1. Inleiding.
Anaximenes was eveneens een burger van Milete en was hoogstens één generatie
jonger dan Anaximander. Tot zijn tijdgenoten behoorden ook Puthagoras en
Xenophanes[1]. Over zijn leven is niets geweten, maar wegens de totale verwoesting
van Milete door de Perzen in 494 (als gevolg van de mislukte Ionische opstand), zal
het zich vermoedelijk niet ver in de 5de eeuw hebben uitgestrekt. Hij liet een geschrift
na, dat geschreven was in een "eenvoudig en onopgesmukt Ionisch" (D-K 13A1).
Anaximenes' historische betekenis - vooral dan in verhouding tot zijn onmiddellijke
voorganger, Anaximander - wordt in de moderne literatuur op nogal ambivalente
wijze geëvalueerd.
Enerzijds wordt zijn keuze voor een 'concrete' of 'aanschouwelijke'
archč, namelijk
ačr,
in vergelijking met Anaximanders meer 'abstracte', zo niet 'metafysische'
apeiron,
vanuit filosofisch oogpunt beoordeeld als een terugkeer
of -val naar Thales, en dus als
een regressie[2]. Wat zijn 'natuurwetenschappelijke' speculaties betreft, wordt
opgemerkt dat hij niet kan tippen aan Anaximanders' "combination of reasoning
power and bold imagination"[3]. Op het vlak van zijn kosmografie wordt zelfs een
terugkeer vastgesteld naar het meer naďeve, mythische wereldbeeld, zij het dan
"gezuiverd van zijn meest opvallende mythologische details"[4]. Zijn zielsleer, ten
slotte, met het parallellisme tussen menselijke en kosmische "ademziel" (fr. 2, zie
verder), wordt in verband gebracht met de mystieke stromingen die in de 6de eeuw in
de Griekse wereld tot ontwikkeling kwamen (bv. het Orfisme)[5].
Anderzijds wordt Anaximenes - omwille van de correcties die hij hier en daar aanbracht bij Anaximanders aprioristische constructies (de hemelwielen, de plaats van
de vaste sterren...), maar vooral omwille van zijn introductie van een fysisch
transformatieproces (zie verder) - op het natuurwetenschappelijke
vlak over
het algemeen toch beschouwd als "een verdere stap in de ontwikkeling naar een wetenschappelijke kosmogonie"[6]. Zoals Krafft (o.c., p. 139) het formuleert:
"In Anaximenes hebben we dus een denker voor ons, die een zeer kritische houding
aannam tegenover het kosmologisch gedachtegoed van zijn voorganger, de zwakheden erin verbeterde, andere zaken overnam, en in het algemeen erop bedacht
was, de veranderingen in de kosmos meer te verklaren uit de fysische eigenschappen van de stoffen, of juister: van de ene stof 'lucht', waardoor zijn ganse kosmologie een grotere eenheid vertoont. Vele principes van de latere wetenschap van
de natuur laten zich daarom al hier bij hem in hun aanzet erkennen".
Het hangt dan onvermijdelijk af van de subjectieve voorkeur van de historicus, in
welke richting hij de balans bij het eindoordeel zal laten doorwegen. Zo schrijft
W.Röd, in zijn geschiedenis van het archaďsche denken, p. 46:
"(Anaximenes) was de eerste om de voor de ontwikkeling van het natuurwetenschappelijke denken zo belangrijke tendens te doen gelden van de kwantificering
van kwalitatieve bepalingen. De vooruitgang die hierin moet worden opgemerkt,
weegt zwaarder door dan de tekortkoming die moet worden vastgesteld in verhouding tot Anaximanders meer abstracte
conceptie van de
archč".
We kunnen ons nochtans de vraag stellen, of het wel opgaat, deze archaïsche
denkers te taxeren uitgaande van moderne categorieën als metafysica en fysica. Zoals
hoger al opgemerkt (hfst. 2, § 1.2), mag hier eigenlijk niet gesproken worden van
"natuurwetenschap": deze denkers waren géén "fysici", en ze waren dus ook niet
geïnteresseerd in "vorderingen" op het vlak van fysica, astronomie, enz.[7]. Het lijkt
daarom niet erg aangewezen, hun theorieën af te wegen op basis van de aan- of afwezigheid van zgn.
"vorderingen" op natuurwetenschappelijk gebied; of ze te taxeren op
grond van hun graad van 'abstractheid', of hun grotere of kleinere 'metafysische'
aspiraties. Anaximanders apeironleer is géén metafysica in de echte betekenis
van het woord. Het apeiron is slechts 'immaterieel' in een zin waarin ook Anaximanders "lucht" (ačr) het is:
namelijk als "reflectie van het bewustzijn", want noch
Anaximander noch Anaximenes "weten dat wat ze uitspreken, een wezen van het bewustzijn is"[8].
In plaats van in termen van grotere of kleinere "abstractheid", respectievelijk "natuurwetenschappelijkheid", kan de diadochč, of
"opvolging", Anaximander-Anaximenes m.i. veel beter geïnterpreteerd worden vanuit het gezichtspunt van de constructie
van een 'relatiebegrip'. Welnu, op dit punt is er wel dégelijk een verdere vooruitgang
vast te stellen, die nadien haar bekroning zou vinden bij Herakleitos.
2. Kosmogonie.
De doxografische overlevering m.b.t. Anaximenes' kosmogonie vertoont zowel lacunes
als tegenstrijdigheden. De volgende kosmogonische fazen kunnen onderscheiden worden:
1)
archč is de "onbegrensde lucht" (ἄπειρος
ἀήρ, ápeiros
ačr) die in eeuwige
beweging verkeert;
2) de aarde ontstaat door "vervilting" (πίλησις,
pílčsis) van de
ačr (D-K 13A6);
3) uit de aarde (cf. Hesiodos), d.w.z. uit de mist die uit de aarde opstijgt en verder
verijlt tot vuur (D-K 13A7, §7), ontstaan de hemellichamen (maar: volgens D-K
13A6 zijn de hemellichamen - zoals zon en maan - in feite aarde die door de
snelle beweging "ontbrandt")[9];
4) (de vorming van de zee?)[10];
5) de aarde heeft de vorm van een platte schijf - "zoals een tafelblad"(τραπεζοειδῆ, "trapezoeidč", schrijft Aetios, 13A20) - die "rijdt
op" de
ačr (ἐποχεῖσθαι, ibid.,
en 13A6, §4). Maan, zon en planeten zijn vuurschijven - "de zon is plat als
een blad (van een boom)" (ὡς
πέταλον , 13A15= 13B2a) -, die door de wind
worden voortgedreven; de sterren zitten "op de wijze van nagels" vast aan de "kristallijnen" hemisfeer (13A14)[11]. De hemellichamen bewegen zich niet onder, maar
rond de aardschijf, "zoals een vilten kalotje (πιλίον, pílion) rond ons hoofd
draait" (13A7, §6). 's Nachts verdwijnt de zon achter de hoge bergen in het
noorden[12].
