|
P.S. Zie vooral de "Werkbeschreibung" en "Doxographie" bij Wehrli,
Der Peripatos bis zum
Beginn der römischen Kaiserzeit (1983), pp. 477-517.
§ 1. Logica[61]:
Een creatie van Aristoteles, was de logica een terrein dat ruime gelegenheid bood voor
verbeteringen en verdere uitwerkingen. Een belangrijke fractie van Theophrastos' oeuvre
(zo wat twee dozijn werken) was dan ook daaraan gewijd; het aantal overgeleverde fragmenten is nochtans erg klein (ze zijn vooral afkomstig van Aristotelescommentatoren uit
de Keizertijd). Vermeldenswaard is vooral Theophrastos' bewerking van de aristotelische
analytica, of bewijsleer: zie zijn
Ἀναλυτικὰ πρότερα (frr. bij Alexander van
Aphrodisias; in Sources, part 1, § Logic). Het werk beoogde de formeel-logische
vervollediging en systematisering van de aristotelische syllogismenleer. Vandaag wordt
Theophrastos erkend als de wegbereider van de stoïcijnse logica: cf. bv. de ontwikkeling
van de leer van het hypothetisch syllogisme (bv. "indien het duister is, is het nacht; het is
duister; dus is het nacht"); alsook zijn grote aandacht voor de structuren van de taal.
§ 2. Fysica en kosmologie[62]:
Theophrastos produceerde op dit gebied zowel een algemeen werk in 8 boeken, nl. zijn
Phusiką, als een reeks van monografieën waarvan sommige bewaard zijn (Over winden,
Over (weer)tekens, Over het vuur, Over gesteenten).
Zijn fysica sluit nauw aan bij de aristotelische: d.w.z. de essentiële gezichtspunten
worden overgenomen en zo mogelijk systematisch vervolledigd; maar de aporetische
presentatievorm reveleert regelmatig twijfel aan al te speculatieve elementen. Zoals bij
Aristoteles, wordt ook hier het hoofdthema geleverd door de
κίνησις het algemene fenomeen van
de φύσις (waaronder
ąlle vormen van "verandering" moeten begrepen worden) en de
oorzaken ervan (zie hieromtrent bij Aristoteles,
op deze site). De ís nu eenmaal het domein van de
κίνησις (in de lijst van de
werken komt ook een Περὶ
κινήσεως
voor, maar het gaat waarschijnlijk om een tekst
ontstaan als onderdeel van de Phusiką).
Theophrastos verdedigde Aristoteles' leer van de eeuwigheid van de wereld in een uitvoerige polemiek met de tegenstanders van die thesis (fragmenten in Philoon,
Περὶ ἀφθαρσίας κόσμου, of
De aeternitate mundi). Getrouw aan de Akademische traditie, aanvaardde hij de goddelijkheid van de hemel en voerde hij de omwentelingen van sterren en
planeten terug op bezieling; van Aristoteles' "onbewogen beweger", nochtans, zag hij af,
als zijnde een overbodige hypothese.
Althans in zijn Περὶ
πυρός blijkt Theophrastos grote problemen te hebben met de
aristotelische leer van de vier elementen. Wat zijn detailstudies betreft op het gebied van de
fysica
(en de fysiologie), in het algemeen, dient te worden vastgesteld dat zij aansloten
bij het genre van de Προβλήματα-literatuur dat van voorperipatetische oorsprong was.
Het betrof telkens losse "aitiologieën" die als zodanig geen natuurfilosofische totaalvisie
vereisten. In de Peripatos was dit genre erg populair; het leverde de basis voor
systematisch onderzoek maar fungeerde ook als literair "entertainment". De (verloren) verzameling
Προβλημάτων συναγωγή
evenals de verschillende monografieën in Theophrastos' bibliografie zijn gebruikt voor de (bewaarde) pseudo-aristotelische Problemata[63].
