de volgende omschrijving aan van "humor":
"Humor is een activiteit van de intelligentie waarbij door middel van onverwachte
wendingen of combinaties geappeleerd wordt aan het gevoel voor de betrekkelijkheid
der dingen, en wel zo dat deze activiteit bevrijdend werkt".
Wat daar ook van zij, het komisch effect van Theophrastos' "karakters" is onloochenbaar.
Moet de verklaring daarvoor enkel en alleen in de stof worden gezocht? Dat is de mening
van C.Hoffmann, Das Zweckproblem von Theophrasts Charakteren, Diss. Breslau 1920
(vermeld bij Steinmetz). Z.i. zou een komische intentie vanwege Theophrastos strijdig zijn
met het wetenschappelijke karakter van het werk.
Of is het lachwekkende ervan bewust nagestreefd door de auteur (zodat ook de vorm
ertoe bijdraagt)? Dat laatste lijkt inderdaad het geval te zijn[143].
Het komisch effect resulteert bovenal uit een scherp contrast tussen situatie en reactie
("Situationskomik") en uit wat gezegd wordt (vgl. het slot van VII, "de zwetszucht":
"Paps, klets een beetje tegen ons, dan vallen we gauw in slaap", vert. Kuiper). Bij tal van
gedragingen wordt gewezen op onbedoelde, onaangename gevolgen, die op de lachlust
werken (bv. in hetzelfde stukje, § 3, waar de zwetser er, midden het zaken-doen in slaagt
een heel gezelschap op de vlucht te jagen). Ook het breeduit beschrijven van een handelwijze, met oog voor de kleine details, werkt komisch.
Maar daarnaast worden ook stilistische middelen aangewend: bv. het koppelen van verkleinwoorden (zoals in V en XXI), het gebruik van antithesen (bv. in I, § 2:
λαλεῖν, οὐ μισεῖν; 5:
πωλῶν φῆσαι ὡς οὐ πωλεῖ, μὴ πωλῶν φῆσαι πωλεῖν; IV, 2; VI,
8; XII, 10; XXII, 5; XXIX, 4 en 5; XXX, 17), van chiasmen (bv. V, 9; X, 7), van
woordspelingen (XXVIII, 2, en XXX, 11); ook de zinsbouw beoogt regelmatig een
komisch effect.
Indemans[144] wijst bv. op gevallen waar het einde van een zin komisch werkt (bv. XI,
10: μόνος τῶν ἄλλων; XVI, 10:
ὅλην τὴν ἡμέραν; XXIV, 2:
ἐν τῶι περιπατεῖν); andere waar een effectvolle
climax ontstaat (bv. XVI, 12; XXI, 10); soms
wordt een woord naar voor getrokken (bv. XX, 10:
αὐτὴν); in XXV, 5, staat een
opvallend polysyndeton; tenslotte is ook de plaats van attributieve en predicatieve
bepalingen herhaaldelijk opvallend.
Komische woordvormingen, daarentegen, zijn zeldzaam - wat erop wijst dat het werkje
niet opvallend beïnvloed is door de Komedie[145].
Zoals hoger vermeld, alludeert Aristoteles, aan het slot van Rhetorica III op verschillende
εἴδη
van het
γελοῖον, eraan toevoegend dat de ene passend zijn voor een "vrij"
man, de andere niet. Theophrastos' Karakters levert daarvan a.h.w. een toepassing: het
"lachwekkende" wordt in alle stukjes aangetroffen maar het neemt verschillende gedaantes
aan[146].
Indemans onderscheidt, in aansluiting bij zijn omschrijving van "humor" (cf. supra) de
volgende "genres":
"bij de clownerie en grappenmakerij schort het aan activiteit van de intelligentie; bij
de geestigheid en esprit valt op de activiteit van de intelligentie juist een zeer grote
nadruk; spot en satire weten minder goed 'afstand te nemen', zodat de
betrekkelijkheid der dingen soms niet voldoende wordt belicht; ironie dankt haar
ontstaan aan een speciale toepassing van onverwachte wendingen of combinaties: zij
'liegt' beroepshalve".
