RHETORICA I,
§§ 4-6
(materies - bestanddelen van de eudaimonie - 'goed')
|
1359a30 4. Vooreerst dient begrepen te worden omtrent wat voor
soort van goede of kwade zaken de raadgever raad geeft. Er wordt immers niet
over alles raad gegeven, maar enkel over (contingente) zaken die wel of niet kunnen plaats hebben. Over alle zaken,
daarentegen, die noodzakelijkerwijs het geval zijn of zullen zijn, of
waarvan het integendeel onmogelijk is dat ze het geval zijn of tot stand komen,
daaromtrent zal er geen beraad (sumboulè)
zijn. Maar evenmin wordt er over
àlle contingente gevallen raad gegeven. Bij de zaken, immers, die
zich zowel kunnen voordoen als niet voordoen, zijn er sommige goede die zich
van nature (phúsei) voordoen, zowel als andere die zich vanuit toeval
(túchè)
voordoen - en daaromtrent advies verstrekken brengt geen aarde aan de dijk.
Het is integendeel duidelijk dat we raad geven over alle zaken waarover we ons
beraden. Welnu, dat geldt voor alle zaken die van aard zijn op onszelf te
worden teruggevoerd, d.w.z. waarvan de ontstaansgrond (archè
tès genéseoos) in onze macht (ἐφ'
ἡμῖν, eph' hèmîn)
ligt. We gaan inderdaad steeds zo lang door met nadenken tot we ontdekt
hebben of een bepaalde handeling voor ons mogelijk of onmogelijk om stellen
is.
1359b2 Om nu al hetgene waarover we
gewoon zijn te discussiëren, één voor één precies op te sommen en in zijn
vormen onder te verdelen, en verder om er, voor zover het mogelijk is,
werkelijkheidsgetrouwe definities over te formuleren, dat is iets dat bij deze
gelegenheid overbodig is, omdat het niet toekomt aan de retoriek maar aan
een discipline die beter geïnformeerd en in hogere mate werkelijkheidsgetrouw
is
[1];
nu al, trouwens, is (in de praktijk) aan de retoriek een materie toegewezen
die de eigen theorema's ervan verre overstijgt. De waarheid is dat, zoals we
eerder al kwamen te zeggen, de retoriek enerzijds berust op een combinatie
van de analytica met de politieke wetenschap die betrekking heeft op de moraal
(ta èthè),
anderzijds deels gelijkt op de dialectiek en deels op sofistische argumentaties.
Welnu, naarmate we zouden proberen ofwel de dialectiek ofwel de retoriek te
construeren, niet als (praktische) vermogens maar als wetenschappen (epistêmai),
zouden we onvermijdelijk hun ware natuur teniet doen door bij de uitbouw ervan
over te stappen naar wetenschappen van particuliere en concrete onderwerpen,
in plaats van ons te houden bij (de wetenschap) van argumentaties (logoi).
Laten we nochtans ook nu alles vermelden dat met praktisch nut kan onderscheiden
worden maar toch ruimte laat voor studie door de politieke wetenschap.
1359b18 We mogen zeggen dat de
hoofdmateries waarover alle mensen zich beraden en waarover raadgevers in het
openbaar spreken, vijf in getal blijken te zijn, te weten: financiële
middelen, oorlog en vrede, alsook landsverdediging, invoer en uitvoer, en wetgeving.
(1) Wie bijgevolg zinnens is over de financiële middelen (póroi) te
adviseren, zal moeten weten welke de inkomsten zijn van de polis en hoe groot
ze zijn opdat, indien er inkomsten zouden zijn die over het hoofd worden
gezien, zij zouden worden toegevoegd, en indien er zijn die te beperkt zijn,
zij zouden worden uitgebreid. Verder moet hij alle uitgaven kennen van de polis,
opdat, indien er een is die overbodig is, zij zou worden afgeschaft en indien
er een is die te hoog is, zij zou worden verminderd. Rijker worden immers doen
we niet enkel door middelen toe te voegen aan wat al voorradig is maar ook
door er te onttrekken aan de uitgaven. Inzicht daaromtrent kan niet enkel
gewonnen worden uit de ervaring (empeiría) omtrent de eigen (binnenlandse) aangelegenheden: met het oog op het formuleren van adviezen daaromtrent is
het nodig ook nieuwsgierig (historikós) te zijn naar (methodes) die
bij de anderen gevonden zijn.
