|
¶ Nee toch! Ik zweer
bij de achteruitgaande planeten, die voortsnellen en zich verschuilen! Bij de
nacht wanneer hij opdoemt! Bij de morgen wanneer hij gloort! Dit is het woord
van een voortreffelijk gezant, machtig bij de Heer van de troon en standvastig,
gehoorzaamd en ook betrouwbaar. Jullie medeburger is geen bezetene. Hij heeft
immers aan de duidelijke horizon gezien... (s. 81, 15-23,
L.)
2. Muhammad, 'Gezant' en 'Profeet' van God
2.1. Muhammad ibn cAbdallâh (zijn moeders naam was Âmina) was een telg van de Hâshim-clan en
dus lid van de in Mekka dominante Quraysh-stam. Toen hij 40 jaar
oud was, aldus de biografische traditie (volgens diezelfde traditie was hij toen al vijftien jaar
gelukkig getrouwd met de vijftien jaar oudere koopmansweduwe Khadîja),
(45bis)
kende hij bij één van zijn geregelde meditatiestonden, buiten de stad, (46) een
overweldigende religieuze ervaring die zijn gehele verdere leven ingrijpend
zou veranderen. In een visioen (47) werd hem
bevolen een tekst "op te lezen" of "verkondigen" (iqraa'!: "lees op!"
of "verkondig!").(48)
Die
allereerste keer betrof het wellicht sura 96, 1-5 (K):
(49)
¶ In de naam van God,
de Barmhartige Erbarmer.
Lees op, in de naam van uw Heer [al-Rabb],
die geschapen heeft,
Geschapen heeft de mens uit een
bloedklomp.
Lees op! En uw Heer is de eerwaardigste,
Die onderwezen heeft door het
schrijfriet,
Onderwezen heeft de mens wat
hij niet wist .
Met deze en latere "opzeggingen"
zou Muhammads roeping van start gaan als rasûl Allâh, "boodschapper
van God".(50)
De verzen van de korte sura
96 bevatten reeds wezenlijke elementen van zijn (later) profetisch zelfbegrip
(Falaturi, 1988:43).
-- opening van de boodschap
in de naam van God, met beklemtoning van diens barmhartigheid (rahma);
(51)
-- benadrukking van Gods activiteit
als schepper;
-- schepping van de mens door God;
-- Gods onderrichting van die mens
("door het schrijfriet"), als een uiting van Zijn goedheid (karam).
Binnen dat brede kader was Muhammads publieke verkondiging
- zeg maar "het basiskerygma van de koranieke boodschap" (Platti,
2000: 76), tijdens zijn eerste mekkaanse periode - inhoudelijk vooral gecentreerd rond drie
tegelijkertijd
maatschappelijke en religieuze strijdpunten, die even zovele uitdagingen
vormden voor het mekkaanse establishment, namelijk:
-- tegen het zogenaamde veelgodendom
(in het Arabisch precieser: shirk, letterlijk het "associëren" van andere godheden of
krachten aan de oppergod, als diens partners): verkondiging van de radicale eenheid en enigheid
van God (de tawhîd, in latere terminologie);
-- tegen de sociale onrechtvaardigheid
en de onrechtmatige welstand (mal, in het Arabisch)(52) en verrijking van de Quraysh
oligarchie: beklemtoning van ieders persoonlijke verantwoordelijkheid ten
aanzien van de vereisten van rechtvaardigheid en solidariteit;
-- tegen de "(religieuze en morele) onwetendheid" (jâhiliyya):
verkondiging van de transcendentie van het (onontkoombare) Oordeel over ieders
handelen in het hiernamaals (heropstanding en Eindgericht).
Muhammads prediking en werving - na
enkele jaren van persoonlijke verwarring en twijfel (die hij dank zij Khadîja
kon overwinnen, aldus de overlevering) - waren gebaseerd op "neerzendingen"
of
"ingevingen"
die
hij, de ene na de andere, zou ontvangen. Zoals vroegere gezanten, ging ook hij
aldus optreden als een "waarschuwer"
of "vermaner": bv. 68:52, ¶
"Niets anders is het dan een maning aan alle wereldbewoners" (vert. Kramers).
Wie deze dhikr, "herinnering" of "indachtigmaking",
negeerde, d.w.z. zich niet afkeerde van afgodenaanbidding om in zijn leven
voortaan het rechte pad te volgen, zou
Gods zware straf moeten ondergaan.
In de zogenaamde 'straflegenden'
worden - ten einde deze dreiging (i.c. voor de Mekkanen) concreet te maken - voorbeelden gegeven van vroegere gezanten die door God gestuurd
waren aan particuliere naties ("steden", in Kramers' vertaling), ten einde hen vooraf te waarschuwen voor de komende
straf. God straft immers in rechtvaardigheid, zie bv. s. 26, 208/9:
¶ En Wij hebben geen
enkele stad vernietigd zonder dat zij waarschuwers had gehad ter vermaning;
Wij hebben namelijk geen onrecht gepleegd.
Blijkens de Qur'ân waren de gevolgen van die strafgerichten jegens die steden
of volkeren, onder
de vorm van ruïnes of sporen, nog altijd zichtbaar - ook in de onmiddellijke omgeving van Muhammads toehoorders (s. 37:137-138, in verband met de vernietiging van de stad
van Lûth of Loth).
In een universele zin, daarnaast, speelde de eschatologie in de eerste periode een centrale rol.(53)
In erg plastische, apocalyptische beelden schilderden de verkondigingen de
'kosmische' Eindtijd af: zie vooral de sura's 77 tot 82. Eén voorbeeld, s. 82, 1-14 (L):
¶ Wanneer de zon wordt
omwonden.
En wanneer de sterren neerstorten.
En wanneer de bergen in beweging
gezet worden.
En wanneer de tiendemaanse kamelen
in de steek gelaten worden.
En wanneer de wilde dieren verzameld
worden.
En wanneer de zee aan het kolken
gemaakt wordt.
En wanneer de zielen verenigd
worden.
En wanneer aan het in de grond
gestopte meisje gevraagd wordt
voor welke zonde zij gedood werd.
En wanneer de bladen opengeslagen
worden.
En wanneer de hemel afgestroopt
wordt.
En wanneer de hel opgestookt
wordt.
En wanneer de tuin dichtbij gebracht
wordt.
Dan weet een ziel wat zij heeft
teweeggebracht.
Voor de "ongelovigen" (kâfirûn) of boosdoeners worden in soms raadselachtige
taal zware hellestraffen 'aangezegd' (cf. gahannam, "Hel"). Zo bv. in de beginverzen van s. 51,
"de
(stof?) 0pjagenden", vv. 1-14 (L). De verzen starten met een reeks eed- of bezweringsformules:(54)
¶ Bij de heftig opjagenden,
bij de last dragenden,
bij de gemakkelijk voortsnellenden
en bij de bevel verdelenden!
Wat jullie is aangezegd is zeker
waar
en het oordeel is zeker aanstaande.
Bij de hemel met zijn banen!
Jullie zijn het in wat jullie
zeggen oneens.
Wie zich laat afleiden wordt
van hem afgeleid.
Doodvallen kunnen zij die slechts
gissen,
die in een waan blijven.
Zij vragen wanneer de oordeelsdag
zal zijn.
Op de dag dat zij aan de beproeving
van het vuur worden blootgesteld.
'Proeft jullie beproeving, dit
is het wat jullie wilden verhaasten.'
Of het dreigende 89:21-26 (sura "de Dageraad", L):
¶ Maar nee, wanneer de aarde tot gruis vergruisd wordt
en jouw Heer en de engelen komen, in rij na rij,
en op die dag de hel gebracht wordt,
op die dag laat de mens zich vermanen.
Maar wat moet hij dan met de vermaning?
Hij zegt: "Ach, had ik voor mijn leven maar voorzorgsmaatregelen genomen".
Maar op die dag is er niet een die bestraft zoals Hij
en niet een die in de boeien slaat zoals Hij.
Tegelijkertijd stelde Muhammad in een al
even beeldrijke taal (aangepast aan de 'verwachtingen' van zijn eigentijds
doelpubliek) hemelse geneugtes in het vooruitzicht voor de gelovigen,
namelijk
in
al-janna, "de Tuin", van het Paradijs (firdaws). De
voorlaatste passus bv. vervolgt
(51:15) met: ¶ Maar de godvrezenden zullen in tuinen en bij bronnen zijn.
En de laatstgenoemde sura eindigt in dezelfde zin met: ¶ ...en treedt binnen
in Mijn tuin (89:30).
Uitvoeriger, s. 78:31-34 (L):
¶ Maar voor de godvrezenden
is er een triomf,
boomgaarden en wijnstokken,
rondborstige gezellinnen die
even oud zijn
en een vol gevulde beker...
(55)
2.2. Muhammads
verkondiging vond in de eerste plaats gehoor bij familieleden (zo bij cAlî ibn Abî Tâlib, zijn neef
en latere schoonzoon) vrienden en kennissen, d.w.z. leden van de eigen Hâshimclan, alsook bij sociaal misdeelden en marginalen: armen, slaven
en vrijgelatenen; een uitzondering daarop vormde de rijke handelaar Abû
Bakr (later de eerste kalief). We mogen veronderstellen dat zij al vlug
een kleine cultusgemeenschap vormden en dat de verkondigingen een centrale
rol gingen spelen in het liturgisch leven ervan. Bij het establishment daarentegen
van de Qurayshstam zouden, na een periode van onverschilligheid
of spot, Muhammads uitvallen tegen veelgodendom, verrijkingszucht en sociaal
onrecht aanleiding geven tot grote vijandigheid. Muhammad zelf kende dank
zij de interne groepsdialectiek zowel als de scherpe maatschappelijke polemiek
(waarin de goddelijke 'ingevingen' een actieve rol speelden) een groei
in zijn profetisch zelfbegrip. Ze gaat gepaard met een verschuiving van de
aandacht: van het eschatologische naar het leerstellige, d.w.z. het monotheïsme.
