|
3.3.
“Waarom zouden we een vrucht die we
van Allah krijgen, niet accepteren?”
3.3.1.
Anticonceptie
Anticonceptie is vrij goed gekend bij de informanten. De meest
gerapporteerde voorbehoedsmiddelen zijn ‘de pil’ en het condoom. Iedereen
staat positief ten opzichte van anticonceptiegebruik na het huwelijk. Dit
vooral met het doel het eerste kind uit te stellen en de gezinsvorming te
plannen.
Het nemen
van voorbehoedsmiddelen voor het huwelijk lijkt nog een moeilijke zaak en
wordt stiekem toegepast. De redenen voor anticonceptiegebruik voor het
huwelijk zijn divers zoals remedie tegen lichamelijke klachten en in mindere
mate voorkomen van ongewenste zwangerschap.
Op het
praten over anticonceptiva rust nog een zeker taboe. Het bestaan van
misvattingen omtrent anticonceptiegebruik is dan ook reëel.
De vrouwennetwerken lijken
ook bij onze informanten een grote rol te spelen. Het blijkt dat vrouwen
veel waarde hechten aan de verhalen van andere (gekende) vrouwen, omdat zij
ook islamitisch zijn en hun verhalen gebaseerd zijn op ‘ervaring’. De
informatie die zij geven, wordt soms eerder geloofd dan de informatie van de
voorlichters zelf. Ook uit andere onderzoeken blijkt dat de
vrouwennetwerken (=moeder, tantes, vriendinnen,…) vaak een grote rol spelen
in het creëren van misverstanden en het instandhouden van angsten en
onzekerheden (Mouthaan & de Neef, 1992, 62).
3.3.2.
Abortus
Volgens de wet is abortus
binnen de islam tot op zekere hoogte toegestaan indien het leven van de
vrouw in gevaar komt. De scheidingslijn die bepaalt of abortus toelaatbaar
is of niet is ‘de bezieling’ of ‘Allah’s geest’. Volgens sommige geleerden
ligt de grens op het einde van de 4e maand, anderen beperken de
periode tot 40 of 50 dagen. Dit is afhankelijk van de religieuze visie op
de geboortebeperking. In bekende hadiths komt dit voor: “De schepping
van ieder van jullie vindt plaats in de buik van de moeder, dit gedurende 40
dagen in de vorm van een levenskiem, daarna is hij even lang een klonter,
daarna is hij even lang een klompje vlees; vervolgens wordt er een engel
naar hem toegezonden die hem de levensadem (rûh) inblaast…” Dit betekent
dat vanaf de periode dat de vrouw bevrucht is, men 120 dagen telt, en dan
pas is er het tijdstip waarop de ziel wordt ingeblazen door Allah.
Deze voorwaarden zijn door
een aantal meisjes gekend. Naast de redenen die bij wet vastgelegd zijn
geven de meisjes en jonge vrouwen nog tal van andere situaties waarin ze
vinden dat abortus mag toegepast worden. Abortus mag in geval van
verkrachting, in geval van gebrek aan toekomstperspectief, een slechte
relatie, sociale en psychologische onrijpheid, in geval van vrees voor een
kind met handicap en in geval van voorhuwelijkse zwangerschap bij
islamitische meisjes. Opvallend is dat de informanten meer begrip vertonen
bij abortus van een ongehuwd islamitisch meisje dan in een situatie van
niet-islamitische leeftijdgenoten. Hierin speelt het maagdelijkheidsideaal
van een islamitisch meisje nog een grote rol. Tenslotte zijn er ook
informanten die abortus onder geen omstandigheid toegestaan achten en het
veroordelen als moord. Zij zouden eerder opteren om het kind te baren en
het dan af te staan door adoptie.
3.3.3. Adoptie
Uit het onderzoek blijkt
dat er geen consensus bestaat over het al dan niet toestaan van adoptie in
de islam. Het is dus dit is niet geheel onlogisch dat er onder de
informanten verdeeldheid heerst aangezien de wet op adoptie binnen de islam
zeer complex is. Volgens de islamitische wet is adoptie in de zin van
volledige toe-eigening van een kind door een echtpaar, anders dan de
biologische ouders, ten gevolge waarvan het kind alle sociaal-economische en
juridische rechten en plichten van een eigen kind verwerft, niet
toegestaan. Een zodanige adoptie zou in strijd zijn met de grondbeginselen
van het islamitische familierecht, namelijk met het beginsel van
bloedverwantschap en daaruit afgeleide regels zoals sociale regels, erfrecht
en huwelijksbeletselen (Shadid & van Koningsveld, 1997, 128).
