FILOSOFIE ALS AMBACHT:

DE SCHOLASTIEKE METHODE

door Herman De Ley

• Index • Universiteit • Ambacht • Methode • Thomas • Literatuur • Namenlijst • CIE-Index •

3. De Scholastieke Methode

 

De scholastieke methode kan zowel in haar uitdrukkingsmiddelen - onderwijs én onderzoek - als in haar ontwikkeling worden teruggebracht tot drie basisprocédés. Ze waren alle drie het product van een overwegend orale kennisoverdracht maar ze gaven het ontstaan aan bijzondere literaire genres die kenmerkend zijn voor de middeleeuwse filosofische literatuur(74). Wat hun vastlegging en uitbouw betreft, volgden ze elkaar op in de tijd. Ze typeren bijgevolg zowel de historische genese van de scholastieke methode als de technische vooruitgang ervan. Tegelijkertijd drukken ze de hoofdmomenten uit van het middeleeuwse rationalisatieproces. De drie procédés zijn: de lectio, de quaestio en de disputatio. De summa, anderzijds, bracht er de literaire synthese van.


3.1. De
lectio

De gehele middeleeuwse pedagogiek was gebaseerd op het "lezen" (legere) van de autoritatieve teksten en citatenverzamelingen(75). In het verlengde daarvan werd de lectio - in de zin van lectuur vergezeld door korte verklaringen van tekstuele aard (de "glossen") - in de vroege middeleeuwen de eerste vorm van wetenschappelijke bedrijvigheid.

Aan de stedelijke scholen, maar vooral in het universitaire curriculum, kreeg de lectio een nieuwe en ruimere betekenis: ze werd een "college", bestaande uit het (klassikaal) commentariërend, "verklarend lezen" van opgelegde tekst- of cursusboek, de littera (76). De 'klassieke' teksten, opgelegd door het curriculum, waren, voor de theologie: de Libri IV Sententiarum van Petrus Lombardus; voor de filosofie: de teksten van Aristoteles(77); voor de geneeskunde: Avicenna's Canon.

Vanaf 1215 werden, in de Parijse statuten, twee standaardvormen van "verklarend lezen" onderscheiden: 1) "cursorie", i.e. "cursorisch", met slechts korte verklarende noten, en 2) "ordinarie", i.e. "gewoon", met uitvoerige exegese van de opgelegde teksten(78).

De lectio van een littera gebeurde analytisch en bestond uit een aantal vaste fazen:

1) het nagaan van structuur en onderverdeling van de tekst (divisio textus) en analyse ervan tot in zijn kleinste elementen, de afzonderlijke proposities;

2) 'grammaticale' verklaring per propositie, met uitleg van moeilijke woorden, het onderscheiden van hun betekenissen (distinctiones), enz.; weergave, via een parafrase, van wat de tekst 'letterlijk' inhoudt (de sensus);

3) het aantonen van de interne consistentie van de tekst, met 'verzoening' van eventuele tegenstrijdigheden, hetzij in de littera zelf hetzij met andere auctoritates;

4) het opzoeken van de diepere (eventueel spirituele) zin en bedoeling van de tekst (de sententia), eventueel via een allegorische en anagogische interpretatie. Dat werd als de afsluiting beschouwd van de ganse exegetische arbeid (de expositio)(79).

Noodzakelijke achtergrondinformatie werd dikwijls verstrekt onder de vorm van "notabilia" (ingeleid door de woorden "notandum" of "nota"). Bijzonder belangrijke of moeilijke punten werden aan het slot behandeld, onder de vorm van een 'dispuut', en ingeleid door de woorden "dubium est" of "dubitandum est".

Van basisvorm van het (orale) onderwijs, werd de lectio ook een (hoofd)genre van wetenschappelijke literatuur: namelijk in de vorm van commentaren die de correcte interpretatie beogen van de littera van de 'klassieke' teksten(80). Dergelijke commentaren maken een flink deel uit van de middeleeuwse filosofische literatuur.


