FILOSOFIE ALS AMBACHT:

DE SCHOLASTIEKE METHODE

door Herman De Ley

• Index • Universiteit • Ambacht • Methode • Thomas • Literatuur • Namenlijst • CIE-Index •


1. De Universiteit

 

1.1. Inleiding.

De middeleeuwse universiteit was het product van de ingrijpende, niet alleen intellectuele en culturele maar ook materiële en socio-economische ontwikkelingen die West-Europa doormaakte vanaf de 11de en vooral 12de eeuw (de "12de-eeuwse renaissance"). Indien we deze ontwikkelingen in hun globaliteit mogen samenvatten onder de noemer van een maatschappelijk "rationalisatieproces", dan kan de universiteit gedefinieerd worden als de typisch middeleeuwse institutionalisering van dat proces, op het vlak van onderwijs en onderzoek. Dat rationalisatieproces was economisch weliswaar mogelijk gemaakt door de sterke stijging van de productiviteit in de landbouw, maar het haalde zijn dynamiek toch in de eerste plaats uit de "stedelijke beweging" en de gelijktijdige ontwikkeling van een geldeconomie(1).

In de voorgaande periode, i.e. tussen de 6de en de 11de eeuw, hadden op het gebied van onderwijs en geestesleven de kloosterscholen zo goed als een monopoliepositie bekleed. De activiteiten ervan, net zoals het kloosterleven in het algemeen, vertoonden een gesloten karakter (de "buitenscholen" van de kloosters waren na Karel de Grote spoedig opnieuw verdwenen); de intellectuele arbeid was hoofdzakelijk gericht geweest op de thesaurisering, i.e. het conserveren van het antieke erfgoed(2).

Vanaf het einde van de 11de eeuw, daarentegen, zou de intellectuele activiteit zich bijna uitsluitend in de steden ontwikkelen, met name in de kathedraal- of kapittelscholen erin(3). De laatste belangrijke kloosterschool, op het einde van de 11de eeuw, was die van Bec, in Normandië (cf. vooral Anselmus van Canterbury), maar op dat ogenblik was er in die streek al een belangrijke ontwikkeling van stadswezen en geldeconomie: bv. Dieppe, Caen, Falaise en Valogne kregen toen hun charters(4).

Die snelle ontwikkeling van stedelijke scholen beantwoordde aan de nieuwe behoeften, op het individuele zowel als op het maatschappelijke vlak. Wat dat laatste betreft, was er de groeiende vraag naar geletterd kaderpersoneel, in eerste instantie vanwege de Kerk, maar later ook vanwege de zich vormende staat (cf. de Capetingers in Frankrijk). Een belangrijke motor daarin was de"Gregoriaanse hervorming" (paus Hildebrant of Gregorius VII, 1073-85). Met die hervormingen wou de Kerk haar autonomie realiseren t.a.v. de overige, feodale structuren: de  libertas ecclesiae. De hervormingsbeweging leidde tot de uitbouw van een geünifieerd en gecentraliseerd kerkelijk bestuur, de pauselijke theocratie. De strijd die daartoe moest gevoerd worden, werd in de eerste plaats uitgevochten tegen de keizer - niet alleen met militaire maar ook en misschien zelfs vooral met doctrinale en juridische middelen (nl. het legitimeren van de hegemonie van het geestelijke over het wereldlijke gezag: zie de latere strijd tegen die pauselijke plenitudo potestatis door iemand als Marsilius van Padua, met zijn Defensor Pacis, voltooid in 1324). Als zodanig stimuleerde de beweging het ontstaan van nieuwe disciplines, in de eerste plaats van het kerkelijke, of canonieke recht. Gratianus' Decretum (ca 1140, Bologna), een systematische concordantie tussen "canonieke" uitspraken van de antieke "auctoritates", werd hier hét basiswerk. Maar met de uitbouw van de staat, werd ook het civiele, Romeinse recht heropgenomen. Die ontwikkelingen op het vlak van het rechtswezen werkten dan weer bijzonder stimulerend voor het theologisch-filosofisch denken, i.e. voor de Scholastiek(5).