6) Verklaring van de meteorologische verschijnselen, b.m.v. "verdichting", resp. "verijling": wind, wolken, regen, hagel en sneeuw; bliksem en donder (zoals bij Anaximander, door de activiteit van wind in wolken, maar met verwijzing naar het alledaagse fenomeen van "roeispanen die het zeewater klieven"", A17); regenboog;
aardbeving. Zie 13A7, §§ 7-8, A17, A18, A19 en A21.
Vergeleken met Anaximander, vertonen deze kosmogonie en de ermee samengaande kosmografie ongetwijfeld tal van meer traditionele,
'naïeve' trekjes. Toch
moet worden geconstateerd dat het dít, d.w.z. Anaximenes'
wereldbeeld was, en niet het anaximandreïsche[13], dat door latere phusikoí, zelfs door de atomisten, telkens
weer werd overgenomen (eventueel met minimale correcties).
3.
Ačr en "Vervilting".
3.1. Ook voor Anaximenes was het doorslaggevende, inhoudelijke uitgangspunt
van zijn theorie de ervaring van de werkelijkheid als een levende
totaliteit
waarvan de mens een integrerend onderdeel vormde. Dat blijkt voldoende uit het feit
dat het de functie ervan als
ψυχή (psuchč), of ademziel,
was, die de
ačr
voor Anaximenes in aanmerking deed komen voor de rol van kosmische
archč[14].
Althans, indien we het enige fragment aanvaarden dat ons op zijn naam is overgeleverd, D-K 13B2. De passus luidt als volgt (onze bron is Aetios, I.3.4):
"Anaximenes, zoon van Eurustratos, Milesiër, verklaarde dat
ačr de archè is van
wat bestaat: daaruit ontstaat alles en daarin wordt alles terug ontbonden. 'Zoals
onze psuchč', zegt hij, 'die
ačr is, óns samenhoudt-en-beheerst
(sunkrateî), zo omvatten adem (pneuma) en
ačr ook de gehele
kosmos' (pneuma en
ačr worden hier synoniemisch gehanteerd)"[15].
Hoewel een aantal uitdrukkingen (sunkrateî, kosmos, pneuma) op een lŕtere formulering lijken te wijzen[16], overheerst in de moderne vakliteratuur toch het gevoelen dat
de vetjes gedrukte zin onder één of andere vorm teruggaat op een authentiek citaat van Anaximenes[17].
Bij de bespreking ervan moet er vooreerst op gewezen worden dat de vergelijking,
in het kader van Anaximenes' exposé, allicht de functie heeft gehad van een illustratie, als een soort van "analogische ondersteuning van de algemene theorie"[18].
Het is derhalve niet noodzakelijk, het gezegde te begrijpen als een (te?) vroeg
voorbeeld van toepassing van de zgn. makrokosmos-mikrokosmos gedachte op de
relatie tussen wereld en mens[19]. Anaximenes heeft vermoedelijk niet méér bedoeld
dan: we zien hoe de lucht rondom ons is én, ingeademd, ín ons, en dat wij zonder
adem, d.w.z. lucht, niet in leven kunnen blijven; wel, op gelijkaardige wijze is het
gesteld met de onuitputtelijke, kosmische
ačr: hij bevindt zich zowel buiten als
binnen de wereld, en erzonder kan de wereld niet voortbestaan. De passus wijst in
elk geval op de (hylozoïstische) betekenis van de
ačr als levenskracht, én
reveleert dat de wereld door Anaximenes gevat werd als een levend organisme.
Verder dient opgemerkt te worden dat t.a.v. zijn voorgangers, in de eerste plaats
Thales, deze keuze van
ačr niet mag beschouwd worden als de keuze van een
nieuw
"element", in de plaats van water. In tegenstelling, inderdaad, tot wat betoogd
wordt door o.m. Guthrie[20], heeft Anaximenes vermoedelijk niet dérmate gebroken
met de toenmalige, courante gebruikswijze van het woordje
ačr - ook bij Anaximander
-, dat hij er louter en alleen de onzichtbare, atmosferische "lucht" zou mee aangeduid
hebben. Zoals Stokes (o.c., p. 27) integendeel concludeert,
"helt de weegschaal van de waarschijnlijkheid door ten gunste van de veronderstelling dat Anaximenes' 'lucht' werd opgevat als een mist, als iets duister en
ondoordringbaar voor het oog".
Welnu, de Ouden in het algemeen trokken "geen scherpe scheiding tussen damp (of
mist, HdL) en vloeistof", zoals Verdenius schrijft in De Adem Gods (p. 23): voor hen
waren dat twee verschijningsvormen van dezelfde levenskracht. Zo
werd de psuchč in haar hoedanigheid van levensadem gewoon vereenzelvigd met het
semen; dit laatste kon trouwens optreden in zuiver "pneumatische" vorm:
"Aristoteles beweert dat de patrijs bevrucht wordt door de adem van het mannetje,
en reeds Homerus vertelt van paarden die bevrucht werden door de wind. Zeus
bevrucht Io door beademing, zoals Maria later bevrucht wordt door de adem
Gods"[21].
Hoe nauw "water" en adem/wind in dit opzicht al in de mythe samen-gaan, blijkt bv.
uit de verwijzing, in Odyssea, 4.566-568, naar de "Elyzeese Vlakte", d.w.z. de Eilanden
der Gelukzaligen: Okeanos (!), zo wordt gezegd, zendt er steeds de westenwind
naartoe om de bewoners ervan te "verfrissen", letterlijk: "nieuw leven in te blazen"
(anapsúchein)[22].
Voor Anaximenes zelf mag wellicht verwezen worden naar het - voor de rest niet
gans duidelijke en, alleszins in de bewoordingen, twijfelachtige[23] - fragment B3:
"De ačr staat dicht bij het onlichamelijke[24], en omdat wij geboren worden door de
uitstorting ervan, is het noodzakelijk dat de
ačr grenzeloos (apeiron) zowel als rijk
is, aangezien hij nooit in gebreke blijft".
Wat nog Anaximander betreft, kon in het voorgaande hoofdstuk worden
vastgesteld dat de
ačr bij hem - als mist of damp - tezamen met het vloeibare de positie van
kosmisch 'midden' bekleedde. Ook voor het ontstaan van het (sterfelijk) leven - van
de wereld in haar geheel zowel als van de dieren in het bijzonder - verscheen het
"vochtige" op het toneel: het kosmische zaad dat door het apeiron wordt uitgestort,
is hoe dan ook o.m. vochtig[25]; en de levende wezens op aarde ontstonden volgens
Anaximander, zoals we zagen, "in het vochtige" (A30) of "uit het vochtige" (A11). Tenslotte kan er nog op gewezen worden dat het
apeiron, hoewel het door Anaximander
vanzelfsprekend met geen enkel particulier 'element' vereenzelvigd werd, in zijn
(onmiskenbare) fysische constitutie, toch nog het best van al te begrijpen is als
een soort van "oermist"[26]. Dat alles betekent dat klaarblijkelijk mag geconcludeerd worden dat, inzake de
keuze van een materiële
archč,
"(Thales en) Anaximander en Anaximenes pas door de aristotelische schematisering tot vertegenwoordigers worden van tegengestelde principes"[27].
