4. Thomas van Aquino
4.1. Leven
Thomas werd geboren in (hoogst waarschijnlijk) het begin van 1225, op het
kasteel van Rocca Secca (bij Napels). Hij was de jongste telg van de prominente feodale
dynastie van de graven van Aquino(113). In 1230 gaf Landulf van Aquino zijn jongste
zoon als "oblaat" aan het benediktijnerklooster van Monte Casino(114).
In 1239,
echter, besloot keizer Frederik II, die opnieuw verwikkeld was in een oorlog tegen
de paus, tot de verdrijving van de monniken uit Monte Casino, en Thomas werd
teruggebracht naar zijn familie. In de herfst van dat jaar (dus op 15-jarige leeftijd)
vertrekt hij naar de universiteit van Napels (net opgericht door dezelfde keizer), om
er tot 1243 te studeren aan de Artesfaculteit.
In 1244 trad Thomas toe tot de nog jonge "bedelorde" van de dominicanen(115),
ondanks het felle verzet ertegen van zijn familie (hij zou zelfs gekidnapt zijn door
zijn broers en opgesloten tot in de herfst van 1245: legende?). Mogelijk reisde hij
nog dat zelfde jaar naar Parijs om er de theologische studies aan te vatten onder
zijn ordegenoot Albert de Grote (Albertus Magnus)(116).
In de zomer van 1248, in elk geval, vergezelde hij Albert naar Keulen, waar deze laatste een nieuwe studiehuis (studium
generale) van de orde ging leiden.
In de zomer van 1252 keerde Thomas terug naar Parijs ten einde zich voor
te bereiden op het magisterium in de theologie. De universiteit stond er op dat
ogenblik in rep en roer ten gevolge van het conflict tussen de "seculieren"
en de
"regulieren": de seculiere magistri (die de eigenlijke universitas of klerkengilde
vormden) verzetten zich 'met hand en tand' tegen de groeiende invloed van de
twee bedelordes, dominicanen en franciscanen, binnen de theologische faculteit(117). De paus kwam echter tussen ten gunste van de regulieren (die
en plus
veel succes genoten bij de studenten)(118).
Thomas' professorale carrière zou dan de rest van zijn leven (i.e. 22
jaar) in beslag nemen. Met een zeer sterk besef van zijn intellectuele roeping -
"de Wijze leeft in dienst van de Waarheid", schrijft hij bij de aanvang van de
Summa contra Gentiles -, wees hij de hoogste kerkelijke ambten af. Zijn
carrière
wordt ingedeeld in 4 periodes: de eerste Parijse periode (1252-59), de eerste
Italiaanse (1259-68), de tweede Parijse (1269-72), de tweede Italiaanse (1272-74)(119).
Na, als baccalaureus biblicus, eerst de Bijbel en daarna, als sententiarius, de
Sententiae van Petrus Lombardus "verklaard" te hebben, ontving Thomas
in 1256
het licentia docendi (maar door obstructie van de seculieren werd hij
pas een jaar
later, in 1257, officieel als magister in de universitaire corporatie opgenomen, samen met de
franciscaner, Bonaventura). Gedurende 3 jaar doceerde hij in het dominicaanse studium
en bemande hij (eens erkend) één van de twee dominicanerleerstoelen in de
faculteit. Tot zijn literaire productie behoren o.m. de Quaestiones disputatae
de veritate, de filosofische opuscula De ente et essentia en De principiis
naturae; de Quaestiones quodlibetales VII-IX.
Eind 1259, of begin 1260, verlaat Thomas Parijs om te gaan doceren in
Italië: van 1261 tot 1264 in Orvieto (hetzij aan het studium curiae,
i.e. de pauselijke
hofschool, hetzij aan het studium van zijn orde); van 1265 tot 1268 in Rome.
Behalve door een pedagogische, wordt deze Italiaanse periode ook gekenmerkt door
een zeer intensieve literaire bedrijvigheid (o.m. afwerking van de Summa contra Gentiles, het op-stapel-zetten van
de Summa Theologiae (Prima Pars);
commentaar
op het Traktaat over de Goddelijke Namen van de Ps-Dionusios; zijn eerste
Aristotelescommentaar, namelijk op De anima, e.a.. Vermoedelijk is hij in deze periode
in persoonlijk contact getreden met zijn ordegenoot en Aristotelesvertaler, Willem
van Moerbeke.
Eind 1268 krijgt Thomas van zijn ordeoversten de opdracht, terug te keren naar
Parijs. Die terugroeping hield verband met de nieuwe onrust die aan de Parijse
universiteit ontstaan was als gevolg van het verzet vanwege de traditionalistische
theologen tegen het opkomende radicale aristotelisme.
Dat had, vooral onder het
impuls van de jonge magister, Siger (Zeeger) van Brabant(120), een grote aanhang
verworven onder meesters en studenten van de Artes(121).
Hoewel bijzonder kort (amper drie jaar), zou dit Thomas' filosofisch meest
vruchtbare periode worden. In woord en geschrift verdedigde hij zijn
standpunten: tegen de aanvallen van de seculiere meesters, tegen de
traditionalistische opvattingen binnen de theologiefaculteit en, bovenal, tegen
het 'heterodoxe' aristotelisme van Siger (cf. Thomas' De unitate intellectus
contra averroïstas parisienses en De aeternitate mundi, 1270-71).