Tot dit genre behoorden dus werkjes als
Περὶ λίθων,
Περὶ ὕδατος,
(met sterk paradoxografische inslag), e.a., evenals die m.b.t. de
§ 3. Fysiologie:
Op dit terrein is geen omvattend werk bekend. De bewaarde monografieën die eveneens
tot het "problemata"-genre moeten gerekend worden - geven van hetzelfde voorzichtig
empirisme blijk als de werkjes over de anorganische natuur. Verzameling en beschrijving
van fenomenen vormt steeds de basis (bv. in zijn
Περὶ ἱδρῶτος en
Περὶ μελαγχολίας); een uniforme, speculatieve verklaringswijze moet men er niet
verwachten. De overgeleverde aitiologieën krijgen we eventueel gepresenteerd in aporetisch geformuleerde overzichten (bv.
Περὶ κόπων, i.e. "Over vermoeidheid", 1 boek);
dikwijls wordt op erg eclectisch-pragmatische manier gekozen voor telkens de meest
adequaat lijkende verklaringswijze: in
Περὶ ἰλίγγων, "over draaiingen", wordt bv. gewerkt met de pneuma-leer, in het
Περὶ
μελαγχολίας, daarentegen, met de leer van
de tegengestelden en het juiste midden. Wel hanteert Theophrastos, als algemeen axioma
ter beschouwing van de ganse organische natuur, het aristotelische entelechieprincipe (i.e.
het principe dat al wat leeft, naar voltooiing streeft) - hoewel hij, zoals hoger gezegd, wel
tal van problemen opwerpt i.v.m. Aristoteles' teleologische natuurvisie.
§ 4. Zoölogie:
Van Theophrastos' zoölogische teksten zijn slechts een gering aantal fragmenten op zijn
naam bewaard gebleven. Ongetwijfeld zijn een aantal geschriften opgegaan in de grote
massa van de peripatetische schoolliteratuur terzake en achteraf aan Aristoteles
toegeschreven. Dat kon des te gemakkelijker aangezien Theophrastos ook hier nauw
aansloot bij het onderzoek van zijn meester. Zijn algemeen werk,
Περὶ ζώιων, 7 boeken,
was waarschijnlijk een bewerking van aristotelische syllabi. Daarnaast vinden we weer tal
van detailstudies vermeld, zoals: Over kleurveranderingen bij dieren; Over stemverschillen
bij dieren die nauw met elkaar verwant zijn; over generatio spontanea (Περὶ
τῶν αὐτομάτων ζώιων α': het geschrift is weliswaar pro-aristotelisch, maar tegelijkertijd
roept het zoveel kritische vragen op, dat het een goudmijn aan argumenten vormt voor de
tegenstanders van de leer), enz. Goed betuigd is ook zijn belangstelling voor
dierenpsychologie: cf. zijn
Περὶ ζώιων
φρονήσεως καὶ ἤθους α', een werk dat, met
zijn paradoxografische verhalen, ongetwijfeld ook geschikt was als "entertainment".
Ook teksten als Περὶ
μέλιτος,
Περὶ ὀσμῶν,
Περὶ
τριχῶν, Περὶ χυμῶν χροῶν σαρκῶν,
(door Gomperz omschreven als "over de smaak van verschillende soorten vlees"!),
e.a. kunnen hierbij geklasseerd worden.
§ 5. Botanica[64]:
Theophrastos' botanisch onderzoek verdient ongetwijfeld een aparte vermelding, aangezien hij in dit domein zijn leermeester verregaand overtroefde[65]. Dat is allicht ook de reden waarom zijn twee omvangrijke botanische studies wél bewaard zijn gebleven, nl. omdat
ze een gebied behandelden dat niét aan bod kwam in het eigenlijke Corpus Aristotelicum.
Het gaat hier om zijn
- Περὶ φυτικῶν ἱστοριῶν, Historia plantarum, 9 boeken, en
- Περὶ φυτικῶν αἰτίῶν, De causis plantarum, 8 boeken.
