6. Mûthos als "relatie".
6.1. Het "paradigma van de enantía" is, zoals gezegd, een erfenis van de mythische
werkelijkheidservaring. Daarin was die werkelijkheid inderdaad het domein van de
permanente gewelddadige confrontatie tussen tegengestelde krachten die elkaar
'geen kwartier gaven' - met alles wat zoiets impliceerde aan kosmische én menselijke
"onrechtvaardigheid".
Dergelijke beleving van de werkelijkheid vinden we in de mythe - bv. nog in
Hesiodos' Theogonia[51] - uitgedrukt in concrete, direct menselijke termen:
namelijk als de
"schandelijke daden" die de goden jegens elkaar pleegden. Denken we bv. aan de
brutale generatiestrijd om de opvolging (eerst tussen Ouranos en Kronos, nadien
tussen Kronos en Zeus), aan het "bedrog" van Prometheus, enz. Maar het primaire
conflict, dat ook geïncorporeerd zit in de machtsstrijd tussen de generaties, is dat tussen de twee
'oertegengestelden'. Bij de aanvang van de Theogonia krijgen we het op
een dubbele manier gepresenteerd: enerzijds is er de tegenstelling tussen Duisternis-en-Nacht en Aither-en-Dag; anderzijds, en bovenal, is er de verbeten oppositie (die er
ook een is tussen de twee geslachten) tussen Vader Hemel (Ouranos) en Moeder
Aarde (Gaia): het is Gaia die, uit wrok om het gedrag van Ouranos, haar kroost ertoe
aanzet hun vader Ouranos met een list te 'pakken te nemen' (zie de castratie). We
staan hier bijgevolg voor een mythische'"voorafbeelding' van de confrontatie, in het
wereldbeeld van de Ionische natuurdenkers, tussen het heldere/warme/droge en het
duistere/koude/vochtige.
Beneden die mythisch-kosmische bovenbouw, nu, kunnen we de "existentiële"
basis erkennen, zoals die zich stelde voor een primitieve, "natuurlijke" samenleving,
zie Seligman, o.c., p. 102:
"we kunnen daaronder een vroege poging ontdekken om tot een regeling te
komen met het basispatroon dat 's mensen éigen bestaan conditioneert: moeder
en vader, voortplanting, geboren-worden en sterven, de opeenvolging der
generaties".
Inderdaad: "tot een regeling te komen". Het "dramatische" karakter van dit
wereldbeeld (zie supra) - we mogen hier misschien écht, la Friedrich Engels, spreken
van een "dialectiek van de natuur" - schuilt juist hiérin, dat, terwijl de werkelijkheid
nu eenmaal bestond uit vijandige, elkaar bekampende krachten, het leven en
overleven van de wereld - en dus van de mens - desalniettemin vereiste dat deze
krachten ook samenwerkten; d.i. dat ze, op tijd en stond, op een
positieve manier met elkaar verbonden, aan elkaar gerelateerd werden[52]. Welnu, áls participant,
kon/mocht de mens daarin niet afzijdig blijven: hij/zij moest deze samenwerking, deze
"relatie" mee helpen tot stand brengen.
Het probleem, bijgevolg, van de relatie tussen de tegengestelden - synchroon als
samenwerking, diachroon als alternering - stelde zich voor de
'primitieve' mens niet
als een theoretisch vraagstuk, maar als een praktisch, existentieel probleem,
als een (zich altijd opnieuw stellend) levensprobleem[53]. De kosmische samenwerking
immers - d.i. het kosmisch evenwicht - was per definitie precair, was slechts een momentaan gegeven (zie supra): elke morgen opnieuw moest de zon kunnen opgaan[54],
en de mens diende het zijne/hare ertoe bij te dragen, b.m.v. magisch-ritueel handelen
en gebeden, opdat ze dat ook effectief zou kùnnen en doén[55].
6.2. Welnu, de mythe - of misschien is het correcter te schrijven: een bepaald soort
van mythe[56] - is een dergelijke, symbolische bijdrage, is een poging om de relatie
tussen de tegengestelden te construeren[57]; of, zoals Lévi-Strauss het stelt in zijn
structuralistische benadering, een mythe heeft de functie, contradicties te mediëren[58].
In het mythische verhaal - d.i. in het mythische denken voor zover het zich
uitdrukt in, of als een tekst (maar zie verder) - komt die mediatie of relatie tot stand
via direct contact, d.i. vereenzelviging of éénwording van de tegengestelden.
Aangezien de mythe werkt b.m.v. 'menselijke' gedragsvormen, zoals die in de eerste
plaats constitutief zijn voor een primitieve samenleving, is het typische
relatiemechanisme dat van de geslachtsdaad
en/of de voortplanting. Anders
gezegd, in de mythe is het bovenal (maar niet uitsluitend) de seksuele relatie die
de 'logische' functie heeft de tegengestelden zowel te creëren als (tijdelijk) met
elkaar te verzoenen[59]. Ik herinner aan vers 123 van Hesiodos' Theogonia: "uit Nacht
werden dan weer Aither en Dag geboren". Maar bovenal vinden we dit logisch model
verzinnebeeld in de rol van Eros, "Liefde(sverlangen)". Het is dit liefdesverlangen dat
de verbinding tussen Hemel en Aarde bewerkstelligt - daarbij de fysische gedaante
aannemend van... regen (zie supra, het slot van hfst. 2) -, en aldus zorgt voor de
(re)productie van het leven op aarde. Zo kunnen we nog bij de Attische tragici het volgende lezen i.v.m. Aphrodite, de liefdesgodin:
"Verlangen (ἐρᾶι) doet heilige Hemel ernaar, Aarde te doordringen,
verlangen (ἔρως) grijpt Aarde aan om te huwen;
de regen, neergevallen vanuit vrijende Hemel,
bevrucht Aarde: voor de stervelingen brengt (regen)
weiden met schapen voort en levenbrengend graan;
de bloei der bomen uit het huwelijksvocht
is kompleet. Daarvan ben Ik de oorzaak"[60].
Een andere toepassing hiervan vinden we op het vlak van de relatie tussen
goden en mensen, d.i. tussen onsterfelijken en stervelingen: zij komt in de mythe
eveneens tot stand d.m.v. 'directe', d.i. seksuele betrekkingen tussen god en vrouw,
godin en man[61]. Zo constateert Prier, o.c., p. 33, inzake de zogenaamd homerische
Hymne aan Aphrodite (waarin een vrijpartij beschreven wordt tussen Aphrodite en
Anchises, op de Ida-berg):
"De Hymne aan Aphrodite is een verklaring van de relaties tussen mensen en
goden in een gebied waar zij identiek worden. De specifieke hoedanigheid van dit
gebied is seksueel".
Wat we nu mogen omschrijven als de "mythische relatievorm", laat zich, met Cassirer (Formen, p. 80 e.v.), op de volgende manier onderscheiden van de rationele,
of wetenschappelijke vorm.
In het rationele denken zijn verbinding en scheiding geen twee verschillende, of
tegengestelde "Grundakte", maar vormen ze één en hetzelfde logische proces: in het
zogenaamd "synthetische oordeel" wordt de gerealiseerde eenheid niet gedacht als een
conceptuele identiteit, maar als "Einheit des Verschiedenen". De betreffende
elementen worden er onder een relatie gebracht - a R b -, zodanig dat een "scherpe,
drievoudige articulatie (Gliederung)" ontstaat:
"niet alleen tekenen de beide grondelementen (a en b) zich, juist dóór en krachtens
de relatie die ze aangaan, klaar en duidelijk van elkáár af, maar ook de vorm
van de relatie zelf (R) betekent t.a.v. de inhouden die zich in haar ordenen, iets
nieuws en speficieks. Zij behoort om zo te zeggen tot een ander betekenisniveau
dan de afzonderlijke elementen zelf; zij is niet zélf een bijzondere
inhoud, een bijzonder ding, maar (is) een algemene, zuiver ideële verhouding"
(l.c., m.s.).
Daartegenover heerst in de mythische zienswijze de al vermelde "Gesetz der
Konkreszenz oder der Koinzidenz der Relationsglieder" (zie supra, § 4.2):
"De mythische zienswijze laat dat wat ze verbindt, tenslotte samenvallen. In
de plaats van de eenheid van de verbinding - als synthetische eenheid, dus als
eenheid van het onderscheidene - komt hier de 'dingliche Einerleiheit', de
concidentie" (ibid., p. 82)[62].
De relaties die de mythe construeert, situeren zich dus niét op een "ander zijns- of betekenisniveau" dan de verbonden elementen. Ze zijn om die reden géén "gedanklichen
Bindungen" waardoor wat erin opgaat, tegelijkertijd onderscheiden én verbonden
wordt, "maar ze zijn een soort van lijm (Kitt), die zelfs het meest ongelijkaardige nog op
één of andere manier vermag samen te lijmen" (l.c.).
Dit "model" laat zich ook nog op andere vlakken aanwijzen: zo op dat van de
maatschappelijke organisatie: uit de etnologische literatuur mag blijken dat de (erg
betrekkelijke) sociale coherentie van primitieve samenlevingen berust op het -
dikwijls in een rituele context georganiseerde - antagonisme tussen tegengestelde
groepen[63]. Op het vlak van de taal, vervolgens, manifesteert het oppositionele
denken zich in de appositionele, nevenschikkende zinsconstructie: i.t.t. de
'rationele'
taal, worden in de archaïsche taal de verschillende ideeën niet hypotactisch onderling
gecoördineerd (zie de zogenaamd "periode"), maar ze worden paratactisch
naast,
of achter elkaar geplaatst, 'aaneengeregen' zoals kralen aan een snoer[64].
Zinsdelen waartussen wij een logische samenhang zouden construeren (b.m.v. de
gepaste voegwoorden) van tijd, oorzaak-gevolg, toegeving, enz., worden in deze stijl
gewoon verbonden met nevenschikkende voegwoorden ("... en... en..."):
"deze wijze van expressie is derhalve vertikaal; ze produceert een betekenis door
apposities of identiteiten tussen ideeën opeen te stapelen" (Prier, p. 12).
Tenslotte zien we de mythische 'relatievorm' nog aan het werk in de visie op
kennis. In wat Lesher de "primitieve 'common sense' opvatting" noemt[65], worden
kennis en perceptie ervaren als een direct, d.i. fysisch in contact komen, of zijn,
met fenomenen of personen. Revelerend in dit verband zijn Griekse samenstellingen
met het voorzetsel - (sun-), d.w.z. "samen-". Zo vooral het werkwoord
συνίημι (suníèmi): het betekent letterlijk "samenbrengen, samenkomen". De latere courante betekenis "begrijpen, vatten" is
dan oorspronkelijk te verstaan in de zin van "iets of iemand met zichzelf
samenbrengen". Om Lesher, o.c., p. 165, daaromtrent te citeren:
"Het resultaat is een primitieve 'common-sense' visie op kennis en perceptie,
die weerspiegeld wordt in de woorden zelf waarmee deze toestanden en
processen worden aangeduid (sc. 'hoor mijn woorden en neem ze in acht', 'wees
aandachtig en sla acht op mijn woorden'): waarnemen, bekend worden met,
acht slaan op - dit alles is uiteindelijk een kwestie van 'een samenkomen met'
het uitwendige object of de persoon".
6.3. Het hierboven geschetste, logische onderscheid tussen de
"mythische" en de
"rationele" relatievorm doet onvermijdelijk denken aan het onderscheid dat Piaget
maakt - m.b.t. de wisselwerking tussen organisme en natuur (zie supra, Algemene Inleiding,
§ 2.1) - tussen
1) de puur fysische, of fysiologische relatie (eten, drinken, enz.), waar de wisselwerking de vorm aanneemt van direct contact, fysisch-chemische absorptie
en afstoting, enz., en
2) de psychische, functionele relatie, waarin de uitwisselingen plaats vinden "over steeds grotere afstanden in de ruimte (waarneming, enz.) en in de tijd
(geheugen, enz.), alsook volgens steeds ingewikkelder banen (terugkeer,
herhaling, omweg, enz.)"[66].
Als we dit onderscheid zouden projecteren op het historisch-genetische vlak, d.i.
van de
'menswording', dan zou de fysiologische relatie analogisch verwijzen naar de
allerprimitiefste toestand van "volledige symbiose"[67], d.i. van een quasi volledig
samenvallen van mens(?) en natuur.
We zouden dus kunnen zeggen dat de mythe, ter oplossing van het relatieprobleem, een beroep doet op, of teruggrijpt naar, het
"schema" van de
'oorspronkelijke' symbiose. Deze conclusie moet nochtans onmiddellijk
gerelativeerd worden. Het feit immers dat in de mythische
tekst de relatie
niet àls relatie wordt verwoord of verzelfstandigd, betekent absoluut niet dat
mythe as such een uitdrukking zou zijn van "symbiose", d.i. van verhoudingloosheid[68]. Het
tégendeel is waar: mythe stélt juist het relatieprobleem (d.i. drukt een besef
uit van de voor goed verlóren symbiose) én geeft er een oplossing aan[69]. Dat
gebeurt nochtans ook m.b.v. niet-verbale middelen. Een mythe is inderdaad
véél méér dan louter tekst[70]: ze is een (collectief) totaalgebeuren, waarin het
verbale een (weliswaar belangrijke) rol speelt[71]. Kennis van de (inhoud van de)
mythe volstaat niet: de mythe moet daadwerkelijk, in een maatschappelijk
gebeuren, gereciteerd en aanhoord, "gecelebreerd" worden - al dan niet in
combinatie met een rituele handeling (vgl. het Babylonisch Nieuwjaarsritueel) -,
zodanig dat uitvoerder én groep in staat worden gesteld, de "oorspronkelijke evidentie" (Husserl) a.h.w. te herbeleven[72]. Het gevoelsmatige, affectieve
karakter
van de mythe en van de symbolen die erin aan bod komen[73], wordt er m.a.w.
steeds opnieuw door geactualiseerd. En het is dánk zij dit enactieve en affectieve
"hors-texte" dat de mythe zijn werk doet.