De Gregoriaanse hervorming hield zich met name ook bezig met de 'aanwervingsvoorwaarden' voor de kerkelijke ambten. In de middeleeuwen, waar de Kerk a.h.w. de enige 'sociale ladder' vormde, was dat van algemeen maatschappelijk belang. Zo bond ze eerst en vooral de strijd aan tegen de "simonie", i.e. het voor-geld-koopbaar-zijn van de kerkelijke waardigheden (een gevolg van de opbloei van de geldeconomie in de 11de eeuw) - een praktijk die het adellijke monopolie op die ambten in het gedrang bracht. Maar tegelijkertijd stelde het nieuwe canonieke recht uitdrukkelijk dat kerkelijke dignitarissen "geletterd" (litteratus) moesten zijn, d.w.z.: minimaal in staat zijn Latijn te lezen en te schrijven. De geboorteadel als zodanig voldeed niet aan de eis, zodat haar positie hierdoor dan weer verzwakt werd: door het verbod op simonie was ze weliswaar verdedigd tegen de aanval van het geld, maar nu kwam ze bloot te staan aan die van de "geleerdheid" (het studium).

De behoeften van de pauselijke theocratie aan geletterd personeel leidden tot een opvallende "democratisering van het onderwijs", althans vanwege (én binnen) de Kerk. Zo werd door het decreet van het Derde Lateraanse Koncilie van 1179, uitdrukkelijk een vorm van onderwijssubsidiëring gestipuleerd (weliswaar aan de lesgevers):

"om te vermijden dat de armen, die geen familiebezit hebben om hen te ondersteunen, de kans zou ontzegd worden te studeren en vooruit te komen (!), moet in elke kathedraalschool aan een meester een passende beloning worden toegewezen, zodat hij de armen gratis kan onderwijzen. De lesgever zal op die manier gevrijwaard zijn van gebrek, en voor zijn leerlingen zal de weg naar de kennis openstaan".

Dit decreet vormt zowat het "economisch charter" van het middeleeuwse onderwijs(6).

Deze omstandigheden leidden tot een ware 'studentenexplosie' in middeleeuws West-Europa: studenten van alle leeftijden en omstandigheden trokken uit dorst naar kennis, maar evengoed - waarom niet? - uit carrièrisme, van de ene school of stad naar de andere, 'over berg en dal'; en iets analoogs gold voor de - voortaan professionele - lesgevers, die op zoek gingen naar studenten en... naar publieke arena's waar ze zich, in een soort van 'steekspelen' van de geest, met de wapens van de dialectiek konden meten met hun concurrenten(7). De maatschappelijke impact van die grootschalige mobilitas over geheel West-Europa blijkt uit de vele reacties, spoedig zelfs veroordelingen, van kerkelijke zijde gericht tegen de "ordo" of "secta vagarum" (vandaar "vaganten", ook "goliarden", i.e. "familie van Golias", genoemd). Er ontwikkelde zich hierbij een ware subcultuur van rondreizende en -zwervende clerici, studenten, maar ook vagebonden enz. Ze werd gekenmerkt door een groot zelfbewustzijn, een 'alternatieve' levensstijl, met een erg kritische ingesteldheid t.a.v. het establishment en een afkeer van het christelijk ascese-ideaal. De literaire neerslag ervan is voor ons bewaard in de"vagantenpoëzie" (bv. de bekende Carmina Burana). Historische parallellen van dergelijke veralgemeende Wanderlust - als a way of life - vinden we ten tijde van de Griekse Verlichting (5de eeuw v.o.t.), met de Sofistische beweging (op deze site), alsook in de Arabische renaissance (10de en 11de eeuw), met het fenomeen van de zogenoemde Banû Sâsân: intellectuelen, studenten, soefi bedelaars en -mystici, kunstenaars en ambachtslui, soldaten en vagebonden; voor hen allen was 'nomadisme' een levenswijze, die hen in alle hoeken van de moslimwereld bracht: van al-Andalus tot het Oosten, en van het Oosten tot het Westen(8).

