|
Dit boekje behandelt politiek taalgebruik
in België (hoofdzakelijk Vlaanderen) in een bepaalde historische periode,
grofweg af te lijnen als de jaren negentig. In de jaren negentig wordt
'vernieuwing'
het kernwoord van het politiek debat, en we merken dan ook dat vrijwel
alle partijen veranderingen aanbrengen in hun programma, hun imago, hun
stijl en hun communicatiestrategieën. De jaren negentig zijn de jaren
waarin politici een etiket van 'vernieuwer' of 'verruimer' krijgen en ook
daadwerkelijk de grenzen van de eigen partij en ideologie pogen te verleggen:
Guy Verhofstadt, Bert Anciaux, Marc Verwilghen, Norbert De Batselier, Johan
Van Hecke... Die verschuiving in de politiek wordt tevens gedocumenteerd
door een aantal opmerkelijke momenten en fenomenen. Eén belangrijke
factor is de electorale opkomst van het Vlaams Blok, gekoppeld aan de afkalving
en verandering van het electoraat van de 'traditionele' partijen. Een andere
mijlpaal is het verschijnen van de Burgermanifesten en de vernieuwing van
de PVV naar VLD onder leiding van Guy Verhofstadt. De veranderingen worden
verder nog geïllustreerd door gedurfde politieke projecten zoals Het
Sienjaal van Coppieters en De Batselier en, op een heel andere
manier, door de zaak-Dutroux en haar reusachtige gevolgen: de Witte Mars,
de Commissie-Dutroux, de electorale vertaling van de Witte Beweging, enzovoort.
Het is een complexe aangelegenheid,
en mijn vrees is dat deze teksten makkelijker fout dan juist gelezen worden.
Dat ligt doorgaans aan de auteur, en het is dan ook aan mezelf om voorafgaandelijk
voldoende en voldoende precieze wegwijzers mee te geven voor de lectuur
van de teksten. Ik zal dan ook eerst een aantal begrippen verduidelijken,
en vervolgens in gaan op de grote trekken van wat ik in de volgende hoofdstukken
wens aan te tonen. Naar het einde van deze inleiding zal ik mijn eigen
bedoelingen verduidelijken.
1. Politiek taalgebruik
De term politiek taalgebruik moet
hier letterlijk begrepen worden: het politieke gebruik van taal. Dat betekent:
spreken, schrijven, maar ook interpreteren, hergebruiken, circuleren, doorgeven,
citeren, noem maar op. Al die acties waarin we 'taal' gebruiken vat ik
onder taalgebruik. Het is dus een letterlijk te begrijpen term, die echter
een zeer breed veld van fenomenen dekt. Dit is het gevolg van wat we hier
onder 'taal' verstaan. Het welbekende woord staat hier niet voor datgene
wat men er conventioneel onder verstaat: woorden, zinnen, teksten. Het
staat voor een veel ruimer geheel aan betekenisvol symboolgedrag, waarvan
het klassieke taalbegrip slechts een onderdeel is. Taal betekent hier 'semiosis':
het geheel aan sighnalen waarmee mensen betekenissen doorgeven. Dat zijn
woorden, zinnen en teksten, maar even goed gebaren, tekens, intonatie,
emotieve uitdrukkingen, de aankleding van een boodschap, de context, de
enscenering, de wijze waarop boodschappen uit contexten worden gerukt en
in nieuwe contexten gebruikt worden en zo voort. Het taalconcept dat ik
hier gebruik is datgene wat thans in de taalkundige pragmatiek gehanteerd
wordt, en het is nuttig te onderstrepen dat het hier om een veel ruimer
concept gaat dan datgene wat men doorgaans, in de volksmond, als 'taal'
omschrijft.1
Het onderzoek naar politiek taalgebruik
heeft sinds de jaren tachtig een opbloei gekend, grotendeels dank zij de
taalkundige stroming die men is gaan bestempelen als Critical Discourse
Analysis. In deze stroming is men het politiek discours sterk gaan
contextualiseren in termen van meer algemene machtsverhoudingen binnen
samenlevingen enerzijds, en in termen van modaliteiten waarbinnen politiek
taalgebruik voortgebracht wordt anderzijds.2Vooral
dit laatste punt is hier van belang. Steeds meer komt men tot het besluit
dat concreet taalgebruik moet ingekaderd worden in zeer algemene sociale
patronen van taalproductie en taalverwerking -- in communicatieve economieën.
In die communicatieve economieën
bestaan onderscheiden tussen producenten. Het taalgebruik van de ene is
dat van de andere niet. Concreet: over een medisch thema zal de opvatting
van een arts zwaarder doorwegen dan die van een kruidenier -- een onderscheid
in autoriteit. In het publieke domein (bijvoorbeeld in de media) zal men
dan ook medici uitnodigen om zich uit te spreken over dat soort themata,
eerder dan kruideniers. Er zijn ook verschillen in macht: de ene kan zijn/haar
opvatting makkelijker ingang doen vinden bij een publiek dan de andere.