Maar vanwààr dan dat niveauverschil tussen mythisch bewustzijn en
mythische (verbale) uitdrukkingswijze? De verklaring moet allicht gezocht in een
historische variant van de "wet van de décalage", die volgens Piaget optreedt
bij het kind, tussen de handeling en de verwoording: bij de overgang naar het
niveau van de verwoording - een overgang die nodig is voor het zich-bewust-worden van de "operatie" in kwestie - hervált het kind in de
'fouten' die het op
het vlak van het handelen al overwonnen had:
"het proces van het aanleren van een operatie op het verbale plan zal dezelfde
voorvallen reproduceren als degene die al opgedoken waren, toen men deze
operatie aan het leren was op het plan van de handeling; er zal een proces van
verschuiving plaats hebben van de ene (leersituatie) naar de andere"[74].
De mythe-als-tekst kan worden beschouwd als een dergelijke "verschuiving" naar
het verbale plan.
6.4. Tot nu toe hebben we het, gemakshalve, gehad over "het" mythische denken,
als vormde het een statische eenheid. In werkelijkheid heeft zich - alleszins in de
Griekse traditie - reeds binnen het mythische denken een evolutie voorgedaan
waarvan men kan zeggen dat ze de latere "breuk" ermee heeft helpen voorbereiden.
Van die evolutie vinden we sporen in Hesiodos' Theogonia (zelf al een
'meta-mythische' tekst, waarin verschillende religieuze strata verenigd zijn). Zo in de
'relatie' tussen Hemel en Aarde: oorspronkelijk gaat het om een soort van
permanente coïtus: Hemel (Ouranos) - door Aarde (Gaia) uit haarzelve voortgebracht en "gelijk aan haarzelve" (v.126) als haar mannelijke dubbel -
"dekt" Aarde
zonder ophouden: er is tussen hen beiden noch ruimtelijke scheiding noch afstand
in de tijd, zodat Gaia's kinderen (de Titanen, de drie Honderdarmigen, de drie
Kuklopen) niet kunnen geboren worden. Aan die toestand van 'symbiose' komt
een einde met Ouranos' castratie door Kronos (op instigatie van Gaia). Pas door de eruit volgende scheiding
tussen Hemel en Aarde[75] worden het mannelijke en het vrouwelijke
geslacht echt gedifferentieerd van elkaar, en pas vanaf dàn kan er sprake zijn van
een echte, seksuele relatie (zie de geboorte van Aphrodite). De nieuwe voortplantingswijze, door Kronos aldus ingesteld, geschiedt voortaan
"door middel van de vereniging van principes die, zelfs in hun toenadering,
verschillend en tegengesteld blijven; (Kronos) fundeert de noodzakelijke complementariteit tussen de machten van conflict en de machten van liefde"[76].
Herinneren we ook aan de figuur van Okeanos. Doordat hij als locus
communis a.h.w. de verpersoonlijking is van het contact tussen Hemel en Aarde,
anders gezegd: doordat de relatie in hem gepersonifieerd, verzelfstandigd wordt
als een tertium quid, heeft Okeanos de betekenis van een "preconceptueel
symbool" (zie supra, hfst. 2).
Maar ook de creatie, in de homerische epen, van de Olympische godenwereld -
creatie waarin die goden (in principe) niet langer vergroeid zijn met de
natuurfenomenen, maar een soort van 'superaristocratie' vormen, heersend over
een gebied of domein - was de uitdrukking van een toenemende differentiatie
tussen mens en natuur, en dus van een steeds verdere verwijdering van de
'oorspronkelijke symbiose':
"met het traag aangroeiende meesterschap van de mens over de natuur en zijn
losmaking van die natuur, die eruit volgt, neigden ook zijn goden ertoe, zichzelf
los te maken, en konden zij uiteindelijk een sublieme menselijke gedaante
aannemen. De Theogonie vertelt het pijnlijke verhaal van hun humanisering"
(Seligman, o.c., p. 97).
De mythe - rééds de mythe - bezat, of verwierf, aldus een soort van
'metafysische' betekenis of draagwijdte. R.Harder formuleerde het als volgt[77]:
"De mûthos betekent losmaking uit het tegenwoordige en het concrete verleden, verheffing in een verre en hoge sfeer; en daarmee bevrijding van de
persoonlijke gebondenheden. Ik schrik er niet voor terug om dit een 'Versachlichung' te noemen, in de hoge zin van de 'reine Sache'. Men spreekt graag
van een fase van het mythische denken, in de zin van het prelogische,
magische denken. Voor de Griekse situatie zou dat een zinloze onderneming
zijn. Want precies de mythe, doordat hij bevrijdt van de persoon en objectiveert, creëert een essentiële voorwaarde voor de Griekse filosofie".
7. Het Apeiron als "Relatiebegrip".
7.1. De mythe, dus, ten einde de eenheid en identiteit van de "leefwereld" te
verwezenlijken, deed de tegengestelde verschijningswijzen op een concrete,
menselijke - en dus arbitraire - manier met elkaar samenwerken. Dat gebeurde
bij voorkeur d.m.v. de geslachtsdaad en de voortplanting, zonder deze relatie
àls
relatie te verzelfstandigen. De evenwichtsvorm die hiermee tot stand kwam, was
bijgevolg erg kwetsbaar en labiel[78]. Van enige 'natuurwet(matigheid)' in het
natuurlijke proces was nog geen sprake - het was allemaal een kwestie van goddelijk "voluntarisme":
"in het hesiodisch verhaal is er het acute gevaar dat de volgende generatie
goden wel eens niét zou kunnen leven, en dat impliceert, gegeven de primitieve
betekenis ervan, dat aan het ontstaan geheel en al een einde zou kunnen
komen"[79].
Welnu, de historische betekenis van het Ionische natuurdenken moet
m.i. hier gesitueerd worden (en dus niet louter in voornoemde
'secularisering' van
de mythische voorstellingen - hoewel ze ermee samenhangt). Met
dezelfde 'praktische' oogmerken als de mythe, namelijk met het oog op het realiseren en
waarborgen van de levenbrengende verzoening of samenwerking tussen de tegengestelden[80], hebben zij een soort van relatiebegrip
geconstrueerd,
dankzij hetwelke het natuurgebeuren wél als wetmatig, en dus als stabiel, en dus
als inzichtelijk, kon begrepen worden. Op dit punt heeft zich m.i. (pace Prier) wel
dégelijk een "revolutionaire" ontwikkeling voorgedaan, die ons het recht geeft te
spreken van een soort van "breuk" tussen het mythische en het archaïsche denken[81]. Ook Held (o.c., p. 78) apprecieert de "vroegste milesische wetenschap"
daarom als een poging om
"de identiteitscrisis van de ervaringswereld in haar geheel (te overwinnen) door
zoiets als een wetmatigheid te erkennen van de periodieke opeenvolging van
zulke objectieve toestanden als koude-warmte, helderheid-duisternis en
vochtigheid-droogte".
Die centrale plaats die wij, in onze interpretatie van het Ionische natuurdenken, daarmee toewijzen aan de constructie van een soort van relatiebegrip, kan vergeleken worden met de constitutieve betekenis die volgens
Cassirer (Formen, p. 82) moet worden toegeschreven aan de ontwikkeling van het
- éigenlijke, rationele - relatiebegrip voor het wetenschappelijke denken:
"De geschiedenis van de filosofie en van de wetenschappen toont ons hoe het
besef van deze aparte plaats van het zuiver relatiebegrip, daar waar het voor
de eerste maal optreedt, precies ten grondslag ligt aan een nieuwe 'Epoche' van
de wetenschappelijke geest".
Wat de archaïsche constructie betreft, zij was manifest het resultaat van een
historisch "decentreringsproces" (Piaget). Anders gezegd: er werd daarmee, in
historisch perspectief, een verdere stap gezet in de richting van dat soort van
'vrijheid' t.a.v. de natuurlijke Lebenswelt, dat in zijn extreme vorm kenmerkend
zou zijn voor het rationele bewustzijn (i.e. "vrijheid" door abstrahering of objectivering, en dus onvermijdelijk ook vervreemding). Aldus wordt Anaximanders
bijdrage ook geapprecieerd door Seligman (o.c., p. 117):
"Dit was inderdaad een Copernicaanse revolutie. Het was de eerste filosofische
bijdrage tot het verwijderen van diepgewortelde angsten, tot een verruiming
van 's mensen horizon voorbij de vergankelijkheid van het leven, en het
verschafte aldus een grotere mate van innerlijke vrijheid t.o.v. de blinde
natuurnoodwendigheden".
Dat betekent nochtans niét - en ons Cassirercitaat mag niet in die zin misverstaan worden - dat met de Ioniërs reeds het eigenlijke wetenschappelijke
denken van start is gegaan. Het komt erop aan, zoals vroeger al gezegd, dit
archaïsche denken in zijn historische specificiteit
te interpreteren. Het feit dat
we hier ('nog') niet te maken hebben met (zelfs maar een aanzet tot) aristotelisch
denken (zie Prier, o.c., p. 7), betekent niét dat het nog "mythisch"
was; en
omgekeerd: het feit dat het niet meer "mythisch" was, wil niet zeggen dat het dùs
al "rationeel" was.
7.2. Bij Thales hebben we kunnen opmaken dat de hoofdrol in zijn
kosmogonisch verhaal (àls er al sprake was, bij hem, van een 'verhaal') niet meer
gespeeld werd door de tegengestelden zélf - Aarde en Hemel, of hun jongere
representanten -, maar door de mediator
ertussen die hen (fysisch of
fysiologisch) verenigde: het (levens)-water. Zoals Seligman, o.c., p. 141, opmerkt:
"De eerste plaats wordt niet langer toegewezen aan Hemel of Aarde, maar aan
de band die hen verenigt; niet aan de schenker van het goddelijke vocht of aan
de ontvang(st)er, maar aan de levengevende substantie zelf. 's Mensen twee
grote verstrekkers worden ondergeschikt aan de instantie die hun
functionering determineert"[82].
Met Anaximander vond er een volgende, logische shift plaats. Enerzijds nam
hij Thales' (fysiologisch) 'midden' over, wellicht in een licht gewijzigde vorm: aèr,
als mist of vochtige lucht, ís een vorm van water (zie ook verder, bij Anaximenes). Maar daarnaast - beter: daarboven en daarbuiten - construeerde hij
een soort van metafysische (eigenlijk meta-fysiologische) middenterm, of "derde
term" (Prier): het apeiron (τὸ
ἄπειρον).
Dat de invoering ervan in direct verband stond met het "paradigma van de
enantía", moge blijken uit een passus van Aristoteles, Physica, 204b24-29[83]:
"(Het apeiron, of onbegrensde, kan geen samengesteld lichaam zijn), maar
evenmin is het mogelijk dat er één, enkelvoudig, onbegrensd lichaam is - noch,
zoals sommigen beweren, als dat wat nààst de elementen staat, en waaruit
deze laatste geboren worden, noch op gelijk welke manier. Er zijn er inderdaad
die dát het apeiron maken, maar niet lucht of water, om te vermijden dat de
andere (elementen) vernietigd zouden worden door het onbegrensde ertussen.
(De elementen) vertonen inderdaad een onderlinge tegenstrijdigheid: de lucht
bv. is koud, het water vochtig, het vuur warm. Als er daarvan één onbegrensd
zou zijn, zouden de andere al lang vernietigd zijn; nu, echter, beweren ze dat
het verschillend is (van de elementen), namelijk datgene waaruit deze laatste voortkomen".
Cassirers conditio, opdat we van een relatiebegrip zouden mógen spreken -
namelijk dat
de relatie "niet zélf een bijzondere inhoud, een bijzonder ding" mag zijn (zie supra),
in dit geval: één van de "elementen" (stoicheîa) -, vinden we in deze tekst op een
bepaalde manier uitdrukkelijk bevestigd. De motivering ervoor is dat een vereenzelviging van het apeiron met één van die (tegengestelde) elementen noodzakelijk
zou leiden tot de ondergang van de overige, en dus tot de ondergang van de
kosmische orde. Wij kunnen eruit afleiden dat, omgekeerd, het "anders"-zijn ervan
die kosmische orde garandeert.
Wat moeten we dan verstaan onder "het apeiron"?
