|
Op de website van VU-ID21 (www.vu-id.be)
kan men vijf knoppen aanklikken: 'programma', 'discussie', 'doe mee', 'lijst'
en 'Bert & Co'. De laatste knop brengt ons uiteraard bij Bert Anciaux,
Patrik Vankrunkelsven en Vincent Van Quickenborne. Het loont de moeite
de individuele pagina's van die drie eens aan te klikken. Vankrunkelsven
heeft een eerder saaie pagina geconcentreerd op zijn politieke bezigheden.
Bert is wat anders: je kan een item aanklikken dat 'Vake bert' heet, en
waarop je drie kiekjes te zien krijgt van een glunderend gezinnetje Anciaux.
Voorwaar, ze zien er goed uit. Nog iets anders wordt het wanneer je de
pagina van 'Senator Q' aanklikt (Van Quickenborne, www.id21.be). Je krijgt
een startfoto van een naakte mannentorso, waarop 'ID21' geschilderd staat.
Als je het zwarte vlak voor het gezicht aanklikt zie je Van Quickenborne's
tronie verschijnen. Senator Q trakteert ons vervolgens op een hele reeks
onbenullige wetenswaardigheden gaande van een zwaar gecensureerde biografie
(die bijvoorbeeld niet vermeldt dat Q voor zijn huidige Vlaamsnationale
carrière op de loonlijst stond van Jean-Pierre De Bandt en de opdracht
had een Belgicistische beweging uit de grond te stampen) tot een quiz over
de bijnamen van Van Quickenborne. Bij dit laatste kan men "de volledige
set postkaarten en bierkaartjes van Kandidaat Q" winnen.
De nieuwe communicatietechnologie
is verleidelijk, en sommigen lijken moeilijk te kunnen weerstaan aan de
bekoring om een grote en spectaculaire website te bouwen ook al heeft die
inhoudelijk niets om het lijf. Websites zoals die van Senator Q lijken
op gesprekken over het weer: het zijn gesprekken en ze zitten vol met eigenschappen
van gesprekken, maar ze hebben niets om het lijf en zitten vol gemeenplaatsen.
De imagobouwende websites doen alsof ze over politiek gaan. Fout: ze gaan
over mensen die een politieke ruimte opeisen zonder dat ze een politieke
substantie te bieden hebben; ze gaan niet over politiek maar over mensen
die zich ooit voor een politiek mandaat kandidaat hebben gesteld en er
één hebben gekregen. Ze gaan met andere woorden over de startvoorwaarden
van politiek: politici. Maar met politiek -- met ons, de samenleving --
hebben ze niets te maken.
Ze hebben er even weinig mee te maken
als het feit dat Willy Claes buiten zijn ministeruren graag een orkestje
dirigeerde, dat Guy Verhofstadt met een wedstrijdfiets op de Gentse wielerbaan
placht te racen, dat Van den Brande asperges kweekt en dat Dehaene met
heel zijn gewicht achter Club Brugge staat. Even weinig dus, als de huwelijksperikelen
van Johan Van Hecke, Wilfried Martens, Luc Van den Bossche en vele anderen.
Het punt is dat we bij dit alles vaak het gevoel hebben dat al deze dingen
wél met politiek te maken hebben, meer nog, dat het deze dingen
zijn die er voor zorgen dat mensen voor bepaalde partijen en kandidaten
stemmen, en niet de partijprogramma's of de staat van verdienste als parlementair
of partijmilitant. Politieke blunders wegen niet op tegen de kracht van
goed imagowerk, zo leren ons de feiten, of althans, sommige feiten.
Ik heb dus ongelijk: al deze dingen
hebben uitdrukkelijk met politiek te maken, ze zijn beetje bij beetje doorgedrongen
tot het hart van de politiek vandaag. Ik beklemtoon het laatste woord:
het is nuttig om in gedachten te houden dat dit niet altijd zo geweest
is, meer nog, dat dit het resultaat is van een al bij al vrij snelle evolutie,
een evolutie die we in dit land zijn gaan bestempelen als 'politieke vernieuwing'.
