§ 1. Vormingsjaren[1]:
Theophrastos is geboren tussen 372 en 369. Deze datering is afgeleid uit aanwijzingen bij Diogenes Laertios (voortaan: D.L.), in de 1e
plaats over Theophrastos' opvolger, Stratoon[2]. Indien Theophrastos inderdààd 85 jaar oud
is geworden (en geen 99, zoals in het apocriefe proöimion van
de Χαρακτῆρες wordt
geschreven) - zie D.L. V.40 -, dan komen we voor zijn geboortedatum op 372-369. Regenbogen preciseert dat tot 372/1 of 371/370[3].
Zijn vaderstad was Eresos, op Lesbos (zuid-west kust). Zijn vader, Melantas (of -es),
baatte een vollerij uit, en kan dus als een kleine "industrieel" worden bestempeld. Zijn oorspronkelijke naam zou Turtamos (letterlijk "de vierde", sc. zoon) hebben geluid, cf. D.L.
38: de vleiende naam "Theophrastos", zinspelend op zijn "goddelijke"
formuleringswijze, had hij
dan aan Aristoteles te danken. Als knaap werd hij mogelijk door zijn vader opgeleid in
diens ambacht (in zijn bewaarde werken wordt enkele malen gealludeerd op het vollersvak,
o.m. in Char., X.14 en XVIII.6), maar dat heeft dan geen beletsel gevormd later voor een
intellectuele vorming. D.L. vermeldt als zijn leermeesters een ons totaal onbekende Alkippos, "medeburger" van Theophrastos, en vervolgens ook Platoon[4].
Theophrastos, op dat ogenblik hoogstens 25 jaar, zou dan bij Platoons dood, in 348/7,
waarschijnlijk samen met Aristoteles (en Xenokrates) Athene verlaten hebben. Aristoteles
vestigde zich toen voor enkele jaren in Assos, Klein-Azië (dicht bij Lesbos). Samen met
het naburige stadje Atarneus vormde Assos toen het mini-rijkje van een zekere Hermias,
volgens de traditie een rijk bankier (volgens de vijandige tak van de traditie zelfs ex-slaaf
en eunuch, op de koop toe). Zelf misschien een oud-leerling van Platoon, had Hermias een
kleine kring van Akademici rond zich verzameld. Tussen Aristoteles en Hermias ontstonden
zeer hechte vriendschapsbanden (Aristoteles huwde met Hermias' dochter of nicht, Puthias). Hermias, wiens rijkje door de Perzen gedoogd werd, zou enkele jaren nadien, in
341, door de Perzen worden gevangen genomen en gedood, op (allicht terechte) verdenking van heimelijke
contacten met de Makedoniërs (die een bruggenhoofd zochten in Klein-Azië).
Tussen 345 en 343, alleszins, vestigden Aristoteles en Theophrastos zich samen in Mutilene (of Mitulene), op Lesbos, vlak tegenover Assos - mogelijk uit voorzorg tegen een
Perzische dreiging. Ze gingen zich daar toeleggen op de natuurstudie: zoölogie, botanica,
mariene fauna, e.d. - zoals kan worden afgeleid uit de plaatsnamen die in hun latere biologische geschriften regelmatig opduiken. De natuurwaarnemingen m.b.t. het leven van dieren,
vissen, planten, e.d. die Aristoteles later heeft bijeengebracht in zijn Historia Animalium,
stammen vermoedelijk uit deze periode.
In 343 werd Aristoteles naar Makedonië geroepen om er te fungeren als opvoeder van
de 13-jarige Alexander. We mogen aannemen dat Theophrastos hem daarbij vergezeld
heeft: cf. Theophrastos' testament (D.L. V.52), waarin sprake is van een landgoed
in Stagira, dat hij zich toen moet hebben aangeschaft[5].
In deze periode, d.w.z. tussen Platoons dood, in 347, en de start van Alexanders
veroveringen, in 332, is Theophrastos wellicht ook actief betrokken geweest bij politieke
omwentelingen in zijn geboortestad, Eresos. Volgens Ploutarchos, inderdaad, Adversus
Colotem, 1126F, zou Theophrastos Eresos tweemaal van de tirannie hebben bevrijd;
volgens een passus in een tweede anti-epikureïsch opstel van Ploutarchos, zou hij daarbij
de medewerking hebben gehad van zijn (latere) studiegenoot Phainias[6]. In beide passages
volgt die informatie op een verwijzing naar Aristoteles' "tweede stichting" van zijn
geboortestad Stagira. Indemans wijst erop dat de tirannie op Lesbos in deze periode
samenging met een toename van de Perzische invloed[7]. Omstreeks 343 heeft koning
Philippos - daartoe mogelijk aangespoord door Theophrastos? - manu militari de
overheersers uit Eresos verdreven. In 340, echter, was er weer een tirannie (nl. van Agonippos en Euresilaos). Zij werd in 335/4 voorlopig en in 332 definitief verjaagd door
Alexander (die dan begonnen was aan zijn verovering van het Perzische rijk).
