POLITICA, Boek 1
Vertaling met eindnoten*
|
1252a1 1. Aangezien we
constateren dat iedere polis een soort van gemeenschap (koinonía)
is, en dat iedere gemeenschap samengesteld is ter wille van een of
ander goed (agathón)[1]
- want iedereen stelt iedere handeling ter wille van wat hem een
goed lijkt te zijn[2]
-, is het duidelijk dat weliswaar alle gemeenschappen op een of ander
goed mikken, maar dat zulks in de hoogste mate geldt en met
betrekking tot het meest gezaghebbende (kuriótaton) goede
van al, voor de gemeenschap die de meest gezaghebbende (kuriotátè)
is van al en die alle andere gemeenschappen omvat. Welnu, dat is de zogenaamde polis of de politieke gemeenschap (politikè
koinonía)[3].
1252a7 Al degenen, dus, die van
mening zijn dat de (hoedanigheden van) politicus, koning,
huisheer en slavenmeester identiek zijn, hebben ongelijk[4].
Ze geloven inderdaad dat zij allemaal wel van elkaar
verschillen door grootte en kleinte in aantal, maar niét door
wezensvorm (eidos): als het bv. om (de heerschappij over)
een klein aantal gaat, heeft men een slavenmeester (despótès);
als het over meer gaat, een huisheer (oikonómos); als het
over nóg meer gaat, een politicus of koning - alsof een groot
huishouden (oikía) en een kleine polis in niets van elkaar
zouden verschillen[5].
En wat dan de politicus en de koning betreft, stellen ze dat men
(de hoedanigheid van) koning heeft wanneer iemand alléén en
eigenmachtig de heerschappij uitoefent; die van politicus,
daarentegen, wanneer men ze uitoefent overeenkomstig de
richtlijnen van dit soort wetenschap (epistèmè)[6]
en om beurten regeert en geregeerd wordt. Maar dat (alles) is
niet waar.
1252a17 Dat punt zal duidelijk
worden als we ons onderzoek volgens onze normale methode voeren.
Inderdaad, zoals men ook in het geval van de andere (verschijnselen)
het samengestelde moet ontleden tot aan zijn enkelvoudige
(elementen) - zij zijn immers de kleinste bestanddelen van het
geheel -, op dezelfde wijze zullen we, wanneer we ook de polis
onderzoeken op (de elementen) waaruit ze is samengesteld, ook
omtrent hoger genoemde (hoedanigheden) beter zien waarin ze
van elkaar verschillen, en of het mogelijk is enige vakkundige
(technikón) greep te krijgen op elk van voornoemde
(fenomenen].
1252a24 2. Welnu, net
zoals in de andere gevallen, zullen we ook hieromtrent de
theoretische studie op de beste manier aanpakken indien we de
zaken bekijken in hun groei (phuómena), vanaf het begin.
1252a26 Eerst en vooral (is/was) er de
dwangmatigheid (anánkè)
dat degenen die niet zonder elkaar kunnen bestaan, zich verenigen
in paren, met name (1) vrouwelijk (thèlu)
en mannelijk (arren) ter wille van de voortplanting - en
dat niet vanuit een bewuste keuze (proaíresis), maar op
de wijze waarop ook in de andere dieren en planten het verlangen
natuurlijk (phusikón) is, een ander wezen achter te laten
van dezelfde aard als zichzelf[7];
en (2) wat van nature (phúsei) regeert en wat van nature
geregeerd wordt, ter wille van het zelfbehoud (sotèría).
Wat immers bij machte is met het verstand (diánoia)
vooruit te zien, is van nature regent (árchon) en van nature
meester (despózon); maar wat het vermogen heeft te zwoegen
met zijn lichaam, is het geregeerde (archómenon) en van
nature slaaf (doulon). Daarom hebben meester en slaaf
dezelfde belangen.
1252a34 Van nature dus zijn vrouwelijk
en slaaf van elkaar onderscheiden: de natuur vervaardigt
immers niets in het genre van het Delphische mes van de
bronssmeden[8],
in een geest van krenterigheid, maar alles telkens met het oog op
één taak; want op die wijze krijgt elk werktuig (órganon)
de beste afwerking, namelijk door niet aan vele, maar aan slechts één
taak dienstig te zijn. Bij de barbaren, evenwel, hebben
vrouwelijk en slaaf dezelfde rang[9].
De oorzaak daarvan is dat de barbaren het van nature regerende
(beginsel) ontberen, en dat de gemeenschap die bij hen tot stand
komt, er een is van slavin en slaaf[10].
Daarom zeggen de dichters: "het is billijk dat Grieken
heersen over barbaren"[11],
vanuit de overweging dat barbaar en slaaf van nature identiek
zijn.
1252b9 Uit die twee gemeenschappen,
dus, (ontstaat) als eerste het huishouden (oikía), en
Hesiodos had gelijk, toen hij dichtte: "(zorg) allereerst
voor een huis, een vrouw en een ploegos"[12],
want bij de armen neemt de os de plaats in van de huisdienaar (oikétès).
Dus de gemeenschap die natuurlijkerwijs is gevormd voor (de
behoeften van) elke dag, is het huis (oikos), en Charondas[13]
noemt (de leden ervan) "broodtrommelgenoten",
Epimenides de Kretenzer[14]
noemt ze "troggenoten". De gemeenschap, evenwel, die
als eerste (ontstaat) ter wille van de niet-dagelijkse behoeften,
is het dorp (kómè).
1252b15 Het meest natuurlijk van al
lijkt het dorp een verhuis uit het huis (apoikía oikías)
te zijn[15],
en de leden ervan worden door sommigen "melkgenoten"
genoemd, en "kinderen en kinds kinderen"[16].
Daarom ook werden polissen aanvankelijk door koningen geregeerd
en is dat nu nog het geval met etnieën (ethnos): ze
verenigden immers mensen die door koningen geregeerd werden,
want elk huishouden wordt geregeerd door de oudste als zijn
koning[17],
en bijgevolg ook de verhuizingen eruit, omwille van de
bloedverwantschap. En het is dat wat Homeros bedoelt met (het
vers): "elkeen stelt de wet aan kinderen en echtgenotes"[18]
- (de Kyklopen) leefden immers verspreid, en op die manier
waren de mensen in de oertijd gehuisvest. Ook van de goden zegt
iedereen om die reden dat ze door een koning worden geregeerd,
namelijk omdat men zelf, hetzij nu nog, hetzij lang geleden, onder een
koning leefde, en zoals de mensen de goden wat hun gedaante
betreft naar hun eigen gelijkenis maken, zo doen ze dat ook met
de levenswijzen der goden.
1252b27 De voleindigde gemeenschap (koinonía
téleios), echter, vanuit een veelheid van dorpen, is de
polis[19]:
zij heeft, om zo te zeggen, de eindmeet bereikt van de totale
autarkie, en ze komt weliswaar tot stand ter wille van het leven
(zonder meer), maar ze bestaat ter wille van het goed-leven (eu
zên).
1252b30 Elke polis, daarom, bestaat van
nature, aangezien dat ook al gold voor de eerste
gemeenschappen. De polis is daar immers het einddoel (telos)
van, en de natuur (phusis) is einddoel[20]:
hoedanig elk wezen is wanneer zijn wordingsproces voleindigd
is, daarvan zeggen we dat het ieders natuur is, zoals bv. van een
mens, een paard, een huis[21].
Verder zijn het ter-wille-waarvan[22]
en het einddoel het beste; welnu, de autarkie is én einddoel én
best. Hieruit is dus zonneklaar dat de polis behoort tot de
natuurlijke (wezenheden) en dat de mens van nature een
poliswezen is (politikón zooion)[23],
maar dat wie polisloos is door zijn natuur, en niet door toeval,
ofwel een inferieur wezen is, ofwel een wezen dat boven de mens
staat[24].
(In het eerste geval) is het met hem gesteld zoals met degene die
door Homeros wordt gelaakt als "clanloos, wetteloos,
haardloos"[25];
wie van nature zo is, is immers tegelijkertijd ook een
oorlogszuchtige, precies omdat hij als een onverbonden pion is in
het damspel.
1253a7 De reden waarom de mens in
hogere mate een polisdier is dan gelijk welke bij of gelijk welk
kuddedier[26],
is duidelijk. De natuur, zoals we zeggen, maakt niets om niets.
Welnu, de mens is het enige dier dat over rede (logos)
beschikt[27].
Het stemgeluid (phonè)
is weliswaar een signaal (sèmeíon)
voor wat pijnlijk en wat aangenaam is[28],
en daarom behoort het ook toe aan de andere dieren: hun natuur is
zover gegaan dat ze gewaarwording hebben van wat pijnlijk en wat
aangenaam is, en dat ze dat aan elkaar signaleren; de rede,
echter, dient voor het reveleren van het nuttige (sumphéron)
en het schadelijke, en bijgevolg ook van het rechtvaardige (díkaion)
en het onrechtvaardige. Vergeleken immers met de overige dieren is
dit eigen aan de mensen, namelijk dat zij alleen een zin (aísthèsis)
hebben voor goed en kwaad, rechtvaardig en onrechtvaardig, en
de rest; welnu, het is (precies) de gemeenschap daarin die een
huishouden en een polis maakt.
1253a18 Naar haar natuur is de polis
prioritair aan het huishouden en aan ieder van ons als individu[29].
Het geheel (holon) is immers noodzakelijk prioritair aan
het deel (meros): want als het geheel wordt opgeheven, dan
zal er bv. ook geen voet of hand meer zijn, tenzij homoniemisch,
zoals wanneer men het heeft over de stenen hand: vernietigd, zal
de hand van die aard zijn, maar alles wordt gedefinieerd door zijn
werk (ergon) en zijn vermogen (dúnamis), zodat, als
het daar niet meer aan beantwoordt, niet mag gezegd worden dat
het nog hetzelfde is, tenzij homoniemisch. Dat de polis dus én van
nature bestaat, én prioritair is aan elke mens afzonderlijk, is
duidelijk. Indien het individu inderdaad niet autarkisch is,
wanneer het afgezonderd is, dan bevindt het zich ten opzichte
van het geheel in een gelijkaardige positie als andere delen (t.o.v.
hun respectievelijk geheel][30].
Wie evenwel niet in staat is om tot een gemeenschap te behoren, of
daaraan geen enkele behoefte heeft wegens zijn autarkie, vormt
helemaal geen deel van een polis[31]
- zodat hij ofwel een beest is ofwel een god[32].
1253a29 Van nature dus is in alle
mensen de aandrift (hormè)
aanwezig tot zulke (politieke) gemeenschap; wie haar echter
als eerste heeft ingesteld, was bewerkstelliger van de grootste
weldaden. Want zoals de mens in zijn voleindigde staat de beste
van alle dieren is, zo is hij ook de slechtste van allemaal
wanneer hij gescheiden is van wet (nomos) en recht (díkè).
Het onhandelbaarst, immers, is onrecht dat over wapens beschikt.
Welnu, de mens wordt geboren in het bezit van wapens ten dienste
van bedachtzaamheid (phrónèsis)
en voortreffelijkheid (aretè),
waarvan het mogelijk is ze meest van al nog voor het
tegenovergestelde aan te wenden. Daarom is hij, zonder
voortreffelijkheid, het meest goddeloze en meest woeste (wezen),
en meer bepaald op het gebied van het geslachtsleven (ta
aphrodísia) en het eten nog het slechtste (van allemaal)[33].
De rechtvaardigheid, echter, is een polisfenomeen (politikón):[34]
recht (díkè)
is de ordening van een polisgemeenschap, en
rechtvaardigheid[35]
bestaat in de beoordeling (krisis) van wat recht(vaardig)
is.
1252b1
3. Aangezien het
klaar is, uit welke bestanddelen de polis bestaat, is het
vooreerst noodzakelijk om over de huishouding (oikonomía)
te spreken: elke polis immers is samengesteld uit huishoudens. De
delen, dan weer, van de huishouding zijn die waaruit een
huishouden is samengesteld; welnu, een voleindigd huishouden
bestaat uit slaven en vrijen.