Sarcasme, daarentegen, is z.i. nooit humor, want het werkt nooit echt "bevrijdend"[147].
Wat Theophrastos betreft, gaat het, volgens Steinmetz[148] van het begrijpend, om zo te
zeggen verontschuldigend glimlachen (bv. XII:
ἀκαιρία, XIII:
περιεργία); over
luidop lachen-met (XXV: δειλία, VIII:
λογοποιία), regelrechte spot en satire (I:
εἰρωνεία, V:
ἀρέσκεια), tot bijtend sarcasme (XXVIII:
κακολογία, XXIX:
φιλοπονηρία). Maar het is evident dat de appreciatie hier altijd wat subjectief is[149].
Zoveel is alleszins duidelijk: de aard van het
γελοῖον is afhankelijk van de aard van
het beschreven karakter, al naargelang het gaat om een ongelukkige zwakheid of een
ernstig gebrek: "Jeder Charakter findet so sein
oἰκεῖον γελοῖον"[150].
§ 5. Overleveringsgeschiedenis:
5.1. Sedert Cichorius (1897) bestaat er in de moderne literatuur weliswaar geen totale maar
toch een vrij grote eenstemmigheid om het ontstaan van de tekst te dateren in 319
v.o.t., of niet
lang nadien. Zie Conrad Cichorius, Die Abfassungszeit von Theophrasts Charakteren, in
de collectieve tekstuitgave (met vertaling en commentaar) van de "Philologische
Gesellschaft zu Leipzig", 1897, pp. LVII-LXII.
De datering berust op twee historische allusies in de tekst: de ene in VIII (de
λογοποιός), §6, vermeldt het
conflict tussen Poluperchoon en "de koning", enerzijds,
en Kassander, anderzijds; de tweede in XXIII (de
ἀλάζων), §4, verwijst naar een nog
levende Antipatros. Terwijl de eerste allusie een tijdspanne van 10 jaar kan bestrijken (van
319 tot 309), reduceert de tweede dat tot 319, of kort erna, aangezien Antipatros stierf in
de eerste helft van 319 (dat houdt natuurlijk ook in dat nr. XXIII geschreven is vóór nr.
VIII). De "koning" (βασιλεύς) van VIII moet dan Philippos Arrhidaios zijn ("an
imbecile and epileptic", die door het leger tot koning was uitgeroepen)[151]; de veldslag
waarvan sprake moet in de tweede helft van 319 hebben plaatsgevonden.
Tegen Cichorius' argumentatie is weliswaar verzet aangetekend door F.Rühl, in: Rhein.
Museum, LIII (1898), pp. 324-7. Z.i. wordt in verscheidene Karakters een democratisch
regime voorondersteld, wat strijdig is met een datering in 319. Regenbogen is eveneens vrij
sceptisch: de verschillende stukjes kunnen op erg uit elkaar liggende momenten geschreven
zijn en de vermelde historische allusies bewijzen alleen iets voor de Karakters waarin ze
voorkomen[152].
In 319 was Theophrastos ongeveer 52 jaar oud (bij een geboortedatum in 371). Wanneer hij een 30-tal jaar later stierf, kwam zijn bibliotheek (waarin de aristotelische geïncorporeerd was) in handen van Neleus. Gepasseerd als opvolger, keerde deze laatste terug
naar Skepsis, waar de betreffende boeken - volgens Straboon, Geophr., XIII, I.54 - bijna
200 jaar lang begraven zijn gebleven. In de 1ste eeuw vK doken ze weer op; kwamen via
Athene in Rome terecht en werden vervolgens geredigeerd en uitgegeven door Andronikos van Rhodos.
