1. (Marcovich 1, Mansfeld 1, Kahn I)
Van de logos, die de hierna volgende is altijd tonen de mensen zich
zonder begrip, zowel voordat ze hem aanhoord hebben als nadat ze hem
eerst hebben aanhoord. Want alhoewel alles tot stand komt
overeenkomstig de hierna volgende logos, gelijken zij op (mensen)
zonder ondervinding telkens zij zowel woorden als daden ondervinden
van het soort zoals ik uiteenzet, alles ontledend overeenkomstig
zijn natuur en verklarend hoe het gesteld is. De andere mensen,
echter, ontgaat wat zij doen wanneer zij wakker zijn, zet zoals ze
vergeten (wat ze doen) wanneer zij slapen.
2. (23/2, 2, III)
Daarom hoort men het gemeenschappelijke te volgen; maar hoewel de
logos gemeenschappelijk is, leeft de grote massa alsof ze over een
private verstandigheid beschikte.
3. (57, 78, XLVII)
(over de grootte van de zon) de breedte van een menselijke
voet. 4. (38, 106, -)
(als het geluk in lichamelijke genietingen bestond, zouden we
runderen gelukkig heten, wanneer ze wilde peulen te eten vinden)
Runderen verlustigen zich in wilde peulen (eerder dan in honig).
5. (86, 20, CXVII)
Met bloed bezoedeld, reinigen zij zich met bloed, vergeefs; wat net
hetzelfde is als wanneer iemand die in de modder heeft gelopen, zich
zou schoon wassen met modder: hij zou voor gek doorgaan als één der
mensen hem zou opmerken, terwijl hij daarmee bezig is. Ook bidden
zij tot de godenbeelden hier, wat net hetzelfde is als wanneer men
tegen de huizen zou staan praten, zonder ook maar te weten wat goden
of heroën voor iets zijn. [Anon., Theosophia 68; Celsus ap. Origenes,
Contra Cels., VII.62]
6. (58; 79; XLVIII A)
(het is duidelijk dat het niet enkel is zoals Herakleitos zegt, nl.) de
zon is elke dag nieuw (maar ze is voortdurend nieuw)... ze ontvlamt en
dooft uit.
7. (78; 37; CXII)
Als alles wat er is, rook zou worden, zouden de neusgaten (nog) verschillen erkennen.
8. (27d1=51, 28C1=80; 46; LXXV)
Het strijdige samenspannend en uit wat in tweespalt is de schoonste harmonie en alles wordt geboren door strijd.
9. (37; 103; LXXI)
Ezels verkiezen kaf boven goud.
10. (25; 45; CXXIV)
Samenvoegingen zijn gehelen en geen gehelen; samenspannend is in-tweespalt,
samenklinkend uiteenklinkend; uit alles één en uit één alles.
11. (80; 75; LXXVI)
Alle vee wordt met zweepslagen gehoed.
12. (40 & 66f²=36; 90; L & CXIII B)
Op degenen die in dezelfde rivieren treden, stromen voortdurend andere
waters toe: ook zielen dampen op uit de vochten.
13. (36; 104; LXXII A)
Varkens verlustigen zich meer in modder dan in zuiver water.
14. (87; 21; CXV)
(Voor vie profeteert Herakleitos de Ephesiër? Voor 's nachts in vervoering
ronddolenden, magiërs, bakchen, maenaden, mysten: hen bedreigt hij met wat
na de dood komt, voor hen profeteert hij 'het vuur:) De mysteriën die onder
de mensen in zwang zijn, worden op een goddeloze manier gevierd.
15. (50; 22; CXVI)
Indien zij zouden nalaten de processie te houden voor Dionusos en de hymne
te zingen voor de schaamdelen, gans schaamteloos (menen zij) zou hun optreden zijn. Maar Dionusos, ter ere van wie zij razen en in vervoering
zijn, is dezelfde als Hades.
16. (81; 30; CXXII)
Hoe zou men aan de aandacht kunnen ontsnappen van datgene wat nooit ondergaat?
17. (3; 4; IV)
De grote massa heeft geen verstand van het soort zaken waarop ze (nochtans)
voortdurend stoten, en evenmin leren ze na uitleg, maar ze houden vast aan
hun eigen opinies.
18. (11; 27; VII)
Als het onverwachte niet verwacht wordt, zal men het niet vinden, want het
is (dan) onvindbaar en ontoegankelijk.
19. (1g=1; - ; XVII)
... die niet weten te luisteren of te spreken...
