|
¶
Mensen van het Boek! Waarom twisten jullie over Ibrahiem?
(s. 3:65)
1. 'Kinderen van Abraham'(16)
1.1. Religie en politiek.
Eén
van de 'wezenskenmerken' van de islam - zo luidt het steeds weer - is de verwevenheid,
zo al niet regelrechte fusie tussen religie en politiek (dîn
wa dawla, in het Arabisch). In radicaal onderscheid met wat als de
oorspronkelijk quiëtistische, christelijke
boodschap wordt beschouwd (samengevat in:
"Geef aan Caesar wat aan Caesar toekomt, en aan God
wat aan God toekomst", Mattheus,
22:21)(16bis), zou de islam wezenlijk en onherroepelijk een 'politieke' - en dus
ook: een op-(wereld)heerschappij-beluste, en
dùs: gewelddadige en gevaarlijke - religie zijn.
Islam, aldus kan
je vaak lezen, tot in de geschriften van democratische politici toe,
"is
géén 'religie' maar is een alomvattend en dwingend maatschappelijk systeem".
Je bent dan altijd geneigd te vragen: wààr
is dat
"dwingende maatschappelijke
systeem" in de geseculariseerde, westerse landen, waar dan toch
bijna een halve eeuw vele miljoenen
moslims wonen? Indien er al, zoals in België (sedert enkele jaren ook in
Frankrijk), van enige 'islamitische', centrale
gezagsinstitutie sprake is - de zogenaamde Executieve van Moslims van België
(EMB) -, dan
gaat het om een creatie op vraag, zo al niet onder
directe politieke bevoogding
van... de Belgische zogenaamde lekenstaat
(zie hierover op deze site).
Wié, hier, "erkent in de praktijk de scheiding tussen kerk en staat niét" (minister
Dewaele)?
Hoe
dan ook, extremistische
ontwikkelingen in moslimlanden
en, in het bijzonder, de vaak bloedige excessen
of aanslagen in landen als Algerije,
Egypte, Saoedi-Arabië... (nu natuurlijk ook in de VS,
op Bali, in Turkije, Madrid, Irak...) verschijnen vanuit het genoemde
stereotype
steevast als het 'logische gevolg'
van de (verondersteld onveranderlijke) basisprincipes zelf van 'de islam'. Bijgevolg, zo gaat
deze logica verder,
vormen ook de West-Europese moslimgemeenschappen minstens in aanleg, of
in (verborgen gehouden) intentie, een
bedreiging voor onze seculiere rechtsstaat. Zoals
islamoloog Urbain Vermeulen het voor het brede publiek en de media
steeds weer verkondigt,
en ik citeer nu uit een interview in het TV-weekblad,
Dag Allemaal (14/2/1995, p. 44): "hoe meer ze willen leven als moslim, hoe gevaarlijker ze worden".(17)
Het (sedert Marx) algemeen 'verworven' inzicht, dat "godsdiensten
geen maatschappijen maken, maar maatschappijen godsdiensten",(17bis)
zou dus om één of andere (diabolische?) reden niét toepasselijk zijn op
een religie die in alle opzichten zó dicht staat bij judaïsme en christendom dat
ze vaak als een "westerse" religie is bestempeld,
en die gebaseerd is op het geloof in dezelfde "éne
God"?
Ook bij moslimauteurs, nochtans,
of bij auteurs van moslimoorsprong kunnen we vaak een dergelijke, ideologische
of normatieve visie geformuleerd vinden op het 'exceptionalisme' van de islam. Drie verschillende voorbeelden, ter illustratie:
(1) de
controversiële maar bijzonder
boeiende en intelligente Britse moslimfilosoof Shabbir Akhtar,(18)
in zijn kritiek op de 'liberale' christelijke theologie, The final imperative.
An islamic theology of liberation (1991). Akhtar vertrekt van het contrast
tussen Jezus' quiëtistische verzaking aan de politiek (zoals althans uitgebeeld in Mattheus, 4:8-9, met de derde 'verzoeking'
van Jezus door de duivel
in de woestijn), enerzijds, en Muhammads 'moedige' emigratie (hijra)
naar
Medina, mét aanvaarding van politieke verantwoordelijkheid, anderzijds.
(2) De in Duitsland opgeleide (van
oorsprong Syrische) bekende en 'modieuze' islampolitoloog, Bassam Tibi, in zijn
boek, Der wahre Imam. Der Islam von Mohammed bis zur Gegenwart (1996).
Ten behoeve van zijn westerse lezers wordt de geschiedenis van de islam
sedert Muhammads dood geconstrueerd als, of herleid tot de zoektocht naar de "ware Imâm".
In zijn meer recente studie, Islam between
Culture and Politics (2001), doet Tibi weliswaar enigszins aan zelfkritiek
op dit punt (Tibi 2001:17). Aansluitend bij Clifford Geertz, benadert hij de
moslimreligie nu als een "cultureel systeem", en als zodanig oscillerend
"tussen cultuur en politiek". De huidige politisering van de islam
in de gedaante van het fundamentalisme beschouwt hij als een - inadequate -
defensieve reactie tegen de globalisering van de wereld; die ideologisering,
aldus Tibi, gaat ten koste van de religie.(3) Ook de bekende Zwitserse
moslimintellectueel,
Tariq
Ramadan, heeft in zijn boek: Les musulmans dans la laïcité,(19) de kwalificatie 'religie'
voor de islam in vraag gesteld, althans in de zin dat christendom en
judaïsme 'religies' worden genoemd:
"l'islam, dans son essence,
dépasse le domaine de définition du mot 'religion'. En effet, il ne s'agit
pas simplement ici d'une codification des règles qui lient l'être
humain au Créateur; bien plutôt, l'Islam investit le champ social et l'influence
de façon conséquente... Ce caractère englobant est l'une des caractéristiques
fondamentales de l'islam".
In een interview nochtans
met een Belgische krant (La
Libre Belgique, 02/01/2001, p. 11) bekritiseert Ramadan zelf de stereotype
visie over de vereenzelviging in de islam van religieuze en politieke sfeer.
Daarop door de journalist gevraagd of dat niet tegenstrijdig is met de
passus hierboven, relativeert hij nu het "omvattende karakter" van de islam,
namelijk
in de zin dat het om een wereldvisie gaat waarin een menselijke handeling
niet kan gescheiden worden van haar ethische dimensie en haar betekenis t.a.v. het geloof. Hij voegt er nu, terecht, ook aan toe dat een gelijkaardig
discours ongetwijfeld ook gevoerd wordt in de andere godsdiensten, en met name in het
christendom.
Algemeen moet opgemerkt worden dat
ieder van ons, allicht, bij al dan niet expliciete vergelijkingen tussen
de eigen religie (of ideologie) en die van de 'anderen' geneigd is met
'dubbele standaarden' te meten, bijvoorbeeld met een normatieve standaard versus
een
descriptieve, of net omgekeerd.(20)
Vanuit historisch oogpunt, hoe dan ook, heeft de islam de (ideologisch)
hechte koppeling tussen religie en politiek of maatschappij niet 'uitgevonden'.
Bij de oude Grieken en Romeinen vielen beide volkomen samen. Met het
monotheïsme, weliswaar, kwam de dogmatische doctrine centraler te staan. Het
christendom (inclusief een uitgebreid kerkelijk apparaat, de 'clerus') was aldus
in de 4de eeuw 'geadopteerd' door keizer Constantijn precies als een legitimatie
voor de nieuwe, autocratische rijksorde.(21)
Bij het (politiek) vastleggen helaas van de doctrine ervan kwamen
belangrijke theologische knelpunten naar voor (vooral: rond de drievuldigheidsleer
en de zgn. christologie).(22) Precies
wegens de nauwe, institutionele verstrengeling tussen 'ware' religie en
rijksorde ('Eén God, één geloof, één rijk'), ging de eenheid van
het christelijke rijk vrij vlug verloren: heterodoxie en
'ketterijen' of scheurkerken, zoals
arianisme, nestorianisme
(vandaag: de zgn. 'assyrische' kerk),
monophysitisme... (zie hierover
extra noot), waren een onvermijdelijk gevolg van een van bovenaf
met harde hand opgelegde orthodoxie en hadden zware politieke implicaties (intolerantie,
repressie, vervolging, deportatie en erger). Constantijns wereldrijkproject
- de zogeheten 'droom van Constantijn': namelijk de gehele oikouménè, of
"bewoonde
wereld", van de Atlantische tot de Indische Oceaan binnen één rijksorde
te brengen - was dus gedoemd te mislukken. Toch was zijn koppeling van politiek
universalisme aan het religieuze universalisme van een (monotheïstische)
wereldgodsdienst een politieke 'voltreffer': dat
wordt bewezen door het voortbestaan,
voor nog eens 1000 jaar (1453: val van Constantinopel), van het zgn.
Oost-Romeinse of Byzantijnse rijk.
Het islamrijk was de erfgenaam van
dat laat-antieke, politiek-religieuze programma. Nochtans, hoewel
evenzeer gebaseerd op het geloof in één absolute Waarheid, heeft de jonge
islam dank zij een historisch en socio-cultureel minder 'belast' ontstaansmilieu
het probleem van de religieuze diversiteit - intern zowel als extern (t.a.v. andere religieuze gemeenschappen) -
op een meer soepele en tolerante manier weten aan te pakken (cf. de
dhimma).
Precies daardoor slaagde het islamrijk waar de oude rijken gefaald hadden: namelijk in de creatie van een uitgestrekt,
multicultureel en multireligieus wereldrijk.
Het vond zijn bekroning onder de cAbbasidenkalief
Harûn ar-Rashîd, tijdgenoot van Karel de Grote, met Baghdâd - madînat
as-salâm, "de stad van de vrede" - als wereldhoofdstad.