Anaximenes heeft zijn voorganger Anaximander ook nog op een ander, essentieel
punt gevolgd: zijn
ačr is niet enkel het "zaad" van de wereld, d.w.z. is niet enkel
archč
in de zin van "oorsprong", maar, net zoals het apeiron,
"omvat en beheerst" hij
ook de wereld. Hij is dus ook
archč in de zin van "heersend beginsel". Zoals Verdenius
opmerkt, i.v.m. de vergelijking in fragment B2: "de bedoeling van de analogie moet
het idee van dominantie zijn" (m.s.)[28]. Het is daarom, allicht, dat Anaximenes zijn
archč eveneens apeiros noemde[29] én "god"
(theós)[30]. De al vermelde 'neo-anaximeneaan', Diogenes van Apollonia
(tijdgenoot van Sokrates), drukte nadien die "ačrtheologie" als volgt uit
(D-K 64B5):
"Mij dunkt dat wat de denkkracht (nóčsin) bezit, dat is wat door de
mensen
ačr wordt genoemd, en door dit (principe) worden allen bestuurd
(kubernâsthai) en over allen heeft het macht (krateîn). Het is precies dít dat m.i.
god is...".
De
ačr is dus zowel de "grenzeloze", d.w.z. onuitputtelijke levensbron van de werkelijkheid (zie het hoger geciteerde fragment B3) als het "onontkoombare"[31],
heersende beginsel ervan.
3.2. In onderscheid, nochtans, met Anaximanders apeiron, gaat het bij
Anaximenes'
ačr niet alleenlijk om een "omvatten" van de wereld: de
ačr is
terzelfdertijd ook ín de wereld aanwezig, als een kosmisch
"element" naast de
andere.
Tot deze belangrijke stap kon Anaximenes overgaan dank zij de invoering van een transformatiemetafoor,
namelijk de "vervilting", of (in de allicht latere, abstracte
formulering) "verdichting-en-verijling"[32].
In tegenstelling tot Anaximander, die het, voor het ontstaan van de wereld, nog
hield bij een biologisch proces, sc. de "zaadlozing", dat niet bruikbaar was voor een
fysische relatie tussen de tegengestelden binnen de wereld, deed Anaximenes een
beroep op een technisch, a.h.w. industrieel of
'artisanaal', en dus fysisch mechanisme[33]. Het
ontstaan van de wereld kon daarmee begrepen worden als een transformatie die van
dezélfde (fysische) orde was als de transformaties die in de wereld worden vastgesteld
tussen de particuliere fenomenen. De
archč hoefde bijgevolg niet langer te worden
'afgeschermd' tegen de peripetieën van het natuurgebeuren[34].
De theophrastische traditie verstrekt ons daaromtrent wat nadere informatie. Bij
Simplikios (D-K 13A5) begint het bericht als volgt:
"Anaximenes, zoon van Eurustratos, Milesiër, de gezel van Anaximander, zei
eveneens dat de onderliggende natuur één en apeiros is, zoals Anaximander;
evenwel niét onbepaald (aóristos), zoals deze laatste, maar bépaald, want hij vereenzelvigt ze met
ačr. Die verschilt door ijlte en dichte, naargelang van de substanties...".
Bij Hippolutos (D-K 13A7, §§ 1-3), anderzijds, lezen we het volgende:
"(1) Anaximenes, die eveneens Milesiër was, zoon van Eurustratos, zei dat de
apeiros
ačr de
archč was waaruit al wat ontstaat, al wat ontstaan is én al wat zal
zijn, evenals de goden en de goddelijke (werkelijkheden) geboren worden, terwijl
al de rest (geboren wordt) uit de afstammelingen ervan. (2) Het uitzicht van de
ačr
is als volgt: wanneer hij het meest egaal is, is hij onzichtbaar voor het oog, maar
hij wordt gereveleerd door het koude en het warme en het vochtige en de
beweging. Maar hij beweegt altíjd; want wat verandert, verandert maar als er
beweging is. (3) Naarmate hij dichter of ijler wordt, neemt hij verschillende
verschijningsvormen aan: wanneer hij wordt opgelost tot het ijlste, wordt hij vuur;
winden, anderzijds, zijn
ačr die verdicht; uit
ačr komt wolk tot stand door
vervilting (pílčsis); nog meer verdicht, ontstaat er water; nog verder, aarde, en,
met het allerdichtste dat mogelijk is, stenen. Bijgevolg zijn de hoofdbestanddelen
van de wording (génesis) tegengestelden enantía),
namelijk warm en koud".
3.3. Een essentieel moment in Anaximenes' theorievorming, zo lijkt het althans op
het eerste gezicht, was het werkzaam-zijn bij hem van "een echt empirische
impuls"[35]. Zo bv. wat de combinatie van
ačr (als
archč) en pílčsis (als universeel
transformatiemechanisme) betreft:
"Anaximenes heeft zich blijkbaar laten leiden door de observatie dat hoe méér iets
wordt samengedrukt, des te harder en solieder het wordt. Dit suggereert dat we
de vaste, vloeibare en gasachtige dingen kunnen verklaren door middel van
verschillende gradaties van samendrukking van één basis-materiaal"[36].
De pílčsis techniek, zoals gezegd, behoordde tot het domein van de dagelijkse (ambachtelijke of industriële) praktijk, in Milete. Bij het citaat van Hussey moet
nochtans worden opgemerkt dat in de doxografische berichten de overgang damp-water-ijs slechts ter sprake komt in het kader van de meteorologische
verklaringen (D-K 13A7, §7), en niet in dat van de "justification" van de theorie.
Vermeldenswaard, in dit verband, is ook een opmerking van (de late) Ploutarchos,
waarin Anaximenes' algemene associatie van warm met ijl, of "los", en van koud met
dicht, of "vast", eveneens gekoppeld wordt aan een (alledaagse) ervaring,
namelijk die van
het, naar gelang van de opening van de mond, warm en koud blazen. De passus (die géén
citaat is uit Anaximenes' tekst!)[37] luidt in vertaling als volgt[38]:
"Of mogen we, zoals de mening was van Anaximenes de Oude, het koude noch het
warme toelaten tot de rang van substantie (ousía), maar (moeten we ze beschouwen) als gemeenschappelijke aandoeningen (páthč) van de materie (húlč), die het
gevolg zijn van de veranderingen (van de materie in kwestie): het zich-samentrekkende en verdichtende ervan, beweert hij, is koud; het losse, daarentegen, en het
'ontspannene' (chalarón) - dat is zowat de manier waarop hij het woordelijk
benoemt - zijn warm. Vandaar dat (z.i.) niet ten onrechte verteld wordt dat een
mens zowel warm als koud uit zijn mond liet komen[39]: samengedrukt, immers, en
verdicht bij middel van de lippen, wordt de adem koud, maar wanneer hij wordt
uitgestoten met wijdopen mond, wordt hij warm door de ijlte".