De ware resultaten van deze vernieuwingsgolf zijn nog grotendeels onzichtbaar.
Ze zullen politiek zijn, vanzelfsprekend, maar ze zijn ook cultureel.
De vernieuwingsgolf van de jaren negentig heeft politiek een andere plaats
gegeven in onze cultuur, een plaats die nu dichter ligt bij entertainment
en consumentengedrag, en die nu rekening houdt (en moet houden) met de
conventies eigen aan entertainment en consumentengedrag.
Politiek is nu ingeschakeld in een
beeldeneconomie die niet langer meer een aparte plaats reserveert voor
politiek. Ze moet nu concurreren voor het publieke oog en oor, en ze doet
dat door de modellen en technieken van de concurrenten over te nemen: esthetisering,
'benettonisering' van de boodschappen, reducties van tekst tot eenvoudige
proposities die niet langer zijn dan een reclameboodschap, en een sterke
concentratie op wat men 'appelerende' karakteristieken noemt: de persoonlijkheid
van de politicus, het uiterlijk van de betrokkene, de familiale en buitenprofessionele
eigenschappen van de mensen in de politiek. De politicus moet nu ook een
verhaal hebben over zichzelf, zoniet 'spreekt hij/zij niet aan' of 'komt
hij/zij niet goed over'. Door de inschakeling in die beeldeneconomie belandt
de politicus vaker dan ooit tevoren in die publicatiecircuits die men doorgaans
met entertainment associeert. Een soap op TV is vaak de input voor een
heel publicatiecomplex, waarin acteurs uit de soap ook opduiken op de pagina's
van kranten en magazines zoals Humo of Story of Blik. Diezelfde acteurs
treden ook op in talkshows en spelprogramma's van anderen en verschijnen
in maatschappelijk geëngageerde acties zoals Levenslijn of 11.11.11.
Het zelfde gebeurt met politici: hun politieke activiteit is maar een onderdeel
van datgene wat door hen en over hen wordt geëxposeerd in diverse
media, en die exposure wordt actief nagestreefd. Een reportage in een lifestyle-magazine
wordt nu ook beschouwd als legitieme publieke communicatie voor politici.
Omgekeerd lijkt de grens tussen entertainment
en politiek eveneens, en logisch, minder duidelijk te worden. Mensen uit
de entertainment- en cultuurindustrie spreken zich uit over politieke thema's
-- Tom Lanoye is hier een rolmodel -- of streven zelfs een politiek mandaat
na -- Margriet Hermans, Jan Hoet, noem maar op. Publiek communiceren en
een publiek imago hebben lijkt de stap naar politieke legitimiteit kleiner
te maken. Let wel, er is geen enkele reden waarom mensen als Margriet Hermans
of Tom Lanoye per definitie slechte politici zouden zijn. Er is
echter ook geen enkele reden waarom ze per definitie goede politici
zouden zijn. Ze vertolken de ineenstrengeling van het publieke forum van
een consumptiegerichte entertainment-industrie en van de politiek, meer
niet, en het feit dat ze succesvolle en gewaardeerde producenten van culturele
of amusementsboodschappen zijn maakt hen niet automatisch tot producenten
van zinnige politieke ideeën. Terzijde wil ik opmerken: dit geldt
eveneens voor wetenschappers.