De interpretatie van het Griekse woord heeft in de literatuur tot
meningsverschillen aanleiding gegeven. Zij betreffen zowel
(1) de etymologische oorsprong ervan: gaat het om een negatie (zie a-: ons "on-")
van peras, "grens" (zodat het zou betekenen: "wat geen grenzen heeft",
"onbegrensd"), dan wel om de negatie van het werkwoord perainein,
"doorlopen" (zodat apeiros zou neerkomen op: "wat niet van het begin tot het
eind, dus tot aan zijn grenzen kan doorlopen worden")? als
(2) de gebruikswijze ervan bij Anaximander: dienen we apeiron kwalitatief (d.i.
als: "onbepaald") of kwantitatief (d.i. als "onbegrensd", "oneindig") te
begrijpen?
Waarover wél een consensus bestaat, is dat apeiron bij Anaximander in elk geval
nog niet zijn latere, logische betekenis kan hebben, d.i. die van mathematisch
"oneindig", of van "onbepaald" in absolute zin (beide bij Aristoteles). Guthrie
waarschuwt bovendien zeer terecht voor het anachronisme, bij deze archaïsche
denker enige lexicologische bekommernis te veronderstellen:[84]
"In een periode zonder enige kennis van grammatica, semantiek of logica,
waren de mensen overgeleverd aan de woorden in een mate die men zich niet
altijd gemakkelijk kan voorstellen. Een woord was meer zoals een
enkelvoudige, een geheel vormende entiteit, en de verschillende betekenissen
ervan - die wij met gemak analyseren en onderscheiden - moésten wel verschijnen als verschillende aspecten of facetten één enkele betekenis".
Ook Seligman, o.c., Appendix II, schrijft:
"Ik betwijfel of hij het hoe dan ook definieerde, of zelfs maar de behoefte
voelde, het te definiëren. De oppositie (sc. met peras) wordt in zijn conceptie
geïmpliceerd maar niet uitgesproken, en wordt enkel expliciet als we de
functie bekijken van zijn archè-conceptie binnen zijn systeem".
7.3. Een verhelderende invalshoek op Anaximanders apeiron-notie wordt m.i. bekomen als we de Griekse uitdrukking "τὸ
ἄπειρον" beschouwen als een soort
van metafoor.
Het lijkt gerechtvaardigd te stellen dat Anaximander op een geniale wijze de
(nog beperkte) mogelijkheden van de concrete, natuurlijke taal benut heeft om een
- tegelijkertijd mentale én ontische - werkelijkheid "aan te wijzen", d.i. te
construeren, die de alledaagse ervaringswereld transcendeerde.
Dat metaforisch karakter geldt in de eerste plaats voor het onzijdige, bepaalde
lidwoord
τό, "het". Zoals hoger al opgemerkt, bood dat lidwoord de mogelijkheid,
adjectieven (predikaten) te verheffen tot 'zaaknamen' of substantieven, zodat
ze op de plaats konden staan van het subject van uitspraken. De
verschijningswijzen konden op die manier gethematiseerd worden. Het bijzondere,
evenwel, aan het gebruik ervan in combinatie met "apeiros" is dat hier datgene
wordt 'aangewezen' dat géén particuliere verschijningswijze is, maar integendeel
het ónbepaalde, het ónthematische, het niet-aanwijsbare
als zodanig.
Wat
ἄπειρον zelf betreft, is het in de eerste plaats het préfix
ἄ-, d.i. het
alpha privativum (zie ons voorvoegsel "on-"), dat aandacht verdient. De
oorspronkelijke functie van dat alpha privativum, reeds in het Indo-Europees,
bestond erin, afwezigheid, d.i. ruimtelijke scheiding
uit te drukken[85]. Die
oorspronkelijke, ruimtelijke betekenis klinkt nog door in Anaximanders "apeiron":
het apeiron bestaat buiten
de wereld van de begrensde, particuliere
verschijningswijzen, wereld die het zelf, cirkel-
of sfeervormig[86], "omvat en bestuurt" (fr. 3,
zie verder). In afwezigheid van een rationeel bewustzijn - met wat zoiets
impliceert aan onderscheid tussen het conceptuele en en het stoffelijke -, heeft
Anaximander het alpha privativum metaforisch gehanteerd om een soortement
van 'begrip', meer bepaald van 'relatiebegrip', te construeren. Hoewel zelf nog
'fysisch' van denotatie, differentieert het apeiron zich toch dáárin ontisch van de
particuliere, elkaar begrenzende verschijningswijzen, dat het die begrensde
bestaanswijze ervan negeert - in de eerste plaats doordat het er
ruimtelijk van gescheiden is.
Seligman, o.c., p. 125, merkt over dit soort van archaïsche conceptualisering
het volgende op (mijn vertaling):
"in het latere denken werd de conceptie van het oneindige inderdaad een
geestelijke notie, maar in Anaximander waren het geestelijke en het materiele
nog ongedifferentieerd, en waar wij ertoe geneigd zouden zijn te zeggen: 'van
een ándere wereld' ('other-worldly'), zou hij nog zeggen: 'van buiten de wereld'
('outer-worldly'). Maar het 'buitenwereldse' is radicaal verschillend van de
wereld".
Dergelijke logische betekenis van het ruimtelijke
kan worden vergeleken met het
belang dat de ruimtelijke categorie heeft voor het mythische denken, zie Cassirer,
o.c., p. 116:
"de 'Anschauung' van de ruimte manifesteerde zich in zoverre als een
basismoment van het mythische denken, dat dit laatste zich beheerst toonde
door de tendens om alle differentiaties die het poneert en vat, om te zetten in
ruimtelijke differentiaties, en hen zich in deze vorm onmiddellijk voor de geest
te brengen".
Het feit dat dit eerste, weliswaar nog ruimtelijke en 'stoffelijke' relatiebegrip
zich historisch constitueerde als negatie,
is al evenmin toevallig. Cassirer, o.c.,
p. 82, wijst erop, wat de doorslaggevende, aparte zijnsstatus betreft van het
zuivere relatiebegrip, dat
"de eerste, streng logische karakterisering van dit begrip precies deze tegenstelling als het beslissende moment naar voren schuift: de zuivere 'vormen'
van de aanschouwing en van het denken worden als een niet-zijnde,
als een
μὴ ὄν bestempeld, om ze daardoor te differentiëren van de bestaanswijze
die eigen is aan de dingen, aan de zintuiglijke verschijnselen".
Het is Cassirer hier natuurlijk te doen om een later, rationeel moment. Toch is zijn
constatatie, mutatis mutandis, ook toepasselijk op Anaximanders apeiron. Het
feit, inderdaad, dat het apeiron, zij het als negatie, nog altijd ruimtelijk en
stoffelijk is - zoals gezegd: het "loost" het kosmische semen -, mag ons niet blind
maken voor de 'geestelijke' betekenis ervan. Nogmaals Seligman, o.c., p. 54 n. 1:
"hoewel Anaximanders geen conceptie is van het geestelijke of mentale,
kan de betekenis ervan enkel ten volle gewaardeerd worden áls manifestatie
van de menselijke geest"[87].
In déze zin, dus, als negatie van het particuliere en momentane, hebben we hier
wel degelijk te maken met een "metafysische" notie, d.i. met een ('materieel')
algemeen begrip dat tot grond van de fenomenale werkelijkheid is gemaakt.
8. Het Fragment ("B1").
Het is nu de hoogste tijd om te kijken hoé Anaximander het apeiron daadwerkelijk
die rol liet spelen van 'relatiebegrip', of "derde term" (Prier). We kunnen daartoe
een beroep doen op een kort citaat (?) dat ons bewaard is uit zijn geschrift,
namelijk het
beruchte fragment "B1"[88]. De volledige passus waarvan het in onze bron deel uitmaakt, luidt in vertaling als volgt:
"Van degenen die beweren dat het (zijnde) één, in beweging en onbegrensd
(ápeiron) is, heeft Anaximander, zoon van Praxiades, Milesiër en opvolger en
leerling van Thales, gezegd dat het ápeiron archè en element is van alwat
bestaat, waarbij hij de eerste was om die naam (ofwel: dat woord) van de archè
te introduceren. Hij zegt dat de archè noch water noch iets anders is van de zogenaamde elementen, maar één of andere daarvan verschillende natuur die
ápeiron is, waaruit alle hemelen (ouranoí) geboren worden evenals de werelden
(kósmoi) die zich daarin bevinden: 'maar waaruit de bestaande dingen
hun geboorte hebben, daarin vinden ze ook hun ondergang, zoals
het hoort; ze geven elkaar immers recht en boete voor het onrecht,
overeenkomstig de verordening van de tijd', zoals hij het in deze eerder
poëtische bewoordingen uitdrukt"[89].
Met enige zin voor romantiek, kunnen we het citaat in de passus bestempelen als
"'s werelds oudste filosofische uitspraak" - zoals Emlyn-Jones, The Ionians, p.124,
het doet. Hij voegt eraan toe dat "weinig woorden in de Griekse taal aanleiding hebben gegeven tot zóveel speculatie, interpretatie en commentaar".
7.1. Het fragment stelt inderdaad tal van problemen.
** Zo is er vooreerst de precieze afbakening
van het eigenlijke 'citaat'. In de
moderne vakliteratuur wordt erop gewezen dat
a) de context waarin het fragment geciteerd wordt, naar intentie en formulering duidelijk (post)aristotelisch is;
b) de Griekse tekst, bovendien, van het "fragment" grammaticaal in de
zogenaamde indirecte rede staat[90]; en
c) het vermoeden bestaat dat althans de formulering van de éérste zin
("waaruit..., daarin... hoort") zou kunnen teruggaan op Aristoteles[91].
De auteurs, nochtans, van de twee belangrijkste moderne monografieën over
Anaximander, namelijk Charles Kahn (1960) en P.Seligman (1962, 1974), die voor de
rest een erg uiteenlopende visie verdedigen, aanvaarden ook de eerste zin van het
citaat als anaximandreïsch. Over de authenticiteit van de tweede zin ("ze geven
elkaar... tijd") bestaat een quasi consensus[92]. Hoe dan ook, dàt hier geciteerd
wordt, het zij dan in de indirecte rede, lijkt gegarandeerd te worden door Simplikios' kritische slotcommentaar bij Anaximanders wat al te "poëtisch" taalgebruik[93].
** In de aanlooptekst, vervolgens, stelt zich het probleem, of de zinsnede: "de eerste
was om... archè te introduceren", bedoelt dat Anaximander de eerste was om het
Griekse wóórd "ἀρχή", "begin(sel)", te gebruiken in een filosofische context, dan
wel dat hij de eerste was om aan die archè de nààm van "apeiron" te geven (met de
term archè dan door de doxograaf in de goed-aristotelische betekenis gebruikt van
"materieel beginsel")[94]. De meest voor de hand liggende conclusie lijkt hier wel te
zijn dat
"Theophrastos het woord in Anaximanders tekst aantrof en noteerde dat
het hier voor de eerste keer gebruikt werd door een
φυσικός, zonder dat hij er
bleef bij stilstaan dat Anaximander het niet in de aristotelische betekenis kon
gebruikt hebben" (Seligman, o.c., p. 27).
Door aan het apeiron de kwalificatie te geven, de "archè" te zijn van de wereld,
heeft Anaximander dan vermoedelijk willen duidelijk maken dat niet de goden,
maar het apeiron, als de onuitputtelijke kosmische levens- en bewegingskracht,
alle "initiatief" in de wereld in handen heeft (zie ook verder, over Anaximanders
'theologie')[95].
** Historisch (eerder dan filosofisch) interessant is de vraag hoe we, nog altijd in de
aanlooptekst, het meervoudige "werelden" (kosmoi) moeten verstaan: als een synchronische, dan wel als een diachronische veelheid?[96] In het kader van de
interpretatie die we hier van het fragment in globo zullen volgen,
namelijk die van Seligman, gaan we ervan uit dat Anaximander in principe een (nooit eindigende)
reeks van werelden poneerde, zodanig dat er op elk moment slechts één wereld
bestaat ("leeft").
7.2. Maar het echt cruciale interpretatieprobleem betreft
de logische relatie
tussen de twee onderdelen van het fragment (zie het woordje "immers"): zij, inderdaad, zou ons moeten vertellen hoe
het apeiron de rol speelt van
'relatiebegrip' voor de wereld der enantía. Doorslaggevend, daarbij, is de
interpretatie van de woordjes "waaruit" en "waarin", in de eerste zin - in het
Grieks telkens een meervoudsvorm: namelijk
ἐξ ὧν [ex hoon] en
εἰς
ταῦτα [eis tauta].
Wàt is daarvan, grammaticaal, het antecedent, of, reëel, het denotatum?
Op die vraag wordt door de twee al vermelde, hedendaagse Anaximandermonografieën een radicaal verschillend antwoord gegeven.
7.2.1. Volgens Charles Kahn dienen de meervoudsvormen letterlijk te worden
genomen en verwijzen ze naar het meervoudige onderwerp zelf van de zin: de "bestaande dingen", anders gezegd de enantía[97]. Het zou dus uit, respectievelijk
in elkaar zijn dat de tegengestelden ontstaan, respectievelijk vergaan. Ter
ondersteuning van deze interpretatie kan een beroep worden gedaan op een
"algemene regel" die, weliswaar veel later, geciteerd wordt door Platoon, in de
Phaedo (70D7 e.v.): namelijk "tegengestelden ontstaan altijd uit hun tegengestelde"[98].
