1. Inleiding.
Bekijken
we even de geschiedenis van de Griekse filosofie vanuit het oogpunt van haar geografische
spreiding. Wat onmiddellijk opvalt, is
dat ontstaan en eerste ontwikkeling ervan - d.w.z. omzeggens de gehele 'voorsokratische' of
archaïsche periode
- gesitueerd is,
niet in het (hedendaagse) centrum van de Griekse wereld, d.w.z. op het Griekse
continent, maar in de door migratie of kolonisatie gewonnen
periferie ervan: eerst in het oosten,
op de kusten van Klein-Azië, meer bepaald in het Ionische gebied; daarna in
het westen, in Zuid-Italië en op Sicilië ("Groot-Griekenland"
was de naam die de Grieken zelf gaven aan dat Westen)[1] . De algemene verklaring
voor dit fenomeen levert Hegel met zijn vaststelling dat we in die
periferie
"de
grootste beweeglijkheid ('Regsamkeit') van het Griekse leven zien...; onder deze
volkeren zien we, door interne politieke activiteit en door verkeer met vreemde
volkeren, een verwikkeling en verscheidenheid van hun verhoudingen ontstaan,
waarin de beperktheid verdwijnt en het algemene er zich boven verheft
('worin sich die Beschränktheit abreibt und das Allgemeine sich über sie erhebt')...
Deze twee punten, Ionië en Groot-Griekenland,... waren de zetel van de
vroegste handel en vorming; het eigenlijke Griekenland kwam in dit opzicht
achterop"[2]
.
Binnen Piagets (eveneens dialectische) visie op de cognitieve ontwikkeling, kunnen we
het fenomeen als een bevestiging zien van het belang van de cognitieve
veeleisendheid van het betreffende sociale
en natuurlijke milieu en de overeenkomstige stimulans die ervan uitgaat
voor de cognitieve groei[3]
.
Aan "Regsamkeit"
heeft het de Ionische Grieken inderdaad niet ontbroken, en dat van bij de
start. De Ionische nederzettingen - oorspronkelijk meer dan twaalf, maar ca
800 opgegaan in de zgn. "Dodekapolis" (Twaalfstedenbond)
- hadden hun ontstaan vermoedelijk te danken aan de grootschalige expedities
(volksverhuizingen?) die vanaf het midden van de 11de eeuw van op het Griekse
vasteland georganiseerd waren. De 'bewegingsoorzaak' daartoe was
de ineenstorting geweest van de zgn. Mykeense beschaving[4] . Aan het bestaan van de bureaucratisch
georganiseerde paleisstaatjes was daarmee een bruusk en gewelddadig einde
gesteld (de burchtmagazijnen van o.m. Mykene, Tiryns en Pylos zijn bijna
gelijktijdig in de vlammen opgegaan). De Mykeense ondergang was evenwel
maar een onderdeel van een meer omvattende catastrofe - "één van
de grootste aller tijden" (Myres) - die het gehele oostelijke deel
van de Mediterrane wereld trof, gepaard ging met massale migratie en invasiebewegingen,
en tot de ineenstorting leidde van de grote theocratische rijken in het Midden-Oosten
(met uitzondering van Egypte)[5]
.
Ook
al ging het bij de ondergang van de Mykeense paleiscultuur niet om een genocide,
maar in de eerste plaats om de ineenstorting van organisatiestructuren [
6]; ook al was er een
continuïteit - niet enkel
"in de grondstructuren van het volk, de taal, het vestigingsgebied, de
voedingsbronnen enz., maar zeker ook op deelgebieden van de hogere structuren als de religie
(dezelfde goden), de mythe (dezelfde inhoud) en hoogstwaarschijnlijk ook in
de woordkunst"[7];
toch
mag het destructieve impact ervan - in de eerste plaats op de menselijke
psyche, maar ook materieel, cultureel (bijvoorbeeld het totaal verdwijnen van
het bestaande schriftsysteem) en institutioneel - zeker niet onderschat worden.
Zoals J.L.Myres het al in 1927 schreef, in zijn studie The Political
Ideas of the Greeks, pp. 19-20:
"The
historical crisis, which brought to ruin almost all that an older culture had achieved and accumulated, has been revealed, so soon as we began to discover even
the outlines of it, as one of the great catastrophes of all time. Seldom, in
any region, has any body of men had so completely to begin over again, with
such utter devastation of habitual resources, with so radical emancipation
from habitual safeguards and controls, as the founders of the city-states,
among the islands and around the shores of the Greek Archipelago, in the Early
Iron Age".
Deze "duistere periode"[
8] , met wat ze impliceerde aan
sociale chaos en menselijke ellende, was het vertrekpunt voor een nieuwe ontwikkeling,
óók op het vlak van de cognitieve structuren. Julian Jaynes, in zijn
spraakmakend boek, The Origin of Consciousness in the Breakdown of the Bicameral
Mind (1979), p. 256, formuleerde het als volgt:
"This
ruin is the bitter soil for the growth of subjective consciousness in
Greece".
De
mensen die erbij betrokken waren, werden noodgedwongen, en meestal op een gewelddadige
manier, losgerukt uit hun vertrouwde, traditionele patronen, en geconfronteerd
met totaal nieuwe, onvoorziene problemen. De overgeleverde voorstellingen
en structuren konden geen oplossing bieden: "de goden zwegen"[
9] . Bovendien, wanneer met name
de "Ioniërs" [10]
via
Attika (dat gespaard was gebleven) naar Klein-Azië trokken, hadden ze hun
graven, akkers, huizen enz. - waarrond zich eeuwenlang hun religieuze
praktijk (vooroudercultus) had georganiseerd - moeten achterlaten. Die
gedwongen scheiding bracht ongetwijfeld een belangrijke verzwakking met
zich van de ancestrale, diep verankerde religieuze bindingen, en dus ook van de
ideologische 'belasting' die daarmee gepaard ging (zie Myres' "habitual
safeguards and controls") [11].
2. HOMEROS
Van
de hierboven geschetste "vervreemding" - met Piaget zouden we kunnen
spreken van een vorm van historische "decentrering" - vinden we
een duidelijke neerslag in de godenwereld van het homerische epos[12].
De
betekenis, echter, van het heldenepos - Ilias en Odyssea, beide
toegeschreven aan Homeros en te dateren ca 735 vK
[13]- reikt veel verder. Vrucht
van een eeuwenlange orale traditie, hield het de herinnering levendig aan
een glorierijk (d.w.z. geïdealiseerd) verleden. Als zodanig
heeft het een zeer belangrijke cultureel-psychologische rol gespeeld: het
homerische "heldendicht", zou men kunnen zeggen, met zijn
verhalen over de heroën van weleer - Achilleus, Agamemnoon, Odusseus, enz. - diende
deze "déracinés" als een "Ersatz" voor de
verloren organische band met het eigen verleden. Zoals Jaynes, l.c., het
nogmaals erg beeldrijk uitdrukt:
"Poems
are rafts clutched at by men drowning in inadequate minds. And this unique
factor, this importance of poetry in a devastating social chaos, is the reason
why Greek consciousness specifically fluoresces into that brilliant intellectual
light which is still illuminating our world"
.
Als
tekst geconstitueerd dank zij de introductie van het alfabetische schrift, gaf
het homerisch epos aan de Ionische aristocraten een besef van culturele
identiteit[14]
.
Maar
laten we ons toch niet te veel (mis)leiden door Jaynes' beeldspraak: Ilias
en Odyssea zijn als literaire werken niet zelf gecomponeerd
midden "a devastating social chaos", wel integendeel. Hun
creatie was onderdeel van een algemene
culturele heropleving: de zgn. "Renaissance van de 8de
eeuw", die veel verder reikte dan Klein-Azië's
kusten alleen. Ze waren de uitdrukking
van "het samenvloeien van oude herinneringen met het vitale
gevoel, een eigen nieuwe toekomst te willen"[15] . De Ionische aristocratie,
niet enkel in Ionië maar ook op de Egeïsche eilanden en Euboia [16] speelde een steeds actievere
rol, in veroveringsoorlogen, kolonisatie en internationale zeehandel.
Ze ging nu genieten van
"toenemende
welvaart, meer kennis van de wereld, groeiende import van luxe goederen,
een meer verfijnde leefstijl, hernieuwde aandacht voor het oude geloof door
cultus en tempelbouw, de overwinning van de eeuwenlange teruggetrokkenheid
door koloniale expansie" [17].
Ze
verwierf een nieuw zelfbewustzijn, en dat bracht een nieuwe "sterke representatiebehoefte",
een behoefte aan zelfbevestiging met zich mee. Homeros, die eventueel zelf
tot die adel behoorde, en alleszins gedicht heeft "vanuit een
volledige verinnerlijking en een totaal inleven in het aristocratische
wereld en mensbeeld" [8],
heeft met zijn heroïsche epen het "monument" opgericht dat aan
die behoefte voldeed[19]
.
Belangrijker
nog is dat we in deze epische teksten de aanzet vinden van een
zoektocht
naar
en creatie van een menselijke "zelf".
Weliswaar overheerst - vooral dan in de Ilias
- een voorstelling van zaken waarin menselijke
beslissingen en handelingen hun oorsprong lijken te hebben, niet in de
interne plannen, overwegingen en motieven van de mensen zelf maar in externe
krachten, de "goden" [20].
Zo bijvoorbeeld in Ilias 1.193 e.v.,
waar godin Athena Achilleus ervan weerhoudt zich met zijn zwaard op Agamemnoon
te storten (vert. De Roy van Zuydewijn):
"En
terwijl hij zo dacht en overwoog wat hij doen zou
reeds
uit de schede trok hij zijn zwaard - daalde plotseling Athene
neer
van de hoge Olympos; zij was door Hera gezonden,
die
om hen beiden evenveel gaf en bezorgd was. Van achteren
naderde
zij en trok aan zijn rosblonde haren Achilles,
hem
alleen zichtbaar; niemand der andere aanwezigen zag haar.
Stom
van verbazing keerde Achilles zich om...".
Goden
liggen ook aan de oorsprong van menselijke ruzies (Il. 4, 437v.; meer in
het bijzonder aan de Trojaanse oorlog zelf, 3.164v., waarvan zij bv. de
'strategie' plannen, 2.56v., de afloop, enz.). De goden verlenen
daarmee een grotere ('kosmische') betekenis en waardigheid aan het
menselijk handelen.
Maar
daarnaast stoten we ook op passussen waar de aanleiding voor iemands daden
in hemzelf wordt gezocht, zij het dan in één
van zijn, onderling niet-gecoördineerde organen: fysische
organen zoals maag, hart, longen en lever, maar ook 'psychische' als
de θυμός
(thumós),
zetel van lichaamswarmte, moed, élan, woede, enz., en de
vόoς
(nóos),
waarmee gepland en ge/herkend wordt. Die organen "dragen" a.h.w. dit
over het lichaam versnipperde bewustzijn. Volgens Vroon, Stemmen
van vroeger. Ontstaan en ontwikkeling van het zelfbewustzijn (1978), p.
