DE IONIËRS

Het Archaïsch Natuurdenken: van Thales tot Herakleitos

door Herman De Ley

• Inhoudstafel • Antieke Filosofie • Syllabi • CIE-Index •

ALGEMENE INLEIDING 

1. Filosofie en Polis.

"De mens is naar natuur een politiek dier". Ook vandaag nog is deze uitspraak van Aristoteles alom bekend.[1] Teruggeplaatst in haar historische context, geeft ze op kernachtige wijze uitdrukking aan de dominantie en alomvattendheid, in de klassiek-Griekse samenleving, van het "politieke", of "politische". Mens-zijn - in het Grieks: ἄνθρωπος, anthropos - in al zijn positieve en actieve aspecten, viel binnen de zelfperceptie van de Helleen samen met het (volwaardige) lidmaatschap van een  πόλις (polis)[2], d.w.z. met het actief burger-zijn ( πoλίτης , polítès)[3] in een zelfstandige polisgemeenschap. Zoals Aristoteles aansluitend nog opmerkt: wie naar geaardheid "polisloos" is ( ἄπολις, wij zouden zeggen: asociaal), is geen 'mens', maar is ofwel minder dan een mens, en dus zoals een (wild) dier, ofwel méér dan een mens, d.w.z. een god. En wanneer Sokrates, na zijn terdoodveroordeling (in 399 vK), ondanks het sterk aandringen van zijn vrienden weigerde uit Athene weg te vluchten en in ballingschap te gaan in de vreemde, dan was dat, strikt genomen, géén uiting van 'zelfverloochening': zoals Platoon het hem laat verwoorden, was het in tegendeel een zaak van het tot haar uiterste consequentie doordenken van die "politieke logica". Ik verwijs naar de beroemde "Prosopopee van de Wetten", in de dialoog, Crito: de Wetten, sprekend namens de Atheense polis, argumenteren er onder meer dat een eventuele vlucht van Sokrates een onaanvaardbare daad van contractbreuk en ondankbaarheid zou zijn, én dat hij als balling hoe dan ook "geen leven" zou hebben (50E1 e.v., vertaling van X.De Win):

"Als het waar is dat wij u ter wereld brachten, en voedden, en opleidden, kunt ge er dan ten eerste iets tegen inbrengen dat gijzelf onze zoon en onze slaaf zijt, zoals ook uw vaderen het waren vóór u?... Of moet ge dààrvoor filosoof zijn, om niet te zien dat het vaderland een werkelijkheid is, eerbiedwaardiger dan vader en moeder en al uw verdere voorouders bij elkaar, eerbiedwaardiger en verhevener en heiliger en hoger in aanzien bij goden en mensen - ik bedoel: verstandige mensen... Neen, zowel op het gerechtshof als op het slagveld, als om "t even waar, eist de plicht dat men doet wat staat (polis) en vaderland bevelen... Dat gij, een oud man, die naar alle waarschijnlijkheid niet lang meer te leven heeft, het over uw hart verkregen hebt de hoogste wetten te overtreden om op zo krenterige wijze aan het leven te hangen... Ge zult leven, ja. Maar hoe?"

De dominantie van de "politiek" in de oudheid - die zich laat vergelijken met die van de religie in de middeleeuwen, en met die van de economie in de moderne tijd - gold voor alle levensuitingen, alle maatschappelijke activiteiten van de Helleen. Zij gold bijvoorbeeld voor de religieuze cultus. Als we de Griekse religie(s) vergelijken met de religies van het Nabije Oosten - Mesopotamië, en Egypte -, dan valt op dat in deze laatste de aardse, d.w.z. de menselijke, maatschappelijke werkelijkheid volledig ondergeschikt wordt gesteld aan een goddelijke bovenbouw: de mensen zijn er de slaven van de goden (ze werden precies geschapen om het lastige labeur van de goden over te nemen).

In tegenstelling tot dit soort van " kosmische" religie, was de Griekse, in al haar polytheïstische veelvormigheid, veeleer een civiele of politieke religie. In het ritueel ervan werd de celebrant niet aan zijn sociale groep ontrukt en opgenomen in een aparte priesterkaste, maar werden hij en zijn medeburgers integendeel des te beter geïntegreerd in het maatschappelijke verband. Het publieke priesterambt, vandaar, was een politiek ambt dat, in Athene, zoals omzeggens alle ambten jaarlijks bij loting aan burgers werd toegewezen. De godheid, bovendien, tot wie rituelen zich richtten, kan in haar polymorfie bestempeld worden als een verpersoonlijking van de belangen en verschijningsvormen van de polis. Zoals het geformuleerd wordt in een vergelijkende sociologische studie over Egypte en klassiek Athene (E.Carlton, 1977:230):

"Waarop het werkelijk aankwam, zo schijnt het, was de cultus van de polis. De 'echte' religie van de Atheners was misschien niet zozeer het Olympianisme als wel het Athenaïsme"[4].

De hegemonie van het politieke gold ook de andere terreinen van het menselijke handelen: economie, kunst, literatuur (zie bijvoorbeeld het Attische drama: tragedie en komedie) en... filosofie. Ook deze laatste was, naar oorsprong en geaardheid, een geesteskind van de polis, was naar wezen een "politieke filosofie". Vergelijkbaar met de rol van de theologie in de middeleeuwse, (christelijke) "religieuze" filosofie - namelijk als de wetenschap die alle andere disciplines overkoepelde en hiërarchisch onder zich subsumeerde -,[5] werd door Aristoteles, in zijn Nikomachische Ethiek (I.1, 1094a27 e.v.), de politikè (téchnè) uitgeroepen tot "de meest gezaghebbende en meest architectonische wetenschap":

"want zij is het die bepaalt welke wetenschappen in de polis beoefend dienen te worden en welke door de verschillende burgers dienen aangeleerd, en in welke mate; bovendien zien we dat de meest prestigieuze kundigheden aan haar ondergeschikt zijn, zoals de krijgskunde, de huishoudkunde en de welsprekendheid; en omdat zij het is die de beschikking heeft over de overige wetenschappen en daarenboven wettelijk stipuleert wat men te doen en te laten heeft, zal hààr doel wel dat van alle andere omvatten en dientengevolge hét menselijke goede zijn".

In het algemeen kan dat "politieke" karakter van de Griekse filosofie - alleszins tot Aristoteles - op verschillende niveaus worden geëvalueerd. In wat volgt, doen we dat vanuit vier gezichtspunten; het vierde ervan wordt, hegeliaans, als een soort van "Aufhebung" van de vorige drie gepresenteerd. Gemakshalve beperken we ons tot het ontstaan en de eerste ontwikkeling ervan, in de archaïsche periode.

