1. In de inleiding van zijn "Vorlesungen über die Geschichte der Philosophie"
(VGPh) plaatst Hegel twee benaderingswijzen van de geschiedenis van de filosofie
tegenover elkaar:
(a) de eerste, die hij afwijst, is die van de traditionele handboeken. De geschiedenis
van de filosofie wordt erin beschouwd als een voorraadkamer, of magazijn, van de
filosofische "meningen" (doxai in het Grieks, vandaar: "doxografie") die in de loop
van de tijd geformuleerd werden. Het komt er de historiograaf op aan die opinies
zo goed en exhaustief mogelijk, in hun min of meer chronologisch orde, te registreren en na te vertellen. Wezenlijk, echter, aan
"meningen" - zo merkt Hegel op -, is
dat ze persoonlijk, dat wil zeggen: subjectief en toevallig zijn. Iedereen heeft zijn
of haar mening, de ene is al niet beter dan de andere. Vandaar de terechte vraag
bij het publiek naar zin en nut van een studie van de geschiedenis van de filosofie,
en zelfs naar het nut van de filosofie in het algemeen: alle filosofen, immers,
spreken elkaar tegen! Zulke doxografische behandeling, aldus Hegel, bevredigt
hoogstens je nieuwsgierigheid; ze produceert enkel "Gelehrsamkeit', d.w.z. eruditie of veelweterij - en, zoals Herakleitos het al wist:
"veelweterij leert geen inzicht aan" (fr. 40).
(b) Aan die doxografische aanpak opponeert Hegel daarom de "filosofische". Zij is
gebaseerd is op het gezichtspunt dat
"de geschiedenis van de filosofie géén verzameling is van toevallige
meningen, maar (dat ze) een noodzakelijke samenhang vormt, van in haar eerste
aanvang tot aan haar rijke ontplooiing"[1].
Voor Hegel zijn er geen "filosofische meningen". Het is filosofie immers niet te
doen om subjectieve voorstellingen zonder objectieve grond, maar integendeel om
de 'waarheid':
"de filosofie is objectieve wetenschap van de waarheid, wetenschap van haar
noodzakelijkheid, begrijpend kennen [begreifendes Erkennen], géén menen en géén
uitspinnen van meningen"[2].
Dat geldt uitdrukkelijk ook voor de filosofieën uit het verleden. Hegel poneert hier
dat
"elke filosofie noodzakelijk geweest is, en het nóg is; geen
enkele is dus ten onder gegaan, maar alle zijn, als momenten van een geheel,
affirmatief in de filosofie bewaard"[3].
Dat houdt tevens in dat de jongste, meest recente filosofie telkens "zelf
een spiegel van de gehele filosofie moet zijn"[4]. De studie van de geschiedenis van de filosofie is
het niet te doen om het louter 'weten', maar om het "verstehen', het inzichtelijk
begrijpen[5]. De mogelijkheid daartoe is gegeven wegens het feit dat het geheel van
de geschiedenis van de filosofie "een in zich noodzakelijke, consequente voortgang
(vormt), (die) in zich intelligibel [vernünftig] is"[6].
Deze visie van Hegel op de geschiedenis van de filosofie schakelt zich uiteraard
in in zijn filosofie van de geschiedenis. Ook in de inleiding van zijn Vorlesungen
über die Philosophie der Geschichte pleit hij voor een 'filosofische' benadering van
de geschiedenis. Hij roept er zijn studenten op, naar zijn colleges over de "Weltgeschichte" te komen
"met het geloof in de Rede [Vernunft], met het verlangen, de dorst naar de
kennis [Erkenntnis] ervan; en het is in elk geval het verlangen naar rationeel
inzicht [vernünftiger Einsicht], naar kennis, niet louter naar een verzameling
van weetjes [Kenntnissen], dat als subjectieve behoefte moet worden vooropgesteld bij de studie van de wetenschappen. Als men
namelijk de gedachte, de kennis
van de Rede, niet al meebrengt naar de Wereldgeschiedenis, dan zou men toch
ten minste het vaste, onoverwinnelijke geloof moeten hebben dat er in (die
wereldgeschiedenis) rede is, en ook het geloof dat de wereld van de intelligentie
en van het zelfbewust-willen niet is prijsgegeven aan het toeval, maar zich
moet tonen in het licht van de zich wetende idee"[7].