Het geadopteerde kind
heeft dus niet dezelfde wettelijke rechten en plichten binnen het pleeggezin
als de biologische kinderen. Wanneer iemand geen “eigen” kinderen heeft,
mag hij zijn pleegkind(eren) alle rechten geven en één derde van zijn
erfenis afstaan. Het betreft hier meestal weeskinderen en vondelingen die
worden opgevoed en onderhouden binnen de familiekring. Vanaf hun puberteit
wordt van de mannelijke pleegkinderen verondersteld afstand te bewaren van
de vrouwelijke familieleden. Dit omdat het islamitisch familierecht ervan
uitgaat dat het adoptiekind niet rechtstreeks een bloedverwant is van het
adoptiegezin en als mogelijke huwelijkspartner kan fungeren.
Wat ook zeer belangrijk is
in de islamitische wetgeving omtrent adoptie, is dat de pleegkinderen hun
vaders naam moeten behouden. Dit is terug te vinden in de Koran (33:4-5).
Een uitzondering op deze regel doet zich voor indien de achternaam van het
kind niet gekend is. In dat geval neemt het adoptiekind de naam van de
adoptievader over (www.flwi.ugent.be/cie/CIE/abid1.htm).
Ten
slotte willen we vermelden dat we weinig weten over hoe de sociale omgeving
reageert op adoptie. Hieromtrent hebben we slechts één reactie gekregen van
onze informanten. Het is zinvol deze reactie ook in het onderzoek op te
nemen. Dit kan enkel aanzien worden als een mogelijke reactie en niet als
een algemeen voorkomend gegeven.
“Maar om dan een kind te adopteren, dat is dan ook
zoiets, zo een vreemde in huis. Dat is ook iets dat gevoelig ligt. Dat
vinden ze heel zielig als je geen kinderen kan krijgen. Maar ik denk
tegenover proefbuisbaby’s en zo, daar staan ze niet zo argwanend
tegenover. Als je geen kinderen hebt, moet je
maar alles proberen om dat te hebben. Ja, ze vinden dat zo zielig.”
(Tur, 3de gen, 20, rel)
Een verklaring hiervoor is ook terug te
vinden in de wet. Want hierin staat dat adoptie als een zwaardere
overtreding gezien wordt dan
kunstmatige
inseminatie, omdat daarbij de voortplanting althans via de moeder
plaatsvindt, wat bij adoptie niet het geval is (Shadid & van Koningsveld,
1997, 128).
3.3.4.
“We denken dat als je gehuwd bent dat je dan kinderen moet nemen, als je
geen kinderen wil, dat is min. Dat hoort niet.”
Er is een verschuiving te
merken in de evidentie van kinderen hebben naar het bewust kiezen voor (geen)
kinderen. Hieruit volgt dat het nemen van kinderen direct na het huwelijk
geen ‘must’ meer is. Situationele redenen, maar ook steeds meer individuele
redenen, bepalen dit fenomeen. Toch wordt dit nog vaak door de omgeving van
het koppel verwacht. Dit wordt vooral gevraagd om de vruchtbaarheid van
beide partners aan te tonen. Veelal wordt hierin de rol van de
schoonfamilie vermeld. Toch zijn er enkele informanten die zeggen dat huwen
automatisch kinderen impliceert en dat bewust kinderloze koppels hoogst
onwaarschijnlijk zijn. Ze zien het huwelijk als dé instantie om een relatie
officieel te maken en vinden dat kinderen daar automatisch moeten uit
voortvloeien… Volgens hen zijn huwelijk en het krijgen van kinderen
onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Waarom zou je anders huwen?’ De
kinderwens is volgens hen de hoofdreden voor het aangaan van een huwelijk.
Dit toont het belang van kinderen in een islamitisch gezin aan. Er wordt
ook een evolutie gesignaleerd van grote gezinnen ten voordele van kleinere
gezinnen. De voorkeur voor een bepaald geslacht lijkt in de gemeenschap nog
latent aanwezig.