 

1.1. "Persoonlijk": 

Een eerste perspectief van waaruit de relatie tussen filosofie en maatschappij kan worden bekeken, is natuurlijk dat van de persoonlijke betrokkenheid van de auteur bij het politiek-maatschappelijke gebeuren. Wat de zogenaamde Voorsokratici in dit verband betreft, bezitten we voor de meeste onder hen aanwijzingen waaruit moet blijken dat zij een positieve houding aannamen t.a.v. het polisregime, voor zover ze al niet zelf actief betrokken waren bij de vestiging, uitbouw of verdediging ervan. Dat geldt bijvoorbeeld voor figuren als Thales, Anaximandros, Parmenides, Melissos, Empedokles, Protagoras en Demokritos. Ter illustratie kan op naam van deze laatste (burger van Abdera, in Thrakië, en actief in de 2de helft van de 5de eeuw) een aforisme worden geciteerd, waarin hij zijn voorkeur uitspreekt voor de polisdemocratie (fr. D-K 68 B 251):

"Armoede in een democratie is in even grote mate superieur aan zogenaamd gelukkig-zijn bij de vorsten, als vrijheid superieur is aan slavernij" [6].

De enige belangrijke uitzondering op die regel, zo lijkt het althans, was Herakleitos van Ephesos (Efese of Efeze, begin 5de eeuw). Van "koninklijken bloede", wordt hij traditioneel afgeschilderd als een onverzoenlijke aristocraat en vijand van het volk (de dèmos), d.w.z. van de democratie. Dat is dan gebaseerd op van hem bewaarde uitspraken als:

- "Eén (man) is er mij tienduizenden waard, als hij de beste (áristos) is" (D‑K 22 B 49).

- "De Efesiërs verdienen dat alle volwassenen zich verhangen en de polis overlaten aan de knapen, zij die Hermotimos, de bekwaamste onder hen, hebben verbannen, zeggende: "Laat niemand van ons de bekwaamste zijn, en als hij het toch is, dat hij het dan elders en bij anderen weze"" (B 121).

Het feit, evenwel, dat Herakleitos in het Efesische, maatschappelijke leven de rol van "enfant terrible" speelde, hoeft nog niet te betekenen dat hij een historisch tegenstander was van het zich vestigende polisregime als zodanig - en dus een voorstander van een terugkeer naar het pre-politieke regime waarin de traditionele clanaristocratie het machtsmonopolie had. Herakleitos' tirades tegen "de massa" - zie frr. B1, 2, 17, 19, 34, 72, 79 e.a. - zijn voornamelijk filosofisch, en niét zozeer politiek geïnspireerd: ze zijn gericht tegen iedereen, laag- of hooggeboren, die geen" gehoor" gaf aan "de logos" die hij zelf verkondigde. Het ging hem niet zozeer om de dèmos, "het volk", als een politieke categorie, maar om "de anderen" in de zin van: de niet-filosofen. Herakleitos is inderdaad de eerste archaïsche denker bij wie we een vorm van filosofisch zelfbewustzijn uitgedrukt vinden. Vandaar dat ook prominente figuren als Homeros, Hesiodos, Archilochos, Puthagoras, Xenophanes e.a. er bij hem regelmatig moeten aan geloven (zie frr. B40, 42, 56, 57, 81 en 129). Dergelijke kritiek op de niet-filosofische, 'natuurlijke' zienswijze zullen we van dan af ook bij Parmenides, Empedokles, enz. aantreffen en is gewoon een aspect van de wijze waarop deze denkers de tot dan toe heersende voorstellingen in vraag stelden.

Wat nog Herakleitos betreft, trouwens, kunnen tegenover de hoger genoemde ook andere fragmenten geplaatst worden, zoals:

- "Vechten moet het volk voor de wet (nómos), op dezelfde wijze als voor de stadsmuren" (B 44); en

- "Wie met verstand wil spreken, moet zich steunen op het algemene, zoals de polis zich moet steunen op de wet..." (B 114).

De geschreven wet (nómos) of wettencodex was inderdaad het belangrijkste fundament van de polis als een nieuw, politiek regime. Zoals E. Will schrijft[7]:

"Hoezeer de sociale structuren van polis tot polis ook verschilden, evenals de tendensen die deze wetgevingen konden aannemen en de mogelijkheden van toekomstige ontwikkeling: onder een bepaald gezichtspunt kan men de geschreven wetgeving als het werkelijke en definitieve geboorte-uur van de polis begrijpen".

Met de afkondiging van geschreven politieke constituties werd de oorsprong van de wet uit de handen genomen van de goden - d.w.z. van de geboorteadel.

Om deze beschouwing over Herakleitos' politieke opstelling af te ronden: Gregory Vlastos, in zijn nu al klassiek, gezaghebbend artikel, Equality and Justice in Early Greek Cosmologies (1974:71), meent, voorzichtig, te kunnen besluiten dat deze denker wellicht een gematigde of beperkte democratie voorstond. Zelf zouden we willen pleiten voor een ideologische koppeling aan de (archaïsche) tirannie (turannís) - maar dan begrepen als een overgangsregime dat de doorvoering van de polisdemocratie historisch heeft mogelijk gemaakt.[8]

 

1.2. "Ideologisch":

Net zoals voor de religie, kan ook voor de filosofie geargumenteerd worden dat zij ontstaan en ontwikkeld is als ideologische legitimatie en ondersteuning van politieke programma's in de polis - ter aflossing dan van de mythologie die een soortgelijke functie had vervuld ten gunste van de geboorteadel. Dat is met name de visie van B.Frischer, in het inleidend hoofdstuk, "Philosophy and Society in Greece", van zijn studie over het epicureïsme, The Sculpted Word (1982).[9]

Indien we wérkelijk willen begrijpen, aldus Frischer, waarom de filosofie tot ontwikkeling kwam in de Griekse wereld, moeten we zoeken "naar de bijzondere ideologische behoeften die konden bevredigd worden door de creatie van wat later filosofie zou worden genoemd" (p. 16). Toegepast op Thales, de "archegeet" van de filosofie (aldus Aristoteles), resulteert dat in de volgende 'verklaring':[10]

"Welke reden Thales ook had om te stellen dat water de oersubstantie was waaruit alle materie en leven ontstond, zijn reden voor het ontmythologiseren van kosmogonie en kosmologie is duidelijk. In een stadstaat levend die geregeerd werd door Thrasuboulos, één van Ionië's eerste tirannen, brengt Thales een nieuwe ideologie naar voren die diens nieuwe dominerende klasse van niet-aristocratische hoplieten steunt door gedaan te maken met de aristocratische mythe van afstamming van de goden die de wereld schiepen... Of we nu wel, of niet geloof hechten aan het interessante bericht (D.L. I,27),... dat Thales zelfs samenleefde met Thrasuboulos, zijn filosofisch programma dienen we te begrijpen als politieke collaboratie, opgezet om een dwingende ideologie te verschaffen voor Thrasuboulos' tirannie".

Toch lijkt dergelijke functionalistische verklaring niet volledig bevredigend (net zo min trouwens als ze dat is voor het ontstaan van religie, staat, enz.). Niet alleen poneert zij een nogal simpele (simplistische) relatie tussen politieke praktijk en filosofische theorie, maar zoals elk functionalisme 'spant ze de wagen vóór het paard': de oorsprong van het betreffende maatschappelijke fenomeen - hier de filosofie - wordt 'verklaard' door middel van de gevolgen ervan - hier het legitimerend effect ten gunste van het nieuwe politieke regime van Thrasuboulos. Als ontstaansverklaring moet deze benadering dus afgewezen worden, maar het feit dát filosoof en filosofie, net zoals de religie, een ideologisch-legitimerende functie kunnen hebben, kan vandaag minder dan ooit betwist worden.[11]

 

1.3. Filosofisch:

De verbondenheid tussen filosoof en polis beperkt zich niet tot voornoemde, veeleer (filosofie-)externe relaties - persoonlijk en/of functioneel - tot het politieke domein: ze blijkt ook, en vooral, "intern", d.w.z. op het eigen filosofische domein, inhoudelijk zowel als formeel.