De 'waarheid', daarom, d.w.z. de noodzakelijkheid - en, dus, inzichtelijkheid - van
de geschiedenis van de filosofie moet in de hegeliaanse visie niet gezocht worden
op het doctrinale of doxografische, d.w.z. strikt inhoudelijke vlak. Nemen we bv.
Thales' uitspraak dat alles is voortgekomen 'uit water'.
Strikt inhoudelijk was zij in Thales' tijd net zoveel, of net zo weinig,
'waar' als nu;
en 'noodzakelijk' was ze al evenmin: want hoe hadden Anaximandros en Anaximenes dan een
ànder beginsel kunnen kiezen? Bovenal: inhoudelijk bekeken,
bevatte zij niets nieuws: de rol van 'oorsprong' speelde het water, zoals bekend,
reeds in omzeggens alle mythische kosmogonieën van het Nabije Oosten. De Sumerische Nammu, de Babylonische Tiamat, de Egyptische Nun,
en ook Homeros' Okeanos: het zijn allemaal verpersoonlijkingen van de oerzee, of het oerwater, waaruit
de wereld der goden en der mensen is voortgekomen. Met de nieuwe ontwikkeling
die bij Thales van start ging, was dus geen nieuwe inhoud gemoeid, wél
een nieuwe vorm. Zoals Hegel schrijft i.v.m. de overgang van
"an sich vernünftig"
naar "für sich vernünftig" - dus naar een vorm van reflectief bewustzijn[8]:
"er komt geen nieuwe inhoud te voorschijn; toch is deze vorm een enorm onderscheid. Op dit onderscheid komt het gehele onderscheid in de wereldgeschiedenis aan. De mensen zijn allen rationeel; het formele van deze rationaliteit is dat
de mens vrij is; dat is zijn natuur... Het enige onderscheid tussen de Afrikaanse
en Aziatische volkeren (enerzijds) en de Grieken, Romeinen en de moderne tijd
(anderzijds) is enkel dat deze (laatsten) wéten - dat het 'für sie' is - dat ze vrij
zijn'.
Ook de 'noodzakelijkheid' en de 'waarheid' van de filosofie - precies van de filosofie - heeft betrekking op dit vormaspect ("precies
van de filosofie" omdat zij 'bewustzijn over het denken zelf en over
zijn... vormen is;... zij slechts bewustzijn van deze vorm zelf is, het denken
van het denken"[9]).
In de filosofie is het "om de vorm te doen, (nl.) dat deze inhoud in de
vorm van de gedachte is uiteengezet"[10]. Met "vorm", m.a.w., wordt hier denkvorm, bewustzijnsvorm bedoeld. Zo onderscheidt het filosofische (conceptuele) denken zich
"formeel" van het religieuze denken. Zoals nogmaals Hegel het formuleert[11]:
"de filosofie verhoudt zich tot haar objecten in de vorm van het denkend bewustzijn; [de religie daarentegen, in de vorm] van de onmiddellijke aanschouwing
van de zintuiglijke voorstelling, of van een voorstelling die afkomstig is van,
nader bepaald wordt door de natuurlijke, fysische of geestelijke verschijnselen
en verhoudingen'.
2. Mij lijkt deze hegeliaanse benadering van de geschiedenis van de filosofie ook
vandaag nog bruikbaar - maar dan moeten we wel Hegels idealisme, zoals Karl Marx het al wou,
'ondersteboven' keren. Zoals Marx schreef, in zijn Woord Vooraf
bij de tweede druk van Het Kapitaal I (1873)[12]:
"De mystificatie, waaronder de dialectiek bij Hegel te lijden heeft, neemt geenszins weg dat hij de eerste was die volledig en bewust haar algemene bewegingsvormen uiteenzette. Zij staat bij hem op de kop. Men moet haar ondersteboven
keren om in het mystieke hulsel de rationele kern te vinden'.
Anders gezegd: Hegels 'historisch-idealistische' interpretatie moet worden 'omgekeerd'
tot een 'historisch-materialistische' [13]. Tegelijkertijd,
nochtans, moet deze laatste gecombineerd worden met een 'historisch-psychologische' benadering.