Zowel naar methode als naar algemene fysiologische opvatting zijn deze werken goed aristotelisch, maar ook oudere theorieën komen erin aan bod (vnl. Empedokles, Demokritos,
de pythagoreër Menestoor). Het spreekt vanzelf dat Theophrastos' opstelling ook hier gekenmerkt wordt door kritische twijfel, behoedzaamheid en een zekere afkeer voor het zich
apodictisch vastleggen op principes die hij heeft overgenomen van Aristoteles.
Zijn Historia plantarum (bij Gomperz vertaald als "Plant-lore"), is het vroegste en
tevens het meest waardevolle van de twee. Theophrastos ontwerpt hier een systematische
botanica: d.w.z. het zeer omvangrijke botanische materiaal (hij bespreekt ongeveer 550
planten) wordt door hem geclassificeerd overeenkomstig de verschillende
verschijningsvormen; maar de verschillende indelingscategorieën worden zelf niet
systematisch aan elkaar gerelateerd. Opvallend is ook dat de auteur regelmatig een beroep
doet op informatie afkomstig van boeren, woudhakkers, imkers, duikers, enz. Een
belangrijk onderdeel, tenslotte, vormt de geografische botanica, die in feite door
Theophrastos gecreëerd werd (cf. het onderscheid dat hij maakt tussen de interne groeikrachten van de plant en de "Umwelt"-faktoren): zie boek IV, waar hij het heeft over de
bomen van Egypte, bomen en struiken van Lybië, bomen en planten van Azië. Het domein
waar Theophrastos in het algemeen de grootste lof heeft geoogst, is ongetwijfeld dat van
het detailonderzoek.
Het De causis plantarum, anderzijds, behandelt de levensfuncties van de planten en hun
oorzaken (en, in dat kader, ook de plantenziektes). Terwijl het HP meer empirisch is, is het
CP meer aitiologisch en ook meer theoretisch van karakter. Beide werken, echter, vervolledigen elkaar tot een omvattende wetenschap van de plantenwereld.
Theophrastos' prestatie hier is niet van louter descriptieve aard: hij heeft in de
botanica
- en het is daar moeilijker dan in de zoölogie - een goed gearticuleerd systeem ontworpen
gebaseerd op morfologische begrippen en relaties. Hij geeft een systematische
classificatie
van de planten (hoewel de definities die daaruit kunnen worden afgeleid, z.i. "niet te ernstig mogen worden genomen") en van de
constitutieve delen ervan: bladvormen, wortels
(onderscheid tussen wortelstok, knol, enz.), e.d., met een systematische behandeling van
fenomenen als zaden, kieming, groei, bloei, bladontwikkeling, bladval, enz. Zoals Wehrli,,
schrijft[66]:
"In der Ausgestaltung einer derartigen Morphologie der Pflanzen ist in Theophrast
mit Recht der Höhepunkt der antiken Botanik gesehen worden".
Hoewel de empirische en theoretische basis ervoor al vóór Theophrastos gelegd was, moet
hij met zijn botanisch werk ook als de grondlegger beschouwd worden van een systematische phytopathologie, of leer van de plantenziekten.
Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat Theophrastos, juist omdat zijn prestatie als
finaal werd beschouwd, gedurende bijna 2000 jaar geen navolgers heeft gevonden: in de
latere oudheid kwam de botanica enkel ter sprake als een onderdeel van de farmacologie.