Wat dat laatste betreft, Thomas ging de strijd niet aan op basis van
gezagsargumenten (zoals
de traditionalisten dat deden), maar vanuit een filosofische
interpretatie van Aristoteles zelf. De ironie wil dat, hoewel hij op
die manier een synthese tot stand bracht tussen de
christelijke-augustiniaans-(neo)platonische traditie en het
aristotelische naturalisme, Thomas (na zijn dood) net zo goed als Siger
geviseerd zou worden door de veroordeling die de bisschop van Parijs in
1277 zou uitspreken tegen (219 stellingen van) het zogenoemde "Latijnse Averroïsme"(122).
In deze
zelfde periode werkte Thomas ook verder aan zijn Aristotelescommentaren:
Metaphysica, Physica, Nikomachische Ethiek, e.a. Hij redigeerde ook het Secunda
Pars van de Summa Theologiae; de Quaestiones disputatae de anima, de malo, de
virtutibus, enz.; verder de Quaestiones quodlibetales I-VI, e.a.
Kort na Pasen 1272 werd hij teruggestuurd naar Italië (mogelijk wegens
toenemende oppositie in Parijs), ten einde, op verzoek van koning Charles van Anjou,
binnen de universiteit van Napels een studium generale van de orde in
te richten
en de leiding op zich te nemen van het theologieonderwijs.
Begin 1274, tenslotte,
vertrekt hij, op 'uitnodiging' van de paus, naar het concilie van Lyon. Onderweg,
nochtans, valt hij ziek en hij sterft op 7 maart 1274, amper 49 jaar oud. Tijdens zijn korte
verblijf in Napels had hij nog drie commentaren geschreven (op De caelo, De
generatione et corruptione en Politica) en was hij begonnen aan het Tertia Pars van
de Summa Theologiae (onafgewerkt gebleven).
4.2. Werken
De "doctor angelicus", of: "communis", zoals hij
nadien genoemd werd, heeft ondanks zijn drukke professorale bedrijvigheid en korte levensduur (cf. Albert, hoewel een
kwart eeuw vroeger geboren, zou hem nog een 6-tal jaar overleven) een immens
oeuvre bijeengeschreven(123). In de uitgave van Vivès
(1871-80; 1889-1890²) neemt het 34 volumes in beslag; in de "Leonische" uitgave,
gestart onder paus Leo XIII (in 1882) en nog altijd niet voltooid, zijn tot nu
toe een 27-tal banden verschenen.
We kunnen Thomas' literair oeuvre, met Mandonnet(124), indelen
in twee
hoofdgroepen, nl.
- de "schoolgeschriften", i.e. teksten die teruggaan op zijn onderwijsactiviteiten,
hetzij aan de universiteit hetzij binnen de orde;
- de "gelegenheidsgeschriften", i.e. strijd- en gelegenheidsteksten die hun
oorsprong vonden in een door anderen aan Thomas gerichte vraag, opgedragen
zijn aan prominenten en vrienden, of gewoon uit Thomas' eigen initiatief
ontstaan zijn.
4.2.1. Tot de "schoolgeschriften" behoren:
1) Teksten stammend uit Thomas' theologisch onderwijs, zoals commentaren
op Bijbelboeken (Job, Psalmen, Isaias, Jeremias) en de evangelies (Mattheus,
Johannes), Brieven van Paulus; op het De Trinitate en De Hebdomadibus van
Boethius, het De divinis nominibus van Ps-Dionusios, e.a.; vooral zijn Scriptum
super Sententiis, i.e. commentaar op het Liber Sententiarum van Petrus
Lombardus, dat in omvang de overige theologische commentaren overtreft en
een eerste synopsis biedt van de theologische problemen.
2) De "disputatio"-literatuur: Thomas heeft een rijke verzameling nagelaten, zowel
aan Quaestiones disputatae ordinariae als Quaestiones quodlibetales. De eerste
zijn vooral belangrijk voor de studie van sommige fundamentele aspecten van
zijn leer, want ze worden er omstandiger en diepgaander onderzocht dan in de
Summa. Zo De veritate, 1256-59; De malo, i.e. "over het kwaad", 1263-68;
De potentia Dei, 1265-68; De spiritualibus creaturis, i.e. over de engelen, 1267-68;
De anima, 1269; De virtutibus in communi, i.e. "over de deugden
in het
algemeen", 1269-72; De virtutibus cardinalibus, i.e. "over de hoofddeugden",
1269-72. De Quodlibets, anderzijds, bezitten een speciale historische interesse
omdat ze een spiegel bieden van de ideeën en controversen van die periode. De
reeksen VII tot XI stammen uit de eerste, en die van I tot VI & XII uit de
tweede Parijse periode.
3) De preken van Thomas (zijn Sermones of Collationes).
4) De filosofische commentaren: vooral op Aristoteles en het pseudo-aristotelische
Liber de causis (in werkelijkheid gebaseerd op een tekst van de neoplatonicus Proklos(125);
1271-72). Zij stammen niet uit Thomas' publiek onderwijs (in de 13de eeuw
mochten dominicanen geen "profane" wetenschappen onderwijzen) maar uit
zijn lessen binnen de studia van de orde. Ze hadden allicht de
bedoeling om een christelijk alternatief te bieden voor de ("heterodoxe")
commentaren van Averroës. Thomas, wiens eigen kennis van het Grieks altijd
hoogst elementair is gebleven, spande zich in om betrouwbare teksten te bekomen,
rechtstreeks en a.h.w. woord voor woord vertaald uit het Grieks(126). Wat de kwaliteit van zijn
interpretaties betreft, gewaagt Van Steenberghen van "un travail d'analyse
et d'exégèse qui témoigne d' une pénétration extraordinaire de la pensée
d'Aristote, mais qui n'hésite pas à l'expliciter, à la compléter ou même à la
corriger lorsque le besoin s'en fait sentir"(127).