Die groei, ook in de 'identiteit'
van de kleine gemeente, wordt ons getoond in de sura's die men traditioneel
tot de mekkaanse 'middengroep' rekent (zie verder).
Hoger is al verwezen naar de instelling van Jeruzalem, of
al-Quds,
als qibla of gebedsrichting, en het belang ervan voor de 'religieus-geografische
horizon' van Muhammads gemeente. Belangrijker nog is dat verkondiging en
cultus nu uitdrukkelijk geplaatst werden in het perspectief van
"het Boek"
(al-kitâb), in de bijbelse traditie. Het nieuwe zelfbesef dat aan
die Schriftoriëntatie verbonden is, kan toegelicht worden bij middel
van de quasi synonieme Arabische termen voor 'profeet': namelijk 'rasûl'
en 'nabî' - 'quasi synoniemen' want zij wijzen twee, functioneel
verschillende profetentypes aan (Radscheit 1996:118-121).
Rasûl
is een "gezant" die door God gestuurd wordt om volkeren te waarschuwen
en op te roepen zich tot de éne God te bekennen (in de Koran typisch vertegenwoordigd
in de zgn. 'straflegenden'); ter ondersteuning van hun boodschap verwijzen
deze gezanten naar Gods 'tekenen' (âyât) in de natuur en de heilsgeschiedenis.
Daartegenover staat de nabî.
In sura 6 wordt een lijst van zulke nabiyyûn gegeven. De achttien
namen behoren alle tot de Banû Isrâ'îl en hun "profeetschap"
(nubûwa) berust telkens op een kitâb. Tot de grondbetekenis
van dit laatste woord behoren de aspecten '(geschreven) document, pact', en het wordt
in de Koran verbonden met het begrip mithâq, "overeenkomst, verbintenis"
(zie hierover ook verder). Naar het voorbeeld van Mozes' Tien Geboden
op de Sinaï, heeft God met élke uitverkoren nabî een dergelijk verbond
gesloten; de geboden erin vervat vormen de inhoud van een kitâb of qur'ân
(al
die "boeken" gaan terug op één goddelijk Boek,
in de hemel: zie verder). Het boek en
de onderdelen ervan vormen eveneens "tekenen" voor de mens (âyât -
het woord wordt vandaar traditioneel gebruikt
voor de zgn. 'verzen' waarin de sura's van de Koran onderverdeeld zijn).
Het bezit ervan bevestigt de authenticiteit (en geloofwaardigheid) van
een profeet en dat wordt in de Koran beklemtoond ten aanzien van de Mekkaanse afgodenaanbidders
(mushrikûn): deze laatsten staan in géén 'verbond' met God en kunnen
zich (dus) op géén kitâb beroepen (Radscheit 1996:120, met verwijzing
naar s. 3:19; 57:26v; 41:45; 42:14; 98:4; 45:16, e.a.).
Muhammad
ging in zijn persoon beide
profetentypes verenigen: dat van de rasûl, gezonden ter waarschuwing
aan de heidenen, én dat van nabî, gezonden om de heidenen bij middel
van al-kitâb te onderrichten over de juiste 'weg': vandaar de voor hem gebruikte formule
van "ar-rasûl an-nabî al-ummî" (s. 7:157 en 158). De toevoeging
'al-ummî'
moet volgens Radscheit begrepen worden in de zin van: de profeet die "naar
de ongeletterde heidenen" (al-ummîyûn) gestuurd is om hen te
onderrichten, "verstandig" te maken, nl. door hen de Schrift aan
te leren (s. 62:2; 33:40) - vergelijk met de oudste neergezonden sura 96,
hoger,
over Gods "onderrichting" van de mens met de pen of "door het
schrijfriet". Traditioneel echter wordt de betreffende "ongeletterdheid"
begrepen als toepasselijk op Muhammad zelf (ter ondersteuning van het miraculeuze
of in elk geval goddelijke karakter van de Koran, alsook van Muhammads
originaliteit: hij kón de oudere Schriften niet gelezen hebben).
2.3. Laten we terugkeren
naar de situatie van Muhammads 'gemeente' in Mekka. De regels van de clansolidariteit
en vooral de bescherming vanwege zijn machtige oom, Abû Tâlib (vader van
cAlî),
vrijwaarden Muhammad zelf althans voor de ergste repressie.(56)
Vanaf 619, echter, na de dood van zowel zijn oom als van Khadîja, werd de
situatie klaarblijkelijk vlug onleefbaar. In 622, na geheime besprekingen -
volgens de traditie - met afgezanten
uit de oase Yathrib (ca 350 km ten N. van Mekka),(57)
verbrak
Muhammad zijn banden met Mekka en zijn stam en "emigreerde" hij met
een zeventigtal getrouwen naar die agrarische nederzetting.(58)
Deze
hijra, of "emigratie", wordt
traditioneel gedateerd in 622 (in
onze kalender); in de Qur'ân wordt ze niet als zodanig besproken (er wordt wel,
nadien, op gealludeerd, zie s. 8:72) - tenzij s. 17, "De Nachtreis",
dààrop doelt, en niet op Muhammads wonderbaarlijke nachtelijke tocht naar
Jeruzalem (zo Jansen, 2005:184). De betekenis ervan
voor de islam kan niet hoog genoeg worden geschat.
Zij
vertoont, ook in haar latere symboolwaarde, een opvallende analogie met Mozes' exodus
uit Egypte, die zulke centrale plaats inneemt in de
joodse religiositeit. In die zin vormde de uittocht naar Medina het eigenlijke 'geboorteuur'
van de islam: "(ze) had tot gevolg dat de band
van het gemeenschappelijke geloof boven die van de stam ging prevaleren"
(Wagtendonk
1994:55). Ook vandaag nog, of vandaag meer dan ooit, blijft de hijra als
'paradigma' een sterke, zingevende kracht bezitten. (59) Zolang Muhammad nog in Mekka vertoefde,
was hij nooit méér dan een voor de mekkaanse notabelen en rijken
ongetwijfeld wat gevaarlijke zonderling, wiens aanhang mogelijk met de
jaren eerder af- dan toenam. In Medina, daarentegen, fungeerde
hij niet enkel als het erkende hoofd van de zgn. "migrantenclan"(60),
maar tevens als ook door de andere clans erkend "scheidsrechter" (hakam).
Alle medinensische clans, inderdaad, ook de joodse
(die hun eigen cultus
bleven beoefenen), sloten met hem het "Convenant
van Medina" af. In die "Constitutie" werd Muhammad erkend leider van een nieuwe umma ("gemeenschap");
alle ernstige conflicten tussen de ondertekenende partijen dienden voortaan
aan hem te worden voorgelegd; hij wordt ook de rasûl Allâh genoemd ("pas
tegen het einde", Jansen, 2007:34). De aanvang van dit belangrijke document,
dat overgeleverd is in Ibn Ishâq en waarvan vrij algemeen aanvaard wordt dat het
grotendeels authentiek is, luidt:
"In de naam van Allah,
de Barmhartige Erbarmer! Dit is een document vanwege Muhammad de Profeet
tussen de gelovigen en moslims van Quraysh en Yathrib en diegenen die hen
volgen en met hen verbonden zijn en zich samen met hen inspannen. Zij vormen
één enkele gemeenschap (umma wâhida), in plaats van afzonderlijke mensen".
(61)
Het is geen toeval, daarom, dat veruit
het grootste deel van (het al bij al bescheiden aantal) Koranverzen die
betrekking hebben op sociale organisatie en menselijk (individueel en maatschappelijk)
handelen, uit de medinensische periode stammen. (62)
Vanuit Medina is het Muhammad gelukt - ondanks
(o.m. militaire) tegenslagen en interne conflicten (niet enkel met de joodse
clans, maar ook tussen mekkaanse muhâjirûn en medinensische ansâr,
of
"helpers",
alsook
met de zgn. munâfiqûn, letterlijk
"schijnheiligen" of schijnmoslims)
- , zijn project tot een 'pan-Arabische' zaak te maken. Het voorlopig
hoogtepunt was ongetwijfeld de vreedzame intocht in 630, twee jaar voor
zijn dood, in Mekka. Dat besef van succes, met inbegrip van de massale bekering
van de Arabieren, vinden we uitgedrukt in een heel korte sura (amper 3 verzen),
die mogelijk de allerlaatste 'neerzending' was, s. 100 (L):
¶
Wanneer Gods hulp komt en het succes en jij de mensen in drommen in Gods
godsdienst [dîn] ziet binnengaan, prijs dan de lof van jouw Heer en vraag Hem om
vergeving; Hij is een genadegever.
Muhammad verwezenlijkte dat alles in een tribale samenleving
die tot dan toe, ondanks gemeenschappelijke poëtische taal (al-carabiyya),
levenspatroon en waarden, elk 'nationaal' of politiek besef van eenheid
en verbondenheid grotendeels had ontbeerd.(63) De gevoelens van intense loyauteit
en solidariteit, die traditioneel exclusief de tribale en clanstructuren
hadden gegolden, alsook de grondwaarden van het tribale humanisme - moed,
gastvrijheid, trouw, trots en eergevoel - werden door Muhammads verkondiging
versmolten met een Arabisch, maar in aanleg ook universalistisch, monotheïsme.
