|
¶ Wij
hebben Onze gezanten met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben het boek
en de weegschaal met hen neergezonden, opdat de mensen de rechtvaardigheid in
stand houden (s. 57:25).
9. Rechtsgeleerdheid (cilm al-fiqh)
en Rechtsscholen (madhâhib).
9.1. Algemeen.
Op gevaar af, in herhaling te vervallen: de goddelijke sharîca
is, tijdens het leven van de Profeet, niét
'neergezonden' als een kant-en-klare wettencodex. De latere fiqh, anderzijds, als de "wetenschap van
de sharîca", en de gemene, historische "sharia's" die er het product van waren, hebben, kunnen of mogen geen gelijkaardige, universele en eeuwige pretenties
hebben als de goddelijke 'Wet'. Vandaar de limieten
van de
fiqh: als een door rechtsgeleerden (fuqahâ', enkv.: faqîh)
in de dâr al-islâm uitgewerkt religieus
recht, is zij in haar totaliteit (dus: cibâdât én mucâmalât)
enkel dwingend voor moslims die in een moslimland of -staat leven (d.w.z. in
een situatie waar de islam hegemonisch is). Voor
niet-moslims had zij in het verleden géén 'kracht van wet', behalve wanneer zij, als dhimmî-s, in een
moslimland leefden, en dan nog slechts in héél beperkte mate:
christenen en joden, immers, beschikten, zoals hoger gezegd, in § 1.3,
over eigen rechtbanken; wel konden zij, indien ze dat zelf wensten,
een beroep doen op een moslimrechtbank.
In
het geval, echter, van moslims die als minderheid
in een niet-moslimland leven
(vandaag vormen zij reeds meer dan 1/3 van de moslimwereldbevolking) en daar gehouden zijn tot loyauteit aan de wetgeving van dat land,
is de toepasbaarheid van de fiqh verre van evident. De traditionele
rechtsgeleerdheid, met haar eertijdse tweedeling van de wereld in dâr
al-islâm en dâr al-harb ("huis van de oorlog"), beschouwde een
dergelijke situatie als uitzonderlijk en tijdelijk, namelijk als die van moslims
die waren "achtergebleven" na de militaire bezetting van hun grondgebied
door niet-moslims (vgl. de zogenaamde mudéjares in de katholieke Spaanse
koninkrijkjes, tijdens de middeleeuwen, zie op
deze site). Voor de (geïmmigreerde) moslimminderheden in de westerse landen,
vandaag, betekent zulks dat zij, levend in een uitzonderingstoestand van
(grotere of kleinere) darûra (zie hoger), slechts
in betrekkelijke mate gehouden zijn aan de religieus-juridische voorschriften (voornamelijk toegespitst op de cibâdât).
De laatste jaren, echter, zijn tal van moslimgeleerden en -intellectuelen die
zelf in het Westen leven, gaan pleiten voor de
ontwikkeling van een "minderhedenfiqh"
(in het Arabisch: fiqh al-aqalliyât), als een bijzondere, autonome tak van de islamitische
rechtsgeleerdheid. Zij moet huns inziens op een meer adequate manier recht doen
aan de specifieke situatie van de moslimaanwezigheid in westerse landen,
namelijk als een blijvend en dynamisch gegeven. In de eerste plaats de
Amerikaanse moslims, in het kader van de North American Fiqh
Council, hebben hiertoe de aanzet gegeven. Voor Europa kan verwezen worden
naar de
European Council for Fatwa and Research (ECFR), opgericht in 1997 en geleid
door (de van oorsprong Egyptische geleerde) Dr. Yusûf al-Qaradâwî; er bestaat
een Britse en een Franse onderafdeling. In de
moslimlanden zelf, weliswaar, stuit een dergelijke ontwikkeling op verzet. (77) Religieus-rechterlijke
uitspraken of adviezen hebben, zoals rechterlijke uitspraken in het algemeen, onvermijdelijk
een minder of meer casuïstisch karakter: het gaat
veelal om het toepassen
van principes en methodes op particuliere
probleemgevallen of vraagstellingen. Voor de islamitische fiqh, met haar
fatâwa of fatwâ-s (ze worden in principe geformuleerd door een mufti
- letterlijk een 'fatwa-gever'), is dat niet anders, of beter: geldt dat wellicht nog in hogere mate, gelet
op haar bijzondere methodologie. Vertrekkend weliswaar vanuit de algemene 'bronnen'
en hun 'toepassingen', argumenteert zij voornamelijk bij middel van de
analogieredenering (qiyâs); ze vertrekt dus van het ('gekende' of
'aanwezige') particuliere (bijvoorbeeld een concrete richtlijn in de Koran)
om uit te komen bij het kwestieuze ('onbekende' of 'afwezige') particuliere.(78)
Toch slaagt de fiqh erin - en zulks ondanks de heterogeneïteit
inzake haar bronnen ('objectieve' versus 'subjectieve') -, zich als een
systematisch recht en een coherent corpus van doctrines te presenteren.
De totaliteit inderdaad van menselijke handelingen en relaties
- de reikwijdte van het moslimrecht is dus absoluut - wordt
in de klassieke fiqh-traktaten gevat
binnen vijf categorieën, : de
zgn. "vijf hoedanigheden" (al-ạhkâm al-khamsa)
(1) wat
"verplicht" (wâjib of fard) is, d.w.z. voor het verwaarlozen waarvan
men gestraft wordt; is
zelf onderverdeeld in: (a) voor elk individu (fard cayn: bv.
de vijf pijlers),
en (b) voor de gemeenschap (fard kifâya, dus van voldoende aantal): bv.