Een studie, immers, van de geschiedenis van de filosofie, meer in het bijzonder
van de eerste, Griekse, filosofie, die de klemtoon legt, niet op het inhoudelijk-doctrinale, maar op
"de vorm", ziet dergelijk filosofisch denken in termen van de constructie van nieuwe denk-
of bewustzijnsvormen - en dùs van psychologische structuren. Dergelijke
constructie vindt haar 'noodzakelijkheid' - en dus haar begrip - vanuit een
particuliere historisch en geografisch omschreven, maatschappelijke context:
namelijk tussen de 7de en 4de eeuw v.o.t., in de
oostelijk-mediterrane wereld, in de Helleense of Griekse cultuursfeer, met het
Ionische Milete als vertrekpunt.
Om dit nog verder te preciseren: het gegeven dat de filosofische rationaliteit
en het zelfbewustzijn dat er de voorwaarde voor vormde, hun ontstaan vonden in
de Griekse Egeïs, was niét 'noodzakelijk' in de zin van voorbeschikt of zelfs
onvermijdelijk; het was wél 'noodzakelijk' in de zin dat dit niet had kunnen
gebeuren in dezélfde regio tijdens bijvoorbeeld de 9de eeuw, of tijdens dezélfde
periode in bijvoorbeeld Babylon.
Voor een historisch-psychologische benadering van geboorte en ontwikkeling
van de Griekse filosofie biedt de zgn.
"genetische epistemologie" van filosoof-psycholoog Jean Piaget m.i. zeer waardevolle perspectieven: de genetische constructie,
inderdaad, van nieuwe denkvormen in het
kader van de individuele psychogenese kan, aldus Piaget, heuristisch gehanteerd
worden als een soort van recapitulatie van historische constructies, in het kader
van de sociogenese[14].
De 'combinatie' Hegel-Marx-Piaget, voor de constructie van een interpretatiemodel, ligt des te meer voor de hand omdat ook Piaget zich uitdrukkelijk binnen
de dialectische traditie situeert. Tegenover Kants a priori
constructivisme verdedigt hij het zgn. "dialectisch constructivisme"[15] en met zijn medewerkers heeft
hij in zijn empirisch onderzoek aangetoond dat dialectische processen kunnen
waargenomen worden op alle niveaus van het denken (evenals van het handelen).
Zoals Marx, nochtans, heeft ook Piaget de dialectiek in haar koerante betekenis
willen "demystifiëren". In de inleiding van Les formes élémentaires de la dialectique[16] wijst hij in dat verband denkers (als Hegel) terecht
"voor wie elke vorm van denken op slag dialectisch is en constant dialectisch
blijft, alsof er, tùssen de fazen van dialectische constructie, geen evenwichtsfazen zouden bestaan tijdens dewelke de eenvoudige discursieve logica volstaat
om de noodzakelijke gevolgtrekkingen bloot te leggen, inzake bevestigingen en
ontkenningen, die ze van te voren bevatten".
In de ontwikkeling van het denken, m.a.w., is er een voortdurende afwisseling
tussen "dialectische" fazen - tijdens dewelke nieuwe vormen van equilibratie, en
dus van bewustzijn, geconstrueerd worden - en "discursieve" fazen, die zich
'beperken' tot het analytisch-discursief deduceren of afleiden van de effecten die in elk
nieuw evenwichtssysteem al besloten liggen[17].
Toegepast op de geschiedenis van de filosofie, meer in het bijzonder die van de
oudheid, helpt dit onderscheid tussen eigenlijk 'dialectische' en 'discursieve' fazen
ons een soort van ritmiek of golfbeweging erkennen tussen verschillende filosofen
of periodes. Prototypisch is uiteraard het 'koppel' Platoon-Aristoteles: de eerste de
'poëtische' schepper, in een literaire (cf. de Dialogen) én institutionele (cf. de
Akademie) dialectiek, van het antieke rationalisme; de tweede degene die,
analytisch-aporetisch-discursief, aan dat rationalisme én zijn logica én zijn
filosofisch-wetenschappelijk 'systeem' heeft geschonken[18]. Als grote
'dialectische'
denkers - dus als scheppers van, telkens, een nieuwsoortige 'equilibratie', of zelfbewustzijn, in antwoord op een
concrete, historisch-maatschappelijke context -
dringen zich voor de oudheid in haar geheel de volgende figuren op, in omgekeerde
chronologische volgorde: de Latijnse kerkvader Augustinus, de stichter van het
zgn. neoplatonisme: Plotinos, Platoon en... Herakleitos.