Concreet: groepen of individuen die controle hebben over de media zullen
om voor de hand liggende redenen makkelijker hun stem gehoord krijgen in
die media. De overheid kan de beeldvorming inzake bijvoorbeeld veiligheid
makkelijker monopoliseren dan, zeg maar, allochtone zelforganisaties. En
Yves Desmet heeft het makkelijker om zijn gedachten over politieke vernieuwing
in de krant te krijgen dan mijn bejaarde buurvrouw. Ook nog: een bedrijf
dat driehonderd miljoen kan spenderen aan reclame zal ongetwijfeld meer
zichtbaarheid krijgen dan een bedrijf dat slechts driehonderdduizend frank
kan uitgeven. In de Verenigde Staten zijn verkiezingscampagnes vaak boven
alles een kwestie van de hoeveelheid geld en middelen die men voor de campagne
kan mobiliseren.3 Die verschillen in
producenten -- het feit dat niet iedereen gelijk is wanneer het erop aankomt
boodschappen in de samenleving te laten circuleren -- zorgen ook voor verschillen
in boodschappen. Om met het eenvoudigste te beginnen: de eigen stem gehoord
krijgen in het publieke forum is een voorrecht van zeer weinig mensen;
de meerderheid van de mensen komt nooit op TV, op de radio of in de krant
(al zien we ook daarin een evolutie in de jaren negentig). Daarnaast gaan
boodschappen er ook anders uit zien afhankelijk van wie ze produceert.
Een 'sterke' producent kan boodschappen maken die zeer verzorgd zijn, er
net uitzien, professioneel gemaakt zijn en dan ook zeer effectief zijn.
Die boodschappen gaan opgevangen worden als 'beter', juister, geloofwaardiger,
enzovoort dan die van anderen.
Er bestaan ook verschillen in de
vorm en het soort boodschappen. Niet elke boodschap leent zich tot een
televisie-clip, een radio-interview, een krantenartikel, een boek. Om in
een bepaald kanaal opgenomen te worden moeten boodschappen soms zeer verregaand
aangepast worden. Een joernalist die een politiek conflict in Zimbabwe
moet verslaan en daarvoor 90 seconden zendtijd krijgt in het TV-joernaal,
zal niet in staat zijn veel nuances en details aan te brengen. De boodschap
zal moeten bestaan uit een vernuftig samenspel van woord en beeld, en het
woord zal in korte en heldere zinnen vol duidelijke stellingnamen en met
een doorzichtige 'plot' moeten gegoten worden. Formaten en genres van communicatie
-- de clip, de spot, het kranteninterview, het interview in het TV-joernaal
of in het duidingsprogramma, het opiniestuk in de krant, het boek -- leggen
voorwaarden op aan wat er kan gecommuniceerd worden binnen dat genre en
wat niet. Joernalisten maken dat voortdurend duidelijk aan anderen: pas
je taalgebruik aan, vermijd uitweidingen en moeilijke woorden, kom ter
zake, kort je tekst in, enzovoort: allemaal stijlvoorwaarden die moeten
vervuld worden om een bepaalde boodschap in een bepaald genre te verspreiden.
Dit brengt me tot een tweede verschil
tussen boodschappen: er bestaat een prestige-hiërarchie tussen genres
van communicatie. Of beter: er bestaan een hele reeks hiërarchieën
die ervoor zorgen dat men om een bepaald doel te bereiken best een bepaald
genre hanteert. Als men zich wetenschappelijk wenst te profileren schrijft
men best wetenschappelijke boeken of artikels in internationale tijdschriften,
en geen romans, gedichten, of opiniestukken in De Morgen. Als men een nieuw
automerk op de markt wil brengen doet men dit best via reclamepanelen,
folders, een website, en een reeks directe evenementen waarbij het publiek
de nieuwe wagens kan zien en testen. Men doet dit niet door een boek te
schrijven, en evenmin door een interview in Knack. Een sterk genuanceerde
en beargumenteerde boodschap kan men niet verkondigen in een radio-reclamespot,
evenmin in een foldertje in het postkantoor, en evenmin door middel van
een reclamepaneel langs de autosnelweg. Voor elk van deze doelen bestaan
er 'beste' communicatievormen, en die hebben dan ook het hoogste statuut
in de hiërarchie van communicatievormen voor degenen die ze wensen
te gebruiken. Men kan dit zeer concreet maken. Om in Vlaanderen enige erkenning
te krijgen als links intellectueel is een opiniestuk in De Morgen onontbeerlijk;
om écht Bekende Vlaming te worden moet men ooit in een talkshow
met één van de VTM-coryfeeën te gast zijn geweest of
op de cover van Humo gestaan hebben; een merkwaardige Vlaming wordt men
dank zij een verschijning in Jambers; voor een geslaagde verkiezingscampagne
contacteert men best het bureau van Noël Slangen; al de rest is close
but no cigar.