Net zoals de sofisten, bijgevolg, tijdens de Griekse Verlichting in de 5de eeuw v.o.t., trokken ook in de 12de eeuw allerlei "dialectici", "philosophi", "sophistae" of "peripatetici" - zoals ze zich noemden - van stad naar stad, van streek naar streek, om er door de faam van hun geleerdheid, debateerkunst en welsprekendheid grote massa's aan te trekken. Een typisch vroeg voorbeeld hiervan was Anselm van Besate - hij noemde zichzelf Anselmus Peripateticus - ca 1050. Geheel in de geest van de antieke "woordworstelaars" (bv. Protagoras, met zijn tekst "Neerwerpende sc. Argumenten"), schreef hij een Rhetoromachia, in een zeer omslachtig en geaffecteerde stijl, en onderwees hij de principes van de dialectiek, met speciale nadruk op contradictorische uitspraken(9). Maar de bekendste, nadien, én de belangrijkste van deze rondreizende dialectiekers - a.h.w. de 'eerste professor', zij het nog zonder 'universiteit' - was ongetwijfeld Petrus Abaelardus (1079-1142). Abélards grote faam droeg er in belangrijke mate toe bij dat de Parijse scholen - in de eerste plaats de Parijse kathedraalschool, maar ook de abdij van Saint-Victor, met haar mystiek-theologische gerichtheid, verdient vermelding -, die tot dan toe hoogstens op gelijke voet stonden met Chartres, Rheims, Laon, Melun, e.a., vanaf de tweede helft van de 12de eeuw een leidinggevende rol gingen spelen.

Uit die stedelijke scholen - die gewoonlijk gespecialiseerd waren: de ene onderwezen de Artes, de andere theologie, rechtsgeleerdheid of geneeskunde(10) - ontstond tegen het einde van de 12de eeuw de universiteit. De twee oudste ervan, die de gegehele middeleeuwen door ook de belangrijkste zouden blijven, waren die van Bologna (burgerlijk en canoniek recht) en Parijs (theologie).

1.2. Universitas

De middeleeuwse universiteit, als een nieuwe institutie, is niet ontstaan bij decreet of ordonnantie van paus, keizer of koning(11), maar, eens ontstaan, zou ze spoedig een centrale rol spelen in de politiek van de geestelijke en de wereldlijke machthebbers.

1.2.1. Haar oorsprong moet verklaard worden uit een typische, algemene karaktertrek van de feodale maatschappij: het individu - i.e. het geïsoleerde individu - was als zodanig rechteloos, zelfs als hij/zij juridisch vrij was(12). Rechten waren altijd voorrechten, privilegies, die waren voorbehouden aan (de leden van) bepaalde maatschappelijke groepen. Vandaar dat gesproken is van een typisch middeleeuwse "obsessie van de groep". De twee dominerende 'groepen' of standen ("ordines", werden ze genoemd in de christelijke maatschappijleer), waren vanzelfsprekend adel en clerus. Beide waren sterk hiërarchisch, verticaal gestructureerd. Daartegenover, bracht de stedelijke beweging, vanaf de 11de eeuw, een proliferatie met zich van horizontale associaties, gebaseerd op de gelijkheid van de leden ervan(13). Die associaties die 'als paddestoelen' overal uit de grond rezen, waren gebaseerd op een coniuratio of eedverbond, en kregen onder meer de naam van "universitas" - een woord dat oorspronkelijk de zeer algemene betekenis bezat van "verbond, unie" (het zou pas in de late middeleeuwen de enge betekenis van "universiteit" krijgen)(14). Die universitates beoogden van de lokale of regionale machthebbers - kerkelijk of wereldlijk - privilegies, "vrijheden", af te dwingen, die hen intern zelfbestuur waarborgden evenals de bescherming van de materiële en economische belangen van hun leden (protectionisme, corporatisme). Zo waren steden gewoonlijk gebaseerd op een coniuratio van de rijke handelaars. Maar die beweging vond ook weerklank op het platteland: ook daar vormden boeren zulke associaties, in sommige streken met succes - wat leidde tot een soort van 'boerenuniversiteiten', die zichzelf bestuurden. Binnen de steden organiseerden de verschillende ambachten zich in corporaties of gilden, met intern zelfbestuur, i.e. van de meesters, en met een monopolie op de plaatselijke markt.