Aldus overgeplant op de "umma al-muhammadiyya",
zouden zij deze 'primitieve' nomaden tot wereldveroveraars maken.(64)
Door hem bovendien te presenteren als de afsluiting en bekroning (khâtam,
"zegel") van een lange rij van
voornamelijk joodse en christelijke profeten
(65) - d.w.z. van twee religieuze tradities die ook in het Arabische
milieu een groot prestige genoten -, legitimeerde de Koran Muhammads optreden,
en werd tevens de grotere volmaaktheid en het finale karakter van zijn
"Arabische"
versie
van de Schriftuur gefundeerd.
Met de Koran als openbaringstekst,
werden de Arabische stammen aldus verheven tot het prestigieuze niveau
van de oude Schriftvolkeren, en werd een metafysische betekenis en grondslag
gegeven aan de 'Arabische natie'. Nog wel op het beslissende
ogenblik van de universele ontknoping ervan - Muhammad, zoals gezegd, is "het
zegel der profeten" en is gezonden naar de gehéle mensheid -, werd
die Arabische natie verbonden
met het grootse drama van Gods manifestaties in de heilsgeschiedenis.
Samen met haar taal werd zij tot het uitverkoren werktuig van God gemaakt
in de finale verkondiging van een in haar volheid en authenticiteit herstelde, eeuwige Waarheid.
Samenvattend, kunnen we stellen dat,
welke ook de aanvankelijke beperkingen en bedoelingen ervan mogen geweest
zijn, aan Muhammads optreden a posteriori een unieke wereldhistorische
betekenis moet worden toegewezen. Die betekenis situeert zich op verschillende
maatschappelijke niveaus tegelijkertijd, zoals:
1) politiek-maatschappelijk:
overgang van een tribale samenleving, gebaseerd op en gefragmenteerd door clan- en verwantschapsverhoudingen, naar een eengemaakte,
territoriale staat gebaseerd op politiek(-religieuz)e organisatieprincipes;
als zodanig, weliswaar, mag de verwezenlijking van Muhammad (en zijn onmiddellijke
opvolgers: in de eerste plaats Abû Bakr en cUmar, die dank zij
veroveringsoorlogen belet hebben dat het prille rijk weerom uiteenviel)
niet als een strikt intern-Arabische ontwikkeling worden geduid: ze moet
integendeel gesitueerd worden binnen de laat-antieke context van de Mediterrane
ruimte, in aansluiting bij de wereldrijkambities van Rome-Byzantium en
Perzië;(66)
2) religieus: overgang van een blijkbaar nog overwegende clan- en natuurreligie naar een universalistisch monotheïsme, gebaseerd
op een Schriftuur, of H.Boek, die na enkele eeuwen uitgroeide tot
één van de belangrijkste wereldgodsdiensten;
3) cultureel: de overgang van een
traditionele, orale cultuur naar een schriftcultuur, met de creatie van
een Arabische literatuur en de verheffing van het Arabisch tot een wereldtaal,
ook voor filosofie en wetenschap; op termijn: de creatie van een Arabisch-islamitische
civilisatie die gedurende vele eeuwen (ook nog na het politiek uiteenvallen
van het rijk en de overgang naar een cultureel-religieus "commonwealth") het lichtend voorbeeld zou zijn voor de rest van de wereld;
4) economisch: de creatie van één
groot handelssysteem, een wereldmarkt van de Atlantische tot de Indische
Oceaan.
Het hoeft niet gezegd dat niet al deze
ontwikkelingen 'van vandaag op morgen' tot hun volledige realisatie kwamen:
de tribale, of stamsolidariteit bv. zou nog vele eeuwen, zo al niet tot
in de moderne tijd, een belangrijke rol blijven spelen.
¶ Wat
jullie in plaats van God dienen zijn alleen maar namen die jullie en jullie
vaderen gegeven hebben waarvoor God geen enkele machtiging had neergezonden. De
bevelvoering [hukm] komt alleen God toe. Hij beveelt dat jullie alleen Hem
dienen. Dat is de juiste godsdienst, maar de meeste mensen weten het niet
(s. 12, 40).
3. 'Islâm' -Overgave aan de éne God
Muhammads verkondiging, zoals zij
voorligt in de Koran, munt uit door haar positieve ingesteldheid en (theologische) eenvoud en klaarheid;
tegelijkertijd wordt constant het menselijke redeneer- en begripsvermogen
aangesproken: het gaat erom, met de "Arabische verkondiging" mensen
"verstandig"
te
maken, en aldus een einde te stellen aan de jâhiliyya, of (heidense en
immorele)
"onwetendheid".
Ongetwijfeld ligt hier één van de redenen waarom islam zoveel succes heeft
gehad, en nog altijd heeft, ook bij christenen.(67)
Hoewel
het om een goddelijke openbaring gaat, worden er geen onbegrijpelijke 'mysteries'
verkondigd van een bovennatuurlijke orde, zoals het geval is in de katholieke
leer, met de Drievuldigheid, de Incarnatie, de Verlossing, het mysterie
van de 'Kerk', de sacramentenleer, enz. (68)
Islam herleidt zich bovenal tot een
hartstochtelijk en radicaal monotheïsme:(69)
er
is slechts één, absoluut partnerloze, transcendente god, nl. Allâh: "(de)
God".(70) Zoals het geformuleerd wordt in het
bekende Troonvers, s. 2:255 (L):
¶
God, er is geen god dan Hij, de levende, de standvastige. Sluimer noch slaap
overmant Hem. Hem behoort wat in de hemelen en op de aarde is. Wie is het die
zonder Zijn toestemming bij Hem zou kunnen bemiddelen? Hij weet wat voór hen is
en wat achter hen is en zij bevatten niets van Zijn kennis, behalve dan
wat Hij wil. Zijn troon strekt zich uit over de hemelen en de aarde en het valt
Hem niet zwaar beide in stand te houden. Hij is de verhevene, de geweldige.
De
enigheid van God wordt in het vers uitdrukkelijk gekoppeld aan zijn niet te
evenaren almacht en alwetendheid. Dat hij zich als gevolg daarvan met niets laat
vergelijken dat de mens vertrouwd is, wordt ook beklemtoond in s. 42:11 (L):
¶
... Niets is aan Hem gelijk. Hij is de horende, de doorziende.
Het
antropomorfische taalgebruik nochtans in deze verzen ("levend", "weet",
"zijn troon", "de horende"...; vgl. ook uitdrukkingen als "het aangezicht
van God", 30:38; "Gods handen", 5:64, e.a.) geeft aan dat er van een absolute
transcendentie van deze God niet echt sprake kan zijn. Hij wordt, anders gezegd,
niet enkel als transcendent maar ook als immanent beschreven. Dat laatste komt
bv. in alle duidelijkheid naar voren in het bekende vers, 50:16 (K):
¶
En Wij hebben toch de mens geschapen, en Wij weten wat zijn ziel hem
influistert. En Wij zijn (hem) nader dan het koord van de halsslagader".
Met die éne God richtte Muhammad
zich in de allereerste plaats tegen het heidense polytheïsme van de Mekkanen. Hij
was er zelf in grootgebracht
en het had op het Arabische schiereiland als het ware zijn laatste toevluchtsoord
gevonden, tegen het oprukkende monotheïsme.(71)
Naast een aantal astrale goden,
hadden ook allerlei stam- en clangoden er hun plaats binnen één grote
familie of 'partneriaat' (shirk),
onder het oppergezag van de "Heer van de Kacba",
of
Allâh (72).
Zoals te lezen is bv. in s. 6, 100-101 (L):
¶
En zij hebben Hem zonen en dochters toegedicht, zonder enige kennis. Hij zij
geprezen en Hij is verheven boven wat zij toeschrijven. De schepper van de
hemelen en de aarde; hoe zou Hij een kind kunnen hebben, terwijl Hij niet eens
een metgezellin heeft en ook alles geschapen heeft?
Het
mekkaanse pantheon - volgens de latere, islamitische traditie bevonden zich
binnen de Kacba niet minder dan 360 afbeeldingen, toen Muhammad de stad in 630 in
bezit nam en ze allemaal stuk sloeg - symboliseerde de religieuze hegemonie van
de Mekkanen. De
hiërarchie eronder kwam volgens Van
Koningsveld overeen "met de heersende hiërarchie van stammen".
Door zijn verkondiging, bijgevolg, van een strikt monotheïsme en het ridiculiseren
van het gevestigde polytheïsme (bv. in s. 53, 19-23), zo vervolgt Van Koningsveld (1988:
76),
"(viel M.) het bestaande
standsverschil
krachtens stamafkomst aan. De goddelijke verontwaardiging waarmee deze
eenvoudige mekkaanse Hashimiet het aristocratisch polytheïsme attaqueerde,
leidde tot een godsdienstleer waarbinnen 'geen verschil bestaat tussen
Arabier en niet-Arabier, behalve in godsvrucht'".
Maar
Muhammads verkondiging hield ook een afwijzing in van het dualisme van de
Perzische religies (mazdeïsme en manicheïsme). Tenslotte werden
na verloop van tijd ook de christelijke triniteitsleer
- met haar drie, al dan niet 'wezensgelijke' hypostasen of 'personen' (Vader, Zoon en
Heilige Geest) binnen één goddelijke 'natuur', in combinatie nog eens
met Maria als "moeder Gods" (theotokos, in het Grieks) -, alsook
de christologie radicaal verworpen, als een vervalsing van de oorspronkelijke
"religie van Abraham", vgl. s. 112:
¶ Zeg: Hij, God, is één.
God, de Eeuwige.
Niet heeft Hij verwekt noch is
Hij verwekt.
En niet is één aan Hem gelijkwaardig.(73)
Jezus,
"zoon van Maryam", was bijgevolg niet
méér - maar ook niet mínder - dan één der begenadigde "boodschappers"
van het eeuwige en onveranderlijke Woord van God (zie bv. de medinensische s. 3,
42-58). Als zodanig geniet hij in de islam ook vandaag nog een hoge achting.