En hier komen economische regelmatigheden
in het spel: de 'beste' communicatievormen zijn doorgaans ook de meest
exclusieve en het moeilijkst te verkrijgen. De wetenschappelijke top-tijdschriften
en uitgeverijen kunnen zich veroorloven uiterst selectief te zijn met wat
ze afdrukken, en het is niet makkelijk er een artikel of boek in uitgegeven
te krijgen. De aanbodzijde heeft daarbij een grote macht: degene die de
prestigieuze kanalen controleren -- de redactie van De Morgen en van VTM,
Paul Jambers, Noël Slangen, noem maar op -- kunnen zich veroorloven
strenge voorwaarden te formuleren aan would-be gebruikers van hun kanaal,
te selecteren en af te wijzen. Het is met communicatie net zo als met eten.
Een etentje bij Brunot geniet ook meer aanzien dan een etentje bij de plaatselijke
Chinees of Frituur Jenny, en als men echt iets te vieren heeft zal men
de partner ook eerder meenemen naar Brunot dan naar de Chinees of naar
Jenny. Ter zelfder tijd zal men bij Brunot ettelijke duizendjes per persoon
moeten neertellen terwijl men er bij Jenny met enkele honderdjes van af
komt.
Eén zaak zou al duidelijk
moeten geworden zijn: politiek taalgebruik mag men niet reduceren tot de
woorden van politici. Die neiging bestaat: men grijpt nog graag naar de
rechtstreekse teksten en uitspraken van politici alsof die in en op zichzelf
en in een vauüm bestaan. Niets is minder waar en er zijn twee belangrijke
factoren die men in rekening moet brengen. Eén: men kan de uitspraken
en teksten niet dissociëren van deze communicatieve economie waarin
ze geproduceerd en gecirculeerd worden. Het belang van een uitspraak of
tekst ligt in de praktijk niet enkel in de woorden -- wie dit gelooft begaat
wat John Thompson the fallacy of internalism noemt, het geloof dat de recepten
voor macht en impact in de teksten zelf liggen4
-- maar even goed in de wijze waarop ze geproduceerd zijn, door wie, wanneer,
hoe. Een op zich weinig vernieuwende tekst die samenvattingen biedt van
standpunten die eerder in het circuit van 'grijze publicaties' werden geproduceerd
kan als
de locus classicus voor vernieuwende
stellingen beschouwd worden, enkel en alleen omdat hij geproduceerd werd
in een prestigieus kanaal. Politici die niet meteen hoogvliegers zijn qua
dossierkennis en scherpzinnigheid kunnen plots naar voor gekatapulteerd
worden omwille van eerder toevallige factoren die tot grote media-exposure
leiden. Zo kon men ten tijde van de parlementaire commissie-Dutroux zure
oprispingen horen van parlementsleden over de plotse naambekendheid van
de leden van de commissie, ook al waren die leden niet meteen allemaal
hoogvliegers uit de parlementaire fracties. Het omgekeerde is eveneens
waar: intrinsiek belangwekkende teksten kunnen onopgemerkt passeren of
hun doel missen omwille van een probleem met de kanalen en manieren van
verspreiding. De zaak is: de woorden van politici zijn maar één
factor in het hele productieproces van politiek discours, en andere actoren
hebben er ook hun rol in te spelen.
Twee: politici zijn lang niet de
enige producenten van politieke uitspraken. Het 'overzicht van de krantencommentaren'
dat elke dag op Radio 1 na het ochtendnieuws van half acht wordt uitgezonden
en citaten biedt uit de editorialen van de kranten, is één
van de belangrijkste politieke mededelingen van de dag. Dagelijks geeft
het ons een lijstje van hete hangijzers, met een overzicht van de standpunten
per krant en per zuil. De verwoordingen die Siegfried Bracke hanteert in
de bespreking van evenementen in de Wetstraat plaatst de standpunten van
individuele partijen of politici meteen in een bepaald licht, en weegt
op die manier enorm op de publieke beeldvorming van de 'feiten' die zich
die dag hebben afgespeeld. Actueel en Ter Zake maken dagelijks van een
kleine reeks gebeurtenissen tot de hoofdthemata van het nieuws door ze
uit te vergroten en er relatief veel zendtijd aan te besteden. Kortom:
joernalisten zijn belangrijke politieke communicatoren.
Dit geldt ook voor experts. Wetenschappers
worden om de haverklap opgevoerd in de politiek, hetzij om moeilijke besluiten
in een wolk van objectiviteit en onaanvechtbaarheid te wikkelen en zo als
glijmiddel voor politieke beslissingen te dienen, hetzij om kritiek te
geven op het beleid en de beleidsmakers. In beide gevallen treden zij op
als stemmen in een politiek debat, hoe academisch deze stemmen ook zijn.