106, mag in sommige gevallen zelfs gesproken worden van "prereflectie",
namelijk
"in
die zin, dat iemand een discussie met één van zijn orgaansystemen aangaat, of
liever gezegd, met de sensaties die in een orgaan of plaats in het lichaam worden
gevoeld "[21].
Tenslotte,
moet onderstreept worden dat Homeros' Ilias veel méér is dan een geslaagde
expressie van een eeuwenoude, traditionele "heroic outlook":
dit epos is ook en vooral een kritische reflectie over en invraagstelling van
de traditionele heroïsche samenleving en haar waarden. Dat gebeurt dan bovenal
via de centrale held, Achilleus. Het hoger vermeld conflict tussen hem en koning Agamemnoon brengt bij Achilleus een echt
vervreemdingsproces op gang, dat hem niet enkel doet breken met de
sociale (heroïsche) code die tot dan toe zin had gegeven aan zijn leven; het is
ook de start van een soort van
"zelfreflectie" en een leerproces die pas in de slotzang tot
afsluiting komen. In tegenstelling tot andere helden (ook in de latere tragedies), m.a.w., maakt Achilleus een
"ontwikkeling" door, doorheen het epos;
hij "creëert zichzelf", en
is maar af, compleet, wanneer het gedicht compleet is, namelijk in zang 24 (de
verzoening met Priamos en de vrijgave van Hektoors lijk). Het hoofdthema van
het epos, namelijk Achilleus'
"wrok" (μῆνις,
mènis), gaat daarmee
functioneren als de motor van "a search for himself" en de
creatie van een meer geïnterioriseerd, dieper mens- en zelfbegrip[22].
In de jongere Odyssea komt die bewustzijnsontwikkeling
nog centraler te staan, in die mate dat men de maritieme zwerftochten van Odusseus, tijdens zijn jarenlange terugkeer van Troje naar Ithaka en
'zijn' Penelope, kan bestempelen als een "zoektocht naar het zelf"[23]. Jaynes:
"it
is a story of identity, of a voyage to the self that is being created in the
breakdown of the bicameral mind"[24].
Deze
historische mentale ontwikkeling[25]
heeft dan haar eerste beslag gekregen met de
doorbraak van de zgn. "Lyric Age"
- vanaf ca 650, met
dichters als Archilochos en, nadien, Sappho van Lesbos. Het "heroïsche
tijdvak", met de onbetwiste suprematie van de adel, maakte dan plaats
voor de wereld van het individu, de polis en de ontdekking van het innerlijke
"ik", met zijn eigen leven en emoties.
Volledigheidshalve
moet worden opgemerkt dat er in meer recente publicaties (die geleid worden
door de sterke, zoniet anti-sociologische, literair-wetenschappelijke methodologie
van de "Nieuwe
Kritiek"),
scherpe kritiek is geformuleerd op bovenstaande, "historisch-psychologische"
interpretatie van o.m. de homerische teksten. Verwijzen we, ter illustratie,
naar R.L. Fowler. In diens bundel, The
Nature of Early Greek Lyric (1987), meer bepaald in het opstel "Homer
and the Lyric Poets", geeft hij de bezwaren weer die ingebracht
zijn tegen wat hij de "Fränkel-Snell school" noemt[26] .
De
betrachting van die (sociologische) "school"
, namelijk vanuit een vergelijkende studie van literaire teksten (Homeros, Hesiodos, de
lyrici) en hun woordgebruik de "Geistesgeschichte" van
een bepaalde periode te reconstrueren, wordt radicaal in vraag gesteld. Meer
bepaald wat Homeros betreft, stelt Fowler dat die interpretatie voorbijgaat
aan de eigen aard van de epische stijl en zegswijze alsook aan de vereisten
van het epische genre als zodanig. In de hedendaagse Homerosstudie, trouwens,
is omzeggens iedereen het erover eens dat de epische tekst in belangrijke
mate bepaald is door een uit de orale epiek
overgeërfd traditioneel taalgebruik (zie de zgn. "formules",
d.w.z. min of meer vaste zinswendingen, die regelmatig terugkeren) [27]. In verband met de interventie
vanwege de goden spreekt Fowler van een radicale "misvatting"
van hun karakter door de "school" [28] . En ingaande tegen de vereenzelviging
Homeros= aristocratie en lyriek= polis, stipt hij aan dat de polis niet pas nà Homeros tot ontstaan kwam: "in (Homer's) time the institution was
well on its way to maturity" (p. 7). Tenslotte,
en misschien nog het meest belangrijk van al, schaart hij zich achter de opmerking
van één van de critici (Hugh Lloyd-Jones), namelijk "that scholars have been
too concerned with tracing cultural developments" (p. 13). Ook al
is het evident dat samenlevingen evolueren, in dit geval heeft men tevéél
ontwikkelingen gevonden, én men heeft ze beschreven "in verkeerde
termen":
"The
idea that human beings had to 'discover the mind' implies that they were once
ignorant of individuality, and reflects outdated anthropological theory"
(l.c.).
We kunnen, en moéten ons natuurlijk vragen
stellen bij deze hedendaagse, sterk antihistorische trend (in dit geval: de
trend, literatuur louter àls literatuur - cf.
Derrida's
beruchte "il n'y a pas de hors-texte!" -
te
benaderen en niét als een tijdsdocument). Toch is het zeker
niet helemaal ten onrechte dat de wat naïeve 'evidenties' van de
historiserende interpretatie doorprikt worden.
3.
Economisch.
Laten
we terugkeren naar de vestiging en de ontwikkeling van de Ionische Dodekapolis [29].
Dezelfde ineenstorting van de zgn. bronstijdbeschaving,
die hen het Griekse vasteland had doen verlaten, maakte het voor de Griekse
immigranten, in de 11de eeuw, ook mogelijk zich te vestigen op de kusten
van Klein-Azië. Zij arriveerden immers in
"een
politiek en cultureel vacuum, veroorzaakt door de belangrijke vernietiging en
desintegratie van de bronstijdbeschavingen van Klein-Azië. Er is een opvallende
afwezigheid merkbaar van machtige of cultureel gesofistikeerde buren" [30] .
De
nieuwe vestigingen - die desondanks moesten veroverd worden op een endogene bevolking: Milete bijvoorbeeld op de Kariërs, die blijkbaar werden
opgeslorpt - waren klimatologisch zeer goed gelegen (het "Ionisch klimaat"
werd legendarisch). Maar wat hun economische ligging betreft, wordt in de
meer recente vakliteratuur ontkend dat die al van in den beginne zeer
gunstig was:
"Vasteland
Ionië lag in het begin van de 7de eeuw noch op het eindpunt van een belangrijke
karavaanroute doorheen Anatolië (zoals eens verondersteld werd) noch op de
directe zeeroute van het Griekse vasteland naar de Levant... Het beeld, tot in
het midden van de 7de eeuw, is er één van betrekkelijk isolement en culturele zelfsufficiëntie" [31].
In
het 2de millennium, inderdaad, en de begineeuwen van het eerste waren het
de Fenicische handelssteden, op de
kust van Palestina, die de zeehandel in handen hadden[32]. Ionië, de Zwarte Zee, de
Perzische Golf, Arabië en de Atlantische kust van Spanje, alle behoorden ze tot
een commercieel netwerk dat zich misschien zelfs uitstrekte tot Indië en
Midden-Afrika. In deze hiëratische koninkrijkjes voltrok zich al een belangrijke
culturele ontwikkeling - o.m. de creatie van een 'prealfabet'. Maar
ze bléven onder de ideologisch-culturele en, vanaf ca 800, ook onder de
direct politieke controle van het Klein-Aziatisch wereldrijk. Zoals W.Davisson en J.Harper het formuleerden in hun European Economic History,
vol.1, The Ancient World (1972), p. 89:
"De
Feniciërs braken niet radicaal met de economische organisatie uit het verleden,
evenmin waren ze talrijk of machtig genoeg om voor het Nabije Oosten in zijn
geheel als desem te werken. De economische, en bijgevolg de maatschappelijke
orde zou maar getransformeerd worden door een volk dat gedurende de grote
invasies in barbarisme was vervallen en er gedurende de Fenicische economische
opgang geleidelijk uit verrees: de Grieken".
Vanaf
de 8ste eeuw, als gevolg van de brutale agressie en annexatiepolitiek van de Assyriërs
(zie de 'profetie' in voormeld "Klaaglied over Tyrus"),
begonnen de Fenicische steden hun handelshegemonie over de Middellandse zee te
verliezen ten gunste van de Grieken [33]
.
De
Griekse overzeese activiteiten startten vanaf het begin van de 8de eeuw, niet
zozeer vanuit Klein-Azië als wel vanuit het Euboïsche Eretria en Chalkis. Vermoedelijk
samen met Grieken uit Cyprus en met Feniciërs, stichtten ze de al vermelde
'factorij' Alalach (Al Mina) aan de monding van de Orontes (vlakbij het
huidige Turkse Antakya, in de hellenistische oudheid en tot aan de 20ste eeuw het Syrische Antiochië) [34].
Dit werd in de twee eeuwen na 800 het voornaamste
steunpunt voor de Griekse handel met het Oosten (import van ijzer,
metaalwaren, textiel, ivoren voorwerpen; export van aardewerk, eventueel van
zilver). Deze commerciële contacten brachten via de Feniciërs allerlei
vernieuwingen naar Griekenland, onder meer wellicht de belangrijkste:
het schrift[35].
De
Ionische Grieken hebben hierin aanvankelijk geen actieve rol gespeeld - wat eigenlijk
een indicatie is voor de grootte van de middelen en mogelijkheden die in Ionië
zelf beschikbaar waren. Het maakte in de loop van de 8ste eeuw een gestage welvaartsgroei
mee, die gepaard ging met een algemene bevolkingsaangroei. De landadel - d.w.z.
de bovenlaag van rijke grootgrondbezitters die hun bezit uitbaatten vanuit
een centrale oikos (een soort van herenboerderij) m.b.v.
landarbeiders, rentmeesters, herders en huispersoneel - handhaafde een onbetwiste
leidende positie.
Pas
vanaf het midden van de 7de eeuw ging Ionië deelnemen aan de zgn.
"kolonisatiebeweging".