'Islâm',
dus, betekent in zijn koerante
gebruikswijze zoveel als: "(exclusieve en volledige) overgave, sc. aan
de ene God".(74) Van de 'muslim'
- d.w.z. van degene die zich aldus "toevertrouwt" aan God - vergt Muhammad bovendien dat hij of zij gelooft in de verrijzenis van de doden
en het Eindgericht, als een laatste "afrekening" waarop iedere
mens zijn/haar "(kas)boeken" op tafel zal moeten leggen (zie
verder
over
het geloof). Toetreding tot de gemeenschap vergt tevens de erkenning
van Muhammad als "de boodschapper (rasûl) van God".
Dat laatste
dient allereerst in restrictieve zin begrepen te worden: zoals de vroegere
profeten, was ook Muhammad zelf in zijn profetisch zelfbesef niet méér
dan een 'spreekbuis' van God; een mens die door God gebruikt werd
voor datgene waar het écht op aankwam: de verkondiging van Gods Wet. Hij
was weliswaar uitverkoren, maar hij blééf een mens, met zijn zwakheden.
(75) Hij kon dus niét, à la 'Jezus Christus', fungeren als een
metafysisch 'middelaar' tussen God en de mensen, cf. s. 41, 6 (God spreekt):
¶ Zeg: Ik ben slechts
een mensenkind (bashar) zoals gijlieden, aan wie geopenbaard wordt, dat
uw God is een enige god. Richt u dus recht tot Hem, vraagt Hem om vergeving.
(K)(76)
De Waarheid die God via hem verkondigde,
zoals gezegd, maakte ook geen aanspraak op originaliteit (wel op authenticiteit):
ze was wezenlijk dezelfde als degene die God in vroegere neerzendingen
via andere profeten had laten verkondigen. (77) Uit
zichzelve beschikte Muhammad over generlei bijzondere kennis omtrent Gods
beschikkingen, zelfs niet omtrent zichzelve, vgl. s. 46,9 (K):
¶ Zeg: Niet ben ik een
nieuwlichter onder de boodschappers en niet weet ik wat met mij zal worden
gedaan, noch met ulieden. Niet volg ik anders dan wat mij geopenbaard wordt,
en niet anders ben ik dan een duidelijk sprekend waarschuwer. (K)
Evenmin kon hij wonderen verrichten (vgl. s. 17,90-93).
Muhammad wordt wél in de Koran aan
de andere gelovigen voorgehouden als een na te volgen menselijk "model".
(78) Na zijn dood (en dus "na" de Koran), is er onvermijdelijk en natuurlijkerwijze
al vrij snel een proces van verering en verheerlijking van de Profeet op
gang gekomen, en werden ook hem allerlei mirakels toegeschreven. Ter illustratie
kan hier bv. verwezen worden naar de legende van Muhammads "hemelvaart" (micrâj),
in Jerusalem (aansluitend bij de sura, "de Nachtreis", 17, 1), en
naar de klassieke leer dat op het Eindgericht Muhammad zal tussenkomen bij God,
ten gunste van zijn gemeenschap.(79)
Ook vandaag - misschien: vandaag meer dan ooit, in de geopolitieke context
van het westerse imperialisme - is hij voor ruim één miljard gelovigen
"een
onuitputtelijke bron van troost, bemoediging en inspiratie" (Van Koningsveld,
1997:157). De mate van volkse verering waarvan Muhammad het voorwerp
is, blijkt ook uit het groeiend aantal landen (nu al minstens 47) waar
de verjaardag van de Profeet (mawlud an-nabî, zoveel als: "Thanksgiving
for the Messenger") gevierd wordt als een nationale feestdag, vaak
in de volkstaal - ondanks de tegenstand vanuit kringen van de schriftgeleerden.(80)
Het reciteren van het zgn. mevlûd gedicht, anderzijds, d.w.z. het verhaal
van de geboorte en het leven van de Profeet, vormt alvast in de Turkse islam een
vast onderdeel bij zeer uiteenlopende plechtigheden: bv. bij besnijdenis- en
huwelijksceremonies, thuis; bij officiële religieuze festivals, in de moskee;
maar ook en vooral als onderdeel van begrafenis- en rouwrituelen, waar het dan
door vrouwen wordt gereciteerd. Toch blijft er op dit punt althans doctrinaal en theologisch een wezenlijk onderscheid tussen islam en christendom:
vergoddelijking
van
Muhammad is principieel uitgesloten.(81)
In
contrast inderdaad met de christen, geldt de primordiale, religieuze oriëntatie
en spiritualiteit van de moslim niet een goddelijke persoon maar een goddelijk
boek, de Koran, zoàls neergezonden aan Muhammad. Sédert Muhammad
heeft God niét meer via een profeet gesproken: Muhammad is, zoals gezegd,
het "zegel der profeten".(82)
Evenmin
laat het radicale monotheïsme de blijvende werking toe van zoiets als een
'Heilige Geest', als een steeds nieuwe goddelijke bron van traditie, en
dus doctrine.(83)
Dat wil nochtans niét zeggen dat
moslims zich vandaag zouden afgesneden voelen van hun God: bij elke
recitatie van teksten uit de Koran reproduceert en ervaart de gelovige
Gods actueel gesproken woorden.(84) Aldùs
beschouwd, heeft God nooit opgehouden te spreken tot de gelovigen,
en blijft hij spreken, in diverse historisch-maatschappelijke en
persoonlijke omstandigheden. Onverbrekelijk verbonden met dit 'spreken'
is - hoeft het gezegd? - ook het telkens (op)nieuw aanhoren ervan door
de 'toegesprokene', in zijn of haar concrete situatie. Vergelijkbaar met
de christen, die zijn of haar meest intieme godservaring heeft in de eucharistieviering
(de 'communie', sc. van en met Christus)(85),
heeft de moslim aldus het meest directe contact met zijn of haar
Schepper in het (gewoonlijk collectief en liturgisch) reciteren en aanhoren
van de Koran. In die Arabische Qur'ân
is het Woord
Gods (kalâm Allâh) "boek" geworden (kitâb - het woord komt meer dan
250 maal voor in de Koran). Het
(op de correcte en voorgeschreven wijze) reciteren van de Koran heeft een zeer belangrijke
waarde vanwege de baraka of zegenende kracht ervan. Het daadwerkelijk
verstaan van de tekst is daartegenover eerder van secundaire betekenis.
Om dit gegeven ten gerieve van christenen
te verduidelijken wordt de Koran niet volledig correct
(86) wel eens de "Christus van de Islam" genoemd, nl. in
de mate dat het christelijke concept van de "vleeswording" (incarnatie,
cf. Johannes, 1:14) zijn tegenhanger vindt in wat men de
"boekwording"
('illibratie', a.h.w.) in de islam zou kunnen noemen. Het gaat
in beide gevallen inderdaad om een 'aardse' manifestatie van het transcendente.
Anders gezegd: de koranieke tekst vormt géén document, kroniek
of 'blijde boodschap' óver Muhammads missie en prediking (zoals
de Evangelies over Jezus). Zoals Akhtar aangeeft,
"(de Koran) is veeleer
zélf de geopenbaarde werkelijkheid die wijst naar haar openbaarder, God,
die spreekt doorheen het heilige boek... Het moslimse openbaringsbegrip
zou kunnen gekarakteriseerd worden als kerygmatisch;(87)
de
geschreven openbaring, in een heilige taal, vormt de spil waarrond het
geloof is georganiseerd. De gelovigen moeten zich laten leiden door het
boek".(88)
's Mensen heil (niét 'verlossing', want
geen 'erfzonde') ligt dus in het Boek en alléén in het Boek. In de
Koran maakt God Zijn bedoelingen met de mens bekend: "daarmee geeft de Koran
aan het leven zin en betekenis"; tegelijkertijd is de Koran een gids
of "goede leiding" (hudâ) op de weg die de mens,
overeenkomstig Gods beschikking (qadar), moet volgen naar zijn/haar heil
(Platti, 1998:37-38).
In onderscheid, dus, met judaïsme en christendom is het menselijke heil in de
islam "niét afhankelijk
gemaakt van de komst van een Messiaanse figuur die zelf als redder zal
optreden" (Van Koningsveld 1997:182).
Die kapitale rol van de Schriftuur,
aldus nog Akhtar, maakt islam in zekere zin tot "een intellectuele
religie par excellence". In de reële sociale context, vanzelfsprekend,
en in de praktijk van het dagdagelijkse bestaan kwam en komt dat erop neer
dat we met betrekking tot de (schriftuurlijke) islam ook van een "intellectuelenreligie"
zouden kunnen gewagen: religieuze autoriteit is er voorbehouden aan wie
de nodige kennis heeft, d.w.z. aan de câlim ('godgeleerde', meervoud
ulamâ')
- zulks in contrast met de priester (clericus) in het christendom
(priester die magisch-religieus gewijd is door een speciaal sacrament
en
om die reden als een metafysische bemiddelaar kan en moet fungeren - bv.
in de biecht - tussen God en de lekengelovige). In het leven van de 'gewone'
moslimgelovige, zeker wanneer hij van eenvoudige en weinig geletterde komaf
is, speelt de Koran veeleer een symbolische rol. Anders gezegd,
hij fungeert wel degelijk als universele richtsnoer en kennisbron voor
'islamitisch' handelen en oordelen en ook wordt er voortdurend justifiërend
naar gerefereerd, maar die betekenis is meestal niét gebaseerd op een gedegen persoonlijke
kennis van de koranteksten. Zoals Marjo Buitelaar het formuleert
in een bijdrage over de rol van de Koran in het leven van vrouwen in een
volksbuurt van Marrakech, De koran in het dagelijks leven in Marokko
(1993), p. 113:
"Het boek fungeert als
een summarizing symbol: het representeert en vat op relatief ongedifferentieerde
en emotioneel overtuigende wijze samen wat het islamitisch systeem voor
moslims betekent. (Dagelijkse) verwijzingen naar de koran (hebben) dan
ook vooral de symbolische functie te refereren aan zuivere islamitische
handelswijzen en kennis".