1253b4 Aangezien elk onderwerp eerst
en vooral in zijn kleinste (elementen) moet onderzocht worden, en
de eerste en kleinste delen van een huishouden (drie in getal)
zijn, namelijk: heer en slaaf, echtgenoot en echtgenote, en vader en
kinderen, zal in verband met deze drie moeten nagegaan worden wat
elke (heerschappijrelatie) is, en hoedanig ze moet zijn. Het gaat
dus om (1) de slavenheerschappij (despotikè),
(2) de echtelijke (gamikè) - want de verbinding van vrouw en man is naamloos
-, en (3), ten
derde, de kinderverwekkende (teknopoiètikè):
ook zij inderdaad heeft geen eigen naam. De drie die we komen te
vernoemen, wezen daarmee aanvaard. Er is echter nog een deel, dat
volgens sommigen samenvalt met de huishouding (oikonomía),
volgens anderen er het belangrijkste onderdeel van vormt; hoe het
er werkelijk mee staat, moet bestudeerd worden, maar ik heb het
over de zogenaamde goederenverwervingskunst (chrèmatistikè).
1253b14 Maar laten we eerst en vooral
spreken over heer en slaaf, opdat we zowel zouden zien wat van
belang is voor de noodzakelijke behoeften, alsook, met het oog op
het weten daaromtrent, of we tot enig begrip kunnen komen, dat een
verbetering zou betekenen t.o.v. de nu gangbare opvattingen.
Voor sommigen immers lijkt de slavenheerschappij (despoteía)
een soort van wetenschap (epistèmè)
te zijn, en zijn huishouding, slavenheerschappij, politiek en
koningschap, zoals we in het begin zegden, allemaal identiek[36].
Voor anderen, daarentegen, is het slavenheer-zijn tegennatuurlijk
(pará phúsin). 't Is immers bij wet (nómooi) dat de
ene slaaf is, de andere vrij, maar naar natuur (phúsei) is
er geen enkel verschil; derhalve is (slavernij) ook niet
rechtvaardig, want ze berust op geweld.
1253b23
4.
Aangezien dus het
bezit een deel is van het huishouden, en de kunst om het te
verwerven (hè
ktètikè)
een deel van de huishouding - want zonder de
levensnoodzakelijkheden is zowel leven als goed-leven
onmogelijk -, en zoals dan ook voor de gespecialiseerde kunsten
(téchnai) noodzakelijkerwijze de geëigende werktuigen moeten
aanwezig zijn, willen ze hun werk tot een goed einde brengen, zo
geldt dat ook voor de huishouder (oikonomikós). Van de
werktuigen, echter, zijn de ene onbezield, de andere bezield. Voor
de stuurman bv. is het roer een onbezield, de uitkijker een
bezield werktuig - want voor de kunsten valt de helper in de
klasse der werktuigen. Op dezelfde wijze is ook het eigendom
(ktèma)
een werktuig (órganon) met het oog op het leven (zoè);
is het bezit (ktèsis)
een hoeveelheid werktuigen; is de slaaf een soort van bezield
eigendom (ktèma
émpsuchon), en fungeert iedere helper als
een werktuig ten behoeve van werktuigen (órganon pro orgànoon)[37].
Inderdaad, indien ieder werktuig gewoon op bevel of door
anticipatie zijn werk zou kunnen uitvoeren, en indien, op
dezelfde wijze als verteld wordt van de beelden van Daidalos[38],
of de driepikkels van Hephaistos, waarvan de dichter verhaalt dat
ze vanzelf (autómatos) de reünie der goden binnenkwamen[39],
aldus ook de schietspoelen uit zichzelf zouden weven en de
plektra lier spelen, dan zouden de vakmeesters (architéktones)
geen enkele behoefte hebben aan helpers, of de slavenheren aan
slaven.
1254a1 Nu zijn de genoemde werktuigen
wel werktuigen voor de productie (poiètiká),
maar het eigendom is een werktuig voor het handelen (praktikón):
van de schietspoel bijvoorbeeld komt er iets anders voort, naast
het gebruik ervan, maar van het kledingstuk en het ligbed is er
uitsluitend het gebruik (chrèsis).
Bovendien, aangezien productie (poíèsis)
en handeling (praxis) van elkaar verschillen naar
wezensvorm en ze allebei werktuigen nodig hebben, vertonen ook
die werktuigen onvermijdelijk hetzelfde onderscheid. Maar
levensvoering (bíos) is handeling, geen productie: daarom
behoort ook de slaaf tot de werktuigen voor het handelen.
1254a8 Het (woord) "eigendom" wordt
op dezelfde manier gebruikt als "deel". Het deel is niet enkel
deel-van iets anders, het is ook zonder meer "ván" iets anders; en
met het eigendom is het op dezelfde manier gesteld. Daarom is de
slavenheer enkel meester van de slaaf, maar is hij niet "van
hem"; de slaaf, echter, is niet enkel slaaf van de heer, maar is
ook zonder meer "van hem".
1254a13 Wat dus de natuur is van de
slaaf, en welk zijn functie (dúnamis), is hieruit
duidelijk: wie door natuur niet van-zichzelf maar
mens-van-een-ander is, die is van nature slaaf (phúsei doulos);
mens-van-een-ander, echter, is al wie, hoewel mens zijnde,
eigendom is; eigendom, tenslotte, is een werktuig voor het
handelen dat kan worden losgemaakt (choristón)[40].
1254a17
5. Maar óf er iemand door natuur
van die aard is of niet, en of het voor iemand beter en
rechtvaardiger is om slaaf te zijn, of dat dit niet zo is, maar
dat elke slavernij (douleía) tegennatuurlijk is, dat moet
hierna onderzocht worden.
1254a20 Het is niet moeilijk om dat op
basis van rationele overweging (logos) theoretisch te
vatten, net zomin als om het te leren uit de feitelijkheden..
Regeren[41]
en geregeerd-worden behoren immers niet enkel tot de
noodzakelijke, maar ook tot de nuttige dingen, en bij sommige
wezens is er onmiddellijk van bij de geboorte een opsplitsing
tussen wat voor het geregeerd-worden en wat voor het regeren
bestemd is. Er zijn ook vele soorten zowel van wat regeert als
van wat geregeerd wordt, en hoogwaardiger is altijd de
heerschappij (archè)
die op hoogwaardiger geregeerden betrekking heeft: bv. die
over een mens is hoogwaardiger dan die over een dier. Immers, wat
vanwege beteren tot stand komt, is als werk beter; welnu, overal
waar het ene (deel) regeert en het andere geregeerd wordt, is er
daarvan een of ander werk. In alle (fenomenen), inderdaad, die
uit verscheidene elementen zijn samengesteld en resulteren
in één gemeenschappelijk iets - of (die elementen) nu continu
of discontinu zijn -, overal daarin manifesteert zich het
regerende en het geregeerde (beginsel]. En bij de bezielde
wezens doet dat (verschijnsel) zich voor vanuit de totaliteit
van de natuur; want zelfs in wat géén deel heeft aan leven, is er
een of ander heersend beginsel (archè),
bv. in het geval van de toonladder (harmonía)[42].
Dat laatste, echter, behoort wellicht tot een onderzoek dat al te
zeer buiten ons huidig thema ligt.
1254a34 Wat dan het levend wezen (zôion)
betreft, dat is eerst en vooral samengesteld uit ziel (psuchè)
en lichaam (sôma), waarvan het ene het van nature regerende
is, het andere het geregeerde. Maar (de kwalifikatie) "van
nature" (phúsei) moeten we in de eerste plaats bekijken in
wat zich in een natuurlijke (katá phúsin) toestand
bevindt, en niet in wat gecorrumpeerd is. Daarom moeten we ook
de mens beschouwen, die zich én naar lichaam én naar ziel in de
beste gesteldheid bevindt, in dewelke dat natuurlijke manifest
is; want in het geval van minderwaardige mensen, of van mensen
die zich (tijdelijk) in een minderwaardige gesteltenis bevinden,
zou men de indruk krijgen dat dikwijls het lichaam regeert over de
ziel, als gevolg van de slechte en tegennatuurlijke staat
waarin die mensen zich bevinden.
1254b2 Wat daar ook van zij, zoals we
zeggen kan men in een levend wezen eerst en vooral zowel de
heerschappij van de slavenmeester (despotikè)
als die van de politicus (politikè)
aanschouwen: de ziel regeert immers over het lichaam volgens het
heerschappijbeginsel van de slavenmeester[43],
het verstand (nous), anderzijds, regeert over het
verlangen (órexis) volgens een politieke of[44]
koninklijke heerschappij[45].
Daarbij is het manifest dat het feit geregeerd te worden door de
ziel natuurlijk en nuttig is voor het lichaam, en voor het affectieve (pathètikón)
deel het geregeerd-worden door het verstand en het zielsdeel
dat de rede (logos) bezit, maar dat een situatie van
gelijkheid of de omgekeerde verhouding schadelijk is voor alle
(betrokkenen). Tussen de mens, wederom, en de andere dieren
doet zich hetzelfde voor: de tamme dieren zijn beter, naar natuur,
dan de wilde, maar voor hen allemaal is het beter om geregeerd
te worden door de mens: op die manier immers genieten ze
veiligheid. Bovendien verhoudt het mannelijke zich tot het
vrouwelijke van nature als het superieure tot het inferieure,
en het regerende tot het geregeerde[46].
Wel, op dezelfde manier moet zich dat noodzakelijkerwijze ook
stellen met betrekking tot de mensen in hun totaliteit.
1254b16 Al degenen, dus, die even sterk
verschillen (van de andere mensen) als het verschil dat bestaat
tussen ziel en lichaam en tussen mens en dier - en op zulke
manier gedisponeerd zijn al degenen die als taak het gebruik van
hun lichaam hebben, en voor wie dat het beste is dat van hen
voortkomt -, deze mensen zijn van nature slaaf, voor wie het
beter is om overeenkomstig deze slavenheerschappij geregeerd te
worden, aangezien dat ook het geval is voor de hogere vermelde
gevallen. Van nature slaaf, immers, is degene die de aanleg
heeft om van een ander te zijn - en daarom ook van een ander is -, en die in zo verre deel heeft in de rede (logos), dat
hij ze gewaar wordt maar niet bezit. De overige dieren, immers,
gehoorzamen niet aan rede, maar aan hun gevoelens (pathèmata)[47].
Wat evenwel hun gebruikswaarde (chreia) betreft, is er
slechts een klein verschil: van beide, vanwege de slaven zowel
als vanwege de tamme dieren, komt lichamelijke hulp met het oog op
de levensnoodwendigheden.
1254b27 Nu heeft de natuur alleszins de
intentie om ook de lichamen verschillend te maken van vrijen en
slaven: namelijk die van de laatstgenoemden krachtig te maken, met het
oog op het levensnoodwendige gebruik ervan; die van de
eerstgenoemde, anderzijds, rechtop (orthós)[48]
en onbruikbaar voor dat soort van werkzaamheden, maar geschikt
voor de burgerlijke levensvoering (politikós bíos) - welke
laatste nog wordt ingedeeld in de behoeftes van zowel oorlogs-
als vredestijd. Dikwijls, echter, gebeurt ook het
tegenovergestelde, namelijk dat de enen het lichaam van vrijen hebben
(sc. en niet de ziel), de anderen de ziel (sc. en niet het
lichaam). Want zoveel is alleszins duidelijk, dat indien alleen
al op het vlak van het lichaam het verschil even groot zou zijn
als het geval is met de beelden der goden, iedereen zou zeggen
dat de achterblijvers het verdienen slaaf te zijn van die eersten.
Maar als dat waar is in het geval van het lichaam, dan wordt deze dinstinctie met nog veel meer recht gemaakt op het vlak van de
ziel - alleen is het niet even gemakkelijk om de schoonheid
(kállos) van de ziel te zien als om die van het lichaam te
zien.