1359b33 (2) Wat oorlog en vrede betreft,
moeten we de (militaire) macht (dúnamis) kennen van de polis, namelijk hoe
groot ze nu al is en hoe groot ze kan zijn; van welke aard zowel de reeds
beschikbare is als degene die er kan bijkomen; en verder op welke wijze de
polis (in het verleden) oorlogen heeft gevoerd, en wélke zij er gevoerd heeft.
Het is nodig dat niet enkel te weten over de eigen polis maar ook over degene
die aangrenzend zijn; ook: tegen wie er een oorlog te verwachten valt, opdat
een vredespolitiek kan gevoerd worden jegens degenen die (militair) sterker
zijn, maar wij zelf zouden kunnen beslissen over het beoorlogen van de zwakkeren.
We moeten ook weten of de strijdkrachten gelijk of ongelijk zijn, want ook hierin kan men de meerdere of de mindere zijn. Ook met het oog daarop is het
noodzakelijk niet enkel de eigen oorlogen bestudeerd te hebben, maar ook die
van de anderen, namelijk hoe ze afliepen. Natuurlijkerwijze immers komen uit gelijke
(oorzaken) gelijke (effecten) voort.
1360a6 (3) Verder, in verband met de
landsverdediging, mag het (de redenaar) niet ontgaan, op welke manier zij
verzekerd wordt, maar dient hij er zowel de omvang van te kennen als de vorm (eidos)
die ze aanneemt, alsook de lokalisatie van de verdedigingsforten - iets wat
onmogelijk is als hij niet vertrouwd is met (de geografie van) het land -,
opdat, in het geval dat de verdediging (phulakè) te
klein zou zijn, zij zou worden uitgebreid, maar indien er (een garnizoen) teveel zou zijn, het zou worden weggenomen en de strategische plaatsen beter
in het oog zouden worden gehouden.
1360a12 (4) Vervolgens, in verband met de
voedselvoorziening, (moet de redenaar weten) welke uitgave voldoende is voor
de polis, welke de aard is van het voedsel dat ter plaatse wordt voortgebracht,
en van dat wat in te voeren is. Ook moet hij weten voor welke (voedingsgewassen) er nood is aan uitvoer, en voor welke aan invoer, opdat er
met die (landen) zowel overeenkomsten als verdragen zouden worden afgesloten.
Er zijn immers twee soorten (van landen) met betrekking tot dewelke de
burgers er zich constant moeten voor hoeden reden tot ergernis te geven,
namelijk de (militair) sterkere en degene die belangrijk zijn in verband met de (voedselvoorziening).
1360a17 (5) Voor de veiligheid (aspháleia)
is het noodzakelijk bij machte te zijn al die kwesties te bestuderen, maar
bovenal moet men verstand hebben van het wetgevend werk (nomothesía).
Het is immers in de wetten (nomoi) dat de redding (sootèría)
van de polis gelegen is, zodat het noodzakelijk is te weten hoeveel types (eídè) van
staatsvorm (politeíai) er zijn, en welkdanige (factoren) baat brengen
aan elk type en door welke het voorbestemd is eventueel ten onder te gaan - zowel
(factoren) die eigen zijn aan de staatsvorm, als eraan tegengestelde.
Met "door eigen (factoren) ten onder gaan" bedoel ik het feit dat,
met uitzondering van de beste staatsvorm, alle andere ten onder gaan zowel
door de teugels te laten schieten als door ze aan te spannen: een democratie,
bv., verzwakt niet enkel door relaxatie, zodat ze uiteindelijk zal uitmonden
in een oligarchie, maar ook als ze overdreven wordt aangespannen - net zoals
ook een adelaarsneus en een stompneus niet enkel door relaxatie overgaan in een
normale neus, maar ook, door al te hakig of al te stomp te worden, in een
zodanige dispositie komen dat ze zelfs geen neus meer lijken te zijn.