Een belangrijke implicatie van deze zienswijze is dan wel dat de twéé
onderdelen van het globale fragment op één en hetzelfde betrekking hebben,
namelijk op de relatie tussen de enantía onderling. Zoals Kahn, o.c., p.138, zelf
schrijft:
"Volgens de hier voorgestelde interpretatie hebben de twee delen van het
fragment één en dezelfde betekenis. Het eerste lid [d.i. tot en met "zoals het
hoort", HdL] poneert de noodzakelijke terugkeer van de sterfelijke elementen
in de tegengestelde krachten waaruit ze gegenereerd zijn; de tweede zin
verklaart deze noodzaak als een rechtvaardige compensatie voor de schade
aangericht bij hun geboorte. De elementen voeden elkaar door hun eigen
destructie, want wat voor het ene leven is, is dood voor zijn opponent... Het
fragment is dus géén aankondiging van een definitief einde der dingen,
wanneer de elementaire krachten zullen terugkeren naar het Grenzeloze
waaruit ze zijn voortgekomen...".
Bijgevolg heeft het fragment als zodanig géén betrekking op het
apeiron... In de context van het bericht lijkt dat natuurlijk wel wat eigenaardig,
aangezien het fragment juist geciteerd wordt àls toelichting bij Anaximanders
apeironleer. Een verdere implicatie, bovendien, van Kahns interpretatie is dat niet
enkel het ("goddelijke") apeiron, maar ook de actueel bestaande kosmos -
hoewel ooit ontstáán uit het apeiron - onvergankelijk zou zijn: het gaat dan
immers om een volkomen cyclisch, recurrent proces tussen de enantía
onderling. De natuur - als het domein van die onophoudelijke, cyclische transformaties - ontpopt zich daarmee als "een zichzelf-regulerend organisme met een
strikt immanente orde"[99]; of, "politiek" geformuleerd: als een kosmische
rechtsstaat (maar zie verder, § 9).
7.2.2. Seligman, daarentegen, bepleit opnieuw de eertijds gangbare opvatting:
aansluitend bij de "waaruit"-zin die onmiddellijk aan het citaat voorafgaat, wordt
z.i. met de eerste helft verwezen naar de geboorte uit en, vooral, ondergang in het
apeiron[100].
De meervoudsvormen
ἐξ ὧν [ex hoon] en
εἰς ταῦτα [eis tauta] vormen daartoe niet echt een
beletsel: het gaat hier immers om een zogenaamd
"generisch meervoud" dat
precies gebruikelijk is bij de formulering van een "algemene regel"[101]. Deze laatste
betreft dan niet de circulariteit tussen de enantía (warm>koud>warm>koud, enz.),
maar wel (het algemeen verbreid geloof in) de circulariteit van alle
bestaan, d.i. de noodzakelijke terugkeer van alles naar zijn oorsprong (vgl. "uit
stof zijt gij ontstaan, tot stof zult gij wederkeren!"). De stelling, dus, dat de wereld,
die eruit geboren is, ook zal stérven in het apeiron, wordt, strikt genomen, slechts
op een impliciete manier geformuleerd, namelijk middels het algemene principe
waarvan ze een toepassing is[102].
In Seligmans interpretatie - die wij in deze syllabus zullen volgen - herleidt het
fragment zich derhalve niét tot een tautologie; het drukt integendeel
twee
verschillende, zij het complementaire ideeën uit:
-- de eerste zin geeft nu de relatie aan tussen, enerzijds, de (begrensde en
tegenstrijdige) fenomenen van deze wereld en, anderzijds, het apeiron; dat
gebeurt, overeenkomstig de algemene regel, in termen van "geboorte" en
"dood": de tegengestelden werden uit het apeiron geboren en eens zullen ze er
weer in ten onder gaan - "zoals het hoort";
-- de tweede zin, daartegenover, beschrijft de relatie tussen de tegengestelden onderling, en wel in termen van "onrecht" (adikía) en "straf en
vergelding" (díkè kai tísis) - wat als uitleg bedoeld is (zie "immers") bij het moraliserende slot van de eerste zin[103].
De enantía moeten dus "betalen", of "boeten", voor het onrecht dat ze elkaar
aandoen: het warme aan het koude, in de zomer; het koude aan het warme, in de
winter, enz. Alleen, deze voortdurende 'afrekening' onder elkaar is géén zichzelf equilibrerend proces[104]: ééns zal die afrekening een terminaal karakter hebben.
Zo schrijft ook Mansfeld, in de inleiding bij zijn Herakleitosvertaling, p. 10:
"Absoluut is het evenwicht... niet: het proces kan niet onbeperkt duren, daar de
erin betrokken factoren, in tegenstelling tot het apeiron, begrensd zijn, en in de
slijtageslag van hun interacties op de duur uitgeput moeten raken"[105].
Eens komt dus ook de vergelding voor deze wereld-van-onrecht
in haar
totaliteit, en zal ook zij moeten sterven - wat in haar geval wil zeggen: opnieuw
opgenomen worden in de schoot van het apeiron.
Tegen Kahns interpretatie brengt Seligman nog terecht in
-- dat de voorstelling van het cyclische ontstaan van de tegengestelden uit elkaar
strijdig is met wat volgens de theophrastische traditie het kernpunt vormde
van Anaximanders visie, namelijk de genesis, of geboorte, van de (wereld der) tegengestelden uit het apeiron (zie supra, Kosmogonie); er zou m.a.w. in dat
geval geen link zijn gemaakt tussen, enerzijds, apeiron en kosmogonisch proces
en, anderzijds, het actuele optreden der enantía[106];
-- dat de leer van de eeuwige kringloop, als een vorm van immanente en
autarkische zelfregulering, jonger is dan Anaximander, en met name te
danken was aan Herakleitos - "mogelijk als een expliciete correctie op
Anaximanders doktrine"[107].
De manier bijgevolg waarop het apeiron bij Anaximander in concreto werkzaam is
als 'relatiebegrip', verwijst tegelijkertijd naar een hylozoïstische en naar een
"ethisch-politieke" context:
a) de wereld is een levend organisme en moet derhalve - overeenkomstig de wet
van àlle bestaan - eens sterven, namelijk door terugkeer in hetgene waaruit ze
geboren is, i.e. het apeiron;
b) die "wet van alle bestaan" neemt de morele
gedaante aan van onontkoombare
"vergelding" voor het "onrecht" dat alle bestaan jegens elkaar pleegt.
In wat volgt, zullen we op beide aspecten nader ingaan.
9. "Theologie".
Net zoals bij Thales, werd het primum movens voor Anaximanders filosofische
arbeid geleverd door het probleem van het (waarborgen van het) leven. Het
apeiron moest bijgevolg in de allereerste plaats op dat 'levensprobleem' een
bevredigend antwoord bieden.
Terwijl onze wereld er slechts een tijdelijke manifestatie van is, fungeert het
apeiron als de buiten- en bovenwereldse "archè" van het kosmische leven in al zijn
vormen. Áls zodanig is het niet louter negatie, maar speelt het integendeel een
positieve, (letterlijk) vitale rol. Het vormt een per definitie "onuitputtelijke"
levenskracht, waaruit telkens opnieuw een kosmisch leven / levende kosmos,
d.i. een (eindige) cyclus van ontstaan en vergaan, kan voortkomen[108]: na het sterven van een wereld, wordt telkens wéér een kosmisch zaad geëjaculeerd, dat
telkens wéér de geboorte geeft aan "het warme" en "het koude"[109].
Precies omwille van die rol van absoluut en onvoorwaardelijk levensbeginsel
kreeg het apeiron vanwege Anaximander de
religieuze kwalificaties
toegewezen, die traditioneel voorbehouden waren aan de goden[110]. Meer dan
waarschijnlijk vereenzelvigde hij het apeiron zelfs met "het goddelijke, sc. bij uitstek" (to theîon) - een uitdrukking die tot dezelfde klasse behoort als to thermón,
to ápeiron, enz. Volgens Jaeger, Theology, p. 31, was ze wellicht een creatie van
Anaximander zelf, die daarmee de aanzet gaf tot een filosofisch godsbegrip dat van
historische betekenis ("epoch-making importance") zou zijn voor de Griekse filosofie:
"De zinsnede 'het Goddelijke' verschijnt niet louter als een predikaat te meer,
dat wordt toegepast op het eerste principe; integendeel, de substantivering van
het adjectief d.m.v. het bepaald lidwoord toont veeleer aan dat dit
geïntroduceerd wordt als een zelfstandig concept, essentieel religieus van
karakter, en nu vereenzelvigd met het rationele beginsel, het Grenzeloze"[111].
Hierbij moet echter onmiddellijk worden opgemerkt dat deze "godheid", d.i. het
apeiron, door Anaximander niét tot het voorwerp van één of andere cultus is gemaakt. Net zomin als andere Griekse filosofen, later, m.a.w., was Anaximander de
stichter van een nieuwe religie. In dt opzicht vormt zijn leer - zoals Seligman, o.c.,
p. 60, terecht opmerkt - een kosmologisch, veeleer dan een theologisch systeem.
Hoedanook, het is nogmaals Aristoteles, in zijn Physica, 203b4-15 (= D-K
12A15 en B3), die ons hieromtrent bericht geeft[112]:
"Gans logisch poneren alle phusikoí het apeiron ook als archè. Het kan immers
niet zijn dat het géén functie zou hebben, en evenmin dat er een andere macht
zou aan toebehoren dan die van archè: alles is ofwel archè ofwel is het er het
resultaat van, maar van het apeiron is er géén archè (sc.
"begin"); dan zou er immers een grens aan zijn. Bovendien is het, in de mate
dat het een archè is, ook ongeboren en onvergankelijk; immers, wat geboren is,
moet noodzakelijk ook een einde nemen, en aan elk vergaansproces is er een
slot. Daarom, zoals we zeggen, is er daarvan géén archè, maar gaat men ervan
uit dat zij de archè is van al de rest, en dat ze alles 'omvat' (periéchein) en
alles 'bestuurt' (kubernân), zoals al diegenen zeggen die naast het apeiron
geen andere oorzaken construeren, zoals geest [cf. Anaxagoras] of vriendschap
[cf. Empedokles]. En dàt (sc. het
apeiron) is dan 'het Goddelijke' (to theîon); het is immers 'onsterfelijk' (athánaton) en 'onvergankelijk' (anólethron), zoals Anaximander zegt
evenals de meeste physiologen"[113].
Het feit dat het apeiron de kosmische werkelijkheid "bestuurt", veronderstelt
vanzelfsprekend dat het niet alleen leven, maar ook een soort van bewustzijn
bezit, en wel een superlatief "listig bewustzijn" (mètis): zie het cirkelvormig "in-zijn-greep-houden" van de wereld[114].
Het goddelijke imperium van het apeiron over de tegengestelden, d.i. over de
wereld, kan met Seligman, o.c., pp. 121-123, gespecifieerd worden in een viertal
aspecten:
1) als hun levensbron én als bezitter van een "eeuwige beweging" verleent het
apeiron aan de enantía het bestaan;
2) àls apeiron legt het aan de enantía hun peirata, of grenzen, op:
a) a priori: ze zijn geboren dankzij de afscheiding van het kosmische zaad uit
het apeiron;
b) a posteriori: gestraft omwille van hun onrecht, sterven ze in het apeiron;
3) als Godheid bepaalt het apeiron de levensloop van de enantía in zoverre ze
hunkeren naar de goddelijke prerogatieven ervan (almacht, onsterfelijkheid);
4) het apeiron "omvat" en "bestuurt" de wereld op een absolute manier.
10. De Kosmische "Burgeroorlog".
10.1. De hoger, in §7 geboden interpretatie van het Fragment (die beantwoordde
aan onze interpretatie van het apeiron als een 'relatiebegrip') houdt in dat er
tussen dat goddelijke principe en de wereld der enantía niet enkel een ontische,
maar ook een moreel-politieke tegenstelling geldt.
De wereld van de enantía, d.i. van de begrensde en elkaar beoorlogende
verschijningsvormen, is de wereld van adikía en díkè, d.i. van "onrecht" en "recht(zetting)"/"straf", en dus van de dood[115]. Élke manifestatie van een tegengestelde,
álle ontstaan en bestaan gaat gepaard met geweldpleging jegens de opponent[116].
De geweldpleger zal daarvoor onontkoombaar, "volgens de verordening van de
tijd", moeten "betalen" (zie tísis) namelijk door op zijn beurt overweldigd te worden: het
warme in de winter, het koude in de zomer, enz. Het mythische
"schuld-en-boete"
patroon dat we hoger al vermeldden[117], werd door Anaximander daarmee veralgemeend tot een soort van "universele wet van het bestaan" - zoals Seligman,
o.c., p. 110, het formuleert:
"Door de structuur bloot te leggen van het overgeleverd schuldpatroon, hergoot
(Anaximander) het tot een universele wet van het bestaan... Anaximanders
wet van het bestaan is de wet van àlle opvolging, en er is bijgevolg geen
onderscheid tussen de fundamentele kosmische machten en de generaties van
individuen. Het maakt geen enkel verschil of het een kwestie is van dag en
nacht, zomer en winter of hemel en aarde, of van mannelijk en vrouwelijk, of
vader en zoon: inbreuk en herstel zijn van dezelfde natuur. Elk lid van een
paar van tegengestelden komt tot bloei door onrecht en vergaat door onrecht".