4.2.2. "Gelegenheidsgeschriften":
1) De "Opuscula": van een enorme verscheidenheid, zowel qua aanleiding,
inhoud als omvang. Tot de bekendste behoren:
- filosofisch: De principiis naturae (1255), De ente et essentia (1255),
De substantiis separatis (1267-68), De unitate intellectus (1270),
De aeternitate
mundi contra murmurantes (1271);
- apologetisch: Contra Errores Graecorum (1263), De rationibus fidei contra
Saracenos, Graecos et Armenos (1264);
- theologisch: De articulis fidei et Ecclesiae sacramentis, De regno(128) (1265-66),
De regimine Judaeorum (of: De regimine subditorum, 1265-67);
- verdediging van de bedelorden: Contra impugnantes Dei cultum et religionem
(1256), De perfectione spiritualis vitae (1269), Contra pestiferam
doctrinam retrahentium homines a religionis ingressu (1270);
- spiritualiteit: Expositio orationis dominicae, Expositio symboli apostolorum
(1273), Expositio de Ave Maria.
2) Theologische synthesewerken:
- Summa contra Gentiles (ScG), 1258/59-64, in 4 boeken;
- Compendium theologiae (1265-67): een korte uiteenzetting van de theologie,
opgedragen aan zijn socius Reginald; is onafgewerkt gebleven;
- Summa Theologiae (ST)(129), 1267-73 (onvoltooid).
De ScG en ST zijn Thomas' bekendste werken; ze geven ons zijn "rijpe denken"
(Copleston). Wat meer bepaald de ScG betreft, de eigenlijke titel ervan luidt:
Liber
de veritate catholicae fidei contra errores infidelium. Volgens de overlevering werd
het werk - een uiteenzetting van de katholieke doctrine - geschreven op verzoek,
ten einde diegenen te helpen die betrokken waren bij de missionering onder de Moren in Spanje(130). Toch gaat het om veel méér dan een 'handboek
voor missionarissen'. De "gentielen" ("heidenen") die Thomas
op het oog had, waren niet zozeer de gewone 'gelovige ongelovigen' als wel de
intellectuele elites bij joden, moslims, heidenen en zelfs dissidente christenen
der Oosterse kerken, wier visie doordrongen was van een naturalistische
filosofie. Het opzet van het werk moet dus gezien worden in het licht van de
intellectuele confrontatie tussen het christendom en de 'naturalistische'
werkelijkheidsvisie, zoals geformuleerd in de Grieks-Arabische filosofie. Eén
van de doeleinden van Thomas was hierbij: aantonen dat het christelijk geloof op
een rationele basis berustte, en dat de principes van de filosofie niet
noodzakelijk leidden tot een wereldvisie die het christendom impliciet of
expliciet uitsloot(131).
Het werk valt uiteen in 2 delen: het eerste (bken I-III) handelt over de
christelijke waarheden die toegankelijk zijn voor de rede; het tweede (bk IV)
bestudeert de mysteries, die ons enkel door de openbaring bekend zijn, en
door heidenen slechts kunnen aanvaard worden mits zij zich bekeren tot het geloof.
Zoals Van Steenberghen commentarieert:
"Il s'agit donc d'un exposé scientifique de la doctrine catholique ou
d'une synthèse théologique, mais dont le plan, le choix des questions et
l'orientation sont commandés par un but spécial bien défini: présenter la
doctrine chrétienne en tenant compte de la mentalité des infidèles et, par
conséquent, donner une place importante à l'aspect apologétique de la théologie"(132).
4.3. Thomas' Summa Theologiae
4.3.1. Een "summa" had, zoals gezegd, in de eerste plaats de
functie om, op een
systematische wijze, een overzicht te bieden van alle onderdelen van een bepaald
onderzoeksterrein. Vandaar dat dergelijke werken gewoonlijk bescheidener van
opzet zijn dan Thomas' ST. De omvang en alomvattendheid ervan(133), de
architectonische organisatie en structurering van de theologische thematiek zijn
"een meesterwerk op zich" genoemd, en werden vaak vergeleken met de gotische
kathedralen(134).
Toch presenteert ook Thomas zelf zijn werk in zeer bescheiden termen. Zijn eerste
bedoeling, zo schrijft hij in de Prologus, is van didactisch-pedagogische aard,
namelijk de
initiatie van "beginnelingen" ("incipientes"):
"Aangezien de catholicae veritatis doctor niet enkel de gevorderden moet
onderwijzen, maar ook de incipientes moet vormen..., ligt het in onze
bedoeling, in dit werk al wat betrekking heeft op de christelijke religie op dié
manier te behandelen, die past voor de vorming van beginnelingen (ad
eruditionem incipientium)".
Anderen, nochtans, zo gaat Thomas verder, hebben zich laten leiden door de
vereisten van de tekstverklaring ("librorum expositio") en hebben hun
argumenten aangebracht op de wijze die 'dialectisch-praktisch' van pas komt
in het kader van
de academische disputatio - waardoor nieuwkomers op hun honger blijven zitten.
