1. Filosofie en Polis.
"De
mens is naar natuur een politiek dier". Ook vandaag nog
is deze uitspraak van Aristoteles alom bekend.[1] Teruggeplaatst in haar
historische context, geeft ze op kernachtige wijze uitdrukking aan de
dominantie en alomvattendheid, in de klassiek-Griekse samenleving, van
het "politieke", of "politische". Mens-zijn - in het
Grieks: ἄνθρωπος,
anthropos - in al zijn positieve en
actieve aspecten, viel binnen de zelfperceptie van de Helleen samen met
het (volwaardige) lidmaatschap van een πόλις
(polis)[2],
d.w.z.
met het actief burger-zijn ( πoλίτης
, polítès)[3] in een
zelfstandige polisgemeenschap. Zoals Aristoteles aansluitend nog
opmerkt: wie naar geaardheid "polisloos" is ( ἄπολις,
wij
zouden zeggen: asociaal), is geen 'mens', maar is
ofwel minder dan een mens, en dus zoals een (wild) dier, ofwel méér dan een mens, d.w.z. een god. En wanneer
Sokrates, na zijn terdoodveroordeling (in 399 vK), ondanks het
sterk aandringen van zijn vrienden weigerde uit Athene weg te vluchten en in
ballingschap te gaan in de vreemde, dan was dat, strikt genomen,
géén uiting van 'zelfverloochening': zoals Platoon
het hem laat verwoorden, was het in tegendeel een zaak van het tot haar
uiterste consequentie doordenken van die "politieke logica".
Ik verwijs naar de beroemde "Prosopopee van de Wetten",
in de dialoog, Crito: de Wetten, sprekend namens de
Atheense polis, argumenteren er onder meer dat een eventuele vlucht van
Sokrates een onaanvaardbare daad van contractbreuk en ondankbaarheid
zou zijn, én dat hij als balling hoe dan ook "geen leven"
zou hebben (50E1 e.v., vertaling van X.De Win):
"Als
het waar is dat wij u ter wereld brachten, en voedden, en opleidden,
kunt ge er dan ten eerste iets tegen inbrengen dat gijzelf onze zoon en
onze slaaf zijt, zoals ook uw vaderen het waren
vóór u?... Of moet ge
dààrvoor filosoof zijn, om niet te zien dat het
vaderland een werkelijkheid is, eerbiedwaardiger dan vader en moeder en
al uw verdere voorouders bij elkaar, eerbiedwaardiger en verhevener en
heiliger en hoger in aanzien bij goden en mensen - ik bedoel:
verstandige mensen... Neen, zowel op het gerechtshof als op het
slagveld, als om "t even waar, eist de plicht dat men doet wat staat (polis)
en vaderland bevelen... Dat gij, een oud man, die naar alle
waarschijnlijkheid niet lang meer te leven heeft, het over uw hart
verkregen hebt de hoogste wetten te overtreden om op zo krenterige
wijze aan het leven te hangen... Ge zult leven, ja. Maar hoe?"
De
dominantie van de "politiek" in de oudheid - die
zich laat vergelijken met die van de religie in de
middeleeuwen, en met die van de economie in de
moderne tijd - gold voor alle levensuitingen, alle maatschappelijke
activiteiten van de Helleen. Zij gold bijvoorbeeld voor de religieuze
cultus. Als we de Griekse religie(s) vergelijken met de religies van
het Nabije Oosten - Mesopotamië, en Egypte -, dan valt op dat
in deze laatste de aardse, d.w.z. de menselijke, maatschappelijke
werkelijkheid volledig ondergeschikt wordt gesteld aan een goddelijke
bovenbouw: de mensen zijn er de slaven van de goden (ze werden precies
geschapen om het lastige labeur van de goden over te nemen).
In
tegenstelling tot dit soort van " kosmische"
religie, was de Griekse, in al haar polytheïstische
veelvormigheid, veeleer een civiele of
politieke religie. In het ritueel ervan werd de celebrant
niet aan zijn sociale groep ontrukt en opgenomen in een aparte
priesterkaste, maar werden hij en zijn medeburgers integendeel des te
beter geïntegreerd in het maatschappelijke verband. Het publieke priesterambt, vandaar, was
een politiek ambt dat, in Athene, zoals omzeggens
alle ambten jaarlijks bij loting aan burgers werd toegewezen.
De godheid, bovendien, tot wie rituelen zich richtten, kan
in haar polymorfie bestempeld worden als een verpersoonlijking van de
belangen en verschijningsvormen van de polis. Zoals het
geformuleerd wordt in een vergelijkende sociologische studie over Egypte
en klassiek Athene (E.Carlton, 1977:230):
"Waarop
het werkelijk aankwam, zo schijnt het, was de cultus van de polis. De
'echte' religie van de Atheners was misschien niet zozeer het
Olympianisme als wel het Athenaïsme"[4].
De
hegemonie van het politieke gold ook de andere terreinen van het
menselijke handelen: economie, kunst, literatuur (zie bijvoorbeeld het
Attische drama: tragedie en komedie) en... filosofie. Ook deze laatste
was, naar oorsprong en geaardheid, een geesteskind van de polis, was
naar wezen een "politieke filosofie". Vergelijkbaar met de rol van de
theologie in de middeleeuwse, (christelijke) "religieuze" filosofie -
namelijk als de wetenschap die alle andere disciplines overkoepelde en
hiërarchisch onder zich subsumeerde -,[5] werd door Aristoteles, in zijn Nikomachische
Ethiek (I.1, 1094a27 e.v.), de politikè
(téchnè) uitgeroepen tot "de
meest gezaghebbende en meest architectonische wetenschap":
"want
zij is het die bepaalt welke wetenschappen in de polis beoefend dienen
te worden en welke door de verschillende burgers dienen aangeleerd, en
in welke mate; bovendien zien we dat de meest prestigieuze kundigheden
aan haar ondergeschikt zijn, zoals de krijgskunde, de huishoudkunde en
de welsprekendheid; en omdat zij het is die de beschikking heeft over
de overige wetenschappen en daarenboven wettelijk stipuleert wat men te
doen en te laten heeft, zal hààr doel wel dat van alle andere omvatten
en dientengevolge hét menselijke goede zijn".
In
het algemeen kan dat "politieke" karakter van de Griekse filosofie -
alleszins tot Aristoteles - op verschillende niveaus worden geëvalueerd. In
wat volgt, doen we dat vanuit vier gezichtspunten; het vierde ervan
wordt, hegeliaans, als een soort van "Aufhebung"
van de vorige drie gepresenteerd. Gemakshalve beperken we ons tot het
ontstaan en de eerste ontwikkeling ervan, in de archaïsche
periode.
1.1. "Persoonlijk":
Een
eerste perspectief van waaruit de relatie tussen filosofie en
maatschappij kan worden bekeken, is natuurlijk dat van de persoonlijke
betrokkenheid van de auteur bij het politiek-maatschappelijke
gebeuren. Wat de zogenaamde Voorsokratici in dit verband betreft,
bezitten we voor de meeste onder hen aanwijzingen waaruit moet blijken
dat zij een positieve houding aannamen t.a.v. het polisregime, voor
zover ze al niet zelf actief betrokken waren bij de vestiging, uitbouw
of verdediging ervan. Dat geldt bijvoorbeeld voor figuren als Thales,
Anaximandros, Parmenides, Melissos, Empedokles, Protagoras en
Demokritos. Ter illustratie kan op naam van deze laatste (burger van Abdera, in Thrakië, en actief in de 2de helft van de 5de eeuw)
een aforisme worden geciteerd, waarin hij zijn voorkeur uitspreekt voor
de polisdemocratie (fr. D-K 68 B 251):
"Armoede
in een democratie is in even grote mate superieur aan zogenaamd
gelukkig-zijn bij de vorsten, als vrijheid superieur is aan slavernij"
[6].