In 339 stierf Platoons opvolger, Speusippos. Volgens de overlevering was ook Aristoteles "in the running" voor de opvolging, maar werd hij niet verkozen gezien zijn afwezigheid uit Athene. In 338 had de slag bij Chaironeia plaats, met de nederlaag van de anti-Makedonische geallieerden (Athene en Thebe); enkele jaren later, in 335/4, werd ze gevolgd
door de verwoesting van Thebe door Alexander. In deze periode, a.h.w. onder "Makedonische paraplu", keerden Aristoteles en Theophrastos terug naar Athene. De
'politieke lakens', in Athene, werden de eerstkomende jaren uitgedeeld door Lukourgos,
een 'financier met een morele zending'[8] en oud-leerling van Platoon. Behalve door zijn politieke hervormingen, die geïnspireerd lijken door Platoons Wetten (en als zodanig de belangen van de
begoede burgerij behartigden), heeft Lukourgos zich ook een plaats in de geschiedenisboeken verworven door de bouw van een stenen Dionusostheater en door de definitieve
vastlegging, middels staatsexemplaren die in het Atheense mètrooion-archief bewaard
werden, van de teksten van de grote tragici.
§ 2. Aristoteles' Lyceum:
Opvallend aan deze "tweede Atheense periode" van Aristoteles is dat hij niet meer terugkeerde naar de Akademie: hij startte in plaats daarvan een eigen "school",
namelijk in de , of wandelgalerijen, van een ander gymnasium: het (dus behorend tot
het heiligdom van Apolloon Lukeios). Eveneens buiten de stadsmuren gelegen, maar aan
de andere kant van Athene, ten Z.O. (de Akademie lag ten N.W.), en op ca 1 km van de
agora, vormde dit gymnasium, net zoals dat van Akademos (op 1,1 km van de agora), een
druk bezochte publieke ontmoetingsplaats
(ook Sokrates had er
daarom een grote
voorliefde voor gehad)[9]. Zie het kaartje hieronder
(gebaseerd op M.Canto-Serber, Philosophie grecque, 1997).
Welke ook Aristoteles' en Theophrastos' motieven mogen geweest zijn (in de latere
oudheid werd dit initiatief op verschillende manieren uitgelegd), de ruimtelijke afstand tussen
"Lyceum" en "Akademie" lijkt alleszins symbolisch voor de intellectuele verwijdering
tussen de twee filosofische centra. In veel sterkere mate, inderdaad, dan het geval was voor
de platoonse Akademie, kan m.b.t. het Lyceum worden gesproken van een
"wetenschappelijke" instelling in de moderne zin van het woord. Ik citeer Lynch (o.c.,
p.85):
"It is clear that Aristotle's views on higher education had an important effect on the
internal structure of the Peripatetic community, and in a number of important ways
they distinguished the Lyceum from Plato's Academy. As was noted above, Aristotle
organized his school as a community, in which association between members was an
important element in παιδεία. Aristotle does not, however, use the traditional terms
(συνουσία,
συνεῖναι) to describe the relation among members of the philosophical community. Normally Aristotle's words are
κοινωνία (κοινωνεῖν) or some
συν-compound other than
συνουσία (cf. Nic.Eth. IX,1, 1164b3; IX, 12,
1171b29D-1172a9). In contrast to the Academy, association in the Lyceum meant
a cooperative more than a dialectical relation among members of the school. The
progress of philosophical knowledge, in Aristotle's view, was not the result of
πολλὴ συνουσία in a dialectical process (Plato, Ep. 7, 341C), but of individual
contributions and shared tasks, the result of which had a cumulative effect (cf. Met.
II, 993a30-b5)".
In Aristoteles' school werd voor het eerst een omvangrijke wetenschappelijke bibliotheek
van handschriften, kaarten, instrumenten, enz. bijeengebracht. Door schoolhoofd en medewerkers - Theophrastos, Eudemos, Menoon e.a. - werden omvangrijke materiaalverzamelingen -
συναγωγαί en
ὑπομνήματα - aangelegd, zo op het vlak van de politieke
constituties, de didaskalieën van de tragedieopvoeringen, de
δόξαι van de natuurdenkers, de geschiedenis van de
wiskunde, van de geneeskunde, enz.; en werden die gegevens wetenschappelijk verwerkt.
Het Lyceum zou dan ook model staan voor alle latere wetenschappelijke studie- en
onderzoekscentra, in de eerste plaats voor de hellenistische (denk aan het alexandrijnse
Μουσεῖον dat, na diens verdrijving uit Athene (in 307), volgens de overlevering een
beroep kon doen op de expertise van Theophrastos' collega en nadien filosoof-despoot,
Demetrios van Phaleron).