In tegenstelling daarmee wil Thomas de "ordo disciplinae",
i.e. de "orde van de
inzichtelijkheid", volgen. Zij reorganiseert
het theologisch materiaal op dusdanige
wijze dat het echt intelligiebel, inzichtelijk, wordt: zij maakt m.a.w. de theologie tot
een "wetenschap" - iets wat niet mogelijk is in de lectio van de H. Schrift, of
in de
quaestiones disputatae.
4.3.2. Thomas' bescheidenheid moge dan al
authentiek zijn, zijn opzet om
de theologie daadwerkelijk om te vormen tot een (rationele) wetenschap,
was in de historische context alles behalve 'onschuldig'. In
werkelijkheid, aldus Van Steenberghen, biedt zijn ST,
"onder de schijn van het onschuldige project van een elementair traktaat ten
gerieve van debutanten, een stoutmoedige hergieting (une refonte audacieuse)
van de kaders en de inhoud van de theologie"(135).
Vóór de 13de eeuw was er nauwelijks sprake geweest van een speculatieve theologie. Het onderwijs
was gecentreerd gebleven op de lectio van Bijbel - de pagina sacra
- en Kerkvaders, vanuit een
algemeen augustiniaanse inspiratie (met klemtoon op de conformiteit tussen
de verhevenheid van het onderwijs en de heiligheid van de persoonlijke
levenswijze). Daaruit was een positieve of
praktische theologie geresulteerd,
i.e. bekommerd om het louter vaststellen van de openbaringsgegevens en het benutten van het patristische materiaal met
het oog op de zielsvervolmaking, niét om het voeren van filosofische discussies
over de betekenis van de religieuze waarheden. De rol van de dialectiek was
strikt beperkt gebleven tot het formele of methodologische vlak.
De
enkele,
schuchtere pogingen, daarentegen, om vanuit de dialectiek tot een filosofische
behandeling te komen van de openbaringsgegevens, hadden felle defensieve
reacties uitgelokt (denken we bv. reeds aan de 'persecutie' van Abélard door Bernard van Clairvaux).
Van Steenberghen, in zijn Aristotle in the West (p. 39) stelt daarom dat
er vóór de 13de eeuw geen sprake was geweest van een "echte doctrinale synthese". Bij de aanvang,
dan, van de 13de eeuw, wanneer de gehéle Aristoteles in vertaling toegankelijk werd, was die situatie
in Parijs niet
veranderd: de theologiefaculteit werd gedomineerd door
"extreem conservatieve tendensen" (ibid., p. 73; ook zijn
Philosophie au XIIIe s., p. 87). Zij trachtten zich met alle mogelijke
middelen te beschermen tegen de 'infiltratie' van de nieuwe Aristoteles -
vandaar de
al vermelde verbodsbepalingen van 1210 en 1215. Tot die groep van conservatieve theologen
behoorden o.m. Petrus Cantor en Robert de Courçon (in 1215 was hij de pauselijke legaat
die de Parijse statuten opstelde).
In onderscheid nochtans met die traditionele stroming, gingen
andere meesters meer en meer plaats inruimen voor filosofische speculatie binnen de
theologie. Pioniers van de nieuwe methode waren de seculiere meesters Filip
de Kanselier (doceerde van ca 1210, gest. 1236), Willem (Guillaume) van Auxerre
(doceerde
alleszins vanaf 1219, gest. 1231) en Willem (Guillaume) van Auvergne (meester-regent van
1222 tot 1228; nadien bisschop van Parijs tot aan zijn dood, in 1249). Deze laatste
wordt door M. De Wulf, in zijn Histoire de la philosophie médiévale (II, pp. 74-75),
beschreven als "één van de meest oorspronkelijke geesten in de eerste helft
van de eeuw... Willem is de eerste grote filosoof van de 13de eeuw".
Behalve Aristoteles
benutte ook hij reeds andere Griekse, joodse en
Arabische filosofen (zoals Avicenna, Averroës, Maimonides, Avicebron...).
Naast
Willem van Auvergne dienen nog vermeld te worden: de Engelsman Alexander van Halès (seculier meester,
1220-1236, nadien toegetreden tot de franciscanen), die als eerste het
Liber
Sententiarum van Petrus Lombardus als tekstboek voor zijn theologieonderwijs
hanteerde; Bonaventura (geb. ca 1221, magister in 1248,
generaal-overste van de franciscanen in 1257, gest. 1274; zie Van Steenberghen, o.c., pp. 177-244);
Roland van Cremona (eerste regent van de dominicanen, 1229-30); en natuurlijk de al vermelde Albertus
Magnus.
Deze theologen
gingen in toenemende mate Aristoteles benutten, in een poging om te komen tot een (rationele)
systematisering van de theologie. Vanuit filosofisch oogpunt,
nochtans, schoten ze toch tekort. Om nogmaals Van Steenberghen te citeren (o.c., p.