20. (99; 120; XCVIII)
Eenmaal geboren, wensen zij te leven en hun doodslot te kennen, en zij
laten kinderen na, opdat (opnieuw) een doodslot geboren worde.
21. (49; 94; LXXXIX)
Wat we wakend zien, is dood, wat we slapend zien, slaap.
22. (10; 33; VIII)
Degenen die naar goud zoeken, woelen veel aarde om en vinden er weinig.
23. (45; 102; LXIX)
Zij zouden de naam 'Recht' (Dikè) niet eens kennen, als dat (sc. het onrecht) er niet was.
24. (96; 115; C)
Op het slagveld gevallenen worden geëerd door goden en mensen.
25. (97; 116; XCVI)
(Mensen met) groter doodslot winnen grotere loten.
26. (48; 89; XC)
De mens, bij nacht, ontsteekt zichzelf een licht, stervend, uitgeblust
wat zijn zicht betreft; levend, echter, raakt/ontvlamt hij aan de dode,
al slapend, uitgeblust wat zijn zicht betreft; ontwaakt raakt/ontvlamt hij
aan de slapende.
27. (74; 119; LXXXIV)
De mensen wacht, wanneer zij sterven, wat zij niet verwachten of zich zeifs
maar voorstellen.
28a. (20; 19; LXXXV)
(Menselijk) opzicht (slechts) is wat de aanzienlijkste (onder de Grieken)
kent, vasthoudt.
28b. (19; 19; LXXXVII)
Recht (Dikè) zai ze weten te achterhalen, de leugenssmeders en hun (valse)
getuigen.
29. (95; 114; XCVII)
Eén (ding) boven alles verkiezen de besten: eeuwige roem boven sterfelijke
(zaken); maar de grote massa leeft verzadigd zoals het vee.
30. (51; 61; XXXVII)
Deze (wereld)ordening, dezelfde voor alle (mensen), werd noch door een
der goden noch door een der mensen gemaakt, maar altijd was ze, is ze en zal ze zijn: vuur altijd levend, ontvlammend in maten en uitdovend in
maten.
31. (53; 63; XXXVIII-XXXIX)
Wendingen van vuur: eerst zee, en van zee de helft aarde, de helft brander;
zee vergiet zich tweevoudig, en wordt gemeten in dezelfde verhouding als
gold voordat aarde ontstond.
32. (81; 43; CXVIII)
Het Ene, het alleen wijze, staat niet toe en staat wel toe, genoemd te worden met Zeus' naam.
33. (104; 110; LXVI)
Wet is ook, aan de raad van één (man) te gehoorzamen.
34. (2; 5; II)
Horend zonder begrip (voor de samenhang) gelijken zij op doven: wat gezegd wordt, betuigt hen dat ze, hoewel aanwezig, toch afwezig zijn.
35. (7; 14; IX)
Van heel veel zaken dienen zij onderzoekers te zijn, de mannen die wijsheidsvrienden zijn.
36. (66; 85; CII)
Voor zielen is het dood, water te worden, en voor water is het dood, aarde
te worden; maar uit aarde wordt water geboren, uit water ziel.
37. (36c1=13; 105; LXXII B)
Varkens wassen zich in modder, vogels van het erf in stof en as.
38. (63b; -; XXIV)
(Thales was de eerste om aan sterrenkunde te doen).
39. (100; 112; LXII)
Te Priene leefde Bias, Teutameszoon, wiens zin (logos) verder reikt dan
die van de rest (van de mensen).
40. (16; 15; XVIII)
Veelweterij (alleen) leert geen inzicht aan: anders zou het dat aan Hesiodos en Puthagoras hebben aangeleerd, en verder aan Xenophanes
en Hekataios.
41. (85; 41; LIV)
Het wijze is één (ding): op voet van vertrouwdheid te staan met de kennis die (resp. hoe) alles doorheen alles stuurt
(resp. gestuurd wordt).
42. (30; 13; XXI)
Homeros verdient het, dat hij uit de zangwedstrijden geworpen wordt en
stokslagen krijgt, en Archilochos idem.
43. (102; 98; CIV)
Hoogmoed (hubris) dient in nog hogere mate geblust te worden dan 'n
brand.
44. (103; 109; LXV)
Te strijden dient het volk ter verdediging van zijn stadswet, net zo
goed als ter verdediging van zijn stadswallen.
45. (67; 95; XXXV)
De grenzen der ziel zal je al gaande niet kunnen vinden, ook al reis je
langs iedere weg: zo diep is de logos die ze bezit.
46. (114+;-;-)
(eigenwaan is 'n soort van epilepsie, en het zicht bedriegt).