Het apeiron, daartegenover, staat buiten en bóven deze wereld. Het wordt zelf
niet gedifferentieerd door de tegengestelden: het is, zoals gezegd, noch een
mechanisch "mengsel" noch een "fusie" ervan. Welnu, in de mate dat het aan alle
interne differentiatie onttrokken is, transcendeert het óók de kosmische adikia
evenals de eraan gekoppelde díkè[118].
10.2. Anaximanders beschrijving van het kosmische gebeuren in termen van
adikía en díkè heeft heel wat inkt doen vloeien in de moderne literatuur. De
verleiding is groot om, iet of wat triomfalistisch, te concluderen dat reeds bij deze
"eerste filosoof" de wereld naar analogie met de polis geconcipieerd is als een
"rechtsstaat".
Zoals we reeds aangestipt hebben in de Inleiding, is dat met name de interpretatie die Gregory Vlastos ontwikkelde in zijn Equality and Justice in Early
Greek Cosmologies, mede onder verwijzing naar de esthetisch-geometrische
structuur van Anaximanders kosmografie. Ook Kahn (o.c., p. 166) spreekt n.a.v.
Fragment 1 van "the universe governed by law", waar de enantía om beurten aan
de macht zijn. Hij acht het in dat verband redelijk, te aanvaarden dat
Anaximander de eerste was om ter verwijzing naar het universum gebruik te
maken van het kapitale woordje "kósmos".
Dit woord wijst in zijn oorspronkelijke
betekenis naar élke "schone ordening", bv. van een sieraad, een leger in slagorde,
enz., en lijkt de noties van "gelijkheid" en "rechtvaardigheid" te impliceren -
althans volgens Platoon, Gorgias, 507E6-508A7:
"De wijzen (hoi sophoí), Kallikles, beweren dat hemel en aarde evenals goden
en mensen worden samengehouden door gemeenschap en vriendschap (philía),
ordevolheid (kosmiótès), zelfbeheersing (sophrosúnè) en rechtvaardigheid
(dikaiótès), en dáárom geven ze aan het Al de naam van
'kosmos' ('orde'),
waarde vriend, niét van 'wanorde' (akosmía) of 'losbandigheid' (akolasía)... Het
is jou ontgaan hoe groot het vermogen is, onder goden en mensen, van de
geometrische gelijkheid (isótès)...".
Het is dan een kleine stap van Platoons "geometrische gelijkheid" naar
Anaximanders geometrisch wereldbeeld, waarin de aarde precies dankzij de
"gelijkheid" (homoiótès) in het centrum 'hangt'. Maar dan gaat men er wel aan
voorbij dat Platoons "geometrische gelijkheid" een politiek-ideologische
notie is, het 'ordewoord' a.h.w. van de aristocraten ("wie meer waard is, moet
meer krijgen!"), dat zich opponeerde aan het democratische principe van de "aritmetische gelijkheid" ("iedereen évenveel!"). De "wijzen" waarop Sokrates hier een
beroep doet, waren allicht Pythagoreërs.
Tegen voornoemde optimistische, 'burgerlijke' interpretatie van het Fragment
laten zich twee soorten van bezwaren inbrengen.
Vooreerst 'externe': Emlyn-Jones, o.c., p. 126, werpt op dat Vlastos' en
Kahns interpretatie historisch anachronistisch is, aangezien de
polisdemocratie - met o.m. het beurtsysteem in de uitoefening van de archaí, of
ambten - zich pas later heeft doorgezet.
Wat meer bepaald Milete betreft: deze handelsstaat kende na de tyrannie
van Thrasuboulos ("vriend" van Thales), een burgeroorlog tussen "de rijken"
(hè ploutís) en "het volk" (hè kheiromákha). Deze interne klassestrijd verwierf een
droevige faam omwille van haar buitengewone bloedigheid en niets ontziende
wreedheid. Zo vertelt de latere Athenaios (ca 200 nK), in zijn Deipnosophistae,
XII, 524a:
"In het begin behaalde het volk de overhand en, nadat ze de rijken hadden
verdreven, brachten ze tot zelfs de kinderen van de vluchtelingen op dorsvloeren samen en ze lieten ze op de gruwelijkste manier vertrappelen en doden
door ossen. Toen daarop de rijken weerom de overhand kregen, lieten ze
aldegenen die ze konden te pakken krijgen, óók de kinderen, instrijken met
teer en levend verbranden".
Voor "gemeenschapsgevoelen", "vriendschap", "zelfbeheersing", e.d., noties
waarmee Platoon de term "kosmos" verbindt, was hier duidelijk geen ruimte. We
stoten integendeel op een alterneren van misdaad en vergelding. Deze
burgeroorlog duurde volgens Herodotos (Historiën, V, 28-29), ongeveer zestig jaar
en viel bijna exact samen met het leven van de grootste der milesische denkers en
de eerste westerse filosoof: Anaximander, "wiens uitspraken over het universum de weerspiegeling zijn van zeer uitgesproken juridische en politieke preconcepties"[119].
Terwijl, zoals dezelfde auteur opmerkt (o.c., p. 126), de essentie van de democratische ideologie juist de verzoening behelst onder de tegengestelde sociale
krachten, beklemtoont Anaximander daarentegen het onverzoenbare
antagonisme tussen de enantía. Dit "tragische karakter
van de anaximandriaanse adikía" (Seligman, o.c., p. 78) is allicht een reflectie ván en óp
die verscheurde maatschappelijke context waarin de filosoof heeft geleefd en geageerd.
Maar er zijn ook "interne" bezwaren. E.Havelock, in zijn boek The Greek
Concept of Justice (p. 246), merkt op dat dikè in het Fragment
"onmogelijk een rechtvaardigheid kan representeren in de zin van een alomvattend principe dat het universum en zijn processen insluit, want het is zélf
een 'item' dat uitgewisseld of geruild wordt in de loop van het proces".
Anaximanders dikè heeft inderdaad een uitsluitend retributief
karakter: het
gaat om de "vergelding" (tisis) voor het onrecht dat telkens weer gepleegd wordt.
Om nog maar eens de vergelijking te maken met de situatie in de polis: het om-beurten-aan-de-machtkomen van de burgers is juist het fundament van de
politieke rechtvaardigheid, d.i. van de isonomía, het gelijkelijk-participeren-aan-de-macht. Voor Anaximander, daarentegen, is elke opeenvolgende
machtswisseling een uiting (én bestraffing) van adikía, onrechtvaardigheid
(niet onbegrijpelijk, in het licht van Athenaios' bericht).
Het tweede deel van het Fragment vertolkt m.a.w. niet het politieke rechts-
en gelijkheidsbeginsel, maar de pre-politieke lex talionis,
d.i. het beginsel van
"oog om oog, tand om tand", dat in oorsprong eigen is aan de werking van
'tribale'
samenlevingen (zie nogmaals het epos)[120]. In Hesiodos' Theogonia vond deze wet
van de "tisis" haar oorsprong in de vervloeking die Ouranos na zijn castratie uitsprak over zijn kinderen[121].
Aan het rechtvaardigheidsbegrip, bijgevolg, waaraan in het Fragment uitdrukking wordt gegeven, ligt evenmin de burgerlijk-commerciële, monetaire
ruiltransactie ten grondslag tussen wareneigenaars op de markt, maar veeleer de
primitieve, pre-monetaire notie van "betaling/vergelding/straf"[122]. Polanyi,
in zijn Livelihood of Man, p. 105, schreef over deze primitieve notie van "betaling"
(tísis) het volgende (m.v.):
"Betaling bestond al in een periode toen het onderscheid tussen burgerlijk
recht, strafrecht en sacraal recht nog niet gevestigd was. Dit verklaart gedeeltelijk de bijzonder nauwe relatie tussen betaling en straf, aan de ene zijde,
en tussen verplichting en misdaad, aan de andere... Historisch gesproken is het
in brede trekken waar dat het burgerlijk recht volgde op het strafrecht, en het
strafrecht volgde op het sacraal recht. Betaling kwam dus even goed van de
schuldigen als van de onzuiveren en de sociaal zwakken en minderwaardigen;
verschuldigd was ze aan de goden en hun priesters, aan de mannen-van-eer en
de sociaal machtigen. Straf, net zo goed als overtreding, stelde zich in sacrale
en maatschappelijke termen. Ze resulteerde in verlies aan onschendbaarheid
(sanctity), prestige en status van de betaler, desnoods met inbegrip van zijn
fysieke vernietiging".
Uit de eis, anderzijds, van strikte wederkerigheid, spreekt "de afkeer van profijt of voordeel bekomen uit gelijk welke transactie tussen
stamleden" (ibid., p. 70); een afkeer voor alle winst op de rug van de andere, die kenmerkend was voor een
samenleving gebaseerd op een natuureconomie, waarin ieder stamlid recht had op
een vastgelegd "rantsoen", niet méér en niet minder:
"rechtvaardigheid was gegarandeerd binnen de gemeenschap zolang betalingen of verplichtingen, aanspraken of rantsoenen geleverd werden in termen
van de alternatieven die gegeven waren in de equivalentie"[123].
Anaximanders kosmische adikía kan dan verklaard worden vanuit het gegeven
dat de enantía, telkens ze "aan de macht komen" - het warme
in de zomer, het koude in het winter -, zich niét houden aan de 'equivalentie', d.i. dat ze zich méér
toeëigenen dan het hun toegemeten "rantsoen".
10.3. Hoger, § 5.3. e.v., hadden we vastgesteld dat het anaximandriaans
"paradigma van de enantía" klaarblijkelijk nog zijn wortels had in het oudere,
mythische denken. Nù ziet het ernaar uit dat hij evenzo voor de constructie van
een 'objectieve' (het weze dan morele) wetmatigheid in de verhoudingen tussen
die enantía een beroep heeft gedaan op oudere voorstellingen, i.c. op het tribale
rechtvaardigheidsbeginsel van de "wedervergelding".
Nochtans, zoals men er verkeerd aan zou doen, Anaximanders visie te moderniseren, door ze te koppelen aan de democratische polisstructuren, zo zou men er m.i. óók verkeerd aan doen, haar te veel te
'archaïseren', door ze te herleiden
tot de expressie van een nog puur tribale optiek. Immers, het Fragment beperkt
zich niet tot de projectie van de lex talionis op het kosmische gebeuren
(tenminste als we Seligmans interpretatie volgen). Terwijl in de primitieve samenleving de dualistische organisatie op zich - b.m.v. de "wet van de concrescentie" -
een, weliswaar erg kwetsbare, 'polaire eenheid' realiseerde, wordt bij Anaximander het kosmische dualisme getranscendeerd, namelijk door het apeiron
als buitenwerelds 'relatiebegrip'[124].
Blijkens de overgeleverde informatie, is Anaximander er niet toe gekomen, via
een geëxpliciteerde verzoening der tegengestelden, de optimistische notie te
ontwikkelen van een alles overstijgende, en dus justifiërende Rechtvaardigheid. In
dàt opzicht is het apeiron inderdáád nog ten volle een "negatief begrip". De
verklaring ervoor ligt voor de hand: ook deze eerste filosoof was een kind van zijn
tijd. Zijn "tragisch wereldbeeld" was, anders gezegd, de weerspiegeling van een
tragische maatschappelijke werkelijkheid. Maar er is meer: waar in zijn Milete op
het vlak van de praxis de politieke oplossing voor die crisis - namelijk de
isonomía of polisdemocratie - uitbleef, kón de filosoof niet méér doen dan het -
historisch voorbijgestreefde, maar nog niet écht overwonnen - tribale
wederkerigheidsbeginsel veralgemenen[125].
Tegelijkertijd, nochtans - zo zou ik althans durven suggereren -, gaf Anaximander met zijn nog
"negatief" apeiron toch al een theoretische uitdrukking aan
de maatschappelijke aspiraties naar een nieuwe rechtsorde. Dergelijke
aspiraties die tot ontwikkeling kwamen in de klassenstrijd tegen de adel, bleven, in
een situatie waarin het oude wel vernietigd, maar het nieuwe nog niet gerealiseerd was, inhoudelijk onvermijdelijk "onbepaald". Dus doende leverde Anaximander wel degelijk een belangrijke pioniersbijdrage tot de creatie van een
dergelijk, politiek organisatieprincipe (zie de geschreven nomos).
10.4. Ten behoeve van wie problemen zou hebben met deze transpositie van Anaximanders kosmische speculaties naar het terrein van de milesische politiek, kan
er nogmaals aan herinnerd worden dat het Fragment een expliciet "ethisch-juridische" terminologie hanteert - dermate dat de vraag kan gesteld worden, of
Anaximander het hier over de kosmos heeft, over de maatschappij, óf over
beide. De laatste mogelijkheid ligt nog het meest voor de hand, want zoals Emlyn-Jones, o.c., p. 126, opmerkt:
"is het duidelijk dat (Anaximander) bepaalde aspecten overerft van de prefilosofische wereldvisie waarin de kosmologische orde (tevens) een morele en
maatschappelijke orde was, onder de heerschappij van Marduk of Zeus.