De middeleeuwse universiteit was in de eerste plaats niet méér (maar ook niet minder) dan een dergelijke 'universitas', i.e. 'vakvereniging', van clerici of klerken. De totstandkoming ervan betekende zoveel als de institutionele bevestiging van de ontvoogding van de West-Europese intellectuelen, als een aparte sociale categorie. Dat gebeurde weliswaar in eerste instantie nog volledig binnen de kerkelijke, en dus religieuze, structuren. Het is nochtans de vraag of we aan dat christelijk, kerkelijk kader van de middeleeuwse rationaliteit zulk een doorslaggevende - positieve of negatieve - betekenis moet hechten als vaak gedaan wordt door hedendaagse, christelijke én vrijzinnige historici. Waar het wézenlijk om ging, was, zoals gezegd, een maatschappelijk rationalisatieproces, gebaseerd op de scheiding tussen hoofd- en handenarbeid; het kerkelijke karakter ervan is de concrete, historische gedaante waarin die scheiding zich in West-Europa voltrok. (15) Voor de grote maatschappelijke kloof die door die scheiding effectief tussen hoofd- en handarbeiders werd meegebracht, getuigen enerzijds de talrijke teksten waarin de intellectuelen hun misprijzen uitspreken t.a.v. de ongeletterden, in de eerste plaats de boeren (de rustici). Zie bv. Willem van Auvergne, in zijn De Universo (ca 1230):

"Het gewone volk leeft, wegens zijn aantal en zijn gebrek aan intellect evenals wegens andere kwalijke disposities, omzeggens op dezelfde manier als de redeloze dieren. Daarom volgt het meestal zijn ingeboren natuur...".

Aan de andere zijde van de maatschappelijke barrière zijn er de talrijke boerenopstanden (én ketterse bewegingen), die precies in deze periode optreden en een uitgesproken antikerkelijk karakter hebben - wat niet zozeer te wijten is aan anti-religieuze dan wel aan anti-intellectuele gevoelens. Denken we bv. aan de opstand van de "Pastouraux", in 1251, die o.m. de universiteit van Orléans zeer zwaar trof: er werden 25 klerken gedood en er werden boeken (zie Murray, o.c., pp. 244-5). De redenen ervoor zijn niet ver te zoeken: het intellect (het studium) diende in de allereerste plaats ter versterking van de kerkelijke en wereldlijke macht, en dus voor een 'betere' uitbuiting van de boeren. 

1.2.2. Zoals de andere 'universitates', beoogde ook deze klerkenassociatie, of -gilde, het bekomen van intern zelfbestuur en autonomie t.a.v. de geestelijke en wereldlijke machthebbers, via eigen statuten, evenals de bescherming van de groepsbelangen: de universiteit beoogde het verwerven van het monopolie op het verstrekken van het ius of de licentia docendi, i.e. de machtiging om te doceren(16).

Wat het zelfbestuur betreft, net zoals dat het geval was in de gewone gilden, nam dat ook hier de vorm aan van een zeer gedetailleerde (over)reglementering: "nooit had de student zo'n strikt gereglementeerd leven als in de middeleeuwse universiteit"(17). Tegelijkertijd drukte het streven naar autonomie zich ook geografisch uit. Het is m.a.w. geen toeval dat de voornaamste intellectuele centra ver van de kerkelijke gezagscentra ontstonden: Bologna, bv., ligt een 300-tal km van Rome (d.w.z. zo ver als mogelijk was zonder dat men de pauselijke dominantie, die redelijk mild was, moest inruilen voor die van de keizer); de bisschop van Oxford huisde 180 km ver, in Lincoln; zelfs de Parijse universiteit, die dan toch de meest theologische (en dus meest gezagsgetrouwe) was, was verbonden met het commerciële en politieke, niét met het kerkelijke centrum van Noord-Frankrijk (dat laatste was in Sens gevestigd, ca 95 km ten zuidoosten van Parijs). Maar het was natuurlijk vooral door de privilegies die de universiteiten wisten af te dwingen - eventueel met behulp van stakingen of dreiging met secessio, i.e. uitwijking naar een andere stad(18) -, dat zij zich afschermden zowel tegenover de wereldlijke als tegenover de kerkelijke hiërarchie. Hun universitas-status gaf hen virtueel intern zelfbestuur, en dat gaf hen dan weer - samen met hun intellectueel en pedagogisch monopolie (ook op het vlak van maatschappelijk onmisbare expertise: juridisch, theologisch, enz.) - een autonome rol in het politieke en maatschappelijke leven. Dat laatste werd nog aanzienlijk versterkt door de loyaliteit waartoe de studenten zich ook nà het behalen van hun graad ten aanzien van hun alma mater verplichtten. Zie bv. de statuten van de Parijse universiteit: iedereen die zich op haar rol inschreef, moest zweren haar privilegies te verdedigen - waaraan expliciet werd toegevoegd: "welke rang hij ook moge verwerven (sc. nadien)". Zoals Murray (o.c., p. 286) schrijft:

"What this additional clause did was to create, in effect, a huge sworn society, a commune juratum, bound together for protection and discipline. It reached far beyond the school walls, into the furthest recesses of church and state".