1360a30 Met het oog op het uitvaardigen van
wetten is het nuttig niet alleen op basis van studie van de eigen geschiedenis
te weten welke staatsvorm de geschikte is, maar ook de staatsvormen bij de
anderen te kennen en te weten welke bij welke passen. Het is bijgevolg
duidelijk dat met het oog op het wetgevend werk (verhalen van) 'reizen om de
wereld' (hai tès gês períodoi) van nut zijn - daaruit kunnen we immers de wetten-en-gebruiken (nomoi)
halen van de volkeren -; met het oog op de politieke adviezen, anderzijds, zijn
dat de werken (historíai) van de geschiedenisauteurs. Dat alles,
evenwel, is het werk van de politieke wetenschap, en niet van de retorika.
1360a38 Van die omvang, dus, zijn de
hoofdmateries waarover degene die zinnens is advies te verstrekken, informatie
moet bezitten. Maar laten we het nu weerom hebben over de (premissen) van waaruit we zowel over voornoemde als over andere zaken in positieve of
negatieve zin raad moeten geven.
1360b4 5. Alle mensen, zo mogen we
zeggen, op het private zowel als op het maatschappelijke vlak zijn in het
bezit van een of ander oogmerk (skopós) dat hen als richtpunt dient bij
het maken van keuzes zowel als van afwijzingen. Dat (richtsnoer) - om het beknopt
samen te vatten - is de eudaimonie en de bestanddelen ervan. Laten we
bijgevolg, bij wijze van voorbeeld (parádeigma), bepalen wat, in het algemeen
gesproken, de eudaimonie voor iets is, en waaruit de bestanddelen ervan kunnen
betrokken worden. Alle vormen van aanrading, inderdaad, en alle vormen van afrading hebben betrekking op die eudaimonie en op de factoren die haar bevorderen,
of die eraan tegengesteld zijn: de zaken, inderdaad, die de eudaimonie, of
een van haar onderdelen, teweeg brengen of van kleiner groter maken, zijn de
zaken die we moeten doen, maar degene die haar vernietigen of verhinderen
of het tegengestelde bewerkstelligen, die moeten we vermijden.
1360b14 Eudaimonie weze dan: succesvol-zijn
(eupraxía) gepaard met voortreffelijkheid (aretè); of
levensautarkie; of de levensvoering (bíos) die het aangenaamst is en
toch veilig; of welvarendheid op het materiële en lichamelijke vlak, samen met
het vermogen om er zorg voor te dragen en er gebruik van te maken. Dat eudaimonie
inderdaad omzeggens één of verscheidene van deze zaken is, daarover is
iedereen het eens.
1360b18 Welnu, als eudaimonie iets
dergelijks is, dan heeft ze als bestanddelen noodzakelijkerwijze edele
afkomst (eugéneia), een grote vriendenkring (poluphilía), een goede
vriendenkring (chrèstophilía), rijkdom, goede kinderen, vele kinderen, een goede oude dag; verder:
de lichamelijke voortreffelijkheden, zoals gezondheid, schoonheid, kracht,
grootte en sportieve aanleg; roem (doxa), eer (timè),
geluk (eutuchía)
[2],
morele voortreffelijkheid (aretè) ([of
ook de onderdelen daarvan: verstandigheid, moed, rechtvaardigheid,
bezonnenheid]]
[3].
Het is immers aldus dat iemand het meest autarkisch zal zijn, namelijk indien hij
in het bezit is van zowel de inwendige als de uitwendige goede dingen (agathá): naast
de vernoemde, inderdaad, zijn er geen andere. Inwendig zijn die omtrent de ziel
en die omtrent het lichaam; uitwendig zijn (zaken als) edele afkomst, vrienden,
geld en eer; verder, zo menen wij doorgaans, dienen er bekwaamheden (dunámeis)
aanwezig zijn en geluk (túchè),
want aldus zal onze levensvoering (bíos) wel het veiligst zijn. Laten
we daarom eveneens met betrekking tot elk daarvan bepalen wat het is.
