"De
islam kan beter gezien worden als een gevarieerd repertoire van
geloofsvoorstellingen, -praktijken en ervaringen" (D.Douwes, M.de
Koning,
W.Boender, Nederlandse moslims, 2005, p.16).
Inleiding:
Moslimse & Westerse
Geschiedschrijving van de Islam
1. Islam
is de jongste
van de mediterrane openbaringsgodsdiensten: zijn profeet verscheen een
volle
600 jaar na Jezus van Nazareth en meer dan 400 jaar na Mani, de
stichter van de manicheïsche kerk (gekruisigd rond 275).
Ernest Renans
bekende uitspraak, dat de islam "geboren werd in het volle
licht van
de geschiedenis",(1)
moge dan al "veel
te ver (gaan)",(2)
het is een feit dat Muhammad
ibn Abdallâh in veel hogere mate dan andere
godsdienststichters
of profeten een historische
verschijning is, of alleszins: een historische verschijning lijkt
te zijn.(3)
De (
negatieve) keerzijde van die 'historiciteit'
is ontegensprekelijk dat westerlingen veel vlugger geneigd zijn
(in opvallend contrast met de figuur van Jezus van Nazareth), Muhammads
religieuze (en dus ook morele) integriteit in vraag te stellen. Met "religieuze
integriteit"
wordt dan niet zo iets bedoeld als de theologische waarheid van
Muhammads
boodschap - dat is een geloofskwestie: neen, de authenticiteit
zelf van zijn religieuze ervaring, en dus ook zijn
persoonlijke integriteit
worden binnen christelijke en postchristelijke middens al eeuwenlang steevast ontkend of in twijfel getrokken. Echt
verwonderlijk is dat niet.
Het feit dat hij nà 'Jezus Christus' kwam én dat
hij zich op dezelfde 'abrahamitische'
traditie beriep, leidde reeds in de middeleeuwen tot de overtuiging dat
Muhammad niet authentiek of integer kón zijn;
méér nog: dat hij, zo al
niet de Duivel of de Antichrist in persoon, dan toch zeker een handlanger of
werktuig van die Duivel moest zijn, d.w.z. een bedrieger ('impostor'),
heresiarch, tovenaar en magiër, manipulator, opportunist,
ontaarde wellusteling,
misdadiger, moordenaar, enz. enz.
Diedemoniseringvan de islam en zijn profeet is niét verdwenen
met de ontkerstening (misschien beter: secularisering) van Europa.
Integendeel. De 'tweede komst' van de
islam naar Europa, sedert de jaren '60 van de 20ste eeuw, en het
als maar groeiende, zogenaamd nieuwe racisme dat sedert de 80'er jaren
de Europese eenmaking
'begeleidt', hebben er een nieuw leven aan gegeven. Van de middeleeuwse
criminalisering
van Muhammad en (bij implicatie) de moslims, in het kader van de
christelijke,
zowel theologische als kruistochtentraditie, beleven we sedert enkele
decennia een
geseculariseerde versie die zelfs een 'democratische' respectabiliteit
heeft weten te verwerven. Denken we maar aan de enkele jaren geleden,
door het politieke
beleid in ons land gevraagde studie naar het mogelijke 'verband' tussen
(moslim)allochtonen
en criminaliteit, en het door journalisten toen genoteerde
'academische'
commentaar dat de islam inderdaad als "criminogeen"
moet beschouwd worden.(4)
Op wereldvlak, anderzijds, hebben de aanslagen
van 11 september 2001 en
de Amerikaanse oorlogen tegen Afghanistan en Irak (binnen kort ook Iran?) het westerse onveiligheidsgevoel
ten aanzien van alles wat met islam te maken heeft (of lijkt te
hebben) alleen maar exponentieel vergroot, terwijl het gebruik van
excessief geweld t.a.v. "de andere" er voor beide zijden weerom door
gelegitimeerd is.
2. Laten
we ons evenwel wenden tot
de ontstaansgeschiedenis van de islam. Wat de verkondiger ervan betreft, Muhammads leven
is nadien binnen de moslimgemeenschap het voorwerp geworden van
een intensieve en minutieuze biografische belangstelling: de
zogenaamdesîra-literatuur, die in andere godsdiensten haars
gelijke niet heeft. De (fragmentarisch) overgeleverde "biografie
van de Profeet" (sîrat an-nabî)
die de grootste autoriteit en
bekendheid heeft verworven, is van de hand van Ibn Ishâq
(704-767).(5)
Zij dateert weliswaar van meer dan honderd jaar nà de dood
van Muhammad en kwam dus tot stand binnen een volledig gewijzigde
historisch-maatschappelijke context; tegelijkertijd had de vrome auteur ervan
evident niét de betrachting van een moderne historicus. In afwezigheid, hoe dan ook, van
concrete gegevens over Muhammad in de Koran (zijn naam wordt wel vier maal vernoemd), moesten biografen
vooral een beroep
doen op (aanvankelijk) mondeling overgeleverde berichten of anekdotes.
Als bronnenmateriaal,
inderdaad, voor de ontstaansperiode
beschikken we ook nog over een massa aan (korte of langere) berichten betreffende Muhammads handelen en optreden
in allerlei concrete situaties: wat hij gezegd, gedaan of stilzwijgend
goedgekeurd heeft; maar ook bv. over de wijze waarop de Korancodex na
zijn dood tot
stand is gekomen. Zij liggen ten grondslag aan de zogenaamde sunnat an-nabî,
de (exemplarische) levenswijze, of het "voorbeeld-ter-navolging
van
de Profeet". Een bijzondere plaats daarin werd ingenomen door de
zogenaamdehadîth-s(meervoud: ahâdîth), of "tradities".