Hebben we hier inderdaad te doen met "één van de oudste, ons bekende Griekse voorbeelden van een gedetailleerde waarneming ter ondersteuning van een fysische theorie"[40]? Vast staat alleszins dat er geen sprake is van een "experiment" in de strikte
(wetenschapsmethodologische) zin van dat woord[41]; alsook dat het besluit dat
Anaximenes eruit trok, volkomen in strijd is met de waarheid[42]. Verhelderend, wat
de (pre-wetenschappelijke) status betreft van ervaring en waarneming in het archaïsche denken in het algemeen, is Verdenius'
commentaar bij wat hij de typische
"esthetische inslag" noemt van dat denken[43]:
"...het schematisme van allerlei theorieën impliceert niet, dat men de waarneming
met opzet verwaarloosde, maar alleen dat men te snel meende voldoénde te
hebben waargenomen. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat deze naar ónze mening
te vluchtige waarnemingen voor het gevoel van de archaïsche waarnemers zélf
juist bijzonder intensief geweest moeten zijn. Was dat niét zo geweest, dan had
men zich veel meer moeite gegeven voor experimentele verificatie. De geringe rol
van het experiment is juist één der opvallendste kenmerken van de archaďsche
wetenschap. Men dŕcht niet aan verificatie, want men had het essentiële van de
zaak immers al onmiddellijk gezien, zoals ook de kunstenaar met één oogopslag
zijn object doorziet".
3.4. De meeste belangstelling, evenwel, in de moderne literatuur gaat uit naar Anaximenes' mechanisme van
verdichting/verijling. Volgens een aantal historici
werd hiermee een kwantificerend moment in het natuurproces ingevoerd. Zo
schrijft Cherniss[44]:
"(Anaximenes)' analyse van alle objecten en gebeurtenissen in de natuurlijke wereld als aspecten en functies van één enkel kwantitatief proces is de ultieme verwezenlijking die karakteristiek is voor de oriëntatie van de milesische filosofie".
Het zichtbaar, fysisch gebeuren van ontstaan/vergaan en veranderen verwierf
daarmee een (interne) wetmatigheid. Alle (kwalitatieve) tegenstellingen, zo
wordt geconcludeerd, konden nu verklaard worden bij middel van een (kwantitatief)
verschil in dichtheid van éénzelfde substantie. Anders gezegd, de enantía
begonnen nu inderdŕŕd "kwaliteiten" te worden, d.w.z. veranderlijke eigenschappen
van eenzelfde - "onderliggende" (Aristoteles) - materie[45].
Enige omzichtigheid, echter, is hier op haar plaats. Het is immers zeer de vraag
of "vervilting", d.w.z. verdichting/verijling, door Anaximenes zélf als een
kwantitatief proces werd begrepen. Om J.Barnes te citeren (zoals altijd mijn
vertaling):
"Was Anaximenes werkelijk een vroegtijdig kwantificeerder, een presokratische
Boyle? Helaas, ik vermoed van niet. Griekse wetenschappers waren over het algemeen afkerig van, of niet in staat tot, de toepassing van wiskunde op natuurlijke
processen en verschijnselen, en er is géén aanwijzing dat Anaximenes' theorie hem
ertoe aanzette zulke toepassing te proberen. Evenmin is er enige aanwijzing voor,
dat Anaximenes zelf een dergelijke toepassing op het oog had: hij had geen schaal
of instrument om densiteit te meten, en densiteit was voor hem slechts in de
zwakst mogelijke betekenis een kwantitatieve notie. Het wetenschappelijk uitzicht
van zijn kosmogonische operaties is te danken aan het toeval, niet aan inzicht"[46].
Het feit dat Aristoteles - die nochtans in zijn Categoriae (10a16) "dicht" en "ijl" in de categorie
van de "kwantiteit" onderbrengt - desalniettemin Anaximenes' transformatieprincipe
als een vorm van kwalitatieve "anderswording" (alloíosis) bestempelt[47], in plaats
van als een vorm van "verbinding/ontbinding" (sunkrisis/diakrisis), mag in dit verband misschien als betekenisvol worden bestempeld[48].
Bovendien werd in de literatuur[49] al heel vroeg de aandacht gevestigd op
overeenkomsten met een (vermoedelijk) oud-Fenicische theo- of kosmogonie
die ons, weliswaar laat, is overgeleverd op naam van een zekere Sanchouniathoon[50].
Deze kosmogonie - die raakpunten vertoont zowel met het Hettietische Kumarbi-epos[51] als met de Bijbelse kosmogonie[52], maar zich daar tegelijk van onderscheid door
de afwezigheid van een goddelijke schepper - laat de wereld ontstaan uit
"een duistere en winderige lucht (ačr) of een wind van duistere lucht, en een
modderige, donkere chaos. Deze (principes) zijn onbegrensd (apeira)... Toen de
wind, zegt (Philoon), verliefd werd op de eigen principes en er een een-wording tot
stand kwam, kreeg die vervlechting (plokč) de naam van 'verlangen' (beter: 'ruah',
"adem"?). Welnu, zij (d.w.z.: deze vervlechting van de wind) is het principe (archč)
van de schepping van alles..., en uit de samenvlechting (sumplokč) van de wind
zelve ontstond Moot (sc. aarde)"[53].
Niet enkel Anaximenes'
ačr-principe maar zelfs zijn verviltingsnotie lijken hierin
"vorgebildet" te zijn[54]: cf de "samenvlechting" van... de wind[55]. Redelijkerwijze mag
verondersteld worden dat - net zoals Hesiodos vóór hen - de Ionische natuurdenkers
in het algemeen, en Anaximenes in het bijzonder, althans toch énige invloed hebben
ondergaan van (o.m.) dergelijke mythische kosmogonieën[56]. Toch kan, wat die "vervlechting van de wind" betreft, niet worden uitgesloten dat dit gegeven in onze
(late, Griekse) bronnen juist een latere, post-Ionische toevoeging is[57].
Hoe dan ook moeten we ons hoeden voor een al te modernistische interpretatie van
Anaximenes: ook al ontstaat alles uit
ačr, namelijk door verdichting en verijling, dan
hoeft dat nog niet te impliceren dat, in Anaximenes' optiek, bv. een steen "ačr" plůs
een kwalitatieve bepaling, of "ačr" in een bepaalde (min of meer gekwantificeerde)
concentratie, is. Hij kan rustig blijven denken zijn dat een steen een steen,
ačr ačr was,
maar dat
ačr dóór "vervilting" steen "wérd".
Zoals Seligman (o.c., p. 32) schrijft:
"Zelfs in Anaximenes' systeem, waar alles ontstaat uit lucht bij middel van
verijling en verdichting, is aarde bv. geen aangepaste lucht, d.w.z. lucht
gekwalificeerd door de bepaling 'aardheid', maar aarde is ómgezette lucht, d.w.z.
lucht die geheel en al veranderd is in aarde. Vóór Parmenides... was een
leer over het behoud van de 'substantie' zelfs niet mogelijk" (m.s.)[58].
4.
Ačr als "Relatiebegrip".