157):
"la philosophie dont ils usent manque de cohérence; c'est un
aristotélisme encore mal assimilé, auquel sont mêlés des apports étrangers assez
disparates, mais qu'on peut grouper sous l'etiquette très
vague d' 'éléments
néoplatoniciens', empruntés surtout à S.Augustin, à Avicenne et à Avicebron,
parfois à Proclus (par le Liber de causis) et à Averroès. Nous sommes
donc en présence de formes plus ou moins évoluées d' aristotélisme
éclectique, dont les nuances et la cohésion interne varient suivant le cas"
Indien we desalniettemin mogen spreken in verband met de 13de eeuw van een
ware "révolution
intellectuelle"(136), of "a new stage in the history of thought", dan
is dat bovenal te danken aan Thomas: met
zijn oeuvre in het algemeen, en met de ST in het bijzonder, vormt hij er ongetwijfeld
de bekroning van. Zoals Van Steenberghen het nogmaals uitdrukt (o.c., p. 284):
"Dépassant le néoplatonisme de S.Augustin et toutes les variétés de
l'aristotélisme néoplatonisant, plus ou moins éclectiques et plus ou moins
consistantes, qui s'étaient développées depuis le début du siècle, il a
créé une philosophie nouvelle, la première philosophie vraiment profonde et
vraiment originale qu'ait produite la civilisation chrétienne: il a créé le
thomisme".
Als thomist, wekt Van Steenberghen misschien de indruk
zich hier wat te laten meeslepen door zijn enthousiasme. Wat echter
vooral beklemtoond moet worden, is dat het met deze 'revolutie' - zoals
met andere, vergelijkbare historische momenten in de geschiedenis van
het denken - vooral om een nieuwe 'vorm'
ging, en niet louter om inhoudelijk-doctrinale vernieuwingen.
In tegenstelling, anders gezegd, tot wat de traditionele visie daaromtrent
verkondigt, vond in de 13de niet zozeer
een "shift in doctrine" (van 'augustinisme' naar 'aristotelisme') plaats, als wel
"een kapitale transformatie in de vorm van het scholastieke denken",
ofte: de constructie van een nieuwe, filosofisch-wetenschappelijke denkvorm.(137)
Die
nieuwe denkvorm behelsde de overtuiging van de noodzakelijkheid om alle vergaarde,
verzamelde kennis, alle 'waarheden', te organiseren en te unifiëren binnen een
samenhangend geheel, of systeem, volgens universele, zowel interne als formele
principes. Veel meer dan om specifieke resultaten van diens onderzoek, leek
Aristoteles omwille van diens kennismodel de
onmisbare geestelijke leider van dat project te moeten zijn.(138)
4.3.2. Voor het 'revolutionaire' totaalplan van de ST heeft Thomas gebruik gemaakt van het neoplatonische,
dialectisch-dynamische schema van "emanatie" (processio) en
"terugkeer"
(reditus), respectievelijk uit, en naar God (zie
op
deze site, bij Plotinos). De theologie is immers de
'wetenschap van God', en dat maakt het voor de hand liggend dat alles bestudeerd
wordt in relatie tót God.
Thomas beschikte daarmee over een schema van een universele ordening waarin
alle naturen konden gelokaliseerd worden volgens het analytisch model van genus
en species, maar waarin ze tevens (precies daardoor) intelligiebel (inzichtelijk)
werden gemaakt. Zeer belangrijk bovendien was het feit dat het dynamische, neoplatonische
schema, in de christelijke versie ervan, ook plaats liet voor de contingentie van de
(heils)geschiedenis: de ganse schepping, immers, is in haar
ontwikkeling afhankelijk van de vrije wil van
God.
Dat leidde dan tot een indeling van de ST in drie "partes":
- het Prima Pars ("1a"): over God als één en als
drievuldig, en de processie van de schepping uit God (als principe);
- het Secunda Pars ("2a"): over de terugkeer naar God (als doel); is zelf
onderverdeeld in twee "bewegingen":
- het Prima Secundae ("1a2ae") bestrijkt het menselijke handelen,
i.e. de
algemene moraal: de finaliteit van de mens, afhankelijk van zijn vrije
handelingen, geleid door de wet van God en bijgestaan door diens genade;
- het Secunda Secundae ("2a2ae") behandelt de speciale moraal: de goddelijke
deugden (geloof, hoop en liefde), de kardinale deugden (verstandigheid,
gerechtigheid, moed en matigheid) en de verschillende vormen van
menselijk leven;(139)
- het Tertia Pars ("3a") beschouwt Christus, "die als mens de weg is van ons
streven naar God", i.e. bestudeert de christelijke voorwaarden voor de
terugkeer: de sacramenten of genademiddelen en de eschatologie of leer over
de voleinding van de mens en van zijn geschiedenis.
Elke pars bestaat uit een aantal quaestiones of
'hoofdstukken' (119 in 1a, 189 in 2a, 90 in 3a), die elk een reeks
van discussiepunten, i.e. articuli, groeperen. Deze
laatste worden door Thomas opgesomd aan het begin van elke quaestio (let
wel: de aparte
ondertiteling van ieder artikel evenals die van de quaestio stammen niet van
Thomas).
Elk artikel is, als een eenheid van onderzoek(140), opgebouwd uit vijf stappen(141):
1) de titel: begint gewoonlijk met "Utrum...", "Is het zo, dat... (of niet zo)?"
2) de openingsargumenten voor de thesis die tegengesteld is aan degene die door
de auteur zal verdedigd worden;
3) kort tegenargument;
4) de expositie en oplossing van de probleemstelling, i.e. het corpus articuli;
5) de antwoorden op de tegenargumenten.
Elk 'artikel' is m.a.w. een debat in miniatuur; het moet als zodanig in zijn geheel
worden gelezen.