We krijgen doorheen dit alles dan
ook flink wat politieke pulp over ons heen. We krijgen krampachtige pogingen
te zien van mensen die te allen prijze sympathiek, wijs en integer wensen
over te komen, die vlot willen zijn ook al wringt elke vezel van hun lichaam
tegen. We krijgen politieke thema's toegeschoven die makkelijk uit te vergroten
zijn maar dit in de feiten niet verdienen. Pedofilie, een thema dat in
de nasleep van de zaak-Dutroux op de voorgrond kwam (denk aan de zaak Di
Rupo) is, gelukkig maar, een statistisch uiterst beperkt fenomeen. Maar
het gaf aanleiding tot ongekend politiek vertoon waarin men zich op de
borst trommelend en strijdkreten uitstotend engageerde voor diepgaande
hervormingen in het gerecht en het gevangeniswezen, om daarna vast te stellen
dat er eigenlijk weinig snel, goedkoop en grondig te hervormen viel. Hetzelfde
geldt voor het veiligheidsthema: een marginaal en duidelijk gelokaliseerd
fenomeen dat als zodanig onmogelijk op te lossen valt (een gevoel
van onveiligheid kan men moeilijk bestrijden wanneer er weinig echte
onveiligheid blijkt te bestaan). Het moest dus maar uitgerokken worden
tot het een metafoor voor het migrantenthema werd, en had dan het nefaste
gevolg dat het sociaal beleid en veiligheidsbeleid met elkaar vermengde
en bovendien door de culpabilisering van migranten het thema van racisme
nog verder naar de achtergrond van het migrantendebat drong. Zowel bij
pedofilie als bij veiligheid gaat het om politieke thema's die al bij al
volstrekt bijkomstig zijn als men ze vergelijkt met kwesties zoals tewerkstelling,
arbeidsvoorwaarden, ruimtelijke ordening en milieu of gelijke kansenbeleid.
Maar het zijn dé thema's van de jaren negentig geworden omdat ze
zich perfect lenen tot politiek taalgebruik dat 'vernieuwend' klinkt.
Het kan nog kleiner. De ontsnapping
van Dutroux gaf aanleiding tot grotesk overdreven uitspraken vanwege leidende
politici ("niets marcheert nog in dit land", "het grootste schandaal dat
ons land ooit gekend heeft" enzovoort) en twee ministers namen er dan maar
ontslag voor. En waarover ging het? Een zware crimineel die ontsnapt was,
één enkele, ergens in de bossen van Luxemburg. Het ging,
als men nu even afstand neemt van allerhande invloeden, over een in wezen
volstrekt triviaal fait divers, dat politiek van geen enkel belang had
mogen zijn. Maar het werd uiteindelijk de piek van een psychose die zowel
in de Wetstraat als aan de Reyerslaan en in Vilvoorde al geruime tijd in
ontwikkeling was, en het werd één van de belangrijkste politieke events
van het decennium.
De rode draad in dit alles is: het
belang van politieke thema's in de jaren negentig heeft niets te maken
met intrinsieke kwaliteiten van de thema's, maar alles met de manier waarop
de politiek is geëvolueerd. Ik heb in de hoofdstukken van dit boekje
herhaaldelijk het aspect van 'modaliteiten' beklemtoond: de nieuwe communicatie-economie
zorgt ervoor dat bepaalde thema's zich beter lenen voor moderne politiek
dan andere, en dit heeft als effect dat er een haast dwingend kader ontstaat:
scoren kan men wanneer men zich beperkt tot dit soort thema's. Andere worden
politiek oninteressant -- in de zin dat ze niet kunnen aangebracht en vertolkt
worden op basis van de modellen van entertainment en consumptie die de
communicatie-economie beheersen. Botweg zou dit kunnen leiden tot de conclusie
dat de hele politieke vernieuwingsgolf zich heeft geconcentreerd op triviale
kwesties, en deze heeft uitvergroot tot op een punt dat ze werkelijk pathetisch
belangrijk lijken zonder dat ze het zijn.