De
enige belangrijke uitzondering op die regel, zo lijkt het althans, was Herakleitos
van Ephesos (Efese of Efeze, begin 5de eeuw). Van
"koninklijken bloede", wordt hij traditioneel afgeschilderd
als een onverzoenlijke aristocraat en vijand van het volk (de
dèmos), d.w.z. van de democratie. Dat is dan
gebaseerd op van hem bewaarde uitspraken als:
-
"Eén (man) is er mij tienduizenden waard, als hij de beste
(áristos)
is" (D‑K 22 B 49).
-
"De Efesiërs verdienen dat alle volwassenen zich verhangen en
de polis overlaten aan de knapen, zij die Hermotimos, de bekwaamste
onder hen, hebben verbannen, zeggende: "Laat niemand van ons de
bekwaamste zijn, en als hij het toch is, dat hij het dan elders en bij
anderen weze"" (B 121).
Het
feit, evenwel, dat Herakleitos in het Efesische, maatschappelijke leven
de rol van "enfant terrible" speelde, hoeft nog
niet te betekenen dat hij een historisch tegenstander was van het zich
vestigende polisregime als zodanig - en dus een voorstander van een
terugkeer naar het pre-politieke regime waarin de traditionele
clanaristocratie het machtsmonopolie had. Herakleitos' tirades tegen "de
massa" - zie frr. B1, 2, 17, 19, 34, 72, 79 e.a. - zijn
voornamelijk filosofisch, en niét zozeer
politiek geïnspireerd: ze zijn gericht tegen iedereen, laag-
of hooggeboren, die geen" gehoor" gaf aan "de
logos" die hij zelf verkondigde. Het ging hem niet zozeer om
de dèmos, "het volk", als een politieke
categorie, maar om "de anderen" in de zin van: de
niet-filosofen. Herakleitos is inderdaad de eerste archaïsche
denker bij wie we een vorm van filosofisch zelfbewustzijn uitgedrukt
vinden. Vandaar dat ook prominente figuren als Homeros, Hesiodos,
Archilochos, Puthagoras, Xenophanes e.a. er bij hem regelmatig moeten aan
geloven (zie frr. B40, 42, 56, 57, 81 en 129). Dergelijke kritiek op
de niet-filosofische, 'natuurlijke' zienswijze zullen we van dan af ook
bij Parmenides, Empedokles, enz. aantreffen en is gewoon een aspect van
de wijze waarop deze denkers de tot dan toe heersende voorstellingen in
vraag stelden.
Wat nog
Herakleitos betreft, trouwens, kunnen tegenover de hoger genoemde ook
andere fragmenten geplaatst worden, zoals:
-
"Vechten moet het volk voor de wet (nómos),
op dezelfde wijze als voor de stadsmuren"
(B 44); en
-
"Wie met verstand wil spreken, moet zich steunen op het algemene, zoals
de polis zich moet steunen op de wet..." (B 114).
De
geschreven wet (nómos) of wettencodex was
inderdaad het belangrijkste fundament van de polis als een nieuw,
politiek regime. Zoals E. Will schrijft[7]:
"Hoezeer
de sociale structuren van polis tot polis ook verschilden, evenals de
tendensen die deze wetgevingen konden aannemen en de mogelijkheden van
toekomstige ontwikkeling: onder een bepaald gezichtspunt kan men de
geschreven wetgeving als het werkelijke en definitieve geboorte-uur van
de polis begrijpen".
Met
de afkondiging van geschreven politieke constituties werd de oorsprong
van de wet uit de handen genomen van de goden - d.w.z. van de
geboorteadel.
Om
deze beschouwing over Herakleitos' politieke opstelling af te ronden:
Gregory Vlastos, in zijn nu al klassiek, gezaghebbend artikel, Equality
and Justice in Early Greek Cosmologies (1974:71), meent,
voorzichtig, te kunnen besluiten dat deze denker wellicht een
gematigde of beperkte democratie voorstond. Zelf zouden we willen
pleiten voor een ideologische koppeling aan de (archaïsche)
tirannie (turannís) - maar dan begrepen
als een overgangsregime dat de doorvoering van de polisdemocratie
historisch heeft mogelijk gemaakt.[8]
1.2. "Ideologisch":
Net
zoals voor de religie, kan ook voor de filosofie geargumenteerd worden
dat zij ontstaan en ontwikkeld is als ideologische legitimatie en
ondersteuning van politieke programma's in de polis - ter aflossing dan van
de mythologie die een soortgelijke functie had vervuld ten gunste van
de geboorteadel. Dat is met name de visie van B.Frischer, in het
inleidend hoofdstuk, "Philosophy and Society in Greece",
van zijn studie over het epicureïsme, The Sculpted
Word (1982).[9]
Indien
we wérkelijk willen begrijpen, aldus Frischer, waarom de
filosofie tot ontwikkeling kwam in de Griekse wereld, moeten we zoeken "naar
de bijzondere ideologische behoeften die konden bevredigd worden door
de creatie van wat later filosofie zou worden genoemd" (p. 16). Toegepast op Thales, de "archegeet" van de
filosofie (aldus Aristoteles), resulteert dat in de volgende 'verklaring':[10]
"Welke
reden Thales ook had om te stellen dat water de oersubstantie was
waaruit alle materie en leven ontstond, zijn reden voor het
ontmythologiseren van kosmogonie en kosmologie is duidelijk. In een
stadstaat levend die geregeerd werd door Thrasuboulos,
één van Ionië's eerste tirannen, brengt
Thales een nieuwe ideologie naar voren die diens nieuwe dominerende
klasse van niet-aristocratische hoplieten steunt door gedaan te maken
met de aristocratische mythe van afstamming van de goden die de wereld
schiepen... Of we nu wel, of niet geloof hechten aan het interessante
bericht (D.L. I,27),... dat Thales zelfs samenleefde met Thrasuboulos,
zijn filosofisch programma dienen we te begrijpen als politieke
collaboratie, opgezet om een dwingende ideologie te verschaffen voor
Thrasuboulos' tirannie".
Toch
lijkt dergelijke functionalistische verklaring niet volledig
bevredigend (net zo min trouwens als ze dat is voor het ontstaan van religie,
staat, enz.). Niet alleen poneert zij een nogal simpele (simplistische)
relatie tussen politieke praktijk en filosofische theorie, maar zoals
elk functionalisme 'spant ze de wagen vóór het
paard': de oorsprong van het betreffende maatschappelijke fenomeen -
hier de filosofie - wordt 'verklaard' door middel van de gevolgen
ervan
- hier het legitimerend effect ten gunste van het nieuwe politieke
regime van Thrasuboulos. Als ontstaansverklaring moet deze benadering
dus afgewezen worden, maar het feit dát filosoof en filosofie,
net zoals de religie, een ideologisch-legitimerende functie kunnen
hebben, kan vandaag minder dan ooit betwist worden.[11]
1.3. Filosofisch:
De
verbondenheid tussen filosoof en polis beperkt zich niet tot
voornoemde, veeleer (filosofie-)externe relaties - persoonlijk en/of
functioneel - tot het politieke domein: ze blijkt ook, en vooral,
"intern", d.w.z. op het eigen filosofische domein, inhoudelijk zowel
als formeel.