aanwezigheid bij begrafenissen; deelname aan de jihâd, enz.;
(2) wat "aanbevolen" (mandûb,
masnûn, mustahhab, sunna) is: handelingen voor het stellen waarvan er een
beloning is, maar voor het nalaten waarvan er geen straf is (bv. het geven van
vrijwillige aalmoezen, het verrichten van extra gebeden of vasten; het vrijlaten
van slaven, enz.);
(3) wat
"toegelaten maar (moreel) onverschillig" (mubâh, jâ'iz) is: handelingen
voor het stellen of het nalaten waarvan er noch beloning noch straf is;
(4) wat
"afkeurenswaardig"
(makrûh) is: handelingen voor het stellen waarvan er geen straf is, maar
voor het nalaten waarvan er een beloning is (over deze categorie bestaat er veel
onenigheid, maar sommige autoriteiten zouden de echtscheiding, op unilateraal
mannelijk initiatief, hierbij plaatsen);
(5) wat "verboden" (̣harâm,
mahzûr) is: handelingen voor het stellen waarvan er een straf is voorzien,
en voor het nalaten waarvan een beloning. Volgens moslimrecht gebeurt de
bestraffing gewoonlijk hier op aarde. Het gaat om types van diefstal, verboden
seksueel gedrag, drinken van wijn, e.d. (de zgn. hudûd overtredingen),
voor dewelke er in de Koran specifieke straffen zijn voorgeschreven. Beloningen
voor onthouding gebeuren in het Paradijs. [overgenomen uit Ruthven, 2000:85]
Voor 'literalisten'
als Ibn Hazm van Cordoba (gest. 1064) bijvoorbeeld was de middencategorie van het
mubâh de belangrijkste
en meest uitgebreide. Vanuit dit basisrooster kunnen ook cibâdât
en mucâmalât op de volgende manier van elkaar onderscheiden worden:
in de cibâdât is enkel wat voorgeschreven is, toegestaan
(halâl); in de sociale zaken of mucâmalât, daarentegen,
is àlles toegelaten wat niet expliciet verboden is.
Zoals gezegd, is de
geestelijke arbeid
om uit de principes van de goddelijke sharîca' de nodige
algemene rechtsregels en concrete toepassingen te formuleren, en daarmee
de islamitische basiswaarden en -normen daadwerkelijk te helpen realiseren,
mensenwerk
- dus: historisch en contingent, en voor verandering vatbaar; als zodanig is er
wel degelijk een geschiedenis van de sharîca.
Ook hier echter moet een belangrijk verschil worden genoteerd met het westerse
begrip van het 'positief recht' - waar de constante adaptatie en verandering
ervan, in functie van nieuwe maatschappelijke of politieke noden, een evidentie
is. Volgens de binnen het Soennisme orthodoxe visie heeft
de hermeneutische arbeid van de fuqahâ' reeds in de klassieke
periode, namelijk vanaf de 9de eeuw, met de stichters/meesters van de (later
gecanoniseerde) 'scholen', haar voltooiing bereikt. De "poort van de
ijtihâd", d.w.z. van de persoonlijke intellectuele inspanning, werd daarmee "gesloten" verklaard; het enige werk dat
nog restte, was het commentariëren en zoveel mogelijk inzichtelijk maken
van die klassieke werken. Het hoeft niet gezegd dat vandaag die visie
meer dan ooit het voorwerp uitmaakt van levendige controverses onder moslimintellectuelen,
in het bijzonder in de Europese landen (in het kader van de al vermelde
minderhedenfiqh wordt ook van neo-ijtihâd gesproken). (79)
9.2. De
Vormingsjaren.
In
de typische situatie van de (soennitische) islam, werd of wordt de theoretisch-praktische
arbeid van de fuqahâ' niet centraal georganiseerd of gestuurd - d.w.z. vanuit enige,
hetzij "kerkelijke" hetzij politieke, centrale autoriteit, vergelijkbaar met zo
iets als de
katholieke Curie.
In de eerste periode, onder de Umeyyaden,
had zich nochtans een vrij chaotische situatie ontwikkeld. Rechtspleging
en beginnende rechtsleer in het rijk vertoonden grote divergenties, niet
enkel tussen de verschillende grote steden en regio's, maar vaak zelfs
tussen de wijken van éénzelfde stad.(80) De nog 'jonge' moslimse culamâ' (god- of
schriftgeleerden, enkv.: câlim, afgeleid van
cilm, 'kennis'), in het bijzonder de fuqahâ’ en de aangestelde rechters (qâdî-s),
lieten zich aanvankelijk vooral leiden door het soepele en pragmatische
begrip van de sunna, of "levende traditie",
van en in hun regio (met
een belangrijke inbreng van de voor-islamitische tradities, onvermijdelijk).(81)
Die levende traditie was dus gebaseerd, behalve op de Koran in de staat
waarin hij voorlag, op de plaatselijke "praktijk" (camal),
en ze was het evoluerende product van het gebruik, door rechtsgeleerden
en rechters, van de ra’y, d.w.z. het eigen oordeel, en de
ijtihâd. Zij manifesteerde en bevestigde zich in de gemeenschappelijke opvattingen,
d.w.z. de consensus (ijmâ'), van de geleerden van elke generatie,
binnen iedere lokaliteit of regio.
Mede op basis van de onvermijdelijke
(sociologische, culturele e.a.) verschillen tussen de regio's van het jonge
wereldrijk, kwamen aldus de zgn. "oude rechtsscholen" tot stand. De
belangrijkste van die 'scholen' (het woord is niet in de strikte zin
te verstaan) waren die van Kûfa en Basra, in Irak, van Medina en Mekka,
in de Hijâz, en van Syrië. Na verloop van tijd, nochtans, werden de regionale,
levende tradities, ter legitimering teruggeprojecteerd op gezaghebbende
figuren uit het verleden. Met de opkomst, vervolgens, van de zgn. Traditionisten
(de ahl al-ahâdîth, of "mensen van de Tradities", of ahl
as-sunna), moesten - ondanks het aanvankelijk verzet van de oude scholen
- de lokale sunna's de plaats ruimen voor de "Sunna-van-de-Profeet"
(sunnat an-nabî'). Deze laatste werd gebaseerd op (gecanoniseerde)
hadîth-s
over de handel en wandel van de Profeet en zijn Gezellen (de Sahâba,
ook genoemd de “Vrome Ouden”, of as-salaf as-sâlih).