Deels is dit waar natuurlijk. Ik
beschouw de weg die het migrantenthema in de jaren negentig heeft afgelegd
als een schoolvoorbeeld van dit mechanisme, met het uitvergroten van bijkomstigheden
(cultuur, Islam, veiligheid) en het vermijden van de centrale kwesties
(gelijke kansen, maatschappelijke emancipatie, tewerkstelling, stemrecht,
racisme, enzovoort) met als gevolg dat men nu minder ver staat als vijftien
jaar terug. Ik hoop dat de hoofdstukken over tolerantie en veiligheid naast
enkele andere zaken ook dit hebben duidelijk gemaakt.
Maar men moet nuanceren. De groeipijnen
van de vernieuwing draaien rond een verkeerd, sterk geïdealiseerd
beeld van communicatie in een samenleving zoals de onze. Verschillende
facetten hiervan zijn in de vorige hoofdstukken aan bod gekomen. Men veronderstelt
dat politiek kan gemodelleerd worden op zakendoen, en dat politieke communicatie
dan ook kan en moet gemodelleerd worden op bedrijfscommunicatie en marketing.
Men veronderstelt dit omdat men dankzij Verhofstadt aanneemt dat de vrije
markt een perfect democratisch systeem is gekenmerkt door een grote macht
vanwege de individuele consument en een zeer grote gevoeligheid voor de
sienjalen van de consument bij de producent. Daardoor gaat men er
van uit dat een politiek systeem dat zich spiegelt aan een bedrijf meteen
ook een democratisch en legitiem systeem zal zijn. Dit leidt tot een zoektocht
naar communicatiemodellen uit de marketing- en entertainment-sfeer, een
nadruk op de aanwezigheid van individuele stemmen van de 'burger' in het
beleid, een vulgarisering van politieke thema's tot sterk vereenvoudigde
tropen en gemeenplaatsen en een klemtoon op personen, gevoelens en imago's
in de politieke communicatie. Dit leidt niet tot een meer democratisch
en legitiem model, heb ik herhaaldelijk onderstreept, omdat de metafoor
van de vrije markt als democratie hoegenaamd niet opgaat, en dan ook helemaal
niet kan geprojecteerd worden op de politieke sfeer. De premissen zijn
fout, met andere woorden.
De middelen waarmee dit alles is
uitgewerkt -- de enorm gesofistikeerde communicatietechnologie -- zijn
gevaarlijk want ze zijn uiterst machtig. Bovendien zijn ze dwingend: ze
leggen communicatiepatronen op aan degene die ze hanteert, en zorgen er
dan ook voor dat er vrijwel als vanzelf een bepaald soort populisme in
de politiek gaat overheersen. Maar dat maakt die middelen niet per definitie
slecht. Er is ongetwijfeld geen weg terug uit deze politiek; we kunnen
niet meer terug naar een I Had A Dream soort politicus. Charisma
berustte op hearsay en op getuigenissen van mensen die het ook van
iemand anders gehoord hadden; de zeldzaamheid van het directe contact tussen
burger en politiek droeg bij tot het statuut van de politici; ietwat ironisch
kan men zeggen dat politici 'groter' waren naarmate er een diepere kloof
was tussen burger en politiek. Die klok kunnen we niet meer terugdraaien,
dat soort charisma is vandaag onmogelijk. Gegeven die culturele verandering
die politiek en politici geherpositioneerd heeft in onze cultuur, ze een
nieuwe rol en nieuwe functies heeft gegeven, moeten we zoeken naar een betere
politiek, één die meer zin heeft en één die
niet vertrekt van de zeer naïeve vrije marktideologie van de politiek
en de politieke communicatie.
Ik zie naast de dominantie van een
naar mijn oordeel verkeerde inschatting van politiek, democratie en communicatie
nog enkele grote gevaren in de evolutie die ik heb beschreven. Het verdwijnen
van ideologie als verklaring in het beschouwen van maatschapplijke processen
acht ik een gevaarlijke ontwikkeling -- het scheppen van een ideologisch
nulpunt en een onzichtbare macht à la Barthes is één
van de meest verregaande ideologische ingrepen die men zich kan voorstellen,
maar ze kan niet gedecodeerd en bekritiseerd worden wanneer men ideologie
loslaat als verklaring. Het valt mij op hoe ten gevolge van die verdwijning
van ideologie ook 'politiek' gereduceerd wordt tot kleinigheden, en hoe
zovele maatschappelijke problemen die het gevolg zijn van structurele en
conjuncturele kenmerken van onze samenleving daarmee gereduceerd worden
tot individuele probleempjes van mensen, die dan ook maar zelf wat individuele
oplossingen moeten verzinnen.