Wat
het inhoudelijke aspect betreft, heeft Vlastos in zijn al vermeld
artikel, Equality and Justice in Early Greek Cosmologies, aangetoond hoe
de basisprincipes van het polisregime door de natuurdenkers
getransponeerd zijn van het politieke naar het filosofische domein - d.w.z. gebruikt zijn voor de constructie van de
natuurlijke werkelijkheid, de "phúsis",
als een kosmische rechtsstaat. Een gelijkaardige relatie tussen de
polisdemocratie en het ontstaan van een nieuw, filosofisch denken
wordt ook gelegd door bijvoorbeeld G.E.R.Lloyd.[12] Tegenover de "noodzakelijke
voorwaarden" - zoals schrift, technologische vernieuwingen,
economisch surplus en contacten met de oude culturen van het Nabije
Oosten - lag z.i. de "voldoende voorwaarde" voor
het ontstaan van een abstract denken (voorwaarde die dus zoveel als de differentia
specifica uitmaakte, in vergelijking met de oosterse
culturen) in de vestiging van "participatorische
bestuursvormen", d.w.z. van de polisdemocratie.
Frischer
(1982:16) maakt bezwaar tegen dergelijke benadering omdat het ontstaan
van de Griekse filosofie op die manier als "maatschappelijk
parasitair" wordt beschouwd: de filosofische ontwikkeling
teert op, komt pas nà, de politiek-maatschappelijke
veranderingen.[13]
Maar het is vooral vanuit historisch oogpunt dat bovenvermelde visie
bedenkingen oproept. Vlastos en Lloyd beschouwen de polisdemocratie
teveel als een gegeven maatschappelijk kader op het
ogenblik dat de natuurdenkers hun theorieën ontwikkelden; ze
hebben onvoldoende oog voor de moeizame, vaak gewelddadige,
maatschappelijke ontwikkelingen waarvan een dergelijk regime eventueel
het resultaat was. Van die ontwikkelingen, evenwel, vormde het
natuurdenken niet louter een passieve weerspiegeling: het was ook zelf
een actief element in die transformatie. Het Milete van Thales,
Anaximandros en Anaximenes was weliswaar op tal van vlakken -
commercieel, militair, cultureel, enz. - betrekkelijk geavanceerd, maar
op het politieke vlak was er geen sprake van een gerealiseerde
polisdemocratie, wel integendeel. Na de tirannie van de al vermelde Thrasuboulos verviel het in een 60 jaren durende, volgens de latere
overlevering bijzonder wreedaardige burgeroorlog. Die tijdspanne viel
zo goed als samen met het leven van Anaximandros...
1.4. "Historisch-psychologisch":
Frischer
(l.c.) merkt terecht op dat een beter begrip van het ontstaans- en
ontwikkelingsproces van de Griekse filosofie vereist dat we die
filosofie als "maatschappelijk functioneel, niét
parasitair" beschouwen en meer aandacht schenken aan de
concrete, historische situatie waarin zij verschijnt. Hij begaat
evenwel de vergissing, die maatschappelijke betekenis van de filosofie
- en in zekere zin filosofie tout court - te
herleiden tot ideologie (in de zin van politieke
legitimatie). De filosoof wordt daardoor tot louter spreekbuis,
belangenbehartiger of propagandist van een bepaalde politieke partij of
van de politieke machthebbers, en alle filosofie wordt tot louter een
instrument in dienst van de politiek. Dergelijk "totalitarisme
van de politiek" (maar dan in de moderne zin van dat woord)
doet zich nog dagelijks voor, ook bij ons. Voorbeelden uit het verleden
(zoals het stalinisme) tonen duidelijk aan dat zo iets onvermijdelijk
gepaard gaat met een degradatie van het denken tot retoriek en dus tot
het einde van de filosofie.[14]
De
eenzijdigheid van Frischers ideologische visie, zowel als de
tekortkomingen van Vlastos' en Lloyds benadering kunnen m.i. overwonnen
worden in wat ik, faute de mieux, een historisch-psychologische benadering wil noemen.
De
economische, sociale, politieke, culturele én intellectuele
ontwikkelingen in de archaïsch-Griekse periode moeten gezien
worden als (momenten van) een totaalproces waarvan de filosofie (d.w.z. het
archaïsch natuurdenken) een volwaardig, integrerend
bestanddeel vormde. Zoals het geformuleerd werd door Cornelius
Castoriadis:[15]
"het
is dezélfde beweging die, vanaf het begin van de 7de eeuw,
tegelijkertijd de politieke en maatschappelijke instellingen én de
tot dan toe onbetwiste ideeën en voorstellingen aan het
wankelen brengt,... in en door dewelke terzelfder tijd democratie en
filosofie ontstaan".
Met
de polis werd een radicaal nieuw maatschappijtype gevestigd, namelijk
--
waarin boeren en ambachtslui, d.w.z. de (vrije)
producenten, als " burgers" politiek in de
gemeenschap geïntegreerd zouden worden - zodat, voor de eerste maal
in de geschiedenis, de sociale scheiding tussen
(vrije) producenten en (geprivilegieerde) aristocratische
consumenten niet meer automatisch was doorgetrokken op het politieke
vlak;
--
waarin niet langer religieus verankerde tradities en
verwantschapsstructuren - traditionele machtsbasis van de geboorteadel
- exclusief het maatschappelijk leven organiseerden, maar wel geschreven
wetten en politiek-administratieve structuren en relaties;
-- waarin de politieke besluitvorming niet langer monologisch en van
bovenaf, maar dialogisch, door publieke discussie in de
volksvergadering, gestalte kreeg.
Welnu,
dat alles vergde niet alleen politieke strijd en vernietiging van bestaande structuren en instellingen. Even noodzakelijk was dat de
traditionele (en religieus gesanctioneerde) collectieve voorstellingen
aan kritiek onderworpen werden. De al geciteerde Castoriadis spreekt in dit
verband van " l'imaginaire social institué",
dat op het ideële vlak precies de reproductie had verzekerd
van de traditionele samenleving. En precies tot dergelijke kritiek hebben de
natuurdenkers een onmisbare bijdrage geleverd. Om de (ex-Joegoslavische) marxist Vranicki in dit verband te citeren (1969:46):
"De
oude Ionische filosofen beduidden het gesublimeerde bewustzijn van de
toenmalige revolutionaire maatschappelijke krachten, die een eind
stelden aan de oude tribale en aristocratische (orde) met haar
mythologische bewustzijn. Aan de tendens tot breuk met de traditionele
maatschappelijke privilegies gaven ze een filosofische basis door het
ondermijnen van dat mythologische bewustzijn, dat de maatschappelijke
hiërarchie fundeerde in de religieuze. Op die manier openden
ze de weg voor nieuwe ideële en historische ontwikkelingen".