Wat het inhoudelijke aspect betreft, heeft Vlastos in zijn al vermeld artikel, Equality and Justice in Early Greek Cosmologies, aangetoond hoe de basisprincipes van het polisregime door de natuurdenkers getransponeerd zijn van het politieke naar het filosofische domein - d.w.z. gebruikt zijn voor de constructie van de natuurlijke werkelijkheid, de "phúsis", als een kosmische rechtsstaat. Een gelijkaardige relatie tussen de polisdemocratie en het ontstaan van een nieuw, filosofisch denken wordt ook gelegd door bijvoorbeeld G.E.R.Lloyd.[12] Tegenover de "noodzakelijke voorwaarden" - zoals schrift, technologische vernieuwingen, economisch surplus en contacten met de oude culturen van het Nabije Oosten - lag z.i. de "voldoende voorwaarde" voor het ontstaan van een abstract denken (voorwaarde die dus zoveel als de differentia specifica uitmaakte, in vergelijking met de oosterse culturen) in de vestiging van "participatorische bestuursvormen", d.w.z. van de polisdemocratie.

Frischer (1982:16) maakt bezwaar tegen dergelijke benadering omdat het ontstaan van de Griekse filosofie op die manier als "maatschappelijk parasitair" wordt beschouwd: de filosofische ontwikkeling teert op, komt pas nà, de politiek-maatschappelijke veranderingen.[13] Maar het is vooral vanuit historisch oogpunt dat bovenvermelde visie bedenkingen oproept. Vlastos en Lloyd beschouwen de polisdemocratie teveel als een gegeven maatschappelijk kader op het ogenblik dat de natuurdenkers hun theorieën ontwikkelden; ze hebben onvoldoende oog voor de moeizame, vaak gewelddadige, maatschappelijke ontwikkelingen waarvan een dergelijk regime eventueel het resultaat was. Van die ontwikkelingen, evenwel, vormde het natuurdenken niet louter een passieve weerspiegeling: het was ook zelf een actief element in die transformatie. Het Milete van Thales, Anaximandros en Anaximenes was weliswaar op tal van vlakken - commercieel, militair, cultureel, enz. - betrekkelijk geavanceerd, maar op het politieke vlak was er geen sprake van een gerealiseerde polisdemocratie, wel integendeel. Na de tirannie van de al vermelde Thrasuboulos verviel het in een 60 jaren durende, volgens de latere overlevering bijzonder wreedaardige burgeroorlog. Die tijdspanne viel zo goed als samen met het leven van Anaximandros...

 

1.4. "Historisch-psychologisch":

Frischer (l.c.) merkt terecht op dat een beter begrip van het ontstaans- en ontwikkelingsproces van de Griekse filosofie vereist dat we die filosofie als "maatschappelijk functioneel, niét parasitair" beschouwen en meer aandacht schenken aan de concrete, historische situatie waarin zij verschijnt. Hij begaat evenwel de vergissing, die maatschappelijke betekenis van de filosofie - en in zekere zin filosofie tout court - te herleiden tot ideologie (in de zin van politieke legitimatie). De filosoof wordt daardoor tot louter spreekbuis, belangenbehartiger of propagandist van een bepaalde politieke partij of van de politieke machthebbers, en alle filosofie wordt tot louter een instrument in dienst van de politiek. Dergelijk "totalitarisme van de politiek" (maar dan in de moderne zin van dat woord) doet zich nog dagelijks voor, ook bij ons. Voorbeelden uit het verleden (zoals het stalinisme) tonen duidelijk aan dat zo iets onvermijdelijk gepaard gaat met een degradatie van het denken tot retoriek en dus tot het einde van de filosofie.[14]

De eenzijdigheid van Frischers ideologische visie, zowel als de tekortkomingen van Vlastos' en Lloyds benadering kunnen m.i. overwonnen worden in wat ik, faute de mieux, een historisch-psychologische benadering wil noemen.

De economische, sociale, politieke, culturele én intellectuele ontwikkelingen in de archaïsch-Griekse periode moeten gezien worden als (momenten van) een totaalproces waarvan de filosofie (d.w.z. het archaïsch natuurdenken) een volwaardig, integrerend bestanddeel vormde. Zoals het geformuleerd werd door Cornelius Castoriadis:[15]

"het is dezélfde beweging die, vanaf het begin van de 7de eeuw, tegelijkertijd de politieke en maatschappelijke instellingen én de tot dan toe onbetwiste ideeën en voorstellingen aan het wankelen brengt,... in en door dewelke terzelfder tijd democratie en filosofie ontstaan".

Met de polis werd een radicaal nieuw maatschappijtype gevestigd, namelijk

-- waarin boeren en ambachtslui, d.w.z. de (vrije) producenten, als " burgers" politiek in de gemeenschap geïntegreerd zouden worden - zodat, voor de eerste maal in de geschiedenis, de sociale scheiding tussen (vrije) producenten en (geprivilegieerde) aristocratische consumenten niet meer automatisch was doorgetrokken op het politieke vlak;

-- waarin niet langer religieus verankerde tradities en verwantschapsstructuren - traditionele machtsbasis van de geboorteadel - exclusief het maatschappelijk leven organiseerden, maar wel geschreven wetten en politiek-administratieve structuren en relaties;

-- waarin de politieke besluitvorming niet langer monologisch en van bovenaf, maar dialogisch, door publieke discussie in de volksvergadering, gestalte kreeg.

Welnu, dat alles vergde niet alleen politieke strijd en vernietiging van bestaande structuren en instellingen. Even noodzakelijk was dat de traditionele (en religieus gesanctioneerde) collectieve voorstellingen aan kritiek onderworpen werden. De al geciteerde Castoriadis spreekt in dit verband van " l'imaginaire social institué", dat op het ideële vlak precies de reproductie had verzekerd van de traditionele samenleving. En precies tot dergelijke kritiek hebben de natuurdenkers een onmisbare bijdrage geleverd. Om de (ex-Joegoslavische) marxist Vranicki in dit verband te citeren (1969:46):

"De oude Ionische filosofen beduidden het gesublimeerde bewustzijn van de toenmalige revolutionaire maatschappelijke krachten, die een eind stelden aan de oude tribale en aristocratische (orde) met haar mythologische bewustzijn. Aan de tendens tot breuk met de traditionele maatschappelijke privilegies gaven ze een filosofische basis door het ondermijnen van dat mythologische bewustzijn, dat de maatschappelijke hiërarchie fundeerde in de religieuze. Op die manier openden ze de weg voor nieuwe ideële en historische ontwikkelingen".