In die context wordt het effectief consulteren
en zo ook het reciteren van de Koran overgelaten aan (bijna altijd mannelijke)
experten. Algemeen vinden Koranrecitaties voornamelijk plaats in groepsverband
en bij bijzondere gelegenheden, zoals tijdens de ramadanmaand (Buitelaar, 1993:114). In de eigenlijke
liturgie of cultus, tenslotte, met name in het dagelijkse gebedsritueel, is de rol
van de Koran eerder beperkt te noemen (zie verder, §4
en § 6).

NOTEN
45bis. n' Beetje paradoxaal (cf. de langere gemiddelde levensduur van de
moderne mens, althans in het Westen), is de leeftijd van 40 jaar voor de moderne
mens 'problematisch' geworden (cf. de beruchte "diable du midi"). Voor de
ouden, echter, situeerde zich op die leeftijd juist iemands "bloei"
(Latijn: floruit), althans voor een man. Verwijzen we ter illustratie
naar het bekende feit dat de chronograaf, Apollodoros van Athene (midden 2de
eeuw vK), in het geval van gebrek aan concrete informatie, deze leeftijd
hanteerde om iemands "hoogtepunt" (Grieks: akmè) te 'dateren';
nogmaals bij gebrek aan concrete informatie, werd ook de bekends
prestatie/publicatie, enz. van een bepaalde auteur of personage aan die leeftijd
gekoppeld (bv. Platoons stichting van zijn "Akademie").
Zie op deze site. - Nog in de Qur'ân
vinden we deze zelfde visie op de menselijke levensloop vertolkt, cf. s. 46:15: ¶ En wanneer (de mens)
dan volgroeid is en veertig jaar wordt...".
46. In een grot van de Hirâ'-berg,
ongeveer 12 km ten N. van Mekka. Muhammad - aldus de biografische traditie
- placht zich daar in eenzaamheid terug te trekken om er te mediteren.
47. Later zou Muhammad het inzicht
verwerven dat nooit God zelf maar steeds diens aartsengel, Gabriel (Jibrîl),
in Gods opdracht tot hem verscheen en sprak.
48. Muhammad zou gereageerd hebben met: "Ik kan niet lezen", of gevraagd hebben:"Wàt
zal ik oplezen?" (Arabisch: mâ aqrac), Jansen, 2005:53 en
p. 59, waar hij verwijst naar Jesaja, 40:6). Het woord "qur'ân" is hoogstwaarschijnlijk
verwant met het werkwoord qara'a, yaqraa ("opzeggen", nadien ook:
"lezen"), en betekent zoveel als "opzegging, reciet, oplezing,
verkondiging"
(zie ook
verder). Volgens het
latere, traditionele verhaal zou aartsengel Gabriël Muhammad een beschreven (span)doek hebben
voorgehouden en vervolgens voorgelezen. Over woordbetekenis en bijbels/hebreeuws precedent, zie ook Platti
(2000), pp. 48-49.
49. In de (wat minder plechtig klinkende,
want vlottere) meer recente vertaling van Leemhuis: ¶ Lees voor in de
naam van jouw Heer die heeft geschapen (2) Geschapen heeft Hij de mens
uit een bloedklonter (3) Lees voor! Jouw Heer is de edelmoedigste, (4)
die onderwezen heeft met de pen. (5) Hij heeft de mens onderwezen wat hij
niet wist".
De verzen worden traditioneel als de oudste Korantekst
beschouwd, maar zekerheid hieromtrent is er niet. Ook s. 74, 1-7, wordt
soms vermeld: ¶
O jij ommantelde! Sta op en waarschuw. Jouw Heer, verheerlijk
Hem. Jouw kleren, reinig ze. De gruwel, vermijd die. Doe niet wel om meer
te krijgen. En op jouw Heer, wacht geduldig. Zie K.Wagtendonk, in:
Waardenburg (1994),p. 55; ook F. Leemhuis (1994), p. 69; Gätje (1997),
p. 5 (met verwijzing naar klassieke Koranexegeten); Platti (2000), p. 47.
50. De Muhammad-biografie (sîra)
van Ibn Ishâq heeft het over aanvankelijk strikt persoonlijke openbaringen
aan Muhammad; pas na drie jaar kreeg hij de opdracht in het openbaar te
gaan prediken. "Dit kan overeenkomen met het groeiend besef van zijn
roeping",
aldus Wagtendonk, l.c.
51. Op één uitzondering na (namelijk sura 9, "het Berouw"), beginnen alle sura's met de bekende basmalâ- formule:
"bi smi llâhi er-rahmân er-rahîm", d.w.z. "in naam van God de
barmhartige erbarmer" (ter illustratie:
kalligrafie door de Gentse meester Kakayi). In tegenstelling tot
de 'vulgaire' westerse visie, die de god van de islam pleegt te vereenzelvigen
met tirannieke willekeur en wreedheid, staat in het moslimse godsbegrip
juist Gods "barmhartigheid" centraal (ten bewijze: de vergiffenis
van Adams zondeval en de afwezigheid in de islam van een erfzonde). De
persoonlijke relatie van de mens tot God wordt bepaald door zijn/haar geborgenheid
in Gods rahma. Deze laatste heeft zich, binnen het Convenant (mithâq)
met de mens (zie verder), a.h.w. tot geen andere handeling of eigenschap
verplicht dan tot rahmâ. Vandaar precies dat ze ook de enige eigenschap
is van God, die in verbinding met zijn naam tot een sacrale, vaste formule
is geworden, de "basmalâ";
ze werd en wordt zowel in de kunst (de
kalligrafie) als in het officiële en het dagelijkse leven (bv. in de aanvang
van brief, bij de start van een toespraak, boven huisdeuren, enz.) ontelbare malen gereproduceerd. Zie
Falaturi (1988), pp. 33-34. R. Arnaldez,
"Les éléments bibliques du Coran
comme source de la théologie et de la mystique musulmanes" (1985), pp.
49-53, stipt aan dat, vergelijkbaar met de joodse Bijbel, Gods liefde voor
de mens ook in de Koran regelmatig wordt uitgesproken; de orthodoxe wetgeleerden,
nochtans, achtten 'liefde' een te menselijke eigenschap (wie lief heeft,
heeft de beminde nodig), om toepasselijk te zijn op de transcendente God.
De thematiek van de liefde van en voor God is echter voluit ontwikkeld
door de moslimmystici (Soefisme).
52. De woordgroep komt 86 maal voor
in de Koran (vergelijk met 'profeet': 80 maal). Zie Hanafi (1996), pp.
208-209.
53. In het woord 'eschatologie'
erken je het Griekse woordje éschaton, "laatste, uiterste". Het
gaat dus om voorstellingen omtrent het zgn. 'Eindgericht', de 'Eindtijd',
enz. - vgl. de andere Griekse term apokalypse (letterlijk: "openbaring,
onthulling"), die er vaak aan gekoppeld wordt. - Andrew Rippin, The
Commerce of Eschatology
(1996), p. 125, merkt op dat, hoewel eschatologie
er (uiteraard) een belangrijke rol in speelt, in vergelijking nochtans
met bv. het boek Daniel in de joodse Bijbel of met de christelijke
zgn. Apokalyps van Johannes (niet te verwarren met het Johannes-evangelie),
de Koran daarop veel minder sterk de nadruk legt: "Het apokalyptisch
gevoelen, hoewel aanwezig...., is niet sterk in de Koran" (contrasteer ook
met Augustinus: wij leven "in het laatste uur"). Een mogelijke
verklaring daarvoor is wellicht de afwezigheid van de notie van de erfzonde
en de (ermee verbonden) nood aan verlossing: "Bijgevolg, is in de Koran
de dag van het laatste oordeel niét het doel van de schepping als zodanig:
hij blijft een niet nader bepaalde tijd in de toekomst" (mijn vertaling).
54. Deze bezweringsformules (muqsam),
afkomstig uit de traditie van waarzeggers en zieners (zgn. kâhin),
spelen een belangrijke, functionele rol in de betreffende sura's: zij zorgen
vooraf a.h.w. voor de instemming en de juiste psychische ingesteldheid van de
toehoorders met betrekking tot de (meestal eschatologische) inhoud die
erop volgt en die betrekking heeft op de maatschappelijke werkelijkheid;
ze helpen dus de dialectische verhouding tussen openbaring en realiteit
te overbruggen. Zie de bijdrage over dit onderwerp van Lamya Kandil (1996).
55. In Kramers wat meer archaïsche
taal: ¶Voor de vrezenden is er een plaats van gelukzaligheid; Tuinen
en wijnranken, En gezellinnen met zwellende borsten, En welgevulde bekers....Zie
ook s. 37, 40-49; 56, 27-40. Uit deze beelden blijkt de positieve waardering
van de islam voor seksueel genot, weliswaar in de eerste plaats voor mannen.
"Wat
vrouwen in de hemel als beloning vinden, behalve hun liefhebbende echtgenoot,
is (veel minder) duidelijk", aldus Willy Jansen, Islam
en seksualiteit, in: Driessen (1997), p. 142.