In het vorige hoofdstuk werd geschetst hoe het primitieve, 'oppositionele' of
'antithetische' bewustzijn zich, bij crisismomenten, voor een "existentiële" problematiek geplaatst zag: wou het leven vóórtbestaan of hérontstaan, dan diende er tussen
de kosmische enantía of tegengestelden één of andere vorm van verzoening of samenwerking (her)ingesteld te worden; d.w.z. moesten zij op één of andere manier (opnieuw) positief aan elkaar gerelateerd worden[59].
Zoals we gezien hebben, was Thales de eerste om aan die (levenbrengende) relatie tussen de tegengestelde krachten een algemene (weliswaar
'materiële') uitdrukking te geven: die van "water" (of het vochtige-en-vloeibare in het algemeen).
Daarmee was die 'relatie' op zich tevens geëxpliciteerd als een zelfstandige kracht die,
van 'figurant', de 'protagonist' werd in het kosmische drama. Thales' oplossing,
nochtans, vertoonde nog belangrijke tekortkomingen[60].
Vooreerst, ook al doordringt het water alles, uiteindelijk is het toch niet méér
dan een externe (en dus: arbitraire), ruimtelijke bemiddelaar tussen het (hemel)vuur en de aarde. Bovendien, in zoverre Thales het water met "leven" zélf heeft vereenzelvigd, mogen we misschien, à la Bachelard, stellen dat hij (het probleem van)
de samenwerkingsrelatie nog "onmiddellijk gesubstantifieerd heeft"[61],
namelijk ŕls "water. Op die manier werd de relatie a.h.w. "direct gerealiseerd"[62]. We kunnen dat
vergelijken met het type verklaringen dat in onze 17de- en 18de-eeuwse wetenschappen gehanteerd werd en een soort van "obstacle épistémologique" (Bachelard) opwierp voor verdere wetenschappelijke
bevraging en dus vooruitgang[63]. Ook Thales' "water=leven" principe, hoewel het de relatie poneerde en důs bediscussieerbaar maakte, werkte
derhalve tegelijkertijd blokkerend en mystifiërend: elke verdere differentiatie en conceptualisatie van de relatie werd door de substantifiëring van het leven (een op zich
tegelijkertijd mysterieus én vanzelfsprekend fenomeen) a.h.w. geblokkeerd[64].
Bij Anaximander, vervolgens, kregen we de eerste (weliswaar nog preconceptuele) constructie van de relatie als "relatie", d.w.z.
als een verhouding die een ander ontisch statuut heeft dan de elementen die erdoor verbonden worden, en die als
dusdanig die elementen transcendeert (van een ideëel of conceptueel statuut in de
strikte zin van het woord is nog geen sprake). Anaximander kon deze transcendentie
slechts realiseren middels een negatief symbool, het
apeiron, dat in de eerste plaats
ruimtelijk, maar vandaar ook inhoudelijk onderscheiden is van de elementen. Het
apeiron staat "boven" de tegengestelden omdat het
erbuiten staat; het is nóch één
van de (tegengestelde) elementen nóch de som ervan (i.e. de wereld), en het is
bijgevolg niet onderworpen aan de cyclus van geboorte en dood, onrecht en straf.
Precies dáárdoor, evenwel, functioneert het als de eeuwige arbiter én garant van
dergelijke cyclus. Tenslotte kunnen we nog stellen dat de
algemeenheid van Anaximanders 'relatiebegrip' gerealiseerd wordt door de ruimtelijke alomvattendheid en
"oneindigheid" ervan. Inderdaad, zoals Seligman, o.c., p. 35, schrijft:
"de naar voor gebrachte ruimtelijke realiteit van deze noties is doordrongen van
symbolische betekenis waarin de menselijke geest zich aan het werk toont, nog
vóórdat hij in het bewust bezit was van een categorie van het geestelijke" (m.s.).
Anaximanders constructie, nochtans, van het relatiebegrip middels een ruimtelijke transcendentie had een groot nadeel: aangezien het
apeiron, per definitie,
afwezig was in de wereld, kon het de rol van relationeel "midden" enkel spelen
tussen
opeenvolgende werelden, namelijk in de mate dat zij, als entiteiten, uit het
apeiron
ontstaan en weerom in het apeiron vergaan, de ene nŕ de andere. Bínnen
elke
wereld, daarentegen, d.w.z. tussen de enantía onderling, fungeerde nog steeds een
louter extern, ruimtelijk 'midden', zoals bij Thales, namelijk de
ačr.
De vraag, in welke (interne) relatie de enantía staan tot het
apeiron waaruit ze
zijn voortgekomen, maar waarvan ze - ook inhoudelijk - volkomen verschillen, wordt
door de biologische metafoor van de "zaadlozing" eerder versluierd dan beantwoord[65].
Bovenal komen de enantía zelf, voor hun onmiddellijke onderlinge verhouding, zónder
'derde term' te zitten - terwijl het probleem van hun onderlinge (positieve) relatie
juist het uitgangspunt vormde voor de ganse onderneming. De enantía, immers, zijn,
zoals we zagen, géén echt fysische substanties - die als zodanig ook fysische
relaties met elkaar kunnen hebben -, maar levende krachten die elkaars
vijanden zijn en elkaar bestendig onrecht aandoen. Tussen deze enantía als
zodanig is er dus géén "relatie", géén samenwerking; er
is enkel de onmiddellijke,
'menselijke' confrontatie van geweld en agressie:
"wat ook de aard moge zijn van de dingen die de ongerechtigheden begaan waarop
hier gealludeerd wordt, zij verschijnen niet als natuurlijke tegengestelden in de
kosmogonische betekenis. Er is geen samenwerking tussen hen"[66].
Het enige dat aan deze onophoudelijke oorlog wat verpozen geeft, is de buffer van
de
ačr.
Anaximander beschikte nog niet over een mogelijkheid, de "elementen" in de
wereld niet enkel direct en 'menselijk' - in een 'burgeroorlog' of 'broedertwist' (ze
zijn allemaal 'kinderen' van het apeiron) - aan elkaar te opponeren, maar ze ook in
hun eigenheid, d.w.z. "fysisch" aan elkaar te relateren. Hij moest zich in die zin
tevreden stellen met de constructie van een externe arbiter, die er borg voor
stond dat alle kosmisch "onrecht" zijn gerechte "straf" zou ondergaan. In dit opzicht
kunnen we bijgevolg ook hier nog van een situatie van heteronomie
spreken, die
analoog is aan de onderlinge relatering der elementen via het "veld G", bij Hesiodos[67].