Die ideële omwenteling, nochtans, moet niet louter gesitueerd worden op het inhoudelijke, ideologische vlak, maar ook - ik ben geneigd te zeggen: vooral - op het " formele", d.w.z. op het psychologische of cognitieve vlak. Het polisregime bracht een nieuw maatschappelijk evenwicht tot stand. Dat evenwicht situeerde zich op een hoger, meer abstract, meer onpersoonlijk niveau dan dat van de eraan voorafgaande, 'pre-politieke' samenleving. Het had daarom als psychologische voorwaarde de constructie van een nieuwe bewustzijnsvorm, d.w.z. van een nieuwe cognitieve "equilibratie" (Jean Piaget, zie ook verder), op het vlak van de interactie tussen mens en werkelijkheid en tussen de mensen onderling. M.i. is het óók, zo niet vooral op dít vlak dat de archaïsche filosofen een actieve, 'politieke' bijdrage hebben geleverd. Daarmee vergeleken mag hun concrete ideologische (wij zouden zeggen: partijpolitieke) opstelling in zeker opzicht als van secundair belang worden bestempeld.

In een dergelijke benadering wordt de historische opdracht van de filosofie dus niet beperkt tot het leveren van (al dan niet legitimerend) commentaar, post festum, bij de maatschappelijke ontwikkelingen: althans in haar creatieve periodes, heeft zij die ontwikkelingen ook geanticipeerd en/of mee helpen realiseren. Om tot slot nogmaals Vranicki te citeren (zelfde plaats):

"De filosofie was dus in haar creatieve periodes nooit louter een gezel van de revolutie, maar (óók) haar ideële anticipatie en medeschepper... De filosofie, anders gezegd, start haar vlucht niét zoals de uil van Minerva pas in de avondschemering van het historische gebeuren; veeleer ontdekt zij in het ochtendgrijs het rood van de opgaande dag."
 

2. Een Historisch-Psychologisch  Paradigma
 

2.1. Het interpretatiemodel dat ten grondslag ligt aan de hiernavolgende bespreking van het archaïsch-Griekse natuurdenken, in de eerste plaats het Ionische, berust op een combinatie van, enerzijds, Karl Marx' materialistische "omkering" van de hegeliaanse geschiedenisfilosofie en, anderzijds, de genetische epistemologie van  de 20ste eeuwse, Zwitserse bioloog, psycholoog en filosoof Jean Piaget (1896-1980) [16] . Om redenen van plaats en tijdsbeperking houd ik mij in wat volgt, aan een schematische bespreking in een 4-tal punten van de basisopvattingen van Piaget.

a.   Alle denken heeft een biologische oorsprong, d.w.z. ontwikkelt zich uit de vitale wisselwerking tussen het menselijk organisme en zijn omgeving. Het komt voort uit de menselijke gedragingen of handelingen, preciezer: uit de interiorisering van handelingsschema's tot geestelijke 'operaties'. In onderscheid met de fysiologische wisselwerking, die berust op direct, fysisch contact (bijvoorbeeld eten, drinken, ademen, enz.), is de wisselwerking in het geval van het denken en kennen - zoals bij gedragingen in het algemeen - functioneel van aard. De relatie tot de werkelijkheid is hier m.a.w. in mindere of meerdere mate indirect, of bemiddeld; de ontwikkeling ervan brengt een steeds groter wordende  'afstand', een steeds toenemende differentiatie met zich mee tussen het 'zelf' en de wereld, tussen 'subject' en 'object'. Zoals Hegel reeds schreef: "der Weg des Geistes ist die Vermittlung, der Umweg" [17] .

b.   De denk en kenprocessen van de mens zijn dus geïntegreerd in zijn levensprocessen, maar ze zijn er tegelijkertijd ook een uitbreiding van, in dienst van het behoud van het evenwicht. "Leven is essentieel autoregulatie" (Piaget, Biologie et Connaissance, p. 48), d.w.z. veronderstelt een voortdurende re-equilibratie of herstel van het evenwicht, zodanig dat storingen die van buitenaf ondergaan of geanticipeerd worden, door het individu op een actieve manier gecompenseerd worden. Hierbij "verschijnen de cognitieve processen tegelijkertijd als de resultante van de organische autoregulatie, waarvan ze de essentiële mechanismen weerspiegelen, én als de meest gedifferentieerde organen van deze regulering in de schoot van de interacties met de buitenwereld, zodanig dat ze, in het geval van de mens, tenslotte deze (interacties) uitbreiden tot het ganse universum" (o.c., p. 49).

c.   Wat de cognitieve ontwikkeling van de mens betreft - ook historisch, het centrale principe is "dat van opeenvolgende verbeteringen van de evenwichtsvormen; m.a.w. van een toenemende equilibratie" (The development of thought. Equilibration of cognitive structures, p. 178). Die verbeteringen, d.w.z. die constructies van meer stabiele cognitieve structuren, worden telkens noodzakelijk gemaakt door de contradicties die in de eraan voorafgaande structuren optreden. Hoé de verbeteringen gebeuren, aldus Piaget, "is duidelijk: de constructie ervan bestaat in de elaboratie van operaties die zich bezig houden met de vóórgaande constructies; er zijn relaties van relaties, regulaties van regulaties, enz. Kortom, de nieuwe vormen houden zich bezig met de voorgaande en omsluiten ze als hun inhoud... Het resultaat is een hiërarchie van regulaties vàn regulaties leidend (...) tot zelfregulatie en zelforganisatie" (ibid., pp. 179-180). De vooruitgang situeert zich dus duidelijk op het vlak van de  vorm, veeleer dan op dat van de inhoud [18] .

d.   De verklaring voor de historische ontwikkeling (sociogenese) van deze equilibratie moet gezocht worden in een analyse van de maatschappelijke processen (waarvan de principes dus niét kunnen herleid worden tot die van de psychologie). Immers, "in het sociale zowel als in het individuele leven komt het denken voort uit het handelen, en een maatschappij is essentieel een activiteitensysteem waarvan de elementaire interacties in de eigenlijke zin bestaan in handelingen die elkaar wederzijds wijzigen volgens zekere wetten van organisatie of evenwicht: handelingen van fabricatie en gebruik van technieken, economische handelingen van productie en distributie, morele en juridische handelingen van samenwerking, dwang of onderdrukking, intellectuele handelingen van communicatie, gemeenschappelijk onderzoek of wederzijdse kritiek, kortom van collectieve constructie en concordantie van operaties. Het is van de analyse van deze interacties in het gedrag zelf, interacties die het bewustzijn van de individuen wijzigen, dat vervolgens de verklaring van de collectieve voorstellingen vertrekt" (Piaget, "L' Explication en sociologie", in Études Sociologiques, p. 30).