Andronikos heeft waarschijnlijk ook Theophrastos' Karakters uitgegeven (cf. de aanwezigheid van het werk in de
catalogus bij Diogenes Laertios, die vermoedelijk op Andronikos
en, via hem, op Hermippos teruggaat)[153]. Dat betekent nochtans niet dat ook dit werkje
twee eeuwen lang gewoon "verdwenen" was: de (inhoudelijke en stilistische) invloed ervan
op latere peripatetici is daarvoor te manifest. Na Theophrastos kwam het in de Peripatos
tot een echte bloei van dit literaire genre: Lukoon (4de schoolhoofd, van 270 tot ca 236), Aristoon van Keos (waarschijnlijk het 5de schoolhoofd), en ook de "peripatetische" alexandrijnse geleerde Saturos van Kallatis (2de eeuw vK) hebben het genre beoefend onder
directe inspiratie van Theophrastos. Via Aristoon wellicht zijn Theophrastos' Karakters ook
bij de epikureër Philodemos (1ste eeuw vK) beland. Een papyrusfragment van diens
Περὶ κακιῶν
(De Vitiis) - Papyrus Herculanensis 1457 (1e eeuw vK), gepubliceerd in 1914 -
bevat, zoals gezegd, een citaat van Karakter V.
In de late oudheid cirkuleerden er, zoals van vele andere klassieke auteurs, ook van de
Karakters ingekorte versies. Een Egyptisch papyrusfragment uit de 3de eeuw nK, nl.
Papyrus Oxyrhynchus IV 699, heeft twee korte fragmenten van een dergelijke
versie bewaard (nl. het slot van XXV en het begin van XXVI).
5.2. Rond 500 o.t. (aldus Steinmetz, l.c.) werd een exemplaar van het werk door een lezer
voorzien van een prooemium en van epilogen (bij I, II, III, VI, VIII, XXVII, XXIV), en
het is dit exemplaar dat de verdere traditie heeft bepaald. Dat het werk überhaupt tot ons
is gekomen, is te danken aan het gelukkige toeval dat het in de 8ste of 9de eeuw door een retor in een retorisch corpus werd opgenomen. Deze codex, geschreven in uncialen, met
genummerde "Karakters" en voorzien van prooemia en clausulae, was de archetypus van
de bewaarde handschriften. Twee katernen dik, is hij niet lang daarna uiteengevallen in 4 stukken:
1) het eerste katern, van het prooemium t.e.m. XV;
2) het
grootste deel van het tweede, van XVI tot XXX §4;
3) het laatste blad, XXX §§ 17-20,
geraakte verloren;
4) het voorlaatste blad, XXX §§ 5-16, kwam eveneens los maar werd
door een lezer tussen de bladeren vooraan gestoken, en kwam aldus toevallig terecht achter
XI.
Vóór het uiteenvallen van de archetypus, nochtans, was er een transcriptie in minuskel
gemaakt van de volledige verzameling (zgn. v).
Ik volg hier, voor de eenvoud en de duidelijkheid, de reconstructie van de tekstgeschiedenis door Steinmetz[154]. Zij maakt het mogelijk om de, op het eerste gezicht, hopeloos
verwarde toestand van de tekstoverlevering - cf. de bekende uitspraak van Cobet, 1874,
dat van alle bewaarde antieke teksten de Karakters de meest corrupte teksttraditie hebben -
terug te voeren op één oorzaak: het fysisch uiteenvallen van de archetypus.