1255a1 Het is dus manifest dat er van
nature mensen zijn die, de enen, vrij, de anderen slaaf zijn,
en dat voor deze laatsten het slaaf-zijn zowel voordelig als
rechtvaardig is.
1255a3
6. Dat echter ook degenen die
het tegenovergestelde beweren, op een bepaalde manier gelijk
hebben, is niet moeilijk te zien. De woorden "te slaven" en
"slaaf" worden immers op tweeërlei manier gebruikt. Want er is
ongetwijfeld ook een soort van slaaf en van slavende bij wet (katà
nómon). Die "wet" in kwestie is een soort
van overeenkomst (homología) waarin gezegd wordt dat al wat
in de oorlog veroverd wordt, toebehoort aan de veroveraars[49].
1255a7 Net tegen deze rechtsgrond
(díkaion) brengen tal van rechtsgeleerden, als ging het om een
redenaar, een aanklacht in wegens onwettigheid[50],
omdat het huns inziens een erge zaak is dat wie geweld werd
aangedaan, de slaaf en onderworpene moet zijn van degene die
bij machte is geweld te plegen en op het vlak van fysieke macht
de sterkste is. En sommigen zijn deze mening toegedaan, anderen
de andere, ook onder de knappe koppen (sophoí). De reden voor deze
betwisting (amphisbètèsis),
en hetgene de argumentaties (logoi) doet overlappen, is dat
voortreffelijkheid (aretè),
wanneer zij over de nodige toerusting (chorègía)
beschikt[51],
op een zekere manier ook het meest bij machte is geweld te
plegen, en dat de overweldiger dan toch altijd in een of ander
goed een overwicht heeft. Bijgevolg bestaat de indruk dat de
betwisting enkel betrekking heeft op de rechtsgrond - om welke
reden, inderdaad, sommigen menen dat recht weldunkendheid (eúnoia)
is[52],
anderen, daarentegen, dat dàt
precies recht is, namelijk de heerschappij van de sterkste[53]
-; want hoewel deze argumentaties wel degelijk ver uit elkaar
staan, missen die van de andere zijde huns inziens alle gewicht
of overtuigingskracht, namelijk als zou de betere in
voortreffelijkheid niét moeten regeren en slavenmeester zijn.
1255a21 In het algemeen zijn er die
zich, naar zij menen, op een soort van rechtsgrond baseren - want
de wet is een rechtsgrond - en stellen dat slavernij
resulterend uit oorlogsgeweld rechtvaardig is. Maar
tegelijkertijd ontkennen ze het: het is immers mogelijk dat de
oorsprong van de oorlogen onrechtvaardig is, en wie het niet
verdient slaaf te zijn, zal wel in geen enkel geval door iemand
slaaf genoemd worden; anders zal het gebeuren dat mensen die van
de edelste afkomst blijken te zijn, slaaf zijn en van slaven
voortkomen, indien het toeval wil dat ze krijgsgevangenen worden
gemaakt en verkocht. Daarom willen zij zichzelf geen slaaf noemen,
maar wel de barbaren. Nochtans, wanneer ze zoiets zeggen, dan
zoeken zij niets anders dan wat slaaf is van nature, wat wij
precies al van bij het begin stelden. Ze moeten immers
noodgedwongen erkennen dat er zijn die overal slaaf zijn, en
anderen die het nergens zijn. En voor adellijke afkomst (eugeneía)
stelt het zich op dezelfde manier: zichzelf beschouwen ze niet
enkel bij zich thuis van adellijke afkomst maar overal, de
barbaren, echter, alleen bij hen thuis - waarmee ze de
geldigheid impliceren van het onderscheid tussen wat in absolute
zin edel geboren en vrij is, en wat het in voorwaardelijke zin is.
Zoals ook de Helena van Theodektes zegt[54]:
"langs beide zijden loot van goddelijke
stam,
wie zou mij 'dienares'
durven noemen?"
Maar wanneer de mensen zoiets zeggen, dan maken ze een
onderscheid tussen wie slaaf en wie vrij is, en tussen wie van
edele en wie van lage afkomst is, op basis van geen enkel ander
criterium dan voortreffelijkheid en ondeugd. Ze gaan er immers
van uit dat, net zoals uit een mens een mens voortkomt, en uit een
dier een dier, op dezelfde wijze ook uit goede (ouders) een goede
(mens) geboren wordt. Maar dikwijls wil de natuur dat wel
voortbrengen, maar kan ze het niet.
1255b4 Dus, dat de betwisting enige
grond (logos) heeft, en dat men niet altijd te doen heeft
met slaven van nature en vrijen van nature, is duidelijk; maar ook
dat een dergelijk onderscheid in sommigen wél gegeven is, en
daarvan is het voor de ene in zijn belang slaaf te zijn, voor de
andere meester te zijn. En de ene moet geregeerd worden en de
andere regeren overeenkomstig de heerschappijvorm voor dewelke
zij geboren zijn (pephúkasin), zodat de laatste ook
(daadwerkelijk) slavenmeester is; terwijl het op een slechte
manier uitoefenen van die heerschappij nadelig is voor beiden - want het deel en het geheel hebben identieke belangen, zoals in
het geval van lichaam en ziel, en de slaaf is een soort van deel
van zijn meester, namelijk een soort van bezield maar van het lichaam
gescheiden deel. Daarom bestaat er voor de slaaf en de meester die daar
van nature aanspraak op maken, een soort van
belangengemeenschap (sumphéron) en vriendschap (philía)
jegens elkaar[55];
maar het tegenovergestelde is het geval voor al degenen voor
wie het zich niet op deze wijze stelt, maar integendeel op het
vlak van de wet en na geweldpleging.
1255b16
7. Ook hieruit is het
zonneklaar dat slavenheerschappij (despoteía) en politiek
(gezag) niet hetzelfde zijn, en dat dat voor alle
heerschappijvormen (archaí) geldt, in tegenstelling tot
wat sommigen beweren[56].
De ene, immers, betreft mensen die van nature vrij zijn, de
andere slaven, en de huishoudelijke is een alleenheerschappij
(monarchía) - want elk huishouden staat onder een
alleenheerser -, de politieke, anderzijds, is een heerschappij
over vrijen en gelijken.
1255b20 De slavenheer, dus, wordt niet zo genoemd op grond van kennis (epistèmè)[57],
maar doordat hij een bepaalde geaardheid bezit, en dat stelt zich
op dezelfde manier voor slaaf en vrije. Toch kán er een
wetenschap zijn zowel van de meester (despotikè)
als van de slaaf (doulikè).
Die van de slaaf kan dan van zulke aard zijn als de man in
Syracuse onderwees: daar was iemand die, tegen betaling, de boys
(paîdes) instrueerde in hun koerante taken. Maar de
opleiding in dergelijke vaardigheden zou ook nog kunnen
uitgebreid worden, bv. met kookkunst en andere dergelijke categorieën van bediening. Want onder de taken zijn de ene al
prestigieuzer dan de andere, de andere al noodzakelijker dan de
ene, en zoals het
spreekwoord zegt: "slaaf (komt) voor slaaf, meester voor
meester"[58].
Alle kundigheden van zulke aard zijn dus slavenwetenschappen,
maar de herenwetenschap is degene die het gebruik van slaven
betreft. De meester toont zich immers niet in het verwerven van
slaven, maar in zijn gebruik ervan. Doch die wetenschap heeft
niets groots of indrukwekkends: wat de slaaf moet weten uit te
voeren, dat moet hij weten te bevelen[59].
Dààrom
dat, voor al wie de materiële middelen heeft om zelf geen miserie
te hebben, een opzichter (epítropos) dat ambt (timè)
waarneemt, terwijl zij zelf aan politiek of aan filosofie doen[60].
Maar de kunst om slaven te verwerven verschilt van elk van beide,
dat wil zeggen de rechtvaardige, die een soort van oorlog- of
jachtkunst is[61].
Laat dus op deze wijze het onderscheid bepaald zijn
tussen slaaf en meester.
1256a1
8. Laten we echter algemeen,
over alle vormen van bezit en van goederenverwervingskunst
(chrèmatistikè),
een theoretische beschouwing houden volgens onze normale
werkwijze, aangezien ook de slaaf dan toch, zeiden we, een deel is
van het bezit[62].
1256a3 Allereerst zou men zich dus
kunnen afvragen of de goederenverwervingskunst identiek is met
de huishoudkunst (oikonomikè),
dan wel of ze er een deel van is, of een hulpkunst. En als ze een
hulpkunst is, of ze dat dan is op de wijze dat de
schietspoelvervaardigingskunst een hulpkunst is voor de weefkunst,
dan wel op de wijze dat de bronsgietkunst het is voor de
beeldgieterij. Ze zijn immers niet op dezelfde wijze dienstig,
maar de ene levert werktuigen, de andere de stof: met "stof"
(húlè)
bedoel ik de substantie (hupokeímenon) waaruit een of ander
product tot stand komt, zoals wol voor de wever, brons voor de
beeldgieter.
1256a10 Dat de huishoudkunde dus niet
identiek is met de goederenverwervingskunst, is duidelijk: tot
de ene behoort immers het verstrekken (van de goederen), tot de
andere het gebruiken ervan. Wie anders inderdaad dan de
huishoudkunde zal al wat in het huis aanwezig is, gebruiken? Maar
of de goederenverwerving er een deel van is, dan wel tot een
verschillende wezensvorm (eidos) moet gerekend worden,
daarover bestaat er betwisting. Indien het de taak is van degene
die zich met de goederenverwerving (chrèmatistikós)
bezighoudt, om te bestuderen vanwaar er goederen (chrèmata)[63]
en bezit zullen voortkomen, dan (moet worden opgemerkt) dat
bezit, alleszins, en rijkdom vele onderdelen bevatten. Bijgevolg
moet eerst en vooral onderzocht worden, of de landbouw (geoorgikè),
en in het algemeen de zorg om en de verwerving van het voedsel
(trophè)
een deel vormen van de goederenverwervingskunst, dan wel of ze
tot een andere klasse behoren?
1256a19 Maar bovendien zijn er ook vele
soorten van voedsel, en daarom ook vele levenswijzen (bíoi),
van de dieren zowel als van de mensen; het is immers niet
mogelijk te leven zonder voedsel, zodat de verschillen in
voedsel de levenswijzen der dieren verschillend hebben gemaakt.
Van de wilde dieren (thèria),
inderdaad, leven de ene in kuddes (agelaîa), de andere
verspreid (sporadiká), naargelang van wat nuttig is met
het oog op hun voedsel, omwille van het feit dat de ene vleeseters
zijn, de andere vruchteneters, nog andere alleseters. Bijgevolg
heeft de natuur, met het oog op het gemakkelijk beschikbaar-zijn
en het grijpen van hun voedingsmiddelen, hun levenswijzen
gedifferentieerd; want voor iedere (soort) is niet hetzelfde van
nature aangenaam (hèdú),
maar voor de ene is het dit, voor de andere dat, en van de
vleeseters zelf lopen de levenswijzen eveneens uiteen, net zoals
van de vruchteneters. Welnu, op gelijkaardige wijze is het
gesteld met de levenswijzen van de mensen.
1256a30 De levenswijzen der mensen
lopen inderdaad sterk uiteen. Zo zijn de meest indolente mensen
nomaden: van tamme dieren immers komt het voedsel zonder
inspanning, terwijl men zelf vrije tijd heeft; maar omdat het
noodzakelijk is, voor de kuddes, om van plek te veranderen ter
wille van de weilanden, worden zij ook zelf verplicht mee te
volgen, terwijl ze als het ware een levende akker bebouwen.
Anderen leven van de jacht, de enen al van een andere dan de
anderen: sommigen bv. van de piraterij, anderen van de visvangst -
namelijk al wie in de buurt woont van meren, moerassen en stromen, of
bij een zee die daarvoor geschikt is -; nog anderen leven van
vogels of wilde dieren. Maar de grootste klasse van mensen leeft
van de aarde (gê),
en met name van gecultiveerde vruchten.