4.3.3. Ter illustratie: Inhoudsoverzicht van Quaestio 84:
Proloog: hoe kent de ziel de lichamen? Uit de volgorde der vragen blijkt dat Thomas
de rol van de zintuiglijke kennis in het licht wil stellen.
art. 1: Preliminaire vraag: is er een 'intellectuele' kennis mogelijk
van de lichamen? i.e. kunnen we van de materiële en dus veranderende
werkelijkheid een immateriële en noodzakelijke kennis hebben (of:
is het kenproces noodzakelijk zelf een fysisch, materieel proces, zoals Heraclitus
geloofde)?
art. 2: Het antwoord op de vorige vraag affirmatief zijnde, hoe en waardoor komt
die kennis dan tot stand? Het kan niet zijn middels de essentie van de ziel, want
elk geschapen intellect kent de werkelijkheden erbuiten door een "similitudo"
("gelijkenis") van die werkelijkheden. Die similitudo is dan
als een ideële vorm, de species, in het intellect aanwezig.
art. 3: Vanwaar komen die "gelijkenissen"? Van binnen de ziel?
Neen, want de intelligentie is louter aanleg, en de platonische theorie van de
aangeboren ideeën is onaanvaardbaar.
art. 4: Ze komen dus van buiten. Langs welke weg? Niet via een
participeren aan op zich bestaande, immateriële vormen of ideeën (Platoon);
evenmin door het binnenstromen in de menselijke geest vanuit een op zich
bestaand Actief Intellect (Avicenna). Die opvattingen maken de vereniging van
ziel en lichaam overbodig; ze verklaren niet waarom een bepaald idee (bv. van
kleur) ontbreekt
wanneer het overeenkomstige zintuig (bv. het zicht) ontbreekt.
art. 5: Kunnen eeuwige kenbeelden ("rationes aeternae"), of exemplarische
modellen, waarin al het andere gekend zou worden door illuminatie, een
antwoord geven (cf. Augustinus)? Hier moet een distinctie gemaakt worden:
- als het om een platonische participatie gaat, is het antwoord: neen;
- als het gaat om ons "intellectueel licht", als een participatie aan het goddelijke
licht, is het antwoord: ja. Maar daarmee is enkel de "verlichtende" functie
van het actief intellect (intellectus agens) verklaard; dat licht geeft
niét de vereiste, afzonderlijke "gelijkenissen" der materiële
werkelijkheden (het zorgt enkel voor de actualisering van het intellectus possibilis, het
"mogelijke intellect").
art. 6: Dat leidt ons tot de middenweg ("via media"), zoals Aristoteles die
bewandelde: alle kennis vangt weliswaar aan in het zintuiglijke, maar daar
blijft het niet bij. Anders gezegd: de vereiste "gelijkenissen" moeten geabstraheerd worden uit de
zintuiglijke kennis, want via abstractie en intellectus
agens wordt het zintuiglijke (species sensibilis) omgezet in het immaterieel
kenbare (species intelligibilis).
art. 7: De rol van de zintuiglijke kennis is dermate belangrijk dat
men zelfs in het gebruik van al verworven ideeën een beroep moet doen op
voorstellingen of beelden (imagines). Algemeen: "slechts wat vooraf
in de zintuigen was, kan (als
immaterieel kenobject) in het intellect zijn" ("nihil in intellectu nisi prius
in sensu fuerit").
art. 8: In de mate waarin zintuiglijkheid (sensus) en voorstellingsvermogen
(imaginatio) met elkaar verbonden zijn, in diezelfde mate wordt de intellectuele
activiteit gehinderd bij een tekortschieten van de sensus. Conclusie: het
geëigende object van de menselijke rede is de "quidditas", of
immateriële vorm of essentie, van het zintuiglijke object (res).
We staan hier dus weliswaar niet voor een zuiver empirisme - cf. de rol van het
"intellectueel licht" -, maar toch voor een afwijzing van het
platonisch idealisme
in al zijn vormen. Thomas' overheersende bekommernis is: te drukken op de
zintuiglijke oorsprong van onze ideeën. Hij neemt, globaal genomen, een 'aristotelisch' standpunt in
wat het kenproces betreft.
_________________________
|
NOTEN:
113. Verwant, langs Thomas' moeder, met de Staufen,
i.e. met keizer Frederik II (1215-1250), wiens rijk zich uitstrekte van
Duitsland tot Sicilië.
114. Dit was een normale praktijk van de adel. Naast religieuze, speelden ook
politieke motieven hierin mee. Allicht was Thomas voorbestemd om abt te
worden van het klooster.
115. Opgericht door Dominicus (oorspronkelijk een
augustijnermonnik), in de eerste decennia van de
13de eeuw
(canonieke erkenning in 1216, eerste algemeen kapittel in 1220). De
nieuwe orde, de "Predikheren", kende een buitengewoon snelle uitbreiding, ook
binnen de universitaire wereld - net, trouwens, zoals die van de franciscaners,
de "Minderbroeders" (kregen hun canoniek statuut pas in 1223). Beide
waren stedelijke ordes, zonder abdijen, en moesten derhalve van de
liefdadigheid leven, vandaar hun statuut van "bedelordes" (in het Frans:
"Mendiants").
116. Albert de Grote (van Duitse afkomst, geb. ca 1200 - gest. 1280)
wordt
algemeen beschouwd als de grondlegger van het christelijk aristotelisme.