Vergelijkbaar met de uitbouw en doorvoering
van één orthodox geloofssysteem in het christendom, na een periode van
open en gediversifieerde ontwikkelingen, en evenzo in een soort van 'dialectiek'
met de politieke machthebbers (voor de Kerk: vanaf Constantijn, begin
4de eeuw), kwam het ook in de islamwereld tot vormen van islamitisch-doctrinale
homogeneïsering en systematisering. In het christendom, echter, kregen
en behielden de keizers een "grote vinger" in doctrinale en kerkelijke
ontwikkelingen (het zgn. caesaropapisme, nadien in het Oost-Romeinse rijk).
Ook in de vroege islam hebben
kaliefen dergelijke ambities gekoesterd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de bouw van
de Koepel van de Rots door cAbd al-Malik (in 692: zie
de gelinkte pagina), en uit diens gebruik, op zijn
nieuwe, islamitische munten, van de titel Kalîfat Allâh, "stedehouder
Gods" (in plaats van het latere Kalîfat rasûl Allâh, "stedehouder
van Gods gezant").
Ook, of: vooral, de cAbbâsieden
- aan de macht gekomen dank zij een religieuze revolte (o.m. gesteund door de shicieten) - koesterden zulke religieuze ambities. De
meest radicale maar ook 'fatale' uitdrukking ervan was de beruchte
Mihna,
of "Inquisitie". Ze werd in 833 ingesteld door kalief al-Ma'mûn
en ze moest de (muctazilitische) doctrine van het "geschapen-zijn"
van de Koran in het hele rijk helpen afdwingen. Die rationele doctrine
over de historiciteit van de Openbaring diende ideologisch de belangen
van de politieke macht en van de heersende klassen (ze gaf een theologische justificatie
aan nieuwe wetgevende initiatieven vanwege het centrale gezag). Ze stuitte
precies daarom op het hevig verzet van zowel de lagere klassen als van de
opkomende klasse van culamâ',
die de leer van de "ongeschapen Koran" verdedigden (de vorst bleef
hierin ondergeschikt aan de onveranderlijke, goddelijke Wet).
De
kampioen van het verzet was de traditionist Ahmad ibn Hanbal (gest.
855). Gevangen gezet en gefolterd, weigerde hij zich te onderwerpen en
uiteindelijk haalden de kaliefen bakzeil: onder kalief al-Mutawakkil, in 849,
werd de Mihna afgeschaft; werd de leer van de "ongeschapen Koran"
erkend als
orthodoxie en viel de muctazila-school in ongenade. Bovenal moesten
de kaliefen voortaan verzaken aan enige religieus-ideologische bevoegdheid.
9.3. Religie
en Ideologie.
Het
typisch
soennitische stelsel was het resultaat te noemen
van een "historisch compromis”,
namelijk tussen de politieke macht (de kalief) en
de nieuwe religieus-theologische intelligentsia - op termijn: het religieus-theologische
establishment van de culamâ'.(82)
De politieke heerser zag
voortaan af van elk theologisch of religieus-wetgevend initiatiefrecht; op het vlak van de sharîca
zou zijn verantwoordelijkheid zich voortaan beperken tot die
van een 'uitvoerende macht': in concreto, tot het helpen opleggen en afdwingen, o.m.
door de aanstelling van rechters-ambtenaren (qâdî-s), van de religieuze wet (NB hij kon
echter wel 'wetgevend' optreden buiten de sharîca: cf. de Osmaanse
Kanun). De intellectuele middenklasse van culamâ',
van hun kant, nam de 'wetgevende' taak op zich, als "een machtsbron die
onafhankelijk was van de staat" (Berger, 2006:250), van de exegese en ontwikkeling
van de sharîca, middels de fiqh. Je
zou dit compromis de voor de islam historische of feitelijke vorm van 'secularisering' kunnen noemen,
d.w.z. van scheiding tussen 'politiek' en 'religie'.
De 'geïnstitutionaliseerde islam'
die de culamâ' aldus uitwerkten, diende ook een ideologische
behoefte: namelijk het overbruggen van de 'kloof'
die sedert Muhammads dood onvermijdelijk steeds groter was geworden, tussen,
enerzijds, het religieuze
ideaal (van gelijkheid en broederlijkheid) en, anderzijds, de politiek-maatschappelijke
realiteit (groeiende ongelijkheid, schier onbeperkte macht
van de kalief op het vlak van oorlog, privilegies, belastingen, enz.; machtsmisbruik
en sociaal onrecht, discriminatie, enz.). Algemener ook: de definitieve
scheiding tussen 'religie' en 'staat'.(83) Reeds
onder de derde kalief, cUthmân, dus amper enkele jaren
na de dood van de Profeet, gaf die divergentie aanleiding tot een opstand in
de provincies (vooral Egypte); en ook de Umayyaden moesten er finaal de prijs
voor betalen. Als ideologie, m.a.w., moest het islamitische systeem
(zoals dat eertijds ook voor de christelijke orthodoxie het geval was geweest)
de feitelijk gegroeide maatschappelijke verhoudingen religieus helpen legitimeren.
Een belangrijke, zo al niet de belangrijkste pijler hiervan was...
de idealisering van de Stichtingsperiode.
De tijd
van de Profeet en zijn Gezellen, m.a.w., alsook die van de eerste vier "rechtgeleide"
kaliefen nam de gedaante aan van het “Godsrijk op aarde”:
als een onaantastbaar model strekte dat mythische ideaal ter
legitimatie van het
actueel bestaande regime - dat er de legitieme 'erfgename' van pretendeerde
te zijn, maar er zich in werkelijkheid als maar verder van verwijderde (cf. de
onvermijdelijke tegenstrijdigheid van elk maatschappelijk systeem).