Met de enorme aangroei van de burocratie van kerk (Curie) en staat gingen tal van universitairen hoge functies bekleden: ook dààr waren ze gebonden door hun eed. Dankzij en via hun universitates, aldus, gingen de intellectuelen een soort van "derde macht" vormen, naast de kerkelijke en wereldlijke - of zoals de auteurs van die tijd het formuleerden: naast het sacerdotium en het regnum trad nu het studium.

Naargelang van de lokale situatie kon de "klerkenuniversiteit" verschillende vormen aannemen. In Bologna, bv., waar de rechtsfaculteit ontstond uit de municipale lekenschool, en waar de lesgevers burgers van de stad zelf waren en hun bezoldiging ontvingen van het stadsbestuur, waren het de (vreemde) studenten(19) die zich in een universitas verenigden, met de bedoeling als niet-Bolognezen (voor)rechten af te dwingen van het stadsbestuur (bv. het recht om berecht te worden door een landgenoot). De 'universiteit' van Bologna werd dientengevolge door de studenten bestuurd (de rector was een student); de professoren moesten gehoorzaamheid zweren aan de studentenrectoren en aan de door de studenten opgestelde statuten.
 

1.3. Parijs

In Parijs, daarentegen, waren het de magistri, dus de professoren die, als vreemdelingen, de eigenlijke universitas vormden. Daarbij kwamen ze in conflict met de kanselier van de bisschop, die traditioneel de kathedraalschool onder zijn controle had en bijgevolg ook beschikte over het monopolie van de toekenning van de licentia docendi. In 1200 ontvingen studenten en magistri privilegies van koning Philippe Auguste: ze garandeerden o.m. berechting door een kerkelijk rechter (alle studenten en meesters waren in principe clerici) en immuniteit van confiscatie van hun bezit. Enkele jaren later kon deze universitas magistrorum et scolarium Parisiis studentium ook van kerkelijke zijde een vorm van zelfbestuur afdwingen: in 1215 ontving ze haar statuten uit de handen van de pauselijke legaat, Robert de Courçon (Curzon), zelf een ex-magister in de theologie van Parijs en jeugdvriend van paus Innocentius III(20).

De twee hoofdpeilers van de Parijse universiteit waren de Artes en de Theologie (in het Latijn: facultas artium en facultas theologiae)(21); een graad in de eerste was een conditio sine qua non voor een inschrijving in de tweede(22).

Het opleidingsprogramma in de Artes voorzag een studieduur van minimum 6 jaar, waarna de student "baccalaureus"(23) werd, i.e. student-assistent met onderwijsverplichting. In die hoedanigheid moest hij onder de leiding van een magister de geprogrammeerde klassieke teksten "uitleggen". Na het beëindigen van die stage ontving hij de licentia docendi en de titel van "magister artium"(24); hij diende wel minstens 21 jaar oud te zijn en moest zich ertoe verbinden minimum 2 jaar aan de Artesfaculteit te doceren. In de theologische faculteit, anderzijds, waren oorspronkelijk 8 of 7 jaar studie voorzien (later zes) om tot het baccalaureaat te komen. Als baccalaureus diende men eerst minstens een jaar de Bijbel te "lezen" (25), vervolgens het Liber Sententiarum van Petrus Lombardus (gedurende twee jaar)(26), om na nog eens 4 jaar van academische taken (vnl. het deelnemen aan disputationes(27)) de licentia docendi te ontvangen en opgenomen te worden als magister in de theologische corporatie (minimumleeftijd: 34 jaar).