1.2. Joden en Christenen.
Wanneer Muhammad zijn prediking startte,
begin van de 7de eeuw, deed hij dat in een Arabische Umwelt of
omgeving
die al eeuwenlang behalve politiek, militair en economisch, onvermijdelijk
ook cultureel en religieus 'bewerkt' was vanuit de omringende grootrijken: het Perzisch-Sassanidische (hoofdstad
Ctesiphon, in Mesopotamië), het (Grieks-)Romeins-Byzantijnse, en het Abessijnse of Ethiopische
(hoofdstad: Aksum), dat hoewel monophysitisch tot de Byzantijnse invloedssfeer behoorde. In de "border" zones deden
gekerstende Arabische vazalstaatjes
(de nestoriaanse Lakhmiden, met de stad Hîra, in het N-O,
en de monophysitische Ghassaniden, in het N-W)
al dan niet tijdelijk dienst als bufferstaatjes voor respectievelijk Perzen
en Byzantijnen. 0nder de Byzantijnse keizer Joustinianos (gest. 565) werd militair een
(gedeeltelijk en tijdelijk) herstel gerealiseerd van de mediterrane eenheid
van het Romeinse rijk. Nadien kwamen de Perzen in het Oosten sterk opzetten
(inname van Jeruzalem in 614; verovering van Egypte in 619; poging om Constantinopel te
veroveren in 626); waarna dan weer de Byzantijnse keizer Heraclius de Perzen
ver terugsloeg (tot aan Ctesiphon), met herovering van Jeruzalem in 629.
Al dan niet samen met militaire interventies, waren ook religieuze - d.w.z. gnostische en dualistische alsook minder
of meer gepopulariseerde joodse en christelijke - voorstellingen
en verhalen de Arabische
wereld binnengedrongen. Het judaïsme werd bijvoorbeeld in Jemen ondersteund door
de Perzen tegen Byzantium, en nadien gebeurde hetzelfde met het nestorianisme.
De verbreiding
van het monophysitische christendom vanuit Abessynië werd daartegenover
aangemoedigd door het nochtans orthodoxe Byzantium. Sedert eeuwen
hoe dan ook waren
er joodse gemeenschappen gevestigd op het Arabische schiereiland (bijvoorbeeld in Yathrib, het latere Medina; in het zuidelijke koninkrijk Jemen...).
Met de eertijdse joodse diaspora,
inderdaad - een gevolg van de verplettering door de Romeinen van
de joodse opstanden, in
70 nK en 135 -, waren heel wat joodse groepen naar het schiereiland
geëmigreerd. Ondanks hun arabisering, bleven zij het joodse monotheïsme
althans grotendeels trouw. Vanaf de 6de eeuw was er, wellicht afkomstig uit Abessynië,
ook minstens één permanente, christelijke gemeenschap (in de zuidelijke Najrân): zij werden vervolgd door de joodse heerser, begin 6de eeuw, maar
werden ontzet vanuit Abessynië. Klaarblijkelijk verschenen er regelmatig ook christelijke eremijten
en predikanten
en in Mekka, zo luidt het, was er een "begraafplaats van de christenen" (maqbarat an-nasârâ);
tegelijkertijd waren er op het schiereiland ook gnostisch-christelijke
en manicheïsch geïnspireerde groepen actief.
De koranieke verkondiging speelt zich dus af tegen een
historisch en ideologisch min of meer definieerbare achtergrond. "(D)e politieke, geografische,
sociale, religieuze en literaire bestanddelen (ervan vormen) het materiaal (...) waarmee de
Koran zijn eigen boodschap vormt, die een originele religieuze synthese is"
(Platti, 2000:57). Typisch voor die verwerking is dat bijbelse en christelijke
thema's en verhalen zelden in detail naverteld worden in de Koranteksten, maar
dat meestal volstaan wordt met minder of meer uitgebreide allusies
erop (anders gezegd, zij worden gebruikt met een
bedoeling, zoals: Gods almacht te demonstreren, ongelovigen te waarschuwen voor
Gods straf, enz.). Dat lijkt erop te wijzen dat tal van thema's als bekend
werden verondersteld bij de toehoorders van de verkondiging; dat ze m.a.w. tot
hun cultureel milieu behoorden. Muhammad zelf,
hoe dan ook, wordt in de vroege verkondigingen niet gepresenteerd als de brenger van een 'nieuwe'
religie, maar als iemand wiens boodschap wezenlijk overeenstemde met
(de Waarheid van) de heilige Schriften van joden zowel als christenen:
het ging om één en hetzelfde, eeuwige "Boek".(23)
Zo lezen we in één van de oudere teksten van de Koran, sura 87:18-19:(24)
¶ Deze (leer) is voorwaar
dezelfde als wat in de vroegere Schriften stond. De Schriften van Abraham
(Ibrâhîm) en Mozes (Mûsâ).
Zijn taak in het goddelijke heilsplan
bestond erin, de waarheid van de eerdere bijbelse verkondigingen dààr te helpen
doordringen waar ze nog niét was doorgedrongen, namelijk bij de Arabische 'ongelovigen'
(al-kâfirûn) of afgodenaanbidders (al-mushrikûn), of althans waar
het oorspronkelijke monotheïsme ervan gecorrumpeerd was door "heidense"
voorstellingen (cf. wat hierboven gezegd is in zake de vertrouwdheid van zijn
toehoorders met "bijbelse" noties). De sterke
animositeit en vijandigheid waarop Muhammad gaandeweg in Mekka stuitte,
kwam luidens de islamitische traditie in de eerste plaats van de zijde van de eigen Quraysh-stam.
Ook Muhammad zelf, klaarblijkelijk, beschouwde joden en christenen - als "mensen van
het Boek" (ahl al-kitâb) - niet als zijn
echte tegenstanders. Zoals we lezen in de Koran, s. 29:46
(wellicht rond 620):(25)
¶ En twist niet met de
lieden van de Schrift (ahl al-kitâb) dan op de betamelijkste wijze; met
uitzondering van diegenen onder hen, die onrecht doen. En zegt: "Wij geloven
in Hem, die tot ons heeft nedergezonden en tot u heeft nedergezonden; en
onze god en uw god zijn één; en wij zijn aan Hem overgegeven".
Althans vanaf
de sura's van de zgn. tweede
mekkaanse
periode, wordt Muhammad
uitdrukkelijk aan het einde
geplaatst van een lange reeks van (hoofdzakelijk)
bijbelse profeten: Adam,(26) Abraham, Noah,
Mozes, Jacob, Jozef, David (Dâwûd),
Salomon (Sulaymân) en sommige Profeten, maar ook Johannes de Doper
(Yahyâ), diens vader Zakariyyâ' en, als voorlaatste profeet, Jezus,
"zoon van Maria" (cÎsâ
ibn Maryam, cf. de mekkaanse sura 19, genaamd "Maryam").
Meer in het bijzonder Mozes (Mûsâ) speelt
in de mekkaanse Koran een belangrijke rol als "model" voor Muhammads eigen profeetschap: zie s.
17, genaamd "de nachtreis" (surat al-israa'), waarin parallellen
tussen beiden worden getrokken.(27)
Die sura wordt ook verbonden met de keuze van Jeruzalem (cf. de traditionele
interpretatie van "de
verste moskee", al-masjid al-aqsa, in v.1 van deze sura) als de nieuwe qibla, of
gebedsrichting. Door die koppeling aan Jeruzalem, zou je
kunnen zeggen, werd de religieus-geografische horizon
(de
religieuze
topografie)
van Muhammads prille gemeente plots uitgebreid (tot dan toe was ze gecentreerd
gebleven rond Mekka's masjid al-harâm, d.w.z. de Kacba).
In de sura's wordt nu voortdurend gealludeerd op bijbelse gebeurtenissen en
verhalen, met name in de zogenaamde 'geschiedenissura's' en 'straflegenden'. Het wedervaren
van vroegere gezanten en de goddelijke bestraffing van degenen die hun maning en boodschap verwierpen, strekten ongetwijfeld tot troost en geruststelling
voor Muhammad en de zijnen, respectievelijk tot waarschuwing en afschrikking
voor de weigerachtige tot vijandige Mekkanen. Bovenal kon Muhammads
jonge geloofsgemeenschap
op die manier participeren in de prestigieuze
heilsgeschiedenis van de Banû Isrâ'îl, of "zonen Israëls".(28)
Ook in Medina, waar (drie) joodse
stammen aanvankelijk een machtspositie hadden en deel uitmaakten van de
nieuwe umma (op basis van het Convenant van Medina, zie
verder),
zou Muhammads inclusieve houding t.a.v. de joodse en christelijke
profeten ongewijzigd blijven. Zo lezen we in s. 3:84 (L):
¶ Zeg: "Wij geloven in
God en in wat op ons is neergezonden en in wat op Ibrahiem en Ismaciel
en Ishaak, Jackoeb en de stammen is neergezonden en in wat aan
Moesa en cIsa
en de profeten is gegeven van de kant van hun Heer. Wij maken geen enkel
verschil tussen hen en aan Hem hebben wij ons overgegeven".
Reeds in
mekkaanse sura's echter komt er een aanzet tot leerstellige kritiek, zo bv. op de christelijke drievuldigheid
en christologie (zie verder, § 3), alsook op de intern-christelijke onenigheid daaromtrent (bv.: ¶
"Maar zij splitsten zich onderling op in groepen; elke partij was blij over
wat zij hadden", s. 23:53; e.a.).
Vooral echter in Medina
zou o.m. ook
op het vlak van de religieuze symboliek als maar duidelijker afstand
worden genomen
van joden en christenen. De figuur van aartsvader
Abraham ging nu bijzondere aandacht
genieten, als 'vader' van alle profeten, maar met een aantal
Arabische variaties wat de bijbelse traditie betreft. Ook Abraham had de
strijd moeten aanbinden tegen de afgodenaanbidderij van zijn
eigen volk en ook
hij was geëmigreerd, niet enkel naar Palestina maar later ook naar Mekka.
Wat zijn vaderschap betreft, wordt niet
langer Ishaak in de schijnwerpers geplaatst
(zoals in de mekkaanse sura's),
maar veeleer de zoon die Abraham had bij Hagar, Ismâcîl,
stamvader van de Arabieren (maar dat element komt in de Koran nergens
ter sprake). Vermoedelijk was het deze zoon die Abraham,
in zijn onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God, bereid was geweest te
offeren (in de Koran zelf wordt in de betreffende passus, s.