2.2.
Toegepast op de Griekse filosofie, betekent het bovenstaande dat het ontstaan en de ontwikkeling ervan, meer bepaald van het archaïsch natuurdenken, moeten begrepen worden als een historische equilibratie op een hoger niveau, d.w.z. als de historische constructie van een nieuwe, meer stabiele evenwichtsvorm. Zij was noodzakelijk geworden door het falen van de overgeleverde evenwichtsvorm (die we, gemakshalve, als "mythisch" zullen omschrijven) t.a.v. de problemen geschapen door de algemene crisis van de traditionele samenleving, in de 8ste en 7de eeuw. Die nieuwe cognitieve structuren, op het niveau van de handelingssubjecten, maakten de constructie mogelijk van nieuwe maatschappelijke structuren dankzij dewelke de Griekse samenlevingen hun 'stuurcapaciteit' op een nieuw niveau konden brengen: nl. het politiek niveau van het polisregime [19] .

De voorliggende interpretatie, die de eerste, Ionische natuurdenkers betreft, kan van hieruit als volgt worden samengevat:

1)   Het koningsritueel, dat elk jaareinde te Babylon werd opgevoerd en waarvan het scheppingsepos, het Enuma Elish, a.h.w. de script vormde, kan als een typisch voorbeeld worden beschouwd van een  mythische autoregulatie [20] . Doorheen dit elf dagen durende nieuwjaarsritueel - waarin de koning, na zijn afzetting op de 5de dag, op de 8ste dag de god Marduk uitbeeldde in diens kosmogonische strijd tegen en triomf op Tiamat, de (vrouwelijke) draak der waters - werd de kosmisch-meteorologische orde opnieuw voor een jaar ingesteld. Het ging hier dus om de (re)constructie van een symbolische equilibratie, waarin het kosmische niveau (de cyclus der seizoenen) én het maatschappelijke (de koninklijke macht) samenvielen. Uitgangspunt ervan was de dagelijkse, dramatische beleving van de natuurlijke werkelijkheid als gebaseerd op de niet aflatende strijd tussen tegengestelde krachten.

2)   De nieuwe, Ionische 'natuurtheorieën' dienden wezenlijk dezelfde doelstelling, te weten: de symbolische reconstructie van het evenwicht waarop het kosmische, en dus ook het menselijke leven berustte. In vergelijking, nochtans, met de mythische constructie kunnen de volgende verschilpunten worden aangestipt:

a)   het ging niet langer om een 'enactieve' of pragmatische, maar om een volledig geïnterioriseerde, 'theoretische' constructie - los dus van elke rituele of magische handeling; weliswaar was die ontwikkeling al voorbereid in de poëzie, bij Hesiodos (kort na 700 vK): cf. diens Theogonie, met de soevereiniteitsmythe waarin oppergod Zeus werd gehuldigd, was reeds losgekoppeld van het koningsritueel (zie verder, hfst. 1);

b)   in de mythe waren de relaties tussen de (gepersonifieerde) tegengestelde krachten nog naar concreet-menselijk patroon geconstrueerd, door 'direct' contact: bovenal middels seksuele en verwantschapsrelaties; daarmee vergeleken kwamen zij in het natuurdenken voortaan op een meer bemiddelde,  indirecte wijze tot stand, nl. via de constructie van een "meta"-fysische "derde term", of relatie, die de tegengestelden in een zekere zin transcendeerde (zonder daarom al een zuiver conceptueel karakter aan te nemen); dat resulteerde in een meer stabiele, zichzelf beter regulerende evenwichtsvorm dan de mythische (met de overgang van 'arbitrair' naar een vorm van "wetmatigheid").

3)   Bij Thales - de "archegeet" van deze " philosophia" over "de natuur" (phúsis), aldus Aristoteles - werd de eerste stap gezet: water heeft nog geen echt metafysisch of filosofisch karakter, maar lijkt het resultaat van een secularisering of ontpersoonlijking van god Okeanos; pas Thales' " gezel", Anaximandros, komt tot de constructie van een (preconceptueel) relatiebegrip: het apeiron. Bij Herakleitos vinden we de equilibratie voorlopig voltooid: de wereld is door hem geconstrueerd als een autonoom, zichzelf regulerend organisme, dat bijgevolg "altijd-levend" is. Wat de maatschappelijke processen betreft, die aan dergelijke theoretische constructie ten grondslag lagen, behalve de politieke en de technologische, moeten ook de economische ontwikkelingen in rekening worden gebracht, met name de creatie van een (beperkte)  geldeconomie: Herakleitos' 'denkvorm' laat zich in de eerste plaats verklaren als geïnterioriseerde geldvorm.

 

3. Zelfkritisch  Nawoord .
 

3.1. Het is vreemd gesteld met de geschiedenis , d.w.z. met de kennis en studie van het verleden, in onze 21ste-eeuwse, westerse samenleving. Op de culturele 'markt' - d.w.z. de commerciële productie en consumptie van cultuurwaren: boeken (fiction en nonfiction), film, TV, internationale tentoonstellingen, toerisme, enz. - is het verleden zonder de minste twijfel een product dat de massa's steeds weer (en méér) op de been brengt en de kassa's steeds weer (en méér) doet rinkelen. Dat belet nochtans niet (wel integendeel?) dat geschiedenisonderwijs en historische vorming al enkele decennia het label mogen voeren van 'met uitsterving bedreigde soort'. Er gaat omzeggens geen schooljaar voorbij of de historici, in ons land, moeten nog maar eens pogen, een of andere aanslag op het vak geschiedenis in het MO-curriculum af te weren.

De argumenten die de (beroeps)historici daarbij hanteren, zijn voor de hand liggend en moeten hier niet herhaald worden. Wel moet worden opgemerkt dat de bijdrage van Het Verleden, i.c. de geschiedenis, tot de vorming van een kritisch bewustzijn - want daar draait het in de pleidooien wezenlijk om -   geen vanzelfsprekende zaak is. Ik verwijs natuurlijk naar de hierboven al aangestipte veralgemeende 'consumptie' van het verleden (denken we maar aan de tien, ja honderdduizenden die al hebben aangeschoven voor expo's als "Toetankhamon", "De Azteken", "Sport in Hellas", enz.).  Doch ook een 'wetenschappelijke', om te zwijgen van een schoolse, aanpak garandeert geenszins dat uit het verleden daadwerkelijk elementen worden aangereikt, die het mogelijk maken de bestaande maatschappelijke realiteit wat afstandelijker te benaderen of zelfs in vraag te stellen. Méér immers nog dan gelijk welk ander domein heeft het verleden te allen tijde de  "affirmatieve", d.w.z. systeembevestigende functie van de cultuur ondersteund; m.a.w. heeft het cultuur helpen functioneren als ideologie  [21] .

Dat alles geldt nog eens op een superlatieve manier voor de eeuwenlange omgang in de westerse wereld met de  Grieks-Romeinse oudheid. Vergeten we niet dat deze in de wereldgeschiedenis vrij unieke situatie - nl. dat opvoeding en onderwijs, althans van de maatschappelijke élite, eeuwenlang in hoofdzaak gebaseerd waren op de assimilatie van de taal en literatuur van een verdwenen civilisatie - te danken was aan de maatschappelijke suprematie van de rooms-katholieke Kerk, in haar hoedanigheid van historische erfgename van het Romeinse keizerrijk [22] . De "klassieke studies" zijn dan ook altijd één van de belangrijkste ideologische steunpilaren geweest van de bestaande orde, in de West-Europese maatschappijen [23] . Het feit, anderzijds, dat zij de laatste decennia steeds verder gemarginaliseerd zijn - sedert enige tijd ook in het katholieke onderwijs in Vlaanderen -, is te verklaren vanuit de verregaande  secularisering van die West-Europese samenleving, met inbegrip van de christelijke instituties erin [24] .