Doordat het belang van
kinderen centraal staat in een islamitisch gezin is ook onvruchtbaarheid een
geladen onderwerp. Het gevaar voor ‘uitsluiting’ en ‘roddelen’ is reëel.
Een steriel koppel wordt vaak als zielig beschouwd. Alternatieven om toch
aan de kinderwens te voldoen zijn vruchtbaarheidsmethoden onder medische
begeleiding en adoptie.
3.4. Invloeden
op het omgaan met seksualiteit
Tenslotte sluiten we het onderzoek af met de invloeden op omgaan met
seksualiteit.
Drie
invloeden werden spontaan door de meisjes zelf aangehaald: religie,
opvoeding en sociale controle.
Religie heeft voornamelijk
een invloed op de maagdelijkheidsnorm, relaties, het huwelijk en de vrijheid
volgens de moslimmeisjes. Het is moeilijk te achterhalen in hoeverre
religie een beïnvloedende factor is, aangezien het verweven is met traditie
en cultuur. Het is dus met andere woorden niet duidelijk of de islam als
religie of de islam als cultuur invloed heeft op het leven van de
moslimmeisjes.
Cultuur en traditie
worden samen met religie doorgegeven via de opvoeding van de kinderen. De
ouders en hun manier van opvoeden bepalen dan ook mee de manier van denken
en handelen van de moslimmeisjes op vlak van relaties en seksualiteit,
althans zo voelen zij het zelf toch ook aan.
Wanneer de meisjes
spreken over hun opvoeding doen zij dat in termen van ‘streng’ ten opzichte
van ‘vrij’ opgevoed, waarbij een strenge opvoeding meestal gekoppeld wordt
aan een ‘traditionele’ en een vrije aan een ‘moderne’.
Bij een
traditionele opvoeding zijn de ouders erg gesteld op de waarden en normen
van hun thuisland, en willen zij deze ook doorgeven aan hun kinderen. Een
vrije opvoeding lijkt een meer ‘Westerse’ opvoeding te betekenen, waarbij de
meisjes meer mogen weg gaan, meer zelf mogen bepalen welke kleren ze dragen
en met wie ze contacten onderhouden. Of de ouders eerder ‘traditioneel’ dan
wel iets ‘moderner’ zijn ingesteld, kan volgens de moslimmeisjes mee bepaald
worden door de afkomst van hun (groot)ouders, en meer bepaald door het feit
of ze afkomstig waren van een stad of van het platteland. De meisjes waren
het er unaniem over eens dat in het algemeen de mensen afkomstig van het
platteland veel traditioneler zijn tegenover diegenen die afkomstig zijn van
de steden.
Meisjes die vrijer worden opgevoed, lijken
daar zeer blij om te zijn en hebben wat medelijden met diegenen die nog zeer
streng worden opgevoed.
De meisjes die wij spraken blijken zich vaak
wel te verzetten tegen hun ouders wanneer deze zeer traditioneel zijn, maar
ze vertellen er ook wel onmiddellijk bij dat ze eerder nog uitzonderingen
zijn omdat velen daarin berusten en niet kritisch over hun situatie nadenken.
We kregen ook verhalen te horen van meisjes
die van thuis weggegaan waren of van wie er vriendinnen weggelopen waren,
omdat ze wilden trouwen met de jongen van hun keuze en dat niet naar de zin
van de ouders is. De dieperliggende oorzaak hiervan ligt dus dikwijls in
het onbegrip tussen ouders en kinderen, omdat beide generaties andere normen,
waarden en ideeën over het leven hadden. Enkele meisjes geven in verband
hiermee de moeilijkheid aan van tussen twee culturen te leven en te worden
opgevoed.
Ze stellen zelf vast dat er een soort evolutie
aan de gang is, waarbij de ouders hun kinderen losser opvoeden naarmate het
kind oudere broers of zussen heeft die al wat ‘gerebelleerd’ hebben.
Sociale controle
heeft over het algemeen een grote invloed op het doen en laten van de
meisjes.
