CIE-INDEX

Erkende Instantie rooms-katholieke godsdienst
Guimardstraat 1, 1040 Brussel

UITVOERINGSNOTA - 6 - met ingang van 1 september 2000:

Het vak rooms-katholieke godsdienst in katholieke basisscholen met een hoog percentage moslims

Beslissing van de Erkende Instantie op 13 april 2000

(Voorlopig Leerplan ‘islamitische godsdienst’ voor de lagere school, ICC)


lnhoud

1. Uitgangspunten

    1 .1. Juridisch en pedagogisch kader
      1.1.1.Het juridisch kader van het onderwijs in de r.-k. godsdienst in de vrije katholieke Iagere scholen
      1.1 .2. Het pedagogisch project van de katholieke scholen


    1.2. Het onderwijs in de katholieke godsdienst

      1.2.1. De visie achter het leerplan r.-k. godsdienst voor de basisscholen in Vlaanderen
      1.2.2. De werknota ‘Moslims en r.-k. godsdienst in de katholieke basisschool’ (13.1.1997)
      1.2.3. De leerplannen r.-k. godsdienst voor het lager onderwijs (9.9.1999)
        1/ Vertrekken vanuit thema’s die aansluiten bij de psychische ontwikkeling van het kind
        2/ Thema’s benaderen vanuit verschillende invalshoeken


    1.3. De leerkracht r.-k. godsdienst

      1.3.1. Openheid voor culturele verscheidenheid
      1.3.2. Gedegen kennis van het christelijk geloof en grote openheid voor het geloof van anderen
      1.3.3. De stijl van de leerkracht


    1 .4. Ondersteuning van de leerkrachten r.-k. godsdienst 

      1.4.1. In het schoolteam zelf 
      1.4.2. Van huitenaf


2. Concrete beleidsopties

2.1. Basisoptie: katholieke godsdienstlessen met ruime aandacht voor de islam 

2.2. Islamitische godsdienstlessen organiseren in het katholiek basisonderwijs?

2.3. Islamitische leerkrachten aanstellen’?

2.4. In de katholieke godsdienstles aansluiten bij inhouden uit de islamitiscbe godsdienstlessen? 

2.5. Het behoud van de specifiek christelijke geloofsgegevens- en beleving 

2.6. Informatie aan de ouders 

2.7. Een evaluatiemodel 

2.7.1. Evaluatie van de leerlingen
2.7.2. Evaluatie van de godsdienstlessen
2.8. Deelname van islamitische leerlingen aan christelijke gebeden en vieringen?
2.8.1. Principiële beschouwingen
1/ Verschillende mogelijkheden 
2/ Het bidden van moslims 
2.8.2. Concreet standpunt 


Bijlage 1: Leerplan islamitische godsdienst voor de lagere school 

Bijlage 2: Katholieke stellingnamen over de deelname van islamitische leerlingen aan katholieke gebeden en liturgie
 


Deze nota formuleert oriëntaties voor bet geven van godsdienstonderricht in katholieke basisscholen1 met een hoog percentage islamitische leerlingen. In vroegere documenten zijn reeds standpunten ingenomen die consequenties hebben voor dergelijke scholen. Deze nota wil die standpunten concreter ontwikkelen en toepassen. Zij dient als leessleutel hij bet leerplan r.-k. godsdienst (9.9.1999). Zij sluit aan bij de werknota "Moslims en r.-k. godsdienst in de katholieke basisschool" (13.11.1997), die handelde over scholen met een beperkt aantal moslims.

1. UITGANGSPUNTEN

Het godsdienstonderricht in katholieke scholen met een hoog percentage islamitische leerlingen is te situeren binnen het kader van de onderwijswetgeving, het kerkelijk recht, het pedagogisch project van de katholieke scholen en de door de Erkende Instantie vastgelegde visie op katholiek godsdienstonderricht en de daarop steunende leerplannen.

1.1. JURIDISCH EN PEDAGOGISCH KADER

1.1.1. Het juridisch kader van het onderwijs in de rooms-katholieke godsdienst in de vrije katholieke lagere scholen

Het decreet basisonderwijs van 25.2.1997 formuleert de vrijheid van schoolbesturen op Ievensbeschouwelijk vlak als volgt: "Ieder schoolbestuur bepaalt de inhoud van bet basisonderwijs in zijn scholen en bepaalt vrij zijn eigen pedagogische en onderwijskundige methodes" (art. 38). "In de vrije lagere scholen wordt hetzij onderwijs in één of meer erkende godsdiensten en in de op deze godsdiensten berustende zedenleer, hetzij het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer, hetzij beide, hetzij onderwijs in de cultuurbeschouwing verstrekt" (art. 42, 1ste alinea)."

"Bij de eerste inschrijving van hun kind informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk over onder meer het pedagogisch project van de school" (art. 28).

Het kerkelijk wetboek van 1983 bepaalt in canon 803: §1. Onder een katholieke school wordt verstaan een school die door het bevoegd kerkelijk gezag of een publieke kerkelijke rechtspersoon bestuurd wordt, of die door het kerkelijk gezag in een geschreven document als zodanig erkend is. § 2. In een katholieke school moeten onderricht en opvoeding steunen op de principes van de katholieke leer; leerkrachten, moeten zich onderscheiden door rechtzinnigheid in de leer en degelijkheid van leven." De Belgische bisschoppen erkennen als ‘katholieke school’ die scholen die een christelijk pedagogisch project volgen en als levensbeschouwelijk vak rooms-katholieke godsdienst aanbieden.

Niet-katholieke leerlingen worden, net zoals katholieke leerlingen, in katholieke lagere scholen aanvaard indien hun ouders akkoord gaan met het christelijk pedagogisch project van die school.
 
Wanneer katholieke lagere scholen - om zeer specifieke redenen - gebruik wensen te maken van de in art. 42 van het decreet basisonderwijs voorziene mogelijkheid om ook onderwijs in andere erkende godsdiensten (b.v. de islamitische) te verstrekken, doen zij dit slechts na instemming van de plaatselijke bisschop of zijn vertegenwoordiger.

1.1.2. Het pedagogisch project in de katholieke basisscholen

Dc katholieke basisscholen in Vlaanderen sluiten in hun pedagogisch project aan bij de "Opdrachtsverklaring van het katholiek onderwijs in Vlaanderen", in 1994 goedgekeurd door de Algemene Raad van het katholiek onderwijs2. Op de aanwezigheid van islamitische leerlingen in een katholieke school zijn de volgende standpunten van deze opdrachtsverklaring toepasselijk: "De katholieke school vervult haar opdracht in een multireligieus en multicultureel samenlevingsverband. De samenstelling van de schoolgemeenschap biedt hiervan een weerspiegeling. Zij verwacht van alle leden van de schoolgemeenschap dat zij eerbied opbrengen voor de christelijk-gelovige verankering van de school en voor haar geloofsaanbod. Getuigen betekent de anderen met eerbied benaderen, de waarheid laten zien, zonder die met geweld op te dringen; inzicht proberen bij te brengen, zonder de vrijheid van anderen te kwetsen."

Het onderwijs in de katholieke godsdienst kadert in dit pedagogisch project. Het wil over het christelijk geloven spreken met alle leerlingen, ook met niet-christelijke leerlingen. Het wil dit doen in verdraagzaamheid en in eerbied voor de levensbeschouwelijke verscheidenheid van de leerlingen.