Zij betroffen woordelijke uitspraken van de
Profeet, eventueel van zijn naaste Gezellen, buiten de openbaringscontext (weliswaar
ging men een speciaal soort "tradities"
onderscheiden: de zogenaamde hadîth qudsî,
of "heilige traditie"; hoewel geen onderdeel van de
koranieke openbaring, geven ook zij, voor de gelovige, Gods Woord
weer). Nadien werd
de betekenis van de notie "hadîth" verruimd en gingen ze de gehéle Sunna,
en vandaar ook de moslimtraditie als zodanig, omvatten.
De mate van authenticiteit of geloofwaardigheid van elke hadîth
afzonderlijk is vanuit islamitisch oogpunt gebaseerd op de
gedetailleerde, orale
overleveringsketen (isnâd) die aan elk bericht voorafgaat en via
tussenpersonen teruggaat tot
iemand uit de onmiddellijke omgeving van Muhammad.(6)
Tenslotte en
vanzelfsprekend, vormt ook de Koran - het oudste, schriftelijke
document van de islam - een belangrijke, zij het
indirecte bron. "Indirect", inderdaad, want de Koran is
géén kroniek van
gebeurtenissen. In groot contrast met de christelijke Evangelies, toegespitst
op 'leven en werk' van Jezus van Nazareth, vormt Muhammad niét het object
van de koranieke verkondigingen; zij brengen dus géén verslag van zijn leven (in
plaats van hem van buitenaf te bekijken, zou je kunnen zeggen dat ze
ons a.h.w. tonen hoe hij, van binnen uit, de wereld zag).
Tegelijkertijd bezitten zij een sterk allusief karakter. Ten einde de
vele verkondigingen, beter: "neerzendingen", te
begrijpen, daarom, poogden latere generaties zo goed als mogelijk de particuliere "gelegenheden
van de neerzending" (asbâb an-nuzûl) te reconstrueren van de
afzonderlijke verzen - en dat vergde een premoderne vorm van 'historisch-biografische'
studies. Onvermijdelijk waren die reconstructies en studies onderworpen - binnen
een 'hermeneutische cirkel' - aan reeds geldende doctrinale opvattingen,
en tegenstellingen. Onvermijdelijk ook - zoals we dat ook kunnen
vaststellen met de antieke filosofen (bv. Herakleitos) - werden
koranieke verzen later biografisch geïnterpreteerd. Zo bv. 93:8:
¶ (Heeft Hij) jou (niet) behoeftig gevonden en rijk gemaakt?
Decommentatoren hebben hierin een verwijzing gelezen naar
Muhammads huwelijk met Khadîja, als rijke koopmansweduwe (Jansen,
2005:45).
Op basis van dat uitgebreide
en heterogene
materiaal en dank zij de eeuwenlange studie ervan door de culamâ
of moslimgeleerden
heeft zich een minder of meer samenhangend beeld uitgekristalliseerd,
zowel
over het leven van Muhammad als over het ontstaan van de islam,
vanuit de eraan voorafgaande (en "tegengestelde") periode van de "Onwetendheid"
(jâhiliyya). Meningsverschillen en controverses
omtrent minder of meer belangrijke details
zijn mede het gevolg van tegenstrijdigheden of varianten binnen de
overlevering.
Tegelijkertijd houden afwijkende versies ook verband met de religieus-theologische
diversiteit die zich binnen de islam al vrij vroeg, na de dood van de
Profeet, op een bijzonder conflictueuze wijze ging manifesteren. De meest
markante verschillen in dat verband
betreffen vanzelfsprekend het onderscheid tussen de majoritaire, soennitische en de
minoritaire, shîcitische stromingen
(de shîcieten worden vandaag globaal op
ca 15% van de moslimwereldbevolking geschat): in deze laatste wordt, zoals
bekend,
vooral de betekenis van Muhammads neef en schoonzoon cAlî -
algemener: van de familie van de Profeet -
veel sterker in de verf
gezet (in sommige, kleinere tradities of "sekten" gaande tot diens
vergoddelijking).
De westerse
oriëntalistiek en islamologie,
die zoals andere geesteswetenschappen een creatie zijn van de 19de eeuw,(7)
hebben de moslimtraditie inzake het ontstaan van de islam in
grote lijnen gevolgd. Het onbetwiste hoogtepunt vandaag van die
gevestigde, wetenschappelijke
islamkunde vormen zonder twijfel de vele publicaties van de Brit William
Montgomery Watt (vanaf de jaren '40 tot vandaag). In die
historische
reconstructie worden de belangrijkste gegevens uit de overlevering
grotendeels
aanvaard - zij het 'waar nodig' gecorrigeerd of gefatsoeneerd volgens
de
richtlijnen van de (westerse) common sense. Het
tolerante principe
dat hierbij gehanteerd wordt, luidt dat we in de bronnen alles kunnen
of
moeten aanvaarden waarvoor we geen specifieke reden hebben om het te
verwerpen.
Ook de meest flagrante tegenstrijdigheden in de overlevering moeten
vanzelfsprekend
zoveel als mogelijk opgeklaard worden.