Traditioneel had het artesonderwijs - gewijd aan de 'profane' studies(28) - altijd al een propedeutische functie gehad, als voorbereiding op de studie van de sacrale wetenschap, de theologie (cf. reeds Augustinus). Vandaar de aanvankelijk ondergeschikte positie van de Artesfaculteit ook binnen de universiteit(29). Ze groepeerde niet alleen de jongste studenten (vanaf 15 jaar ongeveer), maar ook de jongste magistri, want traditioneel maakte men geen carrière in de Artes(30). Uitzonderingen niet te na gesproken, onderwees men er slechts enkele jaren, na het behalen van de maîtrise, om vervolgens naar een hogere faculteit over te gaan (waar men opnieuw plaats nam onder de studenten). De afwezigheid van 'carrière-professoren' in deze faculteit verklaart o.m. de geringe omvang van de literaire productie van de Artes die tot ons is gekomen(31) (alsook een zeker gebrek aan maturiteit ervan). Ook het feit dat de (jonge) professoren van de Artes traditioneel veel ontvankelijker waren voor nieuwe ideeën en stromingen dan hun collegae van de theologie wordt van hieruit mee begrijpelijk.

Geleidelijk aan, nochtans, veranderden de krachtsverhoudingen, niet het minst omdat de Artes het grootste percentage studenten bezat (ca 84% van het totaal)(32). Maar doorslaggevend hierin was vooral de 'aankomst' van Aristoteles - i.e. van de niet-logische teksten uit diens oeuvre: metafysica, fysica en ethica, vergezeld van latere, vooral Arabische commentaren(33). Aangezien het hier om 'heidense' wetenschap ging, werd de studie ervan toegewezen aan de Artes. Dat leidde tot een belangrijke verschuiving in het curriculum van deze faculteit: tot dan toe zo goed als uitsluitend toegespitst op het eerder technisch onderricht in grammatica en dialectiek, zou dat curriculum nog vóór het einde van de 13de eeuw gedomineerd worden door de (aristotelische) filosofie. De koerante benaming, trouwens, van de faculteit werd al midden 13de eeuw uitgebreid tot die van "faculteit van de filosofie of de artes". Mede door de grote (internationale) toeloop voor dat filosofieonderricht zou de Artes de leiding over de gehele universiteit veroveren: midden 14de eeuw kwam het hoofd ervan, de "rector"(34), aan het hoofd van de Parijse universiteit.

NOTEN:

1. Voor wat volgt, zie uitvoeriger in de syllabus De Vroege Middeleeuwen (VM), pp. 95-105.

2. Zie VM, p. 49.

3. In Italië tevens in municipale lekenscholen, bv. Bologna.

4. Zie E.Werner, Stadluft macht frei (1976), p. 10.

5. "In the great controversy about monarchy and church government two systems of legal thought faced each other. The condition produced on both sides an unprecedented effort to build up persuasive arguments by appropriate interpretation of texts quoted as authorities. The method developed under this impulse became, after the success of the ideas of reform, an important motive behind the rise of scholastic philosophy throughout the 12th century", H.Liebeschütz (1967), p. 594; zie ook H. Trevor-Rope (1966²), p. 137; A.Van Hove, De oorsprong van de kerkelijke rechtswetenschap en de scholastiek, (Meded. Kon. Vla. Acad. Wet., Lett. & Sch.K. van België, Kl. Lett., Jg VI, nr. 3), Antwerpen 1946.

6. Zo Murray (1978), p. 218. Het spreekt vanzelf dat de realiteit vaak erg afweek van de verkondigde principes (cf. de steeds terugkerende noodkreet om kledij, voedsel en drank, vanwege de studenten); de 'democratisering' leidde vrijwel onmiddellijk tot een 'proletarisering', i.e. vorming van een 'intellectueel proletariaat'. Zie verder VM, p. 99v.

7. Zo verzaakte Petrus Abaelardus, hoewel hij zijn vaders eerstgeboren zoon was, aan een militaire carrière ten voordele van een intellectuele glorie: "Ik werd zo meegesleept door mijn liefde voor de kennis dat ik aan de roem van het krijgersleven verzaakte... Ik gaf de voorkeur aan de wapens van de dialectiek boven alle andere filosofische lering, en daarmee gewapend verkoos ik de conflicten van het debat (disputatio) boven de trofeeën van de oorlog. Ik begon in verschillende provincies rond te reizen om, zoals een echt peripatetisch filosoof, te disputeren overal waar ik hoorde dat er een levende belangstelling was voor de kunst van de dialectiek", aldus in de aanvang van zijn autobiografische Historia Calamitatum. Zie verder ook mijn VM, p. 104.