Hetzelfde geldt voor intellectuelen, kunstenaars en schrijvers, die zich
met de regelmaat van een klok engageren in politieke debatten, de media
opzoeken of campagnes organiseren rond een politiek thema. Het veld van
politieke communicatoren is dan ook zeer ruim, en het zou een vergissing
zijn het te reduceren tot de professionele, voltijdse politici. Naast deze
categorie zijn er immers, zo men wil, nog heel wat freelance en deeltijds
politici in dit land.5
Doorheen dit boek zal ik deze algemene
teneur pogen te handhaven: politiek taalgebruik moet ruim gecontextualiseerd
worden. Wat gezegd wordt moet bekeken worden doorheen hoe het gezegd wordt;
individuele uitspraken moeten geplaatst worden tegen de achtergrond van
andere uitspraken, van jargons en tradities om over bepaalde themata te
spreken en schrijven. Een vol, correct en genuanceerd beeld van politieke
communicatie is enkel mogelijk wanneer men zich niet exclusief op de woorden
en zinnen concentreert.
2. Vernieuwing
Vernieuwing kan men maar evalueren
wanneer men een bepaalde historische schijf neemt waarin men verschuivingen
en veranderingen onderzoekt. Immers, het soort vernieuwingen waarover we
het hier hebben zijn merkwaardige fenomenen die evolueren aan verschillende
snelheden. Delen ervan zijn derhalve zichtbaarder dan andere. Soms heeft
men de indruk dat er niets verandert terwijl er ergens op een heel diep
niveau al allerlei zaken grondig gewijzigd zijn. Het omgekeerde geldt ook:
men kan het gevoel hebben dat dingen veranderd zijn, terwijl het in de
feiten gaat om een status quo of oude wijn in nieuwe zakken. Enkel door
wat afstand te nemen van de concrete feiten in het dag-aan-dag verloop
en een iets langere periode te bekijken merkt men wat er verandert en wat
niet. Bepaalde dingen zijn blijvers, andere zijn ongemeen vluchtig, en
die dingen hoeven niet noodzakelijk samen te hangen met het intrinsieke
belang van de feiten, zoals we boven als aangaven.
Ter illustratie: de Burgermanifesten
van Guy Verhofstadt -- teksten die ik in dit boek veel belang zal toedichten
-- zijn enkel nog te vinden in de ramsj. In de ogen van de uitgever zijn
deze historische werken voorbijgestreefd en commercieel niet langer belangrijk.
Het is een voorbeeld van vluchtigheid gekoppeld aan groot belang, en het
heeft als vervelend neven-effect dat iedereen die de politieke vernieuwing
in de jaren negentig wil begrijpen zich nu met een groot praktisch probleem
geconfronteerd ziet. De teksten die naar mijn oordeel de retorische funderingen
legden voor de hele evolutie zijn nog uiterst moeilijk te vinden. Ze lijken
dan ook historisch onbelangrijk, want het ramsjen van een boek is niet
meteen een signaal dat het om een klassieker gaat, zo denkt men. En inderdaad,
de Burgermanifesten zullen heel even goed verkocht hebben maar zullen niet
echt een trouw lezerspubliek gedurende vele jaren hebben aangetrokken.
De verkoop (en de lectuur) ervan moet na een vrij korte tijd nagenoeg stil
gevallen zijn. Heel wat hedendaagse 'vernieuwers' hebben ze dus niet gelezen,
mogen we veronderstellen, ook al lopen ze zonder het te weten dag in dag
uit citaten uit de Burgermanifesten te produceren.
Bepalen wat veranderd is en wat niet
is trouwens geen eenvoudige zaak. Het motief van de vernieuwingen in de
politiek heeft het hele afgelopen decennium retorisch beheerst. Maar waarover
dit nu precies ging, en wat er dan precies het voorwerp van vernieuwing
was, is alles behalve duidelijk. Even onduidelijk is het ijkpunt: vernieuwen,
in vergelijking waarmee? Toegegeven, een moeilijke vraag wanneer men niet
precies weet wat er moet vergeleken worden. Het spoor dat ik in dit boekje
zal ontwikkelen gaat over de manier waarop deze vernieuwing een communicatieve
vernieuwing is geweest: een vernieuwing in stijl, jargon, manier van voorstellen,
beeldvorming. Dit is geen oppervlakkig gegeven, want men mag niet vergeten
dat communicatie de essentie van politieke activiteiten uitmaakt. Politiek
handelen komt vrijwel altijd neer op teksten produceren, ze bespreken,
nieuwe teksten maken, besluiten formuleren, vergaderen, debatteren, toespraken
houden: taal gebruiken, kortom. 'Iets doen' in de politiek komt doorgaans
neer op 'iets zeggen' of 'iets schrijven'. 'Een initiatief nemen' staat
doorgaans voor 'het formuleren van voorstellen', 'het opstellen van een
sneuveltekst' of 'een wetsontwerp' Zeggen dat de politieke vernieuwing
grotendeels een communicatief feit was betekent dus dat het wezen van de
politiek vernieuwd (of althans: veranderd) is.
Als we het daarover hebben zullen
we merken dat we een aantal factoren moeten meenemen in onze berekeningen.
De vernieuwing in België verliep niet onder een stolp, ze was niet
los te zien van veranderingen in de samenleving en op ruimere schaal, internationaal.