Toch is dat voor de islam niet het
volledige verhaal. De verzwakking van het staatsgezag, die gepaard
ging met het 'historische compromis', alsook de afwezigheid van een geünifieerd
en hiërarchisch, religieus 'instituut' of kerk, maakten dat de politieke instrumentalisering van de islam al bij al beperkt bleef.(84)
Tevens bood het ideologische ideaalbeeld van de Stichtingsperiode
onvermijdelijk ook de mogelijkheid om de tekortkomingen van het
bestaande regime zichtbaar te maken. Dat verklaart waarom zo goed
als àlle politieke regimes in de geschiedenis van de islam, tot op vandaag, te
kampen hebben gehad, respectievelijk nog te kampen hebben, met een probleem van legitimatie. In de praktijk kon en kan
sociaal verzet binnen de moslimomgeving voor zijn socio-religieuze expressie telkens weer een beroep
doen op het egalitaire ideaal van de koranieke boodschap.
9.4.
"Founding
Fathers".
9.4.1. Laten
we terugkeren naar de ontwikkeling van de fiqh. Wat we pas komen
aan te stippen over het 'historische compromis', helpt ons begrijpen waarom
het moslimrecht een extreem geval vormt van "juristenrecht".
Het
heeft zich niet zozeer gevormd onder de druk van praktische (politieke) noodwendigheden,
maar in het kader van een juridisch-technische verfijning en vooral vanuit morele en religieuze,
theologische
principes, zoals teruggevonden in de bronnen ('wortels"). Anders gezegd: in de
pre-moderne moslimwereld was het niet
'de staat', maar
de - in principe - onafhankelijke rechtsgeleerdheid die de rol speelde van wetgever: "het zijn dus
de schoolhandboeken van de fiqh die kracht van wet hebben" (Turki, 1985:71).
Maar let wel: de feitelijke
rechtspleging gebeurde niét door de fâqih, maar door de
qâdi, de "rechter", en deze laatste was een ambtenaar, aangesteld
door en in dienst van de overheid (heerser). Vandaar dat de fiqh-traktaten, zoals hoger
(onder kap. 8.4.) al opgemerkt, niét gericht waren op, of bestemd voor de
rechtspraktijk. Wat de qâdi betreft, anderzijds, "op zijn best" (Berger, 2006:33) beschikte
hij over een basiskennis van het recht. Hij moest, indien die niet
volstond, advies vragen bij de rechtsgeleerden, die vanuit hun lange scholing en
studie over een exclusieve kennis,
en dus een monopoliepositie beschikten. "Kennis van het recht en een
onafhankelijke positie lagen dus niet bij de rechter, maar bij de
schriftgeleerde" (Berger, ibid., die nog opmerkt dat in de praktijk
"schriftgeleerden ook regelmatig rechter waren, en omgekeerd; maar er werd
wel altijd onderscheid gemaakt tussen de twee posities").
In de moderne periode, evenwel, met de invoering van een moderne rechtsstaat
en wetgeving naar
westers model, is niet enkel de verhouding tussen rechtsgeleerden en
machthebbers maar ook die tussen rechtsgeleerden en rechters drastisch
veranderd (zie Berger, 2006:45 e.v.). Tegelijkertijd kwam er ook een diepgaande
wijziging in de manier waarop werd/wordt omgegaan met het moslimrecht, in
zoverre dat zijn neerslag heeft gevonden in de zogenaamde Sharî'a: zij is
niét langer het exclusieve terrein van de traditionele schriftgeleerde maar ook van
de beroepsjurist. Bijgevolg is men vandaag juist méér geïnteresseerd "in de
wijze waarop die Sharî'a in de praktijk gebracht kan worden, in alle facetten
van het moderne leven". De eigenlijk theologische beginselen,
anderzijds, van de religie staan nog nauwelijks of helemaal niet ter discussie
(Berger, 2006:75).
9.4.2. Ibn Hanbals hoger vermelde
'overwinning' was ook die
van het traditionisme, met zijn idealisering van
de stichtingsperiode. Voortaan, zo zou men kunnen zeggen, werd elke waarde
van het menselijke handelen een "functie van het geworteld-zijn in de
Teksten-Bronnen-Modellen en de ideale symbolische Figuren (Profeet, Gezellen,
Imâms)". (85) De fiqh werd
ten gevolge daarvan op een nieuwe, meer gedisciplineerde én meer conservatieve
leest geschoeid. Voor de traditionisten, anders gezegd, was er "géén heil buiten de
traditie".(86)
Reeds onder de eerste cAbbâsiedenkaliefen,
d.w.z. vanaf het midden van de 8ste eeuw, werden de grondslagen gelegd
voor de latere, officiële rechtsscholen: in Irak gebeurde dat door Abû
Hanîfa (gest. 767), in Medina door Mâlik ibn Anas (gest. 793).
Terwijl de eerste eerder speculatief te werk ging en openstond voor niet-islamitische
elementen, gaf de tweede alle gewicht aan de tradities van de medinensische
gemeenschap, vanuit de overtuiging dat het lokale gewoonterecht aldaar op de Profeet
zelf kon teruggevoerd worden. Allebei hanteerden ze de ra’y en de
ijtihâd,
d.w.z. de "persoonlijke reflectie", maar dan wel om precieze, methodologische
en interpretatieregels vast te leggen voor het uitwerken van de principes
van de sharîca. Hanîfa ging daarbij uit van het (secundaire)
rationele principe van de zgn. "istihsân", d.w.z. de "keuze van
het beste", Mâlik van dat van het "algemeen belang" (maslaha).