47. (113+; 28; XI)
(Laten we omtrent de zaken die van het grootste gewicht zijn, niet in 't
wilde weg conclusies trekken).
48. (39; 52; LXXIX)
De naam van de boog is leven, maar zijn werk is dood.
49. (98; 111; LXIII)
Eén is er mij tienduizenden waard, als hij de beste is.
49a. (40c2= 12; 92; - )
(Tweemaal?) in dezelfde rivieren stappen we en stappen we niet, we zijn
en we zijn niet.
50. (26; 40; XXXVI)
Niet mij, maar de logos horend, is het wijs ermee in te stemmen, dat
alles één is.
51. (27; 48; LXXVIII)
Zij begrijpen niet hoe het, in tweespalt, met zichzelf samenspant:
een opgespannen verbinding (harmonia) zoals van boog en lier.
52. (93; 122; XCIV)
De levenstijd is een kind, spelend, dammend: het koningschap is aan een
kind.
53. (29; 49; LXXXIII)
Oorlog is vader van allen, koning van allen, en de enen toont hij als
goden, de anderen als mensen, de enen maakt hij tot slaven, de anderen
tot vrijen.
54. (9; 47; LXXX)
Onzichtbare verbinding (harmoniè) is sterker dan zichtbare.
55. (5; 34; XIV)
Waarvan zicht, gehoor, lering (is), daaraan geef ik de voorkeur.
56. (21; 11; XXII)
De mensen worden ten aanzien van hun kennis van wat zichtbaar is, op gelijkaardige wijze bij de neus genomen als Homeros, die wijzer was dan
alle Grieken. Hij werd immers bij de neus genomen door kinderen die luizen hadden gedood, zeggend: 'wat we zagen en vingen, dat laten we achter,
maar wat we noch zagen noch vingen, dat nemen wij mee'.
57. (43; 16; XIX)
Der meesten leermeester is Hesiodos: van hem zijn ze zeker dat hij het
meest weet, terwijl hij niet eens dag en nacht kent; die zijn immers één.
58. (46; 53; LXXIII)
De geneesheren, die snijden en branden, doen er hun beklag over, dat ze
geen waardige beloning ontvangen, terwijl ze hetzelfde bewerkstelligen
als de ziektes.
59. (32; 56; LXXIV)
De weg van de (rollende) kaardkam, recht en krom, is één en dezelfde.
60. (33; 57; CIII)
De weg omhoog en omlaag is één en dezelfde.
61. (35; 54; LXX)
Zee is het zuiverste en het meest bedorven water: voor vissen is het
drinkbaar en heilzaam, maar voor de mensen is het ondrinkbaar en dodelijk.
62. (47; 65; XCII)
Onsterfelijken sterfelijken, sterfelijken onsterfelijken, de (onsterfelijken) levend de dood van de (sterfelijken), de (sterfelijken) stervend
het leven van de (onsterfelijken).
63. (73; 117; CX)
Daar... staan ze op en worden, waakzaam, wachters over levenden en doden,
64 & 64a (79; 68 & 74; CXIX)
(Herakleitos bestempelt dat vuur ook als verstandig (=64a), en
als de
oorzaak van de organisatie van het heelal, door te spreken als volgt:)
al deze (dingen) loodst de bliksemschicht.
65. (55; 71; CXX)
(Het vuur is) gebrek en verzadiging.
66. (82; 73; CXXI)
Het vuur zai allen komen oordelen en veroordelen.
67. (77; 44; CXXIII)
God is dag nacht, winter zomer, oorlog vrede, verzadiging honger (alle
tegengestelden, dàt is de bedoeling): hij neemt verschillende gedaanten
aan, zoals (vuur), wanneer het vermengd wordt met reukstoffen, genoemd
wordt naar het aroma van elk ervan.
67a. (115+; - ; - )
Zoals 'n spin, die zich in het midden van haar web bevindt, het merkt
zodra 'n vlieg een of andere draad van haar vernielt, en snel daarheen
snelt als leed ze pijn onder de vernieling van de draad, zo ook haast de
ziel van de mens, wanneer enig deel van het lichaam gekwetst is, zich vlug
daarheen als verdroeg ze de beschadiging niet van het lichaam waarmee ze hecht en evenredig verbonden is.
68. (88; - ; - )
genezingen (voor de zielen, noemt Herakleitos de mysteries).
70. (92d= 79; 8; LVIII)
(De menselijke opvattingen zijn) speelgoed van kinderen. Of:
Kinderen, man geworden, werpen hun speelgoed weg (Snell).