Toch werd door Aristoteles en Theophrastos ook veel belang gehecht aan de
organisatie van het gemeenschapsleven binnen de school. Zo werden er, net zoals in andere
filosofenscholen, regelmatig
συσσιτίαι, d.w.z. gemeenschappelijke maaltijden, en
συμπόσια gehouden; Aristoteles als schoolhoofd stelde er de
"tafelregels" (νόμοι
συσσιτικοί en
νόμοι συμποτικοί) voor op[10]. De passus in Theophrastos' testament,
die het schoolleven betreft (D.L. V 52-53), klinkt met zijn συν-composita
(συσχολάζειν en
συμφιλοσοφεῖν) en zijn bezorgdheid voor de jonge Aristoteles,
zoon van Metrodoros en Puthias (waarschijnlijk de dochter van Aristoteles),
zelfs erg 'epikureïsch'[11]. O.m. uit datzelfde testament (D.L. V.53) kunnen we afleiden dat de
gemeenschap was ingedeeld in "ouderen" (πρεσβύτατοι of
πρεσβύτεροι) en
"jongeren" of studenten (νεανίσκοι,
ἐπιχειροῦντες)[12]. Onder de "ouderen" werd
om de 10 dagen een ἄρχων
verkozen, die als "censor" (ὁ
ἐπὶ τῆς εὐκοσμίας) fungeerde[13]. Onder schoolhoofd Lukoon (270/67 tot ca 226), wordt ons verteld, betaalden de
studenten maandelijks 9 obolen voor de "refter"-maaltijden; van een eigenlijk lesgeld, binnen de Peripatos, is nergens sprake. De overvloedig betuigde antieke overlevering[14],
dat het onderwijs was ingedeeld in een (esoterische) ochtend "peripatos" (ἑωτινός)
en een (exoterisch)
avondonderricht (δειλινὸς
περίπατος) - cf. onder Theophrastos' werken (bij D.L.
V.46) het 'Δειλινῶν α' β' - wordt door F.Wehrli[15] op rekening geschreven van de "voor
Aristoteles' school zeer rijke legendenvorming". De stelling, tenslotte, dat Aristoteles'
school (en evenzo andere filosofenscholen) het juridisch statuut zou hebben gehad van een
θίασος, d.w.z. een
'cultusgenootschap' toegewijd aan de Muzen (cf. het
μουσεῖον
of 'Muzenkapel', in Theophrastos' testament) - zoals honderd jaar geleden betoogd werd door U.Von
Wilamowitz[16] en sedertdien in de literatuur steeds weer herhaald werd, wordt nu uitvoerig
weerlegd door Lynch[17].
In de 'materiële' zin van het woord, evenwel, was niet Aristoteles maar Theophrastos
de stichter van de peripatetische school. Als metoik, inderdaad, kon Aristoteles in
Athene geen onroerend eigendom verwerven - wat, gelet op de uitgebreide bibliotheek en
de andere didactische en wetenschappelijke hulpmiddelen die bij onderwijs en onderzoek
werden aangewend (kaarten, toestellen, materiaalverzamelingen, bibliotheek, enz.), allicht
een bijzonder zware handicap was (de gymnasiumgebouwen waren toegankelijk voor het
publiek). Het was maar enkele tijd na Aristoteles' dood (dus na 322) dat Theophrastos, zelf
natuurlijk ook een vreemdeling, dank zij een speciale gunstmaatregel uitgevaardigd door
de toenmalige heerser over Athene, namelijk zijn ex-medestudent Demetrios van Phaleron, in de
gelegenheid werd gesteld eigenaar te worden van een "tuin" (κῆπος). Uit Theophrastos'
testament (D.L. V.51-52) vernemen we dat dit eigendom een Muzenheiligdom
(μουσεῖον) bevatte, een "gaanderij" (περίπατος), twee stoa's en enkele woonhuizen.
Over de lokalisatie van dit complex kan niets met zekerheid worden gezegd, maar allicht
zal het zich in de buurt van het Lukeion-gymnasium (eventueel op het grondgebied ervan?)
hebben bevonden, aangezien de school (o.m.) deze naam verder is blijven voeren[18].
Het past hier, even stil te staan bij de alternatieve
benaming die voor Aristoteles' school
ingeburgerd is geraakt, naast die van "Lyceum": namelijk "Peripatos".
Het Griekse περίπατος, van
het werkwoord περιπατεῖν, betekent oorspronkelijk "wandeling"
en van daaruit "gaanderij" waarin gewandeld wordt, vooral
dan de galerijen in de gymnasia.
Aangezien zulke ruimtes vanaf het einde van de 5de eeuw courant gebruikt werden voor
onderricht, ging het woord ook de betekenis krijgen van "(filosofen)school",
als een synoniem voor σχολή
en διατριβή, en vandaar ook die van "onderwijs"
zonder meer[19].