37:101 e.v., geen naam vermeld;
pas nadien, v. 112, komt de geboorte van Ishaak ter sprake), én het was
samen met Ismâcîl dat hij in
Mekka al-bayt al-muharram, "het Heilige Huis" met
de Kacba, had
(herop)gebouwd (s. 2:124-7).(29)
Tegen de aanspraken van joden en christenen in, wordt in de
verkondiging nu het "muslim"-zijn van Abraham beklemtoond, s. 3:65-68
(L):
¶ "Mensen van het Boek!
Waarom twisten jullie over Ibrahiem?... Ibrahiem was noch jood [yahûdî]
noch christen [nasrânî], maar hij was een aanhanger van het zuivere geloof, die
zich [aan God] overgaf [dus een 'muslim'] en hij behoorde niet tot de veelgodendienaars. De mensen
die Ibrahiem het meest waardig zijn zijn zeker zij die hem en deze profeet
navolgen en die geloven".
Als een onderdeel van deze 'islamitische' ontwikkeling werd de gebedsrichting
(qibla)
voor
de moslimgemeenschap weerom gewijzigd: van Jeruzalem weer naar Mekka, i.e.
de Kacba(30).
Dat alles legde de grondslag voor (of: bevestigde) de "abrahamitische" integratie van de
Kacba en de bestaande
hajj-rituelen, binnen en buiten Mekka, in het islamitische ritueel, met
inbegrip van het Offerfeest, het cîd
al-adhâ
(zie verder). Dat
wordt duidelijk geformuleerd in s. 22 (genaamd "al-hajj"), 26-29.
Onder druk van de overlevingsstrijd
tegen de mekkaanse doodsvijand kwam het ook tot een politieke
breuk met de medinensische
joden: nadat de twee andere joodse clans reeds eerder verbannen waren, werden in 627 - na een bijna fatale belegering door de Mekkanen
(de "strijd om de gracht") - omzeggens alle mannelijke leden van de joodse Quraya-stam op verdenking van
verraad ter dood gebracht (volgens sommige bronnen, weliswaar, kregen ze de keuze tussen
bekering of het zwaard); hun vrouwen en kinderen werden verkocht als
slaven.(31) Van die politieke confrontaties
vinden we de neerslag in een aantal jodenvijandige passages in de Koran,
zo in sura 5, bijvoorbeeld v.82:
¶ Jij zult merken dat
de vijandigste mensen jegens hen die geloven, de joden en de aanhangers
van het veelgodendom zijn, en je zult merken dat zij in genegenheid het
dichtst staan bij hen die geloven die zeggen: "Wij zijn christenen" (L).
Toch hebben die politieke ontwikkelingen
het besef van de "abrahamitische" verbondenheid met het judaïsme niet in het gedrang gebracht.
Typerend bv. is dat met de verovering van Byzantijns grondgebied de bestaande anti-joodse wetgeving niét werd overgenomen; het moslimrecht (dat
voor het eerst tot ontwikkeling kwam in Irak en dus in de onmiddellijke nabijheid van
de grote joodse Talmud academies) zou geen onderscheid maken tussen joden en
christenen. De volgelingen van de joodse
en christelijke openbaringen worden traditioneel weliswaar als "dwalenden"
beschouwd, of als gelovigen die slechts een deel van de Waarheid bezitten.
Toch zijn zij, àls ahl al-kitâb, "rein" in de religieuze
zin van het woord. Aan moslims is het derhalve toegestaan met hen om te
gaan, met hen te huwen, hun getuigenissen te aanvaarden, met hen geschenken
uit te wisselen, gastvriendschap aan te gaan, hun voedsel te
eten, enz.(32) In de praktijk van de moslimrijken,
weliswaar, genoten joden vaak van een veel betere positie dan christenen (in de
quasi permanente conflicten met Byzantium, en later met West-Europa, vormden die
laatsten altijd een potentieel gevaar voor de moslimorde; de joden, daarentegen,
vormden geen bedreiging).
Meer in het bijzonder judaïsme en
islam hebben bijvoorbeeld een aantal voedselvoorschriften met elkaar gemeen:
zo verbieden beide
de consumptie van bloed, varkensvlees en vlees van niet-ritueel geslachte
dieren (maar de islam kent geen verbod op het combineren van vlees en melkproducten,
zoals het jodendom). Eveneens anders dan het christendom (cf. de opheffing van
de joodse Wet door Paulus),
geldt in beide
de besnijdenis voor mannen (hoewel zij niet in alle islamitische rechtsscholen als
een individuele verplichting geldt: in de Koran komt
besnijdenis niét ter sprake), rituele wassingen en andere reinheidsvoorschriften
(zij gaan mogelijk terug op oudere praktijken die in het Midden-Oosten
al lang werden toegepast).(32bis) Tenslotte
onderscheiden ze zich beide ook van het christendom door
(1) een allesomvattend religieus
recht (respectievelijk de halacha, op basis van de Talmuds, en de fiqh,
op basis van de Sunna), dat alle domeinen van het leven bestrijkt; in
beide gevallen is er sprake van een geschreven en een orale Wet (cf. in het
judaïsme: Bijbel of
Thora versus Talmoed, als de "mondelinge thora"; in islam: Qur'ân versus Hadîth);
(2) een religieus 'personeel'
dat bestaat uit wet- of rechtsgeleerden, en niét uit priesters: de zogenaamde fatwâ's,
of adviezen,
van de moslimse rechtsgeleerden komen in vorm, inhoud en gezag sterk overeen
met de antwoorden en de halachische uitspraken van de rabbijnen;
(3) een analoge, veeleer positieve houding t.a.v. seksualiteit, echtscheiding, enz.
Hoewel in
veel mindere mate dan in het
paulinische christendom, kan er nochtans óók inzake de islam gesproken
worden van een trend tot 'liberalisering' van de strenge
joodse Wet. Ter illustratie:
in de literatuur wordt er een zeker parallellisme genoteerd tussen de bijbelse
'Tien geboden' en sura 17:22-39 in de Koran: de uitspraken hebben een
gelijkaardige morele gerichtheid: bijvoorbeeld het eren van je ouders, geen overspel
plegen, enz. Toch is noch in de Koranpassus noch in Muhammads carrière in het algemeen
er sprake van dat de "Wet" de spil of centrale kern van de
verkondiging zou vormen; het
gaat integendeel om een integraal onderdeel van de tekst, zonder dat het
echt wordt afgebakend van de rest van Gods woord.(32tris)
De vraag kan tenslotte gesteld worden of, vanuit historisch-religieus
oogpunt, de islam mag beschouwd worden als een "dochter-" of "zusterreligie"
van judaïsme en christendom; of beter nog, misschien,
"als een Arabische vorm van het judaïsme van na de
Ballingschap, verrijkt met christelijke en heidense elementen"?
(33)
We mogen alleszins niet in de val trappen om
- zoals
doorheen de eeuwen in het Westen gangbaar was (bijvoorbeeld
bij Martin Luther, die daarom
waarschuwde voor de "verleiding" die van de islam uitging) - de islam te
herleiden tot
hetzij een joodse sekte of een soort
van 'judaïsme voor de Arabieren',
hetzij tot een "christelijke sekte". (33bis)
De islam is een volwaardige en aan judaïsme en christianisme gelijkwaardige, "abrahamitische
religie". Ook de Koran, de openbaringstekst waarop hij gebaseerd is, mag niet
herleid worden tot de bijbelse en christelijke thema's en motieven (die er
ontegensprekelijk in verweven zijn). Àls openbaringstekst moet de Koran in zijn
originaliteit gewaardeerd worden als het "literaire
levenswerk" van Muhammad (Van Koningsveld, 1988:69). En dat wil ook
zeggen als het product, niet van een willekeurig "oppikken" door Muhammad van
ideeën en voorstellingen die opgang maakten in de discussies binnen de (monotheïstische)
wereld rondom hem, maar van zijn actieve
betrokkenheid bij die discussies (zo nu ook Crone, 2006).
1.3.
De dhimma.
1.3.1.
In contrast met de wetgeving in het christelijke Romeinse keizerrijk, dat de
kwalificatie "religio" reserveerde voor het eigen christendom en
daartegenover het judaïsme als "superstitio" ("bijgeloof") brandmerkte,
erkent de Koran een veelheid van religies (dîn),
waarvan de islam er één
is. Weliswaar wordt regelmatig gewaarschuwd voor (te) nauwe betrekkingen met andersgelovigen.(34)
Toch zouden zowel joden (de banû
Isrâ'îl of al-yahûd) als christenen (al-nasârâ,
d.w.z. 'de nazareërs', of al-masîhiyyûn, 'de Messias-volgelingen')
eeuwenlang binnen het "huis van de islam"
(dâr al-islâm) genieten
van een (alle historische verhoudingen in acht genomen) erg gunstig regime,
namelijk dat van de dhimma, of "bescherming" [een simpele
transpositie van de 'dhimmitude' naar een hedendaagse context bezondigt zich
onvermijdelijk aan anachronisme]. Van een bekeringsijver
vanwege moslims was er niet veel te merken, te meer omdat de Koran een Arabische
verkondiging was: joden en christenen, zo was lange tijd de mening van
vele moslimschriftgeleerden, hadden zich te houden aan hun éigen Schriften,
het zij dan (idealiter) aan de verondersteld niet-gecorrumpeerde versie ervan. Sura
5:44-50, en meer in het bijzonder v. 48, leek dat te bevestigen:
¶ ... Voor een ieder
van jullie hebben Wij een norm en een weg bepaald. En als God het gewild
had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft
jullie in wat jullie gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dus
in goede daden. Tot God is jullie terugkeer, gezamenlijk.(35)
De bliksemverovering daarom van de Byzantijnse provincies Syrië en Egypte -
waar vanwege de christelijk-orthodoxe rijksorde al
eeuwenlang godsdienstvervolging en onderdrukking troef waren - werd door grote delen van de
bevolking zeker niet als een verslechtering ervaren:
"Voor vele oosterse christenen
was de centrale regering in Byzantium immers een tiranniek bestuur dat
hun jacobitische [of: monophysitische] en nestoriaanse leer
voor ketters hield. Het nieuwe islamitische bestuur met zijn tolerante
houding tegenover andersdenkenden werd door hen dan ook als bevrijdend
ervaren".(36)
En veruit hetzelfde gold voor het Perzische
rijk, waar bijvoorbeeld de belangrijkste nestoriaanse kerk gevestigd was (maar
daarnaast ook jacobieten of monophysieten, manicheërs, mazdakeërs, enz.), en waar bij tijd
en wijl ook repressief werd opgetreden. Verre van ('wezenlijk') anti-pluralistisch,
fanatiek of intolerant te zijn, heeft van alle openbaringsgodsdiensten énkel
de islam van bij zijn ontstaan religieus pluralisme en tolerantie tot
een maatschappelijke institutie gemaakt - weliswaar, historisch
onvermijdelijk,
binnen een dominant islamitisch wereldbeeld en een moslimse rijksorde (en dus niet op basis van een
principiële gelijkwaardigheid). Het stereotype van de
"mohammedaanse" veroveraar: in de ene hand het zwaard en in de andere de
Koran, is een karikatuur die met de historische werkelijkheid weinig of
niets gemeen heeft. Reeds in de Koran lezen we bijvoorbeeld:
¶ En als jouw Heer het
had gewild, hadden wie er op de aarde zijn allen geloofd. Of kun jij de
mensen dwingen gelovigen te worden? Niemand kan geloven zonder Gods toestemming...(37)
Het juridische statuut van de dhimma
- degenen die ervan genoten waren de zgn. dhimmiyûn (enkv. dhimmî),
of "beschermden" - vond zijn basis in het optreden van de Profeet
in de slotjaren van zijn leven en in de Koran.(38)
Het behoorde derhalve tot de sharîca en ging deel uitmaken
van de fiqh, of het moslimrecht: de dhimmî-s stonden "onder
bescherming van God en Muhammad".