Anaximanders leerling, Anaximenes, heeft de historische verdienste, op
voornoemd punt een beslissende doorbraak te hebben verwezenlijkt. Ook al beantwoordt de notie van "vervilting" nog aan wat Bachelard "un 'denkmittel' de
l'empirisme naďf" noemt[68], en heeft ze niet zoveel te maken met ónze chemisch-fysische processen, toch konden via deze fysisch-technische metafoor de
tegengestelden nu wél positief aan elkaar gerelateerd worden: vuur, bv.,
was voortaan niet langer hopeloos en onverzoenlijk geopponeerd aan aarde, maar,
door te "verdichten", kon het eerst damp worden, vervolgens water, en tenslotte aarde. Voortaan wàs er dus een
'interne 'relatie' of midden beschikbaar, een 'midden'
dat door Anaximenes geïdentificeerd werd als (de inhoudelijk in feite nog erg
ónbepaalde)
ačr. Zoals Vlastos (o.c., p. 427) schrijft:
"Dat de vele verschillende dingen waaruit de wereld is samengesteld, alle
wezenlijk met elkaar verbonden zijn, dérmate dat zij alle één en hetzelfde ding
zijn[69], dát is de rudimentaire waarheid omtrent de wereld zoals geconcipieerd door
Anaximenes".
Doordat het verviltingsmechanisme bovendien ook voor het ontstaan van de
wereld uit haar
archč gebruikt werd, kon Anaximenes de relatie tussen
archč en
"elementen" nu binnen de wereld brengen: ook zij is nu een
'fysische' relatie.
Deze twee resultaten: het voortaan gemedieerd-zijn van het kosmisch of natuurlijk
proces, en de 'natuurlijke' verklaring voor het ontstaan van de wereld, maakten het
niet langer noodzakelijk om, zoals Anaximander, de
archč als absoluut anders, of
als een negatie van de elementen te beschouwen. Die
archč kon nu integendeel
zonder bezwaar vereenzelvigd worden met de kosmische 'massa' die in feite al
sedert Thales de rol van (weliswaar nog extern) 'midden' had gespeeld, en
tegelijkertijd traditioneel met "leven" verbonden was: de
ačr[70].
Maar het feit dat Anaximanders
archč, als
ačr, in de wereld werd gebracht, namelijk als
één van de elementen, betekende geenszins dat de 'transcendentie' ervan als
'relatiebegrip' verloren ging: als apeiros
ačr blééf de
archč immers ook bij Anaximenes de
wereld rondom "omvatten en beheersen". De
ačr kreeg bij Anaximenes dus een dubbele "bestaanswijze", een "dubbelrol":
namelijk die van
archč én "element". Deze
dubbelrol, nochtans - Anaximenes sluit daarin nog aan bij Anaximander - werd nog
altijd door lokalisatie, d.w.z. ruimtelijk gerealiseerd.
De vereenzelviging, tenslotte, van
archč en 'fysisch midden', dank zij het verviltingsmechanisme, maakte het voortaan mogelijk, een einde te stellen aan de situatie
van kosmische heteronomie: de natuur kón voortaan geconstrueerd worden als een
autonoom, zichzelf regulerend organisme. Maar de realisatie daarvan zou het werk
zijn van Herakleitos.
_________________________
NAAR HOOFDSTUK 6
NOTEN:
1. Vgl. Mansfeld, Vors. I, p. 82, waar de drie denkers samen worden geïntroduceerd, als
"de tweede generatie", sc. na Thales en Anaximander.
2. Zeer expliciet hierin is bv. K.Popper, Back to the Presocratics (1963), p.140: "Anaximenes is an eclectic, a systematizer, an empiricist, a man of common sense... he is the
least philosophically minded (of the three Milesians)".
3. Guthrie, o.c., I, p. 132.
4. K-R-S, p. 157. Maar deze appreciatie berust natuurlijk op de aristotelische versie van Anaximanders kosmografie, cf. supra, p. 81 e.v.
5. Zie Guthrie, l.c., en p. 140.
6. Seligman, o.c., p. 22.
7. Zoals Seligman, o.c., p. 51, het stelt: "de Ionische waren geen fysici in de moderne betekenis van het woord". Vgl. Cornford,
Principium Sapientiae, p.42: "the application of (the term 'science') to the natural philosophy of Greece is perpetually misleading the
reader" (zie ook zijn artikel Was the Ionian philosophy scientific?, in: Furley & Allen, pp.
29-41).
8. Hegel, Vorl., p. 216. Hoewel alle historische vergelijkingen mank lopen, lijkt de relatie
Anaximander-Anaximenes, in het licht van de constructie van een archaïsch bewustzijn,
vergelijkbaar met die tussen Platoon en Aristoteles, voor de constructie van het antieke
rationele bewustzijn. Aristoteles heeft, zoals bekend, Platoons transcendente Vormen
"binnen" de natuur gebracht. Hoewel dat eveneens als een 'terugkeer',
namelijk naar Sokrates,
zou kunnen worden geïnterpreteerd, heeft niemand nochtans het in zijn hoofd gehaald,
deze ontwikkeling te evalueren als een uit-de-weg-gaan van de metafysische problematiek:
Aristoteles, integendeel, was juist de schepper van de metafysica. Wel dient te worden
erkend dat Aristoteles' meer empirische ingesteldheid hem meer dan Platoon bloot heeft
gesteld aan inconsequenties of zelfs tegenstrijdigheden (bv. in zijn behandeling van de
slavernij). Voor Anaximenes kan, mutatis mutandis, iets analoogs worden gezegd, cf.
Mansfeld, Vors.I, pp. 86-87: "Der Respect vor den Erfahrungstatsachen geht also auf
Kosten des theoretischen Zusammenhangs".
9. Zie K-R-S, p. 152.
10. Zie Stokes, Hesiodic and Milesian Cosmogonies, pp. 13-14.
11. Zie Guthrie, o.c., I, pp. 135-137; K-R-S, p. 155.
12. In de mythe daalt de zon in de Okeanos en vaart 's nachts rond de aarde. Zie ook
H.Schwabl, Anaximenes und die Gestirne, in: Wiener Studien, 79(1966), p. 33v.
13. Maar zie hoofdstuk 3, § 3.
14. De voorstelling van de "ademziel" vindt men overal ter wereld terug. Het Griekse woord
is etymologisch verwant met , "blazen, ademen, afkoelen". Vgl. anderzijds
het Latijnse animus en anima, wat hetzelfde woord is als het Griekse , "wind". Zie
o.m. Onians, The Origins of European Thought, p. 93v.
15. οἷον ἡ ψυχή,
φησίν, ἡ ἡμετέρα ἀὴρ οὖσα συγκρατεῖ ἡμᾶς, καὶ ὅλον τὸν κόσμον πνεῦμα καὶ ἀὴρ
περιέχει (λέγεται δὲ συνωνύμως ἀὴρ καὶ πνεῦμα).
16. Maar dan is het commentaar van Aetios over het "synoniemisch gebruik" nogal "curieus", aldus Guthrie, o.c., I, p. 131 n. 1.
