|
1. Strijd.
Herakleitos is de eerste Griekse denker in wiens bewaarde fragmenten de principiële superioriteit geproclameerd wordt van het nieuwe,
'filosofische' denken[1] op het niet-filosofische.
Van dat filosofische zelfbewustzijn wordt in de eerste plaats getuigenis afgelegd door
het, binnen de archaïsche context geprononceerde, gebruik van het persoonlijk
voornaamwoord, "ik/mij"[2], cf.
fr. 1: "... woorden en werken zoals ik er uiteenzet...",
fr. 49: "mij is één er tienduizenden waard...",
fr. 50: "niet mij maar de logos aanhoord
hebbend,...",
fr. 55: "waarvan er zicht, gehoor, lering is, daaraan geef ik
de voorkeur",
en natuurlijk het even beknopte als krachtige fr. 101:
"Mijzelf bevroeg ik (sc. en niet de anderen)"[3].
De vaststelling, dat Herakleitos tegelijkertijd "onder de Presokratici de
denker is, die het grootste aantal namen vernoemt", is daarmee niet in tegenspraak, integendeel: ze bevéstigt ons juist dat hij in het bezit was van
"een sterk geprononceerde, zelfbewuste individualiteit"[4]. Zoals Joël opmerkt:
"in spot en aanklacht scherpt zich het kritische bewustzijn, verheft zich
het zelfgevoel - dat hebben de natuurfilosofen ontvangen van de lyrici"[5].
We zullen deze virulente polemische ingesteldheid inderdaad ook aantreffen bij een Parmenides, een Empedokles, een Anaxagoras, een Demokritos; net zoals we ze ook vroeger
al, in de lyriek, aantreffen bij dichters als Archilochos[6], Semonides van Amorgos (tijdgenoot van de vorige; cf. zijn
"Vrouwenspiegel"), Alkaios van Lesbos (land- en tijdgenoot van
Sappho), Hipponax van Ephese[7], e.a. Herakleitos echter was wellicht
"der wildeste dieser
heissen Polemiker"[8].
De relatief grootste groep van thematisch samenhangende fragmenten bij Herakleitos
wordt, niet toevallig, precies gevormd door de fragmenten waarin hij zich afzet tegen
"de anderen", de 'niet-filosofen': d.w.z. zowel tegen de naamloze
"velen" (hoi
polloí), als tegen een ganse schare van prominenten die door die massa als haar autoriteiten worden beschouwd, of waarin Herakleitos de woordvoerders ziet van de massa, zoals
Homeros, Hesiodos, Archilochos, Puthagoras, Xenophanes, enz. Het gaat om frr. 1, 2, 5,
14, 15, 17, 19, 20, 27, 28a, 28b, 29, 34, 40, 42, 51, 56, 57, 70, 71, 72, 73, 74, 78, (79), 81,
(83), (87), (97), (101), (102), 104, 106, 107, 108, 121, 125a, 129[9].
Die stroom van verwijten, zo beklemtoont Held terecht[10], mag niet getrivialisieerd worden tot een uiting van Herakleitos'
'slecht karakter', zijn "melancholía" (D.L.), of zijn aristocratische afkomst. Evenmin staan we voor een filosofisch
"secundair" fenomeen, als zou
Herakleitos éérst zijn 'filosofie' ontwikkeld hebben, om ze pas vervolgens te confronteren
met de communis opinio. Het was integendeel
middels deze kritische zelfdifferentiatie
t.o.v. de "dwazen" (fr. 79), anders gezegd: middels de constructie van deze
"verhouding" tussen het (eigen) filosofische en het niet-filosofische bewustzijn, dat Herakleitos'
filosofie zich geconstitueerd heeft. Zoals Held schrijft (l.c.):
"de kritische zelfdifferentiatie van het door Herakleitos vertegenwoordigde denken van
de denk- en gedragswijze van de velen... (is) de dragende en leidende filosofische inval
van Herakleitos (...), de grondgedachte van Herakleitos, van waaruit zich al zijn verdere
gedachten laten ontvouwen... (Zij vormt) in nuce reeds de 'inhoud' van het door
Herakleitos vertegenwoordigde denken".