Het statuut gold in principe enkel de
ahl al-kitâb, of "mensen van het boek": in eerste instantie joden
en christenen, als voorgangers van de islam; maar het werd vervolgens ook uitgebreid tot andere religieuze
gemeenschappen: bv. ook de mazdeërs of zoroastriërs (merkwaardig genoeg niet de manicheërs)
konden er aanspraak op maken, en spoedig zelfs de polytheïstische hindoes en de boeddhisten
- "ook al werd betwijfeld of zij wel een geopenbaard boek hadden en
in God geloofden" (Adang 1997: 224).(39)
De dhimmî-s mochten vrij,
zij het onderworpen aan de (islamitische) publieke orde en dus met een aantal
reële restricties, hun eredienst beoefenen. Binnen hun gemeenschap
en onder het gezag van hun religieuze leiders beschikten zij over een ruime
mate aan sociale, economische, culturele (bijvoorbeeld taal)
en andere autonomie (ze mochten bijvoorbeeld wijn
verkopen en drinken, en andere zaken die conform waren aan hun eigen regels,
hoewel strijdig met de islamregels). Ze beschikten ook en vooral over
een verregaande juridische
autonomie, met name wat het familierecht betrof (cf. dat familierecht gold en
geldt als een wezenlijk onderdeel van een religie). De kern inderdaad van het statuut wat personen betrof, was
het ius religionis: christenen konden voor privaatrechterlijke geschillen
een beroep doen op christelijke tribunalen (naar gelang van de kerk waartoe zij
behoorden); joden konden een beroep doen op joodse rechtbanken, enz. , met
eigen rechters (maar indien ze dat nuttig achtten, mochten ze zich ook
tot een islamitische rechtbank wenden). Die religieuze leiders genoten vaak
ook bij de moslims groot prestige. Bv. de joodse Exilarch - een zogenaamde afstammeling van
koning David - bekleedde, in navolging van de situatie die reeds aan het
Perzische hof bestond, een
heel prominente plaats aan het hof van de Abbassieden, in Baghdâd, en voerde het
gezag over meer dan 90% van de joodse diaspora, met een pracht en praal die enkel
moest onderdoen voor die van
de kalief.
In de praktijk werd het statuut
ongetwijfeld soms
met voeten getreden (en konden de betrokkenen zich minder of meer constant
"onveilig" voelen). Vooral in crisismomenten moest het wijken voor de
druk van politieke en sociale omstandigheden: de kruistochten bijvoorbeeld lokten
felle reacties uit tegen de christenen in Syrië; ook in het Egypte van
de Mamlukken was vaak sprake van geweld en repressie tegen dhimmî-s. Toch,
en ondanks de bijhorende discriminatie (zie ook verder), was in vergelijking
met de rechteloze situatie van religieuze minderheden in de christenheid,
de dhimma wel degelijk een 'haven' van
tolerantie en vrijheid, die het leven voor miljoenen mensen draaglijk heeft
gemaakt. De joodse cultuur met name heeft in de geschiedenis
binnen een dergelijk kader haar absolute hoogtepunten gekend: onder de Fatimieden, in Egypte, in de bloeiperiode van al-Andalus
(8ste tot 11de eeuw - maar met een bloedige uitzondering in 1066, in Granada,
wanneer een opgejutte moslimse "mob" a.h.w. "de rekening presenteerde"
aan de joodse aristocratie) en vervolgens, na de verdrijving van alle joden uit
katholiek Spanje (in 1492) en nadien Portugal, in het Osmaanse rijk. Over
de dagelijkse leven, in die context, voor joodse onderdanen in de periode van de
zogenaamde Hoge Middeleeuwen van de islam zijn we bijzonder goed gedocumenteerd
dank zij de vondst (op het einde van de 19de eeuw) van de zogenaamde Geniza
(bewaarplaats van joodse heilige boeken en alle mogelijke documenten waarin God vermeld
wordt) van de Palestijnse synagoge van Fustât (Oud Caïro). Gedurende eeuwen
onaangeroerd, bevatte zij vele tienduizenden documenten, brieven, enz. van de
periode tussen de 8ste en de 15de eeuw. Op het persoonlijke vlak blijkt, aldus
L.Gubbay (1999:69):
"Jews in all walks of life appear to have been well integrated with their neighbours. They lived and worked together with very little conflict; and this is
confirmed by the many accounts in the Geniza of small loans, commercial
partnerships and Jewish and Muslim doctors studying under each other. In the
heartland of Islam, there were no restrictions on where Jews lived or the
profession they followed - but Jews did tend to live together by choice, as did
Christians. However, Jews and Muslims were often neighbours; and members of one
faith did not hesitate to rent rooms in the houses of the other. Islamic
restrictions on the dress of dhimmîs, their eligibility to hold public office
and their ability to convert slaves seem to have been mostly ignored during this
period". (39bis)
Wat het belang van de dhimma
voor de christenen betreft, kan ter illustratie gewezen worden op de effecten
ervan in datzelfde Osmaanse
rijk, onder de vorm van het systeem van de millet-s, of "(religieuze) naties"
(cf. het Arabisch woord milla, "religie"; meervoud in het
Turks: milletler). Precies dit milletsysteem maakte dat het Europese hartland van het rijk toch overwegend christelijk bleef.
Wat Anatolië betreft: in de 11de eeuw was de overgrote
meerderheid in Anatolië nog altijd christelijk (op een bevolkingstotaal
van 7 à 8 miljoen), maar rond de val van Constantinopel was dat aantal
teruggevallen op amper 400.000. Met de vestiging, evenwel, van het
Osmaanse bestuur en een consequent toegepast milletsysteem werd die trend
omgebogen (met een spectaculaire daling van het aantal bekeringen
als gevolg): van
ca 8%, in de 16de eeuw, was tegen het einde van de 19de eeuw (1881) het
aantal christenen weerom gestegen tot 16%. Met de installatie,
trouwens, van de
Grieks-orthodoxe patriarch in Constantinopel/Istanbul als het zowel ‘wereldlijke’ als
‘geestelijke’ hoofd van de voornaamste christelijke millet (de tweede
was de monophysitische, Armeense kerk), en met de verregaande integratie
en participatie van de Grieks-christelijke aristocratie in het bestuur,
kon het Osmaanse rijk, althans tot aan de Griekse opstand (1821-1830),
de facto zelfs een “Grieks-Turkse diarchie” worden genoemd.
De algemene - wij zouden nu zeggen: "politiek-correcte" - houding tegenover religieuze minderheden
wordt treffend geïllustreerd door een decreet ('ferman') van Sultan
Mehmet III. Zoals Bernhard Lewis aanstipt, "toont het duidelijk
aan, welke de verplichtingen zijn van de moslimstaat tegenover de dhimmi's". Het document dateert van 1602. (40)
'In overeenstemming met
wat de Almachtige God, de Heer der Werelden, bevolen heeft betreffende de gemeenschappen
der Christenen en Joden, die de mensen van de dhimma zijn, in het duidelijke
Boek, zijn hun bescherming en behoud en de veiligheid van
hun leven en bezittingen een eeuwige collectieve plicht van het geheel
der Moslims, en een noodzakelijke verplichting opgelegd aan alle regeerders
en eerbare bestuurders in de Islam. Bijgevolg is het nodig en belangrijk
dat mijn verheven en religieus geïnspireerde bezorgdheid erop gericht is
dat ik verzeker dat overeenkomstig de edele Shari'a elk van die gemeenschappen,
die takse aan mij betalen, in de dagen van mijn imperiale staat en de periode
van gelukzaligheid in dit Kalifaat in vrede en gemoedsrust leven en hun
eigen zaken kunnen beredderen; dat niemand hen daarin hindert, of een onderzoek
zou uitlokken naar hun persoon of bezittingen, wat het gebod van God zou
schenden en een overtreding zou zijn van de Heilige Wet van de Profeet'.