De benaming "dé Peripatos" voor de aristotelische school is alleszins post-theophrastisch,
zoals blijkt uit een vergelijking tussen de testamenten van de verschillende scholarchen: in
Theophrastos' testament verwijst het woord nog naar één concreet onderdeel van het
gebouwencomplex; pas in het testament van Lukoon (zelf opvolger van Stratoon) wordt het woord
gebruikt om het scholencomplex in zijn geheel
te benoemen[20]. Het gebruik van het woord
om specifiek naar de aristotelische school te verwijzen moet wellicht begrepen worden naar
analogie met de (materiële) naamgeving voor andere scholen: denken we aan de "Stoa",
genoemd naar de στοά ποικίλη
(maar daarmee werd dan wel een particulier gebouw
bedoeld, zoals in het geval van de "Akademie" en het "Lyceum"); eventueel aan de
"Kunikoi", of Cynici, mogelijk naar het Kunósarges-gymnasium, waar Antisthenes placht
te onderwijzen, en vooral aan de
κῆπος, of "de Tuin", voor Epikouros' school - een
woord dat als synoniem voor
περίπατος kon gebruikt worden. Vermoedelijk heeft het
hoge aanzien van de school onder Theophrastos' scholarchaat ertoe bijgedragen dat zij deze
metonieme naam (die zoveel betekende als "dé School") is gaan krijgen. Pas daarna, toen
"Peripatos" reeds als eigennaam fungeerde, ontstond dan de afgeleide vorm
περιπατητικός,
namelijk om er, als alternatief voor "
ὁ ἀπὸ (of:
ἐκ) τοῦ
περιπάτου", de
"aristotelicus" mee aan te duiden; het bijvoeglijke naamwoord is voor het eerst betuigd bij
Hermippos (fr. 45).
De meeste moderne historici, hoe dan
ook, vinden elkaar in Brink's afwijzing van het
"aitiologische sprookje"[21] dat reeds betuigd is bij Hermippos (fr. 45)[22], als zou
de naam ontstaan zijn vanuit een vaste gewoonte van Aristoteles, namelijk "al rondwandelend"
te onderwijzen en te discussiëren (Cicero: "quia disputabant inambulantes in Lycio"). Ook
Wehrli nog herneemt het negatieve commentaar van Brink en schrijft dat dergelijke praktijk helemaal niet
typisch was voor de aristotelici, maar "eine allgemein verbreitete Sitte" was, waaraan
derhalve niemand iets ongewoon had kunnen opmerken[23]; bovendien kende de Peripatos ook andere
vormen van onderricht: Hermippos, bv., in fr. 51 heeft het over Theophrastos die al zittend
onderwees[24]. Toch werd sedertdien de traditionele interpretatie/verklaring van de naam
opnieuw verdedigd, en wel door W.J.Verdenius in zijn bijdrage The nature of Aristotle's
scholarly writings (1985),: z.i. waren Aristoteles' studenten "nauwelijks in staat, nota's te
nemen, want Aristoteles schijnt op en neer te hebben gewandeld wanneer hij doceerde aan
zijn studenten"[25].
§ 3. Scholarch:
In (juni) 323, volkomen onverwacht, stierf Alexander, amper 32 jaar oud, in Azië. De
anti-Makedonische stemming die onmiddellijk in Athene de kop op stak (cf. het terugroepen uit ballingschap van Demosthenes, enz.), maakte het voor Aristoteles, notoir "makedonofiel", onveilig nog langer in Athene te blijven. Wellicht nog in de nazomer van datzelfde
jaar is hij vertrokken naar Chalkis (waar hij een huis van zijn moeder bezat). Amper een
jaar later, in de nazomer of de herfst van 322, is hij dan op 63-jarige leeftijd gestorven.
Theophrastos had bij Aristoteles' vertrek uit Athene vermoedelijk de hoede
over diens bibliotheek toevertrouwd gekregen alsmede, of: en daarmee ook de leiding over
de "school". Dat laatste wordt alleszins bericht door (de late bron) Aulus Gellius[26]:
Aristoteles zou, via een gespeelde 'smaakproef' van twee wijnen waarvan de ene
afkomstig was van Lesbos, de andere van Rhodos, zijn voorkeur hebben uitgesproken voor
Theophrastos, ten nadele van Eudemos van Rhodos. In Aristoteles' testament, in elk geval,
komt Theophrastos weliswaar enkele keren ter sprake, maar wordt er met geen woord
meer gerept over de school - wat zou kunnen (!) betekenen dat die aangelegenheid al
eerder geregeld was.
Onder Theophrastos' scholarchaat kwam de school tot grote bloei: zij wist tal
van leerlingen aan te trekken, uit binnen- (o.m. Menander) en buitenland. Diogenes Laertios gewaagt van niet minder dan tweeduizend studenten voor Theophrastos (V, 37). Ongetwijfeld moeten we dat cijfer begrijpen als een "im Groben gegebene Gesamtzahl", sc. voor
de gehele carrière van Theophrastos - alleen al om economische redenen[27]. Volgens Brink
evenwel moet dit aantal juist wél als gelijktijdig begrepen worden ("offenbar gleichzeitig"),
aangezien het gespreid over de lange duur van Theophrastos' scholarchaat helemaal niet
opmerkenswaard zou geweest zijn[28]. Zenoon, stichter van de Stoa (301/300), zou op
Theophrastos' grotere populariteit gereageerd hebben met de constatering: "zijn koor is
inderdaad groter, maar het mijne is eenstemmiger"[29]. Bovendien zullen velen ervan eerder
'vrije student' geweest zijn, die afzonderlijke kolleges kwamen aanhoren, dan eigenlijke
leerlingen[30]. Dat de school in alle geval heel wat prestige genoot in de Griekssprekende
wereld, bewijzen de inspanningen van Ptolemaios I om leden van de school als adviseur
en/of opvoeder aan te trekken (cf. de al vermelde Demetrios evenals Stratoon).