1.2. HET ONDERWIJS IN DE KATHOLIEKE GODSDIENST

1.2.1. De visie achter het leerplan r.-k. godsdienst voor de basisscholen in Vlaanderen

De visie achter het recente leerplan r.-k. godsdienst voor de basisscholen in Vlaanderen ontwikkelt vernieuwde perspectieven voor de invulling van het vak rooms-katholieke godsdienst. Zij biedt voldoende waarborgen en mogelijkheden om kinderen te laten kennismaken met het geloof van de christenen zonder dat hierbij hun eigenheid of integriteit in het gedrang zou komen. Dc fundamentele gedachten van deze visie lijken ook realiseerbaar in een school met een hoog percentage anders-gelovigen:

- Zo wordt rekening gehouden met een groteverscheidenheid in de beginsituatie (christenen, anders-gelovigen en niet-gelovigen) en pleit men voor het allergrootste respect voor de eigenheid van elk kind, uit welke bevolkingsgroep, cultuur of godsdienst dit kind ook komt.

- Tevens legt men sterk de nadruk op de communicatie: hierin komen het woord van God en het woord van de Ieerkrachtaan bod, maar ook het woord van de leerling, of die nu christen, anders-gelovig of niet-gelovig is.


De visie achter het leerplan stelt als doel van het vak r.-k. godsdienst kinderen te helpen hun eigen levensbeschouwelijke identiteit op te bouwen, te groeien naar een eigen en verantwoorde beslissing inzake geloven en leven en een begin van dialoog tussen christenen, anders-gelovigen en niet-gelovigen tot stand te brengen. Dit gebeurt uiteraard volgens de groeiende mogelijkheden van de kinderen en op het niveau dat past bij hun leeftijd. Aanvankelijk is het voldoende dat zij de verschillen enkel vaststellen; zij leren ze als feit aanvaarden. Later leren zij het anders zijn van anders-gelovigen en niet-gelovigen eerbiedigen; zij leren begrijpenwaarom anderen anders leven en denken; terzelfdertijd leren zij de eigen christelijke opvattingen en levenswijze funderen en begrijpen.

Wanneer volwassenen en kinderen, in het kader van een katholieke school en meer specifiek binnen de lessen r.-k. godsdienst, erin slagen naar elkaar te luisteren, elkaar te leren kennen en waarderen, kan het vak r.-k. godsdienst er een bijdrage toe leveren dat onze multicultureel en multireligieus geworden samenleving ook een verdraagzanie samenleving wordt.

Men gaat er in het leerplan van uit dat de impact van de katholieke godsdienstlessen niet bij iedereen dezelfde kan zijn. In katholieke scholen met een hoog percentage moslims valt daarmee zeker rekening te houden. Zowel voor de islamitische leerlingen als voor de katholieke leerlingen kan de impact zijn dat ze informatie verwerven over de islam en over het christendom. Een aantal katholieke leerlingen kan via die kennis groeien in zijn christelijk geloven; een aantal moslims kan groeien in zijn eigen geloven. De beide groepen kunnen verdraagzaam en open leren omgaan met elkaars religieuze identiteit.

Moslims en christenen kunnen wellicht heel veel van elkaar leren, dank zij een interculturele en interreligieuze dialoog die zich in een katholieke school ook buiten de godsdienstlessen kan afspelen.
 

1.2.2. De werknota "Moslims en r.k.godsdienst in de katholieke basisschool" 13.11.19973

Voor scholen met een groot percentage islamitische leerlingen moet men nog meer gewicht hechten aan enkele aspecten waaraan deze werknota’ reeds aandacht schenkt:

- de beginsituatie van het godsdienstonderricht in deze scholen: de levensbeschouwelijke verscheidenheid wordt gevormd door het samenzitten van een grote groep islamitische Ieerlingen en een kleine groep christelijke leerlingen;

- deze situatie schept bijzondere concrete mogelijkheden tot geloofscommunicatie; zij zal ook bijzondere moeilijkheden meebrengen;

- deze godsdienstlessen zullen een verschillende impact hebben voor katholieke en voor islamitische leerlingen,

- er is kans tot wederzijds respect en belangstelling voor elkaars cultuur en godsdienst.

In klasgroepen met een hoog percentage islamitische leerlingen vergt de inhoud van de godsdienstlessen bijzondere aandacht.

De katholieke godsdienstleraar tracht met de leerlingen te komen tot interreligieuze communicatie in verdraagzaamheid.

Het risico bestaat dat in een dergelijke context de godsdienstleerkracht het katholiek godsdienstonderwijs in grote mate ontdoet van zijn specifiek christelijk karakter en hoofdzakelijk algemeen menselijke waardeopvoeding beoogt. Het behoort echter even zeer tot zijn taak de waarde en de inhoud van het christelijk geloven ter sprake te brengen, zodat de katholieke leerlingen, die in de minderheid zijn, toch voldoende gevormd zijn in het christelijk geloven. Het is goed dat ook de anderen, onder meer de islamitische leerlingen, kennismaken met de eigenheid van het christendom, dat zijn expressie heeft gekregen in heel wat elementen van de Westerse cultuur.

In de multireligieuze context van katholieke scholen met een hoog percentage islamitische leerlingen gebeurt het godsdienstonderricht het best door bij de uitwerking van de lesthema's aandacht te schenken aan overeenkomsten en verschillen tussen het christendom en de islam. Uit die vergelijking kunnen kinderen leren. Op het niveau van het lager onderwijs kan de reden (vaak de theologische achtergrond) van de verschillen nog niet grondig uitgewerkt worden. Maar het aanduiden van overeenkomsten en verschillen is een eerlijke manier om met religieuze verscheidenheid om te gaan en terzelfder tijd de verschillende religieuze groepen kansen te bieden om zich in het eigen geloven te herkennen en daarin te groeien.

Islamitische gebruiken en tradities worden voldoende toegelicht. De leerkracht brengt daarbij meer ter sprake dan enkel weetjes.

Binnen deze levensbeschouwelijke communicatie kan heel wat ruimte ontstaan voor waardeopvoeding eerbied, verdraagzaamheid, waarheidsliefde, rechtvaardigheid, wellevendheid, mensenrechten... verdienen een plaats in katholiek godsdienstonderwijs. Ook in de islam zijn deze waarden fundamenteel.

1.2.3. Het leerplan r.-k. godsdienst voor het lager onderwijs (9.9.1999)

Gezien de hoger besproken opties betreffende de katholieke godsdienstlessen is het niet nodig voor de scholen met een hoog percentage islamitische leerlingen specifieke leerplannen r.-k. godsdienst te ontwerpen.

1/ Vertrekken vanuit onderwerpen die aansluiten bij de psychische ontwikkeling van bet kind

De lessen r.-k. godsdienst willen de kinderen helpen om te groeien als mens en te bouwen aan een eigen identiteit. Hun ontwikkeling staat voorop. Daarom is men voor het opstellen van het leerplan te radegegaan bij de ontwikkelingspsychologie. Zo werd nagegaan waar kinderen op elke leeftijd van de basisschool gevoelig voor zijn en wat hen bezig houdt. Dc resultaten hiervan zijn te vinden in de leerlijn:
vanuit geborgenheid (kleuters -eerste graad), in verbondenheid (tweede graad), met kracht (derde graad) kinderen begeleiden in hun levensbeschouwelijke en religieuze groei.

Om deze ontwikkeling te begeleiden werd gekozen voor een aantal thema’s die aansluiten bij de psychische ontwikkeling van de kinderen, uit welke culturele of religieuze achtergrond ze ook komen.