De vertekening van de antieke wereld, die onvermijdelijk gepaard ging met die ideologische instrumentalisering ervan, is mede mogelijk gemaakt door de ideologische elementen die onmiskenbaar vervat liggen in de bewaarde (vooral literaire) "monumenta" van de Grieks-Romeinse cultuur zelf (die uiteindelijk de cultuur was van een erg kleine, stedelijke en mannelijke bovenlaag) [25] . Zij is verder niet alléén een fenomeen van het jezuïetenonderwijs': ook in gelaïciseerde middens wordt sedert jaar en dag van meer bepaald de Grieken een ééndimensionaal, 'olympisch' beeld opgehangen, dat meer tot de  mythografie dan tot de geschiedenis moet worden gerekend. Algemeen mag van het "Griekenland" dat ons ook vandaag nog in het onderwijs én de "affirmatieve cultuur" wordt opgehangen, en dat men wat kwaadaardig heeft omschreven als "the whitewashed, romantic, and racist image of Greece" [26], gezegd worden dat het,

"gedeeltelijk een moderne culturele fantasie is, hoofdzakelijk ontwikkeld, vanaf de 18de eeuw, door Duitse geleerden zoals Winckelmann, en gedeeltelijk een fantasie die door de oude Grieken zelf geprojecteerd is" (id., p. 1).

Het doorbreken van dit fantasiebeeld is niet de verdienste geweest van de klassieke filologie - zij is, niet verwonderlijk, altijd een erg conservatieve discipline gebleven -, maar van moderne disciplines als etnologie (antropologie), sociologie, genderstudies, enz.
 

3.2. In deze syllabus wordt een poging gedaan om een meer kritisch (zeggen we maar: meer dialectisch) beeld te presenteren. Toch moet erkend worden dat het gekozen interpretatiemodel (a) niet enkel, in deze tijden van postmodernisme en algehele ineenstorting van het 'marxistisch'(?), communistisch model, erg "dépassé" lijkt, maar (b) bovendien naar een gelijkaardige ideologische valkuil lijkt te voeren: nl. die van het etno- of eurocentrisme. Het gaat immers om de toepassing van psychologische ontwikkelingsschema's op de sociogenese: voorstellingen, opvattingen en attitudes eigen aan niet-geïndustrialiseerde, eventueel "primitieve" culturen worden geduid met behulp van schema's en categorieën die gecreëerd en gehanteerd worden m.b.t. de cognitieve ontwikkeling van het hedendaagse, westerse  kind. Een dergelijke aanpak lijkt onvermijdelijk met zich mee te brengen dat we die niet-westerse culturen en hun woordvoerders ook inhoudelijk - d.w.z. wat de mogelijke complexiteit en diepzinnigheid betreft van hun voorstellingen van de werkelijkheid - als "kinderlijk" en onvolwassen, en dus als minderwaardig evalueren.

Een mogelijke repliek hierop vinden we in een algemeen werk waarin gepleit wordt voor het introduceren in de antropologie [27] van Piagets ontwikkelingspsychologie: nl. The Foundations of Primitive Thought (1979) van C.R.Hallpike.

Het vermelde verwijt [28] , aldus Hallpike (o.c., p.39), berust op de vergissing dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, cognitieve processen - wat we, faute de mieux, de "verticale" ontwikkeling zouden kunnen noemen, en, anderzijds, kennis en ervaring (de "horizontale" ontwikkeling). In onze hooggeïndustrialiseerde samenleving stopt de cognitieve ontwikkeling bij het doorsnee kind, zoals bijvoorbeeld het overweg-kunnen met logische relaties, vóór de leeftijd van 16 jaar - wat ons dus kan doen zeggen dat, cognitief gesproken, de volwassene in onze samenwleving de mentaliteit van een adolescent bezit. Kennis, daarentegen, vaardigheden en maturiteit van het oordeelsvermogen  blijven zich ontwikkelen gedurende een onbeperkte periode, "en het zijn déze verworvenheden die de volwassene onderscheiden van het kind en de adolescent, in élke samenleving" (ibid.).  In primitieve samenlevingen  [29] , evenwel, is de stimulans tot cognitieve groei, die geleverd wordt vanwege de maatschappelijke en natuurlijke omgeving, kleiner, zodat dié groei er vroeger tot stilstand komt; het formele denken en de meer geavanceerde "concrete operaties" (Piaget) in het bijzonder komen er niet tot ontwikkeling. Maar deze 'verticale' ontwikkeling mag, zoals gezegd, niet verward worden met de 'horizontale'. Terwijl eerstgenoemde zal verschillen naar gelang van het milieu,

"zal de 'horizontale' ontwikkeling, i.e. het accumuleren van ervaring en wijsheid, het denken van de volwassene altijd onderscheiden van dat van het kind, in primitieve samenlevingen evenzeer als in de onze" (l.c.).

Wie zegt dat wijsheid, ervaring en emotionele maturiteit niet opwegen tegen formele bekwaamheden - zoals het vatten van logische inclusie, of het bewaren van de kwantiteit - lijkt van een bijzonder eng, en bovendien voorbijgestreefd mensbeeld uit te gaan. Ik citeer ter afsluiting Hallpike's conclusie in het Engels (o.c., pp. 3940):

"One is therefore not implying that adults in primitive society are intellectually merely the equivalent of children in our society, but that in primitive societies cognitive skills predominantly of the preoperatory type will be developed to a very high degree of skill and that these will be complemented by the accumulation of experience and wisdom throughout the lifetime of the individual. Furthermore, collective representations are capable of a rich and complex elaboration which is quite beyond the capacity of any individual to create. But the rich and complex elaboration of myth, ritual, and cosmology is possible without the attainment of the higher cognitive funtions of concrete and formal operations, and there is no contradiction in saying that the collective representations of a society are complex and subtle, but nevertheless based on preoperatory modes of thought". >
 

3.3. Tenslotte. In het kader van het hoger geschetste interpretatiemodel wordt in de syllabus nogal vrijelijk 'gejongleerd' met termen als "denken" en "bewustzijn", zonder dat de draagwijdte ervan voorafgaandelijk op ondubbelzinnige manier is vastgelegd (als dat al mogelijk zou zijn, natuurlijk). Om te vermijden dat het goed begrip van de uiteenzetting nodeloos wordt bemoeilijkt, wil ik erop wijzen dat

1)   uitdrukkingen als "denken", "bewustzijn", "zelfbewustzijn", e.d. hier in een ruime betekenis worden gehanteerd, d.w.z. niet beperkt tot het zgn. rationele denken - zodanig dat kan gesproken worden van "mythisch", "archaïsch" en "prerationeel" denken, enz.;

2)   daarentegen de woordgroep "rationeel/rationaliteit" in een strikte of technische, d.w.z. psychologische zin worden gebruikt, nl. ter verwijzing naar de cognitieve structuren die ten grondslag liggen aan het (moderne) filosofische en wetenschappelijke denken - i.e. wat Piaget het "formeel-operationele" denken heeft genoemd. Deze denk- of bewustzijnsvorm laat zich van andere, niet-rationele, of preoperationele vormen onderscheiden door een aantal  formele kenmerken, zoals daar zijn: reflexiviteit; omkeerbaarheid; het vermogen tot logisch-formeel, i.e. hypothetisch-deductief redeneren (d.w.z. met puur verbale hypothesen, die niet gegeven zijn in de werkelijkheid, als premissen en met een conclusie die gevonden wordt langs formele weg); en niet in de laatste plaats: de subject-object tegenstelling.

