"O mensen! Waarlijk
jullie Heer is Eén en jullie vader (Adam) is
één. Een Arabier is niet beter dan een
niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; een
blanke is niet beter dan een zwarte en een zwarte is niet beter dan een
blanke - behalve in termen van vroomheid en goede daden".
(Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld door Imaam Ahmad, 22391,
al-Silsilat al-Saheeh 2700)
Uit deze inleidende uitspraak van de Profeet Mohamed blijkt al meteen
hoe krachtig de Islam zich afzet tegen elke vorm van racisme en
elitisme. De Koran schrijft een wereldbroederschap van mensen voor,
één natie van broeders en zusters die allemaal
elkaars gelijken zijn voor God. De Koran bevestigt het bestaan van
diversiteit in geloof, taal, huidskleur en zo meer, maar beschouwt deze
verschillen als tekenen van de Almacht van God, niet als redenen op
grond waarvan men zich superieur zou kunnen voelen. Om deze aanpak
duidelijk te maken, bewandelt de Koran zoals zo vaak twee paden: in de
eerste plaats wordt het wenselijke - een wereldbroederschap van alle
mensen - aangemoedigd. Tegelijk wordt elitisme en racisme sterk
afgekeurd en verboden. Voor wie racist is, worden de poorten van de
hemel gesloten.
1. Een
Wereldbroederschap van alle mensen
De mensheid als
één enkele natie van broeders en zusters
De Koran stelt dat de mensheid voortkomt uit één
echtpaar, Adam en Eva:
"O mensen, vreest
jullie Heer die jullie uit één wezen geschapen
heeft, die uit hem zijn echtgenote schiep en die uit hen beiden vele
mannen en vrouwen heeft voortgebracht en [over de aarde] heeft
verspreid..." (Koran 4:1)
De hele mensheid vormt samen
één natie:
"De mensen waren
oorspronkelijk één gemeenschap..."
(Koran 2:213)
De betekenis hiervan is dat
alle mensen gelijk zijn en dat iedereen de broeder en zuster is van elke
ander: alle mensen hebben immers dezelfde voorouders. Hiermee wordt in
essentie de basis gelegd voor een echte wereldbroederschap van mensen.
Devote Muslims spreken elkaar overigens aan met "zuster" en "broeder" -
hiermee bevestigen zij niet enkel een geloofsverwantschap maar ook en
vooral een volledige gelijkheid voor God: geen mens kan zich superieur
achten aan een ander. Profeet Mohamed zei:
"O Heer! Heer van
mijn leven en van alles in het universum! Ik bevestig dat alle mensen
broeders zijn van elkaar."
Het gaat hier dus niet om een
broederschap van Muslims, maar veel ruimer, over een wereldbroederschap
van alle mensen die voor God allemaal elkaars gelijken zijn, ongeacht
hun huidskleur, geloof, bezit, taal e.d.m.
Diversiteit tussen mensen is
teken van Gods Almacht
Oorspronkelijk was de mensheid één gemeenschap.
Die werd gaandeweg gediversifieerd. Al zijn alle mensen gelijk voor
God, de Koran erkent uitdrukkelijk dat er verschillen bestaan tussen
mensen: ze spreken andere talen, behoren tot andere volkeren enz. Maar
opdat niemand deze verschillen als grond zou kunnen gebruiken om
zichzelf meer waard te achten dan een ander, stelt de Koran dat die
verschillen zo door God gewild zijn, en dat het tekenen zijn van Zijn
Almacht:
"En tot Zijn
tekenen behoren de schepping van de hemelen, en de aarde en het
verschil in jullie talen en kleuren. Daarin zijn tekenen voor de
wereldbewoners." (Koran 30:22)
Volgens de Koran zijn er ook
in het geloof verschillende wegen naar God mogelijk: er zijn
verschillende godsdiensten, en in elke godsdienst (met inbegrip van de
Islam) zijn er gelovigen die naar de hemel zullen gaan, en ongelovigen
die naar de hel zullen gaan.
1 Het is God zelf die de
diversiteit, ook in de godsdiensten, heeft ingesteld:
"Als jouw Heer het
had gewild, had Hij de mensen tot één gemeenschap
gemaakt, maar zij bleven het oneens..." (Koran 11:118).
En enkel God kan over deze
verschillen oordelen:
"... en Ik zal
oordelen over dat waarover jullie het oneens waren.” (Koran
3:55).