3.2. De
quaestio

3.2.1. Vanuit pedagogisch-psychologisch oogpunt, richtte de lectio zich mededelend tot een receptieve, luisterende student. De quaestio, daarentegen, had de bedoeling te verwarren, ten einde daarmee de eigen denkactiviteit van de student te stimuleren (vgl. Sokrates' aporia). Deze quaestio-techniek ging in het middeleeuwse scholastische bedrijf van langsom meer een centrale plaats innemen.

Reeds bij Boëthius (einde 5de, begin 6de eeuw)(81) vinden we de quaestio gedefinieerd als een "propositio dubitabilis". Zoals De Rijk beklemtoont, mag die uitdrukking niet verstaan worden in de zin van een "problematische, onzekere uitspraak"; het gaat veeleer om een "in de vorm van een tweeledige (utrum... an) vraag gegoten (daarom 'dubitabilis'), samengestelde denkinhoud ('propositio')"(82). Die twee dialectische onderdelen van elke quaestio (nl. utrum - zoveel als: "is het zo, dat" -, en an, "of") vormen samen bijna altijd een dichotomische contradictie, en iedere discussie binnen het kader van de quaestio wordt geleid door de dialectiek van het  pro en contra.

De middeleeuwse quaestio ontstond uit de moeilijkheden of problemen opgeworpen door de lectio (bv. een ogenschijnlijke tegenspraak tussen "autoriteiten"), meer bepaald uit de "dubia" aan het slot ervan (cf. supra). De technische ontwikkeling ervan werd in belangrijke mate gestimuleerd door de verbreiding van het 'tweede pakket' van Aristoteles' logische traktaten, in het midden van de 12de eeuw.(83) Maar ze was al in de eerste helft van die eeuw ontwikkeld en gepropageerd door mensen als Gilbert de la Porrée (Porretanus, ca 1076-1154) en Clarembald van Atrecht (gest. na 1170), i.e. nog geheel in de fase van de "logica vetus":

"Dit werpt op het ontstaan van de quaestio techniek een interessant licht; dat was namelijk niet afhankelijk van een nieuwe stoftoevoer (sc. vanuit de oudheid) maar had plaats op een punt van de ontwikkeling waarop men eraan toe was"(84).
 

3.2.2. Baanbrekend werk werd vooral verricht door het al vermelde Sic et Non ("Ja en Neen") van Abélard, van 1122. Het werk bouwde voort op een methode die al gangbaar was geworden in het canoniek recht ten einde tegenstrijdige kerkelijke wetten en verordeningen (canones) met elkaar in overeenstemming te brengen, en het transfereerde haar naar het terrein van de theologie (waar zich het probleem stelde van de tegenspraak tussen auctoritates). Abélard legde hiermee de basis voor de scholastische dialectiek(85). In de proloog van het traktaat beklemtoont hij dat het zorgvuldig, vasthoudend stellen van vragen de belangrijkste sleutel is tot het verkrijgen van inzicht:

"dubitando enim ad inquisitionem venimus; inquirendo veritatem percipimus" ("door twijfel immers komen we tot onderzoek; door onderzoek vatten we de waarheid").

Maar zowel "dubitare" als "inquirere" hebben hier een strikt technische betekenis, i.e. ze betreffen het formeel tegenover elkaar plaatsen van de twee, tegengestelde mogelijkheden ("utrum..., an..."):

"Het inquirere is bij de middeleeuwer geen vragen omdat men werkelijk niet weet, maar een problematisch stellen ('in Frage stellen') om tot een beter inzicht te komen... De middeleeuwse quaestio is geen praktische vraag (als zodanig zou ze naar de bekende weg vragen) maar een louter theoretische vraagstelling, gericht op een uitsluitend intellectuele verheldering"(86).

Abélard ontwikkelt vervolgens een aantal discussieregels, in feite concordantieregels (zoals gezegd, ten dele al door de canonisten gehanteerd). De belangrijkste ervan is van semantische aard en luidt: let op de verschillende betekenissen van de termen in de diverse uitspraken. Vooral deze regel was constitutief voor de scholastieke methode(87). Tenslotte presenteert Abélard - als discussiemateriaal, i.e. als "oefeningen" - een reeks tegenstrijdige teksten uit de Bijbel en van de Kerkvaders.

