De kernvraag van dit eindwerk was in hoeverre het sociaal-cultureel werk
een rol te vervullen heeft in het bestrijden van racisme. Om deze vraag
te beantwoorden heb ik me eerst afgevraagd wat racisme nu precies is en
– in het licht van die omschrijving - op welke basis het bestreden dient
te worden.
Racisme is veel meer dan een individuele houding. Racisme is een
discours in Foucaultiaanse zin, het is een manier waarop de
werkelijkheid wordt begrepen en er tegelijkertijd naar wordt gehandeld.
Racisme is op dit maatschappelijk niveau een onvoldoend erkend probleem
in Vlaanderen. Doordat het een ideeëngoed is dat vormgeeft aan
handelingen én een kader is om die handelingen ook weer te
verantwoorden, wordt racisme een zichzelf versterkend machtssysteem dat
uitsluiting en discriminatie voortbrengt.
Zo ben ik uitgekomen op een omschrijving van antiracisme. Antiracisme is
een principiële houding, die als het ware racisme een spiegel voorhoudt.
Het is een democratisch uitgangspunt dat ruimte schept voor een ander
discours: een pluralistisch discours dat staat voor gelijkwaardigheid en
gelijke rechten. Om racisme te bestrijden is een strategie noodzakelijk,
omdat racisme op structureel niveau in onze maatschappij aanwezig is.
Die structurele strijd kan verwezenlijkt worden aan de hand van de
sociaal-culturele methodiek, mits die ook wordt ondersteund door een
structurele aanpak vanuit het beleid.
Hoofdstuk drie heeft aangetoond dat sociaal-cultureel werk een
duidelijke rol heeft te spelen in het bestrijden van racisme van
‘onderop’, aangezien haar doelen parallel lopen met het doel van
antiracisme. Met het uitwerken van goede doelgerichte methodieken,
gebaseerd op een aantal werkprincipes, kan er mijns inziens al heel wat
bereikt worden.
Maar racisme bestrijden op kleine schaal is onvoldoende. Zolang de
overheid niet principieel achter het (per definitie) fundamenteel
democratische principe van antiracisme staat, kunnen er geen gerichte
acties ondernomen worden in de richting van een mentaliteitsverandering
op maatschappijniveau. Ik heb dit aangetoond in het laatste hoofdstuk,
aan de hand van de toepassing van het schema van Hans Bellaart op een
aantal antiracistische acties, zowel ‘van onderop’ als ‘van bovenuit’.
Hieruit bleek dat in het eerste geval de acties losstaan van gericht
beleid en in het ander geval het beleid blijkt geeft van een weinig
fundamentele visie op racisme (wat leidt tot het onvoldoende omzetten
van beslissingen in concrete acties). Er bestaan wel raakpunten, maar
deze zijn niet strategisch van aard.
In de twee laatste hoofdstukken bevindt zich het antwoord op mijn
initiële vraag: het sociaal-cultureel werk heeft een duidelijk bruikbare
methodiek om racisme ‘van onderop’ aan te pakken, maar zonder
structurele aanpak ‘van bovenuit’ zijn losstaande initiatieven
onvoldoende strategisch om werkelijk een maatschappelijke
mentaliteitswijziging waar te maken die leidt tot een meer democratische
samenleving.
______________________
|