Die
ideële omwenteling, nochtans, moet niet louter gesitueerd
worden op het inhoudelijke, ideologische vlak, maar ook - ik ben
geneigd te zeggen: vooral - op het " formele",
d.w.z. op het psychologische of cognitieve vlak. Het
polisregime bracht een nieuw maatschappelijk evenwicht tot stand.
Dat evenwicht situeerde zich op een hoger, meer abstract,
meer onpersoonlijk niveau dan dat van de eraan voorafgaande, 'pre-politieke'
samenleving. Het had daarom als psychologische voorwaarde de
constructie van een nieuwe bewustzijnsvorm, d.w.z. van een nieuwe
cognitieve "equilibratie" (Jean Piaget, zie ook
verder), op het vlak van de interactie tussen mens en werkelijkheid en
tussen de mensen onderling. M.i. is het óók, zo
niet vooral op dít vlak dat de
archaïsche filosofen een actieve, 'politieke' bijdrage hebben
geleverd. Daarmee vergeleken mag hun concrete ideologische (wij
zouden zeggen: partijpolitieke) opstelling in zeker opzicht als van
secundair belang worden bestempeld.
In een
dergelijke benadering wordt de historische opdracht van de filosofie
dus niet beperkt tot het leveren van (al dan niet legitimerend)
commentaar, post festum, bij de maatschappelijke
ontwikkelingen: althans in haar creatieve periodes, heeft zij die
ontwikkelingen ook geanticipeerd en/of mee helpen realiseren. Om tot slot
nogmaals Vranicki te citeren (zelfde plaats):
"De
filosofie was dus in haar creatieve periodes nooit louter een gezel van
de revolutie, maar (óók) haar ideële
anticipatie en medeschepper... De filosofie, anders gezegd, start haar
vlucht niét zoals de uil van Minerva pas in de
avondschemering van het historische gebeuren; veeleer ontdekt zij in
het ochtendgrijs het rood van de opgaande dag."
2. Een Historisch-Psychologisch Paradigma
2.1.
Het
interpretatiemodel dat ten grondslag ligt aan de hiernavolgende bespreking
van het archaïsch-Griekse natuurdenken, in de eerste plaats het Ionische, berust
op een combinatie van, enerzijds, Karl Marx'
materialistische "omkering" van de hegeliaanse geschiedenisfilosofie
en, anderzijds, de genetische epistemologie van
de 20ste eeuwse, Zwitserse bioloog, psycholoog en
filosoof Jean Piaget (1896-1980) [16]
. Om
redenen van plaats en tijdsbeperking houd ik mij in wat volgt, aan een
schematische bespreking in een 4-tal punten van de basisopvattingen van Piaget.
a.
Alle denken heeft een biologische oorsprong,
d.w.z. ontwikkelt zich uit de vitale wisselwerking tussen het menselijk
organisme en zijn omgeving. Het komt voort uit de menselijke gedragingen of
handelingen, preciezer: uit de interiorisering van handelingsschema's
tot geestelijke
'operaties'. In onderscheid met de fysiologische wisselwerking,
die berust op direct, fysisch contact (bijvoorbeeld eten, drinken, ademen, enz.), is de wisselwerking in het geval van het denken en kennen
- zoals bij gedragingen in het algemeen - functioneel van aard. De relatie tot de werkelijkheid
is hier m.a.w. in mindere of meerdere mate indirect, of bemiddeld; de ontwikkeling
ervan brengt een steeds groter wordende
'afstand', een steeds toenemende differentiatie met
zich mee tussen het 'zelf' en de wereld, tussen 'subject'
en 'object'. Zoals Hegel reeds schreef: "der Weg des Geistes
ist die Vermittlung, der Umweg" [17]
.
b.
De denk en kenprocessen van de mens zijn dus
geïntegreerd in zijn levensprocessen, maar ze zijn er tegelijkertijd ook
een uitbreiding van, in dienst van het
behoud van het evenwicht. "Leven is essentieel
autoregulatie" (Piaget, Biologie
et Connaissance, p. 48), d.w.z. veronderstelt een voortdurende re-equilibratie of herstel van het evenwicht, zodanig dat storingen die van buitenaf ondergaan of geanticipeerd worden,
door het individu op een actieve manier gecompenseerd worden. Hierbij "verschijnen
de cognitieve processen tegelijkertijd als de resultante van de organische
autoregulatie, waarvan ze de essentiële mechanismen weerspiegelen, én als
de meest gedifferentieerde organen van deze regulering in de schoot
van de interacties met de buitenwereld, zodanig dat ze, in het geval van de
mens, tenslotte deze (interacties) uitbreiden tot het ganse universum"
(o.c., p. 49).
c.
Wat
de
cognitieve ontwikkeling van de mens betreft
- ook historisch, het centrale principe is "dat van opeenvolgende
verbeteringen van de evenwichtsvormen; m.a.w. van een toenemende equilibratie" (The development of thought. Equilibration of cognitive structures, p. 178). Die verbeteringen, d.w.z. die constructies
van meer stabiele cognitieve structuren, worden telkens noodzakelijk gemaakt
door de contradicties die in de eraan voorafgaande structuren optreden.
Hoé de verbeteringen gebeuren, aldus Piaget,
"is duidelijk: de constructie ervan bestaat in de elaboratie
van operaties die zich bezig houden met de vóórgaande constructies; er zijn
relaties van relaties, regulaties van regulaties, enz. Kortom, de nieuwe
vormen houden zich bezig met de voorgaande en omsluiten ze als hun inhoud...
Het resultaat is een hiërarchie van regulaties vàn regulaties leidend (...) tot
zelfregulatie en zelforganisatie"
(ibid.,
pp. 179-180). De vooruitgang situeert zich dus duidelijk op het vlak van
de vorm, veeleer dan op dat van de inhoud [18]
.
d.
De verklaring voor de
historische ontwikkeling (sociogenese) van
deze equilibratie moet gezocht worden in een analyse van de
maatschappelijke processen (waarvan de
principes dus niét kunnen herleid worden tot die van de psychologie).
Immers, "in het sociale zowel als in het individuele leven komt het
denken voort uit het handelen, en een maatschappij is essentieel een activiteitensysteem
waarvan de elementaire interacties in de eigenlijke zin bestaan in handelingen
die elkaar wederzijds wijzigen volgens zekere wetten van organisatie of
evenwicht: handelingen van fabricatie en gebruik van technieken,
economische handelingen van productie en distributie, morele en juridische handelingen van samenwerking, dwang of onderdrukking, intellectuele handelingen
van communicatie, gemeenschappelijk onderzoek of wederzijdse kritiek, kortom
van collectieve constructie en concordantie van operaties. Het is van de analyse
van deze interacties in het gedrag zelf, interacties die het bewustzijn
van de individuen wijzigen, dat vervolgens de verklaring van de collectieve
voorstellingen vertrekt" (Piaget, "L' Explication en sociologie",
in Études Sociologiques, p. 30).
2.2. Toegepast op de Griekse filosofie, betekent het bovenstaande dat het
ontstaan en de ontwikkeling ervan, meer bepaald van het archaïsch natuurdenken,
moeten begrepen worden als een historische equilibratie
op een
hoger niveau, d.w.z. als de historische constructie van een nieuwe, meer
stabiele evenwichtsvorm. Zij was noodzakelijk geworden door het falen van de
overgeleverde evenwichtsvorm (die we, gemakshalve, als "mythisch"
zullen omschrijven) t.a.v. de problemen geschapen door de algemene crisis
van de traditionele samenleving, in de 8ste en 7de eeuw. Die nieuwe cognitieve
structuren, op het niveau van de handelingssubjecten, maakten de constructie
mogelijk van nieuwe maatschappelijke
structuren dankzij dewelke de Griekse samenlevingen hun
'stuurcapaciteit' op een nieuw niveau konden brengen: nl. het politiek
niveau van het polisregime [19]
.