Zo
bijvoorbeeld de regel (waarvan het gebruik
weliswaar onderworpen was aan strenge beperkingen) dat een figuurlijke
betekenis
(tacwîl) te verkiezen is boven de letterlijke
betekenis (zâhir) van een religieuze tekst, indien
of wanneer de eerstgenoemde
(1) normaal aanvaardbaar is voor de betreffende uitdrukking; (2) vereist
is voor het begrijpen van de tekst, en (3) ondersteund wordt door overtuigend
bewijsmateriaal. Ten tweede het onderscheid tussen termen die éénduidig
en termen die meerduidig zijn. Ten derde, dat een tekst die onvoldoende
precies is, mag begrepen worden in een meer precieze en eenduidige betekenis,
mits er daartoe de gepaste aanwijzingen zijn. En natuurlijk is ook de qiyâs,
of analogieredenering, belangrijk aangezien dergelijke analogieredenering
de inductie van het gekende particuliere naar het problematische particuliere
mogelijk maakte.(87)
Het was hoe dan ook pas in deze periode,
met de opstelling van de eerste, grote traktaten, dat de sharîca
concreet vorm begon te krijgen. De rationele uitgangspunten, evenwel, van
Hanîfa en Mâlik lokten een scherpe reactie uit van meer traditionalistisch
ingestelde juristen (hoewel zelfs zij er natuurlijk niet onderuit konden,
bij het toepassen van een Korantekst of hadîth op een nieuw probleem, één
of andere vorm van 'redenering' te gebruiken). De allerbelangrijkste hiervan
was ongetwijfeld al- of: ash-Shâficî (gest. 820), die zelf nochtans
in de leer was geweest bij Mâlik en bij een leerling van Hanîfa. Vanuit
het absolute primaat van de hadîth - zelfs de Koran moest z.i. geïnterpreteerd
worden vanuit de hadîth, en niét omgekeerd -, formuleerde hij de voortaan klassieke
leer van de vier "wortels van het recht" (usûl al-fiqh), die nadien
ook door de andere scholen werd overgenomen. Shâficî geldt daarom
als de eigenlijke grondlegger van de fiqh.
Door de thesis van de traditionisten te aanvaarden en het gebruik van de qiyâs
aan banden te leggen, sneed hij zich af van de natuurlijke evolutie in de oude scholen; zijn principieel uitgangspunt moest
bovendien tot inflexibiliteit leiden. Onder zijn leiding kwam ook voor
het eerst een "school" (madhhab) tot stand in de autoritaire zin van het woord - d.w.z. gebaseerd op het idee van "onderwerping" (taqlîd)
aan het gezag van de Meester-Stichter (imâm). Al-Shâficî's
leerlingen en volgelingen vormden van in den beginne zijn 'persoonlijke'
school.
Al-Shâficî vormde het eindpunt, zou je kunnen stellen,
van een ganse ontwikkeling. Andere meesters nà hem gingen eventueel nog
verder in het inperken van de qiyâs, "maar nieuwe gezichtspunten
hebben ze nog nauwelijks aangebracht" (Hartmann, 1987:53). Wie hierbij
toch nog moet vermeld worden - hoewel hij door vele moslims niet erkend
wordt als een rechtsgeleerde (faqîh), maar enkel als een traditionist,
en hoewel zijn school kwantitatief geen grote verbreiding heeft gekend
-, is de al vermelde Ahmed ibn Hanbal (gest. 855). Als een uitgesproken
'antirationalist' en literalist verwierp hij het gebruik van de qiyâs
zelfs integraal (maar zijn 'rechtsschool' zou daar later op terugkomen).
9.5. De
"Rechtsscholen" (madhâhib).
De vele regionale of lokale scholen
leverden onderling een verbeten strijd om vanwege de autoriteiten en de
gelovigen erkend te worden als een geldige systematisering van het moslimrecht. In die concurrentieslag verloren ze geleidelijk aan hun geografisch
karakter en werd het principe van de taqlîd - d.w.z. de onderwerping
aan een Meester-Stichter en diens doctrine - veralgemeend: de fuqahâ’
dienden zich voortaan in principe te beperken tot het herhalen en naar
de letter toepassen van die overgeleverde leer.
Uiteindelijk, tegen de 11de eeuw, wisten vier madhhab-s
binnen het soennisme 'hegemonisch' te worden, nl. die van de vier hierboven
genoemde meesters: die van de shafi'ieten (shâficî)
de malikieten (mâlikî), de hanafieten (hanafî)
en de hanbalieten (hanbalî).(88) Zij gingen gelden als de énige canonieke 'scholen' of "rechtsgangen".
Als een vijfde, 'reguliere'
madhhab, die door de meeste shicieten wordt gevolgd, geldt die
van de zesde, shicitische Imâm, Ja'far al-Sadiq (gest. 148/765); hij was één van de
leermeesters van Abû Hanîfa. Een moslim werd bijgevolg voortaan opgevoed in één
ervan en deed een beroep op een daartoe 'behorende' rechter met het oog op zijn
of haar rechtsbedeling. In principe kon men zich ook tot een rechter van een
àndere madhhab wenden, indien die beschikbaar was.(89) Alle vier
soennitische scholen baseerden zich op het
primaat van de hadîth, maar de praktische toepassing ervan was ondergeschikt
aan de ijmâ' onder de rechtsgeleerden (Latijn: consensus doctorum).(90)
Positief-rechtelijk, d.w.z. op het strikt juridische, morele en rituele
vlak, herleidden de verschillen tussen de vier zich veeleer tot "onbeduidende
kleinigheden" (Hartmann, 1978:53). In de loop der eeuwen, trouwens,
maakte de aanvankelijke animositeit plaats voor een groeiende toenadering
en onderlinge verstandhouding. Belangrijkste punt van onenigheid lag op het
algemene, methodologisch vlak, d.w.z. betrof de vraag hoe, wanneer en op welke
basis de rechtsgeleerde aan ijtihâd kon doen. Op het niveau daarom van
wat de algemene
"filosofie" kan worden genoemd,
had het lidmaatschap van een bepaalde madhhab wel degelijk "ideologische"
implicaties; of anders gezegd, een 'rechtsschool' stond of staat in principe
niet enkel voor een juridische, maar ook voor "een theologische stroming"
(Berger, 2006:25) . Zoals Sourdel (1979:82) het formuleert:
"À chacune de ces écoles
correspondait une manière de concevoir la vie religieuse, une manière de
raisonner, qui se retrouvaient souvent dans les doctrines théologiques,
voire mystiques... L' appartenance à l'une d'entre elles impliquait généralement
l'insertion au sein de l'un des mouvements de pensée qui se partagèrent
le monde musulman médiéval. Ainsi les hanbalites étaient traditionalistes
en théologie de même qu'ils étaient rigoureux en morale; les chaffiites,
qui admettaient le raisonnement par analogie, admettaient aussi certains
rapports entre Dieu et les créatures et adoptaient une théologie plus souple,
tout en marquant leur sympathie pour la mystique; les hanafites, en revanche,
qui se montraient plus indépendants, cultivaient volontiers les 'subterfuges'
et se ralliaient souvent à une théologie rationalisante".