Bijgevolg kan Anaximanders kosmologische oplossing gezien worden als een
impliciete commentaar op de samenleving".
Zoals bekend, zal het maar met de Sofistiek zijn, dat de twee domeinen: natuur en
cultuur/maatschappij, als "phusis" en "nomos", uitdrukkelijk van elkaar zullen
onderscheiden en aan elkaar tegengesteld worden.
Nog in verband met deze politiek-maatschappelijke implicaties van Fragment
1 moet tot slot gewezen worden op de parallel van Anaximanders beschrijving van
het natuurgebeuren in termen van "onrecht en straf", die te vinden is in de
fragmenten van een tijdgenoot van hem: de Atheense dichter-politicus Soloon
(1ste helft 6de eeuw).
Soloon was door zijn medeburgers aangesteld als een soort van 'sociaal
bemiddelaar' die de dreigende burgeroorlog, in Athene, tussen armen en rijken
moest voorkomen. Door zijn maatregelen leverde hij alleszins een belangrijke, zij
het niet doorslaggevende, praktisch-politieke bijdrage in de historische
constructie van een nieuwe, 'politieke' maatschappijordening. Welnu, in zijn gedichten (zogenaamde elegieën), die ook de praktische functie hadden, zijn beleid
te ondersteunen en te justifiëren, waarschuwt hij voor de rampzalige gevolgen
zowel van de sociale onrechtvaardigheid der rijken als van de klassenstrijd der
armen.
Ten einde de onontkoombare noodwendigheid duidelijk te maken, waarmee de
Tijd (!) "straf en vergelding" brengt[126] voor de polis waarin géén rechtvaardigheid
of eendracht heersen, verwijst Soloon naar... het natuurgebeuren waar z.i.
een gelijkaardig mechanisme van geweldpleging en straf kan worden vastgesteld.
Vgl. fr. 12 (West):
"uit de wolk komt 't geweld van sneeuw en hagel,
donder ontstaat uit de lichtende bliksem:
uit grote mannen vindt de polis haar ondergang, 't volk
is in zijn onwetendheid de slaaf geworden van een alleenheerser (monàrchou)",
en fragment 9:
"door de winden wordt de zee in beroering gebracht; maar indien men haar niet
beweegt is ze de rechtvaardigste (dikaiotàtè) van al".
Moet/mag er een verband worden gelegd tussen Soloons politieke en Anaximanders kosmische díkè? Gezaghebbende historici als Werner Jaeger[127] en
Viktor Ehrenberg[128] hebben die vraag alleszins bevestigend beantwoord. Toch
dient erop gewezen te worden dat - méér nog dan het nieuwe bewustzijn van de
natuurfilosoof - het denken van de praktische politieker-en-dichter verbonden bleef
met het traditionele, mythische denken en spreken[129]. Hij handhaaft m.a.w. een
samenhang waarin de politieke aetiologie geïntegreerd is in de religieuze
overlevering - ook al verkondigt hij een nieuw inzicht in de oorzakelijke
samenhang van het politieke gebeuren. Bovenal ontbreekt bij deze dichter-politicus elk spoor van
'conceptualisering' in de aard van Anaximanders apeiron.
Zoals Havelock, o.c., p. 262, opmerkt:
"te veronderstellen dat er in (Soloons) beeldspraak één of ander conceptueel
begrip verborgen ligt van een dieperliggend moreel en kosmisch beginsel,
betekent een misvatting van wat zich eigenlijk aan het afspelen is in het
gebruik van de Griekse taal gedurende de archaïsche periode van haar ontwikkeling"; en, ibid., over "het compleet niet-filosofisch, niet-abstract, niet-conceptueel karakter van Soloons compositie".
Emlyn-Jones, l.c., ziet in dit intellectuele onderscheid tussen beiden alleszins een
reden om Anaximanders conceptie te bestempelen als "much more compelling and
farsighted".
_________________________________
NAAR HOOFDSTUK 5
NOTEN:
51. Hoewel die tekst, zoals gezegd, al een poging tot systematisering uitdrukt, en
zich derhalve reeds op een soort van meta-niveau situeert.
52. Vgl. de landbouw, afhankelijk van een 'samenwerking'
of synergie tussen water en zonnewarmte;
ook bij Anaximander, zoals we gezien hebben, ontstaat het leven door de inwerking van het
warme op de vochtig-koude kern.
53. De bevestiging hiervan vinden we in het feit dat kosmogonische mythen, behalve van
grootse, maatschappelijke rituelen, ook deel uitmaakten van... magische bezweringsformules om allerlei kwalen en ziektes te genezen: "as illness is an indication that
something has gone wrong and is moving towards catastrophe, it is of vital importance to
find a fresh start; the most thorough method is to create a world anew, acknowledging the
dangerous forces preceding or still surrounding this kosmos but extolling the victorious
power that guarantees life and lasting order. Thus, in Babylonian texts we find
cosmogonies used as charms against a toothache or a headache, of for facilitating
childbirth; practically all the literary texts can also be used as mythical precedences of magical action: to stop evil winds, to procure rain, to ward off pestilence", aldus W.Burkert
(1987), Oriental and Greek Mythology: The Meeting of Parallels, in: J.Bremmer (1987a),
p. 24.
54. Zie nog volgens Herakleitos was er elke dag een "nieuwe" zon (fr. 6).
55. Anders gezegd: hoewel hetgeen wij de 'ontische orde' zouden noemen, ontegensprekelijk superieur is aan de mens - de
'mythische' mens wéét zich de slaaf van de goden
-, vereist zij toch voor haar voort-, respectievelijk hérontstaan dat de mens haar niet alleen
fysiek (zie de voortplanting) maar ook symbolisch
mee reproduceert: zowel metterdaad (zie
het Babylonische Nieuwjaarsritueel, het ochtendgebed aan de zon van de Indiaan, enz.) als
in zijn gedachten (vgl. wanneer de keizer van China 'verkeerde' dingen dacht, reageerde
de natuur daarop met allerlei rampen: aardbevingen, stormen, enz.). Voor de 'primitieve'
mens, vanzelfsprekend, zijn die rituelen niét louter symbolisch: "they are part and parcel
of the cosmic events" (Frankfort, o.c., p.25). Wat de menselijke relatie tot de natuur betreft,
dient aangestipt te worden, dat rituelen e.d. maar 'functioneel' zijn omdat de mythische
mens de wereld niet benaderd als een "het", maar als een "Gij": "(This) Thou... is not merely
contemplated or understood but it is experienced emotionally in a dynamic reciprocal
relationship" (ibid., p. 5). Er moet tenslotte worden opgemerkt dat we dergelijke visie op
's mensen 'kosmische medeverantwoordelijkheid' in aangepaste vormen ook in latere cultuurfazen kunnen terugvinden, zowel in hoogculturen (bv. bij de Griekse Kerkvaders, in
de late Oudheid), als in de moderniteit. Wat dit laatste betreft, kan bv. verwezen worden
naar de theorie van Claude Lévi-Strauss, voor wie, in het kader van een algemene wet van
de entropie, alle menselijke cultuur "altijd een poging is van de mens om het leven mogelijk
te maken door structuren te handhaven, die een tijdelijke oase van orde zijn binnen het
kosmische verval" (zie Het Trieste der Tropen, p. 408, geciteerd in D.Girardin,
De Navaho-weg tot de mythe, p. 20).
56. Zie de nuchtere bedenkingen van G.S.Kirk, Myth. Its meaning and functions in ancient
and other cultures (1970), p. 1v., bij universele, of monolithische theorieën over de mythen.
57. De mythe evoceert "le Temps de l'origine", het sacrale moment van de oerschepping,
zoals Mircea Eliade het formuleerde, bv. in Aspects du mythe (Coll. Idées, pp. 29-30 e.v.);
voor Gusdorf, o.c., p. 18, doet de mythe zich gelden, in het kader van de angst
teweeggebracht door "een ontologische onzekerheid", "als een geleide voor de terugkeer
naar de orde. Zij treedt op als het prototype van evenwichtsherstel in de wereld, als een
handboek voor rentegratie".
58. "Het doel van de mythe (volgens Lévi-Strauss) is te voorzien in een logisch model dat
in staat is een contradictie te boven te komen", Girardin, o.c., p. 55; zie ook de kritische
bespreking van Lévi-Strauss' visie, in Kirk, o.c., pp. 77-83.
59. Zie Prier, Archaic Logic, p. 34 e.v.
60. Aischulos, Danaïden, fr. 44 (geïmiteerd door Euripides, fr. 898).
61. In het latere denken, daarentegen, zal zij bemiddeld worden, bv. door demonen,
engelen, priesters, e.d.
62. Vanuit dezelfde optiek heeft Lucien Lévy-Bruhl de
"mentalité primitive" getypeerd d.m.v. "la loi de participation". Zie daarover J.Cazeneuve,
La mentalité archaïque (1961),
p. 11 e.v.: "les liaisons qui s'opèrent dans l'esprit des primitifs... s'expliquent... par un
élément de liaison qui est commun à tous les rapports mystiques... En vertu de ce principe,
les êtres et les objets peuvent être, dans ces représentations, à la fois eux-mmes et autre
chose qu'eux-mêmes". Volledigheidshalve moet worden aangestipt dat deze visie van/op
"la mentalité primitive" vandaag heel wat oppositie ontmoet. Hoe dan ook betreft deze
"concidentie" slechts één zijde van de mythische 'medaille': zie verder, onder §6.3., over
de mythe àls "relatie".
63. Zie Emlyn-Jones, Ionians, p. 125 en n. 110.
64. Een klein voorbeeld hiervan geeft Odyssea, 5.234-5:
"(Kalupso) gaf (Odusseus) een bijl,
groot, goedliggend in de hand, van brons, langs beide zijden gescherpt". Ook de
compositietechniek van de traditionele (orale) epische poëzie werkte met het paratactisch
aan elkaar koppelen van losse episodes (Homeros, evenwel, heeft deze traditionele techniek gecombineerd met een dramatische globale organisatie van zijn materiaal rond één
basismotief: in de Ilias, bv., de "wrok" van Achilleus).
65. In J.H.Lesher, Heraclitus' Epistemological Vocabulary (1983).
66. Piaget, Psychologie van de Intelligentie, p. 16.
67. Seligman, o.c., p. 117 n. 1.
68. Prier, o.c., pp. 10-11, oefent in dit verband terecht kritiek uit op de ietwat naïeve benadering van auteurs als Van Groningen en Verdenius.
69. "Het mythisch bewustzijn is structuur van deze genomen afstand, van deze speelruimte tussen de mens en de wereld... De mythe zal altijd de betekenis houden van een
greep naar de verloren integriteit, als een soort poging tot herstel", Gusdorf, pp. 17-18.
De mythe moet als een metafoor worden beschouwd, zie J. Campbell,
Mens, mythe en
metafoor (1991).
70. "De mythe wordt gevoeld en geleefd alvorens te worden verstaan en geformuleerd.
Zij is het gesproken woord, de gelaatsuitdrukking, het gebaar, dat het gebeuren
uitdrukt in het hart van de als een kind voelende mens, alvorens een vast verhaal te
worden", M.Leenhardt, Do Kamo (1947), pp. 248-9, gecit. in Gusdorf, o.c., p. 21. In de
westerse benadering, met haar tekstcentrisme, is de mythe zo goed als herleid tot een
(al dan niet opgetekende) tekst. Deze binding, nochtans, tussen mythe en vastgelegde
tekst is verre van universeel: zij lijkt grotendeels beperkt tot de mediterrane schriftculturen (zo H.Pinxten,
De Vormen van Religieus Leven, pp. 47-61). De archaïsch-Griekse
cultuur, in alle geval, was, zoals gezegd, nog overwegend een orale cultuur en de
mythologische poëzie, zoals Homeros en Hesiodos (net zoals de lyriek van bv. Sappho),
bezat nog een uitgesproken performance-karakter.
71. Zie Pinxten, o.c., pp. 60-61: "Mythen zijn gebeurtenissen waaraan de groep participeert... De reductie van de aandacht tot de tekst (...) doet afbreuk aan het hele
gebeuren. Mythen zijn complexe acties, waarin het verbale een belangrijke rol speelt".
Op basis van D. Hymes, In Vain I Tried to Tell You (Philadelphia 1981), , geeft Pinxten
een opsomming van de aspecten "die altijd bij een mythische vertelling voorkomen", zo:
geluiden en tussenwerpsels; intonaties en houdingen van de verteller; herhaling van
bewegingen en klanken; gezang of muziek; theatrale vaardigheden; de autoriteit van de
verteller; zijn kledij; de ruimte waarin verteld wordt; de tijd van het jaar; de
ingesteldheid, leeftijd en andere kenmerken van de toehoorders... Voor de homerische
epen, zie R.P.Martin, The Language of Heroes. Speech and Performance in the Iliad
(1989), ch. 1.
72. Zie M.Eliade, o.c., p. 29: "en récitant ou en célébrant le mythe de l'origine, on se
laisse imprégner de l'atmosphère sacrée dans laquelle se sont déroulés ces événements
miraculeux".