2/ Onderwerpen benaderen vanuit verschillende invalshoeken

De groei in mens-worden wordt in de godsdienstlessen begeleid en gevoed vanuit christelijk perspectief. In het leerplan is ervoor gekozen elk thema te benaderen vanuit verschillende invalshoeken, die in het leerplan geen rangorde van voorkeur krijgen. Een goede combinatie van deze invalshoeken zal het ook in klassen met veel moslims mogelijk maken de thema's te benaderen vanuit de eigen belevingswereld van de kinderen. De invalshoek fundamentele belevingenzal zeker kansen aanbrengen om op de verwantschap tussen de islam en het christendom inte gaan. Vanuit de invalshoeken verscheidenheid, beïnvloedingssysteem, Godsbeeld en in zekere mate ook bijbel zullen zowel de overeenkomsten als de verschillen ter sprake komen. De verschillen zullen meest in het oog vallen wanneer thema’s benaderd worden vanuit meer typisch christelijke invalshoeken, zoals Kerk, gebed, celebraties, sacramenten,of Jezusbeeld.Het leerplan r.-k. godsdienst voor het lager onderwijs biedt voor dit alles voldoende ruimte: bij de formulering van de onderwerpen en de doelen schenkt het frequent aandacht aan de verscheidenheid waarmee die onderwerpen in de samenleving voorkomen en benaderd worden. Alle kinderen, ook de moslimkinderen, moeten de kans krijgen hun eigen belevingswereldin de klas ter sprake te brengen.

Toch zullen alle invalshoeken de niet-christelijke kinderen ook de kans geven om kennis te maken met het geloof van de christenen zonder dat dit een bedreiging wordt voor hun eigen geloven. Zonder de verschillen uit de weg te gaan, ligt vooral de nadruk op de rijkdom van ieders geloof, dat naast de verschillen ook heel wat fundamentele overeenkomsten bevat (fundamentele geloofswaarden vanuit het geloof in éénzelfde God).

In deze interreligieuze dialoog kunnen christenen en moslims heel veel leren. Zij leren er dialogeren en omgaan met levensbeschouwelijke verscheidenheid. Zij leren er ook de rijkdom verkennen van elkaars godsdienst. Zo kunnen de christenen van de moslims leren dat het geloof sterk met het leven verbonden is en kunnen de moslims van de christenen leren dat het geloof ook echt vrij maakt. Deze gezamenlijke ontdekking gebeurt uiteraard zeer geleidelijk.
 

1.3. DE LEERKRACHT R.-K. GODSDIENST

1.3.1. 0penheid voor culturele verscheidenheid (interculturele dialoog)

Binnen de moslimgemeenschap bestaan grote verschillen, naargelang van hun land van herkomst maar ook naargelang van hun sociale situatie. Deze diversiteit brengt mee dat men niet kan spreken van "de moslimgemeenschap", noch van "de moslimcultuur".

Het is daarom belangrijk telkens opnieuw rekening te houden met de concrete kinderen en met hun achtergrond. Contacten met het thuismilieu kunnen heel wat gegevens opleveren voor de inhoud en de aanpak van het onderwijs. De inbreng van elk kind is waard om benut te worden. Elk kind brengt vanuit zijn thuissituatie, zijn achtergrond, leerstof aan. Dit geldt niet enkel voor islamitische kinderen, maar even goed voor christelijk opgevoede kinderen. Naast de godsdienstlessen bieden vooral de lessen wereldoriëntatie (W.0.), maar ook andere lessen, hiertoe veel kansen.

Af en toe kunnen ouders naar de school uitgenodigd worden om aan de klasgenoten van hun kinderen te vertellen over hun religieuze beleving hier en misschien ook in het land waarmee ze zich verbonden voelen, over hun tradities, gewoontes, rituelen, enz. Tevens ontdekken de kinderen dat bepaalde gewoontes uit hun land van herkomst in België niet altijd op dezelfde wijze (kunnen) beleefd worden. Het spreekt vanzelf dat binnen de lessen W.0. en in het hele schoolgebeuren de moslimkirderen ook explicieter gaan kennismaken met de Westerse cultuur,

1.3.2. Gedegen kennis van het christelijk geloof en grote openheid voor het geloof van anderen(interreligieuze dialoog)

De leerkracht die voor het godsdienstonderricht instaat moet spontaan bereid zijn tot dialoog met anders-gelovigen. Het is geenszins de bedoeling dat de r.-k. godsdienstlessen in feite gebruikt worden voor islamitisch godsdienstonderricht. In de moslimgemeenschap komt het geloofsonderricht trouwens toe aan de vader, de predikant in het gebedshuis of de islamitisehe godsdienstleraar. Een ernstige dialoog, gebaseerd op wederzijds respect, zal van de leerkracht wel een ruime kennis van de islamitische cultuur en godsdienst vereisen.

Tevens mag men verwachten dat de leerkracht respect en waardering heeft voor het christelijk geloof, dat hij/zij dit ook voldoende kent, en dat hij/zij erom bekommerd is de kinderen te laten kennismaken met het christelijk geloof in al zijn facetten.

De kinderen maken kennis met elkaars gewoonten en gebruiken op religieus vlak (hoe een christen of een moslim leeft; van waaruit (vanuit Wie) hij leeft; hoe hij bidt; hoe hij zijn geloof viert; hoe hij zich inzet voor zijn naaste, enz.). Verhalen uit de bijbel waarvan elementen terug te vinden zijn in de koran zullen deze ontdekkingstocht verrijken. Religieuze feesten uit elk van beide godsdiensten krijgen hier eveneens een bijzondere aandacht. Grote levensvraagstukken die voor aIle godsdiensten gelden en kenmerkend zijn voor ieder mens (vb. geboorte, dood,...), evenals morele waarden en problemen en culturele opvattingen, worden in de godsdienstles benaderd. De leerkracht zal tijdens de godsdienstlessen trachten op het niveau van de kinderen de interreligieuze verkenning mogelijk te maken, te bevorderen en te begeleiden. Hij/zij zal ook zelf partner zijn in die dialoog, zowel met de christelijke als met de islamitische kinderen.

1.3.3. De stijl van de leerkracht

Het is noodzakelijk dat de leerkrachten ervan op de hoogte zijn hoezeer het leven van hun leerlingen beheerst is door culturele elementen: het gemeenschapsbesef; eer en schande; de uiteenlopende rolpatronen en de eigen wereld van man en vrouw; ouderlijk gezag en sociale controle; familierelaties en opvoeding; waarden zoals gehoorzaamheid, onderdanigheid, fatsoen, reinheid en kuisheid. Deze elementen zijn doortrokken van een religieuze duiding. Het past dat leerkrachten zich eerbiedig en voorzichtig opstellen tegenover de gevoeligheden van de moslims inzake kledij, omgangsvormen en gebruiken.

Islamitische leerlingen en ouders vatten de leerkracht op als een buitenstaander, die immers niet tot de familie behoort. Daardoor zullen zij niet gemakkelijk deelnemen aan gesprekken waar zij hun binnenwereld openstellen voor derden. Over heel wat onderwerpen, zoals huwelijk en seksualiteit, wordt in principe niet gesproken, of wordt gehoorzaam het formele standpunt gevolgd. Dit kan de communicatie in de klas afremmen. Pas als de leerkracht het vertrouwen heeft gewonnen van de leerlingen en hun ouders kan een open dialoog ontstaan. Het is van groot belang dat leerkrachten eerst en vooral aan deze vertrouwensrelatie werken.