71. (69b1= 117; - ; V)
(Denk ook aan wat Herakleitos zegt over) degene die vergeet waarheen de
weg leidt.
72. (4; 3; V)
Waarmee zij het meest continu omgaan (de Logos die het al bestiert),
daarmee zijn ze in tweespalt, en waar ze dagelijks op stoten, dat komt
hen vreemd voor.
73. (Ih1; - ; V)
(Men hoort niet als slapenden te doen en te spreken. Want ook dan hebben
we de indruk dat we handelen en spreken).
74. (89; 9; XIII)
(We moeten niet handelen en spreken) als kinderen van onze ouders (dat
betekent in gewone taal:) zoals wij hebben overgenomen,
75. (Ih²; - ; XCI)
Ook de slapenden zijn werkers en werken mee aan wat in de wereld tot
stand komt.
76. (66e4= 36; - ; XLI)
(Het vuur leeft de dood van aarde, en lucht leeft de dood van vuur,
water leeft de dood van lucht, aarde die van water).
77. (66d1= 36; 88; CXIII)
Voor zielen is het genot of dood, vochtig te worden (... en ergens anders zegt hij: wij leven de dood van genen, en genen leven onze dood (cf.
fr.62)).
78. (90; 99; LV)
De menselijke aard bezit geen inzichten, wel de goddelijke.
79. (92; 58; LVII)
Vergeleken met de daimoon heet 'n man dwaas, zoals 'n kind (dwaas heet)
vergeleken met 'n man.
80. (28; 50; LXXXII)
Weten moet men, dat de oorlog gemeenschappelijk is, en dat strijd recht is, en dat alles ontstaat volgens strijd en behoren.
81. (18; 18; XXVI)
(Puthagoras) aanvoerder der bedriegers.
82 & 83 (92b= 79; 60 & 59; LVI)
De mooiste van de apen is afzichtelijk vergeleken met het geslacht der
mensen; de meest wijze der mensen ziet er 'n aap uit vergeleken met god,
in wijsheid, schoonheid en al de rest.
84ab (56ab; 69-70; LII-LIII)
al veranderend rust het uit; vermoeidheid is: voor hetzelfde te zwoegen
en (door hetzelfde) beheerst te worden.
85. (70; 96; CV)
Tegen de hartstocht is het moeilijk vechten: wat hij wil, koopt hij immers met ziel.
86. (12; 29; LXXXVI)
Door gebrek aan vertrouwen ontkomt het eraan, gekend te worden.
87. (109; 7; LX)
Een dom mens is geneigd bij ieder betoog (logos) z'n hoofd te verliezen.
88. (41; 66; XCIII)
Hetzelfde: leven en gestorven, wat waakt en wat slaapt, jong en oud;
deze zijn omslaand gene en gene zijn omslaand deze.
89. (24; - ; VI)
Voor de wakenden is er eenzelfde, gemeenschappelijke (wereld)ordening,
maar van de slapenden is ieder afgewend naar 'n private.
90. (54; 62; XL)
Alle (dingen) zijn een gelijke ruil voor vuur, en vuur voor alle (dingen),
zoals waren (een gelijke ruil zijn) voor goud, en goud voor waren.
91. (40c1: 12; 95; LI)
Het is niet mogelijk om tweemaal in dezelfde rivier te stappen... hij
verspreidt en voert samen... hij komt naderbij en gaat weg.
92. (75; 21; XXXIV)
De Sibylle, die, met razende mond, verkondigt wat niet-om-te-lachen,
onopgesmukt en niet-geparfumeerd is (reikt met haar stem duizend jaar
ver, door toedoen van de god).
93. (11; 25; XXXIII)
De vorst, van wie het orakel in Delphi is, legt niet uit of verbergt niet
maar geeft tekens.
94. (52; 76; XLIV)
Zon zal zijn maten niet te buiten gaan; zoniet, zullen de Wraakgodinnen,
handlangsters van Recht (Dikè), hem weten te vinden.
95. (110; 38; CVII)
Onwetendheid te verbergen is beter (maar als men ontspannen is, en bij 'n beker
wijn, is dat moeilijk).
96. (76; 118; LXXXVIII)
Meer dan mest verdienen lijken het, weggeworpen te worden.
97. (22; 6; LXI)
Honden blaffen maar als ze iemand niet kennen.
98. (72; 91; CXI)
De zielen snuiven (damp) op in de Hades.
99. (60; 77; XLVI)
Als er geen zon was, zou het, wat de andere sterren betreft, nacht zijn.