Op die basis is een - ook
vandaag
nog - vrij algemeen aanvaard historisch beeld tot stand gekomen over
het ontstaan
van de islam en dus over leven en rol van Muhammad, alsook over de centrale
betekenis van de stad Mekka, in de Arabische Hijâz. Een voorname
hoeksteen, inderdaad, van dat standaardbeeld is de overtuiging dat de Mekkaanse groothandel de
doorslaggevende factor was in die religieus-maatschappelijke
ontwikkelingen. Rond 600 zou Mekka - hoewel het niet zelf op de
karavaanroute lag - de controle, zo al niet
het monopolie hebben verworven over de internationale karavaanhandel
tussen
Oost (Indië) en West (Byzantijns Syrië,
Perzië); die handel betrof kostbare luxegoederen, zoals
specerijen, zijde, enz. (in de Qur'ân kan een zinspeling daarop gevonden worden
in s. 106, "de Quraysh"). Door de toename van de geldtransacties,
de groeiende materiële welstand en, dus, de sociale
polarisatie tussen arm
en rijk werden de traditionele, tribale verhoudingen en
waarden onvermijdelijk aangetast, en werd een
maatschappelijke en spirituele crisis teweeggebracht waarop het
primitieve veelgodendom geen antwoord kon geven. Vandaar de nood
aan een nieuwe, meer ontwikkelde 'ideologie' of wereldbeschouwing - of,
vanuit psychologisch oogpunt, een nieuwe denkvorm (equilibratie).(8)
De rol van het individu moest daarin beter tot zijn recht komen, d.w.z.
iemands lotsbestemming moest in hogere mate afhangen van zijn of haar
eigen verdiensten.
Ook moesten de in oorsprong egalitaire verhoudingen van een tribale
samenleving
op een nieuwe basis hersteld worden en diende een ultieme sanctionering
gegarandeerd te zijn voor het toenemend maatschappelijk onrecht.
Tenslotte
deden zich, mede onder invloed van joodse,
christelijke,
gnostische en andere tradities, die al vertrouwd waren met de notie van een goddelijke "schriftuur",
nieuwe, eigenlijk spirituele behoeftes gelden.
Waar andere aanzetten of pogingen mislukten, heeft Muhammads
verkondiging
en optreden op dat alles dan een succesvol antwoord weten te geven.(9)
3. Na
1970, echter, kwam het
binnen de westerse islamstudie tot een verregaande kritiek op die
gevestigde visie. Om
slechts twee publicaties te vermelden in dat verband: het Meccan
Trade and
the Rise of Islam (1987), van Patricia Crone (Princeton Univ.)
en het beknopte boekje, Muhammad, van Michael
Cook
(1983, 1996).(10)
Aanknopend bij een al eerder geformuleerde skepsis t.a.v. de
'Tradities' (door
autoriteiten als Ignaz Goldziher, F.Schwally, J.Schacht, enz.), werd
door deze zogeheten 'revisionisten' geargumenteerd
dat de islamitische traditie vanuit strikt historisch oogpunt als onbetrouwbaar
moest beschouwd worden.
Die overlevering,
zo luidde het, is niét gebaseerd (zoals het genre
van de hadîth ons wil doen geloven) op daadwerkelijke herinneringen,
die
via een orale overleveringsketen (isnâd)
teruggaan
op Muhammad en zijn gezellen. Het betreft integendeel bovenal producten van
poëtischeFabulierungof vertelkunst, en dus om fictie, want het werk van
traditionele beroepsvertellers
(qussas) in de vroege, nog orale moslimsamenleving.
Ten behoeve
van toenmalige moskee-, bedevaart- en marktbezoekers brachten die vertellers een
gemeenschappelijk 'repertoire'
van verhalen over verwekking, geboorte, jeugd, leven, enz. van de Profeet, met
verwerking
van tal van extern (soms ook christelijk en joods) materiaal. Dat gebeurde
overeenkomstig
de traditionele techniek van die qussas, namelijk in allerleivariatiesen met een als maar
grotere
uitbreiding (bv. in verband met Muhammads vader: zowel gestorven vóór als
nà zijn geboorte;twee verhalen over een vroegtijdige,
christelijke erkenning van Muhammads status, in Syrië; over de
bekering van cUmar, enz.). Een opvallende vaststelling bv. is dat hoe
gróter de afstand in de tijd is van de informatiebron tot de
verhaalde
gebeurtenissen, hoe méér men 'weet' -
terwijl uiteraard het
omgekeerde verwacht mag worden, mocht het daadwerkelijk om herinneringen
gaan (Cook
1996: 61-67). Anderzijds wekken sommige verhalen het vermoeden dat ze nàdien
bedacht zijn om aan een of andere, minder of meer duistere Koranpassus een
uitleg of een aannemelijke context te bezorgen.
Het kritische principe
daarom van
deze "revisionistische" school (11)
bij het evalueren van het overgeleverde materiaal is niét:
we moeten alles
aanvaarden waarvoor we geen uitdrukkelijke reden hebben om het te
verwerpen,
maar net omgekeerd: we moeten alles verwerpen
waarvoor we géén specifieke
reden hebben om het te aanvaarden. Het onmiddellijke gevolg hiervan
is:
(1)
dat de historicus verplicht
is terug te vallen op overwegend 'externe' (archeologische en
niet-moslimse)
gegevens, en
(2) dat er nog maar heel
weinig is
omtrent Muhammad en de geboorte van de islam waarvan we kunnen zeggen
dat
we het historisch inderdaad wéten.