Geen wonder, dat de moderne editio princeps van onze tekst (Nürenberg 1527, van
de hand van W.Pirckheymer, met Latijnse vertaling, en opgedragen aan Albert Dürer)
slechts Kar. I-XV bevatte. In 1552 volgde een meer volledige Venetiaanse uitgave van de
hand van Camotius, met opname van XVI-XXIII. Dat was ook de inhoud van de eerste
uitgave van Isaac Casaubonus, van 1592; zijn tweede uitgave, van 1599, was daarentegen
vermeerderd met nrs. XXIV tot XXVIII (geput uit een Palatinus van Heidelberg). Hoewel
men op dat ogenblik wist dat er nog twee nummers ontbraken (de inhoudstafel in een aantal mss. bevatten 30 titels), duurde het nog tot 1786 tot ook XXIX en XXX gepubliceerd
werden. De uitgever Amadutius (Parma) had daarvoor een beroep gedaan op de fameuze
Vaticanus 110 (V), onze hoofdbron voor XVI-XXX. Datzelfde manuscript bevatte,
merkwaardig genoeg, behalve XXIX en XXX, ook nog belangrijke toegingen bij de
overige 13 kapittels. Deze toevoegingen werden door de meeste geleerden als inauthentiek
beschouwd, temeer omdat ondertussen in München een extreem ingekorte versie van I-XXI opgedoken was (het Epitome Monacensis, 15de eeuw), dat volgens sommigen de
oorspronkelijke versie van de Karakters weergaf. Drie dissertaties, echter, van H.E.Foss
(gepubliceerd tussen 1834 en 1836) hebben een volledige ommekeer gebracht in die appreciatie: de supplementen in V gelden sedertdien algemeen als authentiek. Op het vlak van
de tekstkollatie en -constitutie dient hier tenslotte nog de uitgave vermeld te worden van
de "Philologische Gesellschaft zu Leipzig", 1897, gebaseerd op een oorspronkelijke
collatie van de belangrijke Parisini A en B (zie verder) van de hand van O.Ribbeck en van
V door G.Löwe (de "Einleitung: Die Rezension des Textes", pp. VIII-LVI, is geschreven
door O. Immisch); evenals die van H.Diels, voor de Oxford Classical Texts, van 1909,
eveneens gebaseerd op een persoonlijke recensio (zij het op basis van foto's) van A, B en
V (Diels was ervan overtuigd dat de overgeleverde tekst slechts een ingekorte versie is van
Theophrastos' oorspronkelijk werk).
5.3. Handschriften:
Van Theophrastos' Karakters zijn ons een 60-tal handschriften overgeleverd. In geen enkel
ervan is de volledige tekst bewaard, zoals hij door de hedendaagse uitgevers wordt
afgedrukt. Op basis van hun inhoud kunnen zij in de volgende groepen worden
onderverdeeld:
(1) I-XV:
-- de Parisinus graecus 2977 (11de eeuw), A, en de Parisinus graecus 1983 (10de/11de eeuw),
B, die allebei door ouderdom en
waarde boven alle andere mss. uitsteken, en
-- de groep (!) E (afzonderlijke leden van deze groep worden vermeld als
e)
van de 13de tot de 16de e.
(2) XVI-XXX: de Vaticanus graecus 110 (13de/14de eeuw), V, een partiële kopie van het hoger
vermelde v (de kopiist beschikte in zijn bibliotheek waarschijnlijk al over de tekst van
I-XV).
(3) I-XXVIII: de handschriften van de groep (!) C - afzonderlijke leden ervan worden
aangeduid als c -, 15de - 16de eeuw.
(4) I-XXIII: de groep D (d), 14de - 16de eeuw.
(5) I-XXI (ingekorte versie): de Monacensis graecus 505, 15de eeuw,
M, bijgenaamd het
"Epitome Monacensis".
Hierbij moet nog worden opgemerkt dat een deel van XXX (§§ 5-16) in verkorte vorm
verschijnt in ABCDEM, als slot van XI; en dat CD in I-XV zowat dezelfde tekst brengen
als AB, maar dat ze voor XVI-XXVIII/XXIII een tekst brengen, die in vergelijking met
V ongeveer 1/4 korter is.
Steinmetz, Text, pp. 1-59, komt voor de tekstconstitutie tot de volgende principes (zie ook
zijn stemma, p. 59):
1) voor Prooemium & I-XV hebben enkel A en B zelfstandige waarde; eventuele
verbeteringen in CDEM dienen niet hoger geschat dan moderne conjecturen;
2) in XVI-XXX hebben V en CD zelfstandige waarde; V is daarbij het meest gezaghebbend, aangezien CD, die teruggaan op de uitgave van Planudes (einde 13de eeuw), veel van
hun waarde verliezen wegens diens gedwongen epitomisering van de inhoud als gevolg van
de beschadigingen aan zijn model x2.