1.3.2. Laten we duidelijk
zijn: de islamitische dhimma/millet-instelling mag, àls een religieus-juridische
institutie in het kader van een premoderne samenleving
die ideologisch gebaseerd was
op een
openbaringsreligie, niét verward worden met, of afgerekend worden op het filosofische
pluralisme
van het moderne secularisme - sc. "als humanistisch beginsel van de erkenning
van het recht van elk mens op diens eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke
opvattingen".(41) Het waarheidsbegrip waarop
het seculiere pluralisme steunt, is "constructivistisch"
[cf. de Duitse
filosoof Immanuel Kant: de werkelijkheid 'op zich' is onkenbaar; 'waarheid' is
altijd een menselijke, intersubjectieve constructie, en er is dus plaats
voor een veelheid aan 'waarheden']. Vanuit een openbaringsreligieus oogpunt,
daarentegen - het zij christelijk of islamitisch - is de waarheid noodzakelijk
objectief gegeven (waarheid=werkelijkheid), d.w.z. buiten en boven de mens: God is
de Waarheid, en er is slechts één God, en dus slechts één Waarheid. Voor
de islam, nochtans, maakte het koranieke begrip van de
ahl al-kitâb
het mogelijk, aan (niet-islamitische)
'dwalingen' toch een maatschappelijk erkende plaats
te geven - het zij dan in het kader van een hiërarchisch wereldbeeld
(elk religieus wereldbeeld is per definitie hiërarchisch), en dus ook
maatschappijbeeld.
Als laatst gekomene en finale verkondiging - Muhammad is het "zegel der profeten" - presenteert
de islam zich op die manier als een principieel inclusieve religie.
Daarmee vergeleken lijkt het
christendom doorheen zijn geschiedenis veeleer de exclusiviteit te
beklemtonen - zowel naar zijn voorganger, het judaïsme, toe als ten aanzien van
de latere, koranieke openbaring. In de islamitische dhimma
bijgevolg werd een "erkende" andersgelovige getolereerd,
d.w.z. als lid van een andersgelovige minderheid (dus niet zozeer als
individu) beschikte hij of zij
over een aantal maatschappelijke rechten (en plichten). Vanuit
religieus
oogpunt bekeken, binnen de main stream traditie van de islam (in het
moderne "fundamentalisme" ligt dat anders), gelden heil en eeuwige verdoemenis als
ieders éigen verantwoordelijkheid, en elkeen zàl op het
Eindgericht zonder de minste twijfel rekenschap moeten afleggen,
zie reeds de Koran, s. 22:17 (L):
¶"Zij
die geloven [i.e. de moslims], zij die het jodendom aanhangen, de
sabiërs, de christenen, de magiërs [i.e. de mazdeërs] en de aanhangers
van het veelgodendom, God zal scheiding tussen hen aanbrengen op de
opstandingsdag. God is van alles getuige".
De andersgelovige, bijgevolg - althans al wie, hoewél hij/zij kennis heeft
gekregen van de "rechte leiding" (hudâ), tóch
verkiest "ongelovig"
(kâfir) te blijven -, moet in het Hiernamaals de (verschrikkelijke)
straf van God vrezen, cf. s. 18:29 (K):
¶ En zeg: Het wezenlijke
komt van uwlieder Heer. - Wie dan wil, laat hem geloven, en wie wil, laat
hem ongelovig zijn. Wij hebben voor de onrechtdoeners een vuur bereid,
welks tentdek hen omhult. En indien zij om hulp roepen, worden zij geholpen
met water als gesmolten metaal, dat de gezichten roostert. Een kwade dronk
is dat en een slechte verpozingsplaats.
Maar ook hierin staat de islam natuurlijk
niet alleen. Lezen we ook al in Mattheus (13.49-50) niet:
"de engelen zullen
uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden, En zullen
hen in den vurigen oven werpen: daar zal zijn wening en knersing der tanden"?
Zoals we in hetzelfde evangelie ook lezen: "Ik ben niet gekomen om vrede
te brengen, maar het zwaard" (10:34).
Op het
maatschappelijke vlak impliceerde zulks
onvermijdelijk dat, ook al wàs er dan een “verdrag”
(cahd) van tolerantie, er toch géén sprake was of kon zijn van gelijkheid
of gelijkwaardigheid voor de wet, sc. tussen de gelovigen van de 'ware religie'
en de aanhangers van 'dwalingen'. De dhimmî-s, daarom, waren bínnen
die verdragsnotie wel degelijk onderworpen, vooreerst waar het om
niet-religieuze aangelegenheden ging, aan de Sharîca, en
tevens aan tal van restricties en
discriminaties: zij konden nooit een gelijkwaardig statuut verwerven met dat van de moslim;
zij waren a.h.w. 'tweederangsburgers' en stonden als zodanig onder een
bestendige druk, sc. om moslim te worden.
Vooral vanaf
de cabbâside kalief Mutawakkil (848) - kalief die een
soort van 'historisch compromis' moest aanvaarden met de culemâ'
of wetgeleerden - verslechterde hun statuut.
Ze waren onderworpen aan een pakket van vernederende discriminaties
die werden samengevat in het zogenaamde
"Statuut" of "Pact van
cUmar"
('zogenaamd', want onhistorisch op naam gezet van cUmar I, de
tweede kalief, 634-644, n.a.v. diens intocht in Jerusalem, in 638). De dhimmî-s moesten in de eerste plaats bijzondere
taksen betalen, voornamelijk de jizya
[uitspraak: djizia], letterlijk "tegenprestatie", sc. voor de genoten bescherming en veiligheid (de 'militieplicht'
gold enkel voor de moslims); later werd daar ook een grondtaks aan toegevoegd
(de kharâj) - eventueel ook veralgemeend tot de moslims.
Religieuze restricties golden bijvoorbeeld de bouw
van nieuwe kerken of synagogen, en het openlijk vertoon van religieuze ceremonies, klokkengelui, e.d.
Het was hen ook verboden moslims tot het eigen geloof te bekeren; en zelf konden
ze zich enkel bekeren tot de islam (hun "bescherming" gold enkel zo
lang ze trouw bleven aan het geloof dat ze van hun ouders hadden meegekregen: cf.
ieder mens wordt "onschuldig" geboren). Wat maatschappelijke restricties betreft, mochten dhimmî-s
geen wapens dragen, geen paard rijden (wel een ezel, maar niet schrijlings);
konden zij niet erven van moslims, geen moslimvrouw huwen en
ze dienden zich, als "natie", vestimentair duidelijk te onderscheiden van
de moslims
- eventueel, wanneer later de Arabische klederdracht algemene "mode" was
geworden, bij middel van een speciaal kenmerk: bv. de zgn. zunnâr (een gordel
in een bijzondere kleur) of de ghiyâr (een geel insigne dat op de kledij moest bevestigd worden).
Let wel, met zulk vestimentaire
onderscheid hadden de betrokkenen doorgaans geen probleem: cf. nog de hedendaagse
kledingregels van orthodoxe joodse gemeenschappen(41bis). In
principe mochten dhimmî's ook geen openbare functies bekleden, enz.
In de
religieus-juridische regelgeving - die naar gelang van de rechtsschool meer of
minder rigide was (het meest strikt was de malikitische) - werd dit alles ook gekoppeld aan vormen
van publieke vernedering ter bescherming van de superioriteit van moslims (bv.
nog in een reglement van 1892, in Hamadan, werd het
dhimmî's verboden op straat... een moslim voorbij te steken).
Tegelijkertijd kon gebrek aan respect voor de
islam (bv. voor de Profeet) zeer zwaar gestraft worden.
De regels en principes van het 'pact', weliswaar, werden
zelden systematisch toegepast, zeker niet in tijden van voorspoed en
zelfvertrouwen (cf. de belangrijke maatschappelijke bijdrage aan de
moslimcivilisatie, geleverd door de dhimmî-s). Vooral het 'politieke'
verbod werd door de heersers bijna systematisch terzijde geschoven, omwille van
de intellectuele competenties van joden en christenen én hun politiek-religieuze 'neutraliteit',
als niét-moslim. Zo droeg hun kennis van meer in het bijzonder wiskunde en
financiewezen vanaf de vroege cUmayyaden in belangrijke mate bij tot
het succes van christenen als bestuurders en secretarissen. Heel typisch is bijvoorbeeld de legendarische repliek van de gouverneur van Kûfa,
die een christen als secretaris had. Toen kalief cUmar I hem
sura 5:51, van de Koran voor de voeten wierp (¶ Neemt de joden en de
christenen niet als medestanders!), zou hij hebben
geantwoord: “Zijn
religie behoort aan hem toe, maar zijn secretariaat aan mij!”.
De maatschappelijke segregatie, daarom,
die het 'Pact van Omar' beoogde, was in de praktijk zelden of
nooit een feit; behalve in uitzonderlijke omstandigheden, waren heersers zeker niet
geneigd een belangrijk deel van hun onderdanen te vernederen of "koeioneren"
(cf. supra). (42)
Wel kunnen we ervan uitgaan dat het "conjuncturele" karakter van het reële
regime waaronder ze moesten leven, de dhimmî-s een groter
gevoel van onveiligheid gaf dan courant (in de mate dat iedereen in een
premoderne samenleving met een minder of meer acute onveiligheid geconfronteerd
werd). Omgekeerd, bevat de geschiedenis tal van
voorbeelden waar een volledig (of: te goed) "geïntegreerde" joodse gemeenschap
de grote welstand en superieure maatschappelijke positie van de eigen leidende
klasse moest bekopen met de moorddadige wraakzucht van de opgezweepte (vaak
sociaal onderdrukte en verarmde) moslimmassa's.
Een treffend voorbeeld van een dergelijke sociale "backlash" werd al
even vermeld voor het het Berberkoninkrijkje van Granada, midden 11de eeuw, dus
in de periode na de val het kalifaat (1030), en vóór de tussenkomst van de Almohaden, uit Noord-Afrika (1146): in de literatuur wordt ze de periode van de
"Partijkoningen" genoemd (d.w.z. van onafhankelijke stadstaatjes,
geregeerd door een Arabische, Berber- of Slavenvorst). Samen met het kalifaat
ook bevrijd van de strenge principes van de malikitische rechtsschool, maakten
die heersers maar al te graag gebruik van de talenten van joodse geleerden,
kunstenaars en vooraanstaanden. Zoals Gubbay (1999:80) hierover schrijft:
"This was the golden age of the Jews of al-Andalus, a time when they
managed to combine significant advances in religious learning with broad secular
culture and real political powers".