Ook
inzake de Koran leidde het revisionisme
tot een erg sceptische visie: de moslimse informatie over de eerste
Koranverzamelingen
(onder de eerste kaliefen, Abû Bakr en cUmar,
en de officiële
uitgave onder de derde kalief, cUthmân)
werden als latere 'projecties'
beschouwd. Bezwaarlijk nochtans daarbij is dat John Wansbrough (gest.
2002), naar wie
de school ook genoemd wordt,
aan de Koran heuristisch het
redactiemodel heeft opgelegd dat door de Nieuwtestamentstudies blootgelegd is voor de
christelijke evangelies: namelijk een lange tijdspanne van orale overlevering van
diverse tekstmaterialen
(zogenaamde logia), voorafgaand aan de
opschriftstelling van de kanonieke teksten (Mattheus, Marcus, Lucas,
Johannes). Dat resulteerde onvermijdelijk in een hyperkritische visie op de Koran, als zijnde weinig meer dan een late,
historisch
en literair vormloze bundeling van (naar oorsprong én
inhoud) disparate
materialen. Daarbij werd zelfs de continuïteit geloochend
tussen de eigenlijke Koranredactie, zoals ook wij ze kennen, en de
oorspronkelijke "opzeggingen" van Muhammad: slechts enkele recieten
zouden op hemzelf teruggaan en nadien de kern gevormd hebben waarrond
zich andere, làtere teksten gegroepeerd hebben.
Zoals Pieter
Sjoerd van Koningsveld Wansbroughs visie
kritisch samenvat, verwordt de Koran aldus tot een 'boek'
dat "pas ongeveer
driekwart eeuw na het begin van de islamitische geschiedenis door
samenvoeging
van allerlei kleinere teksten (vooral van sektarisch-joodse oorsprong)
tot stand gekomen zou zijn".(12)
Een laatste, 'hyperkritische' invalshoek op de oorsprong van de Koran, en dus
van de islam, die
hier nog moet vermeld worden, is gebaseerd op de
linguïstiek. Met name wordt door
sommigen een groot
belang gehecht aan vastgestelde sporen van invloed vanuit het oud-Syrisch
(Syriac,
in het Engels) in het koranieke Arabische taalgebruik (bv. op het gebied van bijbelse
eigennamen, religieuze noties, e.a.). Hoewel dit gegeven niet nieuw is, werd het
de laatste jaren opnieuw onder de aandacht gebracht door enkele Duitstalige
publicaties (vooral: Christoph Luxenberg, Die Syro-Aramäische Lesart des Koran,
Berlin 2000). Meer nog dan de mogelijke regio
van ontstaan van de Koran (cf. Crone en Cook), kwam de Arabisch-islamitische oorspronkelijkheid van Muhammads tekst
onder vuur te liggen. Zie hierover verder, kap. 4, n.
97 bis, met verwijzingen.
4. Op
basis van het overgeleverde materiaal
en van een omstandige kritiek op de overgeleverde verhalen, trok
PatriciaCrone alvast de conclusie dat we bij het zoeken naar de factoren die de
geboorte
van de nieuwe religie kunnen helpen verklaren, de klemtoon vooral
moeten
leggen oppolitiekeontwikkelingen onder de
Arabische stammen.
Zij
werden uitgelokt door de sterke buitenlandse penetratie van het
schiereiland
in de 6de en 7de eeuw (Crone 1987: 246). Muhammads historiciteit nochtans wordt
door de externe gegevens hoe dan ook bevestigd,
zij het dat hij herleid
wordt tot een erg schimmige figuur. Volgens Crone was hij in eerste
instantie
wellicht noch een hervormer die opkwam tegen sociaal onrecht noch
iemand
die een oplossing wou bieden voor een 'spirituele crisis' van het
tribale
humanisme van de Arabieren.(13)
Zijn hoofdbedoeling
was veeleer 'politiek', nl. de creatie van een één gemaakte Arabische umma
("gemeenschap, natie"), met alles wat een dergelijk
project impliceerde
aan verzet en strijd tegen de vreemde machten - en dus aan veroveringen:"Muhammad
was neither a social reformer nor a resolver of spiritual doubts: he
was
the creator of a people" (Crone 1987:237). Weliswaar kon de
kwalitatieve 'sprong' uit een tribaal samenlevingsverband naar het
politieke of staatkundige niveau van een hoogcultuur niet gerealiseerd
worden zónder een fundamentele religieus-ideologische
vernieuwing. Crone's slotconclusie, hoe dan ook, is
dat wat op het voorplan moet staan in het onderzoek naar het ontstaan
van
de nieuwe religie, de (exogene) imperialistische impact is van Byzantium en Perzië op Arabië,
en niét de (al bij al erg primitieve) Mekkaanse handel, of
andere, endogene
ontwikkelingen (1987:250).
[Uitgebreider over endo- en exogene ontstaansfactoren, zie de extra
noot, op islam_syl1bis.htm.]
De Nederlandse islamoloog, Wim
Raven, die zich grotendeels aansluit bij dit 'revisionisme',
concludeert
dat het belangrijkste resultaat ervan het inzicht is "dat er
maar heel
weinig bekend is over het ontstaan van de islam". Hij
vervolgt echter
met erop te wijzen dat we, ten einde een godsdienst te leren kennen, "niet
zoveel te maken hebben met wat historici te melden hebben... Het is van
groter belang te luisteren naar wat aanhangers van die godsdienst
erover
vertellen. Dat zal per definitie een geloofsgetuigenis zijn, en niet
een
wetenschappelijk betoog".(14)
Wijzelf zullen ons bij deze
presentatie
vooral baseren op de (meest essentiële) gegevens van de
moslimse en de standaardvisie.