De diversiteit impliceert dus
tegelijk een aanvaarden van religieuze vrijheid.
"In de godsdienst
(van de Islam) is er geen dwang." (Koran 2:256)
Dwang is in de godsdienst van
de Islam verboden.
2. 't Is trouwens voor
niets nodig vermits volgens de Koran eenieder die in God gelooft en
deugdelijk handelt naar de hemel kan gaan, of dat nu een Jood, een
Christene of een Muslim is:
"Zij die geloven,
zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs
die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor
hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen
zij bedroefd zijn." (Koran 2:62)
Reden van de diversiteit: elkaar leren kennen
De Koran geeft de reden aan voor deze door God ingestelde diversiteit:
"O mensen, Wij
hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie
tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden
kennen... (Koran 49: 13).
Hiermee wordt aangegeven dat
God de diversiteit geschapen heeft opdat mensen elkaar zouden leren
kennen, niet om elkaar te bestrijden of te pogen elkaar te overheersen.
Dit vers houdt de opdracht in, het anders-zijn van anderen te
aanvaarden, en met hen een dialoog aan te gaan, op voet van gelijkheid.
Individueel gedrag (en niet
ras, afkomst, enz) als basis voor succes (hier en later)
Het voorgaande vers, dat mensen ertoe aanzet de door God ingestelde
diversiteit aan te wenden om elkaar te leren kennen, heeft nog een
tweede deel:
"... De
voortreffelijkste van jullie is bij God de godvrezendste. God is wetend
en welingelicht." (Koran 49: 13).
De Koran vestigt hiermee
meteen ook het individuele gedrag als bron voor een geslaagd leven - en
niet het behoren tot een of andere groep, natie enz. Wie godvruchtig is
en volgens de goddelijke geboden leeft gaat naar de hemel, anderen gaan
naar de hel. Het maakt daarbij niet uit tot welke ras of volk men
behoort, of men rijk of arm is, man of vrouw, blank of zwart, het maakt
zelfs niet uit tot welk geloof men behoort, vermits eenieder die in God
gelooft en deugdelijk handelt naar de hemel kan gaan. 'Taqwa'
(rechtvaardigheid, godsbewustzijn) is volgens de Koran waar het
allemaal om draait, en daar zal God alle mensen op beoordelen. Een
Muslim wordt bijgevolg aangemoedigd om zich in alle aspecten van zijn
leven, op elk moment, bewust te zijn van God, zodat zijn handelen in
alles gestuurd zou worden door Gods Geboden. Maar enkel God kan over
deze piëteit oordelen. De 'muttaqûn' - dat zijn
mensen met meest 'taqwa' - vormen dus geen klasse apart in de
samenleving. In afwachting van de Oordeelsdag, moeten mensen elkaar
allemaal als gelijkwaardig beschouwen en het oordeel over de 'taqwa'
van de mensen overlaten aan God. Gelijk welke prestatie, gelijk welk
bezit, scholingsgraad, jobtitel, huidskleur, nationaliteit, of wat dan
ook, volgens de Koran kan niets daarvan een mens meer waard maken dan
een ander.
2.
Ontraden en verbieden van elitisme en racisme
Mohamed veroordeelde raciale
trots
Voor de komst van de Profeet Mohamed, hadden nogal wat Arabieren de
neiging neer te kijken op anderen, voornamelijk op Afrikanen. Racisme
en bewustzijn van de eigen huidskleur waren prominent aanwezig. De
Profeet keurde dit herhaaldelijk krachtig af.
De Profeet zei: "je
moet naar je leider luisteren en hem gehoorzamen, zelfs al is hij een
Ethiopische slaaf wiens hoofd de kleur van een rozijn heeft."
(Bukhari)
Voor de elitair ingestelde
Arabieren waren zulke uitspraken shockerend. Zij waren gewend een
leider aan te stellen uit de meest vooraanstaande families, maar
Mohamed viel hun elitisme herhaaldelijk aan. Hij schreef hen voor op te
houden met op te scheppen over hun afkomst.
