1. De
aanhoudende "buitenlandse" - met name Perzische en Byzantijnse - politieke,
ideologische en religieuze "penetratie" van het Arabische schiereiland in de
6de en de 7de eeuw is vermoedelijk een belangrijke "bewegingsoorzaak"
geweest in het optreden van de Profeet(1).
Toch spreekt het vanzelf dat het voor een omvattende historische duiding van
zijn verkondiging niet opgaat uitsluitend zulke "exogene" factoren in
rekening te brengen. Ook
"endogene" elementen, d.w.z. de
ecologie en de cultuur van pre-islamitisch Arabië - door de moslims nadien
ideologisch
gekarakteriseerd als de periode van de
jâhiliyya, of (heidense)
"onwetendheid" -, hebben
ongetwijfeld een wezenlijke bijdrage geleverd. Het succes van Muhammads
verkondiging en de uitzonderlijke dynamiek die zij op gang bracht, zouden
anders onverklaarbaar zijn.
Garth Fowden, daarom, waarschuwt m.i. terecht voor een al te eenzijdig
benadrukken, vanuit Crone's optiek, van de zgn. externe of exogene factoren. Hij plaatst trouwens ook een vraagteken bij de
algemene strekking van Crone's studies, nl. Mekka en Arabië in het algemeen
als in oorsprong extern aan de Byzantijns-Iraanse sfeer te beschouwen.(2)
Vanuit de vaststelling van het toenemend belang van de zuidelijke regio's (Ethiopië
en Arabië) in het Byzantijnse
"commonwealth", en de militaire
successen van de Sassanide Khosrau II(3),
luidt zijn conclusie integendeel:
"to an extraordinary extent, both culturally and
politically, Islam and its empire was already implicit in late antiquity"(4).
Ons uitgangspunt bij een schets van de endogene elementen moet de ecologie
of het natuurlijk milieu zijn(5). Die
ecologie van de streek waar de islam het levenslicht zag - nl. het westen en
noord-westen van het schiereiland
-, werd en wordt, zoals bekend, gekenmerkt door zeer uitgesproken
geografische en klimatologische contrasten: uitgestrekte zandwoestijnen en
steppes, rotsmassieven (hier en daar vulkanisch), sporadisch vruchtbare
oases; zeer sterke temperatuurschommelingen: schroeiende hitte overdag en
ijselijke koude 's nachts; droogtes en (schaarse) plotse regens...
Deze ecologische verhoudingen bepaalden het leven van de Arabieren vóór de
islam, economisch zowel als maatschappelijk. De bevolking bestond bovenal
uit nomaden (7). Zij moesten met hun
kuddes - kamelen en schapen - rondtrekken op zoek naar weigrond (zgn.
transhumance), afhankelijk van de
seizoenen: in de zomer verbleven ze gewoonlijk in een oase, in de winter
gewoonlijk in de woestijn. In die schaarse oases leefde een sedentaire
boerenbevolking die haar bescherming gewoonlijk moest afkopen van de
omringende nomadenstammen.
Natuurgeweld kon de traditionele levenscyclus soms bruusk wijzigen, in het
bijzonder het uitblijven van regens: droogte bracht verlies mee van
levensonderhoud en een toename van de mobiliteit, verbonden met raids of
rooftochten (ghazzu)(8) en stammenoorlogen. Dergelijke rooftochten behoorden
altijd al tot het leven van de bedoeïenen (gericht op het stelen van dieren
van een vijandige groep, golden ze a.h.w. als een soort van "edele sport");
maar in tijden van droogte, waren ze vaak de enige mogelijkheid om in het
levensonderhoud te voorzien (9).
Die onberekenbaarheid van de woestijnecologie hield de mensen in een
existentiële afhankelijkheid. De traditionele bedoeïenencultuur, vandaar, is
zoveel als de overlevingsstrategie die door de mens ontwikkeld werd in
antwoord op zijn extreme levensomstandigheden(10).
Dat betreft niet enkel de economische activiteiten - d.w.z. het hoeden enz.
van rondtrekkende kuddes -, maar ook de maatschappelijke organisatie van het
leven - i.c. de tribale verwantschapsstructuren en het normen- en
waardensysteem - en de geestelijke cultuur.