De
voorliggende interpretatie, die de eerste, Ionische natuurdenkers betreft, kan
van hieruit als volgt worden samengevat:
1)
Het koningsritueel, dat elk jaareinde te Babylon werd opgevoerd en waarvan
het scheppingsepos, het Enuma Elish, a.h.w. de script vormde,
kan als een typisch voorbeeld worden beschouwd van een
mythische autoregulatie [20]
.
Doorheen dit elf dagen durende nieuwjaarsritueel - waarin de koning, na zijn
afzetting op de 5de dag, op de 8ste dag de god Marduk uitbeeldde in diens kosmogonische strijd tegen en triomf op Tiamat,
de (vrouwelijke) draak der waters - werd de kosmisch-meteorologische orde
opnieuw voor een jaar ingesteld. Het ging hier dus om de (re)constructie van
een symbolische equilibratie, waarin het kosmische niveau (de cyclus der
seizoenen) én het maatschappelijke (de koninklijke macht) samenvielen.
Uitgangspunt ervan was de dagelijkse,
dramatische
beleving
van de natuurlijke werkelijkheid als gebaseerd op de niet aflatende
strijd tussen tegengestelde krachten.
2)
De nieuwe, Ionische 'natuurtheorieën'
dienden wezenlijk dezelfde doelstelling, te weten: de symbolische
reconstructie van het evenwicht waarop het kosmische, en dus ook het menselijke
leven berustte. In vergelijking, nochtans, met de mythische constructie
kunnen de volgende verschilpunten worden aangestipt:
a) het ging niet langer om een 'enactieve' of pragmatische, maar om een volledig geïnterioriseerde,
'theoretische' constructie - los dus van elke rituele of magische
handeling; weliswaar was die ontwikkeling al voorbereid in de poëzie, bij Hesiodos
(kort na 700 vK):
cf. diens Theogonie, met de soevereiniteitsmythe waarin oppergod Zeus werd gehuldigd, was reeds
losgekoppeld van het koningsritueel (zie verder, hfst. 1);
b)
in de mythe waren de relaties tussen de
(gepersonifieerde) tegengestelde krachten nog naar concreet-menselijk
patroon geconstrueerd, door 'direct' contact: bovenal middels
seksuele en verwantschapsrelaties; daarmee vergeleken kwamen zij in het natuurdenken
voortaan op een meer bemiddelde, indirecte
wijze tot stand, nl. via de constructie van een "meta"-fysische
"derde term", of relatie, die de tegengestelden in een
zekere zin transcendeerde (zonder daarom al een zuiver conceptueel karakter
aan te nemen); dat resulteerde in een meer stabiele, zichzelf beter regulerende
evenwichtsvorm dan de mythische (met de overgang van 'arbitrair'
naar een vorm van "wetmatigheid").
3)
Bij Thales - de "archegeet"
van deze "
philosophia"
over
"de
natuur"
(phúsis), aldus Aristoteles - werd de eerste stap gezet:
water heeft nog geen echt metafysisch of filosofisch karakter, maar
lijkt het resultaat van een secularisering of ontpersoonlijking van
god Okeanos; pas Thales' "
gezel",
Anaximandros,
komt tot de constructie van een (preconceptueel) relatiebegrip: het apeiron.
Bij Herakleitos vinden we de equilibratie voorlopig voltooid: de wereld
is door hem geconstrueerd als een autonoom,
zichzelf regulerend organisme, dat bijgevolg "altijd-levend"
is. Wat de maatschappelijke processen betreft, die aan dergelijke theoretische
constructie ten grondslag lagen, behalve de politieke en de
technologische, moeten ook de economische ontwikkelingen in rekening
worden gebracht, met name de creatie van een (beperkte)
geldeconomie: Herakleitos' 'denkvorm'
laat zich in de eerste plaats verklaren als geïnterioriseerde geldvorm.
3. Zelfkritisch Nawoord .
3.1.
Het
is vreemd gesteld met de
geschiedenis , d.w.z. met de kennis en studie van het verleden, in onze 21ste-eeuwse,
westerse samenleving. Op de culturele 'markt' - d.w.z. de commerciële
productie en consumptie van cultuurwaren: boeken (fiction en nonfiction),
film, TV, internationale tentoonstellingen, toerisme, enz. - is het
verleden zonder de minste twijfel een product dat de massa's steeds weer
(en méér) op de been brengt en de kassa's steeds weer (en méér) doet rinkelen.
Dat belet nochtans niet (wel integendeel?) dat geschiedenisonderwijs en historische vorming
al enkele decennia het label mogen voeren van 'met uitsterving bedreigde
soort'. Er gaat omzeggens geen schooljaar voorbij of de historici, in
ons land, moeten nog maar eens pogen, een of andere aanslag op het vak
geschiedenis in het MO-curriculum af te weren.
De
argumenten die de (beroeps)historici daarbij hanteren, zijn voor de hand liggend
en moeten hier niet herhaald worden. Wel moet worden opgemerkt dat de bijdrage
van Het Verleden, i.c. de geschiedenis, tot de vorming van een kritisch
bewustzijn - want daar draait het in de pleidooien wezenlijk om -
geen vanzelfsprekende zaak is. Ik verwijs natuurlijk naar de hierboven al
aangestipte veralgemeende 'consumptie' van het verleden
(denken we maar aan de tien, ja honderdduizenden die al hebben aangeschoven
voor expo's als "Toetankhamon", "De Azteken",
"Sport in Hellas", enz.).
Doch ook een 'wetenschappelijke', om te zwijgen van een
schoolse, aanpak garandeert geenszins dat uit het verleden daadwerkelijk
elementen worden aangereikt, die het mogelijk maken de bestaande
maatschappelijke realiteit wat afstandelijker te benaderen of zelfs
in vraag te stellen. Méér immers nog dan gelijk welk ander domein heeft het
verleden te allen tijde de "affirmatieve",
d.w.z. systeembevestigende functie van de cultuur ondersteund;
m.a.w. heeft het cultuur helpen functioneren als ideologie [21]
.
Dat
alles geldt nog eens op een superlatieve manier voor de eeuwenlange omgang
in de westerse wereld met de Grieks-Romeinse
oudheid. Vergeten we niet dat deze in de wereldgeschiedenis vrij unieke
situatie - nl. dat opvoeding en onderwijs, althans van de
maatschappelijke élite, eeuwenlang in hoofdzaak gebaseerd waren op de
assimilatie van de taal en literatuur van een verdwenen civilisatie - te
danken was aan de maatschappelijke suprematie van de rooms-katholieke
Kerk, in haar hoedanigheid van historische erfgename van het Romeinse
keizerrijk [22]
. De
"klassieke studies" zijn dan ook altijd één van de belangrijkste
ideologische steunpilaren geweest van de bestaande orde, in de West-Europese maatschappijen [23]
. Het
feit, anderzijds, dat zij de laatste decennia steeds verder gemarginaliseerd
zijn - sedert enige tijd ook in het katholieke onderwijs in Vlaanderen -,
is te verklaren vanuit de verregaande
secularisering van die West-Europese samenleving, met inbegrip van
de christelijke instituties erin [24]
.