We voelen ons daartoe des te meer gerechtvaardigd omdat het
hyperkritische
'revisionisme' in de meest recente literatuur geenszins 'het laken naar
zich toe heeft weten te trekken'; integendeel, het is zelf sterk onder
vuur komen te liggen. Van Koningsveld, bv., wijst op de negatieve
effecten
van het revisionisme, namelijk dat het "de reputatie van de
oriëntalistiek
in belijdende islamitische kringen tot een nieuw dieptepunt heeft
gevoerd"
(1997:169), en dat elke discussie tussen wetenschap
en geloof erdoor
uitgesloten wordt. Bovenal, echter, zo stipt hij aan, berust de visie
ervan,
zeker wat de Koran betreft, niet op ernstige, wetenschappelijke
gronden:
"De visie van de
'revisionistische'
school is in tegenspraak met de oudste bewaarde koran-handschriften en
met
de stroom van gegevens over de schriftelijke overlevering van de koran
tijdens de eerste eeuw waarvan diverse betrouwbare Arabische bronnen
melding
maken" (1997:170).(15)
Ook wat
de schriftelijke vastlegging
betreft van de Tradities, wordt nu met een vroegere datum gerekend:
blijkbaar
waren reeds Muhammads Gezellen en onmiddellijke opvolgers in het bezit
van geschreven verslagen die vervolgens in de eerste helft van de 8ste
eeuw verzameld werden (Gätje, 1997: 16-17).
Chronologisch
0verzicht
(57O - 1924)
ca
570
Geboorte van
Muhammad ibn
Abdallâh, als telg van de Banû Hâshim,
een clan van de Mekkaanse Quraysh-stam;
zijn vader overleed kort voor (of kort na?) zijn geboorte.
ca 610
Muhammad ontvangt rond zijn
40ste
zijn eerste openbaringen; zijn prediking onder de Mekkanen start pas
een
3-tal jaar later, dwz rond 612.
622
De hijra
("emigratie") van
Muhammad en zijn volgelingen - de zogenaamde “muhajirûn”
(“emigranten”)
- naar Yathrib (latere naam: Madina an-Nabi, ”Stad van de
Profeet”, kortweg:
Medina): geldt als het begin van de islamitische tijdrekening (Latijnse
transcriptie: “Hegira”).
630
Vreedzame intocht in Mekka. Militaire
expeditie
naar (Byzantijns of Romeins) Palestina/Syrië.
632
Dood van Muhammad. Zijn umma
verenigt
bijna het gehele Arabische schiereiland.
632-661
Periode van de vier
"rechtgeleide
kaliefen":
632-634
Kalifaat van Abû
Bakr (vader van Aïsha).
634-644
Kalifaat van cUmar.
Begin van de verovering van Iran.
635
Verovering van
Syrië (Damascus)
en Mesopotamië.
638
Vreedzame verovering van Jeruzalem.
641
Stichting van Basra en
Kûfa.
642
Verovering van Egypte.
644-656
Kalifaat van cUthmân (van de mekkaanse Umayya-clan).
646
Begin van de verovering van
Berbers
Noord-Afrika.
651
Vastlegging van de
officiële Qur'ân.
Verovering van Iran/Perzië voltooid.
656-660
Moord op
cUthmân.
Kalifaat van cAlî.
657
Veldslag van
Siffin, tussen cAlî
en Mucâwiya.
660-750
Dynastie van de Umayyaden
(centrum:
Damascus).
660-680
Regering van Mucâwiya.
661
Moord op
cAlî
te Kûfa.
680
c
Alî's
aanhangers, aangevoerd door zijn zoon al-Husayn, worden verpletterd
door
overmacht bij Kerbalâ (Irak).
691
Bouw van de
"Koepel-van-de-Rots",
in Jeruzalem.
710-716
Verovering door
Arabisch-Berberse
troepen van Visigothisch Spanje: al-Andalus, m.i.v. Zuid-Frankrijk
(Narbonne).
In het Oosten wordt de Indus bereikt.
732
Treffen bij Poitiers (Karel
Martel).
750-1260
Dynastie van de
cAbbâsiden.
750-945
Eerste tijdvak
van het cAbbâsidische
kalifaat.
754-775
Kalifaat van
al-Mansûr. Overwinning
op de Chinezen te Talas; papierfabrikatie te Samarkand.
756-928
Emiraat van Cordoba,
gesticht door
een gevluchte Umayyadenprins.
762
Stichting van
Baghdâd.
785
Grote Moskee van Cordoba.
786-809
Kalifaat van Hârun
ar-Rasjîd.
800
Stichting van Fez (Marokko).
813-833
Kalifaat van
al-Ma'mun.
831
Inname van Palermo en
verovering
van Sicilië (voltooid in 902).
832
Oprichting (?) van het "Huis
van de Wijsheid", te Baghdâd.
849-861
Kalifaat van al-Mutawakkil.
ca 850
Eerste getuigenissen van de
verbreiding
van de islam in Indonesië en China.
873
"Verberging" van
de 12e "imâm" van
de "imamitische" Sjîca.
908-932
Kalifaat van al-Muktadir.