In verband met dat laatste dient nog aangestipt dat in de oudheid, i.c. met Platoon en Aristoteles als de scheppers van wat vaak het "Atheense rationalisme" wordt genoemd, slechts in een sterk gekwalificeerde zin van "rationaliteit" kan worden gesproken - juist omdàt de differentiatie subject-object in het kader van een pre-industriële samenleving in veel meer beperkte mate werd gerealiseerd dan in onze, moderne wereld (zie ook infra). Dat betekent, evenwel, dat de (cognitieve) breuken die in de syllabus worden beschreven (vooreerst tussen "mythisch" en "archaïsch", en vervolgens tussen "archaïsch" en "klassiek"), althans in vergelijking met de moderne rationaliteit eveneens een eerder betrekkelijk statuut krijgen. Maar dat is natuurlijk een kwestie van perspectief.

 

NAAR HOOFDSTUK 1
 


NOTEN:

[1]. ζῶιον πολιτικόν, zôion politikón; letterlijk misschien beter: "poliswezen". Zie bv. Politica, I.2., 1253a3; voor andere passussen en ruimere bespreking, zie H.De Ley, Phusis & Polis. Aristoteles' Praktische Filosofie, 1996:191, en aldaar n. 56 met andere verwijzingen.

[2]. Gewoonlijk, maar niet helemaal correct, vertaald als "stadstaat" (Latijn: civitas, Engels: "city", Frans: "cité"): ze berustte op een nauwe eenheid tussen stedelijk centrum en platteland (zie hierover De Ley, 1996: zie op deze site). Voor wie niet vertrouwd is met de antieke geschiedenis, moge erop gewezen worden dat de 'stadstaat' in de Griekse wereld de politieke basiseenheid vormde, althans tijdens de archaïsche en de klassieke periode (Thessalië bijvoorbeeld was hierop een uitzondering). Naar moderne normen vaak belachelijk klein (alleen Athene bezat een uitgebreid territorium: Attika), maakte elke polis haar eigen wetten, bezat ze haar eigen instellingen en rituelen, sloeg ze haar eigen munt en vocht ze oorlogen of ging ze verdragen aan met haar buren. Het is dus bijzonder misleidend om van 'Griekenland' ("Hellas" was de eigenlijke benaming) te spreken, voor de periode van ca 700 tot het einde van de 4de eeuw (toen de Griekse staatjes werden ingelijfd in het Macedonische rijk): wanneer we het, voor de archaïsche en klassieke periode, hebben over "de Grieken", beter:"de Hellenen", hebben we het eigenlijk over tientallen soevereine staatjes, verspreid over het continent, de Egeïsche kust en eilanden, de Zwarte Zee, Sicilië en Zuid-Italië en andere kusten van de Middellandse zee. Zij vormden in mindere of meerdere mate een taalkundig en cultureel continuüm, maar ze konden desalniettemin opvallende verschillen manifesteren. Weliswaar werd in de 5de eeuw, na de Perzische oorlogen, vooral vanuit het imperialistische Athene (zie het Attische drama) een ideologische, Helleense identiteit geconstrueerd , voornamelijk bij middel van de negatieve (racistische) beeldvorming omtrent "de Barbaar", als de anti-Helleen. Over die ideologie (die de uitbuiting van andere groepen, o.m. in de slavernij, moest legitimeren), zie H.De Ley, Rationaliteit en Racisme: het Griekse Model (1999), zie URL: http://www.flwi.UGent.be/cie/CIE/deley13.htm

[3]. En dús met het "man-zijn" ( ἀνήρ, anèr, meervoud andres). De creatie van de 'politiek', in de Griekse oudheid, vanaf het einde van de 8ste eeuw, zou de publieke, geweldloze communicatie mogelijk maken tussen met elkaar wedijverende huishoudens (oîkoi). Maar tegelijkertijd was politiek de hoeksteen van wat een "androcentrisch protocol" is genoemd, d.w.z. van een gendersysteem waarin de mannen voor zichzelf een actieve, publieke rol opeisten, maar hun vrouwen zoveel mogelijk in een passieve, 'onzichtbare' rol (binnen het huishouden) drongen. Zie hierover nogmaals De Ley, 1996 (hfst. 4); ook De Ley, Eros en Polis. Het Socio-seksuele Systeem in Klassiek Athene, 1992 (zie nu op deze site). Over politiek, als een mannelijke "uitvinding", bedoeld om de natuurlijke superioriteit van de vrouw te 'counteren', zie reeds S.R.L.Clark, Aristotle's Woman, in: History of Political Thought, 3 (1982:177-191).

[4]. E.Carlton, Ideology and Social Order (1977:230); zie ook ibid., p.241: "... de Atheense situatie, waar men bezig was religie te vervangen door een geritualiseerd humanisme" [wat misschien wel wat te ver gaat, HdL]. Zie ook G. Murray, Five Stages of Greek Religion (1943), p. 75: "De ware religie... was een devotie aan de Stad zelf". Voor een inleiding tot de Griekse religie, zie P.E.Easterling & J.V.Muir (edd.), Greek Religion and Society, Cambridge 1985, met een woord vooraf van Moses I. Finley.  

[5]. De (weliswaar onvoltooid gebleven) Summa Theologiae van Thomas van Aquino (gest. 1274) heeft daaraan zijn meest indrukwekkende literair-wetenschappelijke uitdrukking verleend.  

[6]. D-K 68B251. Citaten i.v.m. de archaïsche natuurdenkers en de Sofisten worden in de regel gevolgd door een verwijzing naar de uitgave van H.Diels en W.Kranz (vandaar de afkorting "D‑K"), Fragmente der Vorsokratiker (1952). De letter "B" in de cijfercode duidt erop dat het om een citaat ('fragment') gaat; een letter "A", dat het een indirecte getuigenis ("testimonium") betreft: d.w.z. een samenvatting, parafrase, commentaar, enz.  [Zie het onderdeel "Bronnen", in deze syllabus].

[7]. Die ökonomische Entwicklung und die antike Polis, in: H.G.Kippenberg (ed.), Seminar: Die Entstehung der antiken Klassengesellschaft (Ff./M), 1977:121.  

[8]. Clemens van Alexandrië (2de eeuw nK) weet ons te melden dat Herakleitos een Efesisch tiran, Melankomas, zou overtuigd hebben vrijwillig afstand te doen van de macht (D-K 22A3). Of we daaraan geloof mogen hechten, lijkt twijfelachtig (maar zie E.Capizzi, Eraclito e la sua leggenda, 1979:47 e.v.).  