De leerkracht zal niet misprijzend spreken over de geloofsovertuiging en cultuur van moslims, maar moet er eerbied voor hebben. Hij/zij zal zich niet uitspreken over wat de islam over sommige onderwerpen denkt, maar die mening aan de moslims zelf overlaten. Soms kan men - zelfs als christelijke leerkracht - argumenteren en spreken in woorden en denkstructuren die in de islam gewaardeerd en gebruikt worden: b.v. de begrippen ‘toegelaten’ en ‘verboden’ hanteren; bij plannen voor de toekomst (zelfs bij een uitnodiging voor een oudercontact) de uitdrukking 'als God het wil’ gebruiken.

In de religieuze dialoog speelt de beleving van eer en schaamte een rol: bet moslimkind zal niet gemakkelijk aanvaarden dat zijn/haar mening wordt tegengesproken of belachelijk gemaakt. De leerkracht zal, samen met de andere leerlingen, die rnening eerbiedigen, ze eventueel ook duiden en plaatsen tegenover een andere mening die ook respect vcrdient.

De leerkracht dient zich bewust te zijn van de eigen houding tegenover andere culturen en godsdiensten, rneer bepaald de islamitische. Eventuele negatieve gevoelens en vooroordelen kunnen worden gerelativeerd door het aanleren van communicatieve vaardigheden, door open persoonlijk contact en informatie via lectuur en studie, vorming, de media...

Een vrouwelijke leerkracht heeft het recht om over al haar leerlingen gezag uit te oefenen, ook over jongens. Een gezagsdrager die gezag toont, ontvangt respect in het islamitisch milieu. Zo is het tegenover de leerlingen in de klas en op de school, en op dezelfde manier verdienen leerkrachten en directies gezag bij de ouders.
 

1.4. ONDERSTEUNING VAN DE LEERKRACHTEN R.-K. GODSDIENST

1.4.1. In het schoolteam zelf
 
Katholieke basisscholen met een hoog percentage moslims, die begaan zijn met de interculturele en interreligieuze dialoog, moeten het voorwerp zijn van de gezamenlijke zorg van het schoolteam. Om het schoolteam daarbij te helpen zouden scholen met een hoog percentage moslims in overweging kunnen nemen een islamgelovige leerkracht aan te werven die een diploma behaald heeft aan een katholieke hogeschool. Deze (eventueel ambulante) leerkracht kan zelf geen r.-k. godsdienst geven, omdat zij/hij het mandaat hiertoe niet kan krijgen. Hij/zij kan echter wel een belangrijke schakel vormen om de interreligieuze dialoog binnen de school te bevorderen (zie verder 2.3.2).

Leerkrachten hebben het ook niet altijd gemakkelijk met hun persoonlijk beleven van het christelijk geloof. In het schoolteam kan een leerkracht r.-k. godsdienst aangesproken worden om de collega’s te helpen bij hun godsdienstonderricht.

1.4.2. Van buitenaf

De lerarenopleiding

Het is wenselijk dat de kandidaat-leerkrachten leren lesgeven aan klassen met andersgelovigen, concreet met islamitische leerlingen. Daartoe behoort een visie op de islam en informatie over deze godsdienst, evenals training in interreligieuze communicatie op het niveau van het lager onderwijs. Dit verdient een plaats in de initiële opleiding aan de hogescholen; het kan ook gebeuren via voortgezette opleiding.

Aangepaste begeleiding en nascholing als leerkracht

Daarbij krijgen leerkrachten de kans zich zowel in hun eigen godsdienst te verdiepen als nauwer kennis te maken met de godsdienst en de culturele achtergrond van de moslims.

Deze begeleiding kan bestaan uit vormingssessies, o.a. in het kader van de nascholing of van de begeleiding door de inspecteurs-adviseurs r.-k. godsdienst,

- het aanbieden van didactische hulpmiddelen, vooral uitgewerkte lessen die aansluiten bij de thema's van de leerplannen r.-k. godsdienst en het gesprek met islamitische leerlingen bevorderen,

- de verwijzing naar documentatie- en informatiecentra over de islam in het algemeen en over de islam in België in het bijzonder.


2. CONCRETE BELEIDSOPTIES

Het is nodig op interdiocesaan vlak concrete beleidsbeslissingen te nemen betreffende de godsdienstlessen met islamitische leerlingen in de katholieke scholen. Zowel de ouders en de leerlingen als de leerkrachten, directies en schoolbesturen hebben daar baat bij.

2. 1. Basisoptie: katholieke godsdienstlessen met ruime aandacht voor de islam

Rekening houdend met de huidige visie op het vak r.-k. godsdienst verdient het de voorkeur in een katholieke school met een hoog percentage islamitische leerlingen (gedurende 3 lesuren) het vak r.-k. godsdienst te geven aan alIe leerlingen, vanuit de grondhoudingen die in de visietekst zijn beschreven.

In deze lessen worden de doelstellingen zodanig geformuleerd dat zij rekening houden met de verschillende impact op leerlingen van verschillende godsdienstige overtuiging. Dc christelijke en de islamitische leerlingen kunnen er elementen van kennis verwerven over hun eigen geloof en dat van de andere leerlingen; zij kunnen groeien in hun eigen geloof; zij kunnen in dialoog treden met andere godsdiensten.

Differentiëren is een goede werkwijze om met verscheidenheid om te gaan4.De leerlingen krijgen verschillende taken met verschillende werkvormen. Zij kunnen in een aantal gevallen zelf vrij kiezen uit de aangeboden taken. Het is echter niet nodig de leerlingen systematisch en permanent op te splitsen in groepen: er dient voldoende tijd over te blijven voor uitwisseling en gezamenlijke inbreng van alle leerlingen, moslims en christenen. Daarbij streven de leerlingen er niet naar gelijk te halen tegenover de anderen; zij moeten vooral hun eigen overtuiging vormen en Iaten groeien in dialoog over de overeenkomsten en de verschillen tussen het eigen geloof en dat van de anderen.

Deze lessen worden toevertrouwd aan een klastitularis met een mandaat voor het geven van r.-k. godsdienst, eventueel ondersteund door een toegevoegde leerkracht r.-k. godsdienst. Het is bovendien nodig dat deze leerkrachten goed op de hoogte zijn van de islam. Zij spreken vanuit het christelijk geloven, in eerbied voor de islam.

Al is het niet evident dat de islamitische leerlingen en hun ouders deze optie aanvaarden, het is de moeite waard ze te verdedigen. Deze visie maakt immers mogelijk dat leerlingen op levensbeschouweliik vlak groeien in contact met hun eigen godsdienst en dat zij opgevoed worden tot verdraagzaamheid en openheid op religieus gebied. Het is noodzakelijk de ouders te informeren over deze visie en deze manier van werken (zie verder 2.6).

2.2. Islamitische godsdienstlessen organiseren in het katholiek basisonderwijs?

In de voorbije decennia heeft een aantal katholieke lagere scholen, meestal met veel islamitische leerlingen, naast katholieke ook islamitische godsdienstlessen georganiseerd. Deze scholen krijgen daarvoor aanvullende lestijden, naast de aanvullende lestijden voor r,-k. godsdienst. Dergelijke lessen vallen onder de bevoegdheid van het hoofd van de islamitische eredienst, dat de leerplannen vaststelt en de leerkrachten en inspectieleden voordraagt. Zal dan een leerkracht aangesteld worden die naast de islamitische geloofsovertuiging ook het interreligieus gesprek in de klas bevordert en voldoende open staat voor de westerse cultuur en het christelijk geloof? Er kunnen ernstige twijfels rijzen over de vrijheid die een schoolbestuur heeft om een kandidaat te weigeren of te weren die niet aan deze criteria beantwoordt.