73. Vgl. Gusdorf, o.c., p. 18: "(De) vitale betekenis van de mythe, de verzekering voor en
in het leven, de bezwering van de angst en de dood, verklaart waarom zij zo hevig
affectief gekleurd is... (De mythe is) in de eerste plaats... een gevoelssfeer, die
overeenkomt met het zoeken naar bevrediging zoals die door de fundamentele behoeften
wordt geëist. De instincten bevelen hier: levensinstincten, voedingsinstinct en seksueel
instinct".
74. Piaget, Le jugement et le raisonnement chez l'enfant (1924), gecit. in
The Essential
Piaget, p. 97.
75. Aangezien deze scheiding in feite al gerealiseerd was in de eerste regel van de theogonie,
namelijk v.116, met "vooreerst ontstond Chaos" (de oorspronkelijke betekenis van het
Griekse chaos, was "gaping", zie hfst. 2), staan we met het castratieverhaal vermoedelijk
voor een doublette dat door Hesiodos alsnog geïntegreerd werd in zijn genealogie (zie
het beperken van Hemels copulatie tot "'s nachts", v.176).
76. M.Detienne & J.P.Vernant, Les Ruses de l'Intelligence (1974), p. 69; zie ook Vernant,
Un, deux, trois: Éros, in: Id., L'individu, la mort, l'amour: Soi-même et l'autre en
Grêce ancienne (Paris 1989), p.153v.
77. R.Harder, Kleine Schriften (München 1960), p. 25 (gecit. bij Verdenius,
Archaïsch-Griekse Wetenschap, p. 9 n. 29).
78. De fatale gevolgen, voor hedendaagse 'primitieve' samenlevingen, van contact met
de westerse wereld lijken me daarvan een sprekend bewijs.
79. Seligman, o.c., pp. 116-117. Vermelden we hier bv.
ook het gegeven "dat in de oudste periode het woord túchè, 'toeval', het 'toestotende', gebruikt kan worden om de
resultaten aan te duiden van het goddelijk beschikken over het menselijk lot. Dat
betekent niet dat alwat gebeurt, louter toeval is, of dat er geen ordening is, maar dat er
aan deze orde iets fundamenteel willekeurig kleeft" (Mansfeld, Vors. I, p. 13).
80. Vgl. met de manier waarop een erfgenaam van de Ionische natuurwetenschap, de
arts Eruximachos, in Platoons Symposium, de taak van de "goede arts"
omschrijft: "hij
moet in staat zijn de vijandigste elementen die er zijn in het lichaam, elkaars vriend te
maken en elkaar te doen beminnen. Welnu, het vijandigst zijn die welke het meest aan
elkaar tegengesteld (enantiótata) zijn: koud en warm, bitter en zoet, droog en vochtig,
en al dergelijke meer".
81. In zijn terecht verzet tegen de traditionele, aristoteliserende aanpak van het archaïsche natuurdenken vervalt Prier, in zijn
Archaic Logic, in het andere, m.i. even
onhoudbare uiterste: z.i. loopt er helemaal géén scheidingslijn tussen de
"dichters" (Homeros, Hesiodos) en de (archaïsche) "filosofen"; in de denkpatronen van Herakleitos
bv. vindt hij een "identieke" structurering als bij Hesiodos (o.c., p. 19).
82. Noch Eros noch Okeanos spelen in Hesiodos' Theogonia de rol van
'held' van het
verhaal.
83. Hoewel Anaximander hier dus niet uitdrukkelijk met naam vernoemd wordt; maar
zie K-R-S, pp. 113-114.
84. A History of Greek Philosophy I, p. 85.
85. Bv. de uitdrukking
ἄπαις (àpais) betekent "kinderloos", of beter:
"kind niet hier/daar", zie Prier, o.c., p. 24 n. 45, met verwijzingen.
86.
ἄπειρος werd inderdaad ook gebezigd voor ringen, cirkels, e.d., zie Guthrie, o.c., p.
85: de cirkel is een πέρας
ἄπειρον (peras apeiron), d.i. een "band" (desmós) waaraan
"geen einde komt", én waaraan dus niet te ontsnappen valt. Vgl. Herakleitos, fr. 103:
"Begin en einde vallen samen op de cirkel"; zie Detienne & Vernant,
Les ruses de
l'intelligence, pp. 271-9; Seligman, o.c., Appendix, slot: "(the Apeiron) is both
ἄπειρον and
πέρας, i.e. the
πέρας in which everything else is firmly held and encompassed"
(met verwijzing naar het gebruik van voor jachtnetten en -strikken, "in which
one is entangled past escape"). Zie ook infra, in het Herakleitoshoofdstuk 7.
87. Ibid., p. 125, schrijft hij nog: "in retrospectie kan dit idee gezien worden als een
onbewuste poging tot spiritualisering".
88. Bewaard door de late Aristotelescommentator, Simplikios (1e helft van de 6de eeuw nK!), in diens commentaar op Aristoteles'
Physica: In Phys., p. 24.13v. (= D-K 12A9 en
B1). Simplikios gebruikte het (sedertdien verloren) doxografisch overzichtswerk van
Theophrastos (leerling van Aristoteles, ca 370 - ca 285 vK), namelijk Meningen der Fysici
(Φυσικῶν δόξαι): zie fr.2 (Diels,
Doxographi Graeci, p. 476). Parallelteksten van
Theophrastos' passus zijn te vinden bij (de christelijke bisschop) Hippolutos,
Refutationes Omnium Haeresium ("Weerlegging van Alle Ketterijen"), I,6 (= D-K
12A11), en Ps-Ploutarchos, Stromateis, 2 (= D-K 12A10). [Over het doxografisch
genre, zie op deze site]. 89.
Griekse tekst: τῶν δὲ ἕν καὶ
κινούμενον καὶ ἄπειρον λεγόντων Ἀναξίμανδρος μὲν Πραξιάδου Μιλήσιος Θαλοῦ
γενόμενος διάδοχος καὶ μαθητὴς ἀρχήν τε καὶ στοιχεῖον εἴρηκε τῶν ὄντων τὸ
ἄπειρον, πρῶτος τοῦτο τοὔνομα κομίσας τῆς ἀρχῆς. λέγει δ' αὐτὴν μήτε ὕδωρ μήτε
ἄλλο τι τῶν καλουμένων εἷναι στοιχείων, ἀλλ' ἑτέραν τινὰ φύσιν ἄπειρον, ἐξ ἧς
ἅπαντας γίνεσθαι τοὺς οὐρανοὺς καὶ τοὺς ἐν αὐτοῖς κόσμους: ἐξ ὧν δὲ ἡ γένεσίς
ἐστι τοῖς οὖσι, καὶ τὴν φθορὰν εἰς ταῦτα γίνεσθαι κατὰ τὸ χρεών: διδόναι γὰρ
αὐτὰ δίκην καὶ τίσιν ἀλλἠλοις τῆς ἀδικίας κατὰ τὴν τοῦ χρόνου τάξιν,
ποιητικωτέροις οὕτως ὀνόμασιν αὐτα λέγων.
90. In het Nederlands: als een "(hij zei) dat"
- of completief zin, in plaats van als direct
citaat (na een dubbel punt, a.h.w.).
91. Vgl. de aanloop naar zijn bespreking van Thales, in
Metaphysica A, 983b8v., geciteerd hoger, hfst. 2, § 3.1.
92. E.Havelock, The Greek Concept of Justice, p. 358 n. 3, nochtans, trekt zelfs de
authenticiteit daarvan in twijfel.
93. Emlyn-Jones, o.c., pp. 127-131, besteedt uitvoerig aandacht aan Anaximanders
poëtisch taalgebruik. Z.i. zal dat kenmerkend geweest zijn voor diens proza in het
algemeen, en dus niet enkel voor deze zin (zie ook de vele voorbeelden van beeldspraak
in Anaximanders kosmogonie). Hij ziet hierin een bevestiging voor zijn stelling dat het
archaïsche denken nog een "synthese" vormde van mythe en rede (ibid., p. 119), vgl. ook
p. 131: "(we komen tot) de conclusie dat... Anaximander uitvoerig gebruik maakte van
een poëtische stijl en woordenschat, tegelijkertijd als het automatische en
vanzelfsprekende uitdrukkingsmiddel voor alle ideeën van enige betekenis, én als een
natuurlijke weerspiegeling van zijn wereldbeeld dat (zoals we zagen) heel wat gemeen
had met (dat van) zijn voorgangers. Het antieke materiaal suggereert verder dat de
ontwikkeling van een prozastijl die in staat was, filosofische ideeën uit te drukken, een
gradueel proces was".
94. De
tweede mogelijkheid wordt, in aansluiting bij J.Burnet (Early Greek Philosophy, p. 54
n. 2), verkozen door K-R-S, o.c., p. 108 ("while admittedly not the most apparent
meaning of the clause in isolation, (it) is certainly more relevant to the trend of Simplicius' argument"), gevolgd door Guthrie, o.c., p. 77. De eerste, nochtans, wordt door Simplikios zelf geconfirmeerd (zie
In Phys., 150.22: EL
), evenals door Hippolutos (Ref. I, 6.2:
πρῶτος τοὔνομα καλέσας τῆς ἀρχῆς
- maar hier zou τοῦτο door haplografie vóór
τοὔνομα hebben kunnen
wegvallen, zoals door K-R-S wordt opgemerkt). Burnets suggestie, dat Simplikios' herneming een wat ongelukkige weergave zou zijn van een zin van Theophrastos
(Anaximander de eerste om het substraat tot materiële oorzaak te maken), is alleszins
puur giswerk; Guthrie concludeert liever dat Anaximander óók de eerste was om de
term "archè" te hanteren. Ook de context maakt de éérste interpretatie de meest
waarschijnlijke: zo is er de vaststelling van Guthrie, dat "Theophrastos het noodzakelijk
heeft geacht om het archaïsche woord
ἀρχή uit te leggen door er de aristotelische term
στοιχεῖον ("element") aan toe te voegen"; anderzijds wijst ook de vrouwelijke vorm
αὐτήν, in de erbij aansluitende zin - in plaats van het onzijdige
αὐτό - erop "dat
het het woord ἀρχή,
en niét στοιχεῖον, is, dat Simplikios hier het meest van al voor de geest
staat" (Kahn, o.c., p. 31).
95. Een verhelderende schets van het woordgebruik van
ἀρχή is te lezen in J.L.
Myres, The Political Ideas of the Greeks (1917), pp. 82-97. De term, die
het verbaal substantief is van het werkwoord àrchein, kreeg in het klassiek Grieks zulke
uiteenlopende betekenissen als: filosofisch "beginsel, principe", "oorzaak" (cf. het effect
ervan), politiek "ambt", politieke "macht, heerschappij", "fundering", "begin" in het
algemeen... Reeds bij Homeros vinden we de algemene betekenis "begin" van iets, niet
louter in de zin van: startpunt in de tijd, maar als "aanleiding, oorzaak" van iets, bv.
van een ruzie, een oorlog (bv. Helena's ontvoering door Paris was de archè van de
Trojaanse oorlog). Gebruikt voor personen, drukt het iemands vermogen tot initiatief
uit, d.i. die (erg bijzondere) persoonlijke kwaliteit die anderen ertoe beweegt, aandrijft
om bepaalde daden te stellen. Dat vermogen om mensen "in gang" te zetten, kwam in de
eerste plaats toe aan personen die door hun (edele) geboorte en antecedenten daartoe
bijzonder gekwalificeerd waren: zo koningen en vorsten, die zich op een goddelijke
afkomst konden beroepen (NB het woord heeft ook een magisch aspect). Het bijna
exacte Latijnse equivalent ervan is imperium (Cicero, nochtans, heeft voor de vertaling
van archè een beroep gedaan op "principium" - waardoor de klemtoon veeleer kwam te
liggen op prioriteit en superioriteit dan, zoals correcter zou geweest zijn, op initiatief en
causaliteit, zie Myres, p. 97). Ook samenstellingen met archi-, bv.
ἀρχιτέκτων,
drukken in de eerste plaats die initiatieffunctie uit van wie anderen "aan het werk
zet": "what is essential in the notion of is just this initiatory 'push' or 'drive' with
which the gifted man imposes his will-and-pleasure on the rest" (Myres, p. 92).
96. Door de antieke doxografen wordt de latere, demokritische leer van de zogenaamd
ápeiroi kosmoi, d.i. van een oneindig aantal coëxisterende werelden, ook al aan
Anaximander toegeschreven (zie D-K 12A10, 14 en 17). Terwijl die attributie nog
aanvaard werd door Burnet, o.c., pp. 58-61, is ze sedert Cornford (in Class. Quart., 28,
1934, p. 1 e.v.; ook zijn Principium Sapientiae, p. 177) algemeen verworpen. Een andere
mogelijkheid om de tekst en de traditie te 'redden', bestaat erin, te verstaan dat hier
gealludeerd wordt op de veelheid van werelden die elkaar opvolgen in de tijd: ze worden
de ene nà de andere geboren, en moeten alle, de ene na de andere, sterven. Deze
interpretatie is verdedigd door Seligman, o.c., pp. 125-129, en U.Hölscher,
Anaximander
und die Anfänge der Philosophie, pp. 114-115. Daarentegen hebben K-R-S, o.c., pp. 122-126, en Kahn, o.c., pp.46-53, de doxografische traditie als zodanig in vraag gesteld. Dat
kadert dan in een globale interpretatie volgens dewelke de bestaande wereld, dank zij
een onophoudelijke kringloop tussen de tegengestelden, een eeuwige orde zou
kennen (zie verder). Het meervoudige "werelden", bij Simplikios (i.e. Theophrastos), zou
dan slaan op "local arrangements" in de éne wereld binnen de "hemelen" (i.e.
sterrewielen).