56. Dat gold daarom niet voor zijn
volgelingen (zeker niet voor de slaven), die niet konden rekenen op die
clansolidariteit (cf. overgeleverde verhalen over vervolging, marteling, e.d.). Reeds
rond 615, daarom, zou Muhammad enkele tientallen
van zijn volgelingen hebben doen uitwijken naar Ethiopië; ze zouden er
erg gastvrij ontvangen zijn door de Negus (volgens sommige bronnen zouden zij
zich nadien bekeerd hebben tot het monophysitische christendom; volgens andere
zouden zij jaren later teruggekeerd zijn). Zie nu, over deze eerste hijra,
Jansen, 2005:131-135.
57. Yathrib - in feite een complex van oases - was oorspronkelijk een joodse
vestiging. Behalve drie joodse clans, leefden er bij Muhammads komst twee
'heidense' clans. Later alvast kreeg de vestiging de naam van Madînat
an-Nabî, "Stad van de Profeet", of kortweg Madîna ("madîna",
zo leert ons Jansen, 2005:194, betekende oorspronkelijk zoveel als "plaats
waarin één dîn geldt"). Wegens de
aanwezigheid van joodse clans, zo kan vermoed worden, waren ook de heidense clans er vertrouwd
met monotheïstische ideeën en schriftuurlijke tradities. Vanuit Medina konden de
noordelijke karavaanroutes van en naar Mekka gecontroleerd (en dus ook bestookt)
worden; vandaar de militaire reactie van de Mekkanen. Medina bleef de 'hoofdstad'
van het jonge moslimrijk tot aan de opkomst van de Umayyadendynastie (verhuis
naar Damascus).
58. Om geen achterdocht te wekken, zo wordt verteld,
vertrokken de muhâjirûn in kleinere groepjes. Een vrijwillige breuk
met de eigen verwantschapsstructuren had binnen de tribale samenleving desastreuze, quasi suïcidaire implicaties: men werd een vogelvrij verklaarde of outlaw.
Enige omzichtigheid was dus geboden. Muhammad zelf zou als bijna laatste
vertrokken zijn (samen met Abû Bakr; cÂlî volgde drie dagen later);
hij kwam dus toe in Medina "op het moment dat zijn aanhang daar, opgelucht
over zijn komst, in volle sterkte aanwezig was" (Jansen, 2005:206).
De traditionele datum voor zijn aankomst in Medina is de twaalfde van de maand
Rabii' al-Awwal (de dag geldt ook als Muhammads geboorte- en sterftedag).
59. Spreek uit: [hidjra]; werd in
het Latijn verbasterd tot "Hegira". Het Arabische woord "(betekent)
letterlijk het doorsnijden van de stambanden", Wagtendonk, in: Waardenburg
(1994), p. 59. Zoals bekend, zou de latere islamitische jaartelling deze
gebeurtenis als vertrekpunt nemen. - Zie het art. "Hijrah",van Imtyaz
Yusuf, in OEMEW, vol. 2, pp. 111-112. De hijra-symboliek
was en is bij uitstek geschikt om zin te helpen geven aan emigraties uit
het geboorteland. Ook de 'vrijwillige' emigratie van vele honderdduizenden
moslims in de 2de helft van de 20ste eeuw naar de westerse industrielanden
laat zich in zulke religieuze termen duiden - zij het dat dit onvermijdelijk
een nieuwe dimensie geeft aan het paradigma. Dat is bv. het perspectief
van
M.S.Raza, directeur van het Islamic Centre in Leicester (UK); zie
N.Landman, in: Driessen (1997), pp. 401-402. Tenslotte heeft hijra
ook
een politiek- ideologische dimensie gekregen in het discours van islamistische
denkers als al-Mawdûdî (1903-1979) en Sayyid
Qutb (1906-1966, ontpopte zich tot ideoloog
van de Egyptische Moslimbroeders): de hijra wordt door hen geherinterpreteerd
als een afwijzing van de nieuwe zgn. jâhiliyya
van de hedendaagse,
geseculariseerde moslimse natiestaten. Volgens hun extremistische epigonen
vandaag - de zgn. jihadisten - moeten politieke leiders als Nasser, Sadat, Mubarak enz. worden
bestreden als nieuwe "farao's"; de echte moslims moeten zich in een nieuwe
hijra
uit die niet-islamitische samenleving terugtrekken in afgelegen communes,
in de woestijn; van daaruit moet dan de bestaande politieke orde met alle
middelen worden omvergeworpen (zie op deze site). Het
hijra-begrip kreeg daarmee in
de post-koloniale periode een "intra-Muslim political significance",
zo Yusuf, o.c., p. 112.
60. Zoals gezegd: de zgn. "muhâjirûn" of "hijra-mensen
(van de Quraysh)".
61. (Gedeeltelijke) vertaling en
bespreking bij Van Koningsveld (1997), pp. 200-205. Volledige (in de openingsparagraaf
afwijkende) vertaling in Raven (2000), 110v. Jansen, 2007:32, merkt op dat de
joods-islamitische gemeenschap hier mogelijk impliciet wordt afgezet tegen de
christenen.
62. Wat niet per se wil uitsluiten dat Muhammad reeds in Mekka 'politieke' aspiraties
zou hebben gehad (het tegendeel ware abnormaal geweest). In de hedendaagse
discussies, weliswaar, wordt door sommige, vernieuwende moslimauteurs benadrukt
dat (a) de Koran géén 'politiek project' bevat (cf. reeds de Egyptenaar
Ali cAbd al-Raziq, in zijn belangrijke boek van 1925, "De
Islam en de Grondbeginselen van het Staatsgezag"; nog enkele jaren
geleden opnieuw vertaald in het Frans, Parijs 1994); en/of (b) het (menselijke)
optreden van Muhammad als 'staatsman' moet onderscheiden worden van zijn
optreden als (goddelijk geïnspireerd) profeet: alleen in deze laatste hoedanigheid
geldt hij als 'onfeilbaar' (macsûm ) - en dat onderscheid
werd al gemaakt door zowel Muhammad zelf als door zijn gezellen: zie Tariq
Ramadan (1999), p. 50 n.1. - PS De reële politieke draagwijdte van het
medinensische gebeuren, ten tijde van Muhammad, wordt door Maurits Berger
(2006:94) sterk gerelativeerd: "Het Medina van de zevende eeuw was namelijk
geen 'staat', maar een dorp... De kleine gemeenschap van Medina, waar iedereen
elkaar kende en de profeet als dorpshoofd een centrale rol speelde...".
63. Meer nog, misschien, dan zijn
militaire overwinningen, was Muhammads politiek van allianties verantwoordelijk
voor dit succes. Deze allianties berustten op een volledig nieuw principe:
hij ging ze niet aan, zoals traditioneel, als een tribale sheikh maar steeds
uitdrukkelijk als
rasûl Allâh, "boodschapper van God" . Dat
gaf aan elke alliantie met hem een kwaliteit die fundamenteel verschillend
was van de traditionele bondgenootschappen. Zie Falaturi (1988), p. 57.
64. Altijd al mobiel en roofzuchtig
(cf. de ecologische dwangmatigheden), hadden deze nomadische stammen hun
'militair potentieel' eeuwenlang 'verspild' in minder of meer kleinschalige
oorlogen, raids en bloedvetes. Pas Muhammads verkondiging, en het gebruik
dat hij ervan maakte, gaf aan de disparate groepen die grote en unieke
(ook: voorbijgaande) samenhang van collectieve doelgerichtheid zonder dewelke
deze bedoeïenen nooit een wereldrijk hadden kunnen veroveren (zo Cook 1996,
pp. 85-86).
65. Vgl. s. 33 v. 40: ¶ Muhammad... is Gods
gezant en het zegel van de profeten. Het betekende voor de toehoorders
oorspronkelijk wellicht enkel dat hij de vorige profeten bekrachtigde,
zo Watt,
Islamic Creeds, 1994, p. 18. PS: Ook Mani had zoveel eeuwen eerder al de
titel van "het zegel der profeten" voor zich opgeëist. Ook Jezus' belofte
van de komst van een "Parakleet" (in Johannes, 14, 26) is door Mani zowel
als door Muhammad op zichzelf betrokken (zie s. 61,6, waar weliswaar een variant
van Muhammads naam, "Ahmad", gebruikt wordt). Zie Platti (2000), p. 171.
66. Vgl. met de Macedoniërs, in
de 4de eeuw vK: ook zij vertrokken van een situatie van "outsiders"
aan de rand van de geciviliseerde, Griekse wereld. Cf. Fowden (1993), pp.
138-139:"What Alexander did share with Muhammad and his successors was
an origin, in a vigorous and wealthy but culturally ambiguous society,
at the edge of the civilized world. They were outsiders in relation to
what they conquered, near enough to appreciate and covet the prize, remote
enough to dispose of military potential their victims had not already tapped
- the tough infantry of Macedonia and neighboring regions, the nomad warriors
of Arabia".
67. Cf. Berque (1985), pp. 19-20:
"Cette
accentuation de la rationalité... Comment ne serait-on pas frappé du fait
que, dans le Coran, le mot raison, ou le verbe de même racine, revient
49 fois?"
Ook (dominikanertheoloog) Anawati (1971), p. 199, bestempelt
de moslimtheologie als "foncièrement rationaliste". Voor de christelijke
kerkvaders en theologen, daartegenover (bv. Augustinus, Anselmus...), kwam
éérst het
geloof (fides) en pas eventueel nadien een (betrekkelijke
mate van verstandelijk)
begrip of inzicht (intellectus): cf. de bekende augustiniaanse
leuze, "fides quaerens intellectum", "geloof op zoek naar begrip". Over
de grote aantrekkingskracht die de islam altijd gehad heeft op christenen,
cf. Akhtar (1989), pp. 9-10:
"the rate of conversion from Christianity
to Islam is the highest of any inter-faith movements, often attracting
highly distinguished individuals". De juistheid van deze (dubbele)
bewering is natuurlijk moeilijk te verifiëren, maar de schrik alvast voor
de "verleiding" door de islam was altijd zeer sterk aanwezig in
de eeuwenoude, christelijke islamofobie. Ook vandaag, al dan niet geseculariseerd,
lijkt zij nog een erg reële rol te spelen - hoe anders de emotionaliteit
bv. inzake de hoofddoek te begrijpen?