17. "The degree of rewording... probably is not very great", K-R-S, p. 159, zie ook Guthrie,
o.c., p. 131. Vlastos, On Heraclitus, p. 424: "though much of the wording of this fragment
is doubtful, there is no good reason to doubt that it paraphrases an analogy drawn by
Anaximenes himself"; ibid., n.19, wijst hij erop dat, hoewel er voor de notie dat de ziel het
lichaam samenhoudt, geen presokratische parallellen zijn, er anderzijds "geen enkel
bezwaar kan zijn tegen de uitspraak dat de lucht de wereld
περιέχει"; tenslotte herinnert
Vlastos aan die andere vergelijking tussen een menselijk en een kosmisch fenomeen, in
13A7, §6, namelijk tussen de beweging der hemellichamen rond de aarde en de manier waarop
"een kalotje" rond iemands hoofd zit. Cf. ook Mansfeld, Vors. I, p. 85: "sicher nicht im
ursprünglichen Wortlaut". Daarentegen is door K.Alt, Zum Satz des Anaximenes über die
Seele 1973), omstandig geargumenteerd dat het hier weliswaar om een citaat gaat, maar
dat doxograaf Aetios het, bij zijn verwerking van Theophrastos, verkéérdelijk heeft
toegeschreven aan Anaximenes: het zou eigenlijk gaan om een fragment van de latere
phusikos Diogenes van Apollonia (een tijdgenoot van Sokrates, 2de helft 5de eeuw), die Anaximenes' luchtleer had overgenomen. Alts argumentatie is overgenomen door o.m. D.B.
Claus, Toward the Soul (1981), pp. 123-125.
18. Mansfeld, Vors. I, pp. 85-86.
19. De termen makrokosmos en mikrokosmos (in het Grieks
μακρὸς of
μέγας κόσμος en
μικρὸς κόσμος, "grote/kleine wereld") verwijzen naar "de voorstelling van een principiële
of struψturele overeenstemming van de delen met het geheel van de wereld"
(M.Gatzemeier, art. in: Historisches Wörterbuch der Phil., Bd 5 (1980), k. 640. De
uitdrukkelijke toepassing ervan op de mens, als een "mikrokosmos" - hoewel door de late Aristotelescommentator David (Proleg., 38, 14 B.) toegewezen aan de atomist Demokritos
(2δe helft 5δe eeuw), D-K 68B34 -, was vermoedelijk pas het werk van de stoïcijn Poseidonios
(ca 135-51 vK). Er dient nochtans te worden opgemerkt dat elk hylozoïsme de
makrokosmos-mikrokosmos voorstelling op een bepaalde manier althans impliceert.
20. o.c., I, p. 126, mede op basis van Hippolutos, in D-K 13A7, §2.
21. Verdenius, ibid.
22. Zie Verdenius, o.c., p. 24; ook Onians, o.c., p. 250: "While identified with or believed to
be in the procreative liquid, the was "; en, ibid., n.1: "... According to the
view preserved for us by Hesychius was " (m.s.). Zie
Hesychii
Lexicon, ed. Schmidt, IV, p. 320. Cf. supra, hfst. 2, § 3.3.
23. Wat het probleem van de authenticiteit en interpretatie van dit fragment betreft, zie
o.m. West, Early Greek Philosophy and the Orient, p. 100 en n. 3.
24. Oorspronkelijk: "de psuchč"?
25. Hölscher, Anaximander und die Anfänge, p. 123, spreekt van de
πρώτη ὑγρότης, i.e.
het "oerwater".
26. Cf. Hölscher, l.c.
27. Hölscher, l.c.
28. Hylozoism, p. 38 n. 44.
29. Hoewel dit woord, doordat het opnieuw bijvoeglijk wordt (namelijk bij
ačr), ontegensprekelijk een meer kwantitatieve klemtoon krijgt.
30. Zie D-K 13A10 (bevat: Cicero, De natura Deorum, I, 10, 26; Aetios, I, 7, 13; Augustinus,
De civitate Dei, VIII, 2). Korte bespreking bij K-R-S, pp. 150-151.
31. Zie hoger, hfst. 3, § 6.3, over ring en cirkel als peras apeiron.
32. In het Grieks: púknosis en mánosis.
33. Het feit dat Milete, zoals gezegd (zie hfst. 1), in deze periode over een belangrijke
tekstielnijverheid beschikte, waarin de wolbewerking een centrale plaats innam (vilt
wordt bekomen door het samendrukken of -persen van wol), lijkt mij een voor de hand
liggende verklaring te geven voor Anaximenes' 'industriële' metafoor. We hebben vilt ook
al ontmoet in het beeld van het "vilten kalotje" (pílion) ter verduidelijking van de beweging
van de hemellichamen rond de aardschijf (A7, §6, zie hoger). K-R-S, p. 145, stellen
nochtans vragen bij de authenticiteit van de overgeleverde Griekse woordvorm voor
"vervilting", namelijk pílčsis, werkwoord: pileîsthai): "(it) probably comes from
Theophrastus; it was a common fourth-century term and need not have been used in this
form by Anaximenes himself".
34. Of is Anaximenes omgekeerd te werk gegaan: vertrók hij van de overtuiging dat het
ontstaan van de wereld en alle ontstaan binnen de wereld dienden verklaard te worden op
dezelfde, "fysische" wijze, en vond hij in het Miletisch verviltingsprocédé het concrete
mechanisme dat zoiets mogelijk maakte?
35. Vlastos, On Heraclitus, p. 423.
36. Hussey, The Presocratics, p. 27. Vlastos, l.c., nochtans, hecht ter verklaring van Anaximenes' "keuze" een groter gewicht aan de traditionele, "animistische" implicaties ervan
dan aan eventuele ervaringsgegevens.
37. Met uitzondering dan van het woordje
χαλαρόν, "los", dat door Ploutarchos zelf als
citaat wordt aangewezen.
38. Ploutarchos, Over het primaire koude, 7, 947F= D-K
13B1.
39. Allusie op Aisopos' Fabels, nr. 60 (Chambry): een satyr verzaakt aan zijn vriendschap
met een man, nadat deze laatste door zijn ene mond warm én koud heeft geblazen.
40. K-R-S, p. 149 n.1.
41. namelijk als de gewilde en gecontroleerde productie van een keten van gebeurtenissen waarvan de ongekende afloop een hypothese ofwel moet bevestigen ofwel moet weerleggen. Het
experiment als wetenschappelijke methode om een theorie op te bouwen of te toetsen was
de ganse Oudheid onbekend (zie E.Vermeersch, Het wetenschappelijk experiment in de
Oudheid en de Middeleeuwen, 1970, pp. 437-469).
42. Zie ook Cornford, Principium Sapientiae, p. 6: "Had Anaximenes set a jar full of water
outside his door on a frosty night and found it split in the morning, he might have found
out that ice fills more space than water and revised his theory"; Guthrie, o.c., I, p. 125,
reageert hierop met de opmerking: "(Cornford) seems to have done less than justice to
Anaximenes... If (Anaximenes) had performed the experiment and based any
generalization on the results, it would only have led him into error".
43. Verdenius, Arch.-Griekse Wet., pp. 21-22. Vgl. ook G.Bachelard,
La formation de l'esprit
scientifique, p. 23, over "l'expérience première" als het eerste "obstacle épistémologique"
in de historische vorming van een "esprit scientifique"; Piaget, La construction du réel chez
l'enfant (1977), p. 335, doet een analoge vaststelling: "...le premier contact de la pensée
proprement dite avec l'univers matériel constitue ce que l'on peut appeler l''expérience
immédiate', par opposition l'expérience scientifique ou corrigée par l'assimilation des
choses la raison. L'expérience immédiate, c'est l'accommodation de la pensée la surface
des choses, c'est l'expérience simplement empirique, qui considre comme donnée objective
la réalité telle qu'elle apparaît la perception directe". Cf. supra, hfst. 2, § 3.3.