Herakleitos' kritische stellingname, tenslotte, tegen zijn voorgangers en het door hen vertegenwoordigde
'gevestigde denken', kan niet enkel gewaardeerd worden als het geboorte-uur van de
'filosofie' maar vormt tegelijkertijd ook een (verre) aanzet tot een (filosofische)
'geschiedenis' van de filosofie[11].
Concluderend, wat Herakleitos' 'polemische' ingesteldheid betreft, kunnen we dus (nog
maar eens) vaststellen dat zijn controversiële uitspraak in fr. 53 - over de
"oorlog", of
"strijd", die "vader is van alles, koning van alles" - ook zelfverwijzend kan/moet begrepen
worden: "strijd" was óók "vader" van zijn filosofisch denken.
2. Logos.
In de hoofdstukken van deze syllabus is uitvoerig (en, naar ik hoop, ook overtuigend) geargumenteerd dat de historische betekenis van het Ionische natuurdenken moet gesitueerd
worden op het vlak van de creatie van een "relatiebegrip". In die optiek kan dat Ionische
denken in zijn totaliteit gekarakteriseerd worden àls een 'relatie-" of
"verhoudingsdenken". De tegengestelde verschijningswijzen van de leefwereld werden niet
langer, zoals in het eraan voorafgaande denken, hetzij onmiddellijk, hetzij symbolisch (cf.
de mythe) met elkaar vereenzelvigd, maar ze werden theoretisch, d.w.z. op een bemiddelde wijze met elkaar verbonden:
namelijk langs de 'omweg' van een 'derde term' of 'relatiebegrip' dat zich, als zodanig, situeerde op een ander betekenisniveau dan de erdoor verbonden elementen[12].
Dat betekent dat de tegengestelden - en dus ook mens en wereld - voor de eerste maal
ín een (gedachte) "verhouding" tot elkaar kwamen te staan. Het op een meer wetmatige manier
'gewaarborgd'-zijn van de eenheid van de wereld zowel als een grotere
vrijheid van de mens t.a.v. de hic et nunc ervaren leefwereld waren er het onmiddellijke
gevolg van.
Ook bij Herakleitos constateerden we de constructie van een dergelijke 'derde term',
namelijk in de dubbelrol van het vuur. In zijn geval, echter, ging het om méér dan om het louter
construeren van een 'relatiebegrip', dus van een verhouding. Hoger (hfst. 5, § 2.2.2) hebben we er al op gewezen dat het Herakleitos niet louter te doen was om de tegengestelde,
elementaire 'aspecten'. Ook, zelfs vooral, de tegengestelde relatievormen tússen
die aspectuele tegengestelden werden door hem in een - hogere - eenheid gevat. Zodoende
construeerde hij een "metarelatie", d.w.z. een verhouding vàn de verhouding. We krijgen hier bijgevolg een historische toepassing van de wijze waarop volgens Piaget in het menselijke denken
"opeenvolgende verbeteringen van de evenwichtsvormen"
tot stand komen, namelijk
"(door) de elaboratie van operaties die zich bezighouden met de vóórgaande constructies; er zijn relaties van relaties, regulaties van regulaties, enz...
Het resultaat is een hiërarchie van regulaties ván regulaties, leidend (...) tot
zelfregulatie en zelforganisatie"[13].
Maar er is méér. Een denken van de 'metarelatie', d.w.z. van de verhouding-van-de-verhouding, impliceert noodzakelijk ook (een mate van)
"zelfreflexiviteit"[14]. Het Ionische relatie- of 'verhoudingsdenken', m.a.w., is met Herakleitos
zich van zichzelf bewust geworden áls 'verhoudingsdenken".