1256a40 Zo talrijk omzeggens zijn dus de
levenswijzen - althans al degene waarvan de werkzaamheid zelfproductief (autophutón) is, en die hun voedsel niet
betrekken door middel van ruil (allagè)
of commercie (kapèleía), namelijk die van de nomade, van de rover, van de visser, van de jager
en van de landbouwer (geoorgikós). Er zijn echter ook
mensen die een aangenaam leven leiden door er daaruit te combineren, waarbij ze de ergste tekorten van hun levenswijze
aanvullen in die (aspecten) waarin ze toevallig in gebreke blijft
met betrekking tot het autarkisch-zijn. Sommigen bv. leiden
tegelijkertijd het leven van nomade en van rover, anderen dat van
landbouwer en jager, en op gelijkaardige manier voor anderen:
naargelang van de complementaire dwang van de behoefte (chreia),
op die manier leiden ze hun leven.
1256b7 Een dergelijk bezit, nu,
schijnt door de natuur zelf aan alle (levende wezens) geschonken
te worden, net zo goed wanneer hun ontwikkeling voleindigd is als
wanneer ze pas geboren zijn. Inderdaad, op het moment van de
geboorte brengen sommige (klassen van) levende wezens, namelijk alle vermipare en ovipare, zoveel voedsel mee ter wereld dat het
volstaat tot het moment waarop het jong zelf in staat is er
zichzelf te verschaffen[64].
Alle vivipare dieren, anderzijds, hebben voor hun jongen in hun
eigen lichaam voedsel voor een bepaald periode, namelijk de
natuurlijke substantie (phusis) die melk wordt genoemd.
Bijgevolg is het op gelijkaardige wijze duidelijk dat ook voor
wezens die al geboren zijn, moet aanvaard worden dat (de natuur ze
met eigendom heeft begiftigd, en met name dat) de planten er zijn
ter wille van de dieren, en de overige dieren ten gerieve van de
mensen[65]:
de tamme, enerzijds, zowel voor het gebruik als voor het
voedsel, en van de wilde, anderzijds, zoniet alle dan toch de
meeste ter wille van het voedsel en andere hulp, opdat er zowel
kleding als andere werktuigen uit zouden voortkomen.
1256b20 Dus, indien de natuur niets
onvoleindigd (atelés) maakt[66]
of zonder zin, moet de natuur al deze wezens voortgebracht
hebben ter wille van de mensen[67].
Daarom zal ook de oorlogskunst (polemikè)
in zekere zin een natuurlijke verwervingskunst zijn - de
jachtkunst is daar immers een deel van -, die men moet gebruiken
tegen de wilde dieren zowel als tegen alle mensen die, hoewel ze
geboren zijn (pephukótes) om geregeerd te worden, dat
weigeren - namelijk vanuit de overweging dat dit soort van oorlog van
nature gerechtvaardigd is[68].
1256b26 Eén vorm (eidos), dus,
van verwervingskunst (ktètikè)
is natuurlijkerwijze een deel van de huishoudkunst, omdat de
goederen die noodzakelijk zijn voor het leven en van nut zijn voor
de gemeenschap van polis of huis[69],
en waarvan men een stock kan aanleggen, ofwel moeten aanwezig zijn
ofwel door de huishoudkunst moeten beschikbaar worden
gesteld. En blijkbaar is het uit deze goederen dat althans de
ware rijkdom (ploutos) bestaat[70].
Van bezit van die aard, inderdaad, is de zelfsufficiëntie
(autárkeia) voor het goede leven niét onbegrensd (ápeiros),
zoals Soloon het beweert in zijn vers: "van rijkdom is
de mensen geen grens kenbaar gemaakt"[71].
Er is er immers wel dégelijk een, net zoals voor de andere
kunsten: geen enkel werktuig van enigerlei kunst is onbegrensd,
het zij in aantal of in grootte, en rijkdom is een
hoeveelheid werktuigen voor huishouden en polis.
Dat er dus een soort van verwervingskunst is, die
natuurlijk is voor huisheren en politici, en om welke reden, is
hiermee duidelijk.
1256b40
9. Er is echter nog een andere
klasse (génos) van verwervingskunst, die men meest van al
nog, en terecht, de naam geeft van "chrematistiek" (dwz
goederen- of geldverwervingskunst), en die verantwoordelijk is
voor de opinie dat er geen enkele grens (péras) is aan
rijkdom en bezit; van dewelke velen, omwille van de naburigheid,
geloven dat ze één en dezelfde is als degene die al besproken is,
maar (in feite) is ze noch dezelfde als de vermelde, noch staat ze
er ver van af. De ene ervan is van nature, de andere is niet van
nature maar veeleer het resultaat van een soort van ervaring
(empeiría) en kundigheid (téchnè).
Laten we de behandeling ervan op de volgende manier aanvatten.
1257a5 Van elk eigendom is er een
tweevoudig gebruik (chrèsis);
beide betreffen het ding op zich, maar dit "op zich" (kath'
hautó) geldt niet in dezelfde zin: de ene is de eigenlijke
(oikeía), de andere de oneigenlijke gebruikswijze van de
zaak, bv. van schoeisel: (1) het zich-schoeien en (2) het gebruik
ervan voor de ruil. Beide, immers, zijn gebruikswijzen van
schoeisel: ook wie het omwisselt met degene die schoeisel nodig
heeft, in ruil voor geld of voedsel, gebruikt het schoeisel als
schoeisel, maar niet volgens de eigenlijke gebruikswijze; het is
immers niet tot stand gekomen ter wille van de ruil[72].
Op dezelfde wijze is het ook gesteld in verband met de andere eigendomsobjecten.
1257a13 De ruilkunde (metablètikè)
is immers op alles van toepassing, nadat ze weliswaar gestart
is, aanvankelijk, uit een natuurlijke (omstandigheid), namelijk door
het feit dat de mensen van het ene méér, van het andere minder
dan voldoende hebben. Aldus is het, tussen haakjes, ook
duidelijk dat de commercie (kapèlikè)
niet van nature deel uitmaakt van de goederenverwervingskunst:
in dat geval, immers, waren ze genoodzaakt om de ruil slechts
zover te drijven als voor hun (eigen behoeftes) voldoende was.
Wat dan de eerste gemeenschap betreft, i.e. het huishouden, het
is zonneklaar dat er daarin geen enkele taak is weggelegd voor de
ruil; dat was pas het geval toen de gemeenschap reeds een grotere
omvang had. De eerstgenoemden, inderdaad, deelden in allemaal dezelfde
goederen; de anderen, daarentegen, die apart leefden[73],
deelden in vele (van) verschillende (huishoudens), en daarvan
moesten er, volgens de behoeften, uitwisselingen worden
georganiseerd - zoals vele barbaarse etnieën dat ook nu nog
doen, namelijk volgens de ruil-in-natura (allagè).
De gebruiksgoederen (chrèsima)
zelf worden tegen elkaar omgeruild, maar verder gaan het niet: ze
geven en nemen bv. wijn voor tarwe, en alle andere goederen van
zulke aard.
1257a28 De ruilkunde van zulke aard is
dus noch tegennatuurlijk, noch is ze enigerlei soort (eidos)
van goederen(-, i.e. geld)verwervingskunst (chrèmatistikè)
- ze strekte immers tot het herstel van de natuurlijke
autarkie; uit háár, nochtans, kwam gans logisch die andere
voort. Want toen de hulp uit steeds maar vreemdere oorden kwam,
met het invoeren van datgene waaraan men zelf gebrek had en het
uitvoeren van hetgene waarvan men teveel had, werd uit noodzaak
het gebruik van het geld (nómisma) geïntroduceerd.
Niet alles, immers, van wat natuurlijkerwijze noodzakelijk is,
was gemakkelijk te vervoeren; daarom kwamen ze overeen, ten
behoeve van hun ruilactiviteiten, om onderling iets zodanigs te
geven en te ontvangen, dat, terwijl het zelf tot de
gebruiksgoederen (chrèsima)
behoorde, een gemakkelijk te hanteren gebruikswaarde (chreia)
bezat met het oog op het leven, zoals bv. ijzer en zilver, of
iets anders van die aard. Daarbij werd het aanvankelijk eenvoudig
door grootte en gewicht bepaald, maar tenslotte ging men er een
muntstempel (charaktèr)
op slaan ten einde verlost te zijn van het (steeds opnieuw moeten)
wegen: de stempel werd bij conventie tot een teken (semeíon)
van de hoeveelheid[74].
1257a41 Dus, toen het geld reeds
ingevoerd was, ontstond uit de noodzakelijke ruil de andere
soort van goederenverwervingskunst (chrèmatistikè),
namelijk die van de commercie (to kapèlikón);
in het begin kwam ze allicht nog op een eenvoudige manier tot
stand, maar vervolgens kreeg ze, ten gevolge van de (groeiende)
ervaring, toch een meer bestudeerd (technikón) karakter,
namelijk
(om te ontdekken) waar en op welke wijze, door te ruilen, de
grootste winst (kérdos) te maken was. Daarom bestaat de
indruk dat de goederenverwervingskunst nog het meest van al op
het geld (nómisma) betrekking heeft, en dat haar taak
erin bestaat, bij machte te zijn te ontdekken vanwaar er een
hoeveelheid geld (chrèmata)
kan komen; ze is immers de producente van rijkdom en geld (chrèmata).
Dikwijls inderdaad wordt rijkdom ook gedefinieerd als een
hoeveelheid geld (nómisma), wegens het feit dat de goederenverwervingskunst en de
commercie daarop gericht zijn.
1257b10 Een andere keer, evenwel,
bestaat dan weer de indruk dat het geld (nómisma) "larie"
(lêros)
is en geheel en al louter een kwestie van "gelding" (nomos)[75],
in geen enkel opzicht van nature, omdat het, wanneer de
gebruikers de conventie wijzigen, niets meer waard is, en het al
evenmin bruikbaar is voor gelijk wat van de
levensnoodzakelijkheden, en dat met name wie rijk is aan geld,
dikwijls in verlegenheid zal verkeren in verband met het
noodzakelijke voedsel: voorwaar absurd, toch, dit soort rijkdom
waaraan iemand overvloed kan hebben en toch omkomen van de honger,
zoals in de mythe ook van die Midas verteld wordt toen, ten
gevolge van de mateloosheid van zijn wens, al wat hem werd
voorgezet, veranderde in goud[76].
1257b17 Om die reden zoeken ze[77]
een ander (begrip van) rijkdom en goederenverwervingskunst, en
ze hebben daarmee gelijk. De natuurlijke
goederenverwervingskunst en rijkdom, immers, is iets
anders, en zij behoort tot de huishoudkunde (oikonomikè);
die van de commercie, echter, is geen producente van goederen (chrèmata)[78]
in de volle zin, tenzij[79]
via de ruil van goederen. En zij is de (verwervingskunst)
waarvan de indruk bestaat dat het haar om het geld (nómisma)
te doen is: het geld is immers element (stoicheíon) én
eindpunt (péras) van de ruil. Deze rijkdom, die van déze goederenverwervingskunst voortkomt, is dan inderdaad ook
onbegrensd (ápeiros). Zoals de geneeskunde immers geen
grenzen kent op het vlak van het genezen, en élke kunst onbegrensd
is op het vlak van haar doelstelling (télos) - want die
willen ze zoveel als mogelijk realiseren -, maar niet tot in het oneindige gaat op het vlak van de middelen voor die
doelstelling - want voor alle kunsten is de doelstelling de
grens -, zo is er ook geen grens aan de doelstelling van deze goederenverwervingskunst, en die doelstelling is rijkdom van
zulke aard, namelijk bezit van geld (chrèmata).