De expansie gebeurde aanvankelijk vooral in zuidelijke richting - wat erop
zou kunnen wijzen dat de handel, en niet zozeer kolonisatie als zodanig, de
eerste impuls gaf. Er openden zich nieuwe markten, tot in Egypte, waar de
farao de stichting had toegestaan van een Griekse "port of trade",
Naukratis. In westelijke richting ging het tot Tartessos (op de Atlantische
kust van Spanje). Vooral in noordelijke richting nam de expansie heel vlug de
vorm aan van een kolonisatiebeweging: de kusten van de Egeïsche en de Zwarte
Zee werden als het ware bezaaid met nederzettingen, politiek onafhankelijk
van hun 'moederpolis'. Deze emigratie bracht, alleszins tijdelijk, een oplossing
voor de toenemende interne moeilijkheden die een gevolg waren van de
demografische druk en de beperktheid van het territorium [36] . Maar ze had ongetwijfeld
ook commerciële effecten, zo niet bedoelingen.
De
belangrijkste importen in Ionië waren: tarwe, linnen, metalen en, "in
zekere zin nog het meest betekenisvol van al", papyrus, dat in de
Griekse wereld als belangrijkste schrijfmateriaal in de plaats trad van leder[37].
Het contact met andere culturen en de steile toename van de materiële welstand,
tegen het einde van de 7de eeuw, legden de basis voor de verbazingwekkende
bloeiperiode van de 6de eeuw. Gedurende enkele generaties kon zonder gevaar
voor overdrijving gezegd worden dat Ionië leiding gaf aan de Griekse wereld:
"Gedurende
de periode van 610 tot 540 bereikte Ionië haar hoogste welvaartspeil. Ionische
soldaten (de 'mannen van brons' werden ze in Egypte genoemd) waren overal als
huurtroepen in gebruik, de Ionische vloten, vnl. die van Phokaia, Milete en
Samos, controleerden de kustwaters van Klein-Azië en van de zuidoostelijke Middellandse
Zee, waar ze van Amasis, koning van Egypte, uitzonderlijke privilegies ontvingen.
Hand in hand met haar commerciële ontwikkelingen gingen ontwikkelingen in
de politiek, de dichtkunst, de filosofie, het gebruik van gemunt
geld..." [38]
.
Milete (Milètos, in het Grieks) was dus één van de leidende Ionische staatjes, in de
eerste plaats economisch. Het groeide uit tot de belangrijkste "comptoir"
van de Egeïs voor het warentransport tussen oost en west, zuid en noord. Ten
behoeve van die maritieme handel werden in de stad verschillende grote
marktcomplexen gebouwd. Maar behalve een "omslagplaats" was Milete ook een belangrijk artisanaal productiecentrum:
"ze
bewerkt de huiden en edele metalen van Lydië, het ijzer van de Chalybiërs
(zuidoostkust Zwarte Zee), de wol van Phrygië en de hennep van Kolchis; ze
produceert in serie meubels, vooral bedden; overal, behalve in Griekenland
zelf, vraagt men haar kruiken, gevuld met wijn of olie; het rijke cliënteel van
Groot-Griekenland verdringt zich voor haar mooie tapijten en in purper geverfde
stoffen"[39].
Een hele reeks 'industriële' artikelen kreeg in de Oudheid de naam "milesisch":
wol, dekens, tapijten, kleding, haarnetten, enz. [40] . De meeste ervan hadden de milesische wol
als grondstof, die
wereldberoemd was (in de omgeving van de stad werd een schapenras gekweekt
dat bijzonder fijne wol voortbracht). Uiteraard was het niet in textielfabrieken,
maar in artisanale ateliers dat de handelaars deze producten kwamen opkopen[41]
. Het
'filosofische' belang van die lokale textielnijverheid zal nog blijken
bij de bespreking van Anaximenes.
Milete,
dat, zoals gezegd, over een zeer beperkt territorium beschikte, was ook één
van de meeste actieve staten in de kolonisatiebeweging. Volgens de traditie
zou ze niet minder dan 90 stichtingsexpedities hebben
geleid - een cijfer dat ongetwijfeld te hoog
is, maar toch, aldus Emlyn-Jones, "not
altogether a hopeless exaggeration"[42].
4. Politiek.
Wat
de politieke ontwikkeling betreft, heeft Ionië vermoedelijk een
pioniersrol gespeeld in de Griekse wereld [43]
- mede omdat de oorspronkelijke tribale verbanden niet enkel door de emigratie
verzwakt waren, maar ook door de inlijving van niet-Ionische elementen, Griekse
en endogene, in het oorspronkelijke tribale systeem [44] .
De
koningsclans - d.w.z. de clans die hun stamboom terugvoerden op de legendarische
stichter van de polis - hadden al rond 800 overal hun machtsmonopolie verloren
ten voordele van een breder aristocratisch regime [45]. In de twee eeuwen die daarop volgden, werd
ook de positie van de landadel in toenemende mate aangevochten. De interne klassenstrijd leidde - vaak via een
"tirannie" als overgangsregime - eventueel tot de instelling van
een meer burgerlijk regime. Eén van de vroegste voorbeelden
hiervan - ons bekend dank zij een inscriptie (vroeger ca 600, nu ca 550 gedateerd)
- was Chios, dat dank zij zijn wijn en zijn internationale slavenmarkt een
grote materiële welstand verwierf: al vroeg ging een "volksraad"
(boulè dèmosíè), samengesteld op basis van verkiezingen, over een
aanzienlijk deel van de macht beschikken.
Deze
politieke ontwikkeling werd uitgelokt door de groeiende wijzigingen in de sociaal-economische
verhoudingen. De geweldige aangroei van de
zeehandel, met name, leidde tot belangrijke verschuivingen in de
oorspronkelijke agrarische structuren. De gemeenschap was immers niet langer
uitsluitend van de eigen landbouwproductie afhankelijk. De economische, maar
ook de militaire machtsbasis van de grootgrondbezitters werd daardoor
aangetast. Een mooie illustratie van deze verschuiving lezen wij bij Herodotos [46], in zijn Historiën I,
§§
17-22,
wanneer hij het heeft over de oorlog van de Lydische koning Aluattes (reg.
619-560) tegen Milete:
Elf
jaar lang kwamen diens troepen telkens de oogst verwoesten, om zich nadien telkens
terug te trekken. "De Milesiërs waren namelijk oppermachtig ter zee, zodat
voor een landleger een belegering onbegonnen werk was" (Milete lag op
een landtong). In het twaalfde jaar kreeg Aluattes' gezant op de marktplein van
Milete grote stapels graan te zien - daartoe speciaal verzameld door Thrasuboulos, terwijl de koning natuurlijk verwacht had "dat er in Milete hevig
voedselgebrek heerste en de bevolking er in de allerdiepste ellende
verkeerde". De koning was daardoor zo ontmoedigd dat hij het beleg opgaf en
een verdrag afsloot met de Milesiërs[47].
Zoals
vroeger al aangestipt, kende Milete na de tirannie van Thrasuboulos, op het
einde van de 7de eeuw, een langdurige burgeroorlog.
Pas na 60 jaar kwam er een eind aan, op
arbitrage van Paros - wat uitdraaide op een terugkeer naar een oligarchisch
bewind van de grondeigenaars (zie Emlyn-Jones, o.c., p.31). Deze burgeroorlog,
nochtans, "schijnt haar voorspoed niet ernstig te hebben aangetast"[48] .
5.
Technologisch.
Ionië
kende in de periode tussen de 8ste en de 5de eeuw ook belangrijke technologische
ontwikkelingen. Zij waren organisch verbonden met de uitbouw van stedelijke
centra.
Zo
lagen de nieuwe, infrastructurele behoeften die noodzakelijk gepaard gaan met
stedelijke bevolkingsconcentraties, aan de oorsprong van grote kunstwerken:
in de eerste plaats waterleidingen (die van Samos, met een tunnel doorheen
de rots van het Kastrogebergte, ca 2,4 m doorsnee en 1 km lang, gold als één
van de "wereldwonderen")[49] , maar ook grootschalige tempels (zie verder
bij Anaximander) en openbare
gebouwen, verdedigingsmuren, zeedammen... Ook de zeehandel die met deze zeecentra verbonden was, stelde tal van technische problemen en leverde
daardoor een belangrijk stimulans voor de ontwikkeling van technische
vaardigheden die later zouden getheoretiseerd worden als wiskunde, astronomie,
geografie, mechanica, enz. (zie bijvoorbeeld Thales). Tenslotte was er de groei
van een, naar verhouding, niet onbelangrijke artisanale nijverheid.
Deze
periode was daarom ook de tijd van (nadien) beroemde
uitvinders en uitvindingen. Om er één te
noemen: Theodoros van Samos, die als de uitvinder gold van de waterpas, de
winkelhaak, de draaibank en de sleutel. Al deze technologische
creaties
"gaven
aan de Griekse, en later de Romeinse wereld, de stock aan technische
vaardigheden en methodes waarop ze voor de rest van de antieke geschiedenis
zou steunen"[50]
.
Tezamen
met de introductie van de
ijzermetallurgie - die aan onze periode voorafging en wellicht de
historisch belàngrijkste vernieuwing moet worden genoemd[51], brachten die
technologische vernieuwingen, hoe rudimentair ook (zeker in verhouding met de
moderne) een meer actieve relatie tussen
mens en natuur tot stand. Terwijl het traditionele, religieuze bewustzijn
de natuurlijke werkelijkheid in verregaande mate als sacraal, en dus als
niet door de mens te veranderen ervoer, schrokken de archaïsche
ingenieurs niét terug voor een aantal menselijke, technische ingrepen
in de
natuurlijke gegevenheid. Om ons tot één bekend voorbeeld te beperken: volgens Herodotos (Hist.,I.75) liep de opmars van de Lydische koning Kroisos
(Cresus, in Latijnse schrijfwijze) tegen de Perzen vast op de ondoorwaadbare Halysstroom; volgens de overlevering zou Thales daarop stroomopwaarts een
tweede bedding hebben doen graven, "zodat de rivier onmiddellijk na
de splitsing aan weerszijden doorwaadbaar werd"[52].
Die
"meer actieve" relatie tot de natuur bereikte vanzelfsprekend op
verre na niet het peil van een industriële samenleving. Er is dan ook geen
sprake van dat men, zoals Farrington het wil[53] , "in Ionië over de
wereld begon te denken als over een machine". Trouwens, de
religieuze
scrupules bléven zwaar wegen. Dat blijkt uit een andere anekdote die Herodotos
voor ons heeft bewaard (Hist. I, 174):
Onder
de dreiging van de oprukkende Perzen waren de burgers van Knidos gestart met
het graven van een kanaal door de landengte van hun schiereiland. Tijdens de
werken echter liep een groot aantal onder hen zware verwondingen op. Daarover verontrust
raadpleegden de Knidiërs het orakel van Delphi. Apolloon gaf hen,
bij monde van de Puthia, ten antwoord dat ze de landengte noch mochten afsluiten
met een muur noch mochten doorgraven met een kanaal, "want had Zeus
gewild dat Knidos een eiland was, hij zou er een geplaatst hebben"(!).