Toch heeft Theophrastos ook regelmatig moeilijke momenten beleefd - wat in de
troebele jaren na Alexanders dood allicht onvermijdelijk was. Laten we er een 3-tal kort
vermelden:
(1) D.L. (V, 37) vermeldt vooreerst een aanklacht wegens "asebie", ingediend in 318,
door een zekere Hagnonides. Theophrastos werd hierin "gebrek aan eerbied" verweten
"voor de officieel vereerde goden en heersende godsdienstige gebruiken": in een
emotioneel rouwschrift om de executie van Kallisthenes (neef van Aristoteles), op bevel
van Alexander (in 327), namelijk
Καλλισθένης ἢ περὶ πένθους, had hij, jaren voordien,
Τυχή tot heerseres over de wereld uitgeroepen[31]
Τoch was de vervolging allicht veeleer door
politieke motieven geïnspireerd. Zoals zijn leermeester, inderdaad, onderhield ook Theophrastos nauwe banden met de Makedonische machthebbers, meer bepaald met
Kassandros, zoon van Antipatros[32]. Kort voor zijn dood, in 319, had Antipatros niet
Kassandros maar zijn andere zoon Poluperchoon als zijn opvolger aangeduid. Toen
Kassander daartegen in verzet kwam,
"vaardigde Poluperchoon in 318 een proclamatie uit waarbij hij in de Griekse steden
de democratie die er voor de slag bij Krannoon was geweest, herstelde en de door
Phokioon verbannen oproerlingen (onder wie Hagnonides) weer liet terugkeren. Na
zijn terugkeer ging Hagnonides onmiddellijk tot de actie over: hij diende tegen de
leider van het Lyceum, Theophrastos, een aanklacht in"[33].
Zoals D.L. bericht, liep Hagnonides' actie op een sisser af: hij behaalde ternauwernood het
minimum aantal stemmen (1/5 van de jury) nodig om zelf niet in moeilijkheden te komen.
Kort na het indienen van de aanklacht, inderdaad, was de politieke situatie in Athene grondig veranderd: Kassander was de stad binnengetrokken ( in 317) en de Atheners
kozen vermoedelijk 'eieren voor hun geld'.
(2) De tweede dreiging kwam er in 307, toen de pro-Makedonische despoot, Demetrios
van Phaleron, ex-leerling van Theophrastos, door een andere Demetrios, namelijk
Demetrios Poliorketes, of "de stedenbedwinger", uit Athene verdreven
werd. Het herstel van de democratie ging ook nu gepaard met acties tegen de
(pro-)Makedonische fractie in Athene. De initiatiefnemer was dit keer Sophokles van
Sounion. Hij diende het wetsvoorstel in dat niemand een filosofenschool mocht leiden
zonder de voorafgaande officiële goedkeuring door Raad en volksvergadering. Sophokles haalde zijn slag thuis en Theophrastos "evenals alle overige filosofen" (D.L.)
verlieten Athene[34]. Uit D.L. krijgen we weliswaar de indruk - maar echt duidelijk is het niet
- dat de filosofen niet zozeer onder dwang, als wel uit protest de stad verlieten (m.a.w. dat
zij weigerden de officiële toelating te vragen). Volledigheidshalve moet vermeld worden
dat een andere filosoof, namelijk de Athener en demokraat Epikouros, precies in deze periode
zijn school, de "Tuin", in Athene geopend heeft.
Nog geen jaar later, echter, sloeg de stemming om, allicht mede omdat, in
een 'geopolitieke' context van Atheense politieke machteloosheid, de filosofenscholen in toenemende
mate ervaren werden als een bron van prestige én van inkomsten voor de stad. Een zekere
Philoon, zelf een ex-leerling van Aristoteles, diende tegen Sophokles een
γραφὴ παρανόμων in
(i.e. een aanklacht wegens onwettigheid) en Demochares, Sophokles' advocaat, moest het onderspit delven. Sophokles
liep een zware boete op[35] en Theophrastos en een groot deel van zijn leerlingen keerden
terug.
(3) Een laatste tegenslag die vermelding verdient, situeert zich in het jaar 294, toen Demetrios Poliorketes' troepen Athene innamen en plunderden (de
'wittebroodsweken' tussen
de Atheense democratie en Demetrios waren van korte duur geweest). Hierbij heeft ook
het gebouwencomplex van Theophrastos' school klaarblijkelijk zware materiële schade opgelopen - dat is tenminste de
conclusie die gewoonlijk getrokken wordt uit Theophrastos'
testament. Het eerste deel ervan, immers, besteedt uitvoerig aandacht aan herstellingswerken die nog moesten voltooid worden (zo aan het
Mouseîon waar o.m. de beelden van
de Muzen, dat van Aristoteles en andere
ἀναθήματα vernield of beschadigd waren; aan
de kleine stoa en de "benedenstoa" waar de tafels met een wereldkaart moesten hersteld
worden; aan het altaar, enz.)[36].
§ 4. Dood en Testament:
Theophrastos is blijkens zijn testament nooit gehuwd geweest en had ook geen kinderen.