Internationaal en historisch moet men de vernieuwingsbeweging (zoals elk
politiek feit van enige omvang in de jaren negentig) uiteraard plaatsen
tegen de achtergrond van de ineenstorting van de Oost-West tegenstelling
en de haast wereldwijde hegemonie van een neoliberaal marktkapitalistisch
systeem in de jaren negentig. Dit neoliberalisme voorziet in een stamboom
voor de grote vernieuwer, Guy Verhofstadt, maar het zorgt ook voor een
herprofilering van links en veroorzaakt de doorbraak van Groen. De contextualiserende
rol van deze ontwikkelingen mag dus niet onderschat worden. Een andere
factor, nationaal dit keer en een eerder 'trage' evolutie, is de doorbraak
van nationalisme in de jaren negentig. Ook dit houdt verband met de ineenstorting
van het Oostblok, maar in ons land heeft het daarnaast ook zijn eigen historische
dynamiek. In de jaren tachtig en negentig installeert zich een mild soort
nationalisme als 'staats'-ideologie in Vlaanderen (en, minder zichtbaar,
in Wallonië). Dit heeft tot gevolg dat zowel gematigd-nationalistische
krachten zoals de VU als radicaler organisaties zoals het Vlaams Blok een
ideologisch en retorisch legitimerend kader verwerven en kunnen doorstoten
-- voor wat betreft dat aspect van hun programma tenminste -- naar het
centrum van het politiek debat. Ook in niet-traditioneel nationalistische
partijen worden standpunten in verband met Vlaanderen die tot kort tevoren
als 'radicaal' bestempeld werden nu gemeengoed. Tot de meest radicale uitspraken
inzake Vlaamse autonomie en anti-Belgicisme moeten we in de jaren negentig
een aantal uitspraken rekenen van de Minister-President van de Vlaamse
Regering, en een van de meest opzienbarende intellectuele producten van
het Vlaams-nationalisme in het afgelopen decennium is ongetwijfeld Het
Sienjaal van Coppieters en De Batselier.
Deze factoren zorgen ervoor dat politieke
partijen zich kunnen herprofileren en zich anders kunnen opstellen ten
opzichte van ideologische themata en delen van het electoraat. Om te vernieuwen
moet er plaats zijn voor vernieuwing, en het zijn deze meer globale verschuivingen
die die plaats scheppen. Maar één factor mag niet over het
hoofd gezien worden: de concrete politieke positie die individuele actoren
en partijen innemen. Vernieuwing is typisch een thema van de oppositie,
en het duikt typisch op wanneer een bepaalde partij of coalitie gedurende
lange tijd aan het bewind is. De vernieuwingsbeweging in dit land is in
gang gezet vanuit de oppositie, en ze is geworden wat ze is door het feit
dat met name de liberalen lange tijd in de oppositie hebben verbleven.
De langdurigheid van de oppositiekuur heeft, in samenhang met verschuivingen
van communicatieve economie, de mogelijkheid geboden om een zeer sterk
uitgewerkte retoriek en stijl te ontwikkelen die de vernieuwing vorm gaf.
Alle oppositiepartijen hebben daar baat bij gehad, want de plaats in de
oppositie maakte nu net het soort radicaliteit, frivoliteit en utopisme
mogelijk dat dit vernieuwingsproject nodig had. De vernieuwing van de jaren
negentig is een vernieuwing die uitging van de oppositie en die de regering
in het defensief drong en dwong tot aanpassingen aan de nieuwe stijl en
toon van de politiek. Het is dus nuttig om de politieke vernieuwing te
bekijken als een politieke oppositie-strategie in origine, een strategie
die derhalve niet noodzakelijk te allen tijde het algemeen belang centraal
stelde maar vaak gewoon gehanteerd werd om oppositie te voeren.
3. Tekst en context: een overzicht
Het is binnen dit kader dat de hoofdstukken
van dit boekje gesitueerd moeten worden. De rode lijn is telkens een zoektocht
naar de manier waarop politieke communicatie, jargons, themata worden opgebouwd,
veranderen, en zich verhouden tot ruimere ontwikkelingen in de samenleving
-- elke tekst wordt met andere woorden geplaatst in een context.
Ik open met een hoofdstuk over de
eerste twee Burgermanifesten van Guy Verhofstadt. Zoals gezegd beschouw
ik de Burgermanifesten als het vertrekpunt voor de ontwikkelingen in de
politieke communicatie en politieke vernieuwing. In de Burgermanifesten
schept verhofstadt een nieuw jargon en een nieuw argumentatiepatroon waarmee
de politiek en de samenleving beschreven worden. Dit jargon is radicaal,
al is het inmiddels gemeengoed geworden. Verhofstadt ontwerpt een retorisch
kader waarin de individuele Burger (de voornaamste terminologische uitvinding
van Verhofstadt) een centrale plaats toegewezen krijgt in de politiek.