[9]. Voor het probleem van de zowel persoonlijke als ideologische opstelling van de Griekse filosofen t.a.v. politiek en machthebbers, zie ook de (weliswaar niet erg diepgaande) studie van F.L.Vatai, Intellectuals in Politics in the Greek World. From Early Times to the Hellenistic Age, (1984). Vatai beklemtoont veeleer de aristocratische afkomst van de meeste filosofen en de 'compensatorische' functie van hun scholen in de context van het polisregime: "In philosophical schools, the politically declining aristocracy found a new cohesiveness" (p.2).  

[10]. Frischer, 1982:18-19.  

[11]. Met name voor de klassieke filosofie van Platoon en Aristoteles (bijvoorbeeld ten aanzien van de onderdrukking en uitbuiting van de niet-Grieken) is dat onloochenbaar. Zie De Ley, 1999.  

[12]. In zijn Magic, Reason and Experience (1979:247-257).  

[13]. Maar is dat wel een bezwaar? Schreef Hegel al niet, in de Vorrede van zijn Grundlinien der Philosophie des Rechts (1820; Suhrkamp Theorie, p. 28):" zo komt bovendien de filosofie altijd te laat. Als de gedachte van de wereld verschijnt ze pas in de tijd nadat de werkelijkheid haar vormingsproces voleindigd heeft en zich heeft klaar gemaakt... De uil van Minerva begint haar vlucht pas met de invallende deemstering".

[14]. Zo Predrag Vranicki, Philosophie und Revolution (1969:45).  Vranicki's 'optimisme' klinkt vandaag allicht wat dépassé; het dient gesitueerd binnen de marxistische traditie van de Praxisgroep in het voormalige Joegoslavië.

[15]. In zijn bundel Les Carrefours du Labyrinthe (1978:271).

[16] Voor een beknopte, kritische introductie tot Piaget, precies vanuit het perspectief van een synthese tussen Marx en Piaget, zie Werner Callebaut, Jean Piaget en het marxisme. Een vraaggesprek met Leo Apostel, in: Toestanden, nr. 5 (jg. 2, maart 1982), pp. 39-66. Zie bijvoorbeeld ook G.Berthoud, Genetic Epistemology, Marxism, and Anthropology, in: S.Diamond (ed.), Toward a Marxist Anthropology, The Hague 1979, pp. 125-139.   In een veel oudere versie van deze syllabus (1979-80) heb ik mezelf nog gewaagd aan een bespreking van Marx's arbeidsbegrip vanuit Piagets dialectisch-psychologische theorie.

[17] Vorlesungen zur Geschichte der Philosophie, p. 55.

[18] Zoals nogmaals Hegel zei, in zijn filosofiecursus (o.c., p.40): "Es kommt kein neuer Inhalt heraus; doch ist diese Form ein ungeheurer Unterschied. Auf diesen Unterschied kommt der ganze Unterschied in de Weltgeschichte an".

[19] Ik parafraseer J.Habermas, Zur Rekonstruktion des Historischen Materialismus (1976), p. 133.

[20] Voor de Engelse vertaling van de bewaarde, zeven tabletten, klik hier. Het hoofdaandeel van de tekst voert een lofzang op Marduk; slechts 2 tabletten behandelen de schepping. Voor een bespreking ervan zie Thorkild Jacobsen, Enuma Elisj, in: D.van der Plas, B.Becking & D.Mejjer (edd.), De Schepping van de wereld. Mythische voorstellingen in het oude Nabije Oosten (1990), pp.  57-83.   Zie ook verder in deze syllabus, hfst. 3.

[21] Ik steun me hier op het (bivalente) cultuurbegrip van de "Frankfurter Schule". Zie bijvoorbeeld H. Marcuse, Über den affirmativen Charakter der Kultur, in: Zs. für Sozialforschung, 6(1937), pp. 54-94. Voor een bespreking zie Hugo Van den Enden, Kultur und Ideologiekritik bei den Neodialektikern Adorno und Marcuse, in het "Adornonummer" van Philosophica Gandensia, 9 (1971), pp. 434.

[22] Zie P.Anderson, Passages from Antiquity to Feudalism, London 1974, p.131: "One single institution... spanned the whole transition from Antiquity to the Middle Ages in essential continuity: the Christian Church. It was, indeed, the main, frail aquaduct across which the cultural reservoirs of the Classical World now passed to the new universe of feudal Europe, where literacy had become clerical".

[23] Die ideologische functie situeert zich reeds op het elementaire niveau van het Latijnse grammaticaonderwijs. De veelgeroemde "vormende" betekenis van de Latijnse grammatica was in de allereerste plaats een kwestie van disciplinering: het inpompen, met àlle middelen - ook lijfelijke -, van de kennis van de "juiste" grammaticale vormen leerde de kinderen zich te conformeren aan alle vormen van gezagsdenken. Het ging er dus niet zozeer om dat de Latijnse grammatica de kinderen leerde te "denken" - zoals classici het ons ook vandaag nog graag voorhouden -, als wel dat ze hen leerde  "hoé"  te denken.

[24] Zie hierover K.Dobbelaere, Het 'Volk-Gods' de mist in? Over de Kerk in België, 1, Leuven 1988.

[25] Reeds de Romeinse aristocraten - die als eersten de Griekse cultuur tot model namen  (het zgn. humanitasideaal) - apprecieerden in het grammaticaonderwijs van de 14 tot 18-jarigen door de grammaticus (behalve taal ook literatuur) eerder de normerende 'roede' dan de intellectuele kennisoverdracht. Zie de recensie door H.D.Jocelyn van R.A.Kaster, Guardians of Language: The Grammarian and Society in Late Antiquity (Berkeley 1988), in: Liverpool Classical Monthly, vol. 16 nr. 10, December 1991, p. 150.

[26] Winkler, o.c., p. 9. Tot het ideologische karakter van het hedendaagse Griekenlandbeeld - als fundament van het hedendaagse Europese identiteitsbewustzijn - behoort ook de miskenning van de onmisbare rol van (o.m.) de moslimcivilisatie in de overerving en verdere ontwikkeling van die klassieke cultuur, en dus in de wording van "Europa" (zie De Ley, 1998).

[27] D.w.z. de etnologie: de overname van de Engelstalige benaming hiervoor, "anthropology", leidt wel eens tot verwarring met de wijsgerige antropologie.

[28] Dat men vaak gehanteerd vindt door etnologen: bijvoorbeeld Claude Lévi-Strauss, voor wie er géén cognitieve verschillen bestaan tussen primitieve en moderne culturen, net zomin trouwens als tussen kinderen en volwassenen binnen dezelfde cultuur.

[29] Met "primitief" worden hier samenlevingen bedoeld die oraal zijn, betrekkelijk ongespecialiseerd, pre-industrieel, kleinschalig en gekenmerkt, in de het dagelijkse leven, door "face-à-face" verhoudingen (Hallpike, o.c., p. vi).

 

• Inhoudstafel • Antieke Filosofie • Syllabi • CIE-Index • Update: 31 augustus 2010