1360b31 Wat dus edele afkomst betreft, voor
een volk of een polis bestaat ze erin, autochtoon of van oude stam te zijn,
terwijl de eerste leiders mannen van aanzien waren waaruit er velen zijn
voortgekomen die aanzien genoten voor hoedanigheden die wedijver uitlokken. Op
het private vlak, anderzijds, komt goede afkomst ofwel langs de mannelijke
ofwel langs de vrouwelijke lijn; ze veronderstelt wettige afkomst langs vader
én moeder en, zoals op het niveau van de gemeenschap, de stamvaders moeten
bekendheid genieten hetzij voor hun voortreffelijkheid, hetzij voor hun
rijkdom, hetzij voor iets anders van de zaken die prestige genieten, en er
moeten vele aanzienlijken uit het geslacht zijn voortgekomen, mannen zowel als
vrouwen, jongeren zowel als ouderen.
1361a1 Wat het bezit betreft van een
goede en talrijke kroost, zijn er geen onduidelijkheden: voor de
gemeenschap is dat het geval indien haar jeugd talrijk en voortreffelijk is, d.w.z. goed inzake lichamelijke voortreffelijkheid, zoals bv. in grootte,
schoonheid, kracht, sportieve aanleg, terwijl op het vlak van de ziel
bezonnenheid en moed de voortreffelijkheden zijn van de jongere. Voor de privaatpersoon,
anderzijds, gaat het erom dat de eigen kinderen talrijk zijn en in het bezit
van de vernoemde hoedanigheden, de meisjes zowel als de jongens. Voor de
meisjes bestaat lichamelijke voortreffelijkheid in schoonheid en grootte, de
psychische in bezonnenheid en in werkijver die vrij is van slaafsheid. In
gelijke mate op het private als op het maatschappelijke vlak, en zowel bij de
mannen als bij de vrouwen, moeten we ervoor ijveren dat ieder van die
hoedanigheden aanwezig is. Inderdaad, waar, zoals bij de Lakedaimoniërs, de
situatie op het vlak van de vrouwen slecht is
[4],
is men voor omzeggens de helft verstoken van de eudaimonie.
1361a12 Van rijkdom zijn de onderdelen: een
grote som gelds, bezit aan grond, aan domeinen die uitmunten door hun aantal,
grootte en schoonheid, verder bezit aan huisraad, slaven en kuddes die zowel
door aantal als door schoonheid opvallen, en dat alles moet <je eigendom (oikeía)>
zijn, verzekerd zijn, passend-bij-een-vrij-man en nuttig. Productieve goederen
bezitten weliswaar een hogere nutswaarde, maar genotsartikelen passen beter
bij een vrij man: "productief" noem ik zaken die bron zijn van inkomsten,
"genotsartikelen", daarentegen, zaken waarvan niets anders voortkomt
dan het gebruik - althans niets dat de moeite waard is. Het criterium (horos)
voor zekerheid is het feit, zijn bezittingen bij de hand te hebben, en op
zulke manier dat het gebruik ervan van jezelf afhangt; voor eigendom of niet:
als het van jezelf afhangt om ze te vervreemden; met "vervreemding"
bedoel ik schenking of verkoop. In het algemeen gesproken is rijk-zijn veeleer
gelegen in het gebruiken dan in het bezitten: zowel immers de activiteit (enérgeia)
als het gebruik van dergelijke zaken, dat is rijkdom.
1361a25 Goede reputatie (eudoxía) is
gelegen in het feit door iedereen als een ernstig (persoon) (spoudaíos)
te worden beschouwd, of iets van zulke aard te bezitten als wat betracht wordt
door alle mensen, of door de grote meerderheid, of door de goeden of door de verstandigen (phrónimoi). Eer is een aanwijzing voor de goede reputatie
een weldoener te zijn, en weliswaar worden degenen die weldaden bewezen
hebben, terecht en nog meest van al geëerd, maar toch wordt ook wie in staat is
wel te doen, geëerd. Weldoen (euergesía) is gericht op ofwel het
lijfbehoud (sotèría)
en al wat voor het bestaan verantwoordelijk is, ofwel op rijkdom, ofwel op enig
ander goed waarvan het bezit niet gemakkelijk is - hetzij in het algemeen, hetzij
in deze bepaalde omstandigheden, hetzij gelijk wanneer. Er zijn er immers heel
wat die eerbewijzen ontvangen om daden die de indruk wekken onbelangrijk te
zijn, maar de verklaring daarvoor ligt dan in de concrete situaties en gelegenheden.