Tussen de vier 'scholen' onderling, hoe dan ook, bestond/bestaat geen
hiërarchie: zij gelden als elkaars gelijken. De onderlinge verschillen,
bovendien, aldus Berger (2006:25),
" werden - en worden nog steeds - erkend. Zo komt het regelmatig voor dat
in rechtsboeken van de ene school wordt verwezen naar interpretaties van andere
scholen, maar deze verwijzingen worden altijd afgesloten met: 'Wij, daarentegen,
zijn van mening dat...'".
De verbreiding van de madhhab-s
over de landen van de soennitische islam werd mede bepaald door politieke
factoren. De heersers gaven gewoonlijk de voorkeur aan één rechtsschool en
benoemden enkel daaruit rechters. Zo werd de hanafitische rite begunstigd door de cAbbâsieden,
zowel als door de Osmanen. Ze is daarom vandaag nog de dominante school inzake
religieus en familierecht onder moslims van de Balkan, Turkije, de Kaukasus
republieken, Afghanistan,
Pakistan, Indië, de Centraal-Aziatische republieken en in China. De malikitische, anderzijds, werd
mettertijd naar het westen teruggedrongen, en beheerst vandaag nog de gehele
Maghreb (vanwaar ze zich ook verbreid heeft naar het zuiden). De shâficitische
overweegt in (voornamelijk landelijk) Egypte, Syrië, Jordanië, Palestina, West- en Zuid-Arabië, vanwaaruit ze ook in
Oost-Afrika doordrong; ze is verder verspreid op het Indische
continent, Maleisië en Indonesië.
Hoewel getalsmatig altijd erg minoritair,
tenslotte, speelt het hanbalisme vandaag een toch niet onbelangrijke
rol: onder de rigoureuze vorm van het wahhabisme, wordt het vandaag ondersteund
en verbreid middels de oliedollars en de
godsdienstpolitiek van de Saoedi’s (de zgn. 'petro-islam') - zie o.m. de oprichting van grootschalige
moskeeën of centra, in grootsteden in de niet-moslim wereld: Rome,
Brussel, Buenos Aires, Lyon, Milaan, Barcelona (gepland)...(91)
9.6. Epiloog.
De islamitische rechtsgeleerden, de fuqahâ', hoofdzakelijk werkend binnen
één van de zgn. "rechtsscholen",
hebben in de klassieke periode een coherent en omvattend systeem van moslimrecht (en moraal)
uitgewerkt. Ook na de verbrokkeling van het rijk bleef dat systeem - dat
vereenzelvigd werd met de sharîca
- van
toepassing en werd het verder verfijnd in de verschillende, grotere en
kleinere deelgebieden van de moslimwereld (het Osmaanse rijk, het Perzische van
de Savafieden, het Indische Mughulrijk,
kleinere sultanaten...). Daarin kwam pas verandering vanaf de 18de en vooral 19de eeuw. Wat
die ontwikkelingen betreft in de moderne periode, kunnen we volstaan met een
citaat uit Platti (2000), p. 261 en p. 268 (mijn vertaling):
"In de 19de eeuw, onder de sociaal-economische en culturele druk van het westers
expansionisme, kwam er een diepgaande wijziging. Het domein van het moslimrecht werd meer en meer gemarginaliseerd ten voordele van een 'secularistische'
organisatie van de samenleving. In de loop van de 19de en 20ste eeuw zullen de
domeinen die onttrokken werden aan de moslimse jurisdictie, een dergelijke
omvang aannemen dat, in sommige landen, de toepassing van het moslimrecht
beetje bij beetje inkromp om nog enkel het persoonlijke statuut (van de moslim) te betreffen en
dat van de vrome stichtingen (waqf - habous). In sommige landen, zoals Turkije,
werd elke verwijzing naar de sharîca
verboden". En: "De huidige discussies binnen de moslimgemeenschap
hebben weinig van doen met de verschillen tussen de vier traditionele
rechtsscholen, maar ze betreffen de meer fundamentele kwestie van de
toepasbaarheid van de systemen van de klassieke sharî'a in de moderne wereld".
Emilio Platti stipt nog aan dat weliswaar in tal van moslimlanden de
nationale grondwet nog naar de sharîca als inspiratiebron verwijst,
maar dat de mate waarin het traditionele islamitische recht in concreto
nog van toepassing is, van land tot land enorme verschillen vertoont - gaande
van een volledig geseculariseerd recht, in Turkije; over Marokko [het
Marokkaanse familierecht, gecodificeerd in de Mudawwana, is nog altijd gebaseerd op het
moslimrecht; op initiatief, echter, van koning Mohamed VI, is het, sedert
februari 2004, op tal van punten gemoderniseerd en als familiewetboek voortaan
onderworpen aan de normale wetgevende procedure: voor de Franstalige versie
ervan, in pdf-formaat, zie op deze site]; tot een radicaal, zogenaamd "islamitisch"
bestel, bv. in Saoedi-Arabië, waar het rechtsstelsel in principe volledig op de
(wahhabitische interpretatie van de) "sharîca"
berust. Er kan bijgevolg vandaag geen sprake meer van zijn, "een concrete beschrijving van een uniek systeem van moslimrecht" te
presenteren (ibid.,
p. 262).
