"Minorisering of emancipatie?

... een kijk op het Vlaams integratiebeleid"

door Jan DE VOS

DeVos-Index • jdevos1 • jdevos2 • jdevos3 • jdevos4 • jdevos5 • jdevos6 • jdevos7 • jdevos8 • CIE-INDEX


Hoofdstuk 5: Het Vlaams Integratiebeleid gewogen: een kritische evaluatie

INHOUDSOVERZICHT (selectief)

1. Inleiding
2. Het integratieconcept. Of zeg je beter het integratieparadigma?
3. 'Inburgering' en 'burgerschap': toch een nieuw integratieconcept?
   

3.1. Nieuwe begrippen
3.2. Nieuwe concepten?
3.3. Inburgering: moeten allochtonen volwaardige burgers worden... of volwaardige Belgen?



4. Stemrecht: gelijke rechten, gelijke plichten... maar niet voor iedereen

   

4.1. Nog steeds geen stemrecht voor niet-EU-burgers
4.2. De andere politieke cultuur van vreemdelingen
4.3. Het democratisch deficit



5. De erkenning van de islam: wel erkenning, geen gelijkberechtiging...
   
5.1. De niet zo neutrale invulling van de 'lekenstaat'
5.2. Een islamitische zuil?
5.3. De moskee: meer dan alleen een gebedsruimte

6. De Belgen bij de grootste racisten van Europa. Wat doet de overheid?

7. Allochtonen op de arbeidsmarkt: de weinig rooskleurige situatie

8. Heisa bij de allochtone verenigingen: één decreet nog niet goed verteerd en daar komt al een ander...
   
8.1. Het decreet van 19 april 1995
8.2. Het decreet gewogen


8.2.1. Het allochtoon verenigingsleven: meer dan alleen cultuur
8.2.2. Het allochtoon verenigingsleven groeit... de overheid kan niet volgen
8.2.3. Problemen bij de lokale zelforganisaties


8.3. Het programmadecreet van 30 juni 2000
8.4. De bouwstenennota
8.4.1. Op weg naar een nieuw decreet
8.4.2. De bouwstenennota: een bouwsteen of een hoop los zand?

8.4.2.1. Het allochtoon verenigingsleven geen jeugd gegund...
8.4.2.2. Boer Teun uit Bavikhove... boer Youssef uit Pittem?


9. Welzijn - Cultuur: onzin van een splitsing
   
9.1. Meer dan alleen cultuur...
9.2. De relatie tussen de integratiecentra en de zelforganisaties aan herziening toe?
9.3. Onzin van de splitsing Welzijn-Cultuur volgens drie betrokkenen
9.4. Onzin van een splitsing en nood aan een evaluatie van de integratiesector



(...)

3. ‘Inburgering’ en ‘burgerschap’: toch een nieuw integratieconcept?

3.1. Nieuwe begrippen

In Vlaanderen lijken de laatste jaren een aantal nieuwe begrippen de kop op te steken wanneer men het over allochtonen heeft. Woorden als ‘burgerschap’, ‘inburgering’ en ‘inburgeringscontracten’ worden steeds vaker in de mond genomen. Eén en ander is waarschijnlijk te wijten aan de invloed die onze noorderburen hier nog steeds hebben, want bij hen werkt men al een tijdje met verplichtende inburgeringscontracten (Foblets en Hubeau 1997).1 In Vlaanderen zijn er nog geen zo’n verplichtende inburgeringscontracten, al wordt daar wel door een aantal mensen voor gepleit.2 De Vlaamse liberalen zijn bijvoorbeeld voorstander, zo blijkt althans uit de twee eerste ‘Burgermanifesten’ van de VLD, respectievelijk uitgebracht in 1991 en 1992. De inhoud die de liberalen echter voor deze inburgeringscontracten voorzien, wordt vanuit bepaalde wetenschappelijke hoek zwaar onder vuur genomen:

"In nauwelijks bedekte termen wordt in dit type publicaties voor een doorgedreven assimilatie van nieuwe bevolkingsgroepen gepleit. Van een educatief traject is geen sprake. De nadruk ligt op de eerbiediging van de in de meerderheidsamenleving gangbare rechtswaarden en maatschappelijke geplogenheden." (Martens 1997)."3

Het debat over het voor en tegen van dergelijke verplichtende inburgeringscontracten, kan ik binnen het kader van deze licentiaatsverhandeling onmogelijk volledig behandelen. Men kan er echter niet omheen dat de begrippen ‘burgerschap’ en ‘inburgering’, ondanks het feit dat dergelijke verplichtende contracten in Vlaanderen nog niet gebruikt worden, wel steeds meer ‘ingeburgerd’ lijken te raken. Gaat het hier om nieuwe concepten of zijn het enkel andere vlaggen die dezelfde lading (in dit geval de inpassingsnotie van het gangbare integratieconcept) dekken?


3.2. Nieuwe concepten?

"Nieuwe burgers in de samenleving? Burgerschap en inburgering in België en Nederland" is de titel van een boek dat gebundeld werd naar aanleiding van een studiedag van het Antwerps Centrum voor Migrantenstudies (ACM), ‘Burgerschap en inburgering in België en Nederland: nieuwe integratieconcepten?’, die plaatsvond op 22 november 1995. In het boek poogt men tot een kritische evaluatie te komen van het door sommigen in die tijd als ideaal vooropgestelde - hoewel in Vlaanderen toen omzeggens nog totaal onbekende (we spreken 1997, toen maakte het ‘inburgeringsconcept’ al enige tijd deel uit van het officiële beleidsjargon inzake minderhedendossiers in Nederland) - beleidsperspectief dat de concepten ‘burgerschap’ en ‘inburgering’ opneemt, zowel in het denkwerk rond minderhedenbeleid, als in de wetgeving die daaruit voortvloeit.

De auteurs van het inleidende hoofdstuk, Marie-Claire Foblets en Bernard Hubeau, stellen dat er veel onduidelijkheid bestaat over de concepten ‘burgerschap’ en ‘inburgering’. De verschillen met de concepten die het in het Vlaanderen van de jaren ’80 relatief goed deden, nl. ‘integratie’ en ‘inpassing’, lijken hen niet meteen zonneklaar. Burgerschap is alleszins een voorwaardelijk statuut, degene die het ambieert, moet aan een aantal voorwaarden voldoen. In Vlaanderen is het door het KCM eertijds in het beleidsjargon ingevoerde begrip ‘inpassing’ volgens hen niet anders te verstaan. ‘Inpassing’ duidt, net als ‘inburgering’ op een verhouding van wederzijds geven en nemen tussen gastsamenleving en migrantengemeenschappen. Van migranten wordt verwacht dat zij zich integreren aan het normenstelsel van de meerderheidssamenleving, in ruil waarvoor zij aanspraak kunnen maken op bepaalde rechten. ‘Burgerschap’ en ‘inburgering’ lijken dus geen nieuwe concepten zijn:

"Of burgerschap en inburgering nieuwe integratieconcepten zijn is niet meteen duidelijk: wij zouden hier eerder geneigd zijn voorlopig te besluiten dat ze dat vandaag (nog) niet zijn. Veeleer geven zij nieuwe klemtonen aan de integratiediscussie." (Foblets en Hubeau 1997: 28).

3.3. Inburgering: moeten allochtonen volwaardige burgers worden… of volwaardige Belgen?

"[M]igranten (…) [moeten zich] als minderheid een aantal ‘vaardigheden’ (taal, opleiding, arbeidsstructuren) eigen maken, wat op zijn beurt de communicatie met de meerderheidssamenleving kan bevorderen. De manier waarop de gastsamenleving deze personen opneemt in haar schoot en dit ‘functionele leerproces’, dat overtuigingen en culturele tradities in hun waarde laat, in gang zet, bepaalt voor een groot deel het verloop en het succes van de ‘inburgering’ van deze personen in de maatschappij (…) De taal en een minimum aan kennis van de ordening van de samenleving zijn zulke communicatieve en functionele instrumenten. Als migranten er niet in slagen om zich deze basisinfrastructuur eigen te maken, brengen ze hun eigen welzijn in de maatschappij waarin te terechtkomen in diskrediet en geven ze de insiders-autochtonen de kans om hen als outsiders uit te stoten. De ongelijkheden en discriminaties op de arbeids- en woningmarkt, in het onderwijs en de hulpverlening verergeren alleen nog maar hun reeds penibele situatie." (Fauzaya Talhaoui 1997: 79-80)4

Op zich is er niets in te brengen tegen het inburgeringsconcept zoals dat hier door Talhaoui wordt beschreven. Maar er schort volgens een aantal kritische stemmen iets aan de manier waarop de overheid het inburgeringsproces concreet invult. Vandaag lijkt het er volgens hen sterk op dat het gewoon om een iets anders ingekleed inpassingsconcept gaat. Allochtonen zouden nog steeds afstand moeten doen van ‘hun’ waarden. De inburgeringscursus lijkt meer een cursus om meer ‘Belg’ te worden.

Een ander verwijt dat het inburgerings- of burgerschapsconcept gemaakt wordt, is dat het een valse belofte van burgerschap in zich zou dragen. Het inburgerings- of burgerschapsconcept heeft veel weg van een contractuele overeenkomst, ook al gaat het hier dan wel niet om een echt contract. Men belooft allochtonen burgerschap, d.w.z. een volwaardige deelname aan de samenleving, als zij zich van hun kant de taal en een aantal andere vaardigheden eigen maken. Veel allochtonen kunnen daar mee leven, ware het niet dat het volwaardige burgerschap in de praktijk veelal een utopie blijkt te zijn. Ze komen, de inburgeringscursus net achter de kiezen en dus uitgerust met kennis van de Nederlandse taal en van een aantal andere basisbeginselen, in de samenleving terecht. Daar blijken ze toch net iets minder burger te zijn dan de autochtone bevolking. Het gaat om een samenleving waar ze vaak niet mogen stemmen en waar ze systematisch gediscrimineerd worden op de arbeids- en woningmarkt:

"De uitdaging voor de toekomst is samen op zoek te gaan naar een goede vorm van multicultureel burgerschap. Dat burgerschap impliceert gelijke rechten en plichten. Het betekent op gelijke wijze toegang krijgen tot arbeid, sociale verbanden, onderwijs, gezondheidszorg en politiek." (Brahim Alioua e.a. 2001: 37)5

Er zijn stemmen die de term ‘inburgering’ helemaal verwerpen. Dit omdat het eigenlijk een eufemisme voor assimilatie zou zijn. Piet Janssen denkt in die richting:

"[De ongerijmdheid van de eisen die steeds weer] ten aanzien van de allochtone gemeenschappen worden geformuleerd, wordt [duidelijk] wanneer men ze omgekeerd formuleert (…) Men verwacht dat nieuwkomers zich ‘inburgeren’ en vanuit verschillende kanten wil men dit verplichten. Maar moet niet even veel tijd, geld en energie gestoken moet worden in het ‘inburgeren’ van autochtonen die niet klaar zijn voor de nieuwe samenleving van morgen; een samenleving die alleen kan overleven wanneer de diversiteit van mensen van verschillende etnische afkomst aanvaard wordt, zonder dat zij zichzelf ‘onzichtbaar’ moeten maken of opgaan in de meerderheid?" (Janssen 2000: 2).6

Piet Janssen (2000) vindt dat men beter afstand zou doen van de benaming ‘inburgeringsbeleid’. Deze term geeft immers weerom een signaal in de richting van het monoculturele denken en laat te veel interpretatie toe in de richting van assimilatie. Het feit dat het Vlaams Blok weinig moeite heeft met deze term zegt volgens Janssen op zich al genoeg.

Concepten als ‘burgerschap’ en ‘inburgering’ lijken hem enkel zinvol te zijn als ze een ‘multiculturele’ invulling krijgen. De concepten zouden tenminste open moeten staan voor de waarden die allochtonen nauw aan het hart liggen. In hun huidige vorm lijken deze concepten volgens hem in feite gewoon inpassingsconcepten te zijn.

De ‘nieuwe’ begrippen ‘burgerschap’ en ‘inburgering’ lijken de kritiek die het integratieconcept van het KCM toegeworpen kreeg dus ook niet te kunnen ontwijken. Men blijft volgens verschillende kritische stemmen hardnekkig vasthouden aan het idee dat integratie een éénrichtingsproces is, terwijl een echte pluriforme samenleving hen pas echt mogelijk lijkt als ook de autochtone bevolking een inspanning doet.7 Het ‘eigen volk’ zou moeten leren dat diversiteit niet per se slecht hoeft te zijn. Een burgerschapsconcept dat vertrekt van de aanvaarding van diversiteit (dat dus ook gericht zou moeten zijn op de autochtone bevolking) lijkt echter niet voor morgen te zijn. Het huidige inburgerings- of burgerschapsconcept draagt de valse belofte van volwaardig burgerschap in zich en lijkt allochtonen er eerder toe aan te zetten meer ‘Belg’ te worden i.p.v. meer ‘burger’ te worden.


4. Stemrecht: gelijke rechten, gelijke plichten… maar niet voor iedereen

"Als er al sprake is van een gemeenschappelijke migratieconditie, dan gaat het in de eerste plaats om een negatief lotgenootschap vanuit de minderheidsstatus van migranten in België. Die minderheidsstatus betekent dat culturele scheidslijnen (onder meer op basis van etnische afkomst, taal en geloof) samenvallen met (partiële) sociale en politieke uitsluiting (Rath, 1991). Net zoals in andere West-Europese landen zijn migranten in België oververtegenwoordigd in de lagere sociaal-economische strata. Migranten zijn gemiddeld kwetsbaarder dan autochtonen voor uitval op school en voor werkloosheid. Zij stromen ook minder door naar hogere onderwijsvormen en gunstiger arbeidsmarktsectoren en -posities (KCM, 1989). Structurele kansongelijkheid tussen migranten en autochtonen komt ten dele op rekening van doorgaans ongeschoolde of laaggeschoolde gastarbeiders. De reproductie van ongelijkheid is echter made in Belgium. Zoals in sommige West-Europese landen zijn - althans niet-genaturaliseerde en niet-EU-migranten formeel uitgesloten van (conventionele) politieke participatie op alle niveaus. Verder zijn zij nagenoeg afwezig in centrale sociaal-politieke instellingen en overlegstructuren zoals partijorganen en vakbonden. Hoewel lokaal stemrecht voor migranten het laatste jaar nooit lang van de politieke agenda is weggeweest, blijft tot op heden het politieke statuut van migranten als tweederangsburgers formeel vergelijkbaar met de situatie van arbeiders tot aan het begin van deze eeuw, en van de vrouwen nog tot 1948." (Phalet en Swyngedouw 1999: 19-20, cursief in origineel)8

 

4.1. Nog steeds geen stemrecht voor niet EU-burgers

Op 8 oktober 2000 konden voor het eerst ook niet-Belgen meestemmen in de gemeenteraadsverkiezingen. De gemeentelijke stembusslag werd opengesteld voor EU-burgers. Inwoners met een nationaliteit van buiten de Europese Unie moesten echter nog steeds aan de kant blijven staan. Sinds 1 januari 2001 laat de grondwet nochtans toe dat het kiesrecht op gemeentelijk niveau met een gewone meerderheid in het parlement ook aan niet- EU-burgers kan toegekend worden. Of het er voor de voorstanders van het gemeentelijk stemrecht goed uitziet, is een andere kwestie:

"VLD-voorzitter Karel De Gucht liet in oktober 2000 uitschijnen dat zijn partij zich de hele legislatuur zal blijven verzetten tegen toekenning van dat stemrecht. Alle andere regeringspartijen, ook de PRL-FDF, hebben zich echter duidelijk voorstander verklaard om wel het kiesrecht aan niet-EU-burgers toe te kennen. Politiek secretaris Jos Geysels van Agalev dreigde ondertussen zelfs uit de regering te stappen als het gemeentelijk stemrecht voor migranten er niet komt. De SP ging minder ver en stelde bij monde van Patrick Janssens niet in een volgende regering te zullen stappen als het stemrecht niet in een toekomstig regeerakkoord opgenomen wordt. Binnen de CVP en VU-ID is er over de kwestie interne onenigheid en staat men hoe dan ook niet te trappelen om de voorstanders van het stemrecht aan een wisselmeerderheid te helpen." (Jacobs 2001: 31)9


4.2. De andere politieke cultuur van vreemdelingen

Hoe komt het dat men aan de groep niet-EU-burgers nog steeds geen stemrecht verleent? Als die mensen de Belgische nationaliteit niet aannemen (of ze, zoals in het geval van de derde generatie, automatisch verkrijgen), worden ze nog steeds uitgesloten van politieke participatie. Het lijkt er sterk op dat het ‘culturele blokjesdenken’ dat mensen als Jan Blommaert en Herman De Ley ontwaren in onze samenleving, een grote rol speelt in de verantwoording van de keuze om een bepaalde groep politiek monddood te maken.

Dirk Jacobs (2001) ziet ook een verband tussen het ‘wij-zij’ denken en het niet verlenen van stemrecht aan een aantal mensen die hier permanent verblijven. Volgens hem bestaat er een (vaak impliciete) stelling in het kiesrechtdebat dat staatsburgers een homogene (politieke) cultuur delen, die migranten eerst moeten ‘oppikken’ voor ze politieke rechten mogen krijgen. Men beschouwt de samenleving als een coherent en homogeen geheel waarin in zuivere vorm alleen staatsburgers recht hebben op onvoorwaardelijke aanwezigheid. In het kielzog van de ontwikkeling van de verzorgingsstaat worden migranten wel bepaalde economische en sociale rechten verleend, maar een aantal rechten, zoals politieke rechten blijven uitdrukkelijk voorbehouden aan staatsburgers: "Precies het feit dat vreemdelingen, ‘zij’, géén politieke rechten kennen en staatsburgers, ‘wij’, wel, laat immers toe een daadwerkelijke vertaling te geven aan de idee van een bijzondere nationale identiteit." (Jacobs 2001: 33-34).

Men lijkt ervan uit te gaan dat vreemdelingen de nationale identiteit eerst integraal moeten opnemen vooraleer ze politiek mogen meedoen. Een leefbare multiculturele samenleving waarin allochtonen politiek participeren, wordt volgens Jacobs (2001) binnen het bestaande politieke debat impliciet enkel als een reële optie beschouwd indien de veronderstelde culturele bagage van de allochtonen geen invloed zou hebben op hun politiek functioneren. Vandaag lijkt men ervan uit te gaan dat naturalisatie de enige garantie vormt om voldoende culturele assimilatie af te dwingen.10

Volgens Jacobs dragen het a priori aanduiden van vreemdelingen als etnisch-culturele ‘anderen’ en de eis tot assimilatie (in de vorm van naturalisatie) paradoxaal genoeg bij tot de geloofwaardigheid van de fictie van de natie als een inherent homogene culturele gemeenschap:

"Vreemdelingen moeten onderworpen worden aan een test vooraleer zij deel mogen uitmaken van de politieke gemeenschap, terwijl staatsburgers het diploma van culturele aangepastheid zomaar cadeau krijgen. Zo kunnen staatsburgers geloven dat zij een cultuur met elkaar delen, niet omdat ze daar in realiteit iets van hoeven te merken, maar simpelweg omdat hen verteld werd dat vreemdelingen die cultuur in beginsel alleszins niet delen. Zo lijken burgerschap en cultureel conformisme elkaar te overlappen, ook al is er in de realiteit misschien helemaal geen sprake van een gedeelde cultuur binnen de natie." (Jacobs 2001: 34).

Het is volstrekt onduidelijk of vreemdelingen wel een andere (politieke) cultuur in zich dragen die inherent in strijd is met het politieke functioneren van de gastsamenleving. Het bestaan van een overkoepelende homogene (politieke) cultuur die het adequaat politiek functioneren van alle leden zou garanderen lijkt ook al een fictie te zijn. Men houdt binnen dit ‘culturele blokjesdenken’ onvoldoende rekening met de wederzijdse beïnvloeding die tussen culturen bestaat. Men hanteert een veel te statisch cultuurbegrip. Mensen als Blommaert (1996) en Pinxten11 hebben er op gewezen dat zowel dé Vlaamse cultuur als dé andere (politieke) cultuur niet bestaan. Er zijn natuurlijk wel verschillen tussen de twee ‘culturen’, maar zijn die er ook niet binnen de zogenaamd homogene Vlaamse cultuur en binnen de veronderstelde ‘basiscultuur’ van de andere?

Zelfs als je de verschillen tussen ‘onze’ en ‘hun’ cultuur (twee dingen die eigenlijk niet bestaan) tegen beter weten in als fundamenteel beschouwd, lijkt dat nog geen reden te zijn om de andere groep politieke besluitvorming te ontzeggen. We leven tenslotte nog altijd in een democratie. Zo wil Jacobs (2001), maar dan meer bij wijze van denkoefening, gerust uitgaan van het bestaan van een fundamenteel andere politieke cultuur bij allochtonen: "Indien vreemdelingen inderdaad een andere politieke cultuur en andere fundamentele waarden aanhangen die niet reeds in de diversiteit aan opvattingen in de ‘autochtone’ samenleving aanwezig zijn, stelt zich natuurlijk de vraag hoe eventuele ongerijmdheden met de ‘autochtone’ politieke cultuur (met al haar diversiteit) en andere ‘allochtone’ culturen overbrugd moet worden." (Jacobs 2001: 35, cursief in origineel). Een opgedrongen aanpassing aan onze superieur gewaande cultuur is volgens Jacobs alleszins uit den boze. Iedereen zou ondanks eventuele verschillen een zeg in de politieke besluitvorming moeten hebben:

"Als er tussen (etnische) groepen verschillen zijn, lijkt het mij de grote uitdaging te zijn tot een politieke (en juridische) erkenning van de verschillen te komen zonder die verschillen tegelijk te reïficeren. Aan de ene kant getuigt het van een superioriteitswaan om conformisme aan een dominant systeem te eisen of te verlangen (…). Aan de andere kant werkt het beklemmend en consoliderend om nadruk te vestigen op wat mensen onderscheidt eerder dan op wat hen bindt. Wanneer men (vermeende) verschillen institutionaliseert, winnen ze aan belang. Wanneer bestaande verschillen institutioneel niet erkend worden, vindt er onderdrukking plaats. Het is een moeilijke opgave die twee kwalijke mechanismen tezelfdertijd te vermijden (…). Het lijkt me belangrijk in de omgang met dit probleem twee leidraden als toetssteen te hanteren. Ten eerste de idee dat verschillen niet noodzakelijk eeuwigdurend zijn of moeten zijn. Ten tweede het uitgangspunt dat iedereen, ondanks verschillen, een zeg in de politieke besluitvorming moet hebben…" (Jacobs 2001: 36, cursief in origineel).


4.3. Het democratisch deficit

Het niet toekennen van stemrecht aan niet-EU burgers is een democratisch deficit. Daar zijn zowat alle kritische stemmen in het integratiedebat het over eens:

"Diversiteit is steeds een wezenskenmerk van onze democratie geweest. De negatieve aandacht voor culturele diversiteit in het kiesrechtdebat strookt daar niet mee. Op kunstmatige wijze wordt een cultureel onderscheid tussen ‘wij’ staatsburgers en ‘zij’ vreemdelingen gecreëerd en in stand gehouden (…) Vreemdelingen worden nog vaak afgeschilderd als in essentie te-cultureel-verschillende of onaangepaste personen en worden daarom de toegang geblokkeerd tot het politieke veld. Daarmee wordt de fictie van een homogene nationale identiteit (het ‘wij-gevoel’) misschien versterkt maar wordt meteen ook ontkend dat de samenleving in realiteit steeds een pluriform karakter heeft gekend. Daarmee wordt ontkend dat democratie ondanks verscheidenheid mogelijk is en zin heeft. Daarmee wordt uiteindelijk zelfs de democratie in haar fundamenten ondergraven." (Jacobs 2001: 36).

Stemrecht voor allochtonen die al enige tijd in ons land verblijven is een noodzakelijke voorwaarde om daadwerkelijke integratie te bewerkstelligen. Daarover bestaat ook grote eensgezindheid bij de kritische stemmen in het integratiedebat:

"De beste manier om het recht op gelijkheid en op behandeling als een gelijke te realiseren is het verlenen van politieke participatierechten, want anders is er geen gelijke onderhandelingsbasis. Dat betekent vooreerst gemeentelijke stemplicht voor eenieder boven de 18 jaar die in een gemeente gedurende vijf jaar regelmatig verblijft." (Raes 2001: 4)12

"[Er is] een overgang nodig van passieve tolerantie, die het integratiedenken momenteel uitstraalt, naar een burgerschapsidee die de daadwerkelijke betrokkenheid van verschillende groepen en individuen bij de werking van de democratische instellingen centraal stelt. Dit betekent dat we moeten afgaan op het inwonerschap, d.w.z. een gelijkheid van rechten en plichten voor elke inwoner ongeacht de nationaliteit. Concreet betekent dit o.a. stemrecht voor iedereen die hier al 5 jaar verblijft. Zonder stemrecht blijft het duidelijk dat een correcte houding ten aanzien van allochtonen nog verre van aanwezig is." (Idrissi en Fraihi 2001: 7)

"Een integratieconcept kan niet volwaardig genoemd worden zonder de opname van het politiek medebeslissingsrecht voor vreemdelingen. Het valt (…) niet te rijmen met de grondbeginselen van de democratie dat mensen, die lange tijd wonen en werken in een land, uitgesloten worden van het besluitvormingsproces op gemeentelijk vlak, terwijl daar beslissingen vallen die hen in hun onmiddellijke levenssfeer (sociale huisvesting, onderwijs, ruimtelijke ordening) treffen." (F. Talhaoui 1997: 83)

De allochtone ‘spreekbuizen’ beklemtonen wel dat het verlenen van stemrecht niet alle problemen kan oplossen. Daarvoor zijn andere maatregelen nodig, o.a. op het vlak van racismebestrijding. Maar het verlenen van stemrecht zou alleszins een forse stap in de goede richting betekenen. Dan zouden allochtonen hun stem eindelijk ook waar ze echt telt kunnen laten horen:

"De uitbreiding van het lokale electoraat tot de op het grondgebied reeds meerdere jaren gevestigde migranten, zonder dat zij aan de nationaliteitsvereiste voldoen maar louter op basis van woonplaats zou politieke partijen misschien verplichten in hun kiesprogramma aandacht te besteden aan de specifieke noden van dat deel van de bevolking. Voor de migranten zelf wordt aldus een forum geschapen dat hen in staat stelt discriminerende praktijken en achterstellingen met politieke wapens te bestrijden en aan daadwerkelijke beïnvloeding van het beleid te doen waardoor ze zich tegelijkertijd van onder het juk van politiek-conjuncturele welwillendheid van politici kunnen bevrijden." (F. Talhaoui 1997: 83, cursief in origineel).

Het positieve psychologische effect van het verlenen van stemrecht aan allochtonen is duidelijk. Het heeft een belangrijke symboolwaarde. Enerzijds gaan allochtonen het gevoel krijgen ‘er bij te horen’, anderzijds zullen autochtonen ze dan toch ook iets meer als ‘echte medeburgers’ moeten gaan zien:

"[De psychologische factor mag] in dit kader niet onderschat worden. Dit geldt zowel voor de allochtonen, die het gevoel krijgen van er echt bij te horen (…) als voor de autochtonen voor wie het een symbool kan zijn van de officiële erkenning van de gelijkwaardigheid van beide bevolkingsgroepen, zodat zij migranten als ‘medeburgers’ gaan zien en niet langer als ongewenste vreemdelingen." (F. Talhaoui 1997: 83)

Nahima Lanjri komt tot dezelfde conclusie in een interview in De Morgen van 17 april 2000:

"Zonder migrantenstemrecht tikt de tijdbom voort (…) De eerste generatie zal er binnenkort niet meer zijn. Veel mensen van de tweede generatie zijn ondertussen Belg geworden. En die van de derde generatie krijgen automatisch de nationaliteit. We mogen niet wachten tot het stemrecht vanzelf wordt ingevoerd, of tot dat België verplicht wordt. Het gaat om de symboolwaarde: we moeten die mensen het gevoel geven dat ze er bij horen, bij de jongeren het excuus wegnemen dat er geen rekening gehouden wordt met hen." (R.Goossens en B. Eeckhout 2000).


5. De erkenning van de islam: wel erkenning, geen gelijkberechtiging…13

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de allochtone gemeenschap in Vlaanderen geen homogene moslimgemeenschap is. De niet-EU-burgers van dit land (en de Belgen van niet-Europese afkomst) zijn niet allemaal aanhangers van het islamitisch geloof. Er bestaat in België evenwel een foutieve neiging om alle ‘migranten’ als moslims te zien (Manço en Brion 2000: 196-198)14. Ik heb er toch voor geopteerd hier alleen een aantal aspecten te belichten van het beleid naar de islamitische geloofsgemeenschap, en niet naar de andere geloofsgemeenschappen. Ik richt mij hier specifiek op de islam, niet alleen omdat het de godsdienst is van de grootste groep van de hier verblijvende mensen van niet-Europese afkomst, maar ook omdat er volgens verschillende mensen (De Ley 1998; Manço en Brion 2000; Morelli 1997)15 een vijandige houding (‘islamofobie’) bestaat bij zowel de bevolking als bij de overheid tegenover de godsdienst waar men (ten onrechte) heel de allochtone gemeenschap in ons land mee identificeert. Omdat ik in deze thesis wil stilstaan bij het al dan niet emanciperende effect van het integratiebeleid, lijkt het mij logisch dat ik even halt hou bij de kritiek dat de overheid anti-islamitische tendensen in zich zou dragen, omdat zoiets, als het waar is, in strijd lijkt te zijn met de principes van scheiding tussen kerk en staat en met het principe van de godsdienstvrijheid.

 

5.1. De niet zo neutrale invulling van de ‘lekenstaat’

De islam werd bij wet van 19 juli 1974 erkend als Belgische eredienst. Van een effectieve gelijke behandeling met de andere in dit land erkende godsdiensten lijkt echter geen sprake te zijn. In 1995 telde België meer dan 250.000 moslims, wat maakt dat de islam de tweede religie is in ons land (De Ley 1996: 4). In 1995 besteedde de Belgische Staat, in zijn verschillende instanties, een tiental franken per moslim per jaar, terwijl aan de overige erkende godsdiensten gemiddeld 1200 frank per burger werd besteed (De Ley 1996: 4). Dat is een ernstige vorm van discriminatie:16

"Ook al betreur ik dat de Staat elk jaar een budget van meer dan 14 miljard BF besteedt aan de erediensten (…) dan moet ik toch in alle objectiviteit vaststellen dat de afwezigheid van de moslims bij de distributie van dit manna abnormaal en onrechtvaardig is; ze kan enkel begrepen worden tegen de achtergrond van politieke a priori’s die veeleer verbonden zijn met de internationale politiek dan met de reële aanwezigheid van moslims in ons land." (Morelli 1997: 2)

De Belgische gemeenschap ziet zichzelf als een moderne, rationele rechtsstaat. België wordt verondersteld een lekenstaat te zijn, d.w.z. een seculiere staat die in principe geen onderscheid maakt tussen verschillende levensbeschouwingen. Geen enkele levensbeschouwing mag een voorkeursbehandeling genieten, ze moeten op gelijke wijze behandeld worden. Het filosofische principe dat daaraan ten grondslag ligt, beklemtoont de vrijheid van het individu om zijn/haar overtuiging te beleven en te belijden binnen de perken van de nationale wetgeving. Volgens Herman De Ley geeft de Belgische overheid echter niet altijd zo’n neutrale invulling aan de lekenstaat. Dat vertelde hij in een interview in De Morgen van 20 april 2000:

"Het hangt ervan af hoe je die lekenstaat invult. Geef je die een neutrale, democratische invulling of een ideologische, antigodsdienstige? Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij de beslissing van de Gentse schepen Chantal Claeys (VLD) om geen aparte begraafplaats te voorzien voor moslims. In naam van de lekenstaat, in naam van de gelijkheid en de emancipatie worden moslims het recht ontzegd om hun doden te begraven zoals ze dat zelf willen. Dat paternalisme is hemeltergend. Men is tegen getto’s en een perceel op een begraafplaats voorbehouden voor moslims stimuleert de gettovorming. Dat vrijzinnigen in aparte columbaria begraven worden, is dan blijkbaar geen getto." (B.Eeckhout en C.Galle 2000).

Op 13 december 1998 werden verkiezingen georganiseerd met het oog op het instellen van een orgaan belast met het beheer van de temporaliën van de islamitische godsdienst. De verkiezingen leidden tot de oprichting van een nieuwe Executieve waarin zestien leden zetelen. De oprichting van deze Executieve is een nieuwe stap in het proces van institutionalisering en acceptatie van een cultus die al sedert 1974 in ons land erkend is:

"Voortaan beschikken de moslimgemeenschappen op Belgisch grondgebied dus over een representatief orgaan dat dezelfde bevoegdheden heeft als de leidende instanties van de andere erediensten die door de Belgische staat zijn erkend." (Leman 2000: 84).

Volgens Ural Manço en Fabienne Brion (2000) is de erkenning van de moslimexecutieve een stap in de goede richting. Toch moet nog veel veranderen vooraleer er in hun ogen sprake kan zijn van een daadwerkelijke gelijkberechtiging. Ze pleiten voor een eerlijke proportionele verdeling van de financiële betoelaging van de erediensten (hetzelfde bedrag per gelovige, ongeacht welke (erkende) geloofsovertuiging hij of zij heeft). Bij de praktische beleving van de cultus botst men volgens hen ook nog al te vaak op een aantal onaanvaardbare discriminaties. Ze geven het voorbeeld van de problemen waar vrouwen die vanuit hun geloofsovertuiging een hoofddoek willen dragen, nog steeds mee te kampen hebben in de onderwijs- en arbeidswereld:

"Les récentes avancées dans le processus de reconnaissance du culte islamique, avec la constitution d’un organe représentatif des musulmans (bientôt?) équivalent en compétence à ses homologues des autres cultes reconnus, sont réjouissantes. Mais cet organe devrait être doté de moyens financiers et humains proportionnels au nombre d’adeptes de la confession islamique en Belgique. L’organe chef de culte islamique devrait également pouvoir diffuser sur les médias audiovisuels publics des émissions religieuses au même titre que les autres confessions reconnues (…) La pratique concrète du culte islamique en Belgique rencontre encore un certain nombre de difficultés, telles que les problèmes relationnels et institutionnels que suscrite le port du foulard islamique par des étudiantes ou des travailleuses. Il nous paraît important d’insister (selon la Convention européenne de sauvegarde des droits de l’homme) sur le caractère illegal des discriminations fondées sur le port du foulard dans le monde scolaire et sur le marché de l’emploi." (Manço en Brion 2000: 201)

Professor Herman De Ley vindt de erkenning van de Moslimexecutieve ook een stap in de goede richting, maar hij heeft dan weer zo zijn bedenkingen bij de manier waarop de Moslimexecutieve tot stand kwam. De verkiezingsprocedure was, zo zei hij in De Morgen van 20 april 2000, een stap in de richting van meer staatscontrole op de islam:

"De Executieve is in belangrijke mate een creatie van de staat. De federale overheid organiseerde de verkiezingen, de kandidaten werden gescreend door de staatsveiligheid. De verkiezingsprocedure was een stap in de richting van meer staatscontrole op de islam (…) Kandidaten voor de Executieve werden om onduidelijke redenen, vaak gebaseerd op roddels, door Justitie geweerd (…) De verkiezing was een soort institutionalisering van het wantrouwen. Ik zeg dat met enige reserve, want de mensen die zich voor die oprichting hebben ingespannen, hadden de beste bedoelingen. Maar het beeld dat is blijven hangen, was duidelijk: de staatsveiligheid moet de moslims controleren, want de islam is een buitenlands gevaar." (Eeckhout en Galle 2000: 4)

Er lijkt nog een lange weg af te leggen voor er van een daadwerkelijke gelijkberechtiging van de islam met de andere in ons land erkende godsdiensten sprake kan zijn. De moslimbevolking in ons land lijkt nog altijd het slachtoffer te zijn van religieuze discriminatie. Volgens Herman De Ley moet de verklaring hiervoor gezocht worden in het feit dat de moderne geschiedenis van de Europese islam samenvalt met de cyclus van de arbeidsimmigratie in de jaren zestig en zeventig (De Ley 1999). De islam is [overwegend] de religie van de laatste groep arbeidsimmigranten. Die groep bevindt zich in een sociaal zwakke positie en is dus vatbaarder voor discriminaties. Anne Morelli vindt ook dat de sociale positie van de moslims in ons land een deel van de verklaring kan bieden voor de religieuze discriminatie waaraan ze nog steeds ten prooi vallen:

"De "geïmporteerde" moslims in 1964 waren dus armen, en het is allicht daar dat we de voornaamste oorzaak moeten zoeken voor de religieuze discriminatie waarvan zij 30 jaar later nog altijd het slachtoffer zijn: zonder subsidies voor de eredienst, zonder begraafplaatsen, zonder toegang tot de TV en de radio, zonder aalmoezeniers voor het geestelijk begeleiden van de zieken, de soldaten of de gevangenen (…) [D]e essentiële basis voor discriminatie en racisme [is] dikwijls van sociale aard. Japanse bankiers wordt het vergeven dat ze weigeren zich te integreren in de Belgische samenleving, maar van armen wordt culturele en religieuze assimilatie geëist. De rijkere samenleving is er altijd van overtuigd dat haar levenswijze de beste (zoniet de enige mogelijke) is en ze probeert die op te leggen." (Morelli 1997: 2-3, nadruk in origineel).

De sociale positie van de moslimimmigranten is de laatste decennia globaal genomen niet verbeterd, wel integendeel. Volgens De Ley (1998) is dit te wijten aan steeds sterker wordende processen van marginalisering en uitsluiting die gelegitimeerd worden door een racistische ideologie die sedert de tweede helft van de jaren tachtig in volle opmars is. De Ley wijst erop dat net het religieus-culturele element een doorslaggevende rol speelt in dit laattwintigste-eeuwse racisme. Hij gewaagt van 'anti-islamisme' of ‘anti-moslimisme’:17

"In het kader vooreerst van, zeg maar het "alledaagse racisme" figureert het woordje "moslim" courant eerder als een etnische en/of raciale term, dan als een zuiver religieuze kwalificatie. M.a.w. iedereen van Marokkaanse of Turkse (of Algerijnse, enz.) afkomst - dus, in het alledaagse woordgebruik: iedere "migrant"- wordt ipso facto als een "moslim" beschouwd en behandeld, en omgekeerd: iedere moslim, ook een autochtone, geldt per definitie als een "volksvreemde", zo al niet een regelrechte renegaat. De conclusie dwingt zich dan ook op dat het hedendaagse racisme, in de mate dat het een maatschappelijk probleem is, bovenal een anti-islamisme is; dat het als zodanig vergelijkbaar is met het anti-semitisme van de jaren ’30, en dat het bijgevolg ook in die termen krachtig moet bestreden worden." (De Ley 1998: 3-4, cursief in origineel)

Ural Manço en Fabienne Brion zijn er ook van overtuigd dat er in België sprake is van een zekere ‘islamofobie’ bij zowel bevolking als overheid:

"Il semble que, pour de nombreux Belges et Européens, il soit difficile de regarder les Maghrébins, Turcs ou Pakistanais sans y voir des musulmans, et qu’il soit difficile de regarder des musulmans sans y voir des "intégristes". Tout se passe comme si, de nos jours encore, l’islam figurait pour les Européens la menace par excellence, et que les musulmans d’Europe étaient en quelque sorte les "ennemis de l’intérieur". Qu’ils soient chrétiens, juifs ou libres penseurs, le regard des Européens sur l’islam et sur les musulmans est souvent empreint de préjugés et de peurs. En Belgique, la méfiance à l’endroit de l’islam et des musulmans s’est exacerbée il y a quelque vingt-cinq années." (Manço en Brion 2000: 196).

Volgens Manço en Brion kan je in dit ‘anti-moslimisme’ twee fases onderscheiden (Manço en Brion 2000: 196-197). In een eerste fase, begin jaren tachtig, bestond er volgens hen vooral een discours dat ervan uitging dat de sociale ongelijkheid een gevolg was van de culturele, zeg maar religieuze ongelijkheid. De ‘migranten’ waren arm omdat ze moslim waren. Eind de jaren tachtig kwam er een nieuw discours, dat stelde dat het ‘fundamentalisme’ van de islamieten juist een gevolg was van hun marginale positie in de samenleving. Hoe het ook zij, de ‘islamofobie’ lijkt een wezenlijk onderdeel te zijn geworden van onze samenleving, althans als je Brion en Manço mag geloven:

"Un phénomène problabement répandu mais encore largement inconscient, chez un grand nombre d’acteurs sociaux et institutionnels de notre pays (…) hante les relations de ceux-ci avec les musulmans. Certains modes de comportement ou d’intervention d’acteurs autochtones semblent manifester une forme d’"islamofobie" (…) Au niveau macrosociologique, l’islamofobie fait obstacle au dialogue des autorités publiques et des membres non musulmans de la société civile avec les communautés musulmanes de Belgique. (…) Au niveau microsociologique, l’islamofobie transparaît dans les attitudes des membres de certaines catégories professionnelles (le corps enseignant, le personnel médical, le personnel de guidance et d’assistance psychologique, social, scolaire et professionnel, les magistrats, les membres des forces de l’ordre, les journalistes…). Aux yeux de beaucoup de responsables politiques belges et de professionnels du monde éducatif, socioculturel, médiatique et juridique, les musulmanes apparaissent comme des personnes incapables d’être les acteurs de leur émancipation: elles sont "à sauver" de l’obscurantisme religieux, de la domination de la tradition, de la communauté oppressante et du patriarcat archaïque." (Manço en Brion 2000: 197-198)

Volgens De Ley is het duidelijk dat niet alleen de bevolking, maar ook de overheid kiemen van dat ‘anti-moslimisme’ in zich draagt. Men lijkt er nog steeds van overtuigd dat islam en lekenstaat niet zouden kunnen samengaan:

" (…) Het heersende islambeeld [proclameert] een onoverkomelijke contradictio in terminis tussen "islam" en "lekenstaat" - en ik heb het deze keer niét over extreem-rechts, maar over gevestigde, democratische milieus, niet in de laatste plaats van vrijzinnige (vooral liberale) signatuur." (De Ley 1999: 3, cursief in origineel)18

Anne Morelli brengt dit fenomeen in verband met wat zij een ‘politiek-racistische perceptie’ noemt. Volgens haar worden moslims in ons land (maar ook in andere landen) op één hoopje gegooid met islamitische terroristen:

"België is altijd één van de trouwste volgelingen geweest van de Amerikaanse politiek. Sedert de val van de Oostbloklanden (…) zijn het Libië van Khadafi, Iran en vervolgens het Irak van Saddam Hoessein nog de enige openlijke tegenstanders van de Amerikaanse overheersingpolitiek. Door een veralgemeningverschijnsel dat typisch is voor het racisme, worden de moslims van België (ook al zijn ze in werkelijkheid Turken of Berbers) samengevat onder de benaming van "Arabieren" en worden ze impliciet of expliciet beschouwd als handlangers van de anti-Amerikaanse krachten, en dùs als binnenlandse vijanden. Dit politiek-racistische element wordt maar zelden openlijk erkend, maar het spookt in de geesten om op een systematische wijze alle moslims op één hoop te gooien met de islamitische terroristen. Het rechtvaardigt impliciet alle officiële obstakels die opgeworpen worden voor het praktiseren van de moslimeredienst op voet van gelijkheid met de andere culten." (Morelli 1997: 3)

Bondig samengevat: in Vlaanderen lijkt er, net als in andere landen van Europa trouwens, sprake te zijn van een soort racisme bij de bevolking dat vooral gefocust is op het religieuze element. Of dat racisme in verband moet gebracht worden met een politiek-racistische perceptie, zoals Anne Morelli beweert, wil ik in het midden laten. Maar dat er zo’n racisme, zo’n islamofobie bestaat, daar lijken heel wat wetenschappers het toch over eens te zijn. Men redeneert binnen dit anti-moslimisme als volgt: alle ‘migranten’ zijn moslims en alle moslims zijn fundamentalisten, en het kan toch niet fout zijn zich tegen fundamentalisten af te zetten. De vraag is nu welk beleid de overheid daar tegenover zet. In de praktijk lijkt het erop dat de overheid de racistische vooroordelen bij de autochtone bevolking legitimeert doordat ze moslimburgers nog steeds als tweederangsburgers behandelt. België zou een lekenstaat moeten zijn, wat onder andere inhoudt dat ze godsdienstvrijheid hoog in het vaandel zou moeten dragen, maar in de praktijk slaagt de overheid er blijkbaar niet in om haar edele principes waar te maken. Bij de financiering van de erediensten krijgt de islam, als tweede grootste erkende eredienst in ons land, in verhouding met de andere erediensten niet haar rechtmatig deel van de taart. Maar dat is niet alles. Men vertrekt in de lekenstaat België van een principiële scheiding tussen kerk en staat, maar de bevoogding vanuit het ministerie van Justitie bij de creatie van een islamitisch "hoofd van eredienst" (met o.a. screenings van de kandidaten door de staatsveiligheid) toont aan dat de Belgische staat dat principe in het geval van de islam toch wel even opzij kon schuiven. Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat zo’n beleid de bestaande vooroordelen bij de autochtone bevolking zal kunnen wegnemen.

 

5.2. Een islamitische zuil?

Er is in Vlaanderen een debat aan de gang over de vorming van een eventuele "islamitische zuil" (De Ley 1998: 9-13). Er wordt daarbij vanuit één hoek gesteld dat een islamitische zuil een vorm van "afsluiting" of segregatie zou veroorzaken, die een hinderpaal zou vormen voor een soepele integratie van de "moslimmigranten". Je kan je, al dan niet terecht, een aantal vragen kan stellen bij het emanciperende effect van bijvoorbeeld aparte moslimscholen. Maar, en dat is erg belangrijk, zulke bedenkingen mogen niet leiden tot een verbod op een eventuele islamitische ‘zuil’. We leven in een samenleving die verondersteld wordt het gelijkheids- en het rechtvaardigheidsbeginsel hoog in het vaandel te voeren. Het niet toekennen van de mogelijkheid om zich in zo’n ‘zuil’ te verenigen, lijkt een schending van het gelijkheidsprincipe. In de autochtone samenleving is verzuiling nog altijd een feit (de geschiedenis bewijst trouwens dat zuilen wel degelijk een emanciperend effect hebben gehad voor minderheidsgroepen in de Vlaamse/Belgische samenleving). Het verzet tegen nieuwe vormen van zuilvorming strookt in die zin dus niet met het gelijkheidsbeginsel en is dan ook een vorm van discriminatie. De visie van Herman De Ley op deze thematiek lijkt mij de juiste:

"Zuilvorming is vandaag nog altijd (alle ontzuilingsstreven - of retoriek? - ten spijt) een centraal gegeven in de organisatie van de autochtone, of gezeten samenleving; zij heeft aantoonbaar probleemkanaliserende en probleemoplossende functies in de Belgische/Vlaamse samenleving. De mogelijkheid om zich te organiseren in een "zuil" is een historisch feit (én grondwettelijk recht) dat in de sociale en politieke geschiedenis van ons land gekoppeld is geworden aan, niet enkel belangenbehartiging, maar ook aan emancipatie en vorming en aan het verwerven van rechten. Indien men zich, om welke reden ook, in verband met minderheidsgroepen zou verzetten tegen nieuwe vormen van zuilvorming, dan zou men met twee maten en twee gewichten meten, en bijgevolg een zeer verregaande vorm van onrecht en discriminatie begaan. Ook met dit rechtvaardigheids- en gelijkheidsargument dient men rekening te houden, wanneer men het debat aangaat over "zuilvorming" onder moslims (…)" (De Ley 1998: 12).

Ook Koen Raes lijkt deze mening genegen:

"Men kan het misschien betreuren dat migranten er meestal de voorkeur aan geven een eigen verenigingsleven uit de grond te stampen, maar zolang in dit land de verzuiling wordt gepredikt en in praktijk gebracht, is het behoorlijk flauw om precies van migranten ‘doorbraakinitiatieven’ te verlangen" (Raes 2001: 4).

Of de vorming van een islamitische "zuil" de meest participatiebevorderende strategie is, wil ik in het midden laten.19 Ik kan alleen maar vaststellen dat de overheid bij wet verplicht is de verschillende (geloofs)gemeenschappen in ons land op gelijke voet te behandelen. Als zuilvorming in de autochtone samenleving kan, moeten de allochtone gemeenschappen ook de kans krijgen zich in een dergelijke vorm te verenigen. Anders is dat een schending van het gelijkheidsbeginsel.

 Inhoudstafel hfst. 5
NOTEN:

1. Marie-Claire Foblets is hoofddocent aan de Katholieke Universiteit Leuven, de Katholieke Universiteit Brussel, de Universiteit Antwerpen (UIA), en Paris I/Sorbonne; Covoorzitter van het Antwerps Centrum voor Migrantenstudies; Bernard Hubeau is doctor in de rechten, verbonden aan de Universiteit Antwerpen, Ombudsman van de Stad Antwerpen. Covoorzitter van het Antwerps Centrum voor Migrantenstudies, momenteel ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap. Zie M-C Foblets & B.Hubeau (eds.), Nieuwe burgers in de samenleving? Burgerschap en inburgering in België en Nederland. Leuven/Amersfoort 1997.

2. Onder andere Johan Leman (1998), de directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, pleit voor dergelijke verplichtende inburgeringscontracten, op voorwaarde dat er geen sprake zou zijn van assimilatiedwang.

3. A.Martens, "Burgerschap en inburgering in België: een stand van zaken. De caleidoscoop als perspectief. De onanie als vuistregel", in: M-C Foblets & B.Hubeau (eds.), pp. 63-72. Ook Jan Blommaert heeft ernstige bedenkingen bij de invulling die Guy Verhofstadt (1991, 1992) geeft aan het inburgeringsconcept. In hoofdstuk 2: De retoriek van de Burger (2000b) van zijn werk Ik stel vast. Politiek taalgebruik in het tijdperk van vernieuwing (2000a) staat hij stil bij de eerste twee ‘Burgermanifesten’. Zie op deze site: blommaert_bk_2.htm

4. Fauzaya Talhaoui, "Burgerschap en integratie in het Belgische samenlevingsmodel: een evaluatie van de gangbare beleidsconcepten en een pleidooi voor een nieuwe benadering", in: Foblets & Hubeau (1997), pp. 73-85.

5. Brahim Alioua, Ahmed Azzuz, Youssef Ben Abdeljelil, Mimount Bousakla, Dalida Douifi, Emine Gülisçi, Selahatin Koçak, Patrick Loobuyck, Chokri Mahassine, Pasqualino Mare, Sevim Murat, Fatma Pehlivan, Piero Pinna, Saida Sakali, Anissa Temsamani, Adnan Yaman, Latifa Abzik, Youssef Stassi. e.a., "Actief burgerschap als hefboom. Allochtonen in  politiek en samenleving", De Morgen, 8/01/2001, p. 37.

6. Piet Janssen, "Ruimte voor verscheidenheid. De Vlaamse regering gaat een dezer dagen beslissen over het onthaalbeleid voor nieuwkomers. Piet Janssen hoop dat ze de moed en de wijsheid zal hebben van traditionele integratiemodellen af te stappen", De Morgen, 19/05/2000, p. 2.

7. Onder andere Fauzaya Talhaoui (zie n. 4); Herman De Ley (i.s.m. J.Blommaert, F.Köse, R.Slaoui & S.Zemni), Gent: een stad waar ook moslims zich 'thuis' kunnen voelen. CIE-Cahier Nr. 3, Gent 1998; en Yamila Idrissi & Tarik Fraihi, "Denkpistes voor een nieuw minderhedenbeleid", in Samenleving & Politiek, 8/3 (2001), vinden dat integratie in se een wederkerig proces zou moeten zijn.

8. Karen Phalet & Marc Swyngedouw, Integratie in discussie, in: M.Swyngedouw, K.Phalet & K.Deschouwer (red.), Minderheden in Brussel (VUBpress 1999), pp. 19-40.

9. Dirk Jacobs, Stemrecht, nationale identiteit en diversiteit. in: Samenleving en Politiek, 8/3, 2001, pp. 31-38.

10. Tussen 1989 en 1999 zijn er niet minder dan zeven ingrepen in de wetgeving gebeurd om de verwerving van de Belgische nationaliteit te versoepelen (J.Leman, "Waarde landgenoten. Migratie, burgerschap, insluiting en uitsluiting", in: Kultuurleven, 67/3, 2000, pp. 80-86). De zgn. 'snel-Belg-wet', die in mei 2000 werd ingevoerd maakte het nog gemakkelijker om de Belgische nationaliteit te krijgen (Luk Van Eylen, "Belg worden kan op verschillende manieren", in De Standaard, 5/01/2001).

11. H.Pinxten zei dit o.a. in het interview in De Morgen van 14 april 2000 (T.Cochez en J.De Zutter).

12. K.Raes, "Wij en Zij", in: Samenleving en Politiek, 8/3, 2001, pp. 3-5.

13. In 1993 stelden J.Rath, K.Groenendijk en R.Penninx dat "de gelijkstelling van de islam aan andere godsdiensten in België in de praktijk (...) een vrijwel lege huls (blijkt) te zijn" ("De erkenning en institutionalisering van de islam in België, Groot-Brittanië en Nederland", in: Tijdschrift voor Sociologie, 4/1, 1993, pp. 53-75.

14. Ural Manço en Fabienne Brion (dir.), Voix et voies musulmanes de Belgique, Brussel 2000, Conclusion, pp. 195-201.

15. Anne Morelli, "Discriminatie en racisme als obstakels voor de volledige erkenning van de moslimse eredienst". Openingstoespraak op de 'Dag van de Gelijkberechtiging" (FoGI en VOEM), 2 maart 1997.

16. Een studie van de Franstalige economist Jean-François Husson, die eind maart 2001 gepubliceerd werd door het Centre de Recherche et d'Information Socio-politiques (CRISP) legt details bloot van de financiering van de erediensten (J.De Zutter, in De Morgen, 27/3.2001). Jaarlijks krijgen de verschillende erediensten samen 23,4 miljard BEF van de overheden om hun werking te financieren. Van dat bedrag gaat 18,5 miljard naar de katholieke eredienst. De georganiseerde vrijzinnigheid krijgt 3 miljard (13%); voor de islam wordt gerekend op 820 miljoen (3,5%) en voor de protestantse eredienst op 758 miljoen (3,2%). De door de grondwet verplichte uitgaven (met o.a. de lonen en pensioenen van de bedienaren van de eredienst, de uitzendingen op de openbare zenders,...) bedroegen 10,2 miljard BEF. Van dat bedrag gaat er 9,1 miljard BEF naar de katholieke kerk. Hoeveel de islamitische eredienst hiervan krijgt, wordt niet vermeld [de daadwerkelijke "erkenning" van moskeeën, met inbegrip van hun imams, is amper aangevat, NvdR]. Ik kan op basis van deze cijfers niet besluiten of er al enige verbetering merkbaar is tegenover 1995; daarvoor heb je ander cijfermateriaal nodig, o.a. over hoeveel 'aanhangers' elke godsdienst heeft. Volgens Manço en Brion (l.c.) is het echter duidelijk dat de islam nog steeds niet de financiële betoelaging krijgt waar hij recht op heeft.

17. De uitdrukking "anti-moslimisme" is ontleend aan het boek Islam and the Myth of Confrontation (London 1996) van de Britse islamkenner, Fred Halliday. [Deze laatste wil ermee aangeven dat in de hedendaagse islamofobie strict religieuze of theologische vragen nog nauwelijks een rol spelen, NvR].

18. H.De Ley, "De islam: thuis in Vlaanderen?", in: Ons Erfeel, 42e jg., 3/1999. Zie op deze site.

19. In F.Demeyere (ed.), Over pluralisme en democratie. Verzuiling en integratie in een multiculturele samenleving (Brussel 1993), buigen de verschillende auteurs zich over deze kwestie. Sommigen stellen vast dat ".. het antwoord op de vraag 'verzuilen om te integreren?' (met betrekking tot migranten) niet louter negatief moet worden beantwoord" (p. 14.). Toch vragen de meeste auteurs in dit boek zich af of zo'n verzuiling de meest emancipatie-bevorderende techniek is. Koen Raes bv. stelt dat de migrantengemeenschap niet zozeer nood heeft aan godsdienstige organisaties; veel belangrijker zijn volgens hem de democratische inspraakmogelijkheden op basis waarvan de migrantengemeenschap haar integratie zelf in handen kan nemen.

  © 2001 Jan De Vos. ---- Contact: jandevosbe@yahoo.com   ----    Webmaster   ----   Update: 18 februari 2007
DeVos-Index • jdevos1 • jdevos2 • jdevos3 • jdevos4 • jdevos5 • jdevos6 • jdevos7 • jdevos8 • CIE-INDEX