Hij zou wel een traktaatje "over het huwelijk" (περὶ
γάμου) hebben gepleegd (niet vermeld bij D.L.), waarvan
een fragment bewaard is bij Hieronymus, Adv. Iovinian. I, 190; Theophrastos trekt daarin
de conclusie: "non est ergo uxor ducenda sapienti"[37]. Diogenes' verwijzing, anderzijds, op
gezag van Aristippos, naar een homo-erotische relatie met Nikomachos, zoon van
Aristoteles, wordt door Regenbogen afgedaan als "albern", i.e. onzin - maar, zoals fijntjes
wordt opgemerkt door Indemans, doet hij dat "misschien meer op grond van deugdzame
dan deugdelijke overwegingen"[38].
Theophrastos bleef aan het hoofd van zijn school tot kort voor zijn dood, tussen 288
en 285. Uit D.L. (V, 40) zou volgens Indemans (l.c.), blijken dat hij vrij plotseling
gestorven is, aangezien hij tot kort voor zijn dood nog gewerkt heeft. De grote populariteit
die Theophrastos in Athene genoot, bracht mee dat omzeggens de gehele Atheense
gemeenschap hem op zijn laatste tocht vergezelde (D.L. 41). Hoewel hij
tijdens zijn leven niet afkerig was geweest van luxe[39], vraagt hij in zijn testament een eenvoudige begrafenis in de tuin van de school (D.L. 53).
Uit hetzelfde testament blijkt ook, a.h.w. tussen de regels, dat er tijdens de laatste jaren
van zijn leven nogal wat persoonlijke spanningen gegroeid waren binnen de school. Zij hebben blijkbaar tot onenigheid geleid inzake de bestemming van de bibliotheek én de opvolging. Aangezien deze twee zaken normaliter moesten samenvallen, wordt uit het feit dat
Theophrastos zijn "boeken" heeft laten erven door zijn bloedverwant Neleus van Skepsis[40],
gewoonlijk afgeleid dat hij daarmee Neleus als zijn opvolger heeft willen aanduiden. De
πρεσβύτεροι van de school zijn hem daarin na zijn dood alleszins niet gevolgd: zij hebben, ongetwijfeld volkomen terecht vanuit filosofisch-wetenschappelijk oogpunt, Stratoon
(van Lampsakos) verkozen (die als bijnaam
ὁ φυσικός kreeg). Neleus - als filosoof klaarblijkelijk een
'lichtgewicht' - is daarop teruggekeerd naar zijn geboortestad Skepsis (Klein-Azië) maar heeft
zowel Theophrastos' als Aristoteles'
bibliotheek met zich meegenomen[41].
Ook materieel lijkt het Theophrastos (en de school) niet voor de wind te zijn gegaan,
tijdens zijn laatste levensjaren. Dat mag althans worden afgeleid uit de erg omslachtige testamentaire afwikkeling van de financiële verplichtingen die Hipparchos in de vorige jaren
blijkbaar had opgestapeld (Hipparchos wordt ook als curator vermeld in het testament van
Aristoteles, cf. D.L., V, 12). De persoonlijke verhoudingen tussen deze Hipparchos en
Theophrastos' neven, Melantes en Pankreoon, lijken nogal gespannen te zijn geweest. Bovendien zat Hipparchos financieel aan de grond (cf. D.L. 55:
). Ook de zeer uitvoerige voorzorgsmaatregelen die Theophrastos treft om de correcte uitvoering van zijn testament te waarborgen - cf. D.L. 54, i.v.m.
de beschikkingen ten voordele van zijn huismeester Pompulos, maar ook de drie
'gewaarmerkte' kopieën van zijn testament, gedeponeerd bij drie verschillende personen
-, wijzen op een onzekere materiële situatie[42].
Afsluitend mogen we, Theophrastos' leven overschouwend, zeggen dat hij zichzelf terécht een
"σχολαστικός" heeft genoemd: zie D.L. V, 37. Weliswaar ontbreekt in de
Griekse zin een lijdend voorwerp en is het dus niet zonder meer evident dat hij daarmee
zichzelf heeft willen karakteriseren[43]. Indemans heeft vooral problemen met de negatieve
ψonnotatie van het woord in de vertaling van Regenbogen,
namelijk "Stubengelehrte", i.e.
kamergeleerde; z.i. wordt de term in voormelde passus - als het inderdaad om een
zelfkarakterisering gaat - door Theophrastos in zijn oorspronkelijke betekenis gebruikt,
namelijk als synoniem voor
θεωρητικός, i.e. "wetenschapper"[44]. Zoals Theodor Gomperz de uitdrukking op een gelukkige manier omschrijft:
"(Theophrastus') whole existence was, in fact, absorbed in study, in the giving of oral
and written instruction"[45].
§ 5. Antieke Portretten:
Nergens in de bronnen is er sprake van een beeld van Theophrastos. Toch zijn een aantal
bewaarde Romeinse bustes - in de eerste plaats de herme van de Villa Albani, met
inscriptie - ongetwijfeld kopieën van een Grieks origineel (brons). Het gaat om de volgende
sculpturen:
1) de herme van de Villa Albani (oorspronkelijk "Villa van Cassius"), bij Tivoli. Ze
draagt de Griekse inskriptie en is 67 cm hoog.