Bestanddelen van (bewezen) eer zijn: offeranden, herdenkingen in verzen of in
proza, voorrechten, grondschenkingen, ereplaatsen, staatsbegrafenissen, standbeelden,
staatsmaaltijden, eerbewijzen die bij de barbaren in zwang zijn zoals knielen
en plaats maken, de geschenken die in iedere particuliere gemeenschap eervol
zijn. Ook een geschenk, immers, is zowel schenking van een bezitsvoorwerp (ktèma)
als een teken van eer, wat verklaart waarom zowel de geldzuchtigen als de
eerzuchtigen uit zijn op geschenken. Voor beide categorieën, immers, bevat een
geschenk datgene waaraan ze behoefte hebben: het is zowel een bezitsvoorwerp - wat betracht wordt door de geldzuchtigen
- én het houdt eerbetuiging in - wat door de eerzuchtigen wordt nagestreefd.
1361b3 Voortreffelijkheid van het lichaam
behelst een goede gezondheid, wat dan zo moet begrepen worden dat we zonder
ziektes zijn terwijl we het volle gebruik hebben van ons lichaam. Er zijn er
immers heel wat die gezond zijn op de wijze waarop dat van Herodikos gezegd
wordt
[5],
mensen die niemand zou feliciteren met hun gezondheid, wegens het feit dat ze
zich te onthouden hebben van alle of dan toch van de meeste menselijke (genoegens].
1361b7 Schoonheid (kállos) is
verschillend volgens iedere leeftijd. Voor de jongeling bestaat schoonheid in
het hebben van een lichaam dat geschikt is voor de inspanningen in de loop-
en de krachtsporten, terwijl hij prettig is om voor je genoegen te bekijken.
Daarom zijn de pentatleten de mooisten, omdat ze een natuurlijke aanleg
hebben voor kracht- en snelheidssporten tegelijkertijd
[6].
Voor een man in zijn bloei, anderzijds, bestaat schoonheid in het hebben van
een lichaam dat geschikt is voor krijgsinspanningen, terwijl een aangenaam
voorkomen gecombineerd wordt met ontzagwekkendheid. Voor de ouderling,
tenslotte, gaat het om een lichaam dat (nog) adequaat is voor inspanningen die
levensnoodzakelijk zijn, terwijl het vrij is van pijn dank zij de afwezigheid
van de kwalen die de oude dag teisteren.
1361b15 Kracht (ischús) is het
vermogen (dúnamis) iemand anders naar believen te kunnen bewegen.
Noodzakelijkerwijze bewegen we iemand anders ofwel al trekkend ofwel al duwend
ofwel heffend ofwel knellend ofwel samendrukkend, wat maakt dat wie sterk is,
het ofwel in alle opzichten is ofwel in enkele ervan.
1361b18 Van lichaamsgrootte (mégethos)
bestaat de voortreffelijkheid in het zoveel groter zijn dan de doorsneemensen,
qua lengte en diepte en breedte, dat je superioriteit niet voor gevolg
heeft dat je bewegingen te traag zijn.
1361b21 Competitieve (agoonistikè)
voortreffelijkheid van het lichaam is een combinatie van grootte, kracht en
snelheid - immers wie snel is, is ook sterk: wie in staat is op een bepaalde
manier zijn benen vooruit te werpen, en snel en over een grote afstand te
bewegen, is een kundig loper; wie in staat is te omknellen en omlaag te houden,
is een kundig worstelaar; wie in staat is de andere met zijn slagen van zijn
plaats te drijven, is een kundig bokser; wie in beide zaken zijn man kan staan,
is een kundig pancratiast; wie het in alle zaken kan, is een pentatleet.