De
vertekening van de antieke wereld, die onvermijdelijk
gepaard ging met die ideologische instrumentalisering ervan, is mede
mogelijk gemaakt door de ideologische elementen die onmiskenbaar vervat
liggen in de bewaarde (vooral literaire) "monumenta" van de Grieks-Romeinse cultuur zelf (die uiteindelijk de cultuur was van een erg
kleine, stedelijke en mannelijke bovenlaag) [25]
. Zij
is verder niet alléén een fenomeen van het jezuïetenonderwijs':
ook in gelaïciseerde middens wordt sedert jaar en dag van meer bepaald
de Grieken een ééndimensionaal, 'olympisch' beeld opgehangen,
dat meer tot de mythografie dan tot de
geschiedenis moet worden gerekend. Algemeen mag van het "Griekenland"
dat ons ook vandaag nog in het onderwijs én de "affirmatieve
cultuur" wordt opgehangen, en dat men wat kwaadaardig heeft omschreven
als "the whitewashed, romantic, and racist image of Greece" [26],
gezegd worden dat het,
"gedeeltelijk
een moderne culturele fantasie is, hoofdzakelijk ontwikkeld, vanaf de 18de
eeuw, door Duitse geleerden zoals Winckelmann, en gedeeltelijk een fantasie
die door de oude Grieken zelf geprojecteerd is"
(id., p. 1).
Het
doorbreken van dit fantasiebeeld is niet de verdienste geweest van de klassieke
filologie - zij is, niet verwonderlijk, altijd een erg conservatieve
discipline gebleven -, maar van moderne disciplines als etnologie
(antropologie), sociologie, genderstudies, enz.
3.2.
In deze syllabus wordt een poging gedaan om een meer kritisch (zeggen we maar:
meer dialectisch) beeld te presenteren. Toch
moet erkend worden dat het gekozen interpretatiemodel (a) niet enkel, in
deze tijden van postmodernisme en algehele ineenstorting van het
'marxistisch'(?), communistisch model, erg "dépassé"
lijkt, maar (b) bovendien naar een gelijkaardige ideologische valkuil
lijkt te voeren: nl. die van het etno-
of eurocentrisme. Het gaat immers om de toepassing van psychologische
ontwikkelingsschema's op de sociogenese: voorstellingen, opvattingen
en attitudes eigen aan niet-geïndustrialiseerde, eventueel "primitieve"
culturen worden geduid met behulp van schema's en categorieën die gecreëerd
en gehanteerd worden m.b.t. de cognitieve ontwikkeling van het hedendaagse, westerse
kind. Een dergelijke aanpak lijkt onvermijdelijk met zich mee te brengen dat we
die niet-westerse culturen en hun woordvoerders ook inhoudelijk - d.w.z. wat de mogelijke
complexiteit en diepzinnigheid betreft van hun voorstellingen van de
werkelijkheid - als "kinderlijk" en onvolwassen, en dus als minderwaardig
evalueren.
Een
mogelijke repliek hierop vinden we in een algemeen werk waarin gepleit wordt
voor het introduceren in de antropologie [27]
van
Piagets
ontwikkelingspsychologie: nl. The Foundations of Primitive Thought
(1979) van C.R.Hallpike.
Het
vermelde verwijt [28]
,
aldus Hallpike (o.c., p.39), berust op de vergissing dat geen onderscheid
wordt gemaakt tussen, enerzijds, cognitieve processen - wat we, faute de
mieux, de "verticale" ontwikkeling zouden kunnen noemen, en, anderzijds, kennis en ervaring
(de "horizontale" ontwikkeling). In onze hooggeïndustrialiseerde
samenleving stopt de cognitieve ontwikkeling bij het doorsnee kind, zoals
bijvoorbeeld het overweg-kunnen met logische relaties, vóór de leeftijd
van 16 jaar - wat ons dus kan doen zeggen dat, cognitief gesproken, de
volwassene in onze samenwleving de mentaliteit van een
adolescent bezit. Kennis, daarentegen, vaardigheden en maturiteit
van het oordeelsvermogen blijven
zich ontwikkelen gedurende een onbeperkte periode, "en het
zijn déze verworvenheden die de volwassene onderscheiden van het kind en
de adolescent, in élke samenleving" (ibid.).
In primitieve samenlevingen [29]
,
evenwel, is de stimulans tot cognitieve groei, die geleverd wordt vanwege de
maatschappelijke en natuurlijke omgeving, kleiner, zodat dié groei er
vroeger tot stilstand komt; het formele denken en de meer geavanceerde "concrete
operaties" (Piaget) in het bijzonder komen er niet tot ontwikkeling.
Maar deze 'verticale' ontwikkeling mag, zoals gezegd, niet verward
worden met de 'horizontale'. Terwijl eerstgenoemde zal
verschillen naar gelang van het milieu,
"zal
de 'horizontale' ontwikkeling, i.e. het accumuleren van ervaring en wijsheid,
het denken van de volwassene altijd onderscheiden van dat van het kind, in primitieve
samenlevingen evenzeer als in de onze" (l.c.).
Wie
zegt dat wijsheid, ervaring en emotionele maturiteit niet opwegen tegen formele
bekwaamheden - zoals het vatten van logische inclusie, of het bewaren van de
kwantiteit - lijkt van een bijzonder eng, en bovendien voorbijgestreefd
mensbeeld uit te gaan. Ik citeer ter afsluiting Hallpike's conclusie in het
Engels (o.c., pp. 3940):
"One
is therefore not implying that adults in primitive society are intellectually
merely the equivalent of children in our society, but that in primitive
societies cognitive skills predominantly of the preoperatory type will be
developed to a very high degree of skill and that these will be complemented by
the accumulation of experience and wisdom throughout the lifetime of the
individual. Furthermore, collective representations are capable of a rich
and complex elaboration which is quite beyond the capacity of any
individual to create. But the rich and complex elaboration of myth, ritual,
and cosmology is possible without the attainment of the higher cognitive
funtions of concrete and formal operations, and there is no contradiction in
saying that the collective representations of a society are complex and
subtle, but nevertheless based on preoperatory modes of thought". >
3.3.
Tenslotte. In het kader van het hoger geschetste interpretatiemodel wordt in
de syllabus nogal vrijelijk 'gejongleerd' met termen als "denken"
en "bewustzijn", zonder dat de draagwijdte ervan voorafgaandelijk
op ondubbelzinnige manier is vastgelegd (als dat al mogelijk zou zijn,
natuurlijk). Om te vermijden dat het goed begrip van de uiteenzetting
nodeloos wordt bemoeilijkt, wil ik erop wijzen dat
1)
uitdrukkingen als "denken",
"bewustzijn", "zelfbewustzijn", e.d. hier in een
ruime betekenis worden gehanteerd, d.w.z. niet beperkt tot het zgn. rationele denken
- zodanig dat
kan gesproken worden van "mythisch", "archaïsch"
en "prerationeel" denken, enz.;
2) daarentegen de woordgroep "rationeel/rationaliteit"
in een strikte of technische, d.w.z. psychologische zin worden gebruikt, nl. ter verwijzing naar de
cognitieve structuren die ten grondslag liggen aan het (moderne) filosofische
en wetenschappelijke denken - i.e. wat Piaget het "formeel-operationele"
denken heeft genoemd. Deze denk- of bewustzijnsvorm laat zich van andere,
niet-rationele, of preoperationele vormen
onderscheiden door een aantal formele
kenmerken, zoals daar zijn: reflexiviteit; omkeerbaarheid; het vermogen tot logisch-formeel, i.e. hypothetisch-deductief redeneren (d.w.z. met puur verbale
hypothesen, die niet gegeven zijn in de werkelijkheid, als premissen en met
een conclusie die gevonden wordt langs formele weg); en niet in de laatste
plaats: de subject-object tegenstelling.