Daarop staakten de Knidiërs hun werkzaamheden en... lieten zich
overrompelen door de Perzen (PS Het Delphisch orakel had de reputatie 'Persofiel' te
zijn).
6.
Het
Alfabet.
Ionië
leverde ook een belangrijke culturele
bijdrage tot de ontwikkeling van de Griekse civilisatie. Vermelden we hier de
plastische kunsten - vooral de beeldhouwkunst[54] - en de poëzie: in de eerste
plaats natuurlijk Homeros en andere epici, en wat later, in de 7de eeuw, ook
de zgn. lyrici.
De
poëtische bijdrage was des te belangrijker omdat, in afwezigheid van enige kerkelijke
autoriteit, priesterkaste of "heilige schrift", het geven van beschouwingen
over moraal, religie, maatschappij, e.d. - d.w.z. de ideologische reproductie -
algemeen tot de competentie van de dichters werd gerekend[55]. De
vrije en 'wereldlijke' manier waarop sommige dichters daarbij de
traditionele, o.m. mythologische erfenis interpreteerden, vormde een
belangrijke stimulans voor de intellectuele ontwikkeling.
Dat
geldt in de allereerste plaats voor Homeros, die, zelf de vrucht van een lange
orale traditie, door de latere Grieken niet ten onrechte als de
"vader" van zowat alle wetenschappen werd beschouwd. Onder de
lyrici, anderzijds, was één van de markantste persoonlijkheden ongetwijfeld
de dichter-soldaat, Archilochos van Paros, actief rond het
midden van de 7de eeuw. Hoewel nog sterk onder de invloed van het episch
taalgebruik, vinden we bij hem, aldus R.W.Müller,
"enerzijds
een vroege vorm van autonomie en identiteit van het Ik, anderzijds een
tegenover het Ik staande, op specifieke manier 'ontgoddelijkte' wereld die
beheerst wordt door objectieve wetmatigheid"[56].
Maar
de onmisbare grondslag voor deze en latere, literaire maar ook filosofische
ontwikkelingen is ongetwijfeld de creatie geweest van het
alfabetisch schrift, "misschien
wel de belangrijkste uitvinding van de mensheid"[57]. Volgens de meest recente inzichten
hebben de Grieken al in de eerste helft van de 8ste eeuw (misschien al vóór 776,
toen voor het eerst de lijst werd aangelegd met Olympische overwinnaars) het Fenicische pre-alfabet - een medeklinkerschrift - overgenomen en omgevormd
tot een perfect foneemschrift (zoals ook wij nog altijd gebruiken).
De Ioniërs, hoewel nog niet zelf actief geëngageerd in de contacten met het
Oosten en vermoedelijk niet zelf de scheppers van het alfabetische schrift, behoorden
zo goed als zeker tot de vroegste ontvangers ervan[58] .
De
'revolutionaire' betekenis van het alfabet blijkt goed uit een vergelijking
met de eraan voorafgaande schriften. Deze laatste - ze wezen picto-, ideo- of
fonografisch van aard[59]
- waren alle
-
(a)
concreet (de tekens waren symbolen, d.w.z. hadden direct of
indirect een interne relatie tot de gedenoteerde objecten: ze
gaven er een visueel beeld van), en
-
b) syllabair (d.w.z. het ging om eenheden van klinkers en medeklinkers)[60].
Het
alfabetisch schrift, daarentegen, levert, aldus Vroon,
"woordbeelden die niets met het object en zelfs niets met de uitspraak
daarvan te maken hebben. het woord 'tafel' lijkt in de verste verte niet op een tafel en de
letters zijn afgesproken tekens voor klanken. Deze manier van schrijven en
lezen is misschien wel de belangrijkste uitvinding van de mensheid geweest.
Men moet daarvoor kunnen abstraheren van het concrete..."[61].
Het
alfabetisch geschreven woord is dus een combinatie van puur conventionele
tekens, die op zichzelf betekenisloos zijn.
Bovendien denoteren ze geen lettergrepen maar de kleinste fonetische elementen
waartoe het woord kan worden herleid: "klinkers" en "medeklinkers"
- weliswaar via abstrahering vanuit de gesproken taal (waar klinkers en
medeklinkers een natuurlijke eenheid vormen)[62].
Het
algemene culturele belang van deze
creatie kan moeilijk overschat worden. Zoals Havelock, o.c., p. 82 het
formuleert (mijn vertaling):
"De
introductie van de Griekse letters in inscripties, ergens rond 700 vK, zou de
definitie van menselijke cultuur veranderen, door een kloof te creëren tussen
alle alfabetische samenlevingen en hun voorgangers. Wat de Grieken uitvonden,
was niet simpel een alfabet: zij vonden de geletterdheid ('literacy') uit en
de literaire basis van het moderne denken".
Om
een terminologie te gebruiken, die vandaag de dag graag gehanteerd wordt:
nadat de herinnering aan het vroegere (syllabaire) schrift - het zgn. Lineair
B - volledig verdwenen was bij de Grieken, schiep het alfabet de voorwaarde
voor het nieuwe tijdperk van de tekstualiteit[63]. Van een echt systematisch
tekstgebruik, en dus van intertekstualiteit, was echter niet onmiddellijk sprake [64]. De
explosieve groei van teksten, in Griekenland, startte pas rond 700 vK.
Daaruit mag afgeleid worden
"dat
de eigenlijke doorbraak van de Griekse cultuur van de achtste eeuw naar de
tekstualiteit, dus haar overgaan op teksten, pas door Homeros met zijn omvangrijke tekstcorpora
(zeker met de Ilias) is teweeggebracht..
. De
door Homeros veroorzaakte cesuur in de cultuurgeschiedenis is van een
nauwelijks te overschatten betekenis: sinds de Ilias en de Odyssee
is de cultuur van het Avondland een cultuur van het geschreven woord, d.w.z.
een cultuur die haar totale weten, kunnen en willen op schrift bewaart en
continu laag op laag stapelt; daardoor is ze behoed voor vergetelheid maar
evenzo veroordeeld tot het overtreffen van wat voorafgaat"[65] .
Een
belangrijk onderscheid met vroegere schriften was dat het Griekse schrift geen "heilige"
of professionele schrift was, d.w.z. niet het monopolie van een priester- of scribenkaste. Het bezat integendeel van bij de aanvang een seculier en
'democratisch' karakter[66]. De
aanwending ervan bracht bovendien een eigen dynamiek met zich. Terwijl het
aanvankelijk in eerste instantie gebruikt was voor het vastleggen van
poëtische teksten (die, aanvankelijk,
vooraf oraal gecomponeerd waren), werden al vlug ook een groot aantal
prozateksten geregistreerd - en deze
gebruikswijze zou vanuit historisch oogpunt belangrijker blijken te zijn[67]. Havelock, o.c., p.87, merkt
daarbij op dat we er verkeerd zouden aan doen dit af te doen als louter een
kwestie van 'stijl': "er was een zowel psychologische als
epistemologische revolutie onder weg". Doordat het alfabet een
volledige zichtbare registratie mogelijk maakte, verviel de dwang van het
memoriseren - en dus ook de functionaliteit van de dichtvorm (zie het verbaal
en muzikaal ritme). De psychische energie die hierdoor vrijkwam, "heeft
bijgedragen tot een enorme expansie van de kennis die beschikbaar was voor
de menselijke geest". Bovendien gaf het alfabet de mogelijkheid (nog
altijd volgens Havelock), en dus ook de stimulans, tot het produceren van nieuwe en onverwachte uitspraken - en
dus ook, op termijn, tot het breken met de tradities:
"Door
de productie te bevorderen van onvertrouwde uitspraken, stimuleerde het alfabet
het denken van nieuwe gedachten, die beschikbaar konden liggen in geschreven
vorm, die konden herkend, gelezen en herlezen worden, en zo hun invloed
verspreiden onder de lezers ervan. Het is geen toeval dat de prealfabetische
culturen in de wereld ook in ruime mate de prewetenschappelijke, prefilosofische
en preliteraire culturen waren" (ibid., p.88)[68].
Bij
dit alles moet nogmaals beklemtoond worden dat de archaïsch-Griekse wereld niet
van vandaag op morgen een schriftcultuur werd: zij bleef, integendeel, nog lang
bepaald door orale attitudes. De
beschikbaarheid van het alfabet, m.a.w., had niet automatisch het algemeen
gebruik ervan als gevolg, zeker zolang als andere methodes van transmissie en
conservering vertrouwder en, op het eerste gezicht, minder lastig leken[69] . Ook al bestónd er dan een
tekst van bijvoorbeeld de Ilias, dan werd dit epos toch niet gelezen,
maar beluisterd, namelijk terwijl het door de zgn. "rhapsoden" gereciteerd werd. En iets analoog gold voor
àlle teksten, zelfs in de klassieke periode. Het was maar met Aristoteles, in
de 4de eeuw, dat de eerste echte "lezer" opduikt (dat was ook
zijn bijnaam, in de Akademie), en van een eigenlijke "boekencultuur"
mocht men pas vanaf de 3de eeuw beginnen spreken[70] .
Dat
lange domineren van een orale
instelling, met slechts een geleidelijke (ook mentale) aanpassing aan de
voorwaarden voor een toekomstige schriftelijkheid[71] , bepaalde onvermijdelijk
ook het karakter van de eerste, "archaïsche" filosofie. De natuurdenkers
stelden hun theorieën weliswaar op schrift - wat de voorwaarde was voor de
onderlinge confrontatie, en dus voor een continue 'vooruitgang' ,
maar een aantal ervan bleef dat doen op een episch-dichterlijke
manier. De 'poëtische' teksten van bijvoorbeeld Xenophanes, Parmenides en Empedokles zijn, net zoals het proza van Herakleitos,
nog geheel doordrongen van de "formulaire stijl", d.w.z.
van een stijl waarvan we weten, sedert de opzoekingen van Milman Parry c.s.
betreffende de orale epiek (oral poetry), dat hij juist kenmerkend was/is
voor het orale heldendicht. De eerste drie hanteerden zelfs het epische
metrum (dactylische hexameter) voor hun uiteenzettingen. Het ging daarbij
niet om louter uitwendige vormgeving,
"maar
ook (om) een denkvorm of mentale
voorwaarde. De Presokratici zelf waren essentieel orale denkers, profeten
van het concrete, door een lange gewoonte gebonden aan het verleden, en aan
expressievormen die ook vormen van ervaring waren. Maar zij probeerden een
vocabularium en een syntaxis uit te denken voor een nieuwe toekomst, wanneer
het denken zou uitgedrukt worden in categorieën georganiseerd in een
syntaxis die geschikt is voor abstracte uitspraken. Dàt was hun fundamentele
taak, en het slorpte het meeste van hun energie op. Verre van systemen uit te
vinden op de latere, filosofische manier, werden zij in beslag genomen
door de primaire taak van het uitvinden van een taal die toekomstige systemen
moest mogelijk maken"[72].