3. De syllabus "De Ioniërs" is gewijd aan wat
"het archaïsch natuurdenken"
wordt genoemd. Er wordt geargumenteerd dat dit archaïsch denken niet,
zoals traditioneel het geval is sedert Aristoteles, als louter "voor-sokratisch" mag gewaardeerd
worden - d.w.z. als een aanloop tot het Atheense rationalisme, maar dat we het
moeten appreciëren in zijn specificiteit,
d.w.z. als - piagetiaans - een zelfstandige
equilibratie. In dat verband zou ik, als laatste punt van deze inleiding, even de actualiteit in het licht willen stellen, die dit
"archaïsch" denken de laatste jaren
heeft gekregen, althans in het kader van de hedendaagse milieufilosofie. Ik baseer
me daarbij op de bekende Nederlandse cultuurfilosoof, Ton Lemaire, meer in het
bijzonder op zijn tekst "Naar een antropokosmologie"[19].
Wat het moderne denken, als zijnde een "rationeel" denken, bovenal kenmerkt -
sedert Descartes "Cogito', a.h.w. -, is de extreme scheiding tussen 'subject' en
'object', in combinatie met de mechanisering van het wereldbeeld (ontteleologisering), en dus onttovering van de natuur[20]. Daartegenover ligt de
'specificiteit' van
het Griekse archaïsche denken precies in het (nog) "niet-rationele' karakter ervan:
er is m.a.w. nog geen sprake van een radicale differentiatie, of tegenstelling,
tussen een 'eigen', onlichamelijk "zelf" en een lichamelijke, of fysische buitenwereld.
Dat kan goed worden geïllustreerd b.m.v. het zgn. "hylozoïstische" karakter van
de Griekse natuurtheorieën: met (het moderne neologisme)[21]
"hylozoïsme" wil
gezegd zijn dat deze natuurdenkers de natuurlijke werkelijkheid construeerden als
een zichzelf-regulerend, levend organisme. De verschillende, zgn. materiële archaí
die door hen werden ingevoerd - 'water', 'apeiron', 'lucht', 'vuur'... -, fungeren niét
als een anticipatie van Aristoteles' (passieve) 'causa materialis". Ze vormen - analoog aan het bloed en sperma, of aan de psuchè in mens en dier - integendeel de (onuitputtelijke) actieve levenskracht
van die levende, kosmische
werkelijkheid, zeg maar: van dat "groeisel' (phusis). Het hylozoïsme - om Verdenius te citeren[22] - geeft uitdrukking aan een begrip van de wereld
"waarin géén scherp onderscheid is getrokken tussen de mens en zijn natuurlijke omgeving. De vroege Grieken stelden zich de natuur niét voor als een object
dat zich louter aan onze ogen vertoont, maar als iets waartoe wij met geheel
ons wezen behoren. Het is maar natuurlijk om te denken dat een wereld waarvan wij een levend deel vormen, tot dezelfde soort behoort als wij'.
Deze theorieën mogen bijgevolg niet, anachronistisch, (mis)begrepen worden als een
vorm van fysica of kosmologie, maar dienen eerder gewaardeerd te worden als een
soort van "antropokosmologie". Dat is althans de term die Ton Lemaire hanteert,
weliswaar in navolging van de Franse filosoof Georges Gusdorf[23].
Dat brengt ons bij de 'actualiteit' van dit archaïsche denken. In zijn bijdrage,
inderdaad, Naar een antropokosmologie, pleit Lemaire, in het kader van een
mogelijke oplossing van de hedendaagse milieucrisis, voor een "recuperatie" van
het "archaïsche" mens- en wereldbeeld; d.w.z. van een denken
"waarin de mens zich nog niet... op zijn eigen subjectiviteit heeft teruggetrokken en bijgevolg de wereld buiten hem nog ervaart in haar volle, overweldigende en numineuze
betekenis"[24].
Weliswaar moet, eerlijkheidshalve, worden opgemerkt dat Lemaire, wanneer hij
een beroep doet op een zgn. "archaïsche ontologie', ten einde tot een matiging te
komen van het hedendaagse, "extreme humanisme en antropocentrisme', zelf niét
verwijst naar het archaïsch-Griekse natuurdenken[25].