1257b30 Van de huishoudkunde,
daarentegen, als verschillend van de goederenverwervingskunst[80],
is er wél een grens, want de huishoudkunde heeft dat (sc.
verwerving van rijkdom om de rijkdom) niet als taak. Vanuit dit
gezichtspunt, daarom, schijnt alle rijkdom noodzakelijkerwijze een
grens te hebben, maar op het vlak van de feiten zien we net het
tegenovergestelde gebeuren: al wie zaken doet (hoi chrèmatizómenoi),
tracht zijn geld (nómisma) tot in het oneindige te doen
aangroeien. Oorzaak daarvan is het feit dat (de twee vormen van
goederenverwerving) zo dicht bij elkaar liggen. Inderdaad,
aangezien zij op hetzelfde voorwerp betrekking hebben, overlapt
de gebruikswijze van elk van beide goederenverwervingskunsten.
Het gaat immers om het gebruik van hetzelfde bezit, maar niet in
hetzelfde opzicht: de ene heeft als doelstelling iets anders (sc.
dan zichzelf][81],
de andere (louter) de aangroei van zichzelf. Vandaar dat
sommigen geloven dat dat laatste de taak is van de huishoudkunde,
en dat ze vasthouden aan het idee dat ze de voorraad aan geld
ofwel moeten intact houden ofwel tot in het oneindige moeten doen
aangroeien.
1257b40 Oorzaak van deze ingesteldheid
is het feit dat de mensen zich beijveren om het leven, maar niet
om het goed-leven; en aangezien dat begeren geen grenzen kent,
begeren ze dat ook de middelen die dat bewerkstelligen, onbegrensd
zouden zijn. Maar ook zij die zich op het goed-leven toeleggen,
zoeken wat goed is voor de lichamelijke genietingen, zodanig
dat, aangezien ook dit (streefdoel) in het bezit schijnt gelegen
te zijn, geheel hun bedrijvigheid op het geld-maken (chrèmatismós)
gericht is; en de andere soort van goederenverwervingskunst is er
om die reden gekomen. Inderdaad, aangezien het genieten (apólausis)
gelegen is in overdaad, zoekt men de kunst die de overvloed
bewerkstelligt, die genieten mogelijk maakt. En indien men niet
bij machte is haar door middel van de goederenverwervingskunst te verschaffen, dan probeert men
het via een andere oorzaak en gaat men al zijn vermogens[82]
aanwenden op een manier die niet natuurlijk is. Immers, de taak
van moed (andreía) bestaat er niet in, geld (chrèmata)
te produceren, maar zelfzekerheid, en van de krijgskunst (stratègikè)
of de geneeskunst (iatrikè)
is dat al evenmin de functie, maar van de ene is dat: de
overwinning, van de andere: de gezondheid. Zij, echter, maken
alle (menselijke) vermogens tot een middel om geld te winnen (chrèmatistikaí),
als was dat het doel en diende alles aan dat doel te
beantwoorden[83].
1258a14 Hiermee is dus gesproken over
de niet-noodzakelijke goederenverwervingskunst: namelijk wat ze is,
zowel als door welke oorzaak wij er behoefte aan hebben, alsook
over de noodzakelijke (goederenverwervingskunst), met name dat ze verschilt van de andere en
natuurlijkerwijze het huishouden betreft, namelijk degene die zich
met voedselvoorziening (trophè)
bezighoudt, waarbij ze niet zoals die andere onbegrensd is, maar
een limiet (horos) heeft.
1258a19
10. Daarmee is
er ook duidelijkheid inzake de moeilijkheid die in het begin werd aangestipt,
namelijk of de goederenverwervingskunst de zaak is van de huisheer en
politicus[84].
Of is dat niét het geval, maar moeten (de gebruiksgoederen)
gegeven zijn - want zoals de politieke kunst mensen ook niet
produceert, maar ze ontvangt van de natuur en dan gebruikt, zo ook
moet de natuur met het oog op het levensonderhoud grond, zee of
iets anders beschikbaar stellen -, en is het op basis daarvan de
competentie van de huisheer om die (voorraden) te beheren zoals
het hoort? De taak van de weefkunst, immers, bestaat er niet in
wol te vervaardigen maar ze te gebruiken, en tevens te weten
welke soort goed en geschikt is, of slecht en ongeschikt. Men zou
zich dan immers ook kunnen afvragen om welke reden de goederenverwervingskunst wel een bestanddeel (mórion) zou
zijn van de huishouding (oikonomía), maar de geneeskunde
niet? Toch moeten de leden van het huishouden gezond zijn, even
goed als ze moeten leven, of iets anders van de
levensnoodzakelijkheden. Maar aangezien het in zeker opzicht wel
degelijk de taak is van huisheer en regent (árchoon)[85]
ook op de gezondheid toe te zien, terwijl het dat in een ander
opzicht niet is, maar de taak is van de arts, op dezelfde manier
is de zorg om de goederen in een bepaalde context wél de taak van
de huisheer en in een andere niet, maar die van de hulpkunst.
Meest van al nog, evenwel, moet die (voorraad), zoals eerder
gezegd werd, van nature aanwezig zijn. Het is immers de taak van
de natuur aan de pasgeborene voedsel te verstrekken: voor ieder
wezen, inderdaad, fungeert wat overblijft van (de substantie)
waaruit het ontstaat, als voedsel[86].
Om die reden is de goederenverwervingskunst die teert op vruchten
en dieren, voor alle mensen de natuurlijke.
1258a38 Maar aangezien, zoals gezegd,
de goederenverwervingskunst tweevoudig is, de ene commercieel, de
andere huishoudelijk, waarbij deze laatste noodzakelijk is en
geprezen wordt, terwijl de andere, die op ruil berust, terecht
gelaakt wordt - ze is immers niet natuurlijk, maar teert op elkaar
-, wordt de woeker (obolostatikè)
nog met de meeste reden gehaat, wegens het feit dat de winst van
het geld zelf komt en niet van datgene waarvoor het werd
ingevoerd. Het ontstond immers ter wille van de ruil, maar de
interest (tokos) vermeerdert het - die heeft daar trouwens
ook zijn naam vandaan: de kroost die ter wereld komt (ta
tiktómena) gelijkt immers op de ouders die het verwekt
hebben; welnu, de "kroos"[87]
(tokos) wordt geboren als "geld, zoon van geld" (nómisma
[ek] nomísmatos)[88].
Bijgevolg is deze vorm van zakendoen nog de meest
tegennatuurlijke.
1258b9
11. Aangezien we wat van belang is
voor de kennis (gnosis), op voldoende wijze bepaald
hebben, moeten we (inzake de goederenverwervingskunst) nog
uiteenzetten wat relevant is voor de praktijk (chrèsis).
Met al zulke onderwerpen, evenwel, (is het
aldus gesteld dat) de theoretische studie (theoría) in alle
vrijheid gebeurt, maar de praktische omgang (empeiría)
onderworpen is dwangmatigheden.
1258a12 (1) Nuttige delen van de
goederenverwervingskunst zijn: het ervaren-zijn met betrekking
tot de levende have, namelijk welke (rassen) de meest winstgevende
zijn, en op welke plaats en met welke verzorging: bv. (te weten)
hoe men zich paarden moet aanschaffen, of runderen, of schapen, en
op gelijkaardige manier voor de rest van de dieren. Men moet
inderdaad bedreven zijn in het met elkaar vergelijken (van de
rassen om te weten) welke de meest winstgevende zijn, en welke op
welke plaatsen: de ene, immers, floreren in deze streek, de andere
in gene. Vervolgens ervaring met betrekking tot de landbouw
(geoorgía), en daarvan dan de akkerbouw zowel als de
(olijf- en wijn)gaarden, evenals de bijenteelt en die van de andere
dieren - vissen of gevogelte -, van al dewelke men een bijdrage (sc.
voor het levensonderhoud) kan bekomen.
1258b20 Dat zijn
derhalve de bestanddelen
(mória) en primaire elementen[89]
van de meest eigenlijke goederenverwervingskunst
[90].
(2) Van de op de ruil gerichte, anderzijds, is het belangrijkste
onderdeel de zeehandel (emporía). Daarvan zijn er drie
delen: rederij, vrachtvervoer en verkoop: daarvan verschilt de
ene van de andere doordat de ene veiliger is, de andere een
grotere opbrengst verschaft. Het tweede onderdeel vormt het lenen-tegen-interest (tokismós), en het derde de
huurarbeid (mistharnía): van deze laatste betreft de ene
(categorie) die van de mechanische (bánausos)
ambachtslui, de andere die van de ongeschoolden, die
uitsluitend met hun lichaam nuttig zijn. (3) Een derde soort van goederenverwervingskunst ligt tussen deze laatste en de eerste
- ze bevat inderdaad zowel elementen van de natuurlijke als van de
commerciële
-, en betreft alles wat (onttrokken wordt) aan de
aarde en aan de voortbrengselen van de aarde, die weliswaar
geen vruchten dragen maar toch nuttig zijn: zoals de houtkap en
elke vorm van mijnbouw (metalleutikè).
Deze laatste omvat dan weer vele categorieën, want van wat uit
de aarde ontgonnen wordt, zijn er vele soorten.
1258b33 Over elk van deze soorten van
verwerving zijn daarmee nu enkele algemeenheden gezegd; voor
elk onderdeel nog eens in detail te gaan zou weliswaar nuttig
zijn voor de praktische werkzaamheden, maar het getuigt van slechte
smaak om er lang bij te verwijlen.
1258b35 Van de werkzaamheden (ergasíai)
zijn zij de meest technische, waar toeval (túchè)
het kleinste aandeel heeft; zijn zij de meest mechanische (bánausos),
waarin de lichamen het meest verminkt worden[91];
zijn zij de meest serviele, waar het meeste gebruik wordt gemaakt
van het lichaam, en zijn zij de laagste waar het minst nood is aan
voortreffelijkheid.
1258b39 Aangezien sommigen (handboeken)
geschreven hebben over deze onderwerpen, zoals Chares[92]
van Paros en Apollodoros van Lemnos over landbouw - i.e.
akkerbouw zowel als olijf- en wijngaarden -, en evenzo ook
anderen over andere onderwerpen, dient al wie dit aanbelangt,
deze onderwerpen te bestuderen op basis van die geschriften.
Bovendien moet men een verzameling aanleggen van al wat her en der
mondeling verteld wordt over de (methode) waarmee sommigen erin
geslaagd zijn fortuin te maken. Dat alles is immers nuttig voor
al wie de goederenverwervingskunst hoogschat, zoals bv. het
verhaal over Thales van Milete: het betreft hier een idee om
geld te winnen, dat men aan hem toeschrijft wegens zijn wijsheid
(sophía)[93],
maar dat een algemene toepasbaarheid bezit.
1259a9 Omdat men hem verwijten
toestuurde wegens zijn armoede, namelijk als zou de filosofie (philosophía)
geen nut opleveren, zou Thales, zo wordt verteld, nadat hij had
opgemerkt, op basis van zijn astronomische kennis, dat de
olijvenoogst goed zou zijn, nog tijdens de winter met het beetje
geld waarover hij beschikte handgeld hebben gegeven op alle
olijfpersen in Milete en op Chios[94],
waarbij hij ze voor een luttel bedrag kon huren omdat er niemand
opbood; toen het seizoen dan was aangebroken, en er gelijktijdig
en plots vraag was naar vele persen, huurde hij ze uit tegen de
voorwaarden die hijzelf koos, en door veel geld te verzamelen
demonstreerde hij dat het voor filosofen
gemakkelijk is om rijk te worden,
als ze dat wilden, maar dat het hen niet daarom te doen is.