De systematisering die dank zij deze dialectische methode mogelijk werd, vond, zoals gezegd, haar literaire neerslag in het nieuwe genre van de Sententiae, "het voornaamste voertuig van het scholastieke denken in de volgende eeuwen"(88). De al vermelde Libri IV Sententiarum van Petrus Lombardus (1150-52)(89), voor ongeveer vijf eeuwen hét normatieve theologische handboek bij uitstek, was een rechtstreeks product van de nieuwe quaestio-techniek. Het werk vormt

"een systematisch geordende verzameling van vragen die in de eerste plaats aan de Bijbel en de kerkvaders ontleend waren. Elke vraag behandelde tegenstrijdige uitspraken van gezaghebbende zijde en loste die op aan de hand van dialectiek... Petrus Lombardus' Sententiae gaven een definitieve vorm aan dit lange proces waarbij de beginselen van de dialectiek op het dogma werden toegepast. Hoewel zij de diepgang of oorspronkelijkheid misten van Gratianus' Decretum, is er met recht beweerd dat zij voor de theologie deden, wat Gratianus voor het kerkelijk recht deed"(90).


3.2.3.
De quaestio ontstond dus oorspronkelijk uit de problemen gesteld door de lectio, en als een nieuw type van commentaar (vanaf ca 1260 vinden we commentaren die uitsluitend bestaan uit een reeks van quaestiones). Maar van daaruit gingen ook stellingen die door iedereen aanvaard werden, aan die techniek onderworpen worden: zoals "Bestaat God, of niet?", "Is de ziel geestelijk, of niet?", enz. De dialectische vraagvorm, met het typische "Utrum..., an non?", bleef daarbij behouden. In de 14de en 15de eeuw kregen colleges van dit type de benaming van "exercitia", i.e. "oefeningen".

De historische betekenis van gans deze ontwikkeling wordt door Chenu als volgt verwoord:

"Therein was a progress in technique of capital importance, out of which scholasticism, both in its deep mental outlook and in its writing procedures, came to be built up. An illustration of it may be seen in the case of the young man who can be said to have begun leading a life of the mind when, at the time of his intellectual puberty, he starts 'calling into question'... anything that heretofore he had accepted in a purely passive manner. Western reason, even in theology, had reached the state of adulthood"(91).


3.3. De disputatio

3.3.1. De quaestio maakte zich dus geleidelijk aan los van de tekst(verklaring) waaruit ze was ontsprongen en ging een zelfstandige vorm aannemen, los van de lectio. Het theologisch en filosofisch denken verwierf daarmee ook intern een mate van zelfstandigheid t.a.v. het overgeleverde tekstmateriaal. Nogmaals Chenu:

"this achieving of literary independence was the outward sign that autonomy had also been reached in matters of doctrinal research and of scientific curiosity. Problems and their solution were no longer bound up with a text"(92).

De quaestio ging dus functioneren in een regelrechte, publieke discussieoefening: de "disputatio"(93), en dat m.b.t. een vooraf gesteld probleem, los van een gezaghebbende tekst(94). Die praktijk kreeg binnen het universitaire curriculum een geïnstitutionaliseerde vorm; vanaf 1250 behoorde ze zelfs statutair tot de 'opdracht' van elke magister: hij moest "legere, disputare et predicare".

Kenmerkend voor dergelijke officiële disputatio was het organisatorisch 'uitlokken' van tegengestelde, zakelijke argumenten vanwege de aanwezige magistri en baccalaurei.


3.3.2.
Een publieke disputatio bestond uit twéé onderdelen die elk op een verschillende dag vielen. Datum en onderwerp voor de openbare disputatie, alsook voor de eigen afronding ervan werden door de magister, in het kader van zijn colleges (lectiones), op voorhand aangekondigd. Op die dag (d.w.z. ochtend) werden alle lessen binnen de faculteit geschorst. Alle baccalaurei van de faculteit en alle studenten van de betrokken magister waren verplicht aanwezig; zijn collega's en de overige studenten waren uitgenodigd.

Dit "klerkensteekspel"(95) verliep dan volgens een vast stramien:

1) de magister leidde de probleemstelling in (onder de vorm van een quaestio: "utrum..., an...?"); hij gaf de volgorde aan van de te bespreken thema's en formuleerde kort zijn eigen thesis.