Zie G.M.A.Richter, The Portraits of the Greeks, vol. II, London 1965, p. 177, afbeeldingen
nrs. 1022-1023. Een foto van deze herme siert de bovenborder van de voorliggende
syllabus.
2) Hoofd van Theophrastos, op moderne herme, in het Museo Torlonia (gevonden op
de Via Appia). Hoogte van het hoofd (met nek): 28 cm. Gerestaureerd werden: neus,
grootste deel van het linkeroor, linkerzijde van de baard... Zie Richter, o.c., nr. 1024.
3) Hoofd van Theophrastos, gemonteerd op moderne herme, in het museum van het
Capitool, Rome. Hoogte (hoofd en nek): 28 cm. Eveneens met restauraties (Richter, nrs.
1028-30).
4) Herme van het Vatikaan. Hoogte: 49 cm; restauraties. Richter, o.c., p. 178 ("the
herme is ancient but alien"), nrss. 1025-1027.
Richter, l.c., geeft het volgende commentaar:
in deze levensgrote portretten wordt Theophrastos afgebeeld als een man van ca 50
jaar (d.w.z. op de leeftijd waarop hij aantrad als scholarch), "of sober temperament,
great intelligence, a
σχολαστικός, as he apparently called himself (DL V, 37), and
of a kindly disposition". Zijn fysieke kenmerken: een hoge, ronde schedel, zware
wenkbrauwen met twee diepe groeven boven de neusbrug, en twee diepe groeven
onder de neus; de mond, met eerder dunne lippen (in de herme Albani is de onderlip
dikker), wijst op beslistheid; de baard is kort gehouden en het haar eerder sluik.
Het Griekse origineel dateert waarschijnlijk van ca 290-280, en werd misschien kort na
Theophrastos' dood opgericht (maar hij werd dan wel afgebeeld in zijn akmè, niét als een
man van 80. Wehrli, o.c., p. 462, daarentegen, dateert het origineel ca 310-300, op gezag
van K.Schefold, Die Bildnisse der antiken Dichter, Redner und Denker, Basel 1943, p. 98.
Daar lezen we de volgende interpretatie van het beeldmateriaal:
"Die Schatten unter den Augen, die tiefen Falten der Wangen verraten, wie schwer
und einsam dieses edle Antlitz sein Wissen um die Welt der Geschöpfe trägt... Das
Bildnis des Theophrastos ist das erste unter den schmerzhaft einsamen
Menschenbildern des 3. Jahrhunderts, die so tief verschieden sind von den hohen,
würdigen Gestalten der späten Klassik".
__________________________
NAAR HOOFDSTUK 2
NOTEN:
1. Onze hoofdbron - volgens Regenbogen (1940), k. 1355, in de praktijk zelfs onze énige bron - is
de Vita bij Diogenes Laertios, V.36-57. Het artikel in de Souda bevat, vergeleken met D.L., geen
wezenlijk nieuwe informatie. Alle overgeleverde biografische informatie (m.i.v. de Arabische) is nu,
met Engelse vertaling samengebracht in Sources, 1 (1992), nrs. 1-36 - zie achteraan in de
literatuurlijst, onder § 2.
2. D.L. V.58: Stratoon van Lampsakos heeft Theophrastos opgevolgd als schoolhoofd in de 123e
Ol.= 288-4, en is gestorven in de 127e Ol. (= 272-268), na de school gedurende 18 jaar te hebben
geleid.
3. Zie ook J.Indemans (1953), pp. 2-3.
4. De twijfel van W.Jaeger (in zijn Aristoteles, 1923) omtrent een dergelijk verblijf van de jonge
Theophrastos in Platoons Akademie wordt weggewuifd door Regenbogen, o.c., k. 1358: geboren in
371-370, kan Theophrastos gemakkelijk, als 18-jarige, nog voor Platoons dood naar Athene zijn
gekomen (vgl. met Aristoteles, die rond zijn 17de jaar vanuit Stageira naar Athene kwam).
5. Stagiros, of mv.:
τὰ Στάγιρα, was in 348 door Philippos II platgebrand (zo ook Olunthos: zie
Demosthenes' redevoeringen). Als dank voor bewezen diensten als opvoeder van Alexander zou
Aristoteles, volgens de traditie, in 340 van Philippos verkregen hebben dat Stagira mocht worden
heropgebouwd.
6. Non posse suaviter vivi secundum Epicurum, 1097B.
7. o.c., pp. 6-8.
8. zo W.W.Tarn, in de Cambridge Ancient History, VI, p. 440.
9. Cf. het slot van het Symposium. Voor de (omstreden) topografie van het Lukeiongymnasium
(gewoonlijk werd het ten N.O. van Athene gesitueerd, cf. het kaartje hierboven), zie nu J.P.Lynch
(1972), pp. 9-31. Deze auteur kiest, mede op basis van het epigrafisch materiaal, voor "a site immediately outside the southeastern section of the ancient city wall - much closer to the wall and
further south than has usually been considered probable for the location of the Lyceum" (pp. 21-22). Op het stadsplan van het moderne Athene, raakte het heiligdom in het N. de zuidelijke rand van
het Syntagmaplein en in het Z. de noordelijke grens van het Olympeion (p. 29).