909
Verovering van
Ifrikiyya (Tunesië)
door de (zevener-sjîcitische
of ismâcilitische)
Fâtimiden
912-961
Regering van
cAbd
al-Rahmân III te Cordoba (kalief in 929).
929-1031
Kalifaat van Cordoba.
945-1258
Tweede tijdvak
van het cAbbâsidische
kalifaat.
945-1055
Bûyidische
emirs oefenen in Irak
en West-Iran de macht uit, in naam van
cAbbâsidische
kaliefen.
969
Verovering van Egypte door
de Fâtimiden.
Stichting van Caïro.
1010
Ineenstorting Kalifaat van
Cordoba;
verbrokkeling van al-Andalus.
1032
Verschijnen van de
Seldjukiden (Turken)
in Transoxanië.
1036-1094
Hoogtepunt van de
Fâtimiden: kalifaat
van al-Mustansir.
1036-1147
Berberdynastie van de
Almoraviden
in de Maghreb; vanaf 1086 in al-Andalus.
1055-1157
Dynastie van
Seldjukidensultans
(onder nominaal kalifaat) in Iran, Irak, nadien Syrië.
1061-1091
Verlies van Sicilië
aan de Noormannen.
1062
Stichting van Marrakech.
1071
Verovering van
Anatolië ("Rûm") op de Byzantijnen
door de Seldjukiden (hoofdstad Konya).
1085
Inname van Toledo door
Alfonso VI.
1096-1099
Eerste zogenaamde kruistocht
(Godfried
van Bouillon), met inname van Jeruzalem.
1147-1223
Al-Andalus onder de
Berberdynastie
van de Almohaden.
1141
Verschijnen van de Mongolen
in Transoxanië.
1147
Tweede kruistocht.
1171
De Koerdische generaal
Salâh ad-Dîn
(Saladin) maakt een einde aan het Fâtimidische kalifaat:
Ayyubidische dynastie.
1187
Herovering van Jeruzalem
door Saladin.
1212
Slag bij Las Navas de Tolosa
(Spanje),
met nederlaag van de Almohaden.
1230-1492
Dynastie van de
Nasridenemirs van
Granada (als vazal van Ferdinand III van Kastilië).
1235
Val van Cordoba.
1258-1260
Verovering van
Irak en Syrië, en
plundering van Baghdâd door de Mongolen (onder Hoelagoe,
kleinzoon van
Djengis Khân); einde van het
cAbbâsidisch
kalifaat; vestiging door Hoelagoe van de dynastie der Ielkhanen, in
Azerbeidjân.
1260-1277
Baibars organiseert het
Mamlukenbestuur
over Egypte.
c1326-1923
Het Ottomaanse of Osmaanse
rijk.
1336-1405
Verwoestende krijgstochten
van Timoer
Lang, uit Transoxanië, in N-India, Iran en
Klein-Azië.
1453
De Osmaanse Turken (onder
Mehmet
II) veroveren Constantinopel; einde van het Byzantijnse of
Oost-Romeinse
rijk.
1482
Januari: lancering van
"kruistocht"
tegen koninkrijk Granada door Ferdinand V en Isabella
1492
Januari: inname van Granada;
maart:
verdrijvingsedict tegen alle Joden in de "Spanjes".
1502-1526
Verplichte massa-bekering
van alle
Spaanse moslims; de "bekeerlingen" krijgen de naam van “Moriscos”
("Moortjes").
1517
Mamlukken
(oorspronkelijk slavenkrijgers) verslagen
door Osmaanse
sultan Selim I.
1517-1700
Bloeiperiode van
het Osmaanse rijk,
van het Iraanse Safawidenrijk (twaalver-sjî
citen)
en van het Mogolrijk in India.
1520-1566
Regeerperiode van
Süleyman I, bijgenaamd
"de Prachtiglievende", als hoogtepunt van de Osmaanse civilisatie.
1529
Eerste beleg van
Wenen.
1609-1614
Uitdrijvingsedicten en
gewelddadige
deportaties van ca half miljoen katholieke Moriscos uit katholiek
Spanje.
1683
Tweede (en laatste) beleg
van Wenen.
1744
Ontstaan, in de
Jihâz, van de fundamentalistische
Wahhabitische beweging, in alliantie met Ibn Sa'ûd.
1798-1801
Expeditie van Napoleon in
Egypte; nederlaag en einde van het bewind van de Mamlukken.
1805-1848
Mohammed Ali (Pasja),
grondlegger
van het moderne Egypte.
1821
Begin van de Griekse
opstand, onder
Russische en westerse impuls, met moordpartijen tegen diverse lokale
moslimgemeenschappen.
1839-1856
De Tanzimât:
(mislukte) hervormingspoging
van het Osmaanse rijk naar centralistisch Frans model; met verzaking
aan
het islamitisch karakter van het rijk.
1908-1909
Opstand van de zogenaamde
Jongturken en
afzetting van de sultan.
1923
Opheffing van het Sultanaat
en uitroeping
van de Turkse republiek door Mustafa Kemal Pasha (een muhacir,
geboren in Thessaloniki),
nadien bijgenaamd "Atatürk" (1881-1938).
1924
Opheffing van het
(geestelijke)
Kalifaat en oprichting van de Turkse Diyanet.
1974
Wettelijke erkenning van de islam als
"Belgische
eredienst".