In Granada, aldus, dat onder Berbers bewind stond, verwierf de leider ("Nagîd") van de joodse
gemeenschap, Samuel ibn Nagrîla, de hoogst denkbare maatschappelijke positie en
status, als vizier van het koninkrijk (hij voerde zelfs de troepen aan van de
koning, in veldslagen). De joden, die vooral in de drie steden van het
koninkrijk woonden (Granada, Lucena en Jaén), deelden ten volle in de
spectaculaire, economische boom die het land kende en de joodse notabelen maakten
deel uit van de moslimaristocratie. Samuel zelf trok een hele schare aan van
joodse geleerden, kunstenaars en studenten en zou zelf een heel kritisch traktaat
over de Qur'ân hebben geschreven; hij had hierbij als te duchten
theologisch opponent, Ibn ̣Hazm, die het judaïsme op de korrel nam
(zie over deze polemiek uitgebreid, Stroumsa, 1999:201-212). Na zijn dood, echter, in 1056,
zou het arrogante
optreden van zijn zoon en opvolger, Joseph, en van andere joodse prominenten hoe
langer hoe meer weerstand hebben uitgelokt. Dat leidde, in 1066, eerst tot de moord op
Joseph en, onmiddellijk daarbij aansluitend, tot een volksuitbarsting waarvan de
gehele joodse wijk in de stad het slachtoffer werd. Deze slachtpartij was het
eerste geval van jodenvervolging in al-Andalus. Gummay (1999:80) heeft het over
een eraan voorafgaande periode van 350 jaar, tijdens dewelke de joden "had
enjoyed an almost unblemished record of tolerance". Behalve de al aangestipte discriminaties
t.a.v. erkende 'mensen van het Boek', moet nog aangestipt dat de dhimma
in principe niét gold voor 'heidenen' of 'veelgodenaanbidders'. Polytheïsten hadden,
nogmaals in principe, enkel
de keuze tussen bekering of de dood (weliswaar vaak omgezet in slavernij). In de
Koran echter gaat het eigenlijk over Arabische 'heidenen', zoals in
Mekka, en na het midden van de 7de eeuw waren er in Arabië geen dergelijke
ongelovigen meer te vinden. En wat de latere praktijk betreft: de inwoners van Harrân, die al van in de oudheid sterrenaanbidders waren, slaagden
erin de handicap van dergelijke 'heidense' reputatie probleemloos te omzeilen: bij het
controlebezoek van kalief al-Macmûn, zo vertelt ons de traditie,
vereenzelvigden zij zich met de
mysterieuze 'Sabiërs' die in de Koran (o.m. s.2:62) ter sprake komen
als behorende tot de ahl al-kitâb. Ook de latere integratie van de
Hindoes in het dhimma systeem is in dit verband veelzeggend.
Het tolerantieprincipe gold niet voor moslimse minderheidsgroepen die als 'afvalligen' of 'ketters'
(zindîq, meerv.: zanâdiqa;
het woord is van oorsprong Perzisch) werden beschouwd: bijvoorbeeld shîciten (in hun verschillende
strekkingen), en zeker de isma'ïlieten, alawieten, alevi,
yezidi,
de ahl-e haqq, de kâkâyi, druzen en andere (minder of meer 'syncretistische')
sekten, die tot de zgn. "extreme shîca" (al-ghulât)
werden gerekend, en gewoonlijk veiligheidshalve in minder toegankelijke, bergachtige gebieden
gevestigd waren; en zeker niet voor 'afvalligen' of 'apostaten' (malậhida,
enk. muḷhid) binnen de islam.(43)
[Tussen haakjes, met de toenemende islamisering, vandaag, in een aantal
moslimlanden hebben ook moderne strekkingen die een minder of meer afwijkende
invulling geven aan de islamitische traditie, te lijden onder discriminatie en
vervolging: bv. de bahai, in Iran, en de
ahmadiyya, in
Pakistan.] Ten aanzien van apostasie
(iḷhâd) werd
in de fiqh op
basis van enkele hadîths (de Koran zwijgt erover) de doodstraf voorzien.
Vandaag bestaat er omtrent dit bijzondere fenomeen, dat zoals in àlle religies
én ideologieën ook onder moslims erg gevoelig ligt, geen eenstemmigheid
bij de wetgeleerden. Ondanks de officiële erkenning van het recht op
godsdienstvrijheid, maken de rechtssystemen in vele moslimlanden nog steeds
een voorbehoud voor uittreding uit de islam - met alle negatieve implicaties
die eraan verbonden zijn (bijvoorbeeld inzake huwelijksrecht).(44)
Een aantal vooraanstaande moslimauteurs nochtans alsook vertegenwoordigers
van moslimorganisaties in het Westen nemen op basis van de Koran stelling
tégen die traditie. Zo concludeert ook de 'radicale' moslimfilosoof Shabbir
Akhtar (1989: 70-77) dat er géén koranieke basis bestaat voor vervolging
van religieuze apostasie of ketterij. Integendeel moet z.i. de vrijheid
van geweten als een islamitisch principe worden verkondigd, o.m. op basis
van de bekende mekkaanse sura 109:6 (L)
(45):
¶ "Jullie hebben jullie
godsdienst en ik heb mijn godsdienst".
Indién
er 'n God is, zo vervolgt Akhtar, dan zal hij ongetwijfeld de voorkeur geven
aan een vrije en vranke keuze, gesteund op een oprechte overtuiging, boven
conformistische huichelarij of schijnheiligheid
(zie verder, over de scherpe koranieke afwijzing van huichelarij,
§ 5.3) (46).
NOTEN
16. Cf. de titel van de vergelijkende
monografie van F.E.Peters, Children of Abraham: Judaism - Christianity
- Islam, 1984.
16bis.
H.Bielefeldt, Moslims in de Lekenstaat (C.I.E.-Cahiers
Nr.6, 2000) ,pp. 14-16, waarschuwt terecht voor de recuperatiepoging vandaag
vanuit christelijke middens om de 'lekenstaat' onder meer via de Mattheus-passus
tot een historisch verlengstuk te maken van exclusief christelijke waarden; de
theologische justificatie van die lekenstaat b.m.v. een interpretatie van de
M-passus is er pas gekomen nà het 2e Vatikaans Concilie, 1962-1956. Pas
op dat ogenblik is de godsdienstvrijheid officieel erkend en aanvaard door de
r-k Kerk. L.C.Brown,
anderzijds, in zijn boek, Religion and State. The Muslim Approach to Politics
(New York 2000), pp. 43-44, stipt terecht aan dat in de betreffende
uitspraak in Mattheus vooral de voorzichtige bekommernis moet gelezen
worden van een zwakke en kleine minderheid om niet betrokken te geraken in de
politiek: "Jezus's reply to the question of whether it was lawful to pay
taxes to Caesar was not an answer but a prudent evasion". Voor de latere
christelijke meerderheidspositie in het Romeinse rijk had de M-uitspraak
bijgevolg weinig of niets te bieden.
17. We moeten/mogen collega Vermeulen natuurlijk niet belangrijker maken dan
hij is: de "meester" van zijn islamofobe islamologie is de
Brits-Amerikaanse islamexpert van de Bush-administratie, Bernard Lewis: zie nu
recentelijk diens "Muslims 'about to take over Europe'" (The Jerusalem
Post, Jan 29),
op deze site.
17bis. Nog herhaald door Mohammed Arkoun,
tijdens een openbare les in Gent, enkele jaren geleden.
18. Zie zijn project van een islamitisch
én filosofisch antwoord op de westerse moderniteit: A Faith for All
Seasons. Islam and Western Modernity (London 1990). Eerder had hij
reeds de aandacht op zich gevestigd n.a.v. de Rushdie-affaire, met zijn
boek, Be Careful with Muhammad! The Salman Rushdie Affair, 1989
(met bijvoorbeeld het provocerende hoofdstuk, What's Wrong with Fundamentalism?).
19. 1998², pp. 78-79. Zie ook zijn
recente boek,
To be a European Muslim (1999), p. 20.
20. Zie hierover Hugh Goddard, Christians
and Muslims. From Double Standards to Mutual Understanding (1998).
In tegenstelling tot wat T.Ramadan schrijft, impliceert het oorspronkelijke
religio-begrip
wel degelijk het maatschappelijke niveau (de polis), cf. bij Grieken en
Romeinen vielen beide gewoon samen. De (al bij al beperkte) reductie tot een (geloofs)relatie tussen
individu en godheid is een product van de moderniteit (individualisering
en 'privatisering' van het religieuze in de context van de 'secularisering').
Voor de verschillende dimensies die bij élke religie moeten onderkend worden,
zie onze tekst "Islam als religie, religie als islam",
op deze site.
21. Zoals kort tevoren gecreëerd
met de hervormingen van keizer Diocletianus (regeerperiode: 284-305).
22. De grote concilies waarop de
dogma's van de christelijke leer werden vastgelegd - zoals dat van Nikaia/Nicaea
(325), dat het arianisme veroordeelde; dat van Efese (431),
dat de nestorianen veroordeelde, en dat van Chalkedoon (451),
dat de monophysieten veroordeelde -, waren in de eerste plaats politieke initiatieven.
De keizer speelde er een doorslaggevende rol (Constantijn werd door Eusebios
gehuldigd als "de nieuwe Mozes"). Ook bij de aartsvijanden van de
Romeinen/Byzantijnen, namelijk de Perzische Sassanieden, was de godsdienst -
het mazdeïsme, met de mythische Zarathustra (ca 600 vK) als profeet en garant van de
nationale renaissance - volledig in dienst gesteld van de rijksorde, met
vervolging van dissidenten. Zie
over deze ontwikkelingen (tot en met de islam), de belangrijke studie
van Garth Fowden, Empire to Commonwealth. Consequences of monotheism
in late antiquity (1993).
23. Voor een recente biografie van
Muhammad, op basis van de huidige stand van het historisch onderzoek, zie
F.E. Peters,
Muhammad and the Origins of Islam, 1994. In het Nederlands is er nu de
kritische bespreking van de tradities door Hans Jansen (2005) en (2007).
24. Naar de Duitse vertaling in
A.Falaturi, Grundinformationen zu den in den Schulbüchern behandelten
Themen (Braunschweig 1988), p. 45.
De Torah openbaring aan Mozes was voor Muhammad vanaf het
begin het prototype voor de koranieke openbaring. Mozes (Mûsâ) wordt in
totaal 136 maal vermeld (in 34 sura's) - wat tweemaal meer is dan Abraham en
bijna viermaal meer dan Jezus. Zie Platti
(2000), p. 119. Voor
de chronologie van de 'neerdalingen', zie verder
kap. 4.