Overtuigd als hij was van het belang voor het christendom van de "heidense"
wetenschap (weliswaar binnen het "primaat" van de sacrale wetenschap, maar
met volle erkenning van de methodologische autonomie van de filosofie), heeft
hij de dominicanerorde de weg doen inslaan van de Aristotelesstudie. Zijn
(natuur)wetenschappelijk en theologisch oeuvre is immens (het neemt 38
volumes in beslag in de Parijse uitgave van 1890-99; de nieuwe kritische
uitgave voorziet 41 banden, waarvan er al 20 verschenen zijn). Zijn levenswerk
was ongetwijfeld de grote filosofisch-wetenschappelijke encyclopedie die hij
heeft samengesteld op basis van uitgebreide, kritische parafrasen van het
gehele corpus van Aristoteles (tussen 1254 en 1270). Hij was daarmee "le
premier à offrir à ses contemporains un exposé pratiquement complet du savoir
humain tel qu'il avait été élaboré par la science gréco-arabe et principalement
par le Philosophe" (Van Steenberghen 1991, p. 272; voor een recente status quaestionis zie ibid., pp. 149-153 en pp. 245-275). Een universele geleerde
(veeleer dan een groot filosoof), genoot Albert reeds tijdens zijn leven van een
enorm gezag (cf. zijn bijnaam; later kreeg hij de titel van "doctor universalis").
In opdracht van de paus moest hij reageren tegen het "monopsychisme" van de
Arabische filosoof Averroës (Ibn Rusd), dat rond 1250 de kerkelijke
autoriteiten begon te verontrusten (cf. het kleine traktaatje De unitate
intellectus contra Averroem). Voor een recente bloemlezing uit zijn oeuvre, zie
A.Fries, Albertus Magnus. Ausgewählte Texte. Lateinisch-Deutsch. Mit einer
Kurzbiographie von W.P.Eckert. Darmstadt 1981.
117. Door hun gecentraliseerde, internationale structuur en met hun "esprit de
corps" ontsnapten de leden van de bedelordes aan de universitaire,
protectionistische "gildereglementen" en vormden ze een inbreuk op de
plaatselijke autonomie. Hun greep op de universiteit en de studenten werd
steeds groter. Reeds in 1229, tijdens de universiteitsstaking, had de bisschop
van Parijs een leerstoel toevertrouwd aan de dominicaan Roland van Cremona;
nadien kwam daar nog een tweede dominicanerleerstoel bij, door de toetreding
tot de orde van een seculiere magister. Op deze manier verwierf ook de franciskanerorde haar eerste leerstoel (door de toetreding van Alexander van
Halès, in 1236). Op een totaal van 12 leerstoelen in de faculteit voor
theologie, in 1236, waren er dus drie bezet door de bedelordes. Zie hierover Van Steenberghen, o.c., pp. 96-98.
118. Van Steenberghen (zelf een dominicaan), o.c., p. 147:
"par leur recrutement intensif dans le milieu universitaire, les ordres
mendiants ont fait de véritables ravages dans les rangs des séculiers, en attirant chez eux l'élite de la
population scolaire; d'autre part, les séculiers ont perdu le meilleur de leurs
énergies dans les luttes stériles contre les Mendiants". Vanaf 1256 worden
zelfs leerstoelen gecreëerd voor andere ordes: cisterciënzers, benediktijners,
e.a., maar ook het aantal leerstoelen bezet door seculieren werd verhoogd.
119. Voor een beknopt overzicht zie Van Steenberghen, o.c., pp. 277-320.
120. Geboren rond 1240, werd Siger magister in de Artes
tussen 1260-65. Hij werd woordvoerder van een "heterodoxe" interpretatie van
Aristoteles, geïnspireerd door Averroës, volgens dewelke alle mensen deelhebben
aan één zelfde Intellect (laatste in een hiërarchie van zelfstandige spirituele
substanties, en zelf samengesteld uit het Actieve en het Mogelijke Intellect,
zie de syllabus Het Klassieke Arabische Denken,
op deze site), i.e. het "monopsychisme". Aan
Sigers carrière als professor in de Artes kwam een einde met de
veroordeling van 1277. Hij kreeg "kamerarrest" in de pauselijke Curie in Orvieto, en werd in
1284, in een vlaag van waanzin, doodgestoken door de clericus die hem
permanent "chaperonneerde". Voor een status quaestionis, zie nogmaals
Van Steenberghen, o.c., pp. 335-360. Eén van Sigers bekendste volgelingen was de
Deen Boëthius van Dacië (professor in de Artes vóór
1277; trad na de veroordeling van 1277 toe tot de dominicanerorde). Zie hierover
Van Steenberghen, o.c., pp. 361-370 (volgens wie er niets echt "averroïstisch"
steekt in de bewaarde teksten van deze figuur).
121. Op 19 maart 1255 (dus tijdens Thomas' eerste verblijf)
had de Artesfaculteit nieuwe statuten uitgevaardigd waarin het verbod (van 1215) op het
"legere" van de aristotelische natuurfilosofie ook officieel werd ingetrokken: alle
bekende werken van Aristoteles stonden voortaan op het curriculum van de
faculteit.
122. Maar Van Steenberghen heeft ernstige bezwaren tegen deze, sedert
Renan, zo goed als ingeburgerde benaming. Zie het hoofdstuk "L'aristotélisme
hétérodoxe", in o.c., pp. 321-370 (vooral pp. 354-359: "Aristotélisme
hétérodoxe ou averroïsme?").
123. Correcter: gedicteerd. Thomas had bestendig (zelfs 's nachts)
secretarissen (eventueel studenten) klaar staan. Er wordt verteld dat hij bij
momenten zelfs (verschillende teksten) aan drie of vier kopiisten tegelijkertijd dicteerde - wat
in het licht van zijn immense output geloofwaardig lijkt.