Het meest opvallende 'teken' daarvan is natuurlijk dat de 'hoofdrol' in Herakleitos'
optreden niet langer gespeeld wordt door de archè maar door de logos zélf. Zoals we hoger
gezien hebben (hfst. 6, § 2.2.3), moet onder "logos" tegelijkertijd verstaan worden: de
"uiteenzetting", of "rekenschap-aflegging van de samenhang/verhouding", én de
"voltrékking van de verhouding". Zoals Verdenius opmerkt:
"wie zich in zijn spreken over de wereld inzichtsvol verhoudt, zet niet alleen de wereldordening in zijn woorden uiteen, maar komt met deze wereldordening in levendig contact, omdat zijn met inzicht (ξὺν
νόωι) verbonden uiteenzetting tegelijkertijd een stuk
ξυνόν is, een stuk reële wereldordening. De objectieve wereld en Herakleitos' gedachtenwereld
zijn twee aspecten van één en dezelfde zaak"[15].
Het is vanuit de innige verwevenheid van de inhoud van dit denken -
namelijk het construeren van een zichzelf-regulerende kosmos b.m.v. een metarelatie - met de vorm ervan,
d.w.z. vanuit zijn zelfreflexiviteit, dat het gewicht moet begrepen worden dat Herakleitos
geeft aan de polemiek met 'de anderen': het was maar doorhéén
deze kritische zelfdifferentiatie t.o.v. de naïeve, aspectuele
wereldbeleving dat hij de 'reflexiviteit' realiseerde,
die de grondslag vormt van zijn filosofie. Zoals Held schrijft:
"de opstelling van deze verhouding (sc. tussen filosofisch en niet-filosofisch denken)...
is identiek aan het ontstaan van de filosofie, zoals Herakleitos ze verstaat... (H)et filosofisch denken bij Herakleitos
begrijpt zichzelf, overeenkomstig, als de opstelling en ontplooiing van deze
verhouding"[16].
In het licht daarvan wordt aan de niet-filosofische levenswijze - die net zo goed slechts definieerbaar is binnen die confrontatie - verweten dat zij zich niét in een (reflexieve) verhouding tot zichzelf heeft geplaatst. Anders gezegd, hoewel de
λόγος een 'feitelijk' gegeven is -
"alles is één" (fr. 50) - en hij "gemeenzaam" is, zodat ook de niet-filosofen er dagelijks op
"stoten"[17], is het alleen de "wijsheidsvriend"
(philósophos
anèr, fr. 35) die deze verhouding voltrekt àls verhouding.
Het sleutelwoord "logos" brengt bijgevolg goed de verwevenheid tot uitdrukking tussen
het inhoudelijke, 'objectieve', en het formele, 'subjectieve' aspect van het heraklitische
denken. Zoals Held m.i. terecht concludeert[18], heeft logos, als heraklitische term, een
tweevoudige, onderling complementaire betekenis:
1) die van voltrekking van de verhouding onder de verschijningswijzen en verhoudingen (als een palíntonos harmoníè);
2) die van voltrekking van de verhouding tussen het filosofische denken, dat die eerste
verhouding àls verhouding voltrekt, en het niet-filosofische denken, dat het slachtoffer blijft van de elkaar aflossende, tegenstrijdige verschijningswijzen.
3. Vuur.
De woorden 'zelfbewustzijn', 'reflexiviteit', e.d., werden in dit kapittel systematisch tussen aanhalingstekens geplaatst. Het zal de lezer(es), hoop ik, duidelijk zijn geworden
waarom.