De nadruk die het recente leerplan r.-k. godsdienst legt op communicatie en omgaan met religieuze verscheidenheid vermindert de noodzaak van afzonderlijke islamitische godsdienstlessen. Door het geven van afzonderlijke lessen islamitische godsdienst vallen interessante mogelijkheden weg tot interreligieus contact in de godsdienstlessen.

Daarom opteert de Erkende Instantie r.-k. godsdienst ervoor dat als levensbeschouwelijk vak in het katholiek onderwijs voortaan in principe enkel r.-k. godsdienst, in een communicatieve visie, wordt aangeboden.

Maar de opstelling van heel wat islamitische ouders inzake de religieuze opvoeding van hun kinderen verschilt vaak van die van de school of van de visie die aan de leerplannen r.-k. godsdienst ten grondslag ligt. Zij vrezen dat de christenen erop uit zijn hun kinderen te bekeren. Hoe kleiner (en dus onmondiger) de kinderen zijn, des te groter is die vrees van de ouders.

Soms verlangen of eisen ouders islamitisch godsdienstonderricht. Waar reeds islamitische godsdienstlessen werden gegeven beschouwen zij dit als een verworven recht. Wordt toch uitsluitend r.-k. godsdienst gegeven, dan dreigen zij hun kinderen weg te trekken uit de katholieke school. Het zou goed zijn dat deze ouders kunnen ontdekken dat katholieke seholen een openheid voor het religieuze aanbieden die kan bijdragen tot de godsdienstige groei van hun kinderen. (over de informatie aan de ouders, zie verder 2.6)

2.3. lslamitische leerkrachten aanstellen?

Kunnen bij het katholiek godsdienstonderricht leerkrachten betrokken worden die moslim zijn? Katholieke godsdienstlessen moeten gegeven worden door een katholieke godsdienstleerkracht die daartoe gemandateerd is. De mogelijkheid dient evenwel onderzocht te worden hoe islamitische leerkrachten die in België in een katholieke lerarenopleiding zijn gediplomeerd kunnen ingeschakeld worden om in scholen met een hoog percentage moslims de katholieke godsdienstleerkrachten te ondersteunen. Zij worden niet aangesteld als leermeester islamitische godsdienst, maar b.v. als ambulante leerkracht of integratieleerkracht, naast andere onderwijsopdrachten in diezelfde school. Ook van hen verwacht de katholieke school "dat zij eerbied opbrengen voor de christelijk-gelovige verankering van de school en voor haar geloofsaanbod’ (Opdrachtsverklaring, zie citaat op p. 2). Zij kunnen samen met de katholieke leerkracht het interreligieuze gesprek bij de leerlingen opbouwen. Elk van beide vorrnen zij door hun aanwezigheid een identificatiefiguur voor hun geloofsgenoten.

In dit geval hoeft de erkende instantie van de islamitische eredienst geen kandidaat voor te dragen.

Deze aanpak biedt mogelijkheden zowel tot momenten van differentiatie in homogeen religieuze groepen als tot dialoog met de islamitische leerlingen. Toch blijven een aantal vragen bestaan, onder meer: zullen deze islamitische leerkrachten zich bij de sarnenwerking met de katholieke godsdienstleerkrachten open genoeg kunnen opstellen, met voldoende vrijheid t.a.v. hun eigen religieuze autoriteiten?

2.4. In de katholieke godsdienstles aansluiten bij inhouden uit de islamitische godsdienstlessen?

Het Islamitisch Cultureel Centrum te Brussel heeft reeds voorlopige en officieuze leerplannen voor het vak islamitische godsdienst in het officieel onderwijs gepubliceerd (zie bijlage 1). Het is mogelijk dat eerlang het hoofd van de islamitische eredienst definitieve officiële godsdienstleerplannen uitvaardigt.

Het is nuttig te bestuderen welke thema’s en inhouden daarin voorzien zijn. Ongetwijfeld zijn een aantal onderwerpen gemeenschappelijk aan het christelijk en het islamitisch geloven, of is er tussen die beide godsdiensten verwantschap betreffende die onderwerpen5. Aandacht schenken aan de gelijkenissen en de verschillen kan in de godsdienstlessen een aanzet zijn tot wederzijds respect, dialoog en verdraagzaamheid.

Leerkrachten katholieke godsdienst kunnen in aanwezigheid van leerlingen geen uitspraken doen over islamitische geloofspunten, noch rituelen, noch gebruiken.
 

2.5. Het behoud van de specifiek christelijke geloofsgegevens en -beleving

Interreligieuze dialoog heeft niet als doel de verschillen tussen godsdiensten te verbergen. De dialoog met de moslims (en met andere gelovigen) kan helpen zien dat wat christenen belangrijk vinden ook bij de anderen aanwezig is, al is het onder een andere vorm. Het kan er ook toe bijdragen dat christenen de eigenheid van het christendom leren zien en waarderen. Natuurlijk zal de leerkracht hierin een centrale rol spelen; leerlingen ontdekken dit niet spontaan.
 

2.6. Informatie aan de ouders

Het is noodzakelijk dat de schoolbesturen en directies eerst goed worden op de hoogte gebracht van de problematiek die in deze toepassingsnota wordt behandeld, zowel de situering en de achtergrondinformatie als de concrete beslissingen.

De schoolbesturen en directies informeren op hun beurt de ouders van islamitische leerlingen duidelijk over de algemene beleidsoptie in het katholiek onderwijs inzake godsdienstonderricht en over de concrete toepassing ervan in hun school.

Het is niet voldoende aan ouders van islamitische leerlingen het opvoedingsproject voor te leggen en het gewoonweg te laten ondertekenen. Sommige ouders zullen de ideeën van de visietekst en de leerplannen (communicatie, openheid en dialoog) moeilijk aanvaarden of zelfs verwerpen. Soms gaan ouders wel akkoord met een dergelijke benadering, maar worden zij door islamitische verenigingen of vanuit de moskee aangezet om islamitische godsdienstlessen te vragen/eisen.

Soms verzetten ook katholieke ouders zich tegen een multireligieuze aanpak.

Op elk van deze soorten bezwaren moet op een ernstige manier ingegaan worden, waarbij de hierboven genomen optie verantwoord wordt. De ouders krijgen informatie en begeleiding om de redenen te kunnen begrijpen (en aanvaarden) waarom het godsdienstonderricht in de katholieke school georganiseerd wordt zoals hierboven beschreven is. Daardoor kan men trachten bij de islamitische ouders de vrees weg te nemen dat men hun kinderen via de godsdienstlessen tot het christendom wil bekeren. Het moet hen duidelijk gemaakt worden dat de aanpak die deze nota voorstelt hun kinderen kan helpen in hun persoonlijke geloofsgroei en bijdraagt tot hun positieve integratie in onze samenleving.
 

2.7. Een evaluatiemodel

Dc richtlijnen van het Leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het lager onderwijs in Vlaanderenover bet evalueren zijn nuttig voor het evalueren van de r.-k. godsdienstlessen in groepen met een hoog percentage islamitische leerlingen.