Aansluitend bij het werk van H.Fortmann, wijst Lemaire op de dimensie van de
waarneming, als een belangrijke invalshoek: de moderne verarmde, verzakelijkte
waarneming van de natuur is het resultaat van de wil tot beheersing van de
aarde; zij verklaart waarom de mens "een vreemdeling is geworden in een
onverschillig universum"[26]. Een recuperatie, daartegenover, van het archaïsche denken
- dat, verdrongen, in ons bewustzijn is blijven voortbestaan - moet aan onze waarneming van de wereld iets terugschenken van de rijkdom die ze bezat vóór de
constructie van de moderne subject-object dichotomie. Ik citeer zijn "vijfde
voorwaarde" voor een
radicale wending, "zowel in onze productiewijze als in onze
denkwijze' - waaruit dan weer een oplossing van het milieuprobleem moet resulteren[27]:
"Deze wending naar de dingen toe die een ontvankelijkheid voor de overweldigende betekenis van de wereld mogelijk maakt, brengt een transformatie teweeg in het subject. Het subject kon in de moderne tijd alleen vol van zichzelf
worden doordat de wereld der dingen steeds leger werd en de waarneming
verarmde. Maar wanneer het subject ervan afziet om de dingen te willen beheersen en manipuleren en zich dankbaar en aandachtig voor hen openstelt,
schept het de voorwaarden voor het zich tonen van de wereld in heel haar onuitputtelijke rijkdom. Een houding van aandachtig waarnemen en ontvankelijk
denken convergeert met de poëtische instelling. De dichter is, evenals de wijsgeer die zich terugbuigt naar het permanente begin, iemand die als het ware de
geboorte van de zin van de wereld voortdurend herhaalt. En beide op hun beurt
vallen min of meer samen met een authentiek ecologische gezindheid'.
Lemaires uitdrukking "poëtische instelling" verwijst naar een vorm
van 'pre-rationele' waarneming, d.w.z. een waarneming die niet louter cognitief, afstandelijk van aard is, maar ook affectief en gevoelsgeladen. Welnu, de fragmenten van
de archaïsch-Griekse Herakleitos moeten in de eerste plaats gelezen worden als de
expressie van een dergelijke "poëtische instelling". De denker die erin aan het
woord komt, stónd niet in een louter cognitieve of theoretische relatie tot de wereld, maar was er nog met zijn gehele wezen in geïntegreerd. Dat is bijzonder
frappant in het bekende, zgn. 'rivierfragment', dat ons in een aantal
versies is overgeleverd. Zo zegt fr. 12: "op degenen die in dezelfde rivieren afdalen, stromen voortdurend andere waters toe", maar je moet het fragment eigenlijk in het Grieks
'horen', nl. "potamoîsin toîsin
autoîsin embaínousin hétera kai hétera hudata epirreî' (hoewel
autosuggestie hier
natuurlijk nooit ver weg is).
Naar aanleiding van dit fragment is door Bruno Snell opgemerkt dat uit de bewoordingen ervan
"duidelijk wordt dat de dingen aan Herakleitos niet eigenlijk als objecten van
kennis gegeven zijn; dat hij er überhaupt niet tegenover staat; dat hij geen
objecten [Gegenstände] waarneemt.... De klank alleen al van deze woorden (frr.
12 en 49a) verraadt, hoe ze teruggaan op een eigen, gans intensieve ervaring,
hoe het gevoelen zich erin verdicht heeft van de voortdurend nieuwe watermassa's die de huid van de bader strelen. Niet een koele waarnemer heeft deze
beweging gezien, maar het gehele lichaam heeft ze ervaren. [We mogen derhalve stellen] dat de verandering van de buitenwereld door Herakleitos
niet 'gekend', maar veeleer 'beleefd' wordt"[28].
Lemaires oproep tot "recuperatie van het archaïsch wereldbeeld/denken" veronderstelt dat wij, modernen, die opgegroeid en gevormd zijn in een uitdrukkelijk
rationeel bewustzijn, via een soort van fenomenologische 'afdaling' in onze pre-rationele bewustzijnslagen, ons open zouden stellen voor, en vat zouden krijgen op
de pre-rationele werkelijkheidservaring. Willen we nochtans niet in een willekeurige, subjectieve
'mystiek' terecht komen, dan hebben we daartoe een of andere mediatie of bemiddeling nodig. Welnu, de teksten en theorieën van de archaïsch-Griekse natuurdenkers biéden ons een dergelijke mediatie aan:
namelijk in zoverre zij
precies die pre-rationele werkelijkheidservaring - in de syllabus neem ik Husserl's
notie van "Lebenswelt" over - gethematiseerd hebben. Ondanks de tekortkomingen
ervan[29], biedt dat archaïsch-Griekse natuurdenken ons een unieke toegang tot het
archaïsche mens- en wereldbeeld in het algemeen. Het kan, vandaar, een bijdrage
leveren tot de door Lemaires gewenste overwinning van het moderne, rationele
antropocentrisme[30].