§ 6. Psychologie[67]:
Zoals in de metafysica, heeft Theophrastos ook op het vlak van de psychologie de platonisch-speculatieve elementen in de aristotelische leer zoveel mogelijk afgebouwd. Zijn
werkwijze was ook hier die van het aporetisch in het licht stellen van de problemen: cf. wat
hoger al gezegd werd over zijn vragen bij de leer van de
νοῦς θύραρεν, of 'het vanbuiten
komend intellect'. Naarmate het
platonisch dualisme daarmee inhoudslozer werd, kon het met des te meer
recht als een onderdeel van de fysica worden beschouwd;
Vermeldenswaard zijn Theophrastos' ideeën over dierenpsychologie - "thoughts so
modern that one is tempted to compare Theophrastus with Kondrad Lorenz"[68] -; maar ook
zijn studie van de menselijke persoonlijkheid, met in het bijzonder het onderscheid tussen
oppervlakkige trekken en dieperliggende beweegredenen: dat werk had niet enkel gevolgen
voor zijn psychologie en ethiek, maar ook voor het theater:
"Put boldly, one cannot properly understand New Comedy (the plays of Menander)
and the subsequent development of this genre without an appreciation of
Theophrastus' work"[69].
§ 7. Ethiek:
Theophrastos' relatie tot zijn leermeester was hier fundamenteel dezelfde als in de andere
deelgebieden: hij bleef ten gronde trouw aan de aristotelische principes (hier in de eerste
plaats de leer van de μεσότης
, of "het midden"). Anderzijds wijzen ook hier de
bewaarde titels op een verhoogde belangstelling voor (de studie van) detailfenomenen: de
Ethica die in de werkenlijst voorkomt, was niet zozeer een omvattende pragmatie als
wel een bespreking van de Ethica's van Aristoteles. In de 'exoterische' monografieën -
waar, anders dan in de 'wetenschappelijke' schoolschriften, het normatieve gezichtspunt
ten volle kon spelen - behandelde Theophrastos, net zoals zijn mede-peripatetici, vragen
van praktische ethiek. Tot de meest gevierde van deze monografieën behoorden:
- Περὶ εὐδαιμονίας
(1 boek), waar hij, net zoals Aristoteles, de
θεωρία
, of contemplatie, als levensideaal propageerde;
- Περὶ φιλίας
(3 boeken), dat, in vergelijking met Aristoteles' behandeling (in de Nikomachische Ethiek), meer aandacht schonk aan praktische aanwijzingen, e.a.
In overeenstemming met hun literair karakter, hielden deze exoterische ethische
werkjes zich grotendeels aan extra-filosofische levenswijsheid uit de poëzie, de tradities,
spreuken, enz. Centraal stond - in overeenstemming met de tijdsgeest - het individuele
geluk van de enkeling en zijn bestaanszekerheid (vgl. Cicero, De finibus, V 29, 86). De
typisch peripatetische benadering opponeerde zich sterk aan het utopisch radicalisme van
de Stoa (met haar ideaaltypische Wijze die aan de
ἀρετή alléén genoeg had om het
Goede, en dus het geluk, te realiseren). Voor Theophrastos waren noch de
τυχή, met haar
wisselvalligheden en dreigingen, noch de menselijke onvolkomenheden volledig uit te
schakelen; net zoals voor Aristoteles, waren ook voor hem de zgn. 'uitwendige goederen'
(gezondheid, schoonheid, fortuin, enz.) een conditio sine qua non voor een gelukkig leven.
Met zijn belangstelling voor het karakteristieke en particuliere, was Theophrastos erop
uit, zijn teksten rijkelijk te stofferen met cultuurhistorische of anekdotische voorbeelden
(dat maakte deze populair bedoelde geschriften trouwens gemakkelijker toegankelijk).
Die voorbeelden laten zich zowat beschouwen als empirisch materiaal, vergelijkbaar met
de (echte of vermeende) observaties voor de biologie. Ook in de ethiek, trouwens, stelde Theophrastos verzamelwerken samen (die dan dienstig konden zijn voor zowel het
onderzoek als voor "entertainment"): bv.
Περὶ ἀδικήματων α',
Περὶ ἠθῶν (niet
bij D.L.); Περὶ παθῶν,
Περὶ παροιμιῶν,
Σύγκρισις
τῶν ἁμαρτημάτων .