1259a18 Van Thales wordt dus verteld
dat hij op deze manier een demonstratie gaf van zijn wijsheid;
maar, zoals we zegden, een dergelijk idee om geld te verdienen is
algemeen toepasselijk, namelijk telkens iemand erin slaagt om voor
zichzelf een monopolie (monopolía) te fabriceren. Om die
reden verschaffen ook sommige staten (poleis) zich deze
bron van inkomsten, telkens ze gebrek hebben aan geld: ze
creëren dan een monopolie op de koopwaren. Op Sicilië, evenwel,
was er iemand die, nadat een som geld bij hem in bewaring was
gegeven, al het ijzer opkocht uit de ijzergieterijen; toen
dan, daarna, de handelaars arriveerden uit de factorijen (empória),
was hij telkens de enige om te verkopen, zonder dat hij de
prijsstijging overdreven hoog maakte; toch won hij honderd
talenten bovenop de vijftig. Toen Dionusios[95]
hierover dan geïnformeerd kwam, liet hij de man zijn geld
meenemen maar hij stond hem niet toe nog langer in Syrakuse te
blijven, vanuit de overweging dat de man een bron van
inkomsten had gevonden die schade berokkende aan zijn eigen
belangen. Toch zijn de inval van Thales en dit idee hier identiek:
beiden bedachten ze een middel om voor zichzelf een monopolie te
vestigen.
1259a33 Maar ook voor politici is het
nuttig deze methodes te kennen. Vele staten hebben immers nood
aan financiële middelen (chrèmatismós)
en zulke bronnen van inkomsten, net zoals het huishouden, maar nog
in hogere mate. Daarom dat onder degenen die in de politiek
staan, sommigen hun politieke activiteit daartoe beperken.
1259a37
12. Er waren drie delen, zegden we,
van de huishoudkunde: één dat de slavenheerschappij betreft en
eerder besproken is; een tweede van het vaderlijke gezag, en het
derde het echtelijke. (De huisheer) regeert immers ook over vrouw
en kinderen, in de zin dat het in beide gevallen weliswaar om een
heerschappij over vrijen gaat, maar dat de wijze van
heerschappij (archè)
niet dezelfde is: over de vrouw regeert hij op
politieke, over de
kinderen op koninklijke
wijze. Het mannelijke is immers van nature meer
geschikt voor het leiding-geven dan het vrouwelijke - tenzij waar
er een tegennatuurlijke situatie tot stand kwam -, en
hetzelfde geldt voor de oudere en volwassene ten overstaan van de
jongere en onvolwassene.
1259b4 In de meeste politieke regimes
(archaí), weliswaar, is er een afwisseling tussen
regeerder en geregeerde: (de leden ervan) pretenderen immers
naar natuur op voet van gelijkheid te staan en niets van elkaar te
verschillen. Desalniettemin, wanneer de ene dan regeert en de
andere geregeerd wordt, is de eerstgenoemde erop gesteld dat er
een onderscheid zou zijn, zowel in uiterlijke vormen, in
aanspreekwijzen als in eretitels - zoals ook Amasis
de uitleg gaf over het voetbad.[96] Welnu, het mannelijke verhoudt
zich permanent op die wijze tot het vrouwelijke[97].
1259b10 Het regime over de kinderen,
daarentegen, is koninklijk (basilikè):
de verwekker bezit immers gezag in hoofde van de affectie (philía)
zowel als in hoofde van zijn ouderdom[98],
wat precies de wezensvorm (eidos) is van de koninklijke
heerschappij. Homeros had daarom gelijk, wanneer hij de
aanspreking "vader van mannen en goden" gebruikte voor
Zeus, hun aller koning[99].
In natuur, immers, moet de koning (basileús) weliswaar
boven de rest uitsteken, maar naar afstamming (genos) moet
hij gelijk zijn, wat precies het geval is met de oudere ten
aanzien van de jongere en met de verwekker ten aanzien van het
kind.
1259b18
13. Het is dus zonneklaar dat de
huishouding zich méér beijvert om de mensen dan om het bezit aan
onbezielde dingen; zich meer bekommert om de voortreffelijkheid
(aretè)
van deze mensen dan om de voortreffelijkheid van het bezit die we
"rijkdom" noemen, en zich meer bekommert om die van de vrijen dan
om die van de slaven.
1259b21 In verband dan met de slaven
zou men zich allereerst kunnen afvragen of er, naast zijn
voortreffelijkheden als werktuig en dienaar, nog enige andere
voortreffelijkheid (aretè)
is van de slaaf die waardevoller is dan de voornoemde, zoals
matiging (soophrosúnè),
moed (andreía), rechtvaardigheid (dikaiosúnè)[100]
en alle andere zulkdanige (morele) gesteldheden, dan wel dat
er geen enkele andere is naast de lichamelijke diensten. In
beide gevallen zijn er problemen: gesteld, immers, dat er
inderdaad een (dergelijke morele voortreffelijkheid van de slaaf)
is, waarin zullen slaven dan nog verschillen van vrijen? En als
er géén is, is dat vreemd, aangezien zij mensen zijn en deel
hebben in de rede (logos)[101].
1259b28 Ongeveer dezelfde vraag stelt
zich ook in verband met vrouw en kind: namelijk of er ook van hen
voortreffelijkheden zijn, en de vrouw matig moet zijn en moedig
en rechtvaardig, en of het kind zowel losbandig als matig kan
zijn, of niet?
1259b32 Dit punt moet in het algemeen
onderzocht worden betreffende degene die van nature geregeerd
wordt en degene die regeert, namelijk of het (in beide gevallen) om
dezelfde voortreffelijkheid gaat, dan wel om een andere. Want
indien ze allebei moeten participeren in de hoedanigheden-van-de-gentleman (kalokagathía)[102],
waarom zou dan de ene eens en voor altijd moeten regeren, de
andere geregeerd worden? Want het onderscheid kan ook niet
louter een kwestie zijn van meer of minder: geregeerd-worden en
regeren verschillen immers naar wezensvorm (eidos), meer
of minder helemaal niet. Het zou echter verwonderlijk zijn als de
ene (die voortreffelijkheden) wél zou moeten bezitten, de andere
niet. Immers, als de regeerder niet matig en rechtvaardig zal
zijn, hoe zal hij dan goed regeren? Of, in het geval van de
geregeerde, hoe zal die dan goed gehoorzamen? Indien hij
losbandig is en laf, zal hij immers geen enkele van zijn
verplichtingen nakomen. Het is dus zonneklaar dat zij
noodzakelijkerwijs allebei moeten deel hebben in de
voortreffelijkheid, maar dat er daarvan verschillen (diaphoraí)
bestaan, zoals er trouwens ook verschillen zijn onder degenen die
van nature geregeerd worden[103].
1260a4 Dat is ook zonder meer (het
principe) dat ons leidt (bij onze studies) over de ziel[104]:
zij bevat immers van nature het regerende en het geregeerde,
waaraan we verschillende voortreffelijkheden toeschrijven, te
weten aan het deel dat de rede (logos) bezit, en aan het
redeloze (álogon) deel[105].
Het is duidelijk dat het ook met de andere (fenomenen) op
dezelfde wijze gesteld is, zodanig dat de meeste gevallen van
regeren en geregeerd-worden natuurlijk zijn. De vrije regeert
inderdaad op een andere manier over de slaaf dan het mannelijke
over het vrouwelijke en de (volwassen) man over het kind, en bij
iedereen zijn de zielsdelen aanwezig, maar ze zijn dat op een
verschillende manier. De slaaf, immers, bezit het overleggende
vermogen (to bouleutikón) helemaal niet; de vrouw bezit
het wel, maar het mist autoriteit, en ook het kind heeft het, maar
nog onvolgroeid (atelés).
1260a14 We moeten ervan uitgaan dat het
op gelijkaardige manier ook gesteld is met de morele
voortreffelijkheden (èthikaí
aretaí), namelijk dat iedereen er weliswaar deel
moet aan hebben, maar niet op dezelfde manier, maar slechts in
zoverre als voor elkeen (bevorderlijk is) met het oog op het
eigen werk (ergon)[106].
De regeerder (árchoon), daarom, moet de morele
voortreffelijkheid in haar volmaakte (gedaante) bezitten - het
werk komt immers in absolute zin toe aan de vakmeester (architéktoon)
en de rede (logos) is vakmeester -; elk van de anderen,
daarentegen, moet ze slechts bezitten in zoverre relevant is
voor hen.
1260a20 Het is bijgevolg zonneklaar dat
er een morele voortreffelijkheid is van al degenen die we
besproken hebben, en dat de matigheid van vrouw en man niet
dezelfde is, en evenmin hun moed en rechtvaardigheid, zoals Sokrates (verkeerdelijk) meende[107],
maar dat de ene moed het regeren betreft, de andere het dienen,
en evenzo is het gesteld met de andere voortreffelijkheden.
1260a24 Dat is ook duidelijk als we het
onderzoek meer in detail voeren. Inderdaad, degenen die algemene
definities geven, zoals: voortreffelijkheid is het zich-in-goede-staat-bevinden van de ziel[108],
of het correct-handelen (orthoprageîn)[109],
of iets van zulke aard, misleiden zichzelf. Veel beter,
inderdaad, dan zulke definities, is de aanpak van degenen die de
voortreffelijkheden opsommen, zoals Gorgias[110].
Daarom moeten we aanvaarden dat zoals de dichter het heeft
geformuleerd over de vrouw[111],
het op diezelfde wijze gesteld is met alle (categorieën),
namelijk:
"voor een vrouw is het zwijgen een sieraad", maar dat geldt
niét voor de man. Aangezien de knaap (pais) onvolwassen
(atelès)
is, is het duidelijk dat ook zijn voortreffelijkheid niet iets
van hemzelf is in relatie tot hemzelf, maar in relatie tot zijn
einddoel (telos) en zijn gids; op gelijkaardige manier
staat ook die van een slaaf in relatie tot zijn heer. Wij stelden
dat de slaaf nuttig is met het oog op de
levensnoodwendigheden[112],
bijgevolg is het duidelijk dat hij ook maar weinig
voortreffelijkheid van doen heeft, namelijk zoveel als hem belet hetzij
door losbandigheid hetzij door lafheid in zijn taken tekort te
schieten.
1260a36 Indien het zo juist gezegde
waar is, zou men zich kunnen afvragen of ook de ambachtslui (technítai)
(morele) voortreffelijkheid behoeven te bezitten: zij schieten
immers dikwijls door losbandigheid in hun taken te kort. Of
verschilt dat daarvan ten zeerste? De slaaf is immers een
levensgenoot, maar de ambachtsman staat verder weg, en er valt
hem slechts in zoverre voortreffelijkheid te beurt, als hem ook
slavernij te beurt valt: de ambachtelijke stielman (bánausos
technítès)
bezit immers een soort van begrensde slavernij. En ook behoort de
slaaf tot de (klasse van wezens) die van nature zijn (wat ze
zijn), maar geen enkele schoenmaker of andere ambachtsman
(verkeert in dat geval).
1260b3 Het is derhalve zonneklaar dat
voor de slaaf de meester de oorzaak moet zijn van zulke
voortreffelijkheid, maar niet degene die de slaaf kan instrueren
in zijn taken. Ongelijk hebben daarom degenen die aan de slaven
alle rede (logos) ontzeggen, en beweren dat we (tegenover
onze slaven) enkel bevelen mogen gebruiken[113]:
slaven moeten inderdaad nog méér vermaand worden dan kinderen.
1260b8 Maar laat de discussie over
die punten dan aldus gevoerd zijn. Over (de nog resterende, zoals
de relaties tussen) man en vrouw en kinderen en hun vader, en
over de voortreffelijkheid in verband met elk van hen en over hun
onderlinge omgang, wat goed is daaromtrent en wat niet, en hoe
men het goede moet nastreven en het slechte vermijden, daarover
moet gehandeld worden in de boeken over de constituties (politeíai).
Immers, aangezien elk huishouden een deel is van de polis, en de
voornoemde (relaties) delen zijn van het huishouden, en men de
voortreffelijkheid van het deel moet beschouwen in het licht
van die van het geheel, is het noodzakelijk bij het opvoeden van
de kinderen zowel als van de vrouwen de blik gericht te houden
op de constitutie - tenminste indien het goed-zijn van de
kinderen en het goed-zijn van de vrouwen enig verschil maakt
voor het goed-zijn van de polis. Maar het is noodzakelijk dat het
een verschil maakt: de vrouwen vormen immers de helft van de
vrijen, en uit de (sc. mannelijke) kinderen komen de
deelgenoten (koinonoí) aan de constitutie voort.