Naast veeteelt (kamelen, paarden, schapen...) en landbouw (in de oases),
verwierf men ook inkomsten uit handel. Daartoe werden ook regelmatig
jaarmarkten gehouden, die grote bekendheid genoten
(11). Deze jaarmarkten vervulden niet enkel een economische
functie, maar waren ook belangrijke culturele evenementen. Tot de "kermis"-sfeer
ervan behoorden onder meer ook poëziewedstrijden, waarop dichters en rhapsoden staaltjes brachten van orale poëzie.
Eén van de merkwaardigste aspecten, inderdaad, van de pre-islamitische,
Arabische cultuur is de plotse verschijning, vanaf het einde van de 5de eeuw,
van een volwaardige, orale poëzie, gecentreerd rond het zgn.
qasîd-genre(12).
"Volwaardig", want de oudste
producten ervan bezitten al onmiddellijk een artistieke vormvolmaaktheid die
later niet meer geëvenaard werd(13).
Spoedig verbreid over het gehele Arabische gebied (ook in Arabische
nederzettingen in Syrië en Mesopotamië), met in sommige streken lokale
scholen, ging die poëzie beoefend worden door beroepsdichters die een
enorme populariteit genoten. Voor de verspreiding en overlevering van hun
producten zorgden professionele
râwî's, of
"reciteerders"(14). Met hun verheerlijking en idealisering van het
bedoeïenenbestaan gaven de
qasîd-dichters betekenis en
continuïteit aan het dagelijkse leven en fungeerden ze tevens als een soort
van collectief geheugen. Ook op het gebied van de Arabische taal hebben zij
een belangrijke rol gespeeld. Terwijl Arabië, overeenkomstig de tribale
versplintering ervan, een grote verscheidenheid aan dialecten kende,
schiepen de dichters een literaire, of poëtische
koinè, d.w.z. een geünificeerde
standaardtaal, die zo goed als eenvormig was doorheen gans Arabië. Deze zgn.al-cArabiyya("hoog-Arabisch",
letterlijk:
"bedoeïenentaal") zou ook later het
medium blijven van alle literaire productie(15).
2. De
sociale verhoudingen in het kader van een nomadische levenswijze berustten
op het tribale verwantschapssysteem.
De basiseenheid m.a.w. werd niet
gevormd door de enkeling, maar door de groep: vooreerst de uitgebreide
familie en de clan, onder de leiding van een clanhoofd. Verschillende clans
samen vormden een stam, zonder evenwel onderworpen te zijn aan een echte
sociale of politieke hiërarchie: het verkozen stamhoofd (sayyid
of
shaykh) was niet méér dan een
"primus inter pares" en moest
terdege rekening houden met zijn clanhoofden. Dat sterke egalitarisme
van de
Arabische samenleving (egalitarisme dat niet strijdig was met een
felle wedijver om prestige en status) was allicht een belangrijke
inspiratiebron, en alleszins ondersteuning, voor het religieuze egalitarisme
van de islam(16). Tot deze
"groepencultuur"(17) behoorden vooral de stammythologieën en -tradities
evenals variaties in de gebruiken en rituelen. De verwantschapsgroep vormde
daarbij een soort van kosmos op zich, in de zin van een economische,
juridische en morele eenheid. Zij werd voortdurend (her)bevestigd en
geactiveerd bij middel van de reproductie van de (al dan niet fictieve)
genealogie (nasab) ervan.
De
geest van de tribale samenleving wordt bepaald door "altruïstisch" handelen
en reciprociteit. Volgens Irabi moet de relevantie van die tribale
organisatie en groepssolidariteit verklaard worden vanuit de dwang van de
ecologische verhoudingen in de woestijn:
"De in de woestijn rondtrekkende bedoeïenen konden zich
enkel door hun stamgenealogieën identificeren. Genealogie roept de
solidariteit op onder stamleden en laat het stamverband tot een politieke
en maatschappelijke eenheid worden, waaraan de functies van de staat in de
moderne tijd toekomen"
(18).