68. Wat blijft, is het mysterie,
het "verborgene" (ghâ'ib - betekent ook 'afwezig') van de
goddelijke transcendentie: in zoverre God absoluut transcendent is, onttrekt
hij zich in zijn wezenheid aan elk menselijk begrip: ¶ Niets is aan
Hem gelijk (s. 42, 11). Vandaar een
sterke voorkeur in de islamitische theologie voor een vorm van zgn.
"via negativa". Het bestaan van God, daarentegen (dus: dàt hij is,
niét: wàt hij is), wordt als rationeel aantoonbaar beschouwd. Evenzo verschaffen
de "tekens" (âyât) in de schepping en de openbaring aan de mensen een (verstandelijke)
mogelijkheid om God voldoende naderbij te komen om zich te kunnen "overgeven"
aan de goddelijke zingeving.
69. Opvallend genoeg, komt het nomen actionis,
"islâm", als zodanig slechts achtmaal voor in de Koran, waarvan zesmaal in een medinensische sura (Platti, 2000: 217);
maar als we ook de afgeleide vormen erbij rekenen, gaat het om 'n 70-tal verzen.
In enkele ervan kàn het woord begrepen worden als naam, i.e. voor
Muhammads historische verkondiging (bv. s. 5, 3). Van Koningsveld (1988), pp.
73-74, betoogt dat in de Koran (bv. s. 39, 29) het gebruik van het woord
"islâm"
zo
goed als de betekenis heeft van "monotheïsme", d.w.z. het tegengestelde
van "shirk" (het "associëren" aan God van partners
die
zelf ook recht hebben op verering): "muslim" is dan wie "volledig
en exclusief God dient"; zie ook Van Koningsveld (1997), pp. 196-197.
De technische term die nadien vooral gebruikt werd, is tawhîd,
"de bevestiging van Gods
een(igh)heid" (het
cijfer 'één' luidt in het Arabisch wâhid). De termen 'islâm'
en
'muslim' hebben in feite twéé betekenissen, een brede en een enge:
iédere mens die zich "toevertrouwt" aan de ene God (en dat geldt voor iédere
mens bij zijn of haar geboorte), dus ook zónder kennis omtrent de Profeet
of de Koran (bv. omdat hij of zij te vroeg leefde), is 'muslim'
in de brede zin van het woord; pas in de enge zin ervan, geldt het voor
iemand die zich, na kennisname, bekend heeft tot de umma van Muhammad.
Terwijl een niet-moslim de woorden "islâm" en "muslim" gewoonlijk
zal verstaan als verwijzend naar de specifieke religie van Muhammad, zal voor
een moslim de bredere betekenis steeds meeklinken (zie Murata & Chittick, 1994,
p. 4 e.v.; ook infra, in verband met de twee onderdelen van de shahâda,
kap. 6.5).
70. Het Arabische woord, Allâh, bestaat eigenlijk uit het lidwoord al, "de", en het substantief
ilâh, "god". Klaarblijkelijk werd de naam ook al vóór Muhammad gebruikt in een soort
van algemene betekenis (cf. de naam van zijn vader, cAbdallâh, "dienaar
van Allah").
Mede omdat de islam zich uitdrukkelijk tot dezélfde 'God' bekent als judaïsme
en christendom en Arabisch sprekende joden en christenen hetzelfde woord
gebruiken, bestaat er geen reden om, zoals dat soms nog gebruikelijk is,
het woord "Allâh" als een soort van wat exotische eigennaam te hanteren.
Zie Falaturi (1988), p.31; Van Koningsveld (1988), pp. 9-10; Leemhuis (1993),
p. 102. -- Behalve "Allâh" komt met
name in de sura's van de tweede mekkaanse periode ook de naam "al-Rahmân",
"de Erbarmer", frequent voor: bv. s. 55, die "al-Rahmân" als titel
draagt; ook s. 2, "al-fâtiha", en in de basmalâ-formules die alle
sura's (met uitzondering van s. 9) inleiden. Betekenisvol is hier wellicht het
feit dat blijkens inscripties "Rahmanan" vanaf de 5de eeuw de naam was van
God voor joden en christenen in Jemen. Zie Platti (2000), pp. 71-73. Zijns
inziens worden in de basmalâ ("bismi Allâh al-Rahmân, al-Rahîm", "in de naam
van...") twéé 'eigennamen' van God naast elkaar geplaatst, gevolgd door
diens
belangrijkste attribuut, al-rahîm, "de genadevolle".
71. Muhammads radicale monotheïsme (dat
het geloof aan engelen en geesten nochtans niet uitsluit) heeft wellicht pas in
de loop van zijn prediking een duidelijker vorm aangenomen (vgl. met de ontwikkelingen
binnen het jodendom). Mogelijk om tot een (voorlopig?) compromis te komen
met de Mekkanen, zou hij in een openbaring (na de verzen 19-20 van s. 53),
de drie mekkaanse godinnen, al-Lât, al-'Uzza en Manât, "dochters van Allah" (banât Allâh),
erkend hebben als middelaressen voor de goddelijke genade ("zij zijn
de verheven kraanvogels, op wier bede men waarlijk mag hopen"). Die
toegeving aan de oude opvattingen zou hij later ingetrokken hebben, met
het argument dat God hem middels Gabriel duidelijk had gemaakt dat voornoemde
verzen hem door de Satan waren ingefluisterd (cf. s. 53, vv. 21-23, waarin
de opvatting dat God dochters heeft, uitdrukkelijk wordt afgewezen). Dat de mens
Muhammad, evenals vorige profeten, inderdaad vatbaar was voor manipulatie
vanwege de Duivel, wordt uitdrukkelijk erkend in s. 22, 52: ¶ "En Wij hebben
voor jouw tijd geen gezant of profeet gezonden zonder dat de satan hem, wanneer
hij iets wenste, iets (om) volgens zijn wens (voor te lezen) had ingegeven. Maar
God schaft af wat de satan ingeeft en dan stelt God Zijn tekenen eenduidig vast".
De
titel van Salman Rushdie's roman, The Satanic Verses, is zoals bekend
een allusie op die goed betuigde traditie (zie o.m. de historiograaf, al-Tabarî,
ca 939-923); door moderne moslimcommentatoren wordt ze weliswaar verworpen. Zie
Platti (2000), pp. 73-75.
72. Dergelijke vorm van polytheïsme onder
één oppergod wordt wel eens "henotheïsme" genoemd; volgens Crone 2006 moet zelfs
van monotheïsme worden gesproken. Sommige historici, echter, menen dat de naam "Allâh" gebruikt werd in een brede, vage betekenis, voor "godheid" in het algemeen (vgl. met theós, in het Oud-Grieks). Naast
de drie hoger genoemde godinnen, werd tot aan Muhammad in Mekka alvast ook de
eigen stamgod Hubal vereerd. Algemeen nochtans moet worden vastgesteld dat we
weinig of niets weten over de details van de religieuze presentaties en
vormen die golden in de jâhiliyya. Zie ook Platti (2000), Ch. 3: "Le
polythéisme de la Mecque". - Wat de
Kacba
(letterlijk: "kubus") zelf betreft, Muhammad zou actief betrokken
geweest zijn bij een herbouwing ervan, ergens rond 605, dus vóór zijn roeping (één van de twee deuren
ervan werd gesloten; de overblijvende werd een eind boven de grond verplaatst);
zie Peters (2003), pp. 38-39.
73. Vert. van Kramers; in Leemhuis'
vertaling:¶ Zeg: Hij is God als enige (ahad), God de bestendige. Hij heeft
niet verwekt en is niet verwekt En niet één is er aan Hem gelijkwaardig.
Jansen, 2005:122, die Kramers volgt, acht
hier een verwijzing mogelijk naar de bijbel, Deuteronomium, 6:4 ("Hoor
Israël: De Here is onze God. De Here is één"). -
Zie
ook het manende s. 4:171, dat ook op de Koepel van de Rots in Jeruzalem is weergegeven. Vreemd genoeg wordt in een
Koranpassus, 9:30-31, ook aan het judaïsme verweten aan God "een zoon"
te hebben toegewezen: ¶ En de joden zeggen: 'Uzair [Ezra] is Gods zoon'
en de christenen zeggen: 'De masieh is Gods zoon'. Dat is wat zij met hun
monden zeggen. Zij benaderen zo wat zij die vroeger ongelovig waren zeiden.
God bestrijde hen, hoe kunnen zij zo afwijken! Zij namen hun schriftgeleerden
en hun monniken tot heren in plaats van God en ook de masieh, de zoon van
Marjam. En hun werd slechts bevolen één God te dienen... (L) Aansluitend,
blijkbaar, bij een aantal zgn. apocriefe christelijke teksten, kan in de Koran
een tendens tot vereenzelviging worden vastgesteld van de Heilige Geest met de
Moeder van Jezus, zie s. 5:116: ¶ O 'Isa, zoon van Marjam, heb jij tot de
mensen gezegd: 'Neemt mij en mijn moeder tot goden naast God?'. Zie hierover
Platti (2000), pp. 174-175. De christelijke triniteitsleer werd vandaar begrepen
"als zou het gaan om een soort goddelijk gezin, bestaande uit God, Maria en
hun zoon Jezus", Adang (1997), p. 228. De 'onbevlekte ontvangenis', nochtans,
middels Gods "Geest" (rûh), wordt bevestigd, maar zonder dat dat Gods
vaderschap impliceert (s. 19, "Sûrat Maryam", vv. 16-26, 35 en 88-91).