In
verband met dat laatste dient nog aangestipt dat in de oudheid, i.c. met Platoon
en Aristoteles als de scheppers van wat vaak het "Atheense
rationalisme" wordt genoemd, slechts in een sterk gekwalificeerde zin
van "rationaliteit" kan worden gesproken -
juist omdàt de differentiatie subject-object
in het kader van een pre-industriële samenleving in veel
meer beperkte mate werd gerealiseerd dan in
onze, moderne wereld (zie ook infra). Dat betekent, evenwel, dat de
(cognitieve) breuken die in
de syllabus worden beschreven (vooreerst tussen "mythisch" en
"archaïsch", en vervolgens tussen "archaïsch" en
"klassiek"), althans in vergelijking met de moderne rationaliteit
eveneens een eerder betrekkelijk statuut krijgen. Maar dat is natuurlijk een
kwestie van perspectief.
NAAR HOOFDSTUK 1
NOTEN:
[1].
ζῶιον
πολιτικόν, zôion
politikón; letterlijk misschien beter: "poliswezen".
Zie bv. Politica, I.2., 1253a3; voor andere
passussen en ruimere bespreking, zie H.De Ley, Phusis
& Polis. Aristoteles' Praktische Filosofie,
1996:191, en aldaar n. 56 met andere verwijzingen.
[2].
Gewoonlijk, maar niet helemaal
correct, vertaald als "stadstaat" (Latijn: civitas,
Engels: "city", Frans: "cité"):
ze berustte op een nauwe eenheid tussen stedelijk centrum en platteland
(zie hierover De Ley, 1996: zie
op deze site). Voor wie niet vertrouwd is met de antieke
geschiedenis, moge erop gewezen worden dat de 'stadstaat' in de Griekse
wereld de politieke basiseenheid vormde, althans tijdens de
archaïsche en de klassieke periode (Thessalië
bijvoorbeeld was hierop een uitzondering). Naar moderne normen vaak
belachelijk klein (alleen Athene bezat een uitgebreid territorium: Attika), maakte elke polis haar eigen wetten, bezat ze haar eigen
instellingen en rituelen, sloeg ze haar eigen munt en vocht ze oorlogen
of ging ze verdragen aan met haar buren. Het is dus bijzonder
misleidend om van 'Griekenland' ("Hellas" was de eigenlijke benaming) te spreken, voor de periode van ca 700
tot het einde van de 4de eeuw (toen de Griekse staatjes werden ingelijfd in het Macedonische rijk): wanneer we het, voor de
archaïsche en klassieke periode, hebben over "de
Grieken", beter:"de Hellenen", hebben we
het eigenlijk over tientallen soevereine staatjes, verspreid over het
continent, de Egeïsche kust en eilanden, de Zwarte Zee,
Sicilië en Zuid-Italië en andere kusten van de
Middellandse zee. Zij vormden in mindere of meerdere mate een
taalkundig en cultureel continuüm, maar ze konden
desalniettemin
opvallende verschillen manifesteren. Weliswaar werd in de 5de eeuw, na
de Perzische oorlogen, vooral vanuit het imperialistische Athene (zie
het Attische drama) een ideologische, Helleense identiteit geconstrueerd
, voornamelijk bij middel van de negatieve (racistische) beeldvorming
omtrent "de Barbaar", als de anti-Helleen. Over
die ideologie (die de uitbuiting van andere groepen, o.m. in de
slavernij, moest legitimeren), zie H.De Ley, Rationaliteit
en Racisme: het Griekse Model (1999), zie URL:
http://www.flwi.UGent.be/cie/CIE/deley13.htm
[3]. En
dús met het "man-zijn"
( ἀνήρ, anèr, meervoud andres).
De creatie van de 'politiek', in de Griekse oudheid, vanaf het einde
van de 8ste eeuw, zou de publieke, geweldloze communicatie mogelijk
maken tussen met elkaar wedijverende huishoudens (oîkoi).
Maar tegelijkertijd was politiek de hoeksteen van wat een "androcentrisch
protocol" is genoemd, d.w.z. van een gendersysteem waarin de
mannen voor zichzelf een actieve, publieke rol opeisten, maar hun
vrouwen zoveel mogelijk in een passieve, 'onzichtbare' rol (binnen het
huishouden) drongen. Zie hierover nogmaals De Ley, 1996 (hfst. 4); ook
De Ley, Eros en Polis. Het Socio-seksuele Systeem in Klassiek
Athene, 1992 (zie nu op
deze site). Over politiek, als een mannelijke "uitvinding",
bedoeld om de natuurlijke superioriteit van de vrouw te 'counteren',
zie reeds S.R.L.Clark, Aristotle's Woman, in:
History of Political Thought, 3 (1982:177-191).
[4].
E.Carlton, Ideology
and Social Order (1977:230); zie ook ibid., p.241: "...
de Atheense situatie, waar men bezig was religie te vervangen door een
geritualiseerd humanisme" [wat misschien wel wat te ver
gaat, HdL]. Zie ook G. Murray, Five Stages of Greek Religion
(1943), p. 75: "De ware religie... was een devotie aan de
Stad zelf". Voor een inleiding tot de Griekse religie, zie P.E.Easterling & J.V.Muir (edd.), Greek Religion and
Society, Cambridge 1985, met een woord vooraf van Moses I.
Finley.
[5]. De
(weliswaar onvoltooid
gebleven) Summa Theologiae van Thomas van Aquino
(gest. 1274) heeft daaraan zijn meest indrukwekkende literair-wetenschappelijke uitdrukking verleend.
[6]. D-K
68B251. Citaten i.v.m. de
archaïsche natuurdenkers en de Sofisten worden in de regel
gevolgd door een verwijzing naar de uitgave van H.Diels en W.Kranz
(vandaar de afkorting "D‑K"), Fragmente der Vorsokratiker
(1952). De letter "B" in de cijfercode duidt erop dat het om een
citaat ('fragment') gaat; een letter "A", dat het een indirecte
getuigenis ("testimonium") betreft: d.w.z. een
samenvatting, parafrase, commentaar, enz. [Zie het onderdeel
"Bronnen", in deze syllabus].
[7]. Die
ökonomische Entwicklung und die antike Polis, in:
H.G.Kippenberg (ed.), Seminar: Die Entstehung der antiken
Klassengesellschaft (Ff./M), 1977:121.
[8]. Clemens
van Alexandrië
(2de eeuw nK) weet ons te melden dat Herakleitos een Efesisch tiran,
Melankomas, zou overtuigd hebben vrijwillig afstand te doen van de
macht (D-K 22A3). Of we daaraan geloof mogen hechten, lijkt
twijfelachtig (maar zie E.Capizzi, Eraclito e la sua leggenda,
1979:47 e.v.).