Maar in onderscheid met de eigenlijke, moderne staat, berust het maatschappelijke leven
niet op gecodificeerde wetten en het geweldmonopolie van een staat om ze af
te dwingen, maar op verwantschapsverhoudingen, en in het bijzonder op de
interne verbondenheid of gemeenschapszinvan de groepsleden. Die groepssolidariteit
(casabiyya)
wordt gedragen door het besef dat de enkeling voor zijn of haar bestaan
volledig afhankelijk is van de groep(19): in de woestijn is er
voor de enkeling geen enkele zekerheid buiten de groep; de man die de
loyauteit met de groep verbreekt, is verloren, is een outcast of
outlaw (cf. Muhammad, bij zijn hijra). De stam of clan oefent vandaar
ook een
morele autoriteit uit, gebaseerd op de (reële of fictieve) gemeenschappelijke
genealogie of afstamming van eenzelfde stamvader. Die genealogie is
dus een belangrijk organisatieprincipe: zowel intern als extern (in de relaties met andere stammen of clans)
fundeert zij rangorde en status (20),
en ze staat garant voor de interne samenhang van de groep. Die samenhang of
cohesie wordt verder nog versterkt door rooftochten
en/of oorlogen tegen vijandige groepen (cf. nog het hedendaagse
nationalisme, en het belang van vijandbeelden). Tussen verschillende stammen bestaat
er bijgevolg geen duurzame, politieke band - wel kunnen zwakkere of kleinere
groepen bescherming zoeken door allianties af te sluiten met sterkere.
De strenge
erecode en het waardensysteem van dit "tribale humanisme"(21) van de Arabische nomaden - de bedoeïenen, zou je
kunnen zeggen, "geloofden" niet zozeer in hun goden
(22), als wel in de voortreffelijkheden van de eigen groep en
de erfelijke overdracht ervan via de tribale stock - berustten
vooral op de eer van de groep. De traditionele deugden en waarden
die de groepssolidariteit moesten schragen, en dus de inhoud vormden van de
stamethiek, waren daarom: eergevoel, dapperheid, wraak, gastvriendschap,
trouw en zelfopoffering, en een voorliefde voor genealogie. Wat die laatste betreft:
"elke
bedoeïen kent zijn stamboom (nasab), die dikwijls vele generaties
teruggrijpt. De beoefening van de genealogie gebeurt professioneel. Voor
ambitieuze leiders is de kennis van de geschiedenis van de eigen stam en die
van naburige stammen onontbeerlijk" (23).
(b) Islam & (Post)tribalisme.
In de
traditionele geschiedschrijving over de islam, zoals gezegd, wordt ervan
uitgegaan dat de ontwikkeling van de handelsactiviteiten in de 6de eeuw, met de sedentarisering en de materiële welstand die eruit voortvloeiden - zo in de
"handelsrepubliekjes" van de Hidjâz, en met name in Mekka -, niet enkel de
tegenstellingen verscherpte tussen arm en rijk, maar daardoor ook
desintegrerend werkte op de traditionele, premonetaire verhoudingen en
waarden(24). Tevens werd het bestaan en de
sociale status van de enkeling "hoe langer hoe minder bepaald door zijn
stam- en clanbindingen en steeds méér door zijn persoonlijke prestaties en
successen"(25). De maatschappelijke en
morele malaise die gepaard ging met deze "mercantiel-kapitalistische" ontwikkeling, zou
dan een ontvankelijk milieu hebben gecreëerd voor Muhammads verkondiging.
Zoals gezegd, is hiertegen zeer kritisch gereageerd door Patricia Crone(26). Haars inziens is het bewijsmateriaal voor een algemene
malaise in Mecca "inadequate". De Arabische traditie weet van geen
religieuze, sociale, politieke of morele malaise in Mekka, en bovendien, zo
stipt ze aan, werd Muhammads boodschap in Mekka helemaal niet gunstig
onthaald, maar veeleer in (het agrarische) Medina(27). Ook het feit dat deze
tribale samenlevingen geplaagd werden door vetes en twisten, was niet nieuw:
dergelijke tegenstellingen en conflicten zijn precies een constante in een
nomadische - dus staatloze - maatschappelijke organisatie. Niet de
maatschappelijke omstandigheden waarvoor Muhammad een oplossing bood, waren
bijgevolg nieuw:
"it was only
the solution that was new. The novelty of the solution lay in the idea of
divinely validated state structures; and it was Muammad's state, not his
supposed blueprint for social reform, which had such powerful effect on the
rest of Arabia"(28).