Een laatste vraag die hier kan aangeroerd worden, na bovenstaande opmerking,
is of we het recht hebben een historische, 'noodzakelijke' link te leggen tussen
het alfabet, enerzijds, en het ontstaan en de ontwikkeling van het archaïsch natuurdenken, anderzijds - vergelijkbaar met die tussen de uitvinding
van de boekdrukkunst en de Renaissancefilosofie[73]. Een positief antwoord lijkt
evident, en wordt dan ook meestal gegeven. Toch is de vraag regelrecht
ontkennend beantwoord door J.H. Lesher[74]
:
"The
upshot is that literacy does not appear to have been a crucial factor in the onset of philosophical thinking. Although roughly coincident phenomena (at
least within several centuries), the claims made for their necessary interconnectedness
are theoretically unconvincing and at odds with the little that is known about
the earliest philosophers. The criticism of older ways of thinking cannot be
linked with the inspection of written texts; logic and scientific thinking do
not necessitate literacy, and early Ionian and Eleatic philosophy does succeed
in exploring abstract questions and articulating general principles even
though it retains the language and techniques of earlier poets"
.
Maar
het voortbestaan van "orale attitudes" is niet strijdig met een creatieve samenhang tussen schriftelijkheid en Ionisch natuurdenken. De kwestie
mag trouwens niet enkel bekeken worden op basis van a.h.w. 'externe'
gegevens, zoals Lesher het doet, maar ook de 'interne' kenmerken
van het nieuwe denken moeten in rekening worden gebracht. Verhelderend, in
dit verband, is de samenhang die Edmund Husserl heeft aanstipt tussen het
schrift en de constitutie van een "ideële objectiviteit", als
onmisbare voorwaarde voor het ontstaan van een wetenschappelijke
traditie in het kader van een gemeenschap van wetenschapsmensen"[75]. Wat dit laatste betreft:
"Aan
het wezen van de wetenschap beantwoordt... aan de kant van haar beoefenaars
de voortdurende aanspraak en de persoonlijke zekerheid dat al wat ze op
wetenschappelijke wijze uitspreken 'eens en voor altijd' gezegd is, dat het
'vaststaat', klaarblijkelijk altijd opnieuw identiek herhaald kan worden en gebruikt
kan worden voor verdere theoretische of praktische doeleinden: omdat het
zonder enige twijfel in de identiteit van zijn eigenlijke betekenis kan gereactiveerd
worden"
(o.c., p.73).
Precies
een dergelijke 'zelfzekerheid' is een opvallend kenmerk van Herakleitos'
zelfbewustzijn. In de mate dat dit de verzelfstandiging vereiste van zijn "logos"
- vgl. bijvoorbeeld fr. 50: "niet naar mij luisterend, maar naar de
logos", lijkt de schriftelijke objectivering ervan, in een
"boek", daartoe een noodzakelijke voorwaarde te zijn geweest[76] . Capizzi, Eraclito e la
sua leggenda, p. 29v., gaat hierin nog veel verder (lees: te ver?): het
woord "logos" in o.m. fr.1, betekent z.i. zonder meer "boek".
De epistemologische breuk tussen Herakleitos en door hem bekritiseerde
auteurs - Homeros, Hesiodos, Archilochos, maar ook Xenophanes, Puthagoras
en Parmenides (?) - laat zich volgens Capizzi herleiden tot de tegenstelling
tussen de orale traditie (en attitude) en het geschreven proza (zie al Anaximander)[77].
7.
Epiloog.
In de
voorgaande secties hebben we het gehad over de belangrijkste technische en
culturele ontwikkelingen die Ionië heeft gekend tussen de 8ste en de 5de eeuw.
Volledigheidshalve, nochtans, moet erop gewezen worden dat de verdiensten daarvoor
niet aan de Grieken alléén mogen worden toegeschreven. De Griekse staatjes waren
immers gelegen aan de rand van het oude en rijke Aziatische cultuurcomplex, en
zij hebben ten volle kunnen profiteren van de hoogontwikkelde technieken,
producten en creaties van deze oude civilisaties. Erg belangrijk hierbij was
dat ze dat hebben kunnen doen zonder (zoals de Feniciërs) de "schaduwzijden"
ervan (bijvoorbeeld de theocratische en hiërarchische structuren) mee te
hebben moeten overnemen.
Een samenvatting
geven van alle technologische, prewetenschappelijke en artistieke realisaties
van de grote rijken is ondoenbaar. Een speciale vermelding verdienen alleszins
de Babylonische en (in mindere mate) de Egyptische bijdragen op het gebied van
- de
mathematische kennis (de Babylonische wiskunde, die, zoals de
Egyptische, praktisch gericht was, bereikte haar hoogste peil rond 1600);
- de
astronomie (rond 600 was er door de Babylonische astrologen een
immense massa empirische waarnemingen geaccumuleerd; door toepassing van
enkele eenvoudige regels maakten zij voorspellingen mogelijk: zie Thales);
- de
geneeskunde.
Ook
op het vlak van de bouwkunst (monumentale tempelbouw: zie verder, in het volgend
hoofdstuk) en de plastische kunsten constateren we een assimilatie van wat de oosterse culturen, dit keer vooral
de Egyptische, te bieden hadden. Ook het vlakbij gelegen Lydië speelde een
bevruchtende rol, bijvoorbeeld door de creatie in de tweede helft van de 7de
eeuw van het eerste
'muntgeld'. Wellicht
was Milete de eerste Griekse polis om na Sardeis (hoofdstad van Lydië) een
eigen munt te slaan. Maar vooral Efese onderhield zeer nauwe betrekkingen met
het Lydische koninkrijk, zowel op het vlak van de bevolking als op dat van
religie en cultuur. Tenslotte dient, gelet op de bliksemverovering van gans Klein-Azië door de Perzen in de eerste helft van de 6de eeuw, ook ernstig
rekening te worden gehouden met Perzische of
Iraanse invloeden op het jonge Griekse "genie" (Zoroaster of
Zarathustra,
bijvoorbeeld wordt gedateerd rond 600)[78]
.
Globaal
genomen, nochtans, en dan vooral wat de invloed betreft op het nieuwe, archaïsche denken,
mag de formatieve betekenis van de
Klein-Aziatische culturen voor de Griekse ontwikkeling niet overdreven
worden. Zoals Emlyn-Jones, o.c., p.163, het uitdrukt: "the East may have provided the spice, but not the substance of early Ionian
thought"[79].
§ - § - §
Aan
de pioniersrol van Ionië in de Griekse wereld, kwam er een einde rond 545: na
de bufferstaten zoals Lydië, kwamen nu ook de Ionische stadstaten
aan de beurt om door de Perzen geannexeerd te worden. Ook voor de filosofische
ontwikkeling bracht dat, op termijn, een belangrijke verschuiving te weeg: het
zwaartepunt ervan werd verplaatst naar Groot-Griekenland: ca 530 emigreerde
bijvoorbeeld Puthagoras van Samos naar Krotoon, in Zuid-Italië.
Maar
de échte cesuur kwam er voor Ionië pas
goed in 494, wanneer de Ionische opstand tegen de Perzen uitliep op een
verpletterende vlootnederlaag bij Lade (eiland vlak vóór Milete). In de 6de eeuw waren de aanvankelijke
negatieve gevolgen van de Perzische overheersing nog beperkt gebleven - economisch hield de bloei aan, en politiek lijken de Perzen, althans in het
begin, tolerante meesters te zijn geweest , maar rond het einde van de eeuw
kwam daar verandering in. Met de mislukking, vervolgens, van voornoemde
opstand en vooral met de totale verwoesting van Milete was het voor goed
gedaan met Ionië's politieke en culturele zelfstandigheid; op economisch
vlak ging Athene de rol van Milete overnemen.
In
een tijdspanne van enkele generaties werden de Ionische stadstaten getransformeerd,
aldus Emlyn-Jones, "from centres of major importance into a
backwater"[80].
NAAR HOOFDSTUK 2
NOTEN:
[ 1]
Hierbij dient gezegd dat de eerste 'filosofen' in het westen, in het
midden van de 6de eeuw, in feite inwijkelingen uit Ionië waren (zie
bv.Puthagoras en Xenophanes). Trouwens, wanneer later, pas rond het midden
van de 5de eeuw, de natuurfilosofie geïntroduceerd werd in Athene, was dat
nogmaals dank zij de komst van een Ioniër (Anaxagoras van Klazomenai).
[ 2]
Hegel, Vorlesungen über die Geschichte der Philosophie, I, p. 192.
[ 3]
Zie
Hallpike, o.c., p. 31 e.v.: "since cognitive growth is a product of the
interaction of individuals and their environment, and not a process which
is purely endogenously generated, inevitable, and spontaneous, it
follows that because the milieu of primitive societies is cognitively less
demanding than our own, the cognitive development of its members will be correspondingly
retarded and will stabilize at a level below that of formal thought".
[
4]
Mogelijk ten gevolge van invallen vanuit het noorden.
Traditioneel spreekt men van de "Dorische
invallen", maar daaromtrent worden in de meer recente literatuur
grote vraagtekens geplaatst. Zie
bijvoorbeeld Jonathan Hall, Ethnic identity in Greek antiquity,
Cambridge 1997.
[
5]
In
dezelfde periode als de Mykeense centra werd bijvoorbeeld ook Hattušas, de
hoofdstad van het Hettitische rijk verwoest, Ugarit, hoofdstad van de
Hettitische vazalstaat in het huidige Syrië, en tal van andere centra in de
Levant en in Kanaän alsook op Cyprus; Egypte - de bronnen spreken van een gevaarlijke
dreiging van "zeevolkeren" - kon de aanvallers afweren, maar
het verloor de Levant (aan de Filistijnen).
[
6]
Zo
J.Latacz in zijn Homeros. De eerste dichter van het Avondland, p.64.
[ 8]
Maar
archeologische vondsten, bijvoorbeeld op Euboia (het 'heldengraf' van Lefkandi, ca 1000 vK), hebben de traditionele notie van Griekse "Dark
Ages", als een afgebakende periode van enkele eeuwen, sterk in vraag
gesteld.
[ 9]
Jaynes, o.c., p. 225, citeert voor Babylon een tablet uit de laatste eeuwen van
het 2de millennium, dat begint met: "Mijn god heeft mij verlaten en is
verdwenen". Zie ook P.Vroon, Stemmen van vroeger (1978), p.
134v.