44. Cherniss, The Characteristics and Effects of Presocratic Philosophy (1948), p. 12; zie ook
het citaat van Röd, in de inleiding van dit hoofdstuk.
45. Cf. het Ploutarchoscitaat, hoger, waar warm en koud als zulke "hoedanigheden" of "aandoeningen" (πάθη) van de "stof" werden bestempeld. "Húlč" is natuurlijk een aristotelisch concept, maar volgens Hussey, o.c., p. 27, wordt door Anaximenes' transformatiemechanisme "een soort notie opgeroepen of geconstrueerd die Aristoteles' 'materiële
oorzaak' nabij komt".
46. J.Barnes, The Presocratic Philosophers, I, p.46. Robert Boyle (geb. 1627) verrichtte
baanbrekend werk mbt de wetten van het luchtledige en het gedrag van gassen.
47. Cf. zijn De generatione et corruptione, 314a6v.
48. Zo Hölscher, o.c., p. 119.
49. Zie reeds Hegel, Vorl., p. 107; nu ook Hölscher, o.c., p. 137v.
50. Fragmenten in Griekse omzetting, o.m. van Philoon van Bublos (bij Eusebios,
Praeparatio Evangelica, 1.10.1v., p.42 Mras, onder de hoofding:
Ἐπιτομὴ τῆς Φοινικῶν
ἀρχαιολογουμένης θεολογίας). Zie hierover kort O.Eissfeldt, De Chaos in de Bijbelse
en in de Fenicische Kosmogonie (1963), in: Van der Plas, Becking & Meijer (edd.),
De
schepping van de wereld (1990), pp. 148-150.
51. Zie Hölscher, o.c., p. 137.
52. Cf. Genesis 1.2, dat "vrijwel zeker" de chaos van vóór de schepping beschrijft, cf.
Eissfeldt, o.c., p. 148. De correcte vertaling van dit vers luidt volgens dezelfde auteur: "De
aarde ("Bedoeld wordt datgene wat er in plaats van de latere aarde was, de chaos dus,
waarvoor de hebreeuwse taal geen woord heeft", Eissfeldt, p.178 n. 3) nu was woest en
ledig, en duisternis lag op de oervloed, en een geweldige wind stoof over de wateren heen" (in
plaats van: "... en de Geest Gods zweefde over de wateren").
53. p. 42.21-43.4 Mras. Het Griekse woord pothos, "verlangen", berust hoogstwaarschijnlijk op een interpretatiefout (o.i.v. Hesiodos?): in de
Fenicische tekst stond er waarschijnlijk het woord ruah ("wind", maar ook "geest", cf.
Genesis 1.2), zie Eissfeldt, o.c., p. 148.
54. Hölscher, o.c., p. 170.
55. De technische metafoor is nochtans verschillend: bij Sanchouniathoon gaat het om de
(meer primitieve) techniek van het vlechten van vezels, riet, enz. tot manden, netten e.d.
56. Zo Eissfeldt, o.c., p. 149; maar ibid., p.150, merkt hij op: "Natuurlijk kan het bij de
stelsels van de Ionische natuurfilosofen slechts gaan om een oppervlakkige beďnvloeding,
want voor het overige steunen deze op de waarnemingen en gevolgtrekkingen van hun
grondleggers".
57. Ook Hölscher, l.c., moet erkennen dat het de voorkeur verdient, "die Entdeckung des
physikalischen Begriffs dem Ionier zu lassen".
58. Vgl. ook Cherniss, o.c., p. 11: "dit zijn beslist veranderingen van het ene ding in het
andere, géén afwisselingen van kwaliteit in één enkele substantie die identiek blijft";
J.Klowski, Ist der Aer des Anaximenes als eine Substanz konzipiert?, in: Hermes,
100(1972), p. 131v.
59. Zoals we het nog in Platoons Symposium geformuleerd vinden door de arts Eruximachos, als hij het heeft over "het systeem der seizoenen", 188A: "Telkens (die tegengestelde elementen van daarnet) - warm en koud, droog en vochtig - in hun onderlinge
verhouding deel krijgen aan de geordende liefde (eroos), en zij zowel harmonie als een
evenwichtige vermenging verwerven, dan brengen zij voor de mensen zowel als voor de
overige dieren en gewassen een vruchtbaar jaar en gezondheid, en richten zij geen onrecht
(adikia!) aan".
60. Beoordeeld, natuurlijk, vanuit het lŕtere gezichtspunt van het rationele bewustzijn,
waarin het probleem op een conceptuele, en dus veel stabielere, wijze is opgelost.
61. Uitdrukkingen van Bachelard, La Formation de l'Esprit Scientifique, p. 109, met betrekking tot het (pre-)wetenschappelijk denken in de 17de en 18de eeuw: "Des propriétés
manifestement indirectes pour un esprit scientifique sont immédiatement
substantifiées par la mentalité préscientifique".
62. Nogmaals een uitdrukking van Bachelard, l.c.. In het hegeliaanse jargon zou men
kunnen zeggen dat de relatie nog "abstract", d.w.z. zonder differentiaties, tot stand kwam.
63. Bv. het slaapverwekkend vermogen van bepaalde stoffen werd
'verklaard' bmv de aanwezigheid van de substantie "somniferum", d.w.z. slaap(principe); de ontvlambaarheid
van andere door die van het beruchte "phlogisticon", d.w.z. vuur(principe), uitgevonden
door G.Stahl, 1697.
64. Bachelard, o.c., ch. VI, heeft het over "l'obstacle substantialiste".
65. De relatie, m.a.w., tussen het apeiron en de (wereld der) enantía is in feite nog "mythisch": d.w.z. ze is nog onmiddellijk, zodat de twee partners ervan, hoewel ruimtelijk van
elkaar gescheiden, tegelijkertijd toch in zekere zin met elkaar samenvallen. Voor deze
dubbelzinnige functie van het alpha privativum in het woord apeiron, zie Prier, o.c., p. 24
n. 45: "ik voel er veel voor te argumenteren dat de vorming van negatieven bmv alpha
privativum niet enkel een disjunctie van twee fenomenen impliceert, maar óók hun niét-differentiatie of identiteit", en, ibid., p. 10: "... door een factor van interactie en
voortplanting impliceren deze tegengestelden elkaar en worden ze op een of andere manier
als één beschouwd".
66. Seligman, o.c., p. 64.
67. Cf. ook Anaximanders vereenzelviging van het
apeiron met "het goddelijke".
68. Bachelard, o.c., p. 73.
69. Maar dat gaat waarschijnlijk te ver, zie hoger.
70. Anachronistisch geformuleerd, zou men Anaximenes misschien als de
"synthese" kunnen bestempelen, na Thales' "these" en Anaximanders
"antithese".
|