Crone's wellicht
belangrijkste kritiek, evenwel, op de traditionele geschiedschrijving van de
islamologen berust op wat we het etnocentrisch en anachronistisch - want
modernistisch - karakter zouden kunnen
noemen van het religieconcept dat eraan ten grondslag ligt: nl. religie als
een geïnterioriseerd en spiritueel zingevingssysteem, d.w.z. als een set van
ultieme waarheden omtrent de natuur en de betekenis van het menselijke leven
- zodanig dat elke wijziging in of verzaking aan geloofsinhouden een
fundamentele wijziging vooronderstelt in 's mensen "way of life and
outlook"(29).
Daartegenover
beklemtoont Crone dat "islam zijn ontstaan vond in een tribale
samenleving, en (dat) elke poging om het verschijnen ervan te verklaren dit
feit als vertrekpunt moet nemen"(30).
Indien men in dergelijke, tribale context al mag spreken van "religie"
(31), dan moet worden vastgesteld dat [goed vergelijkbaar met de
religieuze voorstellingen van de oude Grieken] de tribale goden niét
relevant waren als ultieme waarheden omtrent de aard en de zin van het leven,
maar als krachten die verantwoordelijk waren voor al die waarneembare
verschijnselen die belangrijk zijn voor de menselijke samenleving
maar ontsnappen aan directe menselijke controle: regen, vruchtbaarheid,
ziekte, de kennis van waarzeggers, het bestaan van de sociale groepen, enz.
In een typische "do ut des"-relatie ("ik geef opdat gij zoudt
geven") - die, nogmaals ook ten grondslag lag aan de antieke religies
-, werden die krachten vereenzelvigd en vereerd voor hun praktische
diensten m.b.t. die voormelde verschijnselen. Net zomin als de Griekse Zeus,
m.a.w., vroegen of kregen deze tribale goden een emotioneel engagement,
liefde of loyauteit vanwege hun vereerders(32).
Vanuit die pragmatische relatie, zo concludeert Crone, was het geen enkel
probleem (laat staan een gewetensprobleem) om n.a.v. praktische
noodwendigheden 'van god te wisselen'(33):
"the idea
that a believer might be personally committed to a deity, having vested the
ultimate meaning of his life in it, did not occur to any of these men"(34).
Toegepast op
Muhammads succes, betekent zulks dat zijn godheid - althans in oorsprong - geen
programma met zich meebracht dat echt antithetisch was aan de tribale normen:
"integendeel, hij ondersteunde en veredelde zulke fundamentele tribale
kenmerken als krijgshaftigheid en etnische trots"(35). Een vorm van tribalisme trouwens zou in de Arabisch-islamitische samenleving altijd werkzaam blijven - én regelmatig
een hypotheek leggen op de integratie van die samenleving (bv. zelfs in al-Andalus).
De massale bekering van Arabië tot de islam bewijst dus niet het bestaan van
een spirituele crisis of neergang van het heidendom. ze bewijst wél dat Muhammads God iets te bieden had dat de bestaande culten volledig in de
schaduw stelde: nl. "een programma van staatsformatie en verovering".
Anders gezegd, Muhammads monotheïsme kwam neer op een "politiek
programma"(36). Crone vindt dat
bevestigd in de... biografie van Ibn Ishâq, waar we lezen dat het keerpunt in
Muhammads Mekkaanse carrière als profeet er kwam wanneer hij ertoe overging openlijk de ancestrale goden van de Quraysh en zijn eigen voorouders aan te vallen.
Muhammad ondermijnde daarmee bewust de funderingen zelf van zijn eigen stam:
hij wou aantonen dat zijn God incompatibel was met de bestaande tribale
scheidingslijnen. De verklaring daarvoor lag in het feit dat zijn God
tegelijkertijd een monotheïst was én een ancestrale godheid:
"Allâh was
the one and only God of Abraham, the ancestor of the Arabs; and it was
around ancestral deities that tribal groups were traditionally formed. It
follows that it was around Allâh, and Allâh alone, that the Arabs should be
grouped, all the ancestral deities that sanctioned current divisions being
false"(37).