100. (64; 83; XLII A)
... de seizoenen, die alles aanbrengen.
101. (15; 59; XXVIII)
Ik bevroeg mijzelf.
101a. (6; 35; XV)
Ogen zijn meer accurate getuigen dan oren.
102. (91; 101; LXVIII)
Voor de god is alles schoon en rechtvaardig, maar de mensen hebben het
ene als onrechtvaardig, het andere als rechtvaardig opgenomen.
103. (34; 55; XCIX)
Begin en eind op de cirkelomtrek zijn gemeenschappelijk.
104. (101; 10; LIX)
Wat is hun inzicht of verstand? Ze luisteren naar de volkszangers en nemen de menigte voor
hun leermeester, niet wetende dat "de velen slecht
zijn, alleen 'n minderheid goed".
105. (63a; - ; XXIII)
(Herakteitos noemt) Homeros astronoom.
106. (59; - ; XX)
(Herakleitos gispte Kesiodos, die de ene dag tot 'n goede, de andere tot
'n slechte maakte, omdat hij er onwetend van was dat) de natuur van elke
dag één is.
107. (13; 56; XVI)
Slechte getuigen zijn voor de mensen ogen en oren, wanneer hun ziel geen
"Grieks" verstaat.
108. (83; 42; XXVII)
Niemand van al degenen wier betogen ik gehoord heb, komt ertoe te erkennen dat het Wijze onderscheiden is van allen (alles).
110. (71; 97; LXVII)
Dat mensen alles krijgen waarop ze hun zinnen hebben gezet, is niet beter.
111. (44); 51; LXVII)
Ziekte maakt gezondheid aangenaam en goed, honger verzadiging,
vermoeidheid rust.
112. (23f= 2; 107; XXXII)
Verstandig-zijn is de grootste voortreffelijkheid, en wijsheid (is) zeggen
en doen wat waar is, in overeenstemming met de natuur, gehoor gevend.
113. (23d1= 114+2; 31; XXXI)
Gemeenschappelijk voor allen is het verstandig-zijn.
114. (23/1; 108; XXX)
Wie met inzicht wil spreken, moet kracht putten uit wat gemeenzaam is aan
alles, zoals de polls (kracht moet putten) uit de wet, en nog veel krachtiger: alle menselijke wetten worden immers gevoed door
één, de goddelijke; want de macht ervan strekt zich uit zover hij wil, en hij is
voor alle toereikend en heeft nog over.
115. (112+; - ; CI)
(Van Sokrates:) Van de ziel is er 'n logos die zichzelf vergroot.
116. (23e= 2; 32; XXIX)
Aan alle mensen is het gegeven, zichzelf te kennen en verstandig te zijn.
117. (69; 87; CVI)
Wanneer 'n man dronken is, wordt hij, wankelend, geleid door 'n onvolwassen knaap, niet beseffend waar hij heen gaat, met 'n vochtige ziel.
118. (68; 86; CIX)
Droge ziel is de meest wijze en de beste.
119. (91; 100; CXIV)
Zijn aard, (dat) is 's mensen demon.
120. (62; 82; XLV)
De grenzen van dageraad en avond: de Beer en, tegenover de Beer, de
Wachter van hemelse Zeus.
121. (105; 113; LXIV)
De Ephesiërs verdienen dat iedere volwassene onder hen zich zou verhangen en de polls overlaten aan de onvolwassenen, zij, die Hermodoros, de
meest kapabele man onder hen, verbannen hebben, zeggende: "Niemand van
ons zij de meest kapabele; en is hij het toch, dan maar ergens anders
en bij anderen".
122. (111; - ; - )
Nadering.
123. (8; 26; X)
De natuur houdt ervan zich te verbergen.
124. (107; 123; 125)
De schoonste ordening (kosmos) is (niet meer dan) 'n hoop veegsel dat
lukraak is uitgestort.
125. (31; 72; LXXVII)
Ook de gerstedrank schift wanneer hij (niet) bewogen wordt.
125a. (106; - ; -)
Moge het u nooit aan rijkdom ontbreken, Ephesiërs, opdat jullie ontmaskerd worden in jullie slechtheid.
126. (42; 64; XLIX)
Koud verwarmt zich, warm koelt af, vochtig wordt droog, droog wordt nat.
129. (17; 17; XXV)
Puthagoras, Mnesarchoszoon, beoefende van alle mensen het meest het onderzoek, en door 'n keuze te maken uit deze geschriften fabriceerde hij
zich
eigen wijsheid, veelweterij, bedrogkunst.
|