In tegenstelling tot vroegere uitgevers, zoals O.Immisch en J.M.Edmonds, sluit Steinmetz
het Epitome Monacensis uit van de tekstconstitutie[155].
§ 6. "Nachleben":
De geschiedenis van het theophrastische genre van het "karakter" is recent in extenso beschreven door
J.W.Smeed (1985). Ik beperk me hier tot enkele uiterst rudimentaire aanwijzingen.
In de middeleeuwen wordt het theophrastisch "karakter" als zodanig niet aangetroffen.
De verklaring daarvoor moet o.m. gezocht worden in het feit dat
"(the) passion for cataloguing and classifying was combined with the strongly held
notion of a divinely ordained social hierarchy. Types were portrayed primarily in
order to make moral and metaphysical points about God's ordinances, the necessity
to put aside wordly things, the fearful ubiquity of death, and so on"[156].
Als "voorlopers", echter, dienen vermeld te worden: de allegorische personificaties van
morele kwaliteiten (bv. de Zeven Doodzonden), die een zeer belangrijke rol speelden in de
satirische en didactische literatuur; de literatuur over de (in principe drie) Ordines
("Estates"), waarin de verschillende maatschappelijke standen werden beschreven (de
clerus, de adel, de boeren, nadien ook de handelaars, ambachtslui, enz.); verschillende
satirische compilaties van het type "Narrenschiff" (meest bekend: dat van Sebastian Brant,
1494), waarin onder "nar" of "zot" zowel vrij onschadelijke types konden begrepen worden
(bv. pendanterie, dansmanie, enz.), als de ganse reeks van zonden, tot aan blasfemie,
opstand tegen God, enz. Hoewel van individuele karakterbeschrijving geen sprake was,
brachten dit soort van teksten toch brede en soepele schema's aan waarin alle menselijke
types konden ondergebracht worden.
De renaissance van het theophrastisch "karakter" in het begin van de 17de eeuw is ongetwijfeld gestimuleerd door de Latijnse vertaling van de
Characteres door Casaubonus
(1592). Maar bovenal waren het natuurlijk de grote maatschappelijke en culturele ontwikkelingen die gemaakt hebben dat, in de eerste plaats in Engeland, karakterbeschrijvingen
van menselijke types een doel op zich werden.
In het oudste voorbeeld, de Characters of Virtues and Vices van Joseph Hall, van
1608, wordt Theophrastos, "that ancient Master of Morality", uitdrukkelijk als model
geciteerd. In de praktijk, evenwel, zijn tal van verschilpunten aan te stippen tussen beide
auteurs[157]. Onderwerp van een "karakter" waren niet enkel morele hoedanigheden, maar
ook (en zelfs overwegend) sociale types en beroepen (de "Franse kok", de "Jesuïet", de
"Woekeraar", enz.); nationaliteiten; zelfs plaatsen (bv. "de Brug", "Paul's Walk"),
seizoenen, tijdstippen en feesten ("Januari", "Middernacht"): "the truth is, almost anything
is subject for a Character (the Horse, the Term, the Character itself)", aldus Ussher[158].
Enkele titels van in de 17de eeuw verschenen verzamelingen[159]:
* Joseph Hall, Characters of Virtues and Vices, 2 boeken, 1608 (zie J.Hall,
Works, 12
vols, Oxford 1837-9, vol. VI);
* Thomas Overbury, Characters or Witty Descriptions or the Properties of Sundry Persons, 1614 (zie zijn
Miscellaneous Works, ed. E.F.Rimbault, London 1890);
* Nicholas Breton, The Good and the Badde, 1616 (in: Works, 2 vols, ed. A.B. Grosart,
1879; repr. New York 1966, vol.II);
* John Earle, Microcosmography, 1628 (16336), ed. W.H.D.Rouse, London 1890
(Temple Classics); A.A.West, Cambridge 1920;
* Richard Brathwaite, Whimzies, 1631 (ed. J.O.Halliwell, London 1859);
* Frances Lenton, Characterismi, 1631; enz.