Crone concludeert
dat, wanneer we de traditionele versie van Muhammads leven aanvaarden,
Muhammad al een "politieke agitator" was in Mekka. Het succes,
anderzijds, dat hij nadien, vanuit Medina heeft gekend, had te maken met het
feit dat hij samen met de vorming van een staat ook verovering
predikte: "zonder verovering, eerst in Arabië en vervolgens in Palestina/Syrië,
zou de vereniging van Arabië niet verwezenlijkt zijn"(38). Het is daarbij niet nodig om de handelsbelangen van Mekka
als motivering voor die veroveringspolitiek te poneren:
"tribal
states must conquer to
survive, and the predatory tribesmen who make up their members are in
general more inclined to fight than to abstain"(39).
Tenslotte, wat de
vraag betreft, waarom de Arabische nomaden zich pas in de 7de eeuw
verenigden voor verovering op een pan-Arabische schaal - wanneer het
potentieel daarvoor dan toch altijd al aanwezig was geweest -, daartoe doet
Crone, zoals al eerder gezegd, een beroep op de uitzonderlijke, agressieve
penetratie van het schiereiland, in de 6de en 7de eeuw door Byzantijnen en
Perzen.
_______________
NOTEN:
1. Dit is de voornaamste
conclusie van Patricia Crone uit haar kritische studies van het
bronnenmateriaal (Meccan
Trade and the Rise of Islam, 1987),
nl.
dat wat op het voorplan moet staan in het onderzoek naar het ontstaan van de
nieuwe religie, de impact is van Byzantium en Perzië op Arabië, en
niét de Mekkaanse handel.
Een omstandige uiteenzetting van de hand van P.Crone over "The Rise of
Islam in the World", is te lezen op URL
http://www.nitle.org/arabworld/texts.php?module_id=2&reading_id=305
2.
Fowden (1993), p. 138 n. 1. Crone 2006 maakt op dit punt haar
zelfkritiek, op basis van de archeologische gegevens: "Arabia seems to
have been a much more developed place than most Islamicists (myself included)
had ever suspected - not just in the north and south, but also in the middle.
We are beginning to get a much more nuanced sense of the place, and again it
is clear that we should think of it as more closely tied in with the rest of
the near east than we used to do".
3. Die bewezen
dat een politieke vereniging van de (oostelijke) Mediterrane en de Iraanse
sferen weerom een praktische optie was.
5. Over het
belang ervan zie nu ook Abdulkader Irabi (1989),
Arabische Soziologie. Studien zur Geschichte und
Gesellschaft des Islam
(Darmstadt 1989), pp. 1-8.
7. Zowel de
woorden
"carab"
als
"bedoeïen" betekenen
oorspronkelijk vermoedelijk
"nomade".
9.
De veralgemeende agitatie- en renovatiebeweging in de 2de
helft van de 6de eeuw zou wel eens mee veroorzaakt kunnen zijn door
klimatologische omstandigheden: tussen 591 en 640 kende Arabië een reeks van
grote droogtes.
11. Zoals gezegd,
speelt de handel een centrale rol in de traditionele geschiedschrijving over
het ontstaan van de islam. Voor een zeer omstandige en kritische analyse van
de omvang van deze handelsactiviteiten, zowel als van de aard van de
goederen of producten die door de karavanen vervoerd werden en op stedelijke
markten verhandeld werden, verwijs ik naar Crone (1987).
12. De
qasîda-ode (gew. tussen 60 à 100
verzen) kan omschreven worden als een soort van verhalende of epische lyriek,
maar is in wezen een kunstvorm die weinig gelijkenissen vertoont met
poëtische genres in andere literaturen. Gedicht in een vaste structuur en op
basis van steeds terugkerende motieven, bestaat het hoofdthema ervan uit een
panegyriek of lofprijzing (mede op basis van de genealogie) van de eigen
groep, van een patroon, enz. (eventueel ook aanval op rivaliserende groepen),
ingeleid door een conventioneel reisthema. Het bedoeïenenbestaan -
gastvrijheid, drinkgelagen, kwaliteiten van het eigen rijdier, stormen,
oorlogen en gevechtsscènes, enz. - wordt erin geïdealiseerd. Zie Gibb
(1963), p. 13v.; ook zijn art.
cArabiyya
in
EoI,
kk. 583-585.