1361b26 Een goede oude dag (eugèría)
is een kwestie van slechts traag oud te worden, zonder pijn. Inderdaad, wie
snel oud wordt, heeft net zomin een goede oude dag als wie weliswaar traag,
maar op een pijnlijke manier veroudert. Deze gave spruit zowel voort uit de
voortreffelijkheden van het lichaam als uit toeval (túchè): wie
niet vrij is van ziektes en evenmin sterk van constitutie, zal niet zonder
lijden (apathès) zijn,
en evenmin zal men zonder geluk pijnloos blijven en lang leven. Er is echter
ook een andersoortig vermogen om lang te leven, zonder fysieke kracht of
gezondheid. Er zijn er immers heel wat die langlevend zijn zónder de voortreffelijkheden
van het lichaam. Maar voor onze huidige discussie is precisie daaromtrent van
geen enkel nut
[7].
1361b35 Wat het hebben van vele vrienden en
van goede vrienden betreft, bestaat er geen onduidelijkheid zodra
"vriend" gedefinieerd is, namelijk dat diegene een vriend is, die de daden
waarvan hij meent dat ze goed zijn voor de andere, ook geneigd is te stellen
ter wille van die andere. Wie vele zulkdanige vrienden heeft, is iemand-met-vele-vrienden
(polúphilos); degene, anderzijds, wiens vrienden ook fatsoenlijke
mannen zijn, is iemand-met-goede-vrienden (chrèstóphilos).
1361b39 Geluk-hebben (eutuchía)
bestaat erin, dat de goede dingen waarvoor het lot (túchè)
verantwoordelijk is, inderdaad plaats hebben of voorhanden zijn, hetzij allemaal
hetzij de grote meerderheid hetzij de belangrijkste. In een aantal gevallen weliswaar,
is het lot verantwoordelijk voor zaken die ook door de kunsten bewerkstelligd
worden; in vele gevallen, echter, gaat het ook om zaken die aan alle kunsten
vreemd zijn, zoals bv. alles waarvan de natuur (phusis) oorzaak is - maar er is ook een mogelijkheid dat ze tegennatuurlijk zijn. Zo is van
gezondheid kunst de oorzaak, maar van schoonheid en grootte natuur. Algemeen
gesproken, zijn het dat soort van goede zaken die afhangen van het lot,
waaromtrent de afgunst speelt. Maar ook van onverwachte goede zaken is het lot
oorzaak, bv. indien de overige broers lelijk zijn, maar hij mooi is; of de
anderen zagen de schat niet, maar hij vond hem; of als de pijl zijn buur trof,
in plaats van hemzelf; of als hij als enige niet kwam, hoewel hij de plek
altijd bezocht, terwijl de anderen, die er slechts éénmaal kwamen, omkwamen.
Al dat soort van dingen wekken inderdaad de indruk een kwestie van geluk te
zijn
[8].
1362a12 Wat de morele voortreffelijkheid
betreft, aangezien de meest geëigende plaats daartoe die betreffende de
lofredes is, moeten wij er een nadere bepaling van geven op het ogenblik dat
wij een bespreking zullen wijden aan de lofrede
[9].
1362a15 6. Dus, welke onze overwegingspunten moeten zijn, als we voor de toekomst of voor de tegenwoordige
tijd aanbevelingen doen, is hiermee klaar, en evenzo in verband met negatieve
adviezen: het zijn immers de tegengestelde zaken die als zodanig fungeren. Het
opzet, evenwel, dat de raadgever direct voor ogen staat, is het belang (to
sumphéron) - want we beraadslagen niet over het einddoel (telos),
maar over de (middelen) die tot het einddoel bijdragen, en dat zijn de zaken
die van belang zijn op het niveau van de handelingen. Dat belang, evenwel, is
een goed (agathón), bijgevolg zullen we een begrip moeten hebben van de
elementen (stoicheía) inzake wat goed en van belang is in het
algemeen.