Het archaïsche zelfbewustzijn van Herakleitos is niet enkel een "pre-transcendentaal"
(d.w.z. pre-kantiaans), maar ook een pre-platonisch zelfbewustzijn. Niet alleen worden de
denkinhouden (de verschijningswijzen) niet àls denkinhouden (d.w.z. als ervaringswijzen)
maar als 'objectieve', kosmische fenomenen gerealiseerd, maar bovendien worden de
menselijke kennis ervan, de menselijke verhouding tot deze fenomenen én het menselijke
bewustzijn als zodanig geconstrueerd als een extra-psychische werkelijkheid: de menselijke psuchè is kosmisch vuur en de menselijke logos is de
"ene, gemeenschappelijke
kosmos". Zoals Snell het formuleert:
"We stellen vast dat (Herakleitos') taal nog geheel en al de gedifferentieerde begrippen
ontbeert voor de psychische dingen. Herakleitos gaat bij zijn denken uit van de toestanden van het eigen Ik, maar dit Ik is niet eigenlijk voorwerp van zijn reflectie, doch
wordt naar buiten geprojecteerd, en staat dan tegenover hem als iets vreemds, als de
verhouding tussen dingen in de buitenwereld. Hieraan wordt ons bijzonder duidelijk
dat datgene dat wij zijn gewaarwording noemen, bij hem niet iets louter
subjectiefs is, zoals wij bij dat woord zouden kunnen denken. De belevingen waarover
hij spreekt, zijn voor zijn bewustzijn van buitenaf op hem toegekomen, en zo is dan
voor hem het denken over belevingen bijna gans zuiver een denken over de buitenwereld. Zo plaatst hij naast elkaar, fr. 67: 'God is dag nacht, winter zomer, oorlog vrede,
verzadiging honger'. Zoals er buiten nacht is, waarin men kan rondwandelen, en die
je omhult; zoals het zomer is, of vrede heerst, zodat men in vrede kan leven, zo is ook
honger iets dat iemand kan kwellen, waaronder men lijdt - iets dat van buitenaf op
de mens toekomt. In plaats van spanningen van de beleving moet men dus bij
Herakleitos juister - heraklitischer - spreken van spanningen van de kosmos"[19].
Een laatste probleem dat, hierbij aansluitend, tenslotte nog even moet opgeworpen
worden, is dat van de relatie tussen "vuur" en "logos". Het is evident dat er
een zeer nauwe connectie bestaat tussen beide. Helaas wordt die connectie nergens door
Herakleitos geëxpliciteerd[20]. Mag de logos zonder meer vereenzelvigd worden met het
vuur, zoals verscheidene moderne auteurs menen[21]?
In het licht van wat voorafgaat, zal het niemand verwonderen, hoop ik, dat ik me
eerder wens aan te sluiten bij het standpunt van Marcovich[22], namelijk dat een dergelijke
vereenzelviging "niet waarschijnlijk lijkt". Nochtans niét omdat er géén systematische
relatie zou zijn, zoals Marcovich veronderstelt, tussen heraklitische 'Logosleer' en
'Vuurleer', maar veeleer omdat er nu eenmaal een onderscheid bestaat tussen de
"voltrekking van de verhouding" en het "materiële" metron dat deze (voltrekking van de) verhouding
"draagt" - net zoals in de marktruil de ruiltransactie als handeling niet kan
vereenzelvigd worden met het goud, dat die ruil draagt en mogelijk maakt. Of, zoals
Verdenius, het formuleert: "de Logos is een ordening, niét het
principe ervan"[23]. Alleen,
zoals hoger al opgemerkt[24], de heraklitische notie van
'kosmos' omvat wel degelijk béide
momenten: d.w.z. zowél de ene, eeuwigdurende "tegenwoordigheid", d.w.z. vuur²,
àls de
"(schone) regeling" tussen de tegengestelden verschijningswijzen, d.w.z. de logos.
***************************
NAAR LITERATUURLIJST
NOTEN:
1. Maar dat 'denken' impliceert "spreken én
handelen" (fr. 112).
2. In het Grieks wordt de grammatikale persoon normaliter aangeduid door de werkwoordvorm (uitgang) alleen.
3. want, zo mogen we allicht aanvullen: "niemand van al degenen
wier logoi ik aanhoord heb, is ertoe gekomen te erkennen..." (fr. 108).
4. Marcovich, RE-Suppl., k. 250.
5. Joël, Der Ursprung..., p. 51.
6. Archilochos' iambische schimppoëzie (psogos) werd legendarisch: hij zou, na een
'blauwtje'
te hebben gelopen bij de vader van zijn geliefde Neoboulè, vader én dochter(s) met zijn bijtende spotverzen zo tot wanhoop hebben gedreven, dat ze zich verhingen. Er dient nochtans te
worden opgemerkt dat spotverzen en scheldpartijen een oeroude, min of meer
geïnstitutionaliseerde geplogenheid waren/zijn, niet enkel in de Griekse maar in tal van
andere culturen (cf. 'Karnaval'). Ze hadden/hebben 'apotropaïsche' bedoelingen (afweren van
de boze geesten), vergelijk bv. met onze eigenste, Aalsterse "Voile Jeanetten".