Hij giet daarrond een hele theorie waarin democratie en de vrije markt
op één lijn worden gesteld en waarin aan de hand van deze
metafoor de hele wereld wordt verklaard. Het gevolg laat zich raden: we
krijgen in de Burgermanifesten een reeks uiterst vereenvoudigde voorstellingen
van de feiten gekoppeld aan even gesimplifieerde oplossingen. We krijgen
met andere woorden een model voorgeschoteld van een nieuwe populistische
politiek die aan de hand van een zeer klein aantal axioma's heel veel politieke
voorstellen genereert (en zo een aantrekkelijk eenvoudige politieke logica
ontwikkelt -- uit het nieuwe liberalisme valt alles af te leiden) en politieke
problemen ook binnen het bevattingsvermogen van de 'gewone man' brengt.
Verhofstadt geeft met die ingreep een gevoel van macht aan de individuele
Burger: cafépraatjes kunnen vanaf heden doorgaan voor gefundeerde
politieke analyses, en ieders mening is evenwaardig en legitiem. Dit is
natuurlijk groot medicijn voor de centrale ziekte van onze politiek zoals
Verhofstadt die schetst: de kloof tussen Burger en politiek. Verhofstadt
definieert deze ziekte, hij voorziet in een invulling van 'kloof', van
'burger' en van 'politiek', en deze definities zullen het decennium gaan
beheersen.
Ik laat hoofdstuk 2 over de
Burgermanifesten volgen door drie hoofdstukken die telkens een (of een
aantal) aspecten van verandering in de politieke communicatie uitwerken.
Hoofdstuk
3 is een analyse van een uitzending van Librado (het Liberale duidingsprogramma)
uit 1991. Het programma situeert zich in dezelfde periode als de Burgermanifesten,
en het toont aan hoe aan de ideologie van Verhofstadt meteen ook een aantal
praktische communicatie-technische ingrepen worden gekoppeld. In Librado
zien we een vernuftig samenspel van woord en beeld dat ervoor zorgt dat
er naast datgene wat wordt gezegd nog heel wat andere boodschappen impliciet
worden gecommuniceerd. We zien ook hoe de kloof tussen Burger en politiek
wordt gedicht door het gebruik van 'call centers' waarin de individuele
kijker rechtstreeks vragen kan stellen aan de politici. We zien, kortom,
hoe de nieuwe liberale beelden over democratie meteen worden in de praktijk
gebracht door een nieuwe communicatietechniek. Terwijl Verhofstadt en Beysen
weinig origineels zeggen over het migrantenbeleid lijkt hun optreden nieuw
en vernieuwend omwille van de vorm waarin het wordt gegoten
Hoofdstuk 4 bespreekt het
boekje 'Vlaanderen-Europa 2002' dat door de Vlaamse Regering-Van den Brande
in 1993 werd uitgegeven en dat gepaard ging met een grote sensibiliseringscampagne
die het Vlaams bewustzijn wat leven moest inblazen. Het initiatief laat
ons toe enkele andere vernieuwingen te documenteren: de inschakeling van
lokale politiek en politieke beeldvorming in transnationale, 'globale'
modellen, die op hun beurt zeer sterk geïnspireerd zijn op marketing-modellen
voor communicatie. Wat Van den Brande en de zijnen opzetten in 1993 is
een grootschalige, dure en gesoftikeerde reclamecampagne die alweer wordt
voorgesteld als een nieuwe vorm van democratische informatiespreiding.
We merken dus nogmaals hoe de vrije markt een model wordt voor democratie,
en bovendien merken we hoe nationalisme zich bijzonder goed lijkt te lenen
tot dit formaat van communicatie.
Hoofdstuk 5 biedt een analyse
van de teksten die werden gebruikt in twee 'ideologische vernieuwingscongressen'
van de socialisten, het congres van 1974 en dat van 1998. De afstand tussen
beide historische momenten is reusachtig: het socialisme van 1998 is een
zeer grondig ander socialisme dan dat van 1974 en dat merkt men aan de
teksten. Let wel: in de teksten van 1998 merkt men weinig nieuwe inhoudelijke
zaken. Een grondige lezing van de teksten toont aan dat de klemtoon op
ecologie en de aanvaarding van een marktkapitalistische economie die in
1998 werden voorgesteld als de nieuwigheden, reeds in 1974 door de socialisten
werden beklemtoond. Wat veranderd is, is de stijl, de wijze waarop de partij
zichzelf afbeeldt en zo een relatie schetst met haar achterban. Daar waar
de socialisten van 1974 nog konden spreken in naam van het wereldwijde
socialisme en zo een uiterst herkenbare doctrine konden vertolken, merken
we dat in 1998 geen spoor meer terug te vinden is van doctrine. Socialisme
is overgegaan in 'socialisten', individuen, en de doctrine is vervangen
door een dialoog tussen partij en achterban die volkomen vrijblijvend is,
inspeelt op de vrije keuze van de burger, en bijgevolg veel meer gericht
moet zijn op haalbaar beleid. De congresteksten van 1998 stellen, grofweg
samengevat, geen ideologie voor maar een soort beleidsplan, dan nog gevat
in het formaat van 'contracten' tussen partij en burger. We zien dezelfde
onderstroom als in de vorige hoofdstukken: ook bij de socialisten zijn
de relatie tussen partij en burger samen met de manier waarop die in communicatie
wordt voorgesteld gemodelleerd op een beeld van de vrije markt als democratie.