[9]. Voor het
probleem van de zowel
persoonlijke als ideologische opstelling van de Griekse filosofen
t.a.v. politiek en machthebbers, zie ook de (weliswaar niet erg
diepgaande) studie van F.L.Vatai, Intellectuals in Politics
in the Greek World. From Early Times to the Hellenistic Age,
(1984). Vatai beklemtoont veeleer de aristocratische afkomst van de meeste
filosofen en de 'compensatorische' functie van hun scholen in de
context van het polisregime: "In philosophical schools, the
politically declining aristocracy found a new cohesiveness"
(p.2).
[10].
Frischer, 1982:18-19.
[11]. Met
name voor de klassieke
filosofie van Platoon en Aristoteles (bijvoorbeeld ten aanzien van de
onderdrukking en uitbuiting van de niet-Grieken) is dat onloochenbaar.
Zie De Ley, 1999.
[12]. In
zijn Magic,
Reason and Experience (1979:247-257).
[13]. Maar
is
dat wel een bezwaar? Schreef Hegel al niet, in de Vorrede van zijn Grundlinien
der Philosophie des Rechts (1820; Suhrkamp Theorie,
p. 28):" zo komt bovendien de filosofie altijd te laat. Als de
gedachte van de wereld verschijnt ze pas in de tijd nadat de
werkelijkheid haar vormingsproces voleindigd heeft en zich heeft klaar
gemaakt... De uil van Minerva begint haar vlucht pas met de invallende
deemstering".
[14]. Zo
Predrag Vranicki, Philosophie
und Revolution (1969:45). Vranicki's 'optimisme' klinkt
vandaag allicht wat dépassé; het dient gesitueerd
binnen de marxistische traditie van de Praxisgroep in het voormalige
Joegoslavië.
[15]. In
zijn bundel Les
Carrefours du Labyrinthe (1978:271).
[16] Voor
een beknopte, kritische introductie tot Piaget, precies vanuit het perspectief
van een synthese tussen Marx en Piaget, zie Werner Callebaut, Jean Piaget
en het marxisme. Een vraaggesprek met Leo Apostel, in: Toestanden,
nr. 5 (jg. 2, maart 1982), pp. 39-66. Zie bijvoorbeeld ook G.Berthoud, Genetic
Epistemology, Marxism, and Anthropology, in: S.Diamond (ed.), Toward
a Marxist Anthropology, The Hague 1979, pp. 125-139.
In een veel oudere versie van deze syllabus
(1979-80) heb ik mezelf nog gewaagd aan een bespreking van Marx's
arbeidsbegrip
vanuit Piagets dialectisch-psychologische theorie.
[17] Vorlesungen
zur Geschichte der Philosophie, p. 55.
[18] Zoals
nogmaals Hegel zei, in zijn filosofiecursus (o.c., p.40): "Es kommt
kein neuer Inhalt heraus; doch ist diese Form ein ungeheurer Unterschied.
Auf diesen Unterschied kommt der ganze Unterschied in de Weltgeschichte
an".
[19] Ik
parafraseer J.Habermas, Zur Rekonstruktion des Historischen Materialismus
(1976), p. 133.
[20] Voor
de Engelse vertaling van de bewaarde, zeven tabletten, klik hier.
Het
hoofdaandeel van de tekst voert een lofzang op Marduk;
slechts 2 tabletten behandelen de schepping. Voor een bespreking ervan zie
Thorkild Jacobsen, Enuma Elisj, in: D.van der Plas, B.Becking &
D.Mejjer (edd.), De Schepping van de wereld.
Mythische voorstellingen in het oude Nabije Oosten (1990),
pp. 57-83.
Zie ook verder in deze syllabus, hfst.
3.
[21] Ik
steun me hier op het (bivalente) cultuurbegrip van de "Frankfurter
Schule". Zie bijvoorbeeld H. Marcuse, Über den affirmativen
Charakter der Kultur, in: Zs. für Sozialforschung, 6(1937), pp. 54-94.
Voor een bespreking zie Hugo Van den Enden, Kultur und Ideologiekritik bei den
Neodialektikern Adorno und Marcuse, in het "Adornonummer"
van Philosophica Gandensia, 9 (1971), pp. 434.
[22] Zie
P.Anderson, Passages from Antiquity to Feudalism, London 1974, p.131: "One
single institution... spanned the whole transition from Antiquity to the
Middle Ages in essential continuity: the Christian Church. It was, indeed,
the main, frail aquaduct across which the cultural reservoirs of the Classical
World now passed to the new universe of feudal Europe, where literacy had
become clerical".
[23] Die
ideologische functie situeert zich reeds op het elementaire niveau van het Latijnse
grammaticaonderwijs. De veelgeroemde "vormende"
betekenis van de Latijnse grammatica was in de allereerste plaats een
kwestie van disciplinering: het
inpompen, met àlle middelen - ook lijfelijke -, van de kennis
van de "juiste" grammaticale vormen leerde de kinderen zich te
conformeren aan alle vormen van gezagsdenken. Het ging er dus niet
zozeer om dat de Latijnse grammatica de kinderen leerde te
"denken" - zoals classici het ons ook vandaag nog graag
voorhouden -, als wel dat ze hen leerde "hoé"
te denken.
[24] Zie
hierover K.Dobbelaere, Het 'Volk-Gods' de mist in? Over de Kerk in België,
1, Leuven 1988.
[25]
Reeds de Romeinse aristocraten - die als eersten de Griekse cultuur tot model
namen (het zgn. humanitasideaal) - apprecieerden in
het grammaticaonderwijs van de 14 tot 18-jarigen door de grammaticus (behalve taal ook literatuur) eerder de
normerende 'roede' dan de
intellectuele kennisoverdracht. Zie de recensie door H.D.Jocelyn van
R.A.Kaster, Guardians of Language: The Grammarian and Society in Late
Antiquity (Berkeley 1988), in: Liverpool Classical Monthly, vol. 16 nr.
10, December 1991, p. 150.
[26]
Winkler, o.c., p. 9. Tot het
ideologische karakter van het hedendaagse Griekenlandbeeld
- als
fundament van het hedendaagse Europese identiteitsbewustzijn - behoort
ook de miskenning van de onmisbare rol van (o.m.) de moslimcivilisatie in
de overerving en verdere ontwikkeling van die klassieke cultuur, en dus
in de wording van
"Europa"
(zie
De Ley, 1998).
[27] D.w.z.
de etnologie: de overname van de Engelstalige benaming hiervoor, "anthropology",
leidt wel eens tot verwarring met de wijsgerige antropologie.
[28] Dat
men vaak gehanteerd vindt door etnologen: bijvoorbeeld Claude Lévi-Strauss,
voor wie er géén cognitieve verschillen bestaan tussen primitieve en moderne
culturen, net zomin trouwens als tussen kinderen en volwassenen binnen
dezelfde cultuur.
[29] Met "primitief"
worden hier samenlevingen bedoeld die oraal zijn, betrekkelijk ongespecialiseerd, pre-industrieel, kleinschalig en gekenmerkt, in de het dagelijkse leven, door "face-à-face"
verhoudingen (Hallpike, o.c., p. vi).
|