10. Cf. Athenaios, Deipnosophistae, V, 186b.
11. Vgl. Epikouros' testament, D.L. X, §§ 17 en 19-20.
12. Cf. ook Lukoons testament, D.L. V.71, en Antigonos van Karustos bij Athen., XII, 547d.
13. Zie D.L. V, 4; Antigonos v.K., l.c. (die van maandelijkse verkiezingen spreekt). Zie Lynch, o.c.,
p. 82.
14. O.m. Aulus Gellius, XX, 5, 5; D.L. V.1 en 3.
15. Der Peripatos bis zum Beginn der römischen Kaiserzeit
(1983), pp. 462-3.
16. In Antigonos von Karystos, Berlin 1881, p. 264.
17. O.c., p. 108 e.v.
18. K.O.Brink (1940), k.904, nochtans, merkt op dat, mocht het om dezelfde plaats hebben gehandeld
waar Aristoteles placht te onderwijzen, we in de bronnen toch enige verwijzing naar hem hadden
mogen verwachten.
19. Zie Brink, o.c., k. 899.
20. D.L. V, 4 en 70. In Stratoons testament, daarentegen, wordt het synoniem
διατριβή gebruikt,
dat eveneens zoveel als "school" betekende (D.L. V, 62).
21. (1940), k. 902.
22. Maar zie ook Cicero, Academica, I, 4, 17.
23. Maar ook het gebruik van een
περίπατος als "schoolgebouw", zoals gezegd, was natuurlijk
algemeen verspreid!
24. Wehrli (1983), p. 462.
25. In: J.Wiesner (ed.), Festschrift P.Moraux ,1.Bd.:
Aristoteles u. seine Schule, Berlin 1985, p. 14.
26. Noctes Atticae, XIII, 5, 2-10 en 12. Zie ook Straboon, XIII, 1, 54: "... In elk geval heeft
Aristoteles zijn bibliotheek overgelaten aan Theophrastos, aan wie hij ook de school naliet".
27. Regenbogen (1940), k. 1356.
28. Brink (1940, o.c., k. 928.
29. Zie Stoicorum Veterum Fragmenta, I, fr. 280.
30. Zo Wehrli (1983), p. 477.
31. Zie Cicero, Tusculanae Disputationes, V, 9, 25: "Vitam regit Fortuna, non Sapientia" (eig. een
spreuk van Chairemoon, fr. 2 Nauck), en ibid., III, 10, 21.
32. Cf. D.L. V, 37, en Theophrastos' geschrift
Πρὸς Κάσανδρον περὶ βασιλείας, D.L. V,
47.
33. Indemans, o.c., p. 9. Over de filosofenprocessen in Athene in het algemeen, zie E.Derenne,
Les procès d'impiété intentés aux philosophes à Athènes au 5e et 4e s., Luik 1930.
34. zie D.L. V, 38.
35. 5 talenten, geen 50, zoals Indemans, o.c., p. 12, verkeerdelijk afdrukt.
36. Zie D.L. V, 51-52. Cf. Brink (1940), k. 905; Wehrli (1983), p. 464.
37. Zie hierover Regenbogen, o.c., k. 1487.
38. D.L., V, 39; Regenbogen, l.c., en Indemans, o.c., p. 12.
39. Cf. Athenaios, I, 21b.
40. Cf. D.L., 52:
τὰ δὲ βιβλία πάντα Νήλει. Waarschijnlijk (maar zeker is dat niet) gaat het
hier om de schoolbibliotheek, waarvan Aristoteles' wetenschappelijke manuscripten een
substantieel deel vormden.
41. Zie Brink, o.c., kk. 930-1. Bij Straboon, Geographia, XIII, 1, 54 (= Sources, nr. 37), lezen we
dan het verhaal - "het klinkt als een roman", volgens A.Lesky (GgL, p. 625) - dat al deze boeken
gedurende ongeveer twee eeuwen verborgen bleven; pas in de 1ste eeuw vK weer opdoken en, gekocht
door een rijke bibliofiel (Apellikoon van Teos), in Athene belandden en van daaruit meegeroofd
werden naar Rome door Sulla (86 vK); daar werd het aristotelische corpus dan finaal uitgegeven
door Andronikos van Rhodos. Zelfs als dit verhaal waar is, kan het natuurlijk niét betekend hebben
dat het Atheense Lyceum niet meer over teksten van zijn eerste twee scholarchen beschikte.
42. Zie Regenbogen, o.c., k. 1362.
43. Cf. Ferwerda & Eyckmans, in hun D.L.-vertaling, p. 162: "in die brief noemt hij ook iemand een
'schoolfrik'".
44. Indemans, o.c., pp. 30-32; Regenbogen, o.c., k. 1359.
45. Gomperz (1964) , p. 461.
|