1260b20 Bijgevolg, aangezien hierover
ons standpunt is uiteengezet, en over de resterende punten
elders moet gesproken worden, laten we dan het huidige betoog, als
zijnde voltooid, terzijde schuiven en een nieuwe start maken, en
laten we allereerst een onderzoek voeren over al wie zich heeft
uitgesproken over de beste constitutie[114].
NOTEN:
(1]
D.w.z. een collectief, of gemeenschappelijk (koinón),
"goed" of einddoel (telos). Voor de verschillende
soorten van dergelijke doelstellingen van de verschillende
vormen van koinonía, zie
Nikomachische Ethiek (NE), VIII.9, 1160a8v. (cf.
infra).
(2]
Vgl. NE, III.4, 113a23-26: "moeten we dan
zeggen dat het (ware) goede weliswaar in absolute zin en in
waarheid het voorwerp vormt van ons willen (boúlèsis),
maar dat het voor ieder (particulier mens telkens) gaat om
het (voor hem) schijnbare goede? Bij de goede mens zal dat dan
het waarlijke goede zijn, bij de slechte het toevallige... ";
ook De anima, III.10, 433a27-30: "hetgeen een
beweging uitlokt is weliswaar altijd het object van een
verlangen (to orektón), maar dat laatste is ofwel het (ware)
goede of het schijnbare goede - niet eender welk goede, maar
het goede dat door handeling te realiseren is (to praktón
agathón). En van zulke praktische aard is datgene waarmee het
ook anders kan gesteld zijn (sc. dan het nu is]".
(3]
Vgl. Pol., VII.8, 1328a35-36: "de polis is een
soort van koinonia der gelijken, en wel ter wille van het
beste leven waartoe (de partners) bij machte zijn". In
contrast met het partiële belang van de particuliere
koinoníai, is het belang van de polis, als allesomvattende
koinonía, eveneens alomvattend, vgl. de reeds vermelde
passus in NE, VIII.9: "alle (soorten) koinoníai
zijn a.h.w. (organische) delen van de politieke koinonía...
Die andere koinoníai streven naar een belang dat particulier is: scheepslui bv. is het te doen om het
(gemeenschappelijke) belang op het vlak van de scheepstocht,
met het oog op het geld-maken of iets dergelijks;
strijdmakkers, dan weer, om dat van de oorlog, uit verlangen
naar geld of naar de overwinning of (de verovering van) een
polis; en op gelijkaardige manier ook voor de leden van een
stam (phulè)
of een gemeente (dèmos).
Sommige koinoníai, dan weer, schijnen te ontstaan om het
genoegen (hèdonè),
zoals religieuze genootschappen (thíasoi) en vriendenkringen
(éranoi): ze zijn er immers ter wille van offerfeesten en het
gezellig samenzijn. Maar zij allemaal, zo lijkt het, vallen
onder de politieke koinonía: de politieke gemeenschap,
immers, beoogt niet het belang van het ogenblik, maar dat voor
het gehele leven...".
(4]
Sc. Platoon: zie diens Politicus (of: Staatsman),
258E8-259A5: "Zullen we dus de politicus ook als koning,
slavenmeester en tevens als huisheer vereenzelvigen, en al deze
benamingen als één (fenomeen) beschouwen, of zullen we stellen
dat zij even zovele kunsten vormen als wij namen gebruiken?...
Dus is het duidelijk - het was de vraag die we daarnet
onderzochten - dat er omtrent al deze (bestuursvormen)
éénzelfde wetenschap is. En of iemand die nu de naam geeft van
koninklijke of politieke of huishoudkunst, maakt voor ons
niets uit".
(5]
Ook Aristoteles, nochtans, in NE, X.9, 1180b1v.,
in het kader van de opvoedende taak van huisvader én wetgever,
minimaliseert het verschil tussen het huishoudelijke en het
politieke niveau op veruit gelijkaardige manier: "... en het
maakt al evenmin verschil of het gaat om (educatieve
maatregelen) waardoor één (persoon) of velen moeten opgevoed
worden... Want zoals in de poleis de wettelijke voorschriften en
zeden van kracht zijn, zo hebben in de huishoudens de uitspraken
en gewoontes van de vader gelding... En wellicht moet degene die
mensen, hetzij velen hetzij weinigen, door zijn verzorging beter
wil maken, trachten een wetgever te worden..".
(7]
Vgl. NE, VIII.12, 1162a17-25: "Naar zijn
natuur, immers, is de mens eerder een wezen dat op paarvorming
gericht is (sunduastikón), dan op polisvorming (politikón),
namelijk
in de mate dat het huis oorspronkelijker en noodwendiger is dan
de polis, en het de verwekking van kinderen is die de mens het
meest gemeen heeft met de dieren. Voor de overige dieren reikt
de gemeenschap (koinonía) slechts zover, maar de mensen wonen
niet enkel samen ter wille van de kinderverwekking, maar ook
voor alles wat nodig is voor het levensonderhoud (bíos): de
taken zijn immers onmiddellijk verdeeld, en die van de man (anèr)
verschillen van die van de vrouw (gunè);
ze staan elkaar terzijde doordat ieder van beiden de eigen
gaven in de gemeenschap brengt";
ook Eudemische Ethiek
(EE), VII.10, 1242a22v.; en De anima, II.4,
415a26v.: "Het meest natuurlijke werk, voor alle levende
wezens die voleindigd zijn en geen gebreken vertonen, of niet
door spontane generatie ontstaan, bestaat erin een ander wezen
voort te brengen van dezelfde aard als zichzelf, het dier
namelijk
een dier en de plant een plant, ten einde zoveel als ze
kunnen, deelachtig te zijn aan het eeuwige en goddelijke; alle
wezens, inderdaad, hebben daarnaar een verlangen en ter wille
daarvan stellen ze al hun natuurlijke handelingen".
(8]
Vgl. De Partibus Animalium, 683a22.
(9]
Maar vgl. Politica VII.8, 1323a5: ook bij de arme
Grieken worden vrouw en kinderen als knechten gebruikt, namelijk
"wegens de afwezigheid van slaven".
(10]
In Pol., III.14, 1285a19-22, luidt het als volgt:
"Wegens het feit dat de barbaren in hun gezindheid (êthos)
slaafser zijn dan de Grieken, en de barbaren die Azië bewonen
nog eens in hogere mate slaafser zijn dan degenen die in
Europa wonen, dulden zij een despotisch regime (despotikè
archè)
zonder morren".
(11]
Euripides, Iphigeneia in Aulis, v. 1400.
(12] I.e. Werken en Dagen, v. 405. Maar in Hesiodos'
tekst wordt met "vrouw" in werkelijkheid een slavin
bedoeld, die de ploegos moet drijven.
(13] van Katane, op Sicilië: beroemd, legendarisch wetgever,
vermoedelijk 6de eeuw vK. Zie Aristoteles' eigen bespreking
ervan in Politica II, 1274a22-b8.
(14]
Legendarische figuur: ziener, sjamaan en wonderdoener,
die volgens Platoon ca 500 in Athene verbleef.
(15] Vgl. Platoon, Wetten, VI, 775E5-776B4. Het Griekse
woord "apoikía" werd normaal gebruikt voor emigraties, d.w.z. "kolonies" die door een "metropolis" waren uitgezonden.
(16]
Cf. Platoon, Wetten, III, 681B5-6.
(17]
Cf. Platoon, o.c., 680E1-4.
(18] Homeros, Odyssea, z. 9, vv. 114-5, over de
Kyklopen. De passus wordt integraal geciteerd in Platoons
"zondvloedverhaal", Wetten, 680B5-8: "Zij hebben
geen deliberatieve vergaderingen of wetten, | maar ze leven
op de toppen van de hoge bergen | in gewelfde holen; ieder stelt
de wet | aan kinderen en echtgenotes, zonder zich om elkaar
te bekommeren". Zie ook Aristoteles, NE, X.9,
1180a27, spottend i.v.m. de democratie (supra).
(19]
Vgl. De Generatione Animalium, 760a34: "met het
getal drie bereikte de genese de eindmeet".
(20]
Vgl. Aristoteles' bespreking van de verschillende
betekenissen van "phúsis" in Physica, II.1,
192b8-193b21.
(21]
Vgl. De anima, I.1, 403b3-5: "van een huis
bestaat de wezensdefinitie (logos) hierin, dat het beschutting
biedt ter voorkoming van vernietiging door stormwinden,
regenvlagen en hittegolven".
(22]
De zgn. doeloorzaak, het einddoel/doeleinde, waarop een
proces/beweging gericht is en met de realisatie waarvan het
proces voltooid of voleindigd is.
(23] Deze beroemde definitie bv. ook in NE, I.7,
1097b11; en ibid., IX.9, 1169b16-19 (i.v.m. de onmisbaarheid van
vrienden, ook voor wie eudaímoon is): "want de mens is
een politiek (wezen) en van nature gericht op samenleven"
(vgl. ook Aristoteles' verdediging van de opvatting dat, in
nog hogere mate dan bij dieren, philía, of vriendschap,
deel uitmaakt van de menselijke natuur, ibid.,
VIII.1,1155a5-31). Zie ook Pol., III.6, 1278b19-23:
"dat van nature de mens een poliswezen is. Daarom dat zij, ook
als ze geen enkele nood hebben aan elkanders hulp, zij toch niet
minder hunkeren naar het samenleven; desalniettemin is het ook
het gemeenschappelijk belang dat hen samenbrengt...".
(24]
Zie over deze "anthropologische" situering van de mens
tussen goden en dieren, nog infra, 1253a29.
(25] Homeros, Ilias, z. 9, v. 63. De woorden stammen in
feite van (de wijze) Nestoor, die het over de
"oorlogszuchtige" heeft.
(26] Vgl. Historia Animalium, I.1, 487b33-488a12:
"politiek" noemt Aristoteles daar alle dieren die niet
enkel samenleven, maar ook samenwerken aan een collectieve taak
(bv. maken van honig, in het geval van de bijen).
(27] Vgl. bv. ook Isokrates, Antidosis,
''
253-257, en Nikokles,
§ 5v.
(28] Vgl. De anima, 420b32 (de phonè
als een "semantisch" geluid); De Generatione
Animalium, 786b21 (phonè
als húlè
van de logos).
(29] Vlg. Phys., 261a14: "wat naar zijn ontstaan
laatst is, komt naar zijn natuur eerst".
(30] I.e. individuen : polis = ledematen :
lichaam.
(31] Vgl. Platoon, Politeia, II, 369B5-7: "de polis
ontstaat, naar ik meen, omdat het lot wil dat ieder van ons
(mensen) niet-autarkisch is, maar integendeel behoeftig is op
velerlei gebied...".
(32] Vgl. met NE, VII.1, 1145a25-27, waar op analoge
manier de mens wordt afgebakend t.a.v. goden en dieren, maar dan
door zijn morele ingesteldheid (hexis): "net zomin als
er van het dier (thèríon)
een morele ondeugd (kakía) of voortreffelijkheid (aretè)
is, zo al evenmin van de godheid: van de laatstgenoemde is de
(gesteldheid (hexis)) verhevener dan de voortreffelijkheid, van
eerstgenoemde behoort ze tot een andere categorie dan de
ondeugd".
De vraag of er bij de goden sprake kan zijn van
(menselijke) morele voortreffelijkheden als rechtvaardigheid,
moed en matiging, wordt ook in bk X.8 van de NE,
1178b8v., negatief beantwoord.
(33] Vgl. Platoon, Wetten VI, 766A1-4.
(34] Vgl. Pol., III.12, 1282b16: "het
recht(vaardige) (díkaion) is het goede op het niveau van de
polis (politikón), en stemt overeen met het gemeenschappelijke
belang".