Ze hebben het gevoel dat ze met allerhande
verhaaltjes en leugens in de gemeenschap worden gehouden. Iedereen roddelt
over iedereen. Als ze zelf niet geven om hun reputatie of zich niets van
die roddels willen aantrekken, dan is er nog altijd de eer van de familie
waarmee rekening moet gehouden worden. Volgend citaat verwoordt dit heel
goed. Het is een uitspraak van een 25-jarige Turkse vrouw die op haar
negentiende wegliep van thuis voor “de liefde en de vrijheid”, zoals ze het
zelf placht te zeggen. Zij heeft volgende boodschap voor islamitische
meisjes en jonge vrouwen.
“Niet
voor jou, direct maar in het algemeen voor alle islamitische meisjes die
hier in België wonen die vastzitten in hun cultuur. Het is
misschien een lelijk woord, hé, ‘vastzitten in hun cultuur’, als je
iets wilt en je wilt het echt dan kun je dat, kijk naar mij. De meesten
hebben gewoon angst om dat te doorbreken. Ik ben nu ook gelukkig. Ik ben
nu ook gelukkig en ik ben blij dat ik het gedaan heb. … En hoe groot dat
de sociale druk ook is, verhuis dan naar een andere stad, hé. Hoe
moeilijk het ook is. Maar de meesten zijn gewoon veel te bang … ik kan
daar inkomen. Maar van mij moet je dat eigenlijk anders bekijken hé, wij
wonen in B. Wij hebben zo die sociale druk niet die gemeenschap niet.
Dus had ik daar geen last van maar anders, iedereen kent elkaar en dan kun
je nog veel minder doen wat je wil. Dan zou je eigenlijk echt moeten
weglopen van thuis. Ergens anders gaan wonen, niets meer van je laten
horen. Dat is een grote schande, hé. De eer van de familienaam. Dat is
ook iets heel belangrijks, de eer in een Islamitische cultuur. Dan wordt
die geschonden hé, als niet alles loopt volgens de wetten en de regels en
de tradities van de cultuur dan ben je, ja hoe moet ik het zeggen, een
‘stoute’, hé ja. Niet wel opgevoed, de ouders hebben dan geen goede
opvoeding gegeven… de eer is dan geschonden.”
(Tur, 2de
gen, 25, gn rel)
4. Besluit
Uit dit onderzoek blijkt
dat seksuele voorlichting noodzakelijk is om ‘juiste’ informatie omtrent
seksualiteit te vernemen. Binnen de islamitische huiselijke sfeer lijkt
openlijk praten over relaties en seks(ualiteit) nog steeds een taboe. De
summiere informatie die in sommige gezinnen gegeven wordt blijft beperkt tot
menstruatie, het behoud van maagdelijkheid en de huwelijksnacht. Er is een
significant verschil in de moeder-dochterrelatie voor en na de verloving.
Het onderwijs wordt aanzien
als het belangrijkste informatiekanaal wat seksuele voorlichting betreft.
De manier waarop voorlichting gegeven wordt in het onderwijs wordt door de
informanten vaak bekritiseerd. De grootste kritiek is dat seksuele
voorlichting vanuit een té Westers standpunt wordt bekeken en daardoor
weinig aansluit bij de eigen leefwereld. Het verenigen van oude en nieuwe
waarden omtrent seksualiteit is niet altijd vanzelfsprekend. Andere
variabelen zoals didactisch materiaal, vertrouwensband, geslacht en
leeftijd… zijn bepalend voor het verloop van de voorlichting.
Vrienden en vrouwelijke
familieleden zijn naast het onderwijs de belangrijkste informatiebronnen.
Naargelang de situatie vertellen de informanten meer over seksualiteit tegen
Vlaamse of islamitische vrienden. Ook de partner en de eigen levenservaring
worden gezien als informatiebron. Media en eerstelijnsvoorzieningen zijn
elementen die ook worden aangesproken. Deze laatste krijgen evenwel de
kritiek dat ze té cultuurspecifiek werken en daardoor te weinig
tegemoetkomen aan de noden van de doelgroep.
Ondanks de eventuele
voorlichting thuis, de seksuele opvoeding op school of via andere
informatiebronnen blijken er misverstanden of leemtes te zijn in de seksuele
opvoeding bij islamitische meisjes en jonge vrouwen.