[ 10]
Van
enige raciale identiteit was echter geen sprake. Behalve Ionische, hebben ook
Eolische Grieken Egeïsche eilanden (bijvoorbeeld Lesbos) en de kust
gekoloniseerd; zij namen daarbij het meer noordelijke deel voor hun rekening.
[ 11]
Vgl.
P.M.Schuhl, Essai sur la formation de la pensée grecque (1934), p. 145,
waar hij het heeft over een
"koloniaal karakter" van de homerische poëzie: "Chassés
par les envahisseurs victorieux, obligés de traverser la mer et s'exiler,
les migrants ont dû quitter les tombeaux de leurs ancêtres; ces 'déracinés'
n'ont pu continuer à pratiquer le culte funéraire lié au sol...".
[ 12]
Vgl.
W.K.C.Guthrie, The Greeks and their Gods (1968), p.299v.: "the
religious ideas of the Homeric poems constitute a break in the continuity of
Greek religious tradition... They were the product of Greeks living uprooted
from their ancient homes on the coast of Asia Minor".
Maar wat vanuit religieus opzicht een
zwak punt was van de homerische goden, namelijk dat ze geen wortels hadden
in enige lokale bodem en niet langer verbonden waren met enige primitieve
cultus, vormde in historisch opzicht een voordeel. Niet langer tribaal of lokaal
gebonden aan een particuliere clanstructuur, konden zij nu
'internationaal' of panhelleens worden. Dat maakte hen
geschikt om, bij de overgang naar het polisregime,
πoλιoῦχoι d.w.z. "polishouders", te worden van gelijk welke polis, en
op die manier tegemoet te komen aan de religieus-ideologische noden van de
nieuwe maatschappelijke orde. Door hun gemis aan een sterke, precies omschreven
persoonlijkheid en aan dogmatische fixatie, waren ze bovendien
bestendig herinterpreteerbaar - eerst
door de dichters, vervolgens door de natuurdenkers en de filosofen. Het deed
er daarbij niet zoveel toe, dat ze 'abstracties' werden. In onderscheid met het latere christendom,
was de cultus van de Griekse goden niet gekoppeld aan een verplichtend "credo".
Zie ook J.P.Vernant, Religion grecque,
religions antiques (1976), en de verwijzingen, hoger, in de Algemene
Inleiding. Dat Homeros'
goden ondanks hun bijwijlen 'frivool' gedrag wel degelijk, als goden,
ernstig moeten worden genomen, d.w.z. dat we niet te doen hebben met
'literaire goden', wordt krachtig geargumenteerd door J.Griffin, Homer
on Life and Death (1980).
[ 13]
We
moeten het hier gelukkig niet hebben over de zgn. "Homerische
kwestie".
Mogelijk, zo niet waarschijnlijk, is de Odyssea
hoe dan ook enkele tientallen jaren jonger (ca 700) dan de Ilias.
[ 14]
Zie
C.J.Emlyn-Jones, The Ionians and Hellenism (1980), p.65: "What
more natural than that the Ionians should cling to this symbol of their
national and cultural identity in the process of carving out their existence
among the non-Greek peoples of West Asia Minor?"
[ 15]
Gecit. bij Latacz, o.c., p.80.
[ 16]
Met de poleis Chalkis en Eretria, die in de 8ste eeuw de zgn. Lelantijnse oorlog voerden
om de controle over de vlakte tussen hen.
[ 17]
Latacz, o.c., p. 90.
[ 18]
Nogmaals Latacz, o.c., p. 47. Wie geïnteresseerd is in een vergelijkende studie
van het heldenepos, dat beoefend werd/wordt in literaturen over de gehele
wereld, wordt verwezen naar de toonaangevende (weliswaar wat gedateerde,
euro- en homerocentrische) studie van C.M.Bowra, Heroic Poetry (1952,
herdrukt).
[ 19]
Dat
betekent niet noodzakelijk dat de dichter in Klein-Azië leefde.
In de meer recente bijdrage over de samenhang
tussen Homeros en het alfabet, Barry B.Powell, Homer and Writing, in:
I.Morris & B.Powell (edd.), A New Companion to Homer (Leiden 1997), wordt geargumenteerd dat Homeros een Ioniër was
van... Euboia (zie bv. het
'irrationele'
vertrek
van de expeditie tegen Troje vanuit het Euboïsche Aulis, daar waar de leiders
van de expeditie, het broederpaar Agamemnoon en Menelaos in de Peloponnesos
koning zijn) en een tijdgenoot van Hesiodos,
die in het naburige Beotië leefde.
Powell bestempelt de Odyssea zonder meer als
"a Euboian epos"
(ibid., p. 31). Ook het alfabet is z.i. daar gecreëerd, mogelijk met de uitdrukkelijke
bedoeling de gedichten van Homeros en Hesiodos op schrift te stellen.
[ 20]
Sommige moderne historici ontkennen dat er bij de homerische mens sprake zou
zijn van "echt handelen". Zie bijvoorbeeld Ch.Voigt, Ueberlegung
und Entscheidung. Studien zur Selbstauffassung des Menschen bei Homer
(1934), p.101: "ein wirklich persönliche Einsatz und eine Entscheidung
im eigentlichen Sinn des Wortes (ist) bei Homer nicht möglich, das heisst aber:
der Mensch besitzt noch kein Bewusstsein persönlicher Freiheit und eigener Entscheidung";
en p. 106: "Die Menschen Homers 'handeln' nicht eigentlich (d.h. mit
vollem Bewusstsein eigenen Handelns), sondern sie reagieren". Zie
ook Vroon, o.c., p. 17. Maar het gaat, zoals gezegd, om een "voorstelling
van zaken", met een mogelijke décalage (Piaget) tussen tekst en
begrip. Goddelijke interventies, bij Homeros, dienen vaak om iemands
natuurlijke eigenschappen aan te vullen. Zo doet Athena, in het voorbeeld,
in feite niet meer dan versterken en expliciet maken wat al aanwezig is in Achilleus' natuur; ze belichaamt a.h.w. zijn besef dat er geen gemene maat
is tussen hemzelf en de laaghartige Agamemnoon. Zie Bowra, o.c., p. 89: "One
aspect of Homer's gods is that they make his heroes more truly themselves and
therefore more heroic". Zie ook nog infra.
[ 21]
Een
voorbeeld vinden we in Ilias 17.89v. (Menelaos ziet, in volle strijd om Patroklos'
lijk, de Trojaanse held Hektoor op zich afkomen): "... Maar toen
Menelaos zijn snerpende schreeuwstem gehoord had, | sprak hij, geërgerd
en boos, tot zijn dappere hart: 'Wat ellendig! | Als ik de prachtige
rusting en wapens en 't lijk van Patroklos | prijsgeef van hem die voor mij en
mijn eer is gesneuveld, zal zeker | iedere Griek die dat ziet mij daarover
verwijten gaan maken...". Zie hierover verder, in hfst. 7 §§
2.1.
[ 22]
Zo
C.H.Whitman, Homer and the Heroic Tradition (Cambridge, Mass., 1958), p.
159: "The whole quarrel with Agamemnon was merely the match that lit a
fire, the impetus which drove Achilles from the simple assumptions of the
other princely heroes onto the path where heroism means the search for the
dignity and meaning of the self".
[ 23]
Niet
toevallig is slotzang 24 van de Ilias de meest 'odysseïsche'
van
de Ilias. Het bekende mesopotamische epos van "Gilgamesj"
(de oudste, Sumerische versie dateert van ca 2000; de canonieke,
Babylonische van ca 1200; de belangrijkste getuigen ervan van ca 750 vK) kan
als een voorloper van dit soort van tegelijk ruimtelijke en innerlijke
zwerf- en zoektocht worden gezien, maar Gilgamesj' persoonlijke strijd
is nog overwegend beschreven in termen van zijn relatie tot de goden,
terwijl bij Homeros de (conflictueuze) ménselijke relaties centraal
staan.
[ 24]
Nogmaals Jaynes, o.c., p. 276. De term "bicameral" verwijst naar onze
twee hersenhelften. In Jaynes' visie ontwikkelden de mensen, tussen 70.000
en 10.000 vK, met het ontstaan van de taal verbale hallucinaties vanuit de
rechter hersenhelft (die dus in zekere mate op zichzelf functioneerde). In hun
leven en handelen werden zij geleid door de 'gehoorde' bevelen,
geboden, verboden, enz. van hun ouders, leiders, koningen, enz. Zij
'hoorden' bestendig stemmen van krachten
buiten henzelf, zoals van "goden",
stemmen die gelokaliseerd waren in bepaalde materiële objecten: een gemummifieerd
hoofd, een beeld, een graf, enz. Om te functioneren vereiste dit systeem van
"bicamerale geest" een sterk hiërarchische maatschappijstructuur. De "breakdown"
ervan, op het einde van het 2de millennium, vloeide voort uit de ineenstorting
van de toenmalige "bicameral theocracies", en uit de sociale
chaos die daarmee gepaard ging. Zie ook Vroon, o.c., wiens werkje een
kritische presentatie en uitwerking bevat van Jaynes' opvattingen.
[ 25]
Voor
wie niet vertrouwd is met het boek van Jaynes: Jaynes, o.c., p.260, vat deze
historische ontwikkeling in haar geheel schematisch samen onder volgende noemers:
1) "objectief":
in de zgn. "bicamerale periode" (zie vorige noot), wanneer
'bewustzijnstermen' zonder meer refereerden naar eenvoudige
externe waarnemingen;
2) "inwendig":
bij de ineenstorting van de "b.p." gaan die termen fenomenen
aanwijzen binnen het eigen lichaam, vnl. bepaalde intense gewaarwordingen;
3) "subjectief":
wanneer de termen naar processen verwijzen, die wij "geestelijk" zouden
noemen;
4) "synthetisch":
wanneer de verschillende "hypostasen" zich verenigen tot
één, bewust zelf dat in staat is tot
introspectie.
[ 26]
Herman Fränkel (vooral zijn Dichtung und Philosophie des frühen Griechentums,
1950, en Wege und Formen frühgriechischen Denkens, 1955) en Bruno Snell
(vooral Die Entdeckung des Geistes. Studien zur Entstehung des
europäischen Denkens bei den Griechen, 1946) hebben, binnen de klassieke
filologie, inderdaad een enorme impact gehad. Voor verdere bibliografie, ook
van de critici ervan, zie Fowler, o.c., pp. 105-106, nn. 1-7.
[ 27]
Zie
ter inleiding de kleine syllabus, Inleidende Notities bij de Lektuur van Homeros'
Ilias, z. 24, RUG
1993.