2) De aanwezigen (in de hiërarchische volgorde: magistri, baccalaurei en studenten) dienden hiertegen objecties in te brengen (steeds op basis van de auctoritates).

3) De leiding van de disputatio behoorde bij de organiserende magister, maar één van zijn baccalaurei werd aangeduid om de rol van "respondens" waar te nemen, i.e. hij moest repliceren op de geopperde tegenwerpingen (eventueel bijgestaan door de magister).

4) Een secretaris noteerde de naar voren gebrachte argumenten en de antwoorden.

5) Aan het einde van de manifestatie kondigde de magister dan de dag aan waarop hij zijn determinatio magistralis, i.e. zijn afsluitende conclusie, zou formuleren (met herneming van de ingebrachte tegenargumenten).

De "akten" van een disputatio werden eventueel gepubliceerd, hetzij in de vorm van het schriftelijk verslag van de discussie (de reportatio), hetzij in een door de meester zelf herziene en uitgewerkte versie (de ordinatio).


3.3.3.
Ook deze orale praktijk gaf aanleiding tot een typisch academisch genre. Zo leverden de disputaties in de Artes (waarover we minder goed geïnformeerd zijn)(96) de literatuur op van de "Sophismata" of "Impossibilia". In de theologie, waar de disputaties van een meester per academiejaar telkens (min of meer) rond één centraal thema georganiseerd werden, werden dergelijke themareeksen gebundeld in de bekende "quaestiones disputatae".

Één van de bekendste voorbeelden hiervan is het De veritate van Thomas, waarin "vragen" i.v.m. de waarheid gedebatteerd worden. Dergelijke teksten zijn typisch onderverdeeld in (1) "quaestiones" en (2) elke quaestio in "articuli". Iedere quaestio formuleert een breder thema (bv. Quaestio 2, in Thomas' De veritate, handelt over de kennis van God) en wordt vervolgens onderverdeeld in meer gedetailleerde vraagstellingen, zogenaamde "artikels"(97). Bv. het 12de van de 15 artikels van Quaestio 2, in De veritate, stelt de vraag of God al dan niet toekomstige contingentia kent(98).

Maar naast de "gewone" ("ordinariae"), die elke week (of om de twee weken) plaats vonden, werden in de theologie, vanaf de 2de helft van de 13de eeuw, ook meer plechtige en ambitieuze disputaties ingericht, onder de noemer "de quolibet", i.e. "over gelijkwelk (onderwerp)". Ze hadden tweemaal per jaar plaats, bij het naderen van Pasen en Kerstmis (Advent), voor een veel ruimer publiek ("le tout Paris", wanneer het om een bekende meester ging). Zoals de naam ervan aangeeft, werd de keuze van het onderwerp hier overgelaten aan de toehoorders ("a quolibet", "door gelijkwie sc. gekozen")(99). Die toehoorders konden de magister dus over gelijk welk onderwerp van theologische draagwijdte ondervragen of aanvallen (de determinatio gebeurde ook hier achteraf). Een dergelijke "vrije" disputatie verliep onvermijdelijk niet alleen erg chaotisch en vaak luidruchtig maar ze was bovendien niet zonder risico's voor de meester (o.m. wegens mogelijke 'provocaties' in de vraagstelling)(100). Vandaar dat niet iedereen er zich aan waagde. De schriftelijke neerslag van een dergelijke disputatio generalis leverde het genre op van de "disputationes quodlibetales" (kortweg: "quodlibets")(101).


3.4. De summa

Het genre van de "summa" was het literaire eindpunt van deze (zowel pedagogische als intellectuele en literaire) ontwikkeling. De summa, als een systematisch doctrinaal overzicht(102), bracht een synthese van de voorgaande elementen, maar diende niet als handboek voor het onderwijs, wel als een studiewerk voor private lectuur.