25. Vertaling Kramers. Vgl. s. 3,
3-4: ¶ Hij heeft het boek (al-kitâb) met de waarheid tot jou neergezonden
ter bevestiging van wat er voordien al was en Hij heeft ook de Taura [Thora]
en de Injîl [Evangelies] neergezonden, vroeger al, als leidraad voor de
mensen..." (vert. F.Leemhuis). De vertalingen van Kramers en Leemhuis
worden voortaan aangegeven met de sigla 'K' en 'L'.
26. Adam had weliswaar gezondigd
(zonder dat de schuld daarvoor bij zijn vrouw
wordt gelegd) en was
uit de Tuin van Eden verdreven naar de aarde, maar hij had berouw getoond,
en God in zijn barmhartigheid had hem vergiffenis geschonken
en de basisbeginselen van het ware geloof aangeleerd; aldus was Adam de eerste
profeet geworden: zie Koran, s. 2, 37, s. 7, 23-24 en s. 20, 120-123. De islam
kent de notie van 'erfzonde' niet: iedere ziel is slechts verantwoordelijk voor
haar eigen daden; niemand draagt de last van een ander, zodat
iedereen de kans heeft gelukkig te zijn, cf. s. 20, 123: ¶
"Als
er dan van Mij een leidraad komt, dan zal wie Mijn leidraad navolgt niet
dwalen en niet ongelukkig zijn" (L).
Weliswaar is het niet duidelijk in hoeverre dat
verzoenbaar is met Gods almacht en voorbeschikking (qadar).
27. In totaal worden in de Koran
vijfentwintig profeten bij name vernoemd; negentien ervan zijn ook uit
de bijbelse traditie bekend. Mozes nam hieronder een bijzondere plaats
in omdat hij de énige profeet zou geweest zijn die op de Sinaï door God
rechtstreeks,
dus zonder bemiddelaar (bijvoorbeeld aartsengel Gabriël), zou zijn toegesproken
(zie s. 4:164; wat een uitzondering vormt op s. 42:51). De vaak bediscussieerde
vraag, of Muhammad de Bijbel (of althans 'perikopen', d.w.z. uittreksels)
kende, dan wel beïnvloed of geïnspireerd is door persoonlijke joodse en
christelijke contacten, hoeft ons hier niet bezig te houden. Voor een korte
bespreking zie Van Koningsveld (1997), p. 181 e.v.
28. Zie Cook (1996), pp. 77-82.
Over de zgn. 'straflegenden', zie het al vermelde, recente boek van David
Marshall.
Vanuit gelovig oogpunt gaat het hier niet om (externe) beïnvloeding: de
overeenkomsten moeten verklaard worden vanuit hun gezamenlijke, goddelijke
oorsprong. In de Koran zelf wordt niet ontkend dat Muhammad 'informanten'
kan hebben gehad (zie s. 16, 103), maar wél wordt alle kritiek op de 'oorspronkelijkheid'
van zijn verkondiging afgewezen, zie s. 25, 4-6. Cf. C.Adang, in: Driessen
(1997), p. 223; nu ook Cl.Gilliot (1996). A.Rippin (2001), p. 23, wijst
erop dat we in de Koran hoe dan ook niet gewoon te doen hebben met navertellingen
van de bijbelse verhalen, maar dat het gaat om een reflectie over de volkse
vorm waarin al dan niet apocriefe profetenverhalen circuleerden in de 7de eeuw. Ook werken als de Joodse Talmud of de Midrash speelden
daarin een rol: "de context waarin de Koran moet worden gelezen reikt
veel verder dan het kader aangereikt door de tekst van de Bijbel alleen;
veeleer de levende traditie van judaïsme en christendom, en van alle andere
geloofsovertuigingen en folklore in het gebied worden weerspiegeld in de
Koran en leveren de noodzakelijke achtergrond voor een begrip ervan"
(m.v.).
29. In de Koran is niet duidelijk
om wélke zoon het gaat. Latere moslimexegeten geven de voorkeur aan Ismâcîl,
die met Abraham naar Arabië trok, boven Ishaak. De bijbelse versie wordt
dan als een voorbeeld van "verdraaiing" van de authentieke openbaring beschouwd.
30. Wellicht circuleerden er reeds
vóór Muhammad in de Hijâz legendes over de reis van Abraham naar Mekka,
waardoor de Kacba in verband werd gebracht met diens monotheïsme:
zie hierover bondig, met literatuurverwijzingen, Gilliot (1996), pp. 17-19. Ook
Platti (2000), pp. 157-158, schaart zich achter de thesis dat Muhammads
toehoorders vermoedelijk al vertrouwd waren met de traditie van de
abrahamitische oorsprong van de Kacba. Crone 2006, tenslotte,
identificeert Muhammads opponenten zelf als "monotheïsten".
31. "Voor de harde behandeling
die de joodse stammen in Medina ten deel viel, zijn politieke argumenten
te geven. Onmenselijkheid in oorlogssituaties was bovendien ook toen geen
uitzondering. Dat neemt niet weg dat dit een zwarte bladzijde zal blijven
in de ontstaansgeschiedenis van de islam", Kees Wagtendonk, in: J.Waardenburg
(red.), Islam: Norm, ideaal en werkelijkheid (Houten 1994), p. 63.
Falaturi (1988), p. 56 en n. 61a, betwist dat de qibla wijziging
zou gebeurd zijn uit ergernis of ontgoocheling over de afwijzende houding
van de medinensische joden t.a.v. Muhammads profeetschap (op basis van
Kor. 2, 142-144), maar dat standpunt lijkt apologetisch geïnspireerd.
32. Aldus A.Alsulaiman, De bijbel
en de drie monotheïstische godsdiensten, syll. 1997, p. 19. Zie Camilla
Adang, in: Driessen (1997), pp. 228-229. Zie reeds de Koran,
s. 5, 5. Wat het 'gemengde' huwelijk betreft:
volgens het traditionele recht, is het aan mannelijke moslims toegestaan
met joodse of christelijke vrouwen te huwen; moslimvrouwen, daarentegen,
mogen niet huwen met een niet-moslim man (één van de overwegingen hierachter
is dat de pater familias instaat voor de religieuze opvoeding van
de kinderen die in het huwelijk geboren worden). Merken we nog op dat,
volgens sommige middeleeuwse rechtsgeleerden het samenleven met niet-moslims
enkel aanvaardbaar was binnen het islamitische systeem van de dhimma,
dus onder een moslimbestuur (het heeft nochtans de zgn. mudéjares niet belet
eeuwenlang te "blijven wonen" in een aantal christelijke Spaanse koninkrijkjes).
32bis. Voor een kritische bespreking van mannelijke
én vrouwelijke besnijdenis
in de drie religieuze tradities, zie de bijdrage van
Sami Aldeeb
op deze site.
32tris. Voor de relatie tot
de joodse Wet, zie Cook (1996), pp. 42-50; voor
een vergelijking tussen s. 17:22-39, en Mozes'
Tien Geboden, zie Rippin (2001), pp. 26-27. In s. 3:50, anderzijds, wordt gealludeerd op een zekere
afstandname van "Jezus, zoon van Maryam" ten aanzien van de joodse Wet
(de woorden worden in de mond van Jezus gelegd):
¶ En als bevestiger van wat er van de Taura voor mijn tijd
al was en om aan jullie iets van wat jullie verboden was toe te staan"
(mijn onderstreping).
33. Zo H.Von Glasenapp,
De Islâm (1980), p. 10. Zie ook Cook (1996), p. 82: "... Mohammad owed
more to Judaism than to Christianity. This would not be surprising. Both the
Islamic tradition and - still more - the external sources portray him as having
more to do with Jews than with Christians" [Cook heeft zijn
"ketterse" visie omtrent de verregaande 'joodse oorsprong' van de islam
later bijgestuurd, zie nu bv. Cook 2006.] Voor een meer systematische
bespreking zie bv. H. Busse, Die theologischen Beziehungen des Islams zu
Judentum und Christentum. Grundlagen des Dialogs im Koran und die gegenwärtige
Situation, Darmstadt 1988; zie ook Arnaldez (1985). - Een gelijklopende, hedendaagse moslimvisie wordt
verwoord door Shabbir Akhtar, in Be Careful With Muhammad! The Salman Rushdie
Affair (London 1989), p. 9: "Muslims, with much reason, regard Islam as
the culmination of the Hebrew style of religiosity, with Christianity as
essentially an aberration. At any rate, the very existence of Islam in the world
implies that the Judaeo-Christian faith complex does not exhaust the Western
monotheistic tradition". - Voor een historische bespreking van de positie van de joden in de islam,
zie B.Lewis, Juifs en terre d'Islam (1986; oorspr. Engelse titel:
"The Jews of Islam", 1984); Courbage & Fargues (1997); en de bijdragen
in Cohen & Zwiep (eds.), Joden in de wereld van de islam (s.d./1996).
Zie nu ook: Lucien GUBBAY, Sunlight and Shadow. The Jewish
Experience of Islam, London 1999.
33bis.Cf. Akhtar (1990), p. 237 n.13
(kritisch).
Voor de christelijke variant zie nog H.Dethier, in zijn De
Beet van de Adder. Deel 1: de leerstoelen der deugd (1994), p. 170: "De
islam is een christelijke sekte uit de laat-hellenistische tijd". Voor Luthers visie, zie bijvoorbeeld H.Bobzin (1996), p. 168.
34. Bijvoorbeeld s. 3, 28, en s. 5, 51.
35. Zie F.Leemhuis (1993), p. 93.
36. K.Versteegh, in: Driessen (1997),
p. 278. Vergelijk
dit islamitisch pluralisme met het West-Europese, na de godsdienstoorlogen: in
navolging van de vrede van Augsburg (1555) voorzag de vrede van Münster (1648)
dat de religie van de vorst de religie van de streek was ("cuius regio, eius
religio").