Ook over de mate waarin een specifiek "islamitische cultuur", of
way of life - zoals die eeuwenlang vorm had gekregen door het omvattende
rechtssysteem, weliswaar gediversifieerd in verschillende rechtsscholen - z'n sporen heeft nagelaten bij de moslimimmigranten in het
Westen, vallen geen zinnige, algemene uitspraken te doen. Wel wordt in de
literatuur gewezen op een afnemend belang van die rechtsscholen. Over de stappen
in de richting van een autonome "minderhedenfiqh" hadden we het reeds
hoger.


NOTEN:
77. Turki (1985), p. 69. Voor de fiqh
al-aqalliyât, zie: Muhammad Khalid Masud, "Islamic Law and Muslim
Minorities", in: ISIM-Newsletter, 11/2002, p. 17; W.Boender, "Islamic Law and Muslim Minorities", en
A.Caeiro, "Adjusting Islamic Law to Migration", beide in: ISIM-Newsletter
12/2003, resp. p. 13 en 26. Voor de ECFR, zie ook
op deze site, § 5.5.3.2.
78. Door de hoger al vermelde Ibn
Hazm (994-1064), in zijn polemiek tegen de in het Westen (al-Andalus en
Maghrib) heersende malikitische rechtsschool (zie verder), met haar bijzonder
uitgesproken casuïstiek, werd het gebruik van de qiyâs - door hem
ten onrechte vereenzelvigd met de inductieve methode - afgewezen als onwetenschappelijk,
ten gunste van het aristotelische syllogisme. Alleen dit laatste liet z.i. het
menselijke verstand toe het ware van het onware te onderscheiden, zónder
daarbij iets 'nieuws' te creëren (alles ligt al geïmpliceerd in de premissen)
- wat een privilegie is van God alleen. Zie Turki, o.c., p. 70.
79. T.Ramadan bijvoorbeeld in zijn publicaties
en tussenkomsten pleit voor de constructie van een Europese moslimidentiteit
op basis van de klassieke methodes en principes van de fiqh en met
absoluut respect voor de zgn. "duidelijke teksten" (het zij in
de Koran of in de Sunna), die als zodanig geen ijtihâd vergen (de
verwerping van de erop gebaseerde regels maakt iemand tot kufr, "ongelovige",
of apostaat). Zie (1999), p. 83. Leïla Babès, daarentegen, in haar zeer
kritische bespreking van de Franse versie van Ramadans boek, verwijt hem
dat op die manier geen 'Europese fiqh' kàn geconstrueerd worden,
aangezien de ijtihâd gereduceerd blijft tot
de lacunes of interstitiën in de klassieke teksten; elke overtreding van
wél door middeleeuwse fuqahâ' geformuleerde regels (bijvoorbeeld de doodstraf
inzake apostasie; bijvoorbeeld de koranieke straf dat dieven de hand moet afgehakt
worden, enz.) blijft op die manier beschouwd worden als een afwijzing van de islam. Zie
haar bespreking in: Islam de France, 8 (2000), pp. 8-9.
80. De situatie werd aangeklaagd
in het midden van de 8ste eeuw (na de val van de Omayyaden), door de Perzische
bekeerling (oorspronkelijk manicheër), Ibn al-Muqaffac. In
aansluiting bij de Perzisch-Sassanidische politieke traditie, raadde hij de kalief aan, de jurisprudentie te coördineren en te onderwerpen
aan zijn centraal gezag; op basis van Koran en Sunna, moest één wettencodex
verplichtend worden gemaakt voor het gehele rijk. Zijn voorstellen werden
echter niet gevolgd (hij werd zelf, weliswaar om onduidelijke redenen,
in 756 ter dood gebracht op last van de gouverneur van Basra). Zie Schacht
(1970), p. 559; Lambton (1981), pp. 43-55. Over Ibn al-Muqaffac,
één van de briljantste Arabische literatoren (hij heeft belangrijke Pehlevi-teksten
omgezet in het Arabisch: zo bijvoorbeeld de beroemde verzameling dierenfabels Kalîla
wa-Dimna) maar ook een notoire zindîq, 'ketter' of 'vrijgeest',
zie inleidend De Ley (1995), pp. 117-120 (ook, in draft,
op deze site).
81. De rechts- of wetgeleerden,
fuqahâ',
moeten als 'theoretici' onderscheiden worden van de qâdî-s, of rechters
(aangesteld door de overheid, en dus functionarissen). Zij moesten, in
tegenstelling tot laatstgenoemden, alle details en interpretaties kennen
van de religieus-juridisch voorschriften m.b.t. het maatschappelijke leven
en de cultushandelingen. In de praktijk, weliswaar, konden ook wetgeleerden
worden aangesteld als qâdî. Een zgn. muftî, tenslotte, is
een wetgeleerde wiens fatwâ-s een officiële autoriteit genieten.
82. Zo H.Mikhail, Politics and
Revelation. Mâwardî and After (1995), p. 55. Zie ook de beschouwingen
van Abû Zayd, hoger, § 4.1.
83. “The theological transformations
of religion into ideology - into an ordered system of ideas and values
that serves as a means of social cohesion and acts to promote secular power
-
does not contradict the process of secularisation”, Azmy Bishara,
Islam
and Politics in the Middle East (1995), in: J.Hippler & A.Lueg
(1995), The Next Threat. Western Perceptions of Islam, p. 83.