[ 28]
Fowler, o.c., p. 5. In onderscheid met het
christendom, waren voor de Grieken - "(who) had a power of imagination
which we have lost" - mensheid en goddelijkheid onafscheidelijk met elkaar
verbonden. Bijvoorbeeld een Olympische overwinning kon op verschillende
manieren beschreven worden: de atleet won; hij won met godes hulp; de
godheid maakte dat hij zou winnen. "All are different ways of
describing the same thing. Divine and human work on parallel planes to affect
the course of events: 'double determination'" (o.c., p.6). I.v.m. de
hoger vermelde episode waar Athena tussenkomt bij Achilleus, schrijft hij
(l.c.): "Athena's appearance here takes nothing away from Achilles'
ability to think for himself. Homer could easily have described the scene
differently, emphasizing the human motivation involved, as he does in
numerous other scenes. Here he sees the divine aspect more clearly; small wonder,
at this juncture in the plot. The dramatic effect is also important. The vivid, concrete image which arrests and focuses the attention is typical of
Greek poetry. Homer's image of Athena tugging at Achilles' hair is a
brilliant example. For some scholars, her gesture emphasizes Achilles' lack
of independence; however, there is no real connection with psychology at all". Zie ook al hoger.
[ 29]
Zoals eerder al gezegd, waren de verschillende Ionische nederzettingen rond 800
vK opgegaan in een "twaalfstedenbond". Zij vierden voortaan
het feest van de "Panionia", bij het gemeenschappelijk heiligdom van Poseidoon Helikonios, het "Panionion",
gelegen bij het Mykalegebergte ten N. van Priëne.
De namen van de deelnemende steden (van N. naar Z.) luidden: Phokaia, Erythrai,
Klazomenai, Teos, Lebedos, Kolophoon, Ephesos, Priëne, Myos, Miletos, met
daarbij nog de twee grote eilanden Samos en Chios. In een ruimere zin hoorden
hier ook Magnesia aan de Meander en Smyrna bij. Het kaartje is afkomstig uit
Emlyn-Jones.
[ 30]
Emlyn-Jones, o.c., p. 17.
[ 31]
Emlyn-Jones, o.c., p. 28, onder verwijzing naar R.M.Cook, Ionia and Greece
in the 8th and 7th c., in Journal for Hellenic Studies, 66 (1946), pp.
80-87.
[ 32]
Zie
bijvoorbeeld de beschrijving van de rijkdom van Tyrus, "dat gelegen is
aan de toegangen tot de zee, dat als de koopstad der volken op vele
kustlanden handel drijft", in het Bijbelse "Klaaglied over Tyrus", Ezechiel
27.
[ 33]
Dat
er eeuwenlang aan de rand van de continentale grootmachten (Hettieten, Assyrië,
Perzië) überhaupt politieke ruimte wàs voor de relatief vreedzame en zelfstandige
ontwikkeling van handelsstaatjes, kan paradoxaal lijken. Een algemene
verklaring ervoor kan gezocht worden in (1°) de sterk 'continentalistische' houding van deze grootmachten, zodat ze zich
onthielden van permanente bezetting van de kuststreken (die klaarblijkelijk
als onveilig en onvruchtbaar werden beschouwd: zo was het de politiek van de Hettieten om bannelingen naar de kuststreek te verdrijven); (2°) het
"kâr"- of "port of trade" type van economie
van deze Aziatische rijken: voortkomend uit de 'stille handel',
berustte die economie op het principe van een politiek neutraal ontmoetingsterrein,
waar leven en eigendom van de vreemde kooplui beschermd waren. De onafhankelijke
havens op de kusten van Syrië en Klein-Azië vervulden precies dergelijke
functie. De oudste bekende voorbeelden ervan zijn: Alalach (nu: Al
Mina), aan de Orontes, en Ugarit (nu: Ras Sjamra). Zie R.B.Revere, Les
ports de commerce de la Méditérannée orientale et la neutralité des côtes,
in: K. Polanyi & C.Arensberg (1975), pp. 7192.
[ 34]
Maar
ook westwaarts werden nederzettingen gesticht: de eerste op het eiland
Pithekoussai (nu Ischia), in de Golf van Napels, met het oog op de handel met
Etrurië.
[ 35]
Uit
Latacz, o.c., p.76.
[ 36]
Maar
de situatie was niet identiek voor alle Ionische staten: terwijl Milete
bijvoorbeeld door het gebergte was afgesloten van (én beschermd tegen) het
verdere hinterland, en dus inderdaad niet beschikte over ruimte voor
territoriale expansie, beschikten bijvoorbeeld Efese en Kolophoon wel over
een uitgebreid territorium. Ze namen dan ook niet deel aan de kolonisatiebeweging;
het economisch en maatschappelijk gewicht van de uitgebreide landbouwgebieden
hield ook een meer conservatief regime in stand. Zie Emlyn-Jones, o.c., p. 26.
[ 37]
Emlyn-Jones, o.c., p.29.
[ 38]
N.Hammond, A History of Greece to 322 B.C., Oxford 1967, p. 72.
[ 39]
G.Glotz, Histoire Grecque, I, 1925, p. 278.
[ 40]
Zie
R.J.Hopper, Trade and Industry in Classical Greece, London 1979, p. 39.
[ 41]
Zie
J.Hasebroek, Staat und Handel im alten Griechenland, Tübingen 1928, p.
60.
[ 42]
Emlyn-Jones, o.c., p.29. Zie nu N.Ehrhardt, Milet und seine Kolonien.
Vergleichende Untersuchung der kultischen und politischen Einrichtungen.
2.Aufl., Frankfurt/Bern 1988.
[ 43]
Inzake deze historische prioriteit, nochtans, t.a.v. continentaal Griekenland
is er in de moderne vakliteratuur een slingerbeweging vast te stellen: na het
"panionisme" van het begin van de 20ste eeuw, werd rond het midden van
die eeuw daartegenover de stelling verdedigd dat Ionië juist
laat was in haar maatschappelijke ontwikkeling. Vgl. nu nog E.Hussey, The Presocratics (1972), p. 9: "Ionia was
not particularly advanced in its political development". Vandaag
de dag, evenwel, is de slinger, mede op basis van archeologische vondsten,
weer naar de andere kant aan het gaan, en wordt aangenomen dat Ionië, ook door
uitwendige druk, tot een vroege urbanisatie
is gekomen, d.w.z. vroeger dan in continentaal Griekenland. Zo bestempelt J.M.
Cook, in de Cambridge Ancient History, 3, II(2), p.804, de Ionische
polis als "the first certain and unambiguous apparition of the
organized Hellenic polis". Zie Emlyn-Jones, o.c., p.7 en 26.
[ 44]
Zie
Emlyn-Jones, o.c., p. 184 n. 97.
[ 45]
De
hegemonie van de koningsclan mag niet vereenzelvigd worden met een monarchische
staatsvorm, als een eerste fase. Tegen dit, vanaf de Oudheid al traditionele
beeld (bijvoorbeeld Aristoteles, Politica I) wordt overtuigend
geargumenteerd door M. Dreher, Sophistik und Polisentwicklung
(Frankfurt 1983), pp. 31-49: de eerste 'staat' die z.i. tot stand
kwam, was een "Adelsstaat", ter bescherming van het
grondeigendom (ibid., p.51).
[ 46]
Ioniër van Halikarnassos (Klein-Azië, nu: Bodrum), actief in de 5de eeuw en
traditioneel bestempeld als de "vader van de
geschiedschrijving".
[ 47]
Ook
Athene zou later dank zij haar maritieme hegemonie - en dus beheersing van de
graanroutes - bijna 30 jaar de strijd kunnen opnemen tegen Sparta, dat de militaire
hegemonie te land bezat en regelmatig de Attische akkers kwam verwoesten.
[ 48]
Hussey, o.c., p.10.
[ 49]
De
ingenieur van dit kunstwerk was Eupalinos van Samos. Aangezien de tunnelboring
langs beide zijden tegelijkertijd moest starten, vergde deze technische
realisatie ook de nodige wiskundige competentie. Dat de twee ploegen zich
niet perfect op het voorziene punt ontmoetten, kan ook vandaag nauwelijks de
grootte van de prestatie verminderen (vgl. de bouw van de "Chunnel"). Zie o.m.
H.Diels, Antike Technik, Leipzig 1924, pp.912. Voor een recente
introductie tot de geschiedenis van de antieke techniek zie nu H.Schneider, Einführung
in die antike Technikgeschichte, Darmstadt 1992.
[ 50]
Ch.G.Starr, The Economic and Social Growth of Early Greece 800500 B.C.,
p. 82.
[ 51]
Zie
Margaret O.Wason, Class Struggles in Ancient Greece, London 1947, p.28: "the
importance of iron was not its superiority to other metals. Its fundamental importance
was this. It revolutionized productive methods. For the first time metal
was available in considerable quantities and at a low cost, and without
long, laborious and expensive transport".
[ 52]
Hoewel in het zgn. "paganisme" àlle
natuurfenomenen een sacrale hoedanigheid konden hebben - een boom, een rots, een bron, enz.
-, namen stromen en rivieren
altijd een bijzondere plaats in (nog in de modern-Griekse folklore vinden we
verhalen over mensenoffers bij het bouwen van bruggen). Ook de titel "pontifex"
voor Romeinse priesters bevat een zinspeling op dit fenomeen, zo schijnt het
(het woord betekent letterlijk "bruggenbouwer", hoewel pons
ook een bredere betekenis kon hebben, zie ons woord "pad").
Zie hierover A.Seppilli, Sacralità dell' acqua e sacrilegio dei ponti,
Palermo 1977.
[ 53]
In
zijn Greek Science (Pelican 1963), p. 81.
[ 54]
De
beroemde "archaïsche glimlach" van de beelden zou door Ionië in de
Griekse wereld geïntroduceerd zijn, na ontlening waarschijnlijk aan Syrië. Zie
Emlyn-Jones, o.c., p.56.
[ 55]
Vanaf Platoon zouden de "filosofen" die rol opeisen.
[ 56]
Zo
althans R.W.Müller, Geld und Geist, p. 273; zie ook verder, het hoofdstuk
over het "archaïsche zelfbewustzijn"
.
[ 57]
Vroon, o.c., p. 88.
[ 58]
Zie
de status quaestionis in A. Heubeck, Schrift, in: Archaeologia
Homerica, X, Göttingen 1979, pp. 109 e.v. Voor Ionië zie A.Johnston, The
Extent and Use of Literacy: the Archeological Evidence, in: R.Hägg
(ed.), The Greek Renaissance of the Eighth Century B.C.: Tradition and Innovation,
Stockholm 1983. Van de Ionische steden is (oud-)Smyrna de enige waar tot nu
toe het schrift al in de 8ste eeuw werd aangetroffen (o.c., p. 65).