Zoals voor de disputationes, zo vormen ook voor de summa de "artikels" ("articuli")(103) het basiselement van het geschrift (waarbij ze, zoals daar, gegroepeerd worden in ruimere "quaestiones"). Wat is een "articulus"? Chenu omschrijft het als volgt:

"It is an account reducing to simple elements and expressing in schematic form for the benefit of the students all the work that was required to raise, discuss, and solve a question under dispute"(104).

Elk artikel van de summa is dus in de allereerste plaats een quaestio, een vraag. Vandaar ook hier de vaste introductieformule van de "quaestiones": "Circa primum (resp. secundum, tertium...) quaeritur (105) (resp. quaeruntur)...". Vandaar ook dat elk artikel steevast en zonder enige variatie begint met het vragende "Utrum". Eens de "vraag" gesteld, worden argumenten contra en pro geformuleerd. Zij hebben niet de bedoeling al onmiddellijk tot een oplossing te leiden maar willen veeleer, middels de dubitatio, het onderzoek zo omstandig mogelijk maken en aldus het inzicht van de lezer vergroten(106). Die argumenten pro en contra worden ook niet gewoon naast elkaar geplaatst - "at least where the technique is employed to perfection"(107), bv. bij Thomas. Ze worden integendeel pedagogisch met elkaar verbonden zodanig dat ze naar de kern van het probleem voeren.

Op die manier wordt elk "artikel" - als een disputatio in miniatuur - uit de volgende vaste elementen opgebouwd:

1) De "objectiones": i.e. argumenten contra de stelling die nadien zal verdedigd worden; alleen mag de term "objectiones" niet begrepen worden als "objecties" in de strikte (moderne) zin van het woord. Objectiones moeten "inducere rationes", i.e. "redenen aanvoeren", ten gunste van de andere stelling; het gaat er niét om, daadwerkelijk verzet aan te tekenen, b.m.v. een feit of een argument, tegen een vooraf ingenomen stelling. De reeks objectiones wordt trouwens ingeleid met de formule: "Ad primum (secundum, etc.) sic proceditur", i.e. "voor het (eerste) punt gaan we op de volgende manier te werk". Zoals Chenu opmerkt:

"An objection, in the modern sense of the word, would be, in XIIIth century style, an instantia, an obviatio, words indicating resistance. The medieval 'objection', on the contrary, was in reference to the open quest of a problem's intelligibility, in-ducere rationes"(108).

2) Hierop volgt een korte dialectische repliek, ingeleid met de vaste formule: "Sed contra...". Daarmee wordt noch de stelling van de auteur ingeleid noch het argument van een of andere "autoriteit" aangebracht ter fundering van de eigen stellingname. Wél wordt nu, na de positie die aan bod kwam in de "objectiones", heel kort de alternatieve positie gepresenteerd, b.m.v. een auctoritas(109). De verwoording ervan gebeurt niet zozeer negatief - in de zin dat ze de thesis van de eerste reeks rechtstreeks en expliciet zou tegenspreken (dat gebeurt pas in het vierde onderdeel) -, als wel positief, i.e. ten gunste van het alternatief.

3) Vervolgens wordt het "corpus" van het artikel ontwikkeld, met het "antwoord" van de meester, vandaar de formulering: "Responsio" ("antwoord") of "Respondeo dicendum" (letterlijk: "ik antwoord dat moet gezegd worden...")(110). Hierin zet de auteur minstens de principes uiteen van zijn eigen oplossing, i.e. zijn determinatio van de quaestio. Het perspectief is altijd dat van de disputatio.

4) Tenslotte volgen, met de vaste formule: "Ad primum (secundum, etc.) dicendum quod...", de nodige "responsiones ad objecta". Daarin wordt ingegaan op elk van de in het eerste onderdeel geciteerde argumenten ten gunste van de tegenpositie, hetzij dat het argument weerlegd wordt, hetzij - en daaraan wordt altijd wel de voorkeur gegeven - dat het zodanig geïnterpreteerd wordt dat de 'tegenstrijdigheid' verdwijnt(111). Want, zoals Chenu schrijft:

"In a way, there is an effort to embody the truth that the opposing position contains, within a wider framework which, far from casting it aside, underwrites its truthfulness"(112).