Om een kat een kat te noemen: kapitalisme
heeft geen naam in onze samenleving; het bestaat niet als object van analyse,
niet als factor in de beschrijving van problemen en niet als verklaring
voor politieke, sociale en economische ontwikkelingen in onze samenleving.
Als men dat aanvaardt en kapitalisme wegdenkt uit de structuur van onze
samenleving, dan is men door en door kapitalist, en dan houdt men enkel
nog 'goeie' of 'geschikte' versus 'minder goeie' en 'minder geschikte'
kapitalisten over. De politieke vernieuwing van de jaren negentig heeft
een vrij algemene schaalverkleining van 'het politieke' als domein geresulteerd,
weg van de commentaren en kritieken op grote systemen en gericht op zeer
praktische, concrete en manipuleerbare kwesties. Dit is een nieuwe kapitalistische
hegemonie, en mijn gevoel is dat deze hegemonie nooit zo sterk is geweest
als vandaag de dag.
Een tweede gevaar dat ik bespeur
is het feit dat hierdoor een nieuwe burger ontstaan is. Die burger is een
wensbeeld, geen realiteit, en diens participatie aan de politiek is dat
eveneens. De Verhofstadt-iaanse mondige, kritische, hyper-pragmatische
en politiek sensitieve burger is een reusachtige idealisering en is tevens
een projectie van de model-consument: iemand die gelooft dat hij of zij
volkomen uniek is wanneer hij of zij deelneemt aan massa-consumptiegedrag
-- we zijn allemaal volkomen onszelf als we allemaal dezelfde Swatch-horloge
dragen. De Burger is een mensensoort die de gekste dingen gelooft, ook
al wijst alles in een andere richting. Er is voorlopig geen enkele reden
om aan te nemen dat de retorische constructie van die ideale Burger ook
maar de geringste invloed heeft gehad op de reële machtsverhoudingen
die er zijn tussen burger en politiek. Er is eveneens geen enkele reden
om aan te nemen dat die machtsverhouding per se moet verdwijnen. Burgers
verkiezen nog steeds vertegenwoordigers in een positie van macht en gezag;
die verhouding kan men niet omkeren. Als men dit doet ontslaat men politici
van hun verantwoordelijkheid tot leiderschap: wij hebben het immers voor
het zeggen, en loopt het fout, dan is het onze schuld -- politici zijn
immers slechts managers, uitvoerders van een beleid dat door de aandeelhouders
wordt uitgestippeld. De bevolking moet kunnen sanctioneren, en moet dit
kunnen doen tegenover een beperkte groep vertegenwoordigers. Doet ze dat
tegenover zichzelf, of doen politici dat tegenover de bevolking -- een
akelige bijgedachte van directe democratie -- dan eindigt de democratie.
Als het hele volk fout is, is er geen politiek meer; als het hele volk
gelijk heeft, eveneens.
Combineer deze twee en we hebben
het grootste gevaar. Men is de ideologische dimensie van democratie aan
het vergeten en men is democratie aan het reduceren tot een reeks praktijken,
vormen, handelingen en discours. Het is die fout die hier zowel als elders
genadeloos en virtuoos wordt uitgebuit door extreemrechts, dat zich daardoor
kan vermarkten als de nieuwe democratie.
Een democratie die zichzelf niet
meer kan verwoorden en motiveren als een 'groot verhaal', als een ideologie,
is een democratie in stervensbegeleiding.
______________________ |