2.7.1. Evaluatie van de leerlingen

De evaluatie van de leerlingen is gericht op waarneembare prestaties en op het proces dat de leerlingen doormaken om tot die prestaties te komen. In dit proces spelen persoonlijke betrokkenheid, welbevinden, concentratie en gerichtheid op communicatie een grote rol.

Dc doelen (met bijbehorende inhoud en beheersingsniveau), zoals in het leerplan beschreven bij elk onderwerp, vormen het eerste criterium voor evaluatie. AIs tweede criterium geldt de vraag hoe de leerling evolueert in zijn ontwikkeling, meer bepaald zijn levensbeschouwelijke en religieuze groei. Hoe gelovig een kind is (hetzij christelijk, hetzij islamitisch) valt niet onder de evaluatie door de Ieerkracht. Doelen die slaan op kennis kunnen vrij objectief geëvaIueerd worden via toetsen en ondervraging. De Ieerkracht kan ook vaardigheden en attituden van leerlingen evalueren: formuleren van de eigen overtuiging, openheid voor de andere en bereidheid tot dialoog nemen hier een belangrijke plaats in.

Voor de godsdienstlessen waarover het hier gaat moet de leerkracht er in heel het didactisch proces aandacht aan schenken dat de katholieke en de islamitische leerlingen zowel inzake kennis als inzake houdingen van een verschillende beginsituatie vertrekken, waarbij ook binnen die groepen grote verschillen kunnen optreden. De principiële optie dat bet godsdienstonderricht bij de leerlingen een verschillende impact heeft geldt a fortiori voor religieus gematigde groepen zoals die waarover deze toepassingsnota handelt. Zeker bij het evalueren van leerlingen moet de leerkracht met deze verscheidenheid rekening houden.

De evaluatie kan op het rapport van de leerlingen op verschillende manieren geformuleerd worden: door een commentaar in woorden en/of door een cijfer (best op dezelfde manier als voor de andere vakken). Wat men meedeelt moet een zo volledig mogelijk beeld geven van de activiteit en de evolutie van de kinderen in de godsdienstlessen, dus ruimer dan enkel de vorderingen inzake kennis.

2.7.2. Evaluatie van de godsdienstlessen

Het is noodzakelijk dat de leerkrachten (individueel of in team) regelmatig de godsdienstlessen als proces evalueren. Daarbij kunnen alle aspecten van het pedagogisch en didactisch handelen beoordeeld worden. Voor de r.-k. godsdienstlessen die aan christenen en moslims samen gegeven worden dient deze evaluatie in te gaan op:

- de mate waarin rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van de beginsituatie van de leerlingen, met bijzondere aandacht voor de culturele en Ievensbeschouwelijke verscheidenheid,

- de mate waarin bij de keuze en uitwerking van de lesinhouden rekening wordt gehouden met de betekenis die het christendom en de islam geven aan de besproken onderwerpen (overeenkomst en verschillen),

- de bereidheid en de vaardigheid van de leerlingen tot omgaan met verschillen, dialoog en wederzijds respect, de  communicatieve vaardigheid van de leerkrachten en de impulsen die zij aan de leerlingen geven om tot communicatie te komen (communicatieve werkvormen, niet enkel als didactische werkvormen maar ook als oefening in communicatieve vaardigheid),

- de verscheidenheid aan impact van het godsdienstonderricht.


2.8. Deelname van islamitische leerlingen aan christelijke gebeden en vieringen?

Is het opportuun dat islamitische leerlingen deelnemen aan katholieke gebeden of aanwezig zijn in eucharistievieringen of andere katholieke gebedsvieringen? Het is nuttig bij het nadenken over deze kwestie aandacht te schenken aan verschillende gebedsvormen en aan de inhoud van dergelijke gebeden of vieringen.

2.8.1. Principiële beschouwingen6

1/ Verschillende mogelijkheden

De vraag naar het bidden van christenen samen met moslims kan niet beantwoord worden los van de concrete omstandigheden, meer bepaald de mate waarin de twee religieuze groepen maatschappelijk zijn geïntegreerd en de manier waarop zij in religieus opzicht met elkaar omgaan. De katholieke scholen met een hoog percentage moslimleerlingen beschikken daarvoor over eigen mogelijkheden.

Het dagelijkse leven van de leerlingen brengt aanknopingspunten om biddend samen te zijn: gelukkige of droevige gebeurtenissen, de respectievelijke religieuze feesten, gebeurtenissen in het schoolleven Deze kansen worden niet altijd erkend en nog minder gecultiveerd. Zowel christenen als moslims staan vaak zeer terughoudend tegenover gezamenlijk gebed.

Christenen en moslims kunnen op verschillende manieren biddend samen zijn:

1. De ‘spirituele gastvrijheid’ waarbij leden van een religieuze groep, hetzij door beroepsverplichting, hetzij uit vriendschap, respectvol aanwezig zijn bij het gebed van de andere religieuze gemeenschap (b.v. bij een begrafenis, een doopsel, een eerste communie of vormsel). In dit geval gaat het niet om gemeenschappelijk gebed in de strikte zin van het woord, noch om een gelijkwaardige inbreng van de beide kanten.

2. Het ‘Assisi-model’: christenen en moslims komen samen op dezelfde plaats en bidden elk om beurt, ieder volgens zijn eigen religieuze traditie.

3. Soms nemen de beide religieuze groepen deel aan elkaars gebedsvormen, -woorden en -houdingen: lezingen, meditatie en commentaar op teksten uit de heilige boeken of van geestelijke schrijvers, stiIte (als uiting van het onvermogen om helemaal dezelfde geestelijke ‘ruimte’ te delen), lof-, dank- en smeekgebeden onder de vorm van litanieën of spontane tussenkomsten, lezing van poëzie, hymnen (de psalmen), liederen of gewijde muziek. 

Slechts op basis van voldoende kennis van zaken kan men het pro en het contra van gemeenschappelijk gebed van christenen en moslims afwegen. Men moet genoeg zicht hebben op de specificiteit van het christelijk en het islamitisch bidden als expressie van die beide geloofsvormen.

Een christen richt zich in zijn gebed tot God als Vader; zijn gebed voltrekt zich als een bidden zoals Christus, met Hem en in Hem. Deze beide fundamentele kenmerken van het christelijk bidden worden door de islam niet aanvaard. Naast bet ritueel of liturgisch gebed en de vaste gebedsformules hechten christenen grote waarde aan het persoonlijk bidden met eigen woorden, een gebedsvorm waartegenover de moslims eerder terughoudend staan.

Het lijkt ons niet nodig in deze nota dieper in te gaan op het gebed van de christen; het islamitisch bidden verdient wel enige toelichting.

2/ Het bidden van moslims

Het gebed van de moslim is op de eerste plaats het ritueel gebed (salât), met welbepaalde gebaren en gebedsformules. Elke andere vorm van bidden is in zijn ogen minderwaardig en secundair.

De biddende moslim is ‘abd: dienaar en aanbidder tegelijk. Het gebed is essentieel een daad van aanbidding en lofprijzing aan God. Dit komt tot uiting in het feit dat de moslim nauwelijks iets persoonlijks inbrengt in zijn gebed: door altijd dezelfde gebaren te verrichten en dezelfde woorden te spreken associeert hij zich aan God; hij voegt er niets aan toe. De soberheid en de eenvoud van de herhaling laten alle plaats aan God. Wat christenen geneigd zijn ‘ritueel formalisme’ te noemen drukt voor moslims uit dat God centraal staat in hun aanbidding en Iofprijzing. Uiteindelijk prijst God zichzelf doorheen de gebaren van de gelovige, die zichzelf zoveel mogelijk wegcijfert. (Deze karakteristiek van het islamitisch bidden leeft niet sterk in de christelijke gemeenschap in het Westen; hij is wel te vinden in het gebed van lof en aanbidding door christelijke monniken en - in zekere zin - in de tijdeloze plechtigheid in sommige liturgieën van oosterse christenen.)

Dit helpt verstaan waarom moslims in hun gebed zo weinig belang hechten aan de woorden en dat de meerderheid, die geen Arabisch kent, niet begrijpt wat zij in hun gebed zeggen.

De biddende moslim is ook getuige.Via het ritueel gebed bevestigt hij dat hij behoort tot de gemeenschap van hen die zich onderwerpen en daarvan getuigen. Zelfs als het ritueel gebed individueel (b.v. binnenskamers) voltrokken wordt behoudt het nog dit gemeenschapskarakter, al was het slechts door de gerichtheid op Mekka.

Naast het ritueel gebed kent de islam nog andere gebedsvormen, zoals:

- het opzeggen van de koran en de meditatie erover,
- de meditatie over de mooie namen van God (individueel met behulp van het kralensnoer of in groep (b.v. in confrérieën),
- particuliere devotie en volkse vroomheid (vaak onder inspiratie van confrérieën), soms verdacht in de ogen van de islamitische orthodoxie,
- de bedevaart naar Mekka bevat lofgebeden en gebeden om vergeving;
- het dagelijkse leven van de moslim is eveneens doortrokken van formules van lof, zegening, vraag om hulp of vergeving.
Toch is de moslim eerder terughoudend om van de beproefde en zekere gebedsformules over te gaan naar een vrijere en spontanere uitdrukking van zijn gebed. 

2.8.2. Concreet standpunt7

Het is nodig heel voorzichtig om te gaan met het bidden van moslims op katholieke scholen, en vooral te zorgen dat de persoonlijke vrijheid van de islamitische Ieerlingen geëerbiedigd blijft. In geen geval verplicht men hen tot actieve deelname aan een christelijk gebed, in gelijk welke vorm (klasgebed, gebedsdienst, sacramentele of andere liturgische dienst). Wanneer de Ieerlingen in de godsdienstles een gebeds- of hezinningstekst schrijven dienen de islamitische leerlingen duidelijk te weten dat zij geen christelijk gebed moeten formuleren.

(1) Bij de kleinste kinderen moet men bijzonder voorzichtig zijn: zij zijn nog niet goed in staat in vrijheid hun religieuze eigenheid te poneren. Hun ‘participatief geloven’ kan hen ertoe brengen spontaan dingen te doen die hun ouders (of zijzelf later) verwerpen. Men denke b.v. aan het maken van een kruisteken.

(2) Indien de islamitisehe kinderen het verlangen en hun ouders dit aanvaarden is er geen bezwaar tegen dat zij aansluiten bij een groep die bidt. Onder ‘aansluiten bij’ en ‘deelnemen aan’ kan men twee vormen onderscheiden

- Passieve aanwezigheid is te aanvaarden.
- Actievere deelname ligt moeilijker. Maar moet ze volledig uitgesloten worden? Men moet een onderscheid maken volgens de aard van het gebed of de gebedsviering (zie hierna pt. 3 en 4).
(3) Betreffende de sacramenten geldt hetzelfde onderscheid.

De katholieke leerlingen nemen actief deel aan de sacramenten. Zij gaan naar de eucharistie, waarin zij de gaven van brood en wijn naar het altaar brengen, de communie ontvangen... Zij gaan te biecht.

Het is wenselijk voor moslimleerlingen te zoeken naar alternatieven die aansluiten bij hun eigen gebedstraditie. Er kunnen zich echter bijzondere gevallen voordoen, waarbij islamitische Ieerlingen - bijvoorbeeld uit vriendschap voor een katholieke vriend -wensen aanwezig te zijn bij een katholieke begrafenis of bij vieringen (vgl. hoger de ‘spirituele gastvrijheid’).

(4) Er kunnen gemeenschappelijke gebedsmomenten zijn van verschillende aard:

a - katholieke en oecumenische gebedsmomenten, gebedsvieringen: Indien hierbij islamitische leerlingen aanwezig zijn beperken zij zieh best tot louter aanwezigheid.

Is het aanvaardbaar dat sommige islamitische leerlingen een katholiek gebed voorlezen (b.v. voorgebeden)? Zij vragen daar soms zelf naar en beschouwen dit als een teken dat zij aanvaard zijn en bij de groep horen. Hoe meer het gaat om specifiek christelijke gebedselementen, des te voorzichtiger moet men hierbij zijn. Eventueel kunnen islamitische leerlingen gebeden voorlezen of mee gebeden opzeggen die gericht zijn tot God (in het algemeen, zonder Hem als Vader aan te spreken), zonder dat Christus of de Geest erbij betrokken zijn.

Dezelfde voorzichtigheid moet men aan de dag leggen wanneer islamitische leerlingen willen meezingen of samen met anderen aan religieuze expressie willen doen (b.v. wel sommige gebedshoudingen aannemen; geen kruisverering).

b - Christenen en moslims bidden op dezelfde plaats elk om beurt, ieder volgens zijn eigen religieuze traditie (zie hoger: het Assisi-model)

c - Men kan interreligieuze vieringen organiseren. Thema’s als verdraagzaamheid, oorlog en vrede, duisternis en licht, enz. worden zowel vanuit de koran als vanuit de bijbel belicht. De thema’s uit het godsdienstleerplan bieden kansen tot dergelijke interreligieuze vieringen.

(5) Eigen islamitisch gebed?

Het is moeilijk de kinderen op school rituele gebeden te laten verrichten: de voorwaarden daartoe (o.a. mogelijkheid tot rituele reiniging vooraf) en de passende context zijn er niet.

Leerlingen die het wensen kunnen wel bestaande gebeden reciteren of zelf geschreven gebeden voordragen. De christelijke leerlingen nemen daarbij een houding aan van aandacht en eerbied.

Uit deze nota blijkt dat het helemaal niet eenvoudig is godsdienstlessen te verzorgen in katholieke lagere scholen met een beperkt aantal christelijke leerlingen en een hoog percentage moslims. Men staat voor de moeilijke opgave bij deze lessen zowel recht te doen aan de christelijke als aan de islamitische leerlingen, elk met hun eigen niveau van religieuze betrokkenheid. Uit diverse mogelijkheden kiest de Erkende Instantie r.-k. godsdienst ervoor in deze scholen als levensbeschouwelijk vak enkel lessen r.-k. godsdienst aan te bieden, met oog voor verscheidenheid en in een open dialoog. Hopelijk dragen dergelijke lessen bij tot de totaalmenselijke en levensbeschouwelijke groei van de leerlingen en tot een verdraagzame samenleving.
 