37. S. 10, 99-100 (L); zie
ook 2, 256: ¶ Er is geen dwang in de godsdienst. De rechtgerichtheid
is duidelijk onderscheiden van de verdoling. Wie dan niét gelooft in de
afgoden en gelooft in God, die grijpt het stevige handvat aan, dat onverbrekelijk
is. En God is horend en wetend" (K). In Medina, echter, werd de
godsdienstvrijheid wat meer 'genuanceerd': vooral t.a.v. de heidenen (mushrikûn) werd geëist
dat ze zich zouden bekeren, cf. het bekende 'zwaardvers', s. 9, 5. Hoe
dan ook, wil hier niet gezegd zijn dat gewapend
optreden géén rol zou gespeeld hebben in het historische succesverhaal
van Muhammad en de zijnen. Het tegendeel is waar, ongetwijfeld. Maar dat
geldt natuurlijk voor àlle 'historische succesverhalen', de christelijke
niet in de laatste plaats (cf. al geciteerde Mt 10:34). Zie hieromtrent ook nog verder, bij jihâd.
38. Cf. het verdrag van Najrân,
631/2, ten gunste van de christenen van Najrân (in het zuiden); zij hadden
zich onderworpen zonder gewapende weerstand te bieden. In ruil voor een
bijzondere takse (cf. de jizya), kwamen zij onder "de bescherming
van God en de waarborg van de Profeet Muhammad... Geen enkele bisschop
zal uit zijn bisschopszetel verwijderd worden, geen enkele monnik uit zijn
klooster, geen enkele priester uit zijn parochie. Geen enkele vorm van
vernedering zal hen worden opgelegd". Voor de volledige (Franse)
vertaling van dit verdrag, zie Gardet (1976), pp. 344-345. Voor de Koran,
zie sura 9:29, neergezonden in 630, n.a.v. Muhammads (laatste) veldtocht
tegen het noordelijke Tabuk, waar christenen en joden woonden.
39. Over de "religies van het
boek", zie nu algemeen C.Adang, in: Driessen (1997), pp. 221-239. De
uitdrukking ahl al-kitâb, "mensen van het boek", verwijst naar "het
Boek" in het enkelvoud, omdat hiermee niet zozeer verwezen wil worden
naar de concrete Schriften van joden, christenen en moslims, als wel naar
het ene, eeuwige, bron- of "moederboek" (umm al-kitâb), dat eeuwig
geschreven staat
"op een welbewaarde Tafel" (s. 85:22) in de hemel
(zie verder).
39. Gubbay (1999) steunt zich op de monumentale studie van S.D.Goitein, A Mediterranean Society: The
Jewish Commmunities of the Arab World as Portrayed in the Documents of the Cairo Geniza, 5 vols, Berkeley &
Angeles, 1967-1988 (in één deel "abridged", 1999).
40. Lewis (1984), pp. 43-44;
het citaat wordt gegeven door M.S.Aydin, in zijn bijdrage, "Islam en de uitdaging van het pluralisme",
op deze site. Cf.
ook Lewis, in de Franse vertaling (1986), p. 49: "Nulle
part (sc. dans le monde islamique) ne se manifeste cette hostilité passionnelle
et viscérale envers les Juifs - ou du reste tout autre groupe - qui caractérise
l'antisémitisme du monde chrétien"; voor de joden in de islam, nu ook:
Lucien Gubbay (1999). In de middeleeuwse, Iberische christenheid
heeft in een aantal koninkrijkjes, naar het model van de dhimma,
enkele honderden jaren een vergelijkbaar statuut van convivencia bestaan
t.g.v. de moslimpopulaties (de zgn. mudéjares): zij werden
daarvoor weliswaar 'op de vingers getikt' door wetgeleerden in de dâr
al-islâm: huns inziens dienden zij de hijra te maken naar de
dâr
al-islâm. Zie hierover kort H. De Ley, Van Cordoba tot Mostar
(1998).
- Voor het Osmaanse
millet-systeem, zie R.Detrez,
Het Osmaanse
Millet-Systeem, in: R.Detrez & J.Blommaert,
Nationalisme
(1994), pp. 290-303. Voor de positie van christenen en joden binnen de
moslimrijken, zie Youssef Courbage & Philippe Fargues,
Christians
and Jews under Islam (vert. uit het Frans), 1997 (voor de Osmanen,
zie daar pp. 90-130).
41. Cf. Van Koningsveld (1988),
pp. 96-97. Cf. de definitie van laïciteit door E.Renan:
"l'état neutre
entre les religions". Het principiële onderscheid doet natuurlijk niets
af aan de realiteit van de discriminaties die óók gepleegd worden in een
rechtsstaat 'gebaseerd' op godsdienstvrijheid als fundamenteel mensenrecht.
Anderzijds, wat de moderne moslimstaten betreft, hoewel alle inwoners ongeacht
hun religie als 'staatsburger' werden erkend, "wordt in de meeste
moslimlanden (de vrijheid van religie) nog steeds op dezelfde wijze toegepast
als voorheen, namelijk als het recht van een religieuze minderheid om beschermd
te worden tegenover inmenging van de staat in religieuze aangelegenheden van de
gemeenschap... Alleen al in Syrië, bijvoorbeeld, hebben elf christelijke
geloofsrichtingen elk hun eigen familiewet en -rechtbanks" (Berger,
2006:184-185).
41bis. "To this day observant Jews may be seen on the streets of New York, London and Jerusalem,
clad in the fashions of the Polisch nobility of hundreds of years ago. The mode of dress adopted is incidental:
what is important is that they dress in a distinctive manner, different from other people on the street",
L.Gubbay, 1999:35.
42. Er circuleren verschillende versies van het
"Pact"; voor de Engelse vertaling van één ervan, zie URL:
http://www.fordham.edu/halsall/source/pact-umar.html . Voor een uitvoerige bespreking
van de dhimma
zie: B.Lewis (1986), pp. 17-85; ook Gardet (1976),
pp. 87-89 (eigendomsrecht van niet-moslims), en Annexe II, pp. 344-349
(met ook de vertaling van het zgn. 'Statuut van Omar'). In 1856 werd deze islamitische institutie onder westerse druk
door de Osmaanse Sultan formeel afgeschaft; alle onderdanen van de Sultan werden
gelijk verklaard onder de wet. Een eeuw later erkenden de meeste moslimstaten officieel de Universele Verklaring van
de Rechten van de Mens, zoals opgenomen in het UNO-handvest (1948). Nochtans, zo
schrijft Gubbay (1999:38), blijft het dhimma-begrip "diep ingeprent in
moslimdenken en -attitudes". Ook in het kader van de
moslimminderhedenproblematiek in het Westen komt het begrip nog regelmatig ter
sprake in de literatuur.
43. De (pejoratieve) benaming van
"ghulât"
voor de minderheden stamt uit de dominante heresiografie (letterlijk: studie
van 'ketterijen'); zij gaat
uit van één, 'ware' orthodoxie; vanuit historisch
oogpunt echter moeten die 'heterodoxe' minderheden gesitueerd worden binnen
de vormingseeuwen van de islam: vanuit de creatieve wisselwerking met (lokale)
oudere religieuze stromingen (christelijke, dualistische, e.a.) hebben
zich vrijelijk tal van 'varianten' ontwikkeld. Pas in verbinding met politieke
machtscentra werden sommige ervan verheven tot 'orthodoxie' en
vandaar maatschappelijk
opgelegd (zie bijvoorbeeld de belangrijke rol van de rationalistische muctazila-theologie,
in samenwerking met het cAbbâsidische kalifaat in Baghdâd). - Wat
anderzijds
muḷhid betreft, de term werd ook
gebruikt voor apostaten of ketters die radicaal tegenstander waren van het
toenmalig idee van religiositeit als zodanig. Daarnaast echter ook ruimer voor
andere soorten van religieuze afwijkingen of als een synoniem voor zindîq.
De oorspronkelijke betekenis ervan, en dus van het woord iḷhâd,
was "afwijking van het pad" (vgl. de oorspronkelijke betekenis van
sharîca, zie verder). Zie Stroumsa, 1999:5
en p. 125.
44. "For the ordinary Muslim,
meeting an apostate is a far more dramatically disturbing experience than
meeting a Jew or a Christian", Akhtar (1989), p. 76. Voor een systematische
bespreking van het islamitisch recht hieromtrent, op basis van de traditie
en de nog altijd geldende officiële rechtsregels in de moslimlanden, zie
de bijdrage van Dr. Sami A.Aldeeb Abu-Shahlieh (Swiss Institute of Comparative
Law), "Le délit d'apostasie aujourd'hui et ses conséquences en droit
arabe et musulman" , te lezen op
diens site.
45. Het gaat om het slotvers
van een korte sura, gericht tot de mekkaanse "ongelovigen" (al-kâfirûn).
De vijf eraan voorafgaande verzen luiden (L): ¶
Zeg: 'O ongelovigen. Ik zal niet dienen wat jullie dienen. En jullie dienen niet
wat ik dien: En ik dien niet wat jullie dienen. En jullie dienen niet wat ik
dien'.
Strikt genomen wordt hier in de eerste plaats de onverenigbaarheid van 'islam'
en 'heidendom' geformuleerd, en pas in de tweede plaats dat zij naast elkaar
(kunnen) bestaan. Zie Jansen, 2005:157-158.
46.
"Seen in this light, heresy and apostasy are morally more acceptable than any
hypocritical attachment to orthodox opinion out of the fear of public sanctions",
ibid., p. 76. Zie ook de recente discussie in Frankrijk (waarbij de grote
moslimfederaties zich uitdrukkelijk akkoord verklaarden met het recht op geloofswissel,
ook voor moslims): cf. dossier in Islam de France, vol. 8 (2000),
vooral de tussenkomst van E.Jarny, "Apostasie, religion et politique",
pp. 58-60, op basis van M.Charfi, Islam et Liberté (1998), pp. 80-82.
Over de hedendaagse thematiek van "Islam en de uitdaging van het pluralisme",
zie op deze site de
al vermelde belangrijke bijdrage
van Mehmet S. Aydin (Turkse filosoof en theoloog, universiteit van Izmir). Voor
de klemtoon, in de Qur'ân, op absolute geloofsvrijheid, zie de bijdrage van
Linda Bogaert, op deze site:
http://www.flwi.ugent.be/cie/bogaert/bogaert12.htm .

 |