1362a21 "Goed" (agathón)
weze dus: alles wat zelf ter wille van zichzelf verkieslijk is; ook: datgene
ter wille waarvan wij iets anders kiezen; ook: wat door alles wordt nagestreefd,
hetzij door alles wat zintuiglijke gewaarwording (aísthèsis) bezit,
hetzij door alles wat verstand (nous) bezit of indien het verstand zou
krijgen; ook: alles wat door het verstand aan ieder wezen als het zijne wordt
toegewezen, en alles wat door het particuliere verstand aan ieder als het zijne
wordt toebedeeld, i.e. wat voor ieder individu goed is; ook: wat door zijn
aanwezigheid iets in een goede gesteldheid houdt, en waardoor het autarkisch
is; ook: het autarkische; ook: wat dit soort van hoedanigheden tot stand
brengt of in stand houdt; ook: wat gevolgd wordt door dit soort van
hoedanigheden; ook: wat de tegenovergestelde verhindert of ze uitschakelt.
"Gevolgd-worden", echter, wordt op twee manieren gebruikt, namelijk ofwel
als gelijktijdig ofwel als naderhand: bv. leren wordt naderhand gevolgd door
kennen, terwijl gezond-zijn gelijktijdig gevolgd wordt door leven. "Tot
stand brengen", anderzijds, wordt op drie manieren gebruikt: vooreerst op
de manier waarop gezond-zijn gezondheid tot stand brengt, vervolgens op de
manier waarop spijzen gezondheid teweeg brengen, en derdens zoals
lichaamsoefeningen (gumnázesthai) dat doen, in de mate dat ze
meestendeels gezondheid teweeg brengen.
1362a34 Op basis van het voorgaande zijn
alle gevallen van verwerving van goede dingen goed, zowel als die van
vermijding van kwade. Op het laatstgenoemde, inderdaad, volgt het feit dat we
niet gelijktijdig het kwade hebben, op het eerstgenoemde het naderhand
bezitten van het goede. Wat ook goed is: het inruilen van een kleiner voor een
groter goed, en van een groter kwaad voor een kleiner. In de mate, immers,
waarin het grootste het kleinere overtreft, in die mate wordt de verwerving
van het eerste, respektievelijk het vermijden van het laatste een goed.
1362b2 Ook de voortreffelijkheden (aretaí)
zijn noodzakelijkerwijze een goed: het is immers naargelang van deze
voortreffelijkheden dat de bezitters ervan goed gedisponeerd zijn, en zij
betreffen zowel het tot stand brengen van goede zaken als het stellen van
handelingen. Maar over elkeen ervan - wat ze is en wat haar geaardheid is - moeten we ergens apart spreken
[10].
Ook de lust (hèdonè) is
noodzakelijkerwijze een goed: alle levende wezens immers streven hem van
nature na. Bijgevolg is zowel wat lustvol is, als wat schoon is, noodzakelijk
een goed: het eerste brengt lust teweeg, terwijl sommige schone dingen
[11]
lustvol zijn en andere verkieslijk zijn ter wille van zichzelf
[12].
1362b9 Om ze dan één voor één op te
sommen, de volgende zaken zijn noodzakelijkerwijze goed. Eudaimonie: zij is
ter wille van zichzelf verkieslijk en autarkisch, en het is ter wille daarvan
dat wij de andere zaken kiezen. Rechtvaardigheid, moed, bezonnenheid,
groothartigheid (megalopsuchía), prachtlievendheid (megaloprépeia)
en de overige gesteldheden van die aard: zij zijn immers voortreffelijkheden
van de ziel. Ook gezondheid, schoonheid en al dergelijke: zij zijn voortreffelijkheden
van het lichaam en zij brengen vele goede zaken teweeg - gezondheid, bv.,
brengt zowel lust als leven voort, en daarom heerst ook de indruk dat zij het
allerbeste is, namelijk omdat zij verantwoordelijk is voor twee van de zaken die
bij de doorsneemensen het meest in aanzien staan: namelijk lust en leven. Verder
rijkdom, want hij behelst een staat van voortreffelijkheid van het bezit, en is
iets dat vele goede zaken voortbrengt. Vriend en vriendschap: de vriend,
immers, is iemand die ter wille van zichzelf verkieslijk is, en tegelijkertijd
brengt hij vele goede zaken tot stand. Eer, reputatie: zij zijn lustvol en
brengen tegelijkertijd vele goede zaken tot stand; tevens gaan ze in de meeste
gevallen gepaard met de beschikbaarheid van de dingen ter wille waarvan mensen
geëerd worden. Bekwaamheid om te spreken, en om te handelen: al dergelijke,
immers, brengen goede zaken teweeg. Verder nog: begaafdheid (euphuía),
een goed geheugen, een goed leervermogen, scherpzinnigheid (anchínoia),
al dergelijke eigenschappen, want deze bekwaamheden brengen goede zaken
teweeg. Op gelijkaardige manier ook alle wetenschappen (epistèmai)
en kunsten (téchnai). Ook: te leven, want zelfs al zou er geen ander
goed mee gepaard gaan, dan is leven toch verkieslijk ter wille van zichzelf.