8. Het beeld dat van de vaganten geschetst werd door H.Waddell, in haar bekende boek Vaganten in de middeleeuwen, Utrecht 1966 (oorspr. The Wandering Scholars, 1952), is wellicht wat al te romantisch. - Voor de Banû Sâsân, in het moslim wereldrijk, zie J.L.Kraemer, Humanism in the Renaissance of Islam, Leiden 1986, pp. 24-25.

9. Een anekdote ter illustratie: ook al had hij niet overal succes, dan trok hij toch overal de aandacht, behalve in Mainz (Mayence). Daar reageerde niemand van het publiek, hetzij in positieve hetzij in negatieve zin. Waarop Anselm zijn gehoor ging uiteenzetten dat een dergelijke houding contradictoir was, want noch goed- noch afkeuren was 'niets-doen' en niets-doen is 'niets' doen - wat onmogelijk is. De inwoners van Mainz gaven zich daarop gewonnen en joelden Anselm uit, waarop deze laatste tevreden kon vertrekken.

10. De beroemdste medische school, later universiteit, was die van Salerno, Zuid-Italië. In Frankrijk was ook Montpellier daarop toegespitst.

11. Dat zou wel het geval zijn, eens de universiteit als instelling gevestigd was, met latere instellingen: bv. die van Toulouse (opgericht, tegelijkertijd met de Inquisitie, na het Verdrag van Parijs van 1229, dat een punt zette achter de oorlog tegen de Albigenzen). De meeste universitaire stichtingen - op 44 middeleeuwse universiteiten zouden er 31 opgericht worden vóór 1400 - waren het initiatief van de paus. Cf. J. Chelini (1968), p. 349: "La multiplication des universités entrait dans le plan de gouvernement que la papauté développait comme prolongement à la réforme grégorienne"; Van Caenegem (1977), p. 118: "De pausen hadden een special relationship met de universiteiten. Niet alleen kwamen velen onder hen zelf van de universiteit..., maar ze hebben zich ook sterk ingelaten met de universitaire doctrine en discipline en heel wat universiteiten opgericht".

12. De horigheid bv. trof in de praktijk zowel juridisch vrije als juridisch horige boeren. Zie H.Pirenne, Sozial- und Wirtschaftsgeschichte Europas im Mittelalter (1933), p. 16: "entscheidend ist nicht deren Rechtsstellung, sondern der soziale Rang". Vgl. met de oudheid, waar iets dergelijks enkel gold voor de burger die zich buiten zijn polis bevond.

13. "Ce qu'il y a de révolutionnaire à l'origine du mouvement urbain et de son prolongement à la campagne... c'est que le serment qui lie les membres de la communauté urbaine primitive est, à la différence du contrat vassalique qui lie un inférieur à un supérieur, un serment égalitaire. A l'hiérarchie féodale verticale il substitue, il oppose une société horizontale", Le Goff (1964), p. 362.

14. Cf. Le Goff (1964), p. 347: "le génie médiéval a sans cesse suscité des communautés, des groupes, ce qu'on appelait alors des universitates, terme qui désignait toute sorte de corporation, de collège, et pas seulement la corporation que nous nommons 'universitaire'".

15. "Ce qui est à retenir c'est le caractère profondément chrétien de cet enseignement et de ses structures. Tous les participants en étaient tonsurés et bénéficiaient du statut ecclésiastique... Très solidaires entre eux, ils constituaient une république européenne des clercs enseignants, véritable ossature intellectuelle de l'Occident Chrétien", aldus Chelini, o.c., pp. 350-1. A.Murray (1978), pp. 264-5, waarschuwt tegen de algemene tendens "to exaggerate the ecclesiastical character of medieval education". In hoeverre studenten in Parijs, Oxford en andere noordelijke universiteiten, in de 13de eeuw, tot de clerus behoorden in de canonieke zin van het woord, "is much harder to establish than we might imagine", schrijft hij. In de 14de eeuw, in alle geval, waarvoor men over meer documenten beschikt, blijkt het percentage van 'getonsureerde' clerici aan sommige nieuwe universiteiten opmerkelijk laag te liggen: bv. amper 35% in Keulen, 20% in Heidelberg. Dat belette nochtans niet dat men de studenten "clerici" blééf noemen. Murray maakt daaruit op dat de vereenzelviging, in het woord 'clericus', van "kerkelijk" en "geleerd" ons juist tot de tegenovergestelde conclusie dwingt. De traditionele kerkelijke distincties tussen de verschillende maatschappelijke standen (ordines: geestelijken, leken, enz.) werden in de universiteit niet enkel afgebroken, neen: "they were rebuilt on a new criterion. The boundary between clerk and lay, rather than vanishing, made a subtle shift. From a distinction defined by sacrament and function it came in day-to-day thinking to cover one of intellect and achievement: between educated and uneducated".