13.
Een gelijkaardige vaststelling is gemaakt voor de poëtische
genres in de oud-Griekse literatuur (epos, lyriek en drama).
14.
Râwî 's waren oorspronkelijk
leerjongens van "gevestigde" dichters. Vgl. met de zgn.
"rhapsoden",
naast de oorspronkelijke barden, in Griekenland.
15.
Gibb (1963), p. 10. De hofcultuur van al-Hîra (aan de Eufraat),
dat een belangrijk centrum vormde voor bedoeïenendichters, heeft
klaarblijkelijk een grote rol gespeeld in deze ontwikkeling, evenals in het
eventueel op-schrift-stellen van de poëzie. Het Arabische schrift zou zelfs
in al-Hîra gecreëerd zijn (door christelijke monniken: de stad was ook een
centrum van het nestoriaanse christendom). Zie Gibb,
EoI,
k. 565.
19. Het
belangrijkste principe is de
"wet van de wedervergelding" (lex
talionis, in het Latijn), of: "oog om oog, tand om tand, en een leven
voor een leven" - met de bloedwraak of vendetta, als een algemeen aanvaarde
(zelfs opgelegde) praktijk. D.w.z. in een situatie waarin het individu àls
individu geen rechten heeft, is ieders leven (betrekkelijk) beveiligd door
de garantie dat zijn verwantschapsgroep: clan, stam of de (sterkere) clan/stam
waarmee zijn groep eventueel gelieerd is, zijn dood onverbiddelijk zal
wreken. Elk lid van een groep heeft daarom de heilige plicht elk ander lid
van zijn groep onvoorwaardelijk ter hulp te komen.
20. Cf. L.Marlow
(1997), Hierarchy and egalitarianism in
Islamic thought, p. 5: "In a society that lacked hierarchy,
genealogy was an essential organising principle; it was especially important
in matters of leadership, and in determining alliances and antagonisms. Both
individuals and descent groups as a whole vied for prestige, and in their
rivalry frequently invoked the principles of genealogy (nasab)
and inherited merit (asab)".
22. De oud-semitische
natuurreligie herleidde zich tot de verering van een groot aantal lokale,
mannelijke of vrouwelijke godheden die werden vereenzelvigd met bomen,
bronnen, rotsen of stenen: cf. de bekende Zwarte Steen, in de muur van de
Kacaba, in Mekka.
23. Irabi, o.c., p. 5. Uit deze
aandacht voor verwantschapsbetrekkingen ontstond nadien de wetenschap van de
genealogie, die later bijdroeg tot de ontwikkeling van de
geschiedeniswetenschap. Ook in de islam bleef de betekenis van de genealogie
bewaard. Ibid., p. 8.
24. "Die Geldgier oder
Bereicherungssucht ist notwendig der Untergang der alten Gemeinwesen. Daher
der Gegensatz dagegen. Es selbst ist das Gemeinwesen und kann kein andres
über ihm stehendes dulden. Das unterstellt aber die völlige Entwicklung der
Tauschwerte, also einer ihr entsprechenden Organisation der Gesellschaft".
Aldus Marx, in het bekende "Kapitel vom Geld", in zijn
Grundrisse der Kritik der
politischen Oekonomie (Rohentwurf), p. 134, weliswaar i.v.m. de
klassieke oudheid, maar de opmerking is wellicht ook toepasselijk op de
bedoeïenengemeenschappen in de 6e eeuw nK (vgl. de tirades in de Qur'ân
tegen de verrijkingszucht van de Mekkaanse handelaars).
26. Crone (1987), p. 231v. (met
verwijzingen naar de betreffende boeken van Watt). De enige 'basis', zo
stipt ze aan, voor de traditie omtrent Mekka als 'handelsstad', is s. 106:2: ¶
(Daarvoor dat de Koeraisj) hun zomer- en winterkaravaan samenbrengen...