De twee volgende hoofdstukken verleggen
de thematiek van communicatietechnieken naar themata en inhouden. Ik bespreek
twee themata die in de jaren negentig een grote prominentie gaan verwerven:
tolerantie(hoofdstuk 6) en veiligheid (hoofdstuk 7). In beide
gevallen draait de analyse rond individualisering en het verdwijnen van
'ideologie' als verklaring. Tolerantie duikt op als kernwoord wanneer racisme
ter sprake komt. Het begrip staat in de politieke retoriek voor het tegendeel
van racisme: men is hetzij racist, hetzij tolerant. De manier waarop 'tolerantie'
wordt gebruikt leidt ons recht naar ruimere ideologische fenomenen. Het
tegendeel van racisme wordt systematisch voorgesteld als een individuele
eigenschap: tolerantie is een kenmerk van de persoonlijkheid van mensen,
het is een goede en lovenswaardige individuele eigenschap. In dezelfde
beweging wordt ook racisme tot een individuele eigenschap gereduceerd,
en racisme of tolerantie worden herleid tot een kwestie van persoonlijke
opvatting en keuze. Het 'systeem' wordt zo vrijgepleit van racisme, en
een diep en groot structureel maatschappelijk probleem wordt gereduceerd
tot de optelsom van een reeks individuele problemen. Maar er is meer. Het
gebruik van het begrip 'tolerantie' lijkt te berusten op een groter ideologisch
patroon in onze samenleving, één waarin men een onderscheid
maakt tussen sociale problemen die ontstaan omwille van 'het lot', en andere
die ontstaan omwille van de 'vrije wil' van de betrokkenen. Voor de eerste
categorie voorziet men structurele oplossingen binnen de welvaartstaat;
voor de tweede categorie doet men dat niet, en daarvoor moet men dan individuele
tolerantie opbrengen. Het gebruik van 'tolerantie' toont ons dan ook de
concrete werking aan van één van de krachtigste ideologieën
in onze samenleving: die van de individualiteit. En het is die ideologie
die doorheen heel de politieke vernieuwing wordt geknuffeld en uitgewerkt.
Individualisering duikt ook op in
de bespreking van het thema van veiligheid in hoofdstuk 7. Wat we
hier merken is hoe het veiligheidsthema samenhangt met een algemene benadering
van het migrantenvraagstuk waarbij structurele maatschapplijke problemen,
net als in het vorige hoofdstuk, gereduceerd worden tot individuele keuzen
en individuele problemen van allochtonen. De samenleving blijft dus nogmaals
buiten schot, de kwestie wordt ontdaan van alle mogelijke historische,
diep-politieke en ideologische dimensies, en wordt zo 'controleerbaar'.
Bij het veiligheidsthema merken we de verdwijning van ideologie en conjunctuur
als verklaringen -- iets wat we ook al zagen in de socialistische vernieuwingspogingen
van
1998, en eveneens een kenmerk van de nieuwe liberale retoriek van Verhofstadt.
De hoofdstukken 8 en 9
bieden een soort synthese van de vernieuwingen van de jaren negentig. In
de twee hoofdstukken schets ik eerst de transformatie van de politicus
in een proces dat ik 'Clintonificatie' noem. Dit komt er op neer dat de
politicus steeds meer 'openheid' schept inzake zijn of haar niet-professionele
bezigheden: hobby's, het gezin, het karakter en zo meer. Ze doen dit omwille
van de 'kloof'-- een begrip dat ze, zoals we zagen, hebben geleerd van
Verhofstadt. Net zoals bij Bill Clinton's amoureuze affaires is deze nieuwe
openheid echter een tweesnijdend zwaard. Hoewel we, objectief, nooit zo'n
kleine kloof hebben gehad tussen burgers en politici, kan de nieuwe openheid
ook leiden tot nieuw wantrouwen en dus tot een indruk van een grotere kloof.
Hoofdstuk 9 sluit hierop aan
en schetst de globale transformatie van de politiek in de jaren negentig.
Naast nieuwe beelden van politici krijgen we immers ook nieuwe beelden
van politiek, gebaseerd op de recepten die Verhofstadt schetste in de Burgermanifesten.
Deze recepten zijn al bekend: directe democratie, een rechtstreekse band
tussen de stem van de individuele burger en het beleid, en een zeer grote
eerbied voor 'publieke opinie'. Ik noem dit dan ook 'vox-populisme', een
nieuw soort populisme dat uitgaat van de prioriteit van de 'stem des volks'.