Voor Frankrijk kunnen o.m. vermeld worden:
* Jean de La Bruyère, Les Caractères de Théophraste, traduits du grec avec les
Caractères ou les Moeurs de ce siècle, 16881, 16969 (ed. R.Pignarre, Paris 1965);
* P.J.Brillon, Portraits sérieux, galands et critiques, 1696;
* Luc de Clapiers, Marquis de Vauvenargues, Essai sur quelques Caractères, ca 1746
(in: Oeuvres, ed. P.Varillon, Paris 1929, vol. I).
Tenslotte moet nog aangestipt worden dat het "karakter" ook een belangrijke
formatieve rol gespeeld heeft in de ontwikkeling van de roman. Eén voorbeeld: Charles
Dickens, met zijn Sketches by Boz, 1836: zie "the Old Lady", "the Clerk and the
Misanthrope", "the Parlour Orator", "the Schoolmaster"...
___________________________
NOTEN:
101. O.c., pp. 4-5.
102. The Theophrastean 'Character' (1985), p.6.
103. Zie De Ley (1994), pp. 16-17.
104. Ter wille van de eenvoud en wegens de terminologie in de andere moderne talen zullen we
met deze term het literaire genre aanduiden. In het Nederlands is de vertaling "zedeprent" eigenlijk
nauwkeuriger: zie de titel van Kuipers vertaling (1936), maar ook reeds Constantijn Huygens, die aan
zijn in 1623-24 geschreven Characteres oft Printen later de titel van Zedeprinten gaf, met als
argument, in zijn inleiding, dat het Griekse daarmee nog het best vertaald werd,
cf. Kuiper, o.c., p.x). De nieuwe Nederlandse vertaling van Van Dolen (1991) geeft de voorkeur aan
"Karakterschetsen".
105. Zie Smeed, o.c., p.48v.
106. Immisch (1898), p. 194, m.o.
107. Smeed, o.c., p.2.
108. Kuiper, o.c., p.viii.
109. Smeed, o.c. (m.o.).
110. Voor een samenvattende bespreking van de formele regels die de 17de-eeuwse Engelse
beoefenaars van het genre zelf hebben geformuleerd - er zijn zelfs (drie) "karakters van een
karakter" bewaard -, zie het besluit in Smeed, o.c., pp. 263-291.
111. O.c., pp.vii-viii.
112. Steinmetz (1960-62), p.7 n.1.
113. O.c., p. 68.
114. Zie o.c., p.7 en n.27, p.27 n.119.
115. Komm., p. 7; zie ook Van Dolen (1991), p. 16 ("vrijwel zeker").
116. Immisch, o.c., pp. 204-205.
117. Aristoteles geeft in zijn Rhetorica (II, 12-17) een korte beschrijving van enkele basistypes: de
jongere, de oudere, de rijke, om te tonen hoe men omtrent de menselijke natuur kan veralgemenen.
Van "karakters" in de theophrastische zin is daarbij nog geen sprake.
118. O.c., p. 205.
119. O.c., p. 206.
120. Steinmetz, Komm., p. 7; hij steunt hierbij o.m. op A.Koerte, XAPAKTHP, in: Hermes 64 (1929),
p. 69v.
121. Van Dolen, o.c., p. 15.
122. Zie Aristoteles, Ethica Nicomachea, I, 1097b33-1098a5, waar hij het specifieke "werk
van de mens" poogt af te grenzen t.o.v. de andere levende wezens: "het leven (zonder meer) blijkt
de mens zelfs met de planten te delen, terwijl het het specifieke is dat we zoeken. Het nutritieve en
vegetatieve leven moeten we dus terzijde schuiven. Het (leven) dat erop volgt, zal er een zijn van
zintuiglijke gewaarwording maar ook dàt blijkt (de mens) te delen, nl. met het
paard, het rund en elk ander dier. Wat bijgevolg overblijft, is een leven van handelen vanwege hetgene de rede bezit: daarvan 'bezit' het ene (deel) die logos
in de zin dat het eraan gehoorzaamt, het andere in de zin dat het hem (effectief) bezit en dus
nadenkt". Zie hierover op deze
site.