(35] Dikaiosúnè,
i.e. (de deugd van) rechtvaardigheid. Aldus de uitgave van Ross;
in de handschriftelijke overlevering lezen we "díkè",
i.e. recht, en deze lezing wordt behouden in de uitgave van Dreizehnter. Vgl. NE, V.6, 1134a31-32:
ἡ γὰρ δίκη κρίσις τοῦ
δικαίου καὶ τοῦ ἀδίκου.
(36] I.e. Platoon, cf. supra, kap. 1.
(37] Vgl. De anima, III.8, 432a1-2: "ook de hand,
immers, is een werktuig voor werktuigen (órganon orgànoon)...".
(38] De mythische bouwer van het labyrinth op Kreta. Volgens
Aristoteles, De anima, 406b18, vervaardigde hij een
houten beeld van Aphrodite dat, dank zij "vloeibaar zilver",
i.e. kwik, kon bewegen.
(39] Cf. Homeros, Ilias, z. 18, v. 376.
(40] I.e. in tegenstelling tot de hand, die, wanneer
gescheiden van haar bezitter, haar functie als werktuig, of
"orgaan", verliest. Cf. supra, kap. 2, 1253a22.
(41]
Of: (over)heersen, Grieks: árchein, cf. archè,
heerschappij.
(42] D.w.z. ook in een toonladder is er een leidende noot die
een soort van orde oplegt aan de andere. Zie (Aristoteles),
Problemata, 920a19-23, b7-15, 922a22-27.
(43] I.e. "despotisch". Vgl. Platoon, Phaedo,
79E8-80A2: "wanneer ziel en lichaam
verenigd zijn, legt de natuur aan laatstgenoemde op slavendienst
te doen en geregeerd te worden, aan eerstgenoemde geeft ze de
opdracht te regeren en slavenmeester te zijn".
(44]
Zo Ross; de handschriften en Dreizehnter geven: καί,
"en".
(45] Vgl. NE, I.13, 1103a1-3 (relatie van kind tot
vader); ibid., V.11, 1138b5-13, wordt dezelfde relatie tussen
het redelijke en niet-redelijke zielsdeel gekarakteriseerd als
"despotisch of oikonomisch".
(46] Vgl. de beruchte passus in Historia Animalium, I,
608a21-b15, over de karakteriële verschillen tussen de twee
geslachten.
(47]
Vgl. hiermee de discussie in Platoons Wetten, VI,
776E4-778A5, met citaat uit Homeros' Odyssea, z. 17, vv.
322-323: "wijdblikkende Zeus ontneemt hen de helft van hun
verstand (nous), de mannen die de dag van de slavernij in zijn
macht krijgt". Zie ook verder, kap. 13.
(48]
Vgl. De Partibus Animalium, 686a27: "als enige
der dieren loopt de mens rechtop wegens het feit dat zijn natuur
en zijn wezen goddelijk zijn; taak van het meest goddelijke is
het denken en verstandig-zijn".
(49]
Vgl. Xenophoon, Cyropaedia, 7.5.73.
(50]
Een zgn. graphè
paranómoon.
(51]
Zoals vereist is, indien de mens werkelijk "gelukkig" (eudaímoon)
wil
zijn, cf. Aristoteles' definitie in NE, I.10,
1101a14-16: "... diegene gelukkig te noemen, die actief is
overeenkomstig de volledige voortreffelijkheid (aretè)
en in voldoende mate toegerust is (kechorègèménon)
met externe goederen, niet voor een toevallige periode maar
in een volledig leven";
zie ook Pol., VII.1, 1323b40-1324a2: "dat de beste
levenswijze, ..., deze is die gepaard gaat met een dusdanig
toegeruste voortreffelijkheid dat men in staat is deel te
hebben in de handelingen die de voortreffelijkheid vraagt".
(52] Ofwel: "dat het recht dwaasheid is", als we
tenminste, met Ross, het overgeleverde eúnoia corrigeren
in ánoia. Voor dergelijke cynische visie op het recht,
vergelijk sofist Thrasumachos in Platoon, Politeia
I, 348C12: "(rechtvaardigheid) is pure onnozelheid (euètheia)";
ten gunste van de lezing eúnoia, anderzijds, kan bv.
verwezen worden naar Xenophoon die het idee verdedigt dat de
heerser op zulke wijze moet regeren dat hij door
respect af te dwingen de vrijwillige gehoorzaamheid
verkrijgt van zijn onderdanen, cf. Memorabilia
I.2.10; Cyropaedia 3.1.28; 8.2.4. Voor Aristoteles'
visie op "eúnoia", namelijk als voorwaarde voor, en
"aanzet tot vriendschap" (archè
philías), zie o.m.
NE, VIII.2, 1156a3-5, en, vooral, ibid., IX.5,
1166b30-1167a21. In deze laatste passus merkt hij op dat "in
het algemeen, eúnoia ontstaat door een of andere
voortreffelijkheid (aretè)
en goedheid (epieíkeia), wanneer iemand ons (bv.) als schoon
(kalós), dapper of iets dergelijks toeschijnt..." - wat precies het uitgangspunt is dat noodzakelijk lijkt, wil
er sprake kunnen zijn van een "overlappen" van het
standpunt van de "kritische juristen" met dat van de
pleitbezorgers van het oorlogsrecht. Wat nog de vertaling
betreft van eúnoia, de traditionele vertaling
"welwillendheid" (Latijn: "benevolentia") wekt ten
onrechte de indruk dat het om een wilsfenomeen gaat; in
werkelijkheid wijst het Griekse woord (cf. nous) op een
cognitieve akt of relatie, namelijk het "erkennen van iemands
(morele) waarde" en het (daarom) hebben van een "goede/positieve
dunk" van iemand. "Goede verstandhouding" zou ook een
mogelijkheid zijn. Zie hierover P.Hadreas (1995).
(53] Vgl. natuurlijk de figuur Kallikles in Platoons
Gorgias, 483D2-6.
(54] Tragicus en rhetor uit de 4de eeuw, fr. 3 Nauck².
(55] Vgl. daartegenover Platoon, Wetten, VI, 757A1:
"slaven en meesters kunnen nooit vrienden worden". Ook
Aristoteles zelf, in de NE, VIII.11, 1161a32v., stelt
dat er in eerste instantie - net zo min als t.a.v. je
werktuigen of dieren ("een paard of een stier")
- t.a.v.
je slaaf, áls slaaf, geen sprake kan zijn vriendschap: "men
heeft immers niets gemeenschappelijk (koinón): de slaaf is een
bezield werktuig en het werktuig een onbezielde slaaf. Dus, in
zoverre hij slaaf is, is er (met hem) geen vriendschap mogelijk"...
Maar Aristoteles voegt daar onmiddellijk aan toe: "maar ze is
wél mogelijk in zoverre hij mens is. Want er blijkt wel
degelijk voor ieder mens een of andere rechtsverhouding te
bestaan t.a.v. iedereen die in staat is deel te hebben aan wet
of overeenkomst (sunthèkè);
bijgevolg is ook vriendschap mogelijk, in de mate dat (de slaaf)
mens is". Cf. ook zijn
beknopte definitie van philía, NE, VIII.2,
1156a3-5, namelijk dat "[vrienden) weldunkend moeten zijn (eunoeîn)
t.a.v. elkaar en voor elkaar het goede moeten willen, op een
openlijke manier en om één van de voornoemde redenen (namelijk het
goede, het nuttige of het aangename]".
(57] Cf. het citaat uit Platoons Politicus, geciteerd
hoger, kap. 1.
(58] Cf. fr. 53 Kock, uit de comedie "De Pankratiast"
van Philemoon (4de eeuw).
(59] Vgl. Pol., VII.3, 1325a25.
(60] Vgl. Magna Moralia, I.35, 1198b12v., waar de
morele verstandigheid (phrónèsis)
beschreven wordt als een soort van "epítropos" van de
wijsheid (sophía): "hoewel hij alles leidt, regeert hij
daarom nog niet over alles, maar hij zorgt slechts voor vrije
tijd (scholè)
voor zijn meester (despótès),
om te vermijden dat deze laatste, gehinderd door de
levensnoodwendigheden, zou uitgesloten worden van het stellen
van schone en passende handelingen".
(61]
ie ook infra, kap. 8, en Pol. VII.14 , 1333b38v.
(62]
Voor Aristoteles' theorie over bezit, rijkdom en
eigendomsrecht zie ook Rhetorica, I.5, 1361a12-24
(rijkdom als "deel" van de eudaimonie); Pol., II .5,
1262b37v. (verdediging van een vorm van privaat eigendomsrecht
tegen Platoons zgn. "communisme"); en Pol., VII.9-10
(eigendomsrecht als een afgeleide van de politieke rechten).
(63] Het woord "chrèmata"
(meervoud van chrèma)
was in de klassieke periode het meest gangbare woord voor geld
(naast nómisma), maar het bleef tegelijkertijd zijn
oudere en bredere betekenis bewaren van "(gebruiks)goederen"
of "bezittingen", die weliswaar eventueel "ten gelde" konden
worden gemaakt, sc. als "waren"; cf.
Aristoteles, NE, IV.1, 1119b26: "'chrèmata'
noemen wij alles waarvan de waarde wordt gemeten in geld (nómisma)".
Wat Aristoteles' gebruik ervan in dit onderdeel betreft,
samen met dat van de term "chrèmatistikè"
verschuift het van "gebruiksgoederen" naar "monetaire
goederen", d.w.z. geld.
(64]
Over de vermiparen en oviparen, zie De Generatione
Animalium, 732a25-32.
(65] De punctuatie van Dreizehnter levert de volgende zin:
"dat de planten en zo ook de overige dieren er zijn ter wille
van de dieren, terwijl ten gerieve van de mensen er enerzijds de
tamme dieren zijn...".
(66] Cf. De Generatione Animalium, 715b14: "de
natuur mijdt het onbegrensde (ápeiron); het onbegrensde is
immers onvoleindigd (atelés), en de natuur zoekt altijd het
télos".
(67] Vgl. Pol., VII.14, 1333a21-23: "het lagere is
er altijd ter wille van het hogere - dat is even evident in
artificiële als in natuurlijke fenomenen".
(68] Voor Aristoteles' visie op de "rechtvaardige oorlog", zie
ook de passus in Pol., VII, 1333b38v., zie hoger, n. 46.
(69] Cf. supra, hoofdstuk 4,
' 6.2, over de zgn.
liturgieën en het euërgetisme.
(70] Cf. Aristoteles' verloren werkje "Over rijkdom",
dat vermoedelijk over de ethische aspecten van rijkdom handelde.
(71] Soloon, fr. 13, v. 71 West.
(72] Vgl. Eudemische Ethiek, III.4, 1231b38v.: "We
spreken op tweevoudige manier over 'goederen' (chrèmata)
en 'goederenkunde'. De ene betreft het gebruik van het eigendom
op zich, bv. van schoeisel of een mantel; de andere is
weliswaar accidenteel (katá sumbebèkós),
maar toch niet op zulke manier als indien men de schoen als
lengtemaat zou gebruiken, maar wel bv. de verkoop of de verhuur
ervan: dan wordt de schoen immers gebruikt (sc. als schoen]".
(73]
Ze waren m.a.w. niet langer "broodtrommel-", of
"troggenoten", cf. supra, kap. 2.
(74]
Vgl. Aristoteles' alternatieve "geldtheorie" in NE,
V.5, supra.
(75]
Cf. NE, V.5, 1133a30-31: "om die reden heeft
het de naam van 'geld' (nómisma), omdat het niet door natuur
maar door 'gelding' (nómooi) bestaat, en het in onze macht ligt
om het te veranderen en waardeloos te maken".
(76]
Midas, koning van Phrygië, had, uit dankbaarheid voor
zijn gastvrijheid t.a.v. diens volgeling (sater) Silenos,
van god Dionusos een wens mogen doen. Eens toegestaan, werd de
wens een vloek: niet alleen Midas' eten en drinken veranderde
systematisch in goud, maar ