|
1. Inleiding
Naast de nieuwe verbeeldingen van
politici die we in het vorige hoofdstuk hebben aangeduid als 'Clintonificatie'
zien we nieuwe verbeeldingen ontstaan van politiek zelf, het politieke
bedrijf. Het ligt voor de hand dat er een symbiose is tussen de nieuwe
modellen van politici en die van politiek. Ik ben van oordeel dat deze
transformaties een aantal politieke processen kunnen verklaren. Meer bepaald:
ik ben van oordeel dat ze tenminste gedeeltelijk de appeal van populistische
partijen zoals het Vlaams Blok uitmaken.1
Om de centrale these van dit hoofdstuk
kort samen te vatten: in de jaren negentig is er een nieuwe verbeelding
van de politiek ontstaan geconcentreerd rond beelden van directe inspraak
en directe democratie en geënt op een beeld van de vrije, individuele
en mature Burger. We hebben dit in de vorige hoofdstukken diverse keren
geïllustreerd. In de ontwikkeling van dit beeldencomplex zie ik een belangrijke
rol weggelegd voor de Burgermanifesten van Guy Verhofstadt aangezien daarin
de blauwdruk werd ontwikkeld voor een nieuw discours en een nieuw imago
van de politiek. Eveneens belangrijk is de invloed van marketing- en management-elementen
op beelden van nieuwe en meer efficiënte politiek. De klemtoon op
directe democratie en marketing is een dominant element geworden in zowat
elke vernieuwingspoging in politieke partijen in de jaren negentig. De
grootste vruchten ervan worden echter geplukt door het Vlaams Blok -- een
partij die vanuit de oppositie een radicaal en vernuftig uitgewerkt imago
van 'direct democratische' politiek heeft kunnen ontwikkelen.
2. Vertrekpunt: Guy's vrije markt-democratie
Ik begin met een korte recapitulatie
van een centraal element uit de Burgermanifesten: de metafoor van de vrije
markt als democratie. Zoals we zagen in hoofdstuk 2 stelde Verhofstadt
de vrije markteconomie gelijk aan de menselijke natuur. De mens streeft
steeds naar vrijheid, en een emanatie daarvan is te vinden in de vrije
markt. De vrije markt is dan ook meer dan een maatschappijmodel: het is
een way of life die volmaakt aansluit bij de menselijke natuur.
En gegeven de basis hiervan -- het permanente menselijke streven naar vrijheid
-- is de vrije markt meteen ook de meest perfecte democratie. Ze wordt
immers bevolkt door individualisten: eigenwijze, mature en redelijke burgers
die steeds hun voordeel zoeken, elke dwang afwijzen, en in volstrekte vrijheid
keuzen maken. Op de vrije markt, zo schreef Verhofstadt, bestaat geen dwang,
enkel "dagelijkse verkiezingen". Elke poging om die mensen te 'leiden'
of te bespelen is dan ook futiel als ze geen rekening houdt met dat vrijheidsstreven
van de individualistische burger.
Het is op deze metafoor dat Verhofstadt
zijn 'burgerdemocratie' bouwt. Een democratie moet zich permanent aan een
plebisciet onderwerpen, en niet omdat ze dit wil, wel omdat het niet anders
kan want zo zit de Burger nu eenmaal in mekaar. De Burger eist een dagelijkse
verkiezing, hij/zij zal dagelijks die universele vrijheidsdrang uitwerken
en in alle redelijkheid, maturiteit en eigenwijsheid keuzen maken. Die
bron moet door een echte democratie aangeboord worden, meent Verhofstadt,
want ze is de bron van legitimiteit in een democratie. De perfecte liberale
democratie is er een waarin de Burger dagelijks op knopjes drukt en stembiljetten
invult.
Hier houdt de metafoor niet op. Bij
Verhofstadt en de zijnen wordt de abstracte metafoor meteen omgezet in
een concrete reeks metaforen. Het perfecte politieke apparaat moet een
imitatie zijn van de onderneming, van het zakendoen. Politici moeten hun
beslissingen baseren op het soort van gevoeligheid die Verhofstadt meent
te ontwaren bij bedrijfsleiders en marketing-mensen: een gevoeligheid voor
wat de consument wil, een attitude waarin een bedrijf volgt en niet
leidt
(laat staan dwingt) en zich tezelfder tijd kenbaar maakt bij de
consument door middel van reclame. Politiek moet dan ook de praktische
modellen overnemen die in management en marketing voor successen zorgen:
de band met de consument, de naambekendheid, de openheid, het imago (en
ga maar voort: het managersjargon, de uiterlijkheden, de salarissen...
wie ministeriële kabinetten bezoekt weet waarover ik het heb).
De Librado-uitzending die we bespraken
in hoofdstuk 3, maar ook de vermarkting van Vlaanderen door de Regering-Van
den Brande (hoofdstuk 4) en de ideologische vernieuwing van de socialisten
die in hoofdstuk 5 aan bod kwam, illustreren dit. Wat we zien is dat in
het begin van de jaren negentig zich een politieke cultuur heeft geïnstalleerd
die systematisch aansluiting zoekt bij beelden en imago's van efficiëntie,
bedrijfsvoering, communicatie en andere zaken die de hegemonie van neoliberale
managementscultuur uitdrukken. De opvatting van Verhofstadt heeft het gehaald:
de politiek is een bedrijfje zoals de andere, waarin de consument of cliënt
uiteindelijk de richting en het succes moet bepalen van de bedrijfsstrategie.
De klant is koning, vanaf heden ook in de politiek. Democratie en efficiëntie
worden een, en dit nieuwe geheel wordt gemodelleerd op een ideaal dat wordt
aangereikt vanuit de wereld van het vrij ondernemerschap.
3. De opmars van de stem des volks
In de nieuwe politiek is keuze
het ordewoord: de keuze van de burger welteverstaan. Er ontstaat een reeks
vraagstukken in verband met legitimiteit en representativiteit binnen een
democratisch systeem, en de consensus is duidelijk: het 'oude' representatieve
systeem gaat niet langer meer op in zijn 'klassieke' vorm. De Witte Mars
was een motorisch moment: een gut reaction naar aanleiding van de
zaak-Dutroux werd door de media aangegrepen en door de oppositie vertaald.
Rond het massaprotest in Brussel werd een heel jargon geweven van directe
inspraak en overleg (de 'witte comités'), de ontoereikendheid van
'de politiek' en de nood om 'signalen' op te vangen en in beleid te vertalen
('er iets aan doen'). Vooral voor de oppositie bood de Witte Mars gouden
mogelijkheden. Marc Verwilghen -- de man die eerder toevallig van een grijs backbencher
omgetoverd werd tot 'Witte Ridder' -- vatte dit tijdens een verkiezingsmeeting
in 1999 zo samen:
"Van bij den beginne
heb ik gesteld dat de VLD aan Vlaanderen en Brussel duidelijk moest maken,
dat zij het signaal van de Witte Mars wel begrepen had. Meer nog, dat het
signaal van de Witte Mars, zo volledig en zo duidelijk mogelijk in de politieke
lijn van onze partij naar buiten moest komen."
Ongeveer alle partijen komen in de tweede
helft van de jaren negentig op de proppen met voorstellen die de klassieke
representatie-structuren willen aanvullen met andere en meer directe middelen
voor inspraak vanwege de burger. In de Burgermanifesten was uiteraard al
sprake van referenda; andere partijen volgen snel met voorstellen die gaan
van ('gewone') hoorzittingen over 'burgerjury's' die zich uitspreken over
politieke issues, tot en met discussiefora en referenda op het internet.
Op het vernieuwingscongres van de SP in 1998 wordt eveneens gepleit voor
vormen van 'directe democratie' die het bestaande model moeten aanvullen
en verbeteren, en als voorstellen in dat verband lezen we 'het volksinitiatief,
het referendum en de hoorzittingen'.2
De reden? ook daarover heerst consensus:
de oude recepten hebben afgedaan. Maar welke recepten? Norbert De Batselier
verwoordde het in zijn aankondiging van het Vernieuwingscongres als volgt
(de klemtoon op een politiek die condities schept die dan door de
keuze van de burger worden ingevuld zal niemand ontgaan):3
"Het klassieke concept,
beste vrienden, van de maakbaarheid van de samenleving met een strakke
centrale planning is achterhaald. Maar de samenleving zal wel maakbaar
blijven als we erin slagen gelijke kansen te creëren, voor iedereen
deuren te openen, nieuwe opties mogelijk te maken. (...) Dat is dus een
heel andere wijze om de samenleving te maken, te sturen."
En in de ontwerptekst van het Politiek
Contract voor het Vernieuwingscongres van 1998 komt de SP tot de conclusie
dat een hele reeks ontwikkelingen in de samenleving ervoor hebben gezorgd
dat er "tussen de verkozene en diegene die hij vertegenwoordigt een
meer geëmancipeerde relatie aanwezig of mogelijk [is]." (§15,
p.4). Bovendien heeft de pers zich in onze samenleving ontwikkeld tot een
belangrijke politieke actor, en is er dan ook sprake van een duidelijk
te identificeren derde macht, de 'publieke macht' die bestaat uit bevolking
en pers. De pers voorziet de bevolking van informatie, en deze bevolking
bepaalt de legitimiteit van het beleid door middel van nieuwe vormen van
legitimering, die alle de vorm aannemen van (meer) directe contacten tussen
burger en beleid, vaak georganiseerd op lagere niveaus dan thans het geval
is (de deelgemeenteraden, wijkraden enzovoort).4
Veel van dit alles is metaforiek
en gaat om beelden van politiek eerder dan om politieke realiteiten. Het
is nuttig dit te blijven herhalen. De basismetafoor is die van twee afzonderlijke
entiteiten, 'politiek' en 'bevolking/burger'. Tussen beide is een afstand
die tot nog toe werd overbrugd door het systeem van representatie; de afstand
is evenwel te groot geworden, er is een 'kloof' en deze wordt door 'signalen
van de burger' aangegeven; nu moeten beide lichamen weer dichter bij mekaar
gebracht worden. De nieuwe metaforen draaien dan ook rond kleine afstanden,
directe lijnen en rechtstreekse contacten. Een vierjaarlijkse verkiezing
volstaat niet meer, er moet meer, kleinschaliger en directer inspraak zijn.
De stem des volks moet rechtstreeks gehoord en gelezen kunnen worden door
de beleidsmakers.
Die stem des volks is immers al lang
aan een opmars bezig en geniet al geruime tijd een zeer grote populariteit,
en niet slechts sedert de Witte Mars. In de jaren negentig wordt opinie-onderzoek
zonder concurrentie het populairste (en meest gepopulariseerde) sociaal-wetenschappelijk
onderzoek, en men kent het ook een buitengewoon belang toe als instrument
in het nagaan van de legitimiteit van politiek. Gevoelige en complexe thema's
waarrond geen politieke doxa bestaat worden door middel van opinie-onderzoek
in kaart gebracht: het migrantenthema is er het schoolvoorbeeld van.
Onbekend of Onbemind? van
Jaak Billiet, Ann Carton en Rik Huys (1990) kan model staan voor opinie-onderzoek
als basis voor de architectuur van het beleid, en men kan zeggen dat het
hele domein van racisme-beleid gestuurd wordt door opinie-onderzoek inzake
racisme en extreem-rechts. Post-electorale analyses hebben een belangrijke
plaats verworven in het politiek denken en bepalen mee de electorale strategieën
van de partijen. Van historisch belang hierbij zijn de onderzoeken van
Mark Elchardus en zijn team naar de zogeheten 'nieuwe breuklijnen' in de
samenleving.5 Uit deze analyse kwam
een meer genuanceerd beeld naar voren van de links-rechts tegenstelling
en ontstonden een aantal nieuwe politieke 'key-words' (bijvoorbeeld 'post-materialistische
waarden'). De invloed van dit onderzoek op de SP was (en is) aanzienlijk,
en ook andere partijen namen aandachtig kennis van deze nieuwe analyse
van de politieke publieke opinie. En tenslotte wordt ook kleinschaliger
en minder gesofistikeerd opinie-onderzoek een populaire politieke bezigheid.
De SP organiseerde zelf een enquête-achtige rondvraag onder haar
leden in 1993 die leidde tot een strategische conclusie die nogal grof
werd geformuleerd als 'voor elke groene die we winnen verliezen we twee
bruinen'. Ook het 'Grote Referendum' van de VLD ligt nog vers in het geheugen.
Deze volksraadpleging werd door Guy Verhofstadt van een bindende afspraak
voorzien, die luidde
"Ik beloof U plechtig
dat de VLD bij de volgende regering tot het uiterste zal gaan om uw mening
om te zetten in wetten. Doe daarom mee aan deze volksraadpleging (getekend:
Guy Verhofstadt)."
De basis van de politiek is ook hier
'uw mening'. Er wordt nu zeer regelmatig geënquêteerd zowel
door politieke partijen als door kranten, en populariteits-polls zijn een
vertrouwd item in de berichtgeving geworden. De opkomst van de 'volksraadpleging'
of het 'referendum' sluit hierbij aan: deze mechanismen van politieke besluitvorming
hebben een nieuwe legitimiteit gekregen omwille van het beeld van de 'publieke
opinie' als bepalende factor in de politiek. De beslissing van de regering-Verhofstadt
om de hervormingen van de ambtenarij aan een volksraadpleging te onderwerpen
is het eerste geval waarin de publieke opinie als doorslaggevend legitimerend
argument wordt gebruikt in de politieke besluitvorming. De zaak ligt om
diverse redenen uiterst gevoelig, en dus schuiven de besluitvormers de
hete aardappel door naar de individuele Burgers. Het Vox-Populisme is een
feit.
Ook in de populaire cultuur wordt
de opinie van de burger gesacraliseerd. De Flair-enquête kan hier
model staan: vragenlijsten die men individueel beantwoordt en waarvan de
antwoorden tot een score leiden, die dan weer overeenstemt met een propositie
of een suggestie (bijvoorbeeld: 'als je tussen de 15 en de 20 punten scoort
heb je best eens een diepgaand gesprek met je partner'). VTM biedt al geruime
tijd aan z'n kijkers de mogelijkheid te beslissen over welke van twee films
zal uitgezonden worden; een uit Brazilië geïmporteerd VTM-programma
bood kijkers de mogelijkheid zelf over de plot van een soap te beslissen;
en het aantal programma's waarin door middel van televoting een bepaalde
beslissing wordt verkregen (Eurosong, Soundmix-show...) is al lang niet
meer te tellen. Programma's zoals 'Jan Publiek' van Jan Van Rompaey, waarin
een 'representatief staal van de bevolking' in een studio wordt bijeengebracht
en daar de grote thema's van deze tijd mag bespreken, zijn vanzelfsprekend
symptomatisch voor deze ontwikkeling. De man in de straat heeft in de jaren
negentig vaker dan ooit tevoren een micro onder de neus gekregen om z'n
ideeën en opinies aan een ruim publiek kenbaar te maken. De opinie
van het individu is marktwaar en verkoopt goed: de marktstudie is een vorm
van entertainment geworden, maar dan een die men met groot sérieux lijkt
te moeten benaderen.
Slotsom: we zien hoe in deze periode
een zeer uitgebreid complex aan handelingen ontstaat waarin de publieke
opinie wordt opgevangen, gemeten en voorgesteld als politiek (en cultureel)
consequentieel. In het zog van wat we aan het eind van de vorige sectie
zagen lijken politici het er over eens dat de bedrijfswereld een betere
voeling heeft met haar consumenten en daardoor dan ook efficiënter
inspeelt op wat de consument wil. Deze observatie wordt politiek vertaald,
vertrekkend van de vaststelling dat 'klassieke' representativiteit niet
langer afdoend is (ze wordt gelijkgesteld met centralisme en dirigisme).
De zoektocht naar de publieke opinie moet resulteren in een 'betere democratie',
een die 'rekening houdt' met wat de burger voelt, wil, vraagt, eist, en
die deze bron rechtstreeks probeert aan te boren, zonder tussenstappen.
Meer dan ooit is men op zoek naar wat een 'draagvlak' heet, en bij moeilijke
kwesties zoals migranten of asielzoekers wordt geregeld verwezen naar de
afwezigheid of de fragiliteit van zo'n draagvlak. Dit draagvlak slaat dan
op een zichtbare publieke opinie die steun verleent aan of haar afkeer
uitdrukt voor bepaalde beleidswendingen. De keerzijde van dit alles is
een beeld van 'oude politiek', die slecht is want ze is vervreemd van de
noden en verzuchtingen van de mensen. Ze doet haar eigen zin en luistert
niet. Politiek is er echter niet meer om mensen te onderrichten of te sturen,
zo luidt het verhaal. De mensen zijn nu zelf voldoende matuur en opgeleid
om te weten in welke richting ze willen, en een legitieme politiek moet
hier volgen. Bij dit alles horen de suggesties dat alle mensen vrij zijn
en in staat zijn voor zichzelf op te komen, en dat de samenleving een individualistische
grondstroom heeft -- allebei klassieke ingrediënten van een populaire
ideologie over onze samenleving.
4. Wij zeggen wat U denkt: de
nieuwe democraten
In zijn meest praktische vorm is
de relatie tussen politiek en publieke opinie een uiterst complexe aangelegenheid
waarin men feit en retoriek nauwkeurig moet uiteen houden. De metaforen
mogen dan al hun retorische waarde bewezen hebben, in de praktijk ligt
alles niet zo eenvoudig. In het beeld van de nieuwe politiek veronderstelt
men de aanwezigheid van een publieke opinie, maar hoe die eruit ziet en
over wiens publieke opinie het gaat blijft vaak duister. Bourdieu merkte
al op dat men er in verwijzingen naar publieke opinie van uit gaat dat
iedereen over alles een opinie heeft, quid non. Bovendien, wanneer
spreekt men van een 'draagvlak'? Als een 'meerderheid' van de 'bevolking'
achter een voorstel staat? Als een belangrijk segment van het eigen electoraat
er achter staat? Of als een bepaalde belangengroep er achter staat? En
wat betreft nieuwe vormen van rechtstreekse inspraak via kleinere overlegorganen
(wijkraden, buurtoverleg) of 'hearings', laat staan die vormen die gebruik
maken van een zekere technologie (e-mail, internet fora): men merkt in
de praktijk dat het scheppen van een forum niet noodzakelijk noch automatisch
een reusachtige stroom opinies losmaakt. Drempels van klasse en opleiding
(en uiteraard ook van etnische afkomst, geslacht en leeftijd) blijven immers
ook daar gelden, en vaak merkt men dat de publieke opinie die men via deze
kanalen aanboort die is van een opgeleide middenklasse die de standaardtaal,
het jargon en de conventies van het politieke vertoog kent. Uitgeslotenen
in de samenleving ziet men zelden op wijkraden en hun 'stem des volks'
blijft onbekend.6 Het klinkt allemaal
wel goed maar in de praktijk is de directe democratie nogal vaak een kwestie
van wie volk genoeg meebrengt naar een vergadering.
Er is vanzelfsprekend een partij
die hierbij garen spint: het Vlaams Blok, zonder twijfel de partij die
het best gebruik maakt van het nieuwe beeldencomplex dat over politiek
is ontstaan. Een van haar centrale slogans is dan ook de uitdrukking van
de kern van dit nieuwe beeld: 'wij zeggen wat U denkt'. In de verbeelding
van de nieuwe politiek is het Vlaams Blok de partij die het best de idee
van directe democratie gestalte geeft. Het is dan ook via het Vlaams Blok
dat we de zwakten van die nieuwe beelden best kunnen opmerken. Het is mijn
overtuiging dat precies de roep om directe democratie en de semiotische
antwoorden die hierop gevolgd zijn aan het Vlaams Blok de mogelijkheid
hebben geboden door te stoten naar het centrum van het politieke forum,
een zekere respectabiliteit op te eisen, en een retorisch netwerk op te
zetten dat de tegenpartij vaak met de mond vol tanden laat. Ik verklaar
me nader.
Het Vlaams Blok speelt voortdurend
twee schijnbaar tegengestelde stereotypen van 'politiek' uit, een positief
en een negatief. Het positieve stereotype is dat van de almacht van de
politiek. Politiek kan en moet alles, en als er dingen fout gaan kan de
politiek dat oplossen. In een systeem waarin overheden steeds minder effectieve
macht hebben bespeelt het Vlaams Blok de grofste politieke illusie: dat
alles met ('doortastend', 'kordaat', 'krachtig') beleid te regelen valt
en dat eenieders individueelste problemen door middel van politieke maatregelen
moeten op te lossen zijn.7
Dat brengt ons tot de tweede, negatieve
stereotype: als de politiek de problemen niet oplost, dan is dat omdat
de politiek niet wil, omdat ze met andere dingen bezig is. Het is op dit
punt dat de relatie tot de publieke opinie binnenkomt. De andere partijen
worden systematisch beschreven als apparaten die geen voeling hebben met
wat de mensen denken en voelen. De politiek lost de problemen van de mensen
niet op omdat de politiek niet luistert naar de mensen. Het Vlaams Blok
speelt in dit opzicht buitengewoon handig in op de bestaande beeldvorming
inzake publieke opinie zoals we die in de vorige sectie hebben beschreven.
Steevast zorgen ze voor opvallende groepen mensen die zich laten zien en
horen bij allerhande gelegenheden, gaande van Blijde Intreden van het prinsenpaar
tot betogingen tegen de inplanting van een moskee of een asielcentrum.
En het valt op dat ze zeer handig gebruik weten te maken van kleinschalige,
lokale dossiers waarin kan beweerd worden dat de overheid 'niet luistert'
naar de bevolking: de problematiek van Doel en die van de asielcentra zijn
hiervan voorbeelden, maar kleinschalige buurtproblematiek is in het algemeen
een geliefkoosd actieterrein voor de partij. Telkens zijn ze in staat een
oppositie te schetsen tussen enerzijds de lokale gemeenschap die haar rechten
wordt ontzegd, en 'Brussel' en zijn tentakels (bijvoorbeeld 'Het Stad',
in Antwerpen) anderzijds, die hun wil opdringen en opleggen aan de lokale
gemeenschap. De lokale gemeenschappen kunnen steevast als slachtoffers
van de politiek worden afgeschilderd, en de 'politiek' als een bedreiging,
een vijand van de mensen.
De relatie die het Vlaams Blok schetst
tussen zichzelf en de publieke opinie is die van woordvoerderschap. De
partij zegt wat anderen denken, ze vertaalt de gevoelens en verzuchtingen
van mensen, ze vertolkt 'de wil van het volk' (de slogan op de startpagina
van de Vlaams Blok website). In een verkiezingsbrochure wordt dit als volgt
samengevat:
"Het Vlaams Blok IS dan
ook een partij van het volk: wij zijn niet schatplichtig aan mutualiteiten,
syndicaten of patroonsorganisaties. Bij ons hebben arbeiders, huisvrouwen,
middenstanders, bedienden, landbouwers, senioren, studenten...kortom het
volk, het voor het zeggen. Het Vlaams Blok is ook een partij door het volk:
In een andere tekst lezen we:
"Het Vlaams Blok is een
partij anders dan de andere. De traditionele partijen moeten uit de hand
eten van allerlei belangengroepen (...). CVP, SP en VLD zijn zelfs verplicht
vertegenwoordigers van die groepen (zuilen) in Regering en Parlement te
parachuteren. Op die manier kan men natuurlijk moeilijk de belangen van
het volk verdedigen. Bij het Vlaams Blok ligt dat anders. Onze kaders en
mandatarissen zijn onafhankelijke mensen die alleen aan het programma van
het Vlaams Blok en aan de belangen van de Vlamingen trouw verschuldigd
zijn. In het Vlaams Blok zijn mensen uit alle rangen en standen van de
bevolking actief."
In deze passages en in veel andere teksten
van het Vlaams Blok wordt gesuggereerd dat de politiek in handen is van
wat men 'georganiseerde stemmen' zou kunnen noemen: de vele belangenorganisaties
die ervoor zorgen dat hun opinie en belangen systematisch in regeringen
en lokale overheden vertegenwoordigd zijn. Die georganiseerde stemmen domineren
in het wereldbeeld van het Vlaams Blok ook de media en het onderwijs. Daar
tegenover poneren ze een 'stemloze' massa, 'het volk', dat bestaat uit
"onafhankelijke mensen uit alle rangen en standen van de bevolking" die
eigenlijk niet politiek vertegenwoordigd worden en die niet door de media
gehoord worden. Enkel het Vlaams Blok is de partij van, voor en door deze
massa. Andere verkiezingspropaganda vermeldt steevast dat "Het Vlaams Blok
luidop zegt wat velen stilletjes denken" en plaatst de programmapunten
onder de hoofding "wij zeggen wat U denkt". Telkens beklemtoont het Vlaams
Blok de voicing functie van de partij ten overstaan van deze stille
massa en roept zo het beeld van een 'silent majority' à la
Nixon op (iets waarvoor veel politici ontzag blijken te hebben).
Twee randbemerkingen horen hierbij.
Ten eerste, men merkt hoe handig het Vlaams Blok hier de erfenis van de
Burgermanifesten uitspeelt. Het verwijt dat de 'klassieke' politiek een
groot web is van belangengroepen die hun pionnen in politieke posten loodsen
waardoor van ware democratie geen sprake is, was een van de centrale punten
in het eerste Burgermanifest en het was een uiterst krachtig retorisch
motief in heel de evolutie inzake 'vernieuwing' in de jaren negentig. Het
feit dat het Vlaams Blok dit punt opneemt toont aan hoe succesvol dit beeld
van negatieve sjoemelaars in de greep van vakbonden en ziekenkassen wel
geworden is in onze politieke cultuur.
Ten tweede, het Vlaams Blok weeft
doorheen dit soort retoriek ook een andere impliciete boodschap, een waarin
'waarheid' en 'leugen' tegenover elkaar worden gesteld. 'Waarheid' staat
voor de echte, oprechte stem van het volk; 'leugen' is de stem van de anderen
die vervormd is door de filters van belangengroepen (en dus ook door de
media) en daardoor niet rechtuit spreekt. De eigenschap van de 'echte'
stem is precies dat men ze niet hoort, dat ze gesmoord wordt door de georganiseerde
stem van de belangengroepen en de partijmachines. Precies datgene wat men
niet
hoort wordt zo de waarheid, en het Vlaams Blok neemt de taak op zich deze
onhoorbare stem te vertolken. Het is een schitterende retorische truuk.
De leugenachtigheid van de andere partijen is vanzelfsprekend een krachtig
instrument in de verdediging tegen aantijgingen en beschuldigingen vanwege
andere politieke partijen -- ze liegen toch. De tegenpartij kan ook nooit
zeggen dat er niets te merken is van de problemen die Extreem Rechts aanhaalt:
dat is precies het bewijs van de realiteit van die problemen.
Het Vlaams Blok legt op die manier
de grote problemen van deze nieuwe beelden van politiek bloot. Het uitspelen
van misnoegde lokale gemeenschappen -- straat, buurt, wijk, gemeente --
tegenover een machtscentrum is altijd een winnende kaart wanneer er een
primaat wordt gedefinieerd van directe inspraak en respect voor de wil
van 'de burger'. 'Hogere belangen' worden zo meteen gediscrediteerd: welk
hoger belang kan er immers bestaan buiten dat van de lokale gemeenschap,
de 'burgers' die direct betrokken zijn in de problematiek? 'Eigen Volk'
kan immers slaan op een hele regio, maar even goed op een stad, een dorp,
een buurt, een straat. Het is zeer makkelijk hierin een populair discours
te ontwikkelen dat draait rond het verschil tussen 'echte' versus 'schijn-democratie':
de echte democratie is die van het Vlaams Blok, die uitspraken van concrete
mensen in concrete straten en buurten sprokkelt (en daardoor ook uitblinkt
in het politiek uitspelen van anekdotes) en confronteert met de standpunten
van 'schijndemocraten' -- verkozenen die voor belangengroepen werken en
een afkeer hebben van wat de echte mensen denken. De schijndemocraten bestrijden
trouwens het Vlaams Blok en bewijzen zo hun minachting voor de gewone burger.
Het Vlaams Blok beroept zich bij dit alles op een groot maar onmeetbaar
segment van de publieke opinie, doorgaans gelijkgesteld met hun electoraat,
vandaar de uitspraken na de verkiezingen van juni 1999 dat 'men rekening
zou moeten houden met een partij die 600.000 mensen vertegenwoordigt'.
Andere partijen vertegenwoordigen nog meer mensen natuurlijk, maar het
punt is dat het Vlaams Blok zijn 600.000 mensen als echte mensen kan voorstellen,
als echte individuele burgers die niet in belangenorganisaties gegroepeerd
zijn en niet 'moeten' stemmen op een partij. De 600.000 van het Blok zijn
àndere burgers dan die van de andere partijen.
De kern van dit alles is dat het
Vlaams Blok hier niets uitvindt. De partij bezet een ruimte van beelden
en discours die door alle andere partijen in de jaren negentig is ontwikkeld
en die draait rond directe democratie, de stem des volks, meer representativiteit,
een nauwere band tussen de stem van de burger en het oor van de politicus,
en die deze dingen zeer krachtig gaat vereenzelvigen met de legitimiteit
van de politiek. Vanuit de oppositie kan ze hierin (net als Verhofstadt
destijds) een radicale strategie ontwikkelen die geen rekening hoeft te
houden met 'hogere belangen' en compromissen en die niet tot concreet uitvoerbare
beleidsopties moet komen; ze slaagt er dan ook in het meest coherente en
meest overtuigende beeld van 'directe democratie' op te hangen. Verwijten
aan het adres van het Vlaams Blok die de partij als 'ondemocratisch' afschilderen
ketsen af: op basis van het beeldengeheel dat door die andere partijen
zelf is ontwikkeld is het Vlaams Blok een zeer democratische partij, een
partij die bovendien ook in de praktijk uitblinkt in het koesteren van
de stem des volks en waarvan de mandatarissen vaak meer contact hebben
met hun achterban dan de meeste andere politici.
Het Vlaams Blok kan hier dan ook
met buitengewoon gezag haar geliefkoosde retorische tactiek uitspelen,
ironie: niet enkel zeggen wij wat U denkt, we doen ook letterlijk wat andere
partijen zeggen. De partij neemt punten over van andere partijen en voert
ze uiterst consequent uit, daarbij geholpen door haar oppositierol die
radicaliteit mogelijk maakt. Daarna 'boemerangt' ze die punten terug naar
de partijen en stelt ze de weinig consequente houding van die partijen
aan de kaak. Tezelfdertijd zorgt ze voor 'proper' democratisch werk in
zichtbare domeinen. De glansrol die Annemans opeiste in de parlementaire
onderzoekscommissies inzake Dutroux en de dioxinecrisis (en die breed uitgemeten
werd in de media) moet duidelijk maken dat de Blokkers zich aan de regels
van het parlementaire spel houden, ook al hebben ze geen illusies wat de
uitkomst ervan betreft en kan net de 'integere' Annemans met kracht en
gezag wijzen op al het gesjoemel en de canapépolitiek die achter de schermen
van de commissies is gevoerd.. Zo is het Vlaams Blok er in geslaagd om
in de jaren negentig niet enkel de hegemonie te verwerven over themata
zoals veiligheid en immigratie, maar merkwaardig genoeg ook over 'democratie'.
Het Blok werkt deze ironische lijn
uit door middel van communicatiestrategieën die steeds verbazen door
de deskundigheid waarmee ze worden ontwikkeld. Het Vlaams Blok heeft een
echte huisstijl maar laat tezelfdertijd een zeer grote variatie toe in
genres en modellen van communicatie. De partij heeft een uitmuntende en
zeer informatieve website. Ze hanteert in verkiezingscampagnes pamfletten
die een soort 'flair-enquête' aanbieden waarin mensen op basis van
hun eigen score 'redelijkerwijze' ontdekken dat ze voor het Blok moeten
stemmen. Daarnaast verspreiden ze brutale 'grote bek' pamfletten en affiches
vol zeer goed gekozen symbolen (bokshandschoenen, borstels). De partij
beseft blijkbaar ook zeer goed dat het geen realistische ambitie kan zijn
iedereen
te overtuigen -- wie moet overtuigd worden is de eigen en potentiële
achterban. Hun toespraken en interpellaties in parlementen en gemeenteraden
of andere democratische fora hebben vaak als enig doel de verspreiding
van die uitspraken en de reacties van de andere partijen of de beleidsmensen
in partijpropaganda (en in een segment van de pers). Voor het overige is
hun doel vaak te herleiden tot verwarring en onzekerheid scheppen bij de
tegenpartij, bijvoorbeeld over begrippen zoals 'democratie'. Dat dit werkt
is gebleken uit de uitlatingen van Johan Leman als zouden bepaalde Vlaams-Blok
mandatarissen in essentie simpelweg zeer rechtse democraten zijn. Om de
ironie even voort te zetten: Leman zei ongetwijfeld wat velen denken.
De
kern van de zaak is: het Vlaams Blok slaagt erin de grootst mogelijke realiteit
te geven aan het beeldencomplex dat in de jaren negentig omtrent politiek is
ontwikkeld. Deze realiteit is vanzelfsprekend 'fake', en het succes van het
Vlaams Blok zou alle andere partijen moeten duidelijk maken dat het (in
tegenstelling tot wat men er vaak over denkt) met de 'maakbaarheid van de
samenleving' en het geven van 'leiding' aan het volk nog best meevalt. Immers,
het gaat hier om uitstekend propagandawerk en van zeer goed uitgevoerde
communicatiestrategieën. Het Blok is een partij die er is in geslaagd mensen die
dingen te doen denken die de partij zegt, duizenden mensen in dit land hebben
van het Blok een bepaalde retoriek en een bepaald politiek model geleerd. Maar
het gaat hier niet om realiteiten maar om de wijze waarop ze worden voorgesteld.
Het Vlaams Blok haakt in op beweringen en idealen die door anderen geschetst
zijn en stelt die anderen zo voor génante en dilemmatische keuzen: het
Vlaams Blok aanvallen kan immers uitgelegd worden als het aanvallen van
de eigen beginselen en bedoelingen (en wordt zo voor het Blok een bewijs
van de huichelachtigheid of hypocrisie van de andere partijen, wat dan
weer een bewijs is voor de authenticiteit van het Vlaams Blok, enzovoort).
De achilleshiel hierbij is de opvatting
van 'democratie' die doorheen dit alles wordt gehanteerd -- een opvatting
die draait rond het vertolken van volkse stemmen, het directe contact,
het onmiddellijke belang, de gewone man en die kloof die men ermee aanvoelt.
In zoverre men 'democratie' en 'democratische legitimiteit' vereenzelvigt
met een verifieerbare directe relatie tussen politieke standpunten en uitspraken
van individuele burgers heeft het Vlaams Blok de kloof semiotisch gedicht
en meteen een nieuwe kloof geslagen: die tussen echte democratie-des-volks
en andere, 'schijn-' democratie, simpel gesteld, die tussen het Vlaams
Blok en de mensen enerzijds, en de andere partijen anderzijds.
5. Besluit: terug naar politiek
In het eerste Burgermanifest schreef
Guy Verhofstadt:'Er is niet veel politiek meer, alleen nog beelden van
politiek' (p. 31). Verhofstadt zei dit over de 'oude', de 'slechte'
politiek. Jammer genoeg is deze uitspraak meer dan ooit een realiteit in
het tijdperk van de vernieuwing, en paradoxaal genoeg omwille van Verhofstadts
eigen inspanningen om een 'oude' en een 'nieuwe' politiek te definiëren.
De beelden zijn een politieke realiteit geworden en ze zorgen voor dilemma's,
onduidelijkheden en paradoxen die uiteindelijk de mogelijkheid scheppen
voor het Vlaams Blok om zich te verkopen als de democratische partij par
excellence, en dit op grond van criteria aangereikt door de 'democratische'
partijen. Terzijde: men ziet het zelfde bij Jörg Haider. Toen die
in april 2000 zijn eerste bezoekje aan Brussel bracht liet hij weten dat
hij uit België honderden kaartjes had gekregen met de boodschap dat
hij welkom was bij ons. Toen de joernalisten dit op hoongelach onthaalden
(er protesteerden immers op dat eigenste ogenblik enkele honderden mensen
tegen Haider) grijnsde hij: "your reaction proves that you have a lot
to learn about democracy". Mensen als Haider, De Winter of Annemans
hebben geen enkele schroom wanneer het aankomt op een woordenstrijd over
democratie. Integendeel, ze spelen dan een thuismatch.
Naast een onrealiseerbaar beeld van
'politicus' heeft men ook een onrealiseerbaar beeld van 'politiek' ontwikkeld
doorheen het afgelopen decennium, aanvankelijk vanuit de oppositie maar
later ook algemener. Men heeft dit gedaan op grond van percepties van een
'kloof', en deze was op z'n beurt gelieerd aan de opmars van het Vlaams
Blok. De remedie is echter een deel van de kwaal geworden. In de omschrijving
van de kloof heeft men immers leentjebuur gespeeld bij ideologische modellen
uit de wereld van het ondernemerschap: meer efficiëntie, minder dwang
tegenover de burger, meer ingaan op 'signalen' van de burger, betere kwaliteit
leveren en het bedrijf efficiënter beheren. Daarbij zijn feit en verbeelding
met elkaar verward. Men heeft de voor een consumptiesamenleving noodzakelijke
ideologie van een vrij, autonoom en ongehinderd kiezend consument als een
sociologisch feit aanvaard en vervolgens op de politieke consument geprojecteerd.
Hieruit is een beeld van een ideale, 'directe' democratie ontwikkeld gemodelleerd
op een beeld van een mature bevolking die goed weet welke kant het uitmoet
en die in staat is voor de eigen rechten op te komen. Die bevolking moet
directer betrokken worden in de beslissingen en in de evaluaties van het
bestuur -- dit verhoogt tezelfdertijd de kwaliteit van het bestuur en
de legitimiteit ervan.
Twee problemen moeten we daarbij
aanstippen. Eén, net zoals in de consumptiesamenleving is de hoeveelheid
vrijheid inzake keuze en sanctionering in het politieke veld zeer ongelijk
verdeeld, want ze is gebaseerd op de aan- of afwezigheid van bepaalde voorwaarden:
geld in de supermarkt, een mate van opleiding, geïnformeerdheid en engagement
in het politieke domein. Men bereikt met directe democratie in de praktijk
dan ook vaak enkel een confirmatiepubliek.8
Tweede probleem: de partij die dit
blijkbaar zeer goed begrepen heeft en zich dus ook met succes naar een
ander doelpubliek richt -- het Vlaams Blok -- boekt zo zeer grote successen
inzake politieke beeldvorming. Vanuit haar oppositierol kan ze zich immers
makkelijk profileren als een partij die directe democratie realiseert met
een publiek dat door hen wordt omschreven als machtelozen, niet-vertegenwoordigden,
mensen zonder stem. Het Blok kan beweren dat het als enige partij de kloof
heeft gedicht, en dit op basis van definities gegeven door tegenstanders
van de partij. Het kan, precies door de constructie van deze nieuwe beelden
van ideale democratie zichzelf in een soort grote mythische strijd profileren
ten opzichte van de andere partijen. In die strijd staat het Vlaams Blok
voor echte, waarachtige democratie en voor politiek die echt iets kan veranderen.
Ze wordt binnen dit interpretatiekader een partij die hoop biedt en een
perspectief van macht voor het 'volk' schetst ('volk' in een goed gemikte
ambiguë betekenis: het etnische Vlaamse racistische volk zowel als
het volk in de socialistische betekenis van het woord, de machteloze massa).
Voor de andere partijen is daartegen
op grond van de huidige dominante beelden nauwelijks weerwerk te bedenken.
De fout zat immers aan het begin van het proces, bij de definitie van het
probleem van de 'kloof', bij de ontdekking van enerzijds een 'publieke
opinie' die terug legitimiteit zou verschaffen en anderzijds een communicatietechnologie
die dit ook zou mogelijk maken. Wat we het afgelopen decennium hebben meegemaakt
is een schoolvoorbeeld van hoe politieke communicatie in ons soort van
samenleving een rol is gaan spelen. Oppositiepartijen investeren er in
en de oppositiekuur laat hen toe bijzonder radicaal en onrealistisch te
werk te gaan; de massamedia besteden vanuit het principe van pluralisme
hoe dan ook de nodige tijd aan deze hersenspinsels en retorische gymnastiek.
Er ontstaat een opbod van definities, teksten, imago's (bijvoorbeeld: de
boekenschrijvende politicus, een opvallend fenomeen in de jaren negentig),
programma's en beelden van zichzelf, anderen, en politiek. Men gaat die
dynamiek van discours en beelden aannemen als een 'realiteit', men heeft
zich immers een reusachtig probleem bij mekaar gepraat en verbeeld, een
probleem dat enkel met verregaande ingrepen kan opgelost worden.
We zien doorheen dit alles hoe de
klemtoon in 'democratie' is komen te liggen op modaliteiten, op de
vorm van het politieke bedrijf. De politieke vernieuwing heeft daardoor
een nieuw soort burger-subject geschapen. Mensen zijn gaan geloven dat
democratische representatie erin bestaat dat hun allereigenste stemmetje
in het beleid te horen is. Daar waar representatie steeds uitging van groepen
en categorieën van burgers en zich richtte op het vertolken van een
collectieve stem ('het algemeen belang') gaat dit niet langer op. Ik eindig
met een anekdote die dit moet illustreren. In april 2000 gaf Guy Verhofstadt
als premier van dit land een toespraak in Kigali waarin hij zich verontschuldigde
voor het Belgische aandeel in de crisis van 1994 in naam van zijn land
en zijn volk. Tijdens een inbelprogramma op Radio 1 (op zich al indicatief
van de verschuiving die ik hier beschreef) wekte dit bij een beller wrevel
op. Hij voelde zich geaffronteerd door het feit dat Verhofstadt (of
all people) het had aangedurfd een schuldbekentenis uit te spreken
namens zijn volk. Immers, zei de man, dat volk dat is ook U en ik, en persoonlijk
voel ik geen enkele schuld voor wat zich daar heeft afgespeeld.
We kunnen hierbij enkel vaststellen
dat de Belgische polity, het politiek vertegenwoordigde volk, verworden
lijkt tot een verzameling van tien miljoen ego's. Dat dit een gewenste
uitkomst is van een evolutie die beweerde 'meer democratie' na te streven,
kan ik moeilijk aannemen.

Noten
1. En hun Oostenrijkse vrienden
van de FPÖ, Haiders Freiheitlichen. Wat dit betreft sluit dit
hoofdstuk aan bij een Samenleving en Politiek artikel van mij dat
ik onder druk van de actualiteit in Oostenrijk onlangs met enige bitterheid
heb herlezen: 'Strategieën tegen extreem rechts', Samenleving en
Politiek 3/6 (1996): 6-12. Men herleze ook het artikel van Erich Fröschl
in datzelfde nummer. Fröschl, lid van de Oostenrijkse socialisten,
komt daar (in 1996) tot het besluit dat zijn partij het fenomeen Haider
eindelijk onder controle had gekregen omdat ze een nieuwe populistische
communicatiestrategie hadden ontwikkeld en toegaven dat Haider de juiste
vragen stelde maar niet de juiste antwoorden gaf. In mijn artikel heb ik
de gevaren van deze strategie beklemtoond. Accurate voorspellingen zijn
goed voor het eigen ego, maar deze geeft me weinig genoegdoening.
2. Zie de ontwerpresoluties 29 tot
en met 33 van het 'Politiek Contract'. Voor opmerkingen, zie Patrick Stouthuysen,
'Wordt het dan toch nog wat met het Sienjaal? Over het Politiek Contract'.
Samenleving
en Politiek 5 (1998), speciaal nummer, 40-42.
3. In zijn toespraak op het Statutair
en Werkingscongres van 10 december 1995 (p.9).
4. De subsidiariteitskwestie is
uiteraard ook een veruitwendiging van dezelfde metaforen: er lijkt een
consensus te bestaan over het feit dat lagere bestuursniveaus 'meest voeling
hebben met de burger' en daardoor ook 'democratischer' zijn (en in dezelfde
beweging kunnen voorgesteld worden als efficiënter).
5. Zie Mark Elchardus, 'verschillende
werelden: Over de ontdubbeling van links en rechts'. Samenleving en Politiek
1/7 (1994): 5-17.
6. Wie geen telefoon bezit zal dan
ook nooit in telefoon-enquêtes betrokken worden. Voor veel marktonderzoek
blijkt de stem des volks dan ook enkel te bestaan in zoverre die stem een
telefoonabonnement blijkt te bezitten.
7. Laat ons het negatieve spiegelbeeld
hiervan het 'Bob Cools syndroom' dopen. Er was een tijd dat alles wat ook
maar fout ging in Antwerpen 'de schuld van Bob Cools' was. Een inbraak?
Schuld van 'den Bob', de tram met vertraging? Zonder discussie Bob zijn
schuld; een stoep waarop de plaveien loslagen? Bob.
8. Even aanstippen: de zogeheten
democratisering van het internet als instrument van beter en directer bestuur
is in dit bedje ziek. Het zal maar democratiserend werken indien naast
gratis internet aansluiting ook een gratis PC en een gratis telefoonaansluiting
wordt mee geleverd; zoniet dreigt het de verschillende snelheden in de
samenleving nog te vergroten. En om het succes van de directe contacten
tussen burger en politiek via dit medium even te relativeren: op 20 maart
200 was ik bezoeker nummer 1536 op de website van de VLD, open sedert november
1995. Als de teller op de website klopt brengt dit ons op een gemiddelde
van een website-bezoeker per dag. Op dezelfde website vinden we een 'cyber-referendum'.
Voor een afgesloten referendum over het Octopusakkoord meldt de pagina
dat er een schamel 106 stemmen uitgebracht zijn. |