De kruisiging van Jezus, tenslotte, wordt ontkend - een beetje vreemd, want dat
gebeurt vanuit de zgn. "docetische"
positie (die precies gebaseerd was op de goddelijkheid van Jezus
Christus): niet Jezus zelf, maar slechts een schijnbeeld (letterlijk:
iets "wat hen zodanig leek") van hem werd aan het kruis genageld, s. 4:157 [zie Platti (2000), p. 174; mogelijk speelde hier manicheïsche invloed mee:
reeds Mani nam dergelijke positie in]; wel werd Jezus na zijn dood door God ten hemel
opgenomen, zie s. 3:55.
74. Falaturi, l.c., tekent verzet
aan tegen de ingeburgerde vertaling van "islâm" als "onderwerping
aan de Wil van God". Die vertaling strookt niet met de begripsinhoud
van het Arabische woord (de 4de stam van de wortel s-l-m betekent
"heel-",
ongedeerd-zijn"; cf. salâm, "vrede"). Dergelijke vertaling
heeft z.i. geleid tot (islamofobe) theologische en antropologische interpretaties,
die niet beantwoorden aan het wezen van de islâm in de koranieke
zin. [Voor een beknopt overzicht van de verschillende interpretaties van "islam"
in de literatuur, zie de webpagina: http://notendur.centrum.is/~snorrigb/islam2.htm.]
75. S. 47,19 en 48,2 wordt hem zijn
"boosheid"
verweten,
en vervolgens vergeven. Behalve tegen Muhammad wordt ook tegen de andere
profeten,
telkens het past, "de goddelijke vinger" (Akhtar) opgeheven. Er
is slechts één uitzondering: Jezus. Noch in de Koran noch in de Hadîth
wordt hij bekritiseerd. Zie Akhtar (1990), p. 229 n. 2.
76. Toch is er hieromtrent in de
Koran een betrekkelijke ontwikkeling, vooral dan in de sura's van Medina,
waar Muhammad uitdrukkelijk niet louter als 'gezant' (rasûl) maar
ook als 'profeet' (nabî) wordt bestempeld (zie hoger),
en zijn persoon een zekere aura krijgt (allicht in het kader van een ideologische
versterking van zijn politiek leiderschap). Het verst hierin lijkt s. 33,
56, te gaan: ¶ God en Zijn engelen zegenen de profeet. Jullie die geloven!
Zegent hem en groet hem door hem vrede toe te wensen (in v. 40 van
dezelfde sura wordt hij ook verheven tot 'het zegel der profeten').
Opmerkelijk is dat ook dit vers (s. 33, 56), dat dus zo ver gaat in de
'toenadering' van de persoon van Muhammad tot de middelaarsrol van Jezus
in christelijke context, verschillende keren figureert onder de Koraninscripties
op de Koepel van de Rots in Jeruzalem
(voltooid in 691/2, zie de pagina met afbeelding
en meer uitleg). Zie hierover Angelika Neuwirth (1996), p. 95.
77. Weliswaar telkens aangepast
aan tijd en omstandigheden (bv. wat de taal betreft).
78. Zie ook s. 33, 21: ¶ Jullie
hebben toch in Gods gezant een goed voorbeeld voor wie op God en de laatste
dag hopen en God veel gedenken (L).
79. Zie Rippin (2001), pp. 51-53. Een treffend voorbeeld van
literaire verheerlijking is te vinden
"in de slotbede van het beroemdste religieuze gedicht van
de islam, het 'Lied van de Mantel'", van de 13de eeuwse Egyptische
dichter Al-Busîrî. Zie vertaling bij Van Koningsveld (1997), p. 157.
80. De verering van de Profeet
is altijd heel sterk geweest in de Indisch-Pakistaanse islam, zo bijvoorbeeld
in de Barelwi-beweging (gesticht door Ahmad Riza Khan, 1856-1921;
zij is vandaag ook in de UK sterk ingeplant, bv. in Bradford): er wordt
gesproken van het
"licht van Muhammad", en de wereld zou door God
eigenlijk geschapen zijn ten gerieve van deze Profeet. Met name die Barelwi-beweging
is er vaak van beschuldigd Muhammad te vergoddelijken. Het is bijgevolg
geen toeval dat precies in deze middens de Rushdie-affaire zoveel ophef maakte.
- Ook in Marokko wordt het geboortefeest van de Profeet, de mûlûd
(in
het Marokkaans), gevierd als een belangrijke religieuze gelegenheid (op
de 12de dag van de maand rabîc al-awwal). De nachtelijke
wake in de moskee die erop volgt, is de gelegenheid voor een groepsrecitatie
van de Koran. Zie Marjo Buitelaar, De koran in het dagelijks leven in
Marokko (1993), p. 115.
81. Ook al beschouwen zij zich als
"de
gemeenschap van Muhammad" (al-umma al-Muhammadiyya), dan maken de moslims
toch terecht bezwaar tegen de benaming "Mohammedanen" die hen eeuwenlang
door westerlingen, naar het model: Christus=christendom=christenen, werd
opgelegd (ze duikt nog altijd regelmatig op). Van een met de christelijke
situatie vergelijkbare relatie, Muhammad=islam, is helemaal geen sprake.
Zie Akhtar (1990), p. 222 n. 1 (met o.m. als commentaar: "It is unfortunate
that some Christian and non-Muslim critics resolutely refuse to see the
excellent reasons for this rejection").
82. De uitsluiting als 'niet-islamitisch'
van de Ahmadiyya-beweging door het Pakistaanse parlement in 1974
berustte op de claim dat de stichter ervan, Mîrzâ Ghulâm Ahmad (ca 1839-1908),
een soort van 'profeet' was (in onderscheid met de zgn. Qadiani-tak ervan, heeft de
meer gematigde Lahore-tak afstand gedaan van die claim). De Ahmadiyya is
ook vandaag nog één van de meest actieve missionaire bewegingen (o.m. in
Nederland), met een enorme productie aan publicaties in alle mogelijke talen
(ook vertalingen van de Koran), maar ze wordt in de rest van de moslimwereld vrij algemeen
als 'niet-moslim' beschouwd (zie ook op
deze site).
83. Aartsengel Gabriël, zou je kunnen
zeggen, vervult althans een aantal functies die in het christendom door
de H.Geest worden waargenomen, maar hij blijft een louter 'functionaris'
van God. - In de shî citische strekkingen, nochtans, is de islam
ook nà Muhammad een 'profetische religie' gebleven, nl. in de gedaante
van de opeenvolgende imâms, afstammend van cAlî. De cyclus
van de profetie is weliswaar afgesloten met Muhammad, maar deze laatste
vormde de start van een nieuwe cyclus: die van het 'imamaat', of de walâyat,
d.w.z. de "spirituele initiatie". Het shîcisme vormt
een kleine minderheid, in vergelijking met het soennisme (amper een 15%).
84. Over het belang van het koranieke
taalgebruik, in dit verband, zie verder .
85. In het christendom, zo zouden
we kunnen zeggen, gaat het niet om de boodschap maar om de boodschapper
(cf. Akhtar, o.c., p. 228 n. 63, over deze 'shift', in vergelijking
met judaïsme en islam).
86. Falaturi (1988), p. 39, waarschuwt
voor dit soort van vergelijkingen tussen Koran en Jezus: God is géén
'boek' (of 'papier') geworden!
87. Het Griekse woord 'kèrugma'
betekent
"verkondiging, proclamatie, oproep". Op basis van het gebruik
van de woordgroep in de brieven van Paulus (bv. 1Cor 1:23: "wij
verkondigen Christus, de Gekruisigde"), geldt het als een technische
term in de evangeliestudies: nl. in de zin van initiële verkondiging-én-oproep
om zich te bekeren, in onderscheid met 'onderrichting' ('didachè')
in de leer, volgend op de bekering. Voor toepassing ervan op de islam,
zie ook Jacques Berque (1985), p. 21: "L'Islam... ce sera un message
dogmatique le ramenant de proche en proche à un appel initial, à un '
Kérygme'...". -- Volledigheidshalve moet er hier reeds even op gewezen
worden dat de notie van 'openbaring'
(Fr.
révélation, Latijn
revelatio), in de zin van onthulling van de goddelijke natuur (vgl. met het Griekse 'epiphanie', "zichtbaar
wording"), strikt genomen een christelijk begrip is (eigenlijk
een metafoor, cf. ook de Griekse woorden apokalypse en
theophanie).
In de Koran en het Arabisch komt zij als zodanig niét voor (Gods ware,
transcendente natuur blijft "verborgen", zie hoger). De analoge
(maar niet identieke!) koranieke noties daarentegen zijn vormen van "nederdalen/-zenden":
de woordstam
n-z-l,
نزل, d.w.z.
"neerdaling" (infinitief
nuzûl, maar
dat woord komt zelf niet voor in de Koran), sc. van Gods Woord,
en "neerzending" (tanzîl, inzâl), sc. door God van het Boek, de
Koran, "op" Muhammad, enz. De metaforiek is er hier dus een van ruimtelijke, vertikale beweging,
van 'boven' (het verborgene, de 'hemelen') naar 'beneden' (de aarde). Vgl. de religieuze
wetenschap van de zgn. asbâb an-nuzûl, de "aanleidingen van de
neerdaling".
Zie Wild (1996), p. 137 e.v. Zie ook verder.
88. Akhtar (1990), p. 40, die de
vergelijking met Christus eveneens als "somewhat inappropriate"
bestempelt. Over de belangrijke esthetische dimensie van de verhouding
tussen gelovige en Koran, zie verder.
|