____________________________________
NAAR DE ALGEMENE INLEIDING
NOTEN:
1. Cf. VGPh, p. 15. Ik citeer uit de "Theorie Werkausgabe" van Suhrkamp (1975), Bd 18.
2. Cf. VGPh, p. 30.
3. Cf. VGPh, p. 56.
4. Cf. VGPh, p. 61.
5. Cf. VGPh, p. 17.
6. Cf. VGPh, p. 55.
7. Cf. VPhG, pp. 21-22 (Theorie Werkausgabe, Bd. 12).
8. Cf. VGPh, p. 40.
9. Cf. VPhG, pp. 92-93.
10. Cf. VGPh, p. 104.
11. Cf. VGPh, p. 83 en 89.
12. Ik citeer uit de vertaling van I.Lipschits (Bussum 1972), p. xxiii.
13. Maar de uitdrukking "historisch materialisme" stamt natuurlijk van Friedrich Engels.
14. Voor een korte introductie tot de genetische epistemologie, zie J.Piaget,
L'épistémologie génétique (Que sais-Je?, nr. 1399, Paris 1972).
15. Cf. Sagesse et Illusions de la Philosophie (Paris 1965), p. 82.
16. In de "Collection Idées", Paris 1980, p. 9.
17. O.c., p. 10: "d' où une alternance continuelle, mais
à durées variables, entre ces deux
phases de construction dialectique et d'exploitation discursive'.
18. Voor een 'piagetiaanse' interpretatie van Platoon, cf. mijn artikels
Plato: de dialogerende en de autoritaire rede I, in: De Moralist, nr. 118 (nov. 1979), pp. 175-187 (deel II in
nr. 119); en Why Plato had to write dialogues. An Outline of a Piagetian Interpretation of
the Platonic Intellectual Revolution, in: Didactica Classica Gandensia, 19 (1979), pp. 77-96.
19. Opgenomen in de bundel: Rimpels in het Water. Milieufilosofie tussen vraag en antwoord (Festschrift ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Prof. Dr. Etienne Vermeersch),
Leuven-Amersfoort 1994, pp. 83-106.
20. Lemaire, o.c., p. 88.
21. Creatie van R.Cudworth (1678).
22. Verdenius, Hylozoïsme, p. 26.
23. In: Le savoir romantique de la nature, Paris 1985. Lemaire citeert ook Dilthey's
"poëtisch pantheïsme' , o.c., p. 93.
24. O.c., p. 92.
25. Integendeel, in een erg schematische genealogie van het moderne rationalisme, vermeldt hij, als de twee componenten ervan, behalve de joods-christelijke traditie, ook de
"Grieks-Romeinse', cf. pp. 88-89: "wat de Griekse inbreng betreft: de Grieken hebben een
bijdrage geleverd tot onze moderne natuurverhouding door een beslissende stap te zetten
in de overgang van mythe naar rede. Daardoor hebben ze - op zijn minst potentieel - zowel
de ontgoddelijking van de natuur voorbereid als ook ons antropocentrisme'. Dat Grieks
denken, dat een periode van ongeveer 1200 jaar heeft overspannen, wordt door Lemaire
wat al te gemakkelijk tot één frase herleid (in werkelijkheid zou de Griekse
filosofie pas door haar 'instrumentalisering' binnen de christelijke - vooral Latijns-christelijke -
wereldbeschouwing tot een desacralisering voeren van de natuur: cf. de strijd tegen het
zgn. "paganisme").
26. Ibid., p. 85.
27. Ibid., pp. 102-103.
28. Die Sprache Heraklits, p. 356.
29. Cf. wat in de syllabus, infra, de "schijn van
een kosmologisch objectivisme" wordt genoemd.
30. Ik zou hem onrecht aandoen, mocht ik hier
afsluitend niet vermelden dat Jaap Kruithof reeds veel eerder de strijd is aangegaan tegen
dat antropocentrisme: cf. zijn De Mens aan de Grens, Antwerpen 1985,
waarin hij pleit voor een 'nieuwe religiositeit', bovenal (maar niet
uitsluitend) gebaseerd op een 'waardenrevolutie in de verhouding tussen mens en natuur'.
|