[ 59]
In pictogrammen
worden de gedenoteerde objecten rechtstreeks afgebeeld; in ideogrammen
is de voorstelling ervan gestileerd en zijn bovendien combinaties mogelijk
(zodat bijvoorbeeld de afbeeldingen voor "oog" en
"water" samen "wenen" denoteren; in fonogrammen,
tenslotte, wordt de afbeelding gebruikt om middels het object een bepaalde
klank te denoteren (nl. de klank die
overeenstemt met de naam van het object).
[ 60]
Maar
van dat onderscheid kan, in dat stadium, eigenlijk nog niet gesproken worden.
Ook het zgn. "Fenicisch alfabet" was in wezen nog altijd een syllabarium, alleen werden niet langer
àlle
klinkervariaties per medeklinker apart
weergegeven: "Het Fenicisch vat het principe dat 'ba be bi bo bu' een
set vormen van 'b' lettergrepen. Vorige syllabaria zouden voor deze 5 klanken
5 onverbonden tekens hebben gebruikt. Het Fenicisch gebruikt er één, de
consonantale 'index' van de set" (Havelock, o.c., p. 69). Dat werd
mede mogelijk gemaakt doordat de klinkers in de Semitische talen slechts een
secundaire rol spelen (de betekenis van elk woord wordt gedragen door wortels
die over het algemeen geconstitueerd worden door 3 'consonanten'). Zie M. Cohen, L'Ecriture,
Paris 1953, p. 55.
[ 61]
Vroon, o.c., pp. 8889.
[ 62] Eric A.Havelock, in zijn bundel The Literate Revolution in Greece and its
Cultural Consequences (1982), p.81, beklemtoont terecht dat de
fonetische "elementen" (stoicheia, in het Grieks) het
resultaat zijn van een abstrahering,
vooral dan in het geval van de "medeklinkers": terwijl
lettergrepen empirisch waarneembare eenheden vormen, beschikken medeklinkers
als zodanig niet over een eigen sonoriteit: ze initiëren of beëindigen gewoon
een luchtvibratie (in het Grieks werden ze daarom oorspronkelijk
ἄφωνα, áfona,
"toonloos", genoemd). "It was therefore an abstraction,
a nonsound, an idea in the mind... Whereas all syllabic systems, including
the Semitic shorthand, aim to reproduce the actual spoken units on a
oneforone basis, the Greek produces an atomic system which breaks up all
units into at least two abstract components and possibly more".
[ 63]
"d.w.z.:
de regulering van de maatschappelijke betrekkingen d.m.v. op schrift vastgelegde teksten", Latacz, o.c., p.26.
[ 64]
"Van
tekstualiteit is pas sprake wanneer het gebruik van teksten met het oog op conservering
geïnstitutionaliseerd
is: bijvoorbeeld wanneer men gegevens, gebeurtenissen, inzichten, prestaties enz. vastlegt en bewaart in de vorm van registers, kadasters, wetboeken, codices,
kronieken enz."
, Latacz, o.c., p. 28.
[ 65]
Latacz, o.c., pp. 29-30 (met verwijzingen), onder de hoofding: "Homeros:
het begin van de tekstualiteit in het avondland".
[ 66]
"Het
democratiseerde de geletterdheid, of beter maakte die democratisering mogelijk",
Havelock, o.c., p. 83.
[ 67]
Al
vrij vroeg werd het proza gebruikt voor goederenlijsten, rekeningen, handelscorrespondentie.
Ook andere niet-commerciële privé-toepassingen, eventueel in de vorm van inscripties, o.m. taalconventies "die als vaste patronen ook in mondelinge culturen
voorkomen", zoals "het register, met als varianten de
catalogus en de stamboom, het gebed, de spreuk e.d." (Latacz, o.c.,
p.27), zijn snel in de schrijftaal overgenomen. "Last but not
least", ging men het proza aanwenden voor wetteksten en decreten
(inscripties). Wat dit laatste betreft, de communis opinio, dat de
geschreven wet het resultaat was van 'klassenstrijd', is aangevochten
door C.G.Thomas, Literacy and the Codification of Law (in: Studia et
Documenta Historiae et Iuris, 43, 1977, pp. 45-58). Z.i. was de codificatie
van het recht het gevolg van de overgang van oraliteit naar schriftcultuur op
het maatschappelijke niveau; de klassenstrijd veronderstelt zelf al een samenleving
die vertrouwd is met het schrift. - Het feit dat de "eerste
filosoof" in de eigenlijke zin van het woord, Anaximander, voor het
proza koos om over de hoogste dingen te spreken, moet in elk geval als betekenisvol
worden beschouwd (zie J.Mansfeld, Die Vorsokratiker, I, p. 27).
[ 68]
Voor
het onderscheid tussen een orale en een
schriftelijke/lezers attitude zie o.m. J.P.Vernant, Mythe et
Société en Grèce Ancienne (Paris 1974), pp. 196-200. Verder ook W.J. Ong, Orality
and Literacy. The Technologizing of the Word (London 1982), en de publicaties
van J.Goody. Voor de Griekse situatie zie bijvoorbeeld R. Thomas, Oral
Tradition and Written Record in Classical Athens (Cambridge 1989). Wat
meer in het bijzonder het proza betreft, wijst Capizzi, Eraclito e la sua
leggenda, p. 20, erop dat "het proza zó specifiek Ionisch was,
dat ook prozaschrijvers die geen Ioniër van geboorte waren, in het Ionisch
schreven".
[ 69]
Emlyn-Jones, o.c., p. 107; zie ook Havelock, o.c., p. 82.
[
70]
Havelock hanteert in zijn bijdragen het volgende chronologische schema: 1) "craft
literacy" (waarin het schrift nog overwegend ten dienste staat van
handelaars en ambachtslui), die z.i. duurt tot het midden van de 6de eeuw; 2) "recitation
literacy" (hij gebruikt ook de uitdrukking "semi-literated"),
tot het einde van de 5de eeuw; 3) "full literacy", vanaf de 4de
eeuw, waarin de balans oraliteit-schriftelijkheid duidelijk doorslaat naar
de schriftelijkheid.
[ 71]
Havelock, in Preface to Plato (1963), p. ix, merkt heel terecht op dat
het niet volstond dat enkelen konden schrijven: er moest een grote groep komen van mensen die konden lezen.
Dat laatste veronderstelt een vorm
van georganiseerd onderwijs. Over het tijdstip waarop, in de Griekse
staatjes het leren lezen en schrijven (van de zgn. grammata, vandaar grammatikós:
"die z'n letters kent") tot het vast programma van het
elementair onderwijs ging behoren, lopen de meningen uiteen. Volgens Havelock, Literate Revolution, p.187, mag dat zeker niet veel vroeger
dan 430 gesitueerd worden; volgens A.Burns, daarentegen, Athenian literacy
in the 5th c.B.C. (in: JHI, 42, 1981, pp. 371387), moet dat voor Athene al
vanaf het einde van de 6de eeuw verondersteld worden. Voor Zuid-Italië, in
alle geval, hebben we een getuigenis (Diodoros Sikulos, XII, 12) dat een
wetgever uit de 6de eeuw reeds (Charondas) het leren lezen verplichtend zou
hebben gemaakt (het salaris van de onderwijzer moest bekostigd worden door de
polis).
[ 72]
Havelock, Preface to Plato, p. x.
[ 73]
Deze
parallel wordt gelegd door K.Joël, Der Ursprung der Naturphilosophie aus dem
Geiste der Mystik (1906), p. 61.
[ 74]
Perceiving
and Knowing in the Iliad and Odyssey (1981), p. 8.
[ 75]
Zie
zijn De Oorsprong van de Meetkunde (vert. J.Duytschaever), met inleiding
en noten van R.Boehm (Baarn 1977), pp. 17v. en 63-73.
[ 76]
De
(laat)antieke biograaf, Diogenes Laërtios (IX.6), weet ons trouwens te berichten
dat Herakleitos zijn geschrift zou gedeponeerd hebben in de Efesische Artemistempel.
[
77]
De
argumenten waarop Capizzi zich steunt, zijn o.m. de zinsnede, in fr. 1, "zowel
vóórdat ze de logos gehoord hebben" (z.i. enkel zinvol als verwezen
wordt naar een geschréven tekst), en ook - m.i. terecht - de homoniemische
woordspeling in fr. 48: "De naam van boog is leven (
ΒIΟΣ
),
maar zijn werk is dood" . Het verschil in
accentuering (en dus uitspraak/toonhoogte) tussen βίoς
(bíos),
"leven", en
βιός
(biós),
"boog", lijkt zich inderdaad enkel te laten hanteren op basis
van een geschreven tekst (de oude Grieken schreven enkel
uncialen of hoofdletters, zonder accenten). Zie Capizzi, o.c., p. 34 n. 60.
Capizzi ontdekt bovendien in fragmenten als 78 en 108 een heraklitische polemiek
tegen het orale betoog.
[
78]
Zie
hierover M.L.West, Early Greek Philosophy and the Orient (1971). Zijn
thesis, "that a period of active Iranian influence stands out sharply
in the development of Greek thought, from c.550 to c.480 B.C." (p.239),
heeft nochtans weinig respons gekregen. Zie de recensies van G.S. Kirk, in
Class.Review, n.s. 24 (1974), pp. 82-86; M.Marcovich, in Gnomon, 47(1975), pp.
321-328; en W.J.Verdenius, in Mnemosyne, XXXII (1979), pp. 389-396 (meer speciaal
wat West's Herakleitosinterpretatie betreft). Voor Anaximander zie al
W.Burkert, Iranisches bei Anaximandros, in: Rhein.Mus., 106 (1963),
p.97v.; nu ook Mansfeld, Die Vorsokratiker, I, p. 12 en 59 n.1.
De "Iranian connection"
werd recentelijk ook beklemtoond door M.Boyce, A History of Zoroastrianism.
Vol.2: Under the Achaemenians (in: Handbuch d.Orientalistik, 1.Abt.,
8.Bd., 1. Abschnitt, Lief.2, Heft 2A), Leiden 1982. Z.i. zijn de kosmologische
en kosmogonische ideeën van de Ionische natuurdenkers zelfs zonder meer zoroastrisch
van oorsprong.
[
79]
In
de vakliteratuur wordt de uitdrukking "interpretatio graeca"
gebezigd om te verwijzen naar dit algemene fenomeen van de interpreterende
overname en adaptatie door de Grieken van oudere realisaties; zie ook Mansfeld, o.c., p.12 n.1, die concludeert: "Was die Griechen übernahmen,
haben sie sofort entscheidend geändert". Zie nu in het algemeen
W.Burkert, Die orientalisierende Epoche in der griechischen Religion und
Literatur, in: Sitz. d. Heidelb. Akad. der Wiss., 1984, I, pp. 11-35.
[
80] Emlyn-Jones, o.c., p. 12 en pp. 32-34.
|