84. Vergelijk dat nogmaals met het
'cesaropapisme' in het laat-antieke en nadien Grieks-orthodoxe Byzantijnse
rijk, alsook later: via het in het rijk geïntegreerde kerkelijke apparaat heeft de christelijke
leer er eeuwenlang (ook onder communistische regimes), tot op vandaag,
ten dienste gestaan van het staatsbelang.
85. Arkoun (1975), p. 22, die vervolgt:
“Tout
écart par rapport à ces Modèles est vécu et présenté comme une déchéance,
une décadence de la Communauté. Voilà pourquoi tous les Docteurs, dans
tous les groupes, ont prêché jusqu'à nos jours, le retour à la Forme vraie
de toute existence humaine: c'est l'attitude réformiste ou Islâh”.
86. Zo de hanbaliet Ansârî Harawî
(gest. 1059), die eraan toevoegt: "zelfs zich het hoofd krabben, zou
men moeten doen volgens de traditie". Geciteerd in Anawati (1971),
p. 204. De “wetenschap van de Traditie” (cilm al-hadîth)
die
zich op deze basis ontwikkelde, leidde tot het verzamelen en bestuderen
van duizenden en duizenden, al dan niet authentieke, orale overleveringen.
Hoewel het de bedoeling was maatschappelijk leven en praktijk voor eens
en altijd te baseren op de volmaaktheid van de Stichtingsperiode, werden
aldus onvermijdelijk ook heel wat niet-islamitische tradities a.h.w. ongemerkt
geïncorporeerd in de islam - wat een soort van verborgen secularisering
heeft meegebracht. In de 9de eeuw kwamen, op basis van een aantal
afgesproken regels, vooral twee gezaghebbende selecties tot stand uit het enorme
materiaal, nl. die van al-Bukhârî (gest. 870) en die van Muslim (gest.
875); uit een totaal van enkele honderduizenden (!), vonden daarin slechts
een 10.000 overleveringen "genade". Beide auteurs gaven aan hun compilatie
de naam van "Sahîh", letterlijk: "gezond", d.w.z. "authentiek".
Niet zozeer omwille van hun persoonlijk gezag, als wel omdat zij een verzameling
hadden gemaakt van alles wat in orthodoxe kringen reeds als "echt" werd
erkend, kregen hun beider Sahîh een plaats in de fiqh die
enkel moest onderdoen voor die van de Koran. Voor een nadere kennismaking,
zie J.Burton, An Introduction to the Hadith, Edinburgh 1994; een
selectie werd in het Nederlands vertaald en ingeleid door W.Raven, Leidraad
voor het leven. De tradities van de profeet Mohammed, Amsterdam-Leuven
1995.
87. Een klassiek voorbeeld hiervan is
het alcoholverbod, daar waar in de Koran (s. 5, 90) expressis verbis enkel
sprake is van "wijn". Andere voorbeelden, vermeld in Leaman (1985), p.
6, zijn: slaan teksten die het hebben over "moslims" en "gelovigen", ook
op vrouwen en slaven? Geeft de dreiging van de Koran tegen al wie goud en
zilver oppot, in plaats van het aan te wenden "op de weg van God"
(s. 9, 34), het recht een taks te heffen op alle gouden en zilveren
voorwerpen? Slaat dat ook op juwelen en edelstenen? enz., enz.
88. Andere, zoals die van al-Awzâcî,
at-Tabarî of Dâwud al-Zâhirî, werden dus 'geëlimineerd', cf. Arkoun (1977),
p. 34; Hartmann (1978), p. 53; Sourdel (1979), p. 82. Zie vooral J.Schacht,
The
Origins of Muhammadan Jurisprudence (Oxford 1950). Zie ook T.Ramadan
(1999), pp. 34-35.
89. De wortelbetekenis van madhhab
is
"gaan": elke correcte manier van pratikeren van de islam, zou je kunnen
zeggen, is een "manier van gaan" binnen de sunna ("a way of walking in
the Sunna"), Murata & Chittick (1994), p. 31. Het gaat hoe dan ook niet enkel
om een geheel van theoretische methodes en doctrines maar ook en vooral
om juridisch-religieuze, praktische gedragsregels inzake het dagelijkse
leven van de moslims. Watt
(1979), p. 79, verkiest als vertaling "rite": "The term 'rite' is preferable to 'school' since matters
of practice and not only opinions are involved; every Sunnite belongs to
one of the four rites and has his affairs judged according to it in the
law-courts". Hoe dan ook, "the unity thus imposed, although it was
fictitious, was impressive and Muslims, as a whole, after some hesitation
accepted and endorsed it",
Lambton (1981), p. 4.
90. De ijmâ' [uitspraak: "idjmaa"] gaf aanleiding
tot heel wat controverse - zoals begrijpelijk: op wie had ze betrekking,
en wat was dus haar extensie? hoe kon ze geverifieerd worden? enz. Omwille van deze
praktische bezwaren beperkte Ibn Hazm dit criterium tot de Gezellen van
de Profeet: het was z.i. de enige consensus die ooit effectief gerealiseerd
was (als zodanig kon zijns inziens de ijmâ' zelfs de Koran 'abrogeren'). In de algemene orthodoxie
gaat men er pragmatisch vanuit dat wie zich niet verzet (verzet heeft),
'akkoord' gaat. Zie Turki (1985), pp. 76-81.
91. Vanwege het hanbalisme werd
het islamitische tolerantieprincipe vaak overtreden. Cf. de "fundamentalistische" beweging van de
wahhâbiten, van in de 18de eeuw gelieerd met de Saoedi’s: de meest fanatieke fractie ervan vandaag beschouwt ook
andere moslims als ongelovigen; de dhimma wordt absoluut minimalistisch
nageleefd in het Saoedi-Arabische koninkrijk, enz. Zie hierover ook de
cursusnotities, op deze
site. |