97. Met de zeer algemene uitdrukking "ta onta", "de bestaande dingen", in de eerste zin
van het fragment, wordt inderdaad niet zozeer verwezen naar de individuele wezens als
wel naar de tegengestelde "elementaire krachten", die de ware 'acteurs' zijn in het
kosmische drama (Kahn, o.c., p. 182).
98. In de context van de platoonse dialoog, vormt dat één bewijs voor de thesis van de
onsterfelijkheid van de ziel.
99. Aldus Vlastos, Equality and Justice, p. 82, hoewel hij tegelijkertijd vasthoudt aan de
regelmatige "heropname" van de wereld in het apeiron. Voor deze inconsequentie wordt
hij terecht bekritiseerd door K-R-S, o.c., p. 119 n. 2: "if the principle of justice applies in
the present world, it is not easy to see how such a drastic change, affecting all its
constituents, as the return of the world to the Indefinite could ever come about".
Ook Emlyn-Jones, o.c., p. 125, schrijft dat "(Anaximanders) antwoord op een mythische
escalatie van onrecht, die, op het ogenblik dat de nood het hoogst is, wordt ingelost door
de eindoverwinnaar - Zeus of Marduk -, erin bestond een zichzelf regulerend systeem te
construeren waardoor de agressie niet (langer) arbitrair neergeslagen werd, maar
gereguleerd in een dynamisch evenwicht".
100. Dat de wereld ontstaan is uit het apeiron, ws al geformuleerd in de aan het citaat
voorafgaande zin: "waaruit alle hemelen geboren worden...". Het lijkt mij evident dat het fragment - dat dan toch die
"waaruit"-constructie (zij het in het meervoud) herneemt (in werkelijkheid zal het allicht het
fragment zijn geweest, dat de ἐξ
ἧς-constructie geïnspireerd heeft) - door de doxograaf
bedoeld is als een aanvulling bij die zin, zie het Griekse partikeltje : de "hemelen"
ontstaan uit het apeiron, maar... dat betekent dan, krachtens de algemene regel, dat ze
er noodzakelijk ook in terugkeren. In deze optiek lijkt Kahns interpretatie de logica van
de passus volledig te miskennen.
101. Bv. het gezegde: "wie wind zaait, zal storm oogsten", wordt in generisch meervoud:
"degenen die wind zaaien, zullen storm oogsten".
102. Zie Seligman, o.c., p. 70 en n. 1 (met literatuur); voor zijn interpretatie van "waaruit", zie ook ibid., pp. 43-44, en de
"Supplementary Note", pp. 78-80 (in de tweede
uitgave, 1974), waar hij meer speciaal repliceert op Kahn. Ibid., p. 69, plaatst hij het
fragment naast o.m. Aristoteles, Met. A, 983b8v., waar het eveneens gaat over de
archè,
en gewaagt van "a striking similarity" (maar die gelijkenis met Aristoteles is natuurlijk
een tweesnijdend zwaard, zie supra). Seligman stipt verder aan dat in de parallelpassus
bij Aetios (D-K 12A14) het enkelvoud wordt gebruikt. Zie ook Hölscher, o.c., p. 115
("Het fragment... spreekt echter een algemene wet uit; dat blijkt uit het neutrale
meervoud"). Vlastos, o.c., p. 77, daarentegen, verklaart het meervoud vanuit de
meervoudige samenstelling van het apeiron (zie ook verder, onder § 8).
103. In het Grieks:
κατὰ τὸ χρεών. Het woordje
χρέως, "schuld", behoort tot dezelfde
stam.
104. Vgl. bv. het steeds verder uitdrogen van de zeeën, D-K 12A27.
105. Zie ook Mansfeld, Vors. I, p.63: "Doch wird auch dieser Unrecht bestraft, so dass
der Kampf kein Einde nimmt, bis sich die Gegner totgesiegt haben".
106. Emlyn-Jones, l.c., evenwel, acht dat geen groot bezwaar:
"de afwezigheid van
precies gedetailleerde logische koppelingen tussen de verschillende aspecten van hun
denken is een algeméne karakteristiek van de vroege denkers, en weerspiegelt de disjunctieve, aforisme-achtige natuur van hun uitspraken"
- maar is dat niet wat al te
gemakkelijk?
107. Seligman, o.c., p. 76 n. 1 en p. 81.
108. Vgl. Arist., Phys. 203b18v. (= D-K 12A15), als één van de argumenten voor het
poneren van het apeiron als archè: "... (de opvatting) dat geboorte en vergaan alleenlijk aldus geen verstek laten gaan, als hetgene waarvan het
geboren-wordende afgenomen wordt, onbegrensd (apeiron) is".
109. Wat - zo is de logische geest geneigd te vragen - is
de status van de enantía in het apeiron? Volgens Aristoteles (bv.
Met. 1069b20) is het apeiron, als de oorsprong der
tegengestelden, een (mechanisch) "mengsel" (migma) van gepreformeerde
substanties, net zoals later de Sphairos van Empedokles en het "alles samen" (πάντα
ὁμοῦ van Anaxagoras. Wat waarschijnlijk de reden is waarom Aristoteles in
Phys.,
187a20 (= D-K 12A9), voor de kosmische "zaadlozing" het werkwoord
ἐκκρίνεσθαι gebruikt, dat pas betuigd is voor de 2de helft van de 5de eeuw, in plaats van het
(waarschijnlijk) correcte ἀποκρίνεσθαι, dat ons door Theophrastos is overgeleverd (D-K 12A10). Daartegenover is door Cornford,
Principium Sapientiae, p. 178, en Vlastos,
Equality and Justice, p. 79, de interpretatie verdedigd, dat we in het apeiron te doen
hebben met een krâsis, d.i. een "fusie", zoals bij water en wijn: "(het apeiron) 'bevàt' de
tegengestelden; maar die zijn zo grondig vermengd dat ze géén van alle verschijnen als
enkelvoudige, individuele dingen" (l.c.; p.77 ziet hij in de meervoudsvorm van
"waaruit/waarin", in het fragment, een verwijzing naar de meervoudige inhoud van het apeiron). Beide interpretaties worden uitvoerig weerlegd door Seligman, o.c., pp. 40-49.
De voor ons en voor Aristoteles vanzelfsprekende vraag, óf, en hoé, de tegengestelden
gepreformeerd in het apeiron aanwezig zijn, werd z.i. door Anaximander duidelijk niét
gesteld. Áls men hem ermee zou geconfronteerd hebben, zou hij ze waarschijnlijk even
absurd hebben gevonden als de vraag, of een kind, nog vóór zijn conceptie, preëxisteert
in zijn ouders, zie ibid., p. 48: "On the other hand, Cornford probably comes close to
Anaximander's thought when he employs genetic conceptions, speaking of the apeiron
as pregnant with, and giving birth to, the opposites, assigning it a parental role, as it
were"; vgl. ook Emlyn-Jones, o.c., p. 122, die spreekt van een "prevailing sexual aspect".
Op het belang van het historisch moment waarop Anaximander werkte, wordt gewezen
door Stokes, o.c., p. 32: "Er is geen historische reden waarom enige kosmogonist een
oorspronkelijk mengsel zou hebben gepostuleerd vóórdat Parmenides argumenten
ontwikkelde waaruit kon worden geconcludeerd dat het afleiden van een gevarieerde
wereld uit een homogeen begin neerkwam op een schenden van de wetten van het Zijn".
110. Vgl. Joël, Der Ursprung, p. 74: "... nicht die Natur, nicht die bestehende Körperwelt
ist ihr Grundinteresse, sondern der unendliche Lebensprozess, für den unsere
bestehende Welt nur ein Durchgangspunkt ist... Das
ἄπειρον Anaximanders ist also
eigentlich das Unerschöpfliche, die unerschöpfliche Quelle des Lebensprozesses - daher
er es auch 'unsterblich' und 'unvergänglich' nennt".
111. Vgl. Mansfeld, o.c., p. 58: belangrijk is niet enkel dat Anaximander zijn beginsel
verheft tot de rang van het goddelijke, "sondern vor allem, dass das Göttliche auf das
Niveau dieses apeiron gehoben wird. Es wird nicht nur entpersonalisiert, sondern es
ändert sich auch sein Begriff".
112. De woorden tussen
enkelvoudige aanhalingstekens in het citaat zijn wellicht authentiek, zie Jaeger, o.c., p. 202
n. 44.
113. Vgl. ook Phys. 207a19v. (= nr. 9 in Mansfeld,
Vors.I): "... de verhevenheid (semnótèta) van zelfs het apeiron: het 'alles omvatten' en het 'alles in zich houden'"
.
114. Zie hoger, onder § 7.3.
115. De uitdrukking "epos van de natuur", die we hoger, in § 2, hanteerden m.b.t. Anaximanders kosmogonie, is ook in deze,
"morele" context toepasselijk. Vooral met de Ilias - een
epos bovenal gewijd aan de (menselijke) dood, met zijn steeds terugkerend tragisch patroon
van helden die doden, om vervolgens zelf gedood te worden - lijken er sterke raakpunten
te zijn.
116. Dat betekent niét dat, zoals het Fragment vroeger begrepen werd, het bestaan zélf van
de wereld een onrechtvaardigheid zou zijn jegens het apeiron, waarvoor de wereld
uiteindelijk moet boeten, zie Vlastos, o.c., pp. 76-77. Maar anderzijds mag, pace Vlastos,
uit het feit dat alle onrecht effectief bestraft wordt, m.i. niet geconcludeerd worden dat
"bestaan altijd 'rechtvaardig' is" (zoals Vlastos, p. 77 n., schrijft).
117. Zie supra, § 5.2. Op het ogenblik dat hijzelf gestraft is voor zijn
"schandelijke daden" jegens Gaia en hun beider kinderen, vervloekt Ouranos Kronos en diens mede-Titanen
voor hun "zware misdaad" jegens hem, "waarvoor zij later vergelding (tisin) zouden
betalen" (Hes., Theog. 207-210).
118. Dat houdt tevens in dat het apeiron niet onderworpen is aan de
"verordening van de
tijd", zodat het bijgevolg niet enkel buiten de kosmische 'ruimte',
maar ook buiten de kosmische (vergelding brengende) "tijd" staat. De antithese tussen
apeiron en enantía in Anaximanders "epos" is daarmee sterk analoog aan die tussen de "gelukzalige" goden en de
"beklagenswaardige" mensen, in Homeros' Ilias.
119. Emlyn-Jones, o.c., p. 31.
120. Vgl. Ilias, 18.309: "Gemeenzaam (ξυνός) is Ares, en wie gedood heeft doodt hij". Aristoteles,
Nikom. Ethiek, V 5, 1132v21v., wanneer hij het heeft over de zogenaamd pythagorische definitie van
"rechtvaardigheid" als "wederkerigheid" of "wedervergelding"
(τὸ ἀντιπεπονθός), citeert Hesiodos (fr. 286), die het
"recht van Rhadamantos" (één van
de rechters in de Onderwereld) als volgt omschrijft: "als men ondergaat wat men heeft
begaan, zal recht gedaan zijn aan het recht".
121. Zie de al vermelde passus 207-210; zie ook vv. 184-5: uit Ouranos' bloed dat op aarde
valt, worden, "met het rondwentelen van het jaar" (!), de Erinyen, of Wraakgodinnen, geboren.
122. Aristoteles, Nik. Eth., V.5, is het er juist om te doen, het tribale rechtvaardigheidsideaal van de
"wederkerigheid" te herinterpreteren in de zin van het 'burgerlijk' rechtvaardigheidsbeginsel, dat tot stand komt in een arbeidsdelige productiewijze op basis van
de (monetaire) warenruil en op die manier "de polis samenhoudt".
123. Ibid., p. 67. Hoewel enig verband uitgesloten lijkt, kan ik toch niet weerstaan aan
de verleiding, even te verwijzen naar p. 69 in hetzelfde werk, waar Polanyi een
historicus aanhaalt volgens dewelke in de zogenaamde Tebtunisdocumenten, dd. 46 o.t.,
"the Hebrew use of πέρας... signifies ration or food allowance".
124. Emlyn-Jones, o.c., p. 125 n. 110, schenkt geen aandacht aan dit m.i. essentiële onderscheid.
125. Het "ongedane-ondoenbare" is in een bepaald opzicht óók het "ongedachte-ondenkbare".
126. Zie fr. 36 West: .
127. Solons Eunomie (1926), in Jaegers Scripta Minora, pp. 315-327.
128. Die Rechtsidee im frühen Griechentum. Untersuchungen zur Geschichte der werdenden Polis, Leipzig 1921, p. 83 e.v.
129. Soloon heeft het bv. over de "vergelding van Zeus"
en de "beschikkingen der goden",
in zijn zogenaamd Gebed aan de Muzen. Relevant hierbij is natuurlijk dat Soloon voor zijn
reflecties nog de poëtische uitdrukkingswijze bezigde, Anaximander daarentegen het
proza (het weze dan "dichterlijk").
|