De Profeet zei:
"laat de mensen ophouden met op te scheppen over hun afkomst. Men is
slechts een devote gelovige of een miserabele zondaar. Alle mensen zijn
zonen van Adam, en Adam kwam van stof." (Abu Dawud,
Tirmidhi)
Hij omschreef hun elitaire
houding ook als een een teken van hun 'onwetendheid':
Er wordt gemeld dat
op een keer een gezel van de Profeet een andere gezel, Bilal genaamd,
op een negatieve toon "zoon van een zwarte vrouw!" noemde. Toen de
Profeet dit hoorde werd hij kwaad en antwoordde hij: "Veroordeel jij
deze man omwille van de zwartheid van zijn moeder? Jij bent met
zekerheid een onwetende (al-jahiliyyah)."
De term 'al-jahiliyyah' slaat
hier op onwetendheid inzake geloof, en wordt ook gebruikt om iemand die
nog volgens de heidense patronen denkt te omschrijven. Opscheppen over
je afkomst werd dus gedefinieerd als iets ongelovigs, iets dat in
strijd is met de Islam.
Neerkijken op mensen leidt
naar de hel
Het vroegst gerapporteerde geval van arrogantie, is dat van Iblis
(Satan). De Koran vertelt hoe nadat Adam (geschapen uit klei) de naam
van alle dingen geleerd had, God alle Engelen (geschapen uit licht) en
alle Jins (geschapen uit rookloos vuur) samenriep om getuige te zijn
van Zijn ondervraging van Adam. Toen die overal een juist antwoord op
gaf, beval God alle aanwezigen voor Adam te buigen als teken van
respect. Eén Jin, Iblis genaamd, weigerde. Op hooghartige
toon antwoordde hij dat God toch niet van hem kon verwachten dat hij,
die uit rookloos vuur geschapen was, zou buigen voor een wezen dat uit
een hoopje vuil (klei) gemaakt was.
"Hij zei: "Ik ben
beter dan hij, U hebt mij uit vuur geschapen en hem hebt U uit klei
geschapen." (Koran 7:12)
Als straf voor deze
hooghartige impertinentie, werd Iblis naar de hel verbannen. Maar Iblis
vroeg God om uitstel van zijn straf tot op Oordeelsdag, met de belofte
dat hij er tegen dan zou in slagen de meeste mensen te doen afdwalen
van het pad van God om zijn pad van arrogantie te volgen. God stond
Iblis dit verzoek toe.
Dit verhaal is meteen de grootste waarschuwing tegen arrogantie: ze
wordt geassocieerd met de Duivel. Het pad van de zelfingenomen
verwaandheid, van het neerbuigend doen tegenover anderen, wordt aanzien
als het pad van Iblis dat recht naar de hel leidt. Wie in de hemel wil
geraken, mag dus niet verwaand zijn en mag geen racist of elitist zijn:
De Profeet zei: wie
trots in zijn hart heeft gelijk aan het gewicht van een kleine atoom,
zal nooit het Paradijs binnengaan. Iemand vroeg hoe het dan zit met een
man die graag mooie kleren en fijne schoenen draagt, en de Profeet
antwoordde: God is mooi en houdt van schoonheid. Dan legde hij uit dat
trots betekent: het verwerpen van de waarheid omwille van eigendunk of
het neerkijken op andere mensen. (Muslim).
Epiloog
Het wereldbeeld van een
muslim is er een waarin God centraal staat.
Alles wordt vanuit dit perspectief bekeken. Wanneer men de vraag stelt
wie meer waard is dan een ander, dan wordt in werkelijkheid gevraagd:
wie is voor God meer waard dan een andere. Het antwoord is duidelijk:
voor God zijn alle mensen gelijk, ongeacht taal, geloof, etniciteit,
enz. Het enige wat voor God telt, is vroomheid en het verrichten van
goede daden, en daarover kan enkel God zelf oordelen. De Koran legt dan
ook een stevige basis voor een wereldbroederschap van alle mensen, op
voet van gelijkheid, ongeacht geloof, nationaliteit, taal, ras, rijkdom
of wat dan ook. De Koran verklaart deze diversiteit van mensen immers
als zo gewild door God: God heeft de mensen verschillend gemaakt, niet
opdat ze elkaar zouden bestrijden, maar opdat ze elkaar zouden leren
kennen. Dit is een opdracht tot aanvaarding, toenadering en dialoog op
basis van gelijkheid. In de Islam is racisme dan ook ontoelaatbaar. Het
wordt omschreven als onwetendheid, in de zin van ongeloof, en als pad
dat recht naar de hel leidt.
______________________________