Thomas' bekendste secretaris was zijn vertrouweling Reginald van Piperno (heeft
het onafgewerkte Tertia Pars van de ST aangevuld met een Supplementum, op
basis van Thomas' Scriptum super Sententiis).
124. Leben und Schriften des hl. Thomas in einen kurzen Abriß (1920), in: K.
Bernath, 1.Band, pp. 11-23. Zie natuurlijk ook Van Steenberghen (1991), pp.
279-283; een lijst, met ontstaansdata, ook in B.Delfgaauw (1980), pp. 30-32,
enz.
125. Zoals Thomas als één der eersten erkende.
126. Zoals gezegd, kon hij daarvoor,
alleszins in zijn latere werken, een beroep
doen op zijn vriend Willem van Moerbeke, wiens kennis van het Grieks dank zij een
langdurig verblijf in Griekenland uitmuntend was.
127. Van Steenberghen, o.c., p. 280. Vgl. ook Delfgaauw,
o.c., p. 19: "Ondanks
alles is Thomas als weinigen doorgedrongen in de gedachtenwereld van
Aristoteles". We moeten nochtans enige voorzichtigheid aan de dag leggen
bij het klakkeloos overnemen van lofprijzingen uit thomistische hoek op
Thomas' Aristotelesinterpretaties. De Aristotelesbenadering, immers, van bv.
iemand als Van Steenberghen is niet louter historisch, maar (theïstisch)
normatief van strekking: zie zijn kritiek op de 'lacunes' in Aristoteles'
metafysica, o.c., pp. 34-36: "La métaphysique d'Aristote, comme tous les
essais de métaphysique antérieurs aux systèmes néoplatoniciens, est une
métaphysique incomplète, inachevée, dont la problématique elle-même manque
d'envergure et de profondeur" (p. 35), en p. 305: "Comme tous les
penseurs monothéistes - juifs, musulmans ou chrétiens - Thomas a constaté les
graves lacunes de la philosophie première du Stagirite, qui était demeuré
étranger au problème capital de l'origine de l'être".
128. Of: De Regimine Principum ad Regem Cypri (vanaf boek II.10 door iemand
anders voltooid).
129. Later ook Summa Theologica genoemd.
130. Cf. de contacten en uitwisselingen
die vanaf de
12de eeuw plaats vonden in het milieu van Toledo. Ook
Raymundus Lullus (1235-1315), die een groot
deel van zijn leven actief was geweest als missionaris, zou met zijn Ars
Generalis een methode beogen te ontwikkelen waarmee het geloof begrijpelijk
(en overtuigend) kon worden gemaakt voor ongelovigen.
131. Zo Copleston (1955), pp. 11-12.
132. Van Steenberghen (1991), p. 281.
133. De ST telt meer dan 2 miljoen woorden; het Secunda Pars,
dat zelf al meer dan 1 miljoen woorden lang is, werd geschreven tijdens Thomas'
tweede Parijse periode, dus in drie jaar (wat neerkomt op gemiddeld circa 1000
woorden per dag), terwijl hij naast zijn religieuze verplichtingen ook een full-time professoraat
te torsen had én zijn grote commentaren schreef op
Aristoteles' belangrijkste werken (Metaphysica, Physica,...).
134. Vgl. Van Steenberghen, o.c., p. 282: "Thomas
d'Aquin, est parvenu à sa pleine maturité. Servi par une érudition
universelle à laquelle une mémoire prodigieuse assurait un rendement
maximal, par une puissance de travail tout aussi prodigieuse, par une
lucidité d'esprit et par une capacité de synthèse inégalées, il met sur
le métier l'ouvrage qui sera son chef-d'oeuvre et qui restera une des
productions les plus étonnantes de l'esprit humain, la Summa theologiae".
135. Van Steenberghen, l.c.
136. Van Steenberghen (1991), p. 284. Vgl. ook Decorte (1992), p. 182: "Het
denken van Thomas is revolutionair omdat het poogt om op basis van een
wetenschappelijk discours over de dingen een wetenschappelijk discours over
God uit te bouwen".
137. Marrone (1983), p. 16.
138. Een recente actualisering van Thomas'
denken, als exponent van een "craft-tradition" visie op menselijke morele
kennis en praxis (in een confrontatie met de moderne "encyclopedische" en
"genealogische" visies, maar ook met het neo-thomisme), is te vinden in Alasdair MacIntyre,
Three Rival Version of Moral Enquiry. Encyclopaedia,
Genealogy, and Tradition (London 1990). MacIntyre apprecieert Thomas' oeuvre
als "the culmination and integration of the Augustinian and Aristotelian
traditions", maar wijst er tegelijkertijd op dat Thomas "excentrisch" bleef t.a.v.
"the dominant and orthodox mainstream of institutionalized thirteenth-century
enquiries and even more with their fourteenth-century continuations... What
defeated Aquinas was the power of the institutionalized curriculum. Neither
theology nor the subordinate artes liberales could in the middle or late thirteenth century find room for the Aristotelian system,
in the form in which the
Islamic commentators had transmitted it, as a whole, either in its Averroist version or
in Aquina's".
139. Het Secunda Pars vormt aldus een christelijk traktaat over de ethiek;
voor
de structuur ervan stond Aristoteles' Nikomachische Ethiek model (die Thomas
juist met het oog daarop gecommentarieerd had).
140. "Problema", in het Grieks.
141. Zie hoger, over de summa,
3.4. |