Referenda, websites met discussiefora, wijkraden en zelfs subsidiariteit
en nationalisme zijn hier uitingen van. Deze nieuwe beweging gaat door
als een poging om te komen tot een 'betere democratie', één
die de gevreesde kloof dicht. Maar net zoals bij de Clintonificatie van
de politicus zien we dat ook vox-populisme tot tegengestelde effecten kan
leiden. De kampioen van het vox-populisme is immers het Vlaams Blok, een
partij die erin slaagt haar eigen imago volledig af te stemmen op deze
'nieuwe democratie', en die er zo in slaagt een recept dat is ontwikkeld
tégen het Vlaams Blok aan te wenden als krachtig wapen ten voordele
van het Vlaams Blok. De jaren negentig waren zonder twijfel het decennium
van de politieke vernieuwing. Ze waren echter ook het decennium van het
Vlaams Blok, en de samenhang tussen beide evoluties is niet toevallig.
De slotsom van dit alles schets ik
in een naschrift. Daarin grijp ik terug naar de relatie tussen politiek
bedrijf en een nieuwe communicatie-economie en concludeer dat de groeipijnen
van de vernieuwing te maken hebben met een verkeerde inschatting van communicatie
en wat communicatie doet in een samenleving zoals de onze. Communicatie
is zoals de Jedi in Star Wars: het heeft een enorme kracht en die kan in
gunstige zin aangewend worden, maar kan net zo goed uitmonden in zeer kwalijke
toestanden. In beide gevallen gaat het om extremen: goed is zeer goed,
en slecht is zeer slecht. Men kan de uitkomst van mijn analyses dan ook
in twee richtingen lezen: optimistisch, en blijven geloven in het emancipatorische
en democratiserende potentieel van nieuwe communicatie, of pessimistisch.
In die laatste lezing vormen de transformaties in politieke communicatie
de doodsteek voor de democratie. Ik heb zelf gekozen voor een open einde.
4. Het doel.
Dit open einde is een aanwijzing
van mijn doel met dit boekje. Ik heb een minimaal en een maximaal doel.
Voor het minimale doel doe ik beroep op een typische formulering van Hobsbawm:
"het is onwaarschijnlijk dat de lessen die uit deze analyses getrokken
kunnen worden ook zullen opgepikt worden, maar het minste wat een historicus
kan doen is voorzien in opvoedend materiaal".6
Dit geldt naar mijn oordeel voor alle sociale wetenschappen. Ik heb als
taalkundige veel geschreven vanuit een simpele drijfveer: het gevoel dat
bepaalde gegevens en standpunten hoe dan ook moeten bestaan en moeten beschikbaar
zijn, ongeacht het feit of ze de allerbeste gegevens en standpunten zijn,
en ongeacht het feit of ze door anderen opgepikt worden of niet. Mijn eerste
doel was anderen het excuus ontnemen dat ze dit alles niet wisten. Het
maximale doel is, ook in samenhang met veel ander schrijfwerk van mijn
hand, het stimuleren van een maatschappelijk debat. Academici verliezen
nogal vaak uit het oog dat ze in de eerste plaats intellectuelen zijn,
dat betekent producenten van ideeën. Onze plaats in een democratie
is in het middenveld, en onze opdracht daar is het aanwakkeren van het
kritische debat in dat middenveld. Er is geen democratie mogelijk zonder
dat soort kritisch debat in het middenveld, en daarin hebben wij een verantwoordelijkheid.
Vandaar dat ik er geen punt van maak mijn ideeën ruw en ongepolijst
te publiceren: het doel is dat anderen ze verfijnen, bevestigen of weerleggen.
Als ten gevolge van mijn interventie andere, meer deskundige mensen aan
het debat gaan deelnemen, dan ben ik tevreden over mijn werk.
Op een ander niveau is het opzet
van dit boekje van wetenschappelijke aard. Ik wil een ander soort benadering
van politiek en publieke opinie bieden dan degene die gemeengoed is in
onze samenleving en die het meest gevulgariseerd wordt. Die benadering
wordt gekenmerkt door een zeer grote concentratie op 'formele' politieke
elementen: de politicus, het institutionele geheel van onze politiek, de
expliciete uitspraken en teksten van politici. Ze wordt ook gekenmerkt
door een grote concentratie op opinie-onderzoek. Dit is goede wetenschap,
in de zin dat de conclusies ervan vaak meer vragen oproepen dan ze er oplossen.
Dat soort vragen moeten aangepakt worden met een meer gevarieerde wetenschappelijke
benadering die rekening houdt met 'onzichtbare' elementen uit een samenleving,
die teksten anders leest en die rekening houdt met een rijkere context
dan degene die vaak in ander onderzoek wordt gebruikt. Van dat soort benadering
wil ik hier illustraties bieden, ruw, onvolkomen en soms embryonaal. Het
gaat er mij om de mogelijkheden van de benadering aan te tonen, want naar
mijn oordeel stelt ze ons in staat andere, en betere, antwoorden te verzinnen
op belangrijke politieke en maatschappelijke vragen.

|