123. Het Griekse woord
ἀρετή is a.h.w. het substantief van
ἀγαθός (vgl. de superlatief
ἄριστος).
124. Ook uit de uitdrukking
ἠθικαὶ ἀρεταί blijkt goed het in oorsprong ethisch neutrale statuut
van het adjectief ἠθικός; de uitdrukking staat immers niet in contrast met zoiets als "immorele
deugden", maar met de
διανοητικαὶ ἀρεταί, i.e. de "staten van voortreffelijkheid van het verstand", kortweg de "intellectuele deugden" genoemd (zie over deze laatste boek VI van de
Nikomachische Ethiek; de
ἠθικαὶ ἀρεταί worden door Aristoteles behandeld in de boeken III-V).
125. Indemans, o.c., p. 61.
126. Lees bv. bij Van Dolen, o.c., p. 34 n. 1, de rechtvaardiging voor de vertaling van
ἀπονενοημένος
door "de randfiguur".
127. Jebb-Sandys, o.c., pp. 1-2.
128. Indemans, l.c.
129. Komm., pp. 17-18.
130. Steinmetz, Komm. p. 17; zie ook Ussher, o.c., p. 20 n.100.
131. O.c., p. 21.
132. Zie Ussher, l.c.
133. Komm., pp. 10-12.
134. Komm., pp. 19-20.
135. (1985), p. 5.
136. Zie Steinmetz, Komm., pp.14-19.
137. O.c., p. 14.
138. Steinmetz, o.c., p. 18.
139. Steinmetz, o.c., p. 19.
140. Cf. de plot van Umberto Eco's De Naam van de Roos.
141. Steinmetz, o.c., p. 22.
142. Indemans, o.c., p.81. Indemans verwijst ook naar een artikel van L. Linschoten,
Over de Humor,
in: Ts. voor Philos., XIII, 4 (11951), pp. 603-666.
143. Zo o.m. Indemans, o.c., pp. 80-87 (Theophrastos' Zedeprenten bedoeld als een "divertissement");
Steinmetz, o.c., pp. 22-23. Ook Jebb-Sandys, Edmonds, Ussher e.a.
144. O.c., pp. 76-77.
145. Indemans, o.c., p.70.
146. M.b.t. één vorm, de spot (σκῶμμα), weten we dat Theophrastos een definitie van Aristoteles
(E.N. IV, 14, 1128a30: "spot is een soort van belediging") genuanceerd heeft, cf. Ploutarchos,
Quaest.Conv. II, 631E: "volgens Theophrastos is spot een verkàpte manier om iemand een fout
te verwijten ( )".
147. Zie Indemans, o.c., p. 81 en n. 94.
148. O.c., p. 23.
149. Indemans, o.c., p. 83, meent bv. sarcasme, "en dus geen humor", te vinden in XI en XIX;
medevoelen treft hij aan in XII, XIV, XXV, XVI en XXVII, terwijl in het geval van VI, XX, XI,
XIX en XXVIII een uitgesproken antipathie de humor in de weg staat.
150. Steinmetz, o.c., p.23.
151. aldus Ussher, o.c., p.13.
152. O.c., k. 1510-11.
153. Zie Steinmetz (1960-62), 1. Text, p. 56. Ussher, o.c., p. 15, daarentegen, bestempelt de opname
van de Karakters in Andronikos' uitgave als "onzeker".
154. 1.Band: Text und Textgeschichte, p. 57.
155. Zie ook Ussher, o.c., pp. 18-19.
156. Smeed, o.c., p. 17.
157. Zie Smeed, o.c., p. 20v.; ook Jebb-Sandys, o.c., p. 24v.
158. O.c., p.30.
159. Voor een zeer uitvoerige bibliografie zie Smeed, o.c., pp. 339-381.
|