27. "It was outside Mecca,
first in Medina and then elsewhere in Arabia, that there was a market for
his monotheism: the Meccans had to be conquered before they were converted",
ibid., p. 235.
29. Ibid., pp. 237-241. "The
immense appeal of Watt's work on the rise of Islam rests on the fact that he
thought along these very intelligible lines and came up with a socioeconomic
change of the requisite kind: the Meccans were making a transition to a
capitalist economy and losing their faith in the process. How very familiar;
the Meccans were just like us", p. 237.
31. De oud-semitische
natuurreligie, die eraan ten grondslag lag, bood geen antwoord op spirituele
verzuchtingen. ze stamde bovendien uit een agrarische faze en
was voor de nomaden nog nauwelijks relevant. Vgl. Crone, o.c., p. 240: "Pre-Islamic
(or for that matter pre-modern) Arabia was strikingly poor in mythology,
ceremonial, ritual, and festivals. Religious life was reduced to periodic
visits to holy places, stones, and trees, to sacrifice and consultation of
diviners; most Bedouin managed with even less than that; and these practices
were not closely associated with belief in specific gods".
32. Crone, o.c., p. 238, geeft
ter illustratie het bekende verhaal dat "in de dagen van het paganisme
de Hanîfa stam een god lieten maken uit dadels gemengd met zuivere boter. Ze
vereerden hem gedurende een lange tijd. Dan werden ze getroffen door een
hongersnood, en dus aten ze hem op".
33. Crone, l.c. Ze geeft ook
voorbeelden m.b.t. de bekering van gehele stammen (in Arabië en elders) tot
het christendom - bv. op basis van miraculeuze genezingen.
34. Crone, o.c., p. 239. De
vraag kan natuurlijk worden gesteld of Crone niet op haar beurt schuldig is
aan etnocentrisme, of anachronisme, wanneer ze de zingevende betekenis van
religieuze culten en rituelen herleid tot geïnterioriseerde of
bewustzijnsinhouden, en ritueel gedrag als louter "extern", en dus
niet-gevoelsgebonden, beschouwt. Dit onderscheid (en dus deze tegenstelling)
tussen "innerlijk" en "uiterlijk" is ongetwijfeld eveneens post-tribaal. Wel
is het een feit dat de emotieve verbondenheid uiteindelijk de eigen
verwantschapsgroep betrof, die via de godheid a.h.w. benoemd werd (vgl. met
de oude Atheners wier cultus van godin Athena eigenlijk een vorm van "Athenaïsme"
was); cf. de hoger al gebruikte uitdrukking van "tribaal humanisme".
35. O.c., p. 240. Crone vervolgt
met: "Despite the Qur'ânic suspicion of Bedouin, it was only on the
development of classical Islam in the Fertile Crescent that the celebrated
antithesis between muruwwa
and dîn, manliness and
religiosity, emerged". Het contrast, evenwel, dat zij maakt met de
christelijke god ("In principle, the Christian deity did carry with him
such a programm", p. 240), lijkt mij onterecht, omdat hier wél
abstractie wordt gemaakt van het onderscheid tussen het historisch optreden
van Jezus van Nazareth en het latere "christendom". Kan men zich i.v.m. dit
laatste met recht en reden afvragen of het niet veeleer de creatie was van,
zeg maar, Paulus, dan moet het universalistisch potentieel van Muhammads
verkondiging, ook al werd het dan pas na zijn dood gerealiseerd, wel
degelijk op zijn krediet worden geboekt. Vergelijk trouwens de Qur'ânverzen
waar de universele opdracht van de profeet uitdrukkelijk geformuleerd wordt
(zie verder).
37. Crone, o.c., p. 242. In Crone 2006, weliswaar,
lezen we dat alles erop wijst (cf. ook de Koran) dat er van een regelrecht
paganisme geen sprake meer was, d.w.z. dat ook Muhammads opponenten
(eventueel christenen) reeds een vorm van "bijbels" monotheïsme aanhingen,
waarbij weliswaar andere godheden of "engelen" geassocieerd werden met de
ene God-Schepper.