16. Dit monopolie had tegelijk een internationaal karakter: met een dergelijke "licentie" kon de magister overal doceren; daarom sprak men van een licentia ubique docendi (één uitzondering: het ius ubique docendi dat in andere universiteiten werd verleend, gaf normaal niet het recht om in Parijs te doceren). Zie voor een korte bespreking, A.Kenny & J.Pinborg, Medieval philosophical literature, in de CHLMPh, pp. 11-13.

17. L.M.De Rijk (1977), p. 127. Ook dit beantwoordde aan een typisch middeleeuwse 'mentaliteit', cf. Le Goff (1964), p. 347: "l'essentiel est de ne pas laisser l'individu seul. L'isolé ne peut que mal faire".

18. De universiteit van Padua, bv., was het product van een secessio uit Bologna, rond 1222.

19. Zij hadden de Artes al doorlopen, en hadden dus een zekere leeftijd.

20. 'Zelfbestuur' betekende niet dat de universiteit ook haar filosofisch-wetenschappelijk curriculum in alle vrijheid kon opstellen, zeker niet in het geval van de Parijse universiteit waarvan de pausen juist de "citadel van de katholieke orthodoxie" hebben willen maken. Zo Van Steenberghen (1991), p. 72. De statuten van 1215 stelden ook het verbod in om de "libri naturales", i.e. de metafysische en fysische werken van Aristoteles te onderwijzen ("Non legantur libri Aristotelis de metaphysica et de naturali philosophia...").

21. De Parijse faculteiten van de Rechten en de Geneeskunde waren daarmee vergeleken van secundair belang.

22. Behalve dan voor de bedelorden, i.e. franciscanen en dominicanen, die hun eigen propedeutische centra hadden (studia particularia) en nooit verplicht waren een formele universitaire opleiding in de artes te volgen.

23. Cf. "bachelor", in het Engels [nu ook gebruikt voor bv. de startopleidingen aan Vlaamse universiteiten en hogescholen].

24. [Cf.  de naam van "Master of Arts", nu ook aan onze universiteiten, na de zgn. "Bama" hervormingen].

25. i.e. als baccalaureus biblicus.

26. i.e. als baccalaureus sententiarum, of sententiarius.

27. Zie verder, 3.3.

28. i.e. de "artes liberales", of "vrije kunsten", nl. het trivium (grammatica, rhetorica, dialectica) en het quadrivium (arithmetica, geometrie, astronomie en muziek). In de praktijk ging het hoofdzakelijk om het trivium (zie verder).

29. Zie Van Steenberghen (1991), pp. 73-73.

30. Zoals het geformuleerd werd: "non est consenescendum in artibus", letterlijk "je mag niet oud worden in de Artes".

31. Hoewel het filosofisch studiemateriaal dat via manuscripten overgeleverd is, in absoluut overwegende mate te maken heeft met het onderwijs in de Artesfaculteiten.

32. De studenten waren in Parijs traditioneel onderverdeeld in vier "naties": de Fransen (Ile-de-France), de Picardiërs, de Normandiërs en de Engelsen (andere vreemdelingen werden door één van de vier geadopteerd). Niet het minst wegens de zware financiële lasten behaalde slechts een heel kleine fractie van de Artesstudenten ooit een graad. Zo bereikten in de 14de en 15de eeuw (waarvoor statistisch materiaal beschikbaar is) amper tussen de 30 à 50 % van de studenten de laagst mogelijke graad, die van baccalaureus in de artes (wat tussen anderhalf en tweeëneenhalf jaar studie vergde), en minder dan 15 % de finale graad van magister in de artes.

33. Voor de historiek van deze entréé, zie vooral F.Van Steenberghen (1955), en zijn La Philosophie au XIIIe siècle (1991²).

34. Telkens voor een periode van 3 maand verkozen uit de magistri van de Artes.

Naar kapitel 2

• Index • Universiteit • Ambacht • Methode • Thomas • Literatuur • Namenlijst • CIE-Index •