Aan het Ἀρετῶν διαφοραί
ligt hetzelfde ordeningsprincipe ten grondslag
- dat van
de differentiatie -, dat Theophrastos ook toegepast heeft in de classificatie van de planten.
Een bewaard voorbeeld van zulke ethische distincties: de
Ἠθικοὶ
Χαρακτῆρες .
Vanuit zijn sterke gerichtheid op de realiteit van het leven, met zijn steeds wisselende
situaties en noden, hechtte Theophrastos groot belang aan het begrip van de
καιρός
, het
"juiste moment" of de opportuniteit: cf. zijn
Περὶ καιρῶν.
Een bijzonder interessant inhoudelijk moment van Theophrastos' ethiek, tenslotte, betreft de "verwantschap" (οἰκειότης
) tussen ąlle levensvormen, meer in het bijzonder
tussen mensen en dieren. Die verwantschap gold niet enkel voor de fysische bouwstoffen
(huid, vlees, bloed, beenderen, sappen, enz.), maar bestond z.i. ook psychisch-affectief (de
zgn. παθῶν οἰκειότης). Vandaar dat hij zich, in zijn belangrijk werk
Περὶ εὐσεβείας (uitvoerige fragmenten bewaard in Porphurios'
De Abstinentia), uitdrukkelijk
kantte tegen het brengen van dierenoffers, in de eredienst, en tegen het nodeloos doden van
dieren in het algemeen. Of Theophrastos ook hier een aanzet gegeven heeft voor de Stoa,
is niet direψt duidelijk: hun leer van de
οἰκείωσις
betrof enkel de relatie tussen de
mensen onderling; de dieren vielen daar uitdrukkelijk buiten.
§ 8. Poėtica - Retorica[70]:
Theophrastos is in de oudheid herhaaldelijk geprezen om zijn aangename stijl. Hij heeft
echter ook zelf teksten geschreven die handelen over de literaire technieken, zowel op het
vlak van de retoriek als op dat van de poėtica. Over zijn visie op de relatie tussen deze
beide, formele disciplines en de filosofie, informeert ons fr. 65 W= nr. 78 Sources (bij Ammonios, In Arist. de interpretatione):
"de gerichtheid (σχέσις
) van de logos is tweevoudig: de ene heeft betrekking op de
toehoorders, aan wie iets betekend wordt (σημαίνει), gene op de onderwerpen
(πράγματα) waaromtrent de spreker zich voorneemt de toehoorders te overtuigen.
Welnu, de verhouding van de logos tot de toehoorders vormt het terrein van
poėtica
en retoriek, die tot de werkelijkheid tot het terrein van de filosofie".
8.1. Poėtica.
Van Theophrastos' geschriften over de dichtkunst is niet veel geweten. Van de twee, bij
D.L. vermelde versies van de
Περὶ ποιητικῆς mogen we aannemen dat ze aansloten
bij de aristotelische Ars poetica. Naar het voorbeeld van de natuurwetenschappelijke
classificaties heeft Theophrastos ook de poëtische genres ingedeeld naar vorm en stemmingsinhoud. Wat de aristotelische
μίμησις-leer betreft (de mens schept van nature plezier in
het uitbeelden), is ons niets uitdrukkelijk betuigd. Maar gelet op de enge verbinding tussen
poėtica en retorica, enerzijds, en de behandeling van de muziek, als een derde, daarmee
verwante kunst, anderzijds, mogen we aannemen dat Theophrastos het psychagogische karakter van
de poëzie minstens even sterk beklemtoond heeft als zijn leermeester: zie fr. 89 W(= nr.