NOTEN:

74. Voor een korte bespreking zie hierover nu ook A.Kenny & J.Pinborg, Medieval philosophical literature, in de CHLMPh, pp. 16-34. De gezaghebbende studie hieromtrent is P.Glorieux, L'enseignement au moyen âge. Techniques et méthodes en usage à la Faculté de Théologie de Paris, au XIIIe s., in: Archives d'histoire doctrinale et littéraire du moyen âge, 35(1966), pp. 65-186.

75. Cf. reeds in de Regula van Benedictus (eerste helft 5de eeuw) was, naast de handenarbeid (labor manuum), aan de monniken ook een leesplicht (lectio) opgelegd.

76. Legere, "lezen", staat dus niet voor individuele of private lectuur, maar voor de doceeractiviteit van de lesgever. Wanneer bv. in 1210 bij synodaal decreet bepaald wordt: "nec libri Aristotelis de naturali philosophia nec commenta legantur Parisiis publice vel secreto et hoc sub pena excommunicationis inhibemus", i.e. verboden wordt dat aan de Parijse universiteit "Aristoteles' boeken over de natuurfilosofie" evenals (o.m. Arabische) commentaren erop zouden "gelezen" worden, "hetzij publiekelijk hetzij in het geheim" (verbod dat ook opgenomen werd in de pauselijke statuten van 1215), gaat het wel degelijk om een verbod op het onderwijzen van die "libri naturales". D.w.z., zoals Van Steenberghen (1991), p. 85, het formuleert: "(interdiction) de les prendre comme livres de texte dans les leçons de la faculté; l'excommunication atteindrait également le maître qui organiserait des leçons privées ou secrètes (secreto). Par contre la lecture et l'utilisation personnelles des écrits d'Aristote ne sont pas interdites".

77. Toen in 1252 Aristoteles' De anima officieel op het curriculum van de Parijse Artesfaculteit werd geplaatst, gold dit zowat als de officiële intrekking van het verbod. Vanaf 1255, met de nieuwe statuten van de Artes werden àlle gekende teksten van Aristoteles op het curriculum geplaatst.

78. Daarnaast waren er ook nog "buitengewone" lectiones, m.b.t. teksten die niet formeel door de statuten werden opgelegd.

79. Vanuit zijn afwijzing van de augustinisch-platonische doctrine van de zijnsgraden (i.e. elk ding haalt zijn zin en betekenis slechts uit een externe, hogere werkelijkheid, naar dewelke het verwijst; het is, anders gezegd, een "teken"), heeft Thomas die 'spirituele' lectuur verlaten. Cf. Decorte (1992), p. 180: "Gezien de onstoffelijke vorm van de dingen (zelf) tegelijk het signum is dat ze met God verbindt, heeft Thomas enkel nog een boodschap aan de letterlijke, niet meer aan de spirituele betekenis van een tekst (hetzij uit de Schrift hetzij uit het Boek der Natuur). Allegorische, tropologische en anagogische analyse hoeven volgens hem niet meer, omdat ze toch altijd op één of andere manier op een letterlijke tekst teruggaan".

80. Zij weerspiegelen dus niet noodzakelijk de persoonlijke opvattingen van de auteurs ervan.

81. In zijn commentaar op Cicero's Topica (In Cic. Top.), I, 1048D.

82. De Rijk (1977), p. 123.  

83. Boëthius' vertaling van Aristoteles' Topica, Analytica Priora en Posteriora, en Sophistici Elenchi, i.e. de"logica nova", in onderscheid met de "logica vetus" (i.e. zijn vertaling van Categoriae, De Interpretatione, Porphurios' Isagoge,...).

84. De Rijk (1977), pp. 123-4.

85. En werkte op zijn beurt stimulerend voor de juristen, cf. met name het al vermelde Decretum (oorspronkelijke titel: Concordantia discordantium canonum) van de monnik Gratianus, rond 1140. Het werd de 'klassieke' tekst voor het canoniek recht (cf. de vele commentaren erop door de "decretisten").