7. Was een oudere land- en tijdgenoot van Herakleitos. Hij is wel eens
"een overdrijving van Archilochos" genoemd (ook hij zou met zijn smaadverzen mensen tot zelfmoord hebben
gebracht). Zie de syllabus Epos en Lyriek, p. 216v.
8. Joël, o.c., p. 48.
9. De tussen haakjes geplaatste nummers bevatten, zoals nog andere (cf. Held, o.c., p. 129),
een impliciete kritiek.
10. Held, o.c., pp. 130-131.
11. Vgl. Verhoeven (1993), p. 42: "Op het moment
dat de filosofie begint als een kritische reflectie op het voorafgaande en als
het ware al gevestigde denken, ontstaat niet alleen een aanzet tot systematiek,
maar tegelijk ook en in dezelfde aandrift tot een geschiedenis van de filosofie". Iets hoger, op dezelfde pagina, schrijft hij:
"Als (Herakleitos) meer op hun werk was
ingegaan, zouden de fragmenten de oudste geschiedenis van de filosofie bevatten en in dit
opzicht te vergelijken zijn met Socrates' intellectuele autobiografie in Plato's Phaedo...".
12. Lévy-Bruhl, die, zoals bekend, het primitieve denken typeerde b.m.v. de zgn.
"participatiewet", onderscheidde in zijn L'Expérience mystique et les symboles chez les primitifs (1938)
drie fazen in de menselijke evolutie. Zoals samengevat door Cazeneuve, o.c., p. 32:
"vooreerst de zuivere consubstantialiteit, vervolgens de participatie door symbool, en,
tenslotte, de representatie d.m.v. een symbool, die van dezelfde orde is als de
conceptualisatie. Deze derde etappe komt overeen met de moderne mentaliteit,
terwijl de eerste twee tot de primitieve mentaliteit behoren".
13. Zie citaat, hoger, Algemene Inleiding, § 2.1., iii.
14. Vgl. nogmaals Piaget, die de reflexiviteit van het formele denken typeert als een constructie van
"operaties ván operaties".
15. Verdenius, Logosbegriff, p. 92 (met allusie op fr. 114). Dat, zoals ook Held, o.c., p. 181, het
wil, logos inderdaad verwijst naar de act, sc. van de voltrekking van de verhouding, laat
zich terugvoeren op het feit "dat in de basisbetekenis van 'telling'
primair een activiteit aanduidt. Dit activiteitsaspect blijft ook in de
gespecialiseerde betekenissen domineren" (ibid., p. 83).
16. Held, o.c., p. 131. Voor Held kadert deze benadering natuurlijk in zijn algemene, fenomenologische visie op de filosofie als
"Verhältnisdenken" (cf. de kritiek van de late Husserl op
de wetenschappelijke rede, en zijn oproep om opnieuw de 'verhouding' te denken tussen het
filosofische en het niet-filosofische of 'natuurlijke' bewustzijn). Held ziet deze visie bevestigd
in het ontstaan van de filosofie bij Herakleitos: "Die älteste Idee von Philosophie liegt in
nichts anderem als in dem Anspruch, eine der Denkart des ausserphilosophischen Lebens
slechthin überlegene Denkart, ein durch eine demgegenüber neue Art von Verbindlichkeit
ausgezeichnetes Wissen erlangen zu können" (p. 122).
17. Cf. frr. 1, 2, 17, 34, 72.
18. Held, o.c., p. 182.
19. Snell, Die Sprache Heraklits, p. 361.
20. Mogelijk, zoals Emlyn-Jones, Heraclitus, p. 113, suggereert, als een restant van
'paratactisch' (of nevenschikkend) denken, waarvan we ook nog sporen aantreffen bij Parmenides
- cf. de (afwezigheid van) relatie tussen Altheia en Doxa - en Empedokles.
21. Bv. Kirk, Cosmic Fragments, p. 70.
22. Marcovich, Ed. maior, p. 117.
23. Verdenius, Der Logosbegriff..., p. 91 n. 36.
24. Supra, hfst. 7, § 3.2. (citaat van Held, o.c., p. 412). |