716 Sources), uit zijn
Περὶ μουσικῆς (uit Porphurios, Commentaar op Ptolemaios'
Harmonika), dat begint met:
"(inzake de muziek) is het ontstaan der melodiebeweging (κίνημα
μελωδητικόν) met betrekking tot de ziel zeer duidelijk, als men
die beweging wil vertolken door middel van klank; die beweging drijft (τρέπει
) de ziel, en wel in de mate dat zij in staat is het
onredelijke (zielsdeel) te drijven waarheen zij wil".
En aan het slot van het (lange) fragment lezen we:
"Het wezen van de muziek is één, nl. een beweging der ziel (κίνησις
τῆς ψυχῆς)
die bestaat in het bevrijden van de kwalijke effecten van de passies (τὰ
πάθη). Als
zij dat niet was, was er ook geen wezen van de muziek"[71].
Uit de monografie Περὶ
κωμωιδίας is slechts een anekdote bewaard omtrent de Tirynthiërs, die aan "lachziekte" leden (fr. 124 W= 709 Sources., bij Athenaios, IV, 261).
Anderzijds is door de Latijnse grammaticus Diomedes een definitie bewaard van de
tragedie, die teruggaat op Theophrastos, nl. als "het kritieke verloop (περίστασις
) van een heldenlot"[72].
8.2. Retorica.
Ook hier is door Theophrastos in eerste instantie de aristotelische theorie verder uitgebouwd. Dat geldt dan in de eerste plaats op het vlak van het
retorica-onderwijs, hoewel
geen omvattende cursus daaromtrent vermeld wordt: het vermelde
Περὶ τῆς ῥητορικῆς τέχνης
telde slechts 1 boek en kan dus slechts een algemene inleiding
hebben geleverd, terwijl de behandeling van de onderdelen allicht werd gereserveerd voor
de monografieën.
Voor Aristoteles behoorden retorica en poėtica wezenlijk bijeen: tussen beide was er
slechts een gradueel onderscheid in de kunstmiddelen die in elk van beide werden toegepast[73]. Voor Theophrastos vloeit hun verbondenheid voort uit hun gemeenschappelijke
"psychagogische" werking op de toehoorders (cf. frr. 64 en 65 W). Maar het zal duidelijk
zijn dat een (voor Aristoteles: hét) wezenlijk aspect van de retorica, nl. de leer van
de bewijsmiddelen, hier volledig buiten beschouwing wordt gelaten.
In de tijd van Theophrastos ging het met de praktische beoefening van de welsprekendheid bergaf (cf. het teloorgaan van de politieke vrijheid). Dat verklaart wellicht waarom zijn
aandacht is toegespitst op het literair-historische en stijlkritische domein. Vermelding verdient hier vooral zijn
Περὶ λέξεως (cf. reeds het derde boek van Aristoteles' Ars rhetorica). Uit dit (invloedrijke) werk is ons fragmentarische informatie bekend i.v.m.
Theophrastos' leer over de goede stijl. Centraal daarin stonden de vier zgn.
ἀρεταὶ
λέξεως (virtutes dicendi, zie Cicero, De oratore 79), zijnde:
1) σαφήνεια , of taalduidelijkheid, en
2) ἑλληνισμός
, of taalzuiverheid (beide werden door Aristoteles nog samen
genomen);
3) τὸ πρέπον , gepastheid of zakelijkheid,
4) κατασκευή (of
κόσμος) i.e. literaire vormgeving.
Ook deze laatste twee hoorden bij Aristoteles nog samen.
τὸ πρέπον stelt dat de
behandeling in overeenstemming moet zijn met de sfeer waarin het onderwerp thuis hoort
(zo niet is de stijl ψυχρά, d.w.z. smakeloos). De
κατασκευή behelst het gebruik van
de passende literaire hulpmiddelen. Theophrastos heeft het over
ἐκλογή(woordkeuze),
ἁρμονία (zinsbouw) en
σχῆμα
(figuur): zie Dionusios van Halikarnassos, De Isocr.,
3, 539.
Ook de laat-hellenistische leer van de drie stijlvormen (χαρακτῆρες,
genera dicendi)
heeft haar aanzet te danken aan Theophrastos. Het betreft, in de uitgewerkte versie, de volgende stijlen:
1) χαρακτὴρ ἰσχνός
(of: ἀφελής), i.e. het
genus tenue, "droge" of "effen" stijl,
waarvoor Lusias als model gold;
2) χαρακτὴρ ὑψηλός
(of: μεγαλοπρεπής),
genus sublime, voorbeeld:
Thoukudides;
3) χαρακτὴρ μέσος
(of: μικτὸς), genus medium, model: Isokrates, Platoon.
Indemans stelt tenslotte de vraag naar Theophrastos' éigen
λέξεως χαρακτήρ. Indemans geeft zelf het volgende antwoord[74]:
"Duidelijkheid en zakelijkheid domineren in zijn wetenschappelijk werk. De
woordvorming is niet gewaagd, maar veeleer ten dienste gesteld van classificatie en
scherpe formulering. "Stenographische Kürze" heeft hetzelfde doel. Door souplesse
past hij zich aan zijn toehoorders aan: hij wil geen Prinzipienreiter zijn inzake terminologie en verfraaiing van stijl is ondergeschikt aan het betoog. Grammaticale
'onregelmatigheden worden bij hem dikwijls aannemelijk (zoals ook bij anderen) als
men rekening houdt met de 'voordracht'.
Zo gezien benadert zijn stijl het meest het genus tenue, met dien verstande dat hij
feitelijk nog 'droger' is. 'Benadert', want zijn stijl heeft wel voordrachtskwaliteiten,
maar is niet rhetorisch (...). Minder nog dan de pleitbezorger (bij het genus tenue van
de δικανικὴ λέξις), mag de docent met zijn
διδασκαλικὴ λέξις
de aandacht
afleiden door uitzonderlijkheden. De stijl van deze
σχολαστικός is
ἡδεῖα méér
door zijn duidelijkheid en zakelijkheid dan
door zijn fraaie vorm".
NAAR HOOFDSTUK 4
NOTEN:
61. Zie I.M.Bochenski, La logique de Théophrast, Fribourg 1947.
62. Zie P.Steinmetz, Die Physik des Theophrastos von Eresos, Bad Homburg 1964.
63. Vgl. [Aristoteles], Probl. I.1: "ἰατρικά"
start met de vraag "waarom leiden overdreven
inspanningen tot ziekte?" en vervolgt met "Of is het omdat (ἢ
ὅτι ) ze een exces of een tekort
veroorzaken?"; enz. Zie ook in
Theophrastos' werkenlijst:
Προβλήματα πολιτικὰ,
ἠθικά, φυσικά, ἐρωτικά.
64. Zie G.Senn, Die Pflanzenkunde des Theophrastos von Eresos. Herausg. v.O.Gigon, Basel 1956;
G.Woerle, Theophrasts Methode in seinen botanischen Schriften, (Stud. z. ant. Phil., XIII),
Amsterdam 1985.
65. Van Aristoteles' is een
Περὶ φυτῶν overgeleverd, maar daarin komt hij niet verder dan een
bespreking van het φυτικόν, of "vegetatieve" zielsdeel; Aristoteles zou wel lezingen hebben
gehouden over botanische thema's.
66. Wehrli, o.c., p. 508.
67. Zie G.Movia, Anima e intelletto. Ricerche sulla psicologia peripatetica da Teofrasto a Cratippo.
Padova 1968.
68. Sources, 1 (1992), p. 2.
69. Ibidem.
70. Zie ook Indemans, o.c., pp. 33 e.v.
71. Zie ook Indemans, o.c., p. 34.
72. Zie Indemans, o.c., p.33.
73. Zie Rhetorica III 2, 1404b1, waar verwezen wordt naar de
Poetica.
74. O.c., p. 60.
|