In het algemeen wordt dus
het geven van seksuele voorlichting belangrijk geacht. Voor hen persoonlijk
is seksuele voorlichting niet altijd een prioriteit, maar het wordt wel
belangrijk geacht voor de Vlaamse leeftijdsgenoten en het algemene belang.
Ze vinden het ook belangrijk dat hun kinderen later voldoende voorgelicht
worden.
Relatievorming is een
belangrijk aspect in het leven van de informanten. Een vriendenkring is
voor de meesten een ‘must’. De vriendenkring bestaat voornamelijk uit
vrouwelijke familieleden en vriendinnen. (Openlijke) omgang met jongens
wordt vaak vermeden uit angst voor een ‘slechte’ reputatie. Zowel bij hun
vrienden als bij hun partner is betrouwbaarheid een belangrijke eigenschap.
Een partner ontmoeten,
gebeurt op vele manieren. Dit blijkt niet altijd probleemloos te verlopen.
‘Zeg het aan niemand’… is hierin de teneur.
Zelf een partner kiezen is
veelal een wens, maar vaak geen vanzelfsprekendheid. Ook willen de meisjes
hun partner leren kennen. Dit dient evenwel binnen bepaalde grenzen te
gebeuren.
De ‘grens der
maagdelijkheid’ mag zeker niet overschreden worden. Maagdelijkheid is een
centrale waarde, maar iets dat vooral van meisjes wordt verwacht.
Over het algemeen ervaren
de meisjes een zekere ambiguïteit in deze materie: “Een partner hebben mag,
een relatie hebben mag niet!”
Eenmaal er een partner is,
is er een huwelijksverwachting vanuit de omgeving. Ook de meisjes slaan het
huwelijk hoog aan. Samenwonen is voor velen geen probleem meer, maar wordt
niet altijd geaccepteerd door ouders en omgeving.
De religieuze voorwaarde is
de best gekende huwelijksvoorwaarde en dit vertaalt zich in de, al dan niet
vrijwillige, keuze voor een islamitische partner. Met sommige
huwelijksplichten gaan ze niet altijd akkoord. Vooral met gehoorzaamheid
aan de echtgenoot hebben ze een probleem. De meest voorkomende
huwelijksvorm is het min of meer gearrangeerde huwelijk. Gedwongen
huwelijken vinden ze veelal onaanvaardbaar.
Homoseksualiteit ligt
volledig in de taboesfeer. Het taboe rond echtscheiding wordt langzamerhand
doorbroken, maar blijft nog steeds iets dat beter niet wordt gedaan.
Anticonceptie is vrij goed
gekend door de informanten. De meeste gekende voorbehoedsmiddelen zijn ‘de
pil’ en het condoom. Er is een groot verschil in houding ten aanzien van
anticonceptiegebruik voor en na het huwelijk. Het bestaan van misvattingen
omtrent anticonceptiegebruik is vrij reëel. Het aandeel van het
vrouwennetwerk hierin is groot. Sterilisatie is gekend, de houding er
tegenover is ambivalent.
Wel wordt bewuster gekozen
voor het al dan niet krijgen van kinderen. De meningen over een bewust
kinderloos huwelijk zijn verdeeld. Er is evolutie merkbaar van grote
gezinnen ten voordele van kleinere gezinnen.
Onvruchtbaarheid is een
geladen onderwerp. Mogelijke alternatieven zijn vruchtbaarheidsmethoden
onder medische begeleiding en adoptie.
De informanten zeggen
principieel tegen abortus te zijn, maar sommigen zien naast de islamitische
wetgeving, waarin abortus wel mag onder bepaalde voorwaarden, ook nog andere
omstandigheden waarin abortus aanvaardbaar is. Anderen zijn dan weer tegen
abortus in elke situatie.
Religie is evenals cultuur,
traditie, opvoeding en sociale controle een beïnvloedende factor op de
relatie- en seksualiteitsbeleving van de meisjes. Het aandeel in de
beïnvloeding van de islam als religie en dat van de islam ais cultuur is
niet duidelijk af te bakenen. Religie en cultuur zijn met elkaar verweven.
Er is een enorme sociale controle die het doen en laten van de meisjes
beïnvloedt. Vooral om hun reputatie en de eer van de familie hoog te
houden, worden ze als het ware gedwongen hiermee rekening te houden.
________________________________
 |