NOTEN
1. "Au
lieu de ce mystère sous lequel les autres religions
enveloppent leurs origines, (la religion musulmane) naît en
pleine histoire; ses racines sont à fleur de sol. La vie de
son fondateur nous est aussi bien connue que celle de tel
réformateur du XVe siècle". Zie Ernest
Renan (1823-92), Mahomet
et les origines de l'islamisme', verschenen in Revue
des deux Mondes, 1851/4, p. 1065; vermeld bij B.Lewis, The
Arabs
in History (1960), p. 36; voluit geciteerd bij Claude
Gilliot, Muhammad,
le Coran et les "Contraintes de l'Histoire", in: Stefan Wild
(ed.), The
Qur'an as Text (1996), p. 4.
2.
P.S.van Koningsveld, "Mohammed",
in: H.L.Beck (red.), Grondleggers van het Geloof (1997),
p. 159.
3.
Maxime Rodinson, in het artikel 'Muhammad',
in: Dictionnaire de l'Islam, religion et civilisation
(1997), p.
608, spreekt van "une illusion née du
caractère très détaillé de
la
biographie traditionnelle".
4. Het
zal o.i. een smet blijven
op het blazoen van VLD-politicus Marc Verwilghen, dat hij in 1999 dit
populistische
thema in volle verkiezingscampagne heeft aangebracht (via een interview
in De Morgen). In de Franstalig-Belgische
academische wereld is
hiertegen heel scherp en omstandig gereageerd [cf.het boek van F.
Brion,
A.Rea, C. Schaut, A. Tixhon (coord.), Mon délit?
Mon origine. Criminalité
et criminalisation de l'immigration, Bruxelles 2000,
Éd. De Boeck-Université,
coll. Pol-His:"Écrit en réaction
à la commande du Ministre de la Justice
M. Verwilghen à Marion Van San, le livre désire
opposer une analyse scientifique
aux présupposés idéologiques liant
l'immigration et la délinquance".]
In Vlaanderen, daarentegen, is ook ter linkerzijde veeleer de houding
aangenomen
dat er geen bezwaar kon ('mocht') zijn tegen 'wetenschappelijk
onderzoek'.
Het "academisch commentaar" inzake de "criminogene
natuur"
van de islam werd genoteerd door Knack-journalisten. - Wat de
ontstaansgeschiedenis
betreft van het Europese stereotype islambeeld (in werkelijkheid een -
omgekeerd - Europees zelfbeeld), kan verwezen worden naar de klassieke
studie van Norman Daniel, Islam and the West. The Making of
an Image
(Edinburgh 1960; revised ed. Oxford 1993). In het Nederlands beschikken
we omtrent deze thematiek over het meer beknopte, maar schitterend
geschreven
boek van P.S. van Koningsveld, Sprekend over de islam en de
moderne
tijd (Utrecht/Amsterdam 1993). Zie nu ook de bijdrage van
W.A.R. Shadid
& P.S. van Koningsveld, Moslims als minderheid:
vergruizeling van
het westerse islambeeld,op deze
site.
5. Ze is
overgeleverd in een nog
latere, ingekorte verzameling van Ibn Hishâm (gest. ca 830).
Het gaat niet
om een biografie in de moderne zin, "maar (om) een
verzameling veelal
korte teksten of delen daarvan", met inbegrip ook van
documenten (bv.
het belangrijke Convenant van Medina). Zo Wim
Raven in de inleiding van zijn
vertaling, Ibn Ishaak. Het leven van Mohammed
(2000), p. 10.
6. Zie
hieromtrent de inleiding
in W. Raven, Leidraad voor het leven. De tradities van de
profeet Mohammed
(Inleiding, keuze en vertaling), Amsterdam 1995. In de
westerse oriëntalistiek
is de historische geloofwaardigheid van deze tradities meestal erg
bevooroordeeld
benaderd: vgl. autoriteiten als Ignaz Goldziher (1889-90) en de
specialist
van het moslimrecht, Joseph Schacht (1950), die ze grotendeels als
fictie
of vervalsing afwezen. Voor een recente, (zelf)kritische beschouwing
omtrent
deze westerse vooringenomenheid, zie bv. Harald Motzki, in zijn
bijdrage: De
tradities over het ontstaan van de korantekst: verzinsel of waarheid?,
in: M.Buitelaar & H.Motzki (red.), De Koran:
Ontstaan, interpretatie
en praktijk (1993).
7. De
19de eeuw was natuurlijk ook
de eeuw van Europa's kolonialisme, nationalisme en de eraan gekoppelde
rassentheorieën. De ideologische effecten op de studie van
islam en moslimcivilisatie
werden voor het eerst kritisch geanalyseerd in Edward Said, Orientalism
(1985; vele herdrukken). Kort samengevat komt zijn argumentatie erop
neer
dat 'oriëntalisme' een 'discours' vormt over de moslimwereld
waarin en
waardoor de westerse superioriteit 'wetenschappelijk' werd bevestigd en
bestendigd (creatie van de homo islamicus).
Sedertdien werden niet
enkel vanuit oriëntalistische hoek maar ook vanuit moslimzijde
reserves
of nuances geformuleerd bij Said's kritiek. Zie bv. Akbar S.Ahmed, Postmodernism
and Islam. Predicaments and Promise (1992), p. 185:"It
is time,
then, to move beyond Said's arguments. In an important sense he has led
us into an intellectual cul-de-sac". Voor een recente
kritische inleiding
bij Said, zie Valerie Kennedy, Edward Said. A Critical
Introduction,
Cambridge 2000.