Ook het recht (to díkaion), want dat is een soort van kollektief belang.
(. . . .)
NOTEN:
[1]
Sc. de politieke wetenschap.
[3]
Wordt door de uitgevers als een latere toevoeging
beschouwd.
[4]
Aristoteles bedoelt dat de Spartaanse vrouwen een te grote inbreng hadden in
het maatschappelijke gebeuren.
[5]
Herodikos van Selumbria, grondlegger van de
medische gymnastiek en diëtetiek; leermeester van Hippokrates. Hij had de
reputatie zichzelf zowel als de anderen door overdreven oefeningen af te
matten. Cf. Platoon, Politeia, 406A-C.
[6]
De Griekse pentatlon bestond uit: lopen, springen,
discuswerpen, speerwerpen en worstelen.
[7]
Zie verder Aristoteles over kort- en
langlevendheid, in zijn Parva Naturalia, 464b-467b.
[8]
Over eutuchía zie verder de Eudemische
Ethiek, VIII.2.
[9]
namelijk Rhet., I.9.4.
[11]
Bv. mooie knapen en andere manifestaties van visuele
schoonheid.
[12]
D.w.z. kalón in de zin van het moreel schone
of goede.
|
* PS 1. Deze (licht herwerkte) vertaling vergezelde de syllabus, "Phusis
& Polis", Aristoteles' Praktische Filosofie, UGent, 3de
herwerkte uitgave, Gent 1996. Zij is gebaseerd op de tekstuitgaven
van W.D.Ross, Aristotelis Ars Rhetorica (Oxford 1959,
reprinted). In de
Verantwoording van voornoemde syllabus schreef ik o.m.: "(Ik)
heb gestreefd naar een vertaling die zoveel mogelijk recht doet aan
de Griekse, vaak weinig sierlijke zinsconstructie. Ten einde de 'barbaroi'
onder ons zo weinig mogelijk op het verkeerde been te zetten, wat de
Nederlandse terminologie betreft, heb ik - telkens dat relevant leek
- Nederlandse woorden die de zin van het Grieks weergeven, maar niet
als zodanig in de Griekse tekst zijn terug te vinden, tussen...
haakjes geplaatst". Ondertussen is er gelukkig een
volledige vertaling van de Rhetorica op de markt gekomen, van de hand van
Marc Huys: Aristoteles Retorica,
Historische Uitgeverij, Groningen 2004. Ze bevat tevens een
inleiding en aantekeningen.
PS 2. Eerder spaarzaam, werden belangrijke Griekse termen, behalve
in transcriptie, ook in Grieks alfabet in de teksten opgenomen. Om alle letters, ook
die met diakritische tekens, correct op het scherm te krijgen,
volstaat het dat je op je pc beschikt over het ttf-lettertype, "Palatino
Linotype", dat onder meer alle nodige (oud-)Griekse teken(combinatie)s
bevat. In Windows is dit lettertype standaard aanwezig vanaf Windows
2000. Mocht je het, om een of andere reden, niet geïnstalleerd
hebben, kan je je het font aanschaffen (tegen betaling) via URL:
http://www.linotype.com/57056/palatinolinotype-family.html .
|
|