86. De Rijk, o.c., p. 124, die in dit verband ook verwijst naar Anselmus' godsbewijs (in diens Proslogion).

87. Cf. wat hoger gezegd is over de logisch-semantische analyse.

88. G.Leff (1967), p. 138.

89. Zie hoger, § 2.2.

90. Leff, o.c., pp. 138-141.

91. Chenu (1964), p. 87.

92. Chenu (1964), pp. 88-89.

93. Het Latijnse werkwoord disputare betekent zoveel als het Griekse dialégesthai (vandaar , "dialoog", en "dialektiek").

94. Eén van de scheppers van de disputatio-techniek was nogmaals Abélard, maar in zijn tijd was ze nog geen vast onderdeel van "an academic order of things set up in an organized university and with a definite apparatus and regularity" (Chenu, o.c., p. 98 n. 18).

95. Volgens P.Mandonnet, Chronologie des questions disputées de saint Thomas d'Aquin, in: Revue Thomiste, 23(1928), pp. 267-279, waren de universitaire disputaties de academische tegenhanger van de middeleeuwse riddertornooien.

96. Zie Kenny & Pinborg, o.c., pp. 23-24 (met verwijzingen).

97. Zie hierover verder, infra, onder 3.4.

98. Volgens Kenny & Pinborg, o.c., p. 22, is het "a matter of dispute whether it is the question or the article which corresponds to a particular morning's debate. Thomas' De veritate, dat de disputaties verzamelt van 3 academiejaren, bevat niet minder dan 253 disputationes. Indien ieder "artikel" nog eens zou overeenkomen met één debat, kan er bitter weinig tijd gerest hebben voor Thomas' colleges.

99. Vgl. met de grote Griekse Sofisten, in de 5de eeuw, waarvan sommigen (zoals Hippias) op de Spelen ook een dergelijke proeve van dialectisch meesterschap plachten af te leggen.

100. Ook de 'gewone' disputaties verliepen niet altijd in een sfeer van academische sereniteit, cf. de statutaire bepalingen die dreigen met regelrechte uitsluiting voor ordeverstoorders die tijdens disputaties "roepen, fluiten, lawaai maken, stenen werpen - hetzij zijzelf hetzij hun knechten of medeplichtigen -, enz."! Zoals Kenny & Pinborg, o.c., p. 24, hierbij opmerken: "Certainly, disputations did not proceed as solemnly as the written redactions might make us believe".

101. "It is a tribute to the intrepidity and resourcefulness of medieval professors that so many of them were willing to undergo such a testing public ordeal: no less than 358 sets of quodlibetal questions have come down to us", Kenny & Pinborg, o.c., p. 22.

102. Als technische term kwam het woord "summa" op in de 12de eeuw, met de betekenis van "samenvatting". Het stond oorspronkelijk voor korte maar systematische verzamelingen van de belangrijkste auctoritates op een of ander gebied. De theologische summa ontwikkelde zich tot een meer uitgebreide, systematische en overzichtelijke verhandeling, naast de gezaghebbende eigenlijke teksten. Ze was daarom over het algemeen bedoeld voor 'beginnelingen', ten einde hun introductie in de discipline te vergemakkelijken. Een alternatieve titel voor zulke systematische doctrinale uiteenzettingen is "tractatus".

103. Cf. ons woord "articulatie".

104. Chenu (1964), p. 94 (m.s.).

105. "Quaerere" ("vragen, in vraag stellen") heeft hier dus een technische betekenis, met een gelijkaardige functie als de "aporia" in Aristoteles' Metaphysica B.

106. Cf. supra, § 3.2.2.

107. Chenu, o.c., p. 94.

108. Chenu (1964), p. 95.

109. Het kan daarbij om het argument gaan van een auteur die ook al in de objectiones aan bod is gekomen.

110. Verwijzingen naar een "artikel" zonder nadere toevoeging verwijzen altijd naar dit "corpus".

111. Thomas geeft hieraan bijna altijd de voorkeur, wanneer het gaat om argumenten gehaald bij Augustinus. In de tekst wordt naar deze antwoorden verwezen b.m.v. de toevoeging "ad 1", "ad 2", enz., aan het nummer van het artikel in kwestie.

112. Chenu (1964), p. 96.

Naar kap. 4

• Index • Universiteit • Ambacht • Methode • Thomas • Literatuur • Namenlijst • CIE-Index •