8. Vgl.
met de rol van een (beperkte)
geldeconomie in de archaïsch-Griekse wereld bij de
ontwikkeling van een
eerste, filosofisch denken (zie mijn syllabus De
Ioniërs, en de syllabus,
op
deze site). Wat de islam
betreft, de godsdienstsociologische samenhang tussen: (a) een nieuwe
economische
praktijk (door geld bemiddelde ruilhandel), (b) een prestigieuze orale
poëzie en haar denkvormen (nomaden oorspronkelijk levend in
een woestijnecologie),
en (c) de creatie van een nieuwe wereldvisie gebaseerd op een
openbaringstekst,
wordt op vernieuwende wijze bestudeerd in Mohammed A.Bamyeh, The
Social
Origins of Islam. Mind, Economy, Discourse (1999).
9. Zie
bv. Watt, Muhammad. Prophet
and Statesman (1961).
10.
Vermelding verdient ook zijn boekje "The Koran. A Very Short
Introduction" (2000); alsmede P.Crone
& M.Cook, Hagarism. The Making of the Islamic World (Cambridge 1977),
dat we niet hebben kunnen raadplegen; voor een samenvattende
presentatie van Cooks huidige visie, zie Cook 2006 (de historiciteit
van Muhammad wordt opnieuw bevestigd door hem; van zijn
oorspronkelijke stelling van een verregaand joodse ontstaanscontext
wordt afstand genomen).
11. Ook
de "Wansbrough School"
genoemd, naar John Wansbrough, auteur van o.m. Quranic
Studies. Sources
and methods of scriptural interpretation (Oxford 1977).
12. Van
Koningsveld, "Mohammed"(1997),
p. 169 - die het zelf niét eens is met deze visie
(zie verder).
Zie ook nog Wansbrough's volgende studie, The Sectarian
Milieu. Content
and composition of Islamic salvation history
(1978). Een recent
product nog van de Wansbrough School in de
Franstalige wereld is
het controversiële boek, Le Coran est-il authentique?
(2000), van
de Tunesische (maar in Frankrijk levende) filosoof en historicus,
Mondher
Sfar.
13.
Crone wijst erop dat Muhammad
integendeel een beroep heeft kunnen doen op de tribale waarden, d.w.z.
ze ten dienste heeft kunnen stellen van zijn religieus-politiek
project.
Fijntjes merkt ze op dat de overtuigingskracht voor ons van de
'traditionele'
visie precies berust op het moderne begrip van wat
'godsdienst'
is, nl. een zingevingssysteem. Een synthetische uiteenzetting van de
hand van P.Crone over "The
Rise of Islam in the World", is te lezen op URL http://www.nitle.org/arabworld/texts.php?module_id=2&reading_id=305
(uit:
The Cambridge Illustrated History of the Islamic
World,
1999). Recenter nog is haar uiteenzetting, "What do we actually know
Mohammed?" (31.08.2006), URL:
http://www.opendemocracy.net/articles/ViewPopUpArticle.jsp?id=5&articleId=3866.
Zij neemt hierin een meer gematigde positie in t.a.v. de informatie
uit de islamitische traditie en wijst het standpunt van de 'negationisten'
af: "The evidence that a prophet was active among the Arabs in
the early decades of the 7th century, on the eve of the Arab
conquest of the middle east, must be said to be exceptionally good".
Ook Muhammads auteurschap van de koranieke verkondigingen wordt door
haar bevestigd. Zij handhaaft evenwel haar scepsis inzake de
centrale rol van Mekka in de islamitische traditie. In tegenstelling
tot het N-W en het zuiden van Arabië, hebben we (buiten die
traditie) géén gegevens omtrent de Hidjâz of meer bepaald Mekka:
"It is difficult not to suspect that the tradition places the
prophet's career in Mecca for the same reason that it insists
that he was illiterate: the only way he could have acquired his
knowledge of all the things that God had previously told the Jews
and the Christians was by revelation from God himself. Mecca was
virgin territory; it had neither Jewish nor Christian communities".
[Maar wat betekent dat voor Yathrib, of Medina? en de hijra?]
14.
W.Raven, "Ontstaan en Verbreiding",
in: H.Driessen (red.), In het huis van de islam
(1997), p. 35.
15. Zie
ook de kritiek op Wansbrough
door de Nederlandse islamoloog Harald Motzki (1993), met als
slotconclusie, p. 26: "De westerse
islamologen hebben in het verleden de moslimse overleveringen die hen
als
tegenstrijdig of historisch ongeloofwaardig overkwamen te snel als
onhistorische
fantasieprodukten verworpen. Het is wenselijk een nieuwe benadering te
ontwikkelen". Emilio Platti (2000), pp. 195-196,
sluit zich bij Motzki aan: "à défaut de
pouvoir trouver une hypothèse plus fondée, la
version traditionnelle reste valable". In dezelfde zin
betoogt ook de (thematische) Koranstudie
van David Marshall,God,
Muhammad and the Unbelievers
(1999), p.17 n.6. Betekenis- en beloftevol voor de hedendaagse
verhouding
tussen westerse en moslimse experten is het commentaar van Stefan Wild
bij het Bonner internationaal symposium, 'The
Qur'ân as Text', dat in november
1993 gehouden werd aan de universiteit van Bonn, nl. dat "er
(op het
symposium) een omzeggens unanieme afwijzing was van een poging om in de
hedendaagse Koranstudies een onderscheid te maken tussen een
niet-moslim-
en een moslimgeleerdheid" (Wild, 1996, p. x) (m.v.).
Zie hierover ook verder.