Bijlage 1: Voorlopig Leerplan ‘islamitische godsdienst’ voor de lagere school (samenvatting), opgesteld door het Islamitisch en Cultureel Centrum (ICC, Brussel)8

1ste jaar

a - Allah is mijn God - Mohammed is mijn profeet - De Koran is mijn boek-De Islam is mijn godsdienst
b - Voorstelling van de vijf pijlers
c - De geboorte van de profeet - Zijn borstvoeding - De dood van zijn moeder - Zijn huwelijk met Khadija-De openbaring
d - Het leven op school - Buiten de school-In het gezin
e - Aanleren van de soera’s: de "Fatiha" "De Mensen" "De Doorbraak" "De Toewijding" "De Vezels" "De Hulp"

2de jaar

a - Het geloof in God - in de Engelen-de Heilige Boeken -de Profetende Lotsbestemming-de Dag van het Oordeel
b - Aanleren van het gebed - van de Reiniging
c - Mohammed rond de Ieeftijd van 40 jaar en de openbaring
d - Het bezoek, vooral aan zieken - eerbied voor anderen
e - Soera’s: "De Ongelovigen" - "De Toevlucht""Quraysh""De Olifant"

3de jaar

a - De attributen van God - de Schepper-de Schepselen
b - Aanleren van de basisbeginselen van het gebed - van een Rak’a - de oproep tot het gebed - het gebed in groep
c - De groet in de Islam - de eerbied voor de natuur - de eerbied voor de ouders - de oprechtheid in woorden en daden
d - De oproep tot de Islam - de Emigratie
e - Soera’s: "De Lasteraar" "De Namiddag""De Bezitsdrang" "De Kletterende"

4de jaar

a - De mens heeft geloof nodig de Islam als laatste godsdienst de universele boodschap van de Koran
b - Het gebed van de twee feesten-van de vrijdag -van de reiziger-het vergeten gebed-het laattijdige gebed
c - De intentie -de liefdadigheid -de plicht tot studie -de eerbied voor de leraar
d - De profeten voor Mohammed (Noë, lbrabim, Yacoub, Youssef)
e - Aanleren van de soera’s: "Dc Rennenden" "De (aard)beving" - "Het Bewijs"-"De Lotsbestemming"

5de jaar

a - De voorwaarden tot het gebed - de handelingen die het gebed teniet doen - het vasten - wat verboden is in de Koran
b - De eerbied voor de buurman - het voorkomen - de weldaad van de sport - hoe de vakantie beleven
c - De profeten voor Mohammed (Moses, Jezus), afscheidsbedevaart
d - De maan- en poolmaanden - voorstelling van de islamlanden
e - Aanleren van de soera’s: "Het embryo" "De Vijgeboom" "De Verruiming""Het morgenlicht" "De Nacht" 

6de jaar

a - De aalmoes - de bedevaart -de kleine bedevaart - de rituele slachting
b - Het leven van de Kaliefen (Abou Bakr - Omar-Othman - Ali)
c - Hedendaagse ethische problemen: drugs, alcohol, geweld, racisme, zedenverval.
d - Rechten van het kind in de Islam in vergelijking met het Handvest van de rechten van het kind.
e - Aanleren van de soera’s: "De Zon" "Het Oord" "De Dageraad" "De overweldigende""De Allerhoogste".


Bijlage 2: Katholieke stellingnamen over de deelname van islamitische leerlingen aan katholieke gebeden  en liturgie:

1. 20.1.1978 de vicarissen-generaal en bisschoppen belast met het onderwijs: "Cours de religion islamique à l’école libre catholique"

"Het is evident dat men aan deze kinderen < gelovigen van een andere godsdienst > alle vrijheid moet laten betreffende de godsdienstpraktijk en hen in geen enkel geval moet verplichten deel te nemen aan een of andere gebedsdaad (acte cultuel). Indien zij zelf of hun ouders het verlangen, is er geen bezwaar tegen dat zij aansluiten bij een groep die bidt, of zelfs dat zij deelnemen aan een eucharistieviering of andere celebratie."
2. 1981 Interdiocesane Commissie voor de Betrekkingen met de Islam: "L'enfant musulman dans les ‘écoles libres"; lager onderwijs: "In geen enkel geval zal het moslimkind verplicht worden deel te nemen aan een liturgische dienst." Over het secundair onderwijs is terzake niets vermeld.

3. 10.7,1986 Centraal Bureau van het Katholiek Onderwijs, "Richtlijnen van de Hoofden van de Katholieke Eredienst over de organisatie van het godsdienstonderricht in scholen met Moslimkinderen" (gepubliceerd in de mededelingen van o.a. het Nationaal Verbond van het Katholiek Middelbaar Onderwijs, 18.7.1988):

"Moslimleerlingen kunnen nooit verplicht worden deel te nemen aan liturgische oefeningen van het katholiek geloof. Dat belet niet dat er gemeenschappelijke gebedsmomenten kunnen zijn."
4. juli 1990 Algemene Raad van het Katholiek Onderwijs: "Beleidsvisie en beleidsopties van het Katholiek Onderwijs betreffende de migranten in het onderwijs, inzonderheid de moslims", Bijlage: ‘Richtlijnen van de Hoofden van de Katholieke Eredienst
over de organisatie van het godsdienstonderricht in scholen met moslimleerlingen"
"Moslimleerlingen kunnen niet verplicht worden deel te nemen aan sacramentele vieringen. Dat belet niet dat er gemeenschappelijke gebedsmomenten kunnen zijn waarop de moslimleerlingen worden uitgenodigd. Dan moet er aan hen speciale zorg (b.v. in voorbereiding) worden besteed."
NOTEN


1.   Het vak rooms-katholieke godsdienst komt strikt genomen enkel voor in het lager onderwijs; daarop is deze toepassingsnota in de eerste plaats gericht. In het ontwikkelingsplan van het katholiek kleuteronderwijs zijn evenwel ook elementen van godsdienstige en morele opvoeding opgenomen. Een aantal bekommernissen en beschouwingen betreffende bet lager onderwijs gelden daarom ook voor het katholiek kleuteronderwijs.


2. Erkende Instantie r.-k. godsdienst, Leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het lager onderwijs in Vlaanderen  (1999), Brussel, Licap, 2000; de visie die aan dit leerplan ten grondslag ligt wordt ontwikkeld op pp. 9-14.


3. Opgesteld in opdracht van en voor de Erkende lnstantie r.-k. godsdienst. — Vermits de nu voorliggende 'toepassingsnota’ bedoeld is om samengelezen te worden met deze 'werknota’, is het niet nodig de daar ontwikkelde oriëntaties en aanbevelingen hier in detail te citeren. Zie hier TEKST 13.


4. Zie ook de werknota ‘Moslims en R.-K.Godsdienst in de katholieke basisschool’ (1997), p.7. Zie hier TEKST 13.


5. De werknota ‘Moslims en R.-K.Godsdienst in de katholieke basisschool’ (1997), verwijst naar de universele heilswil van God, universele waarden en gegevens die gemeenschappelijk zijn aan bijbel en koran (p.4). Zie hier TEKST 13.


6. Zie J. STAMER, ‘Prier avec des musulmans’, in El Kalima, nr. 40, jan.-febr.-maart 1999, p. 2-16 (de auteur is consultor van de Commissie voor de Religieuze Betrekkingen met de Moslims, afhankelijk van de Pauselijke Raad voor de lnterreligieuze Dialoog). Een aantal ideeën uit dit artikel passen we hier toe in de context van katholieke scholen met een (relatief) hoog percentage moslimleerlingen.


7. Bijlage 2 geeft een overzicht van de voornaamste standpunten die in het verleden door de kerkelijke overheid en door beleidsinstanties van het katholiek onderwijs zijn ingenomen.


8. "Islamitische Nieuwsbrief", 1(1989), 1, p. 19.
 

Terug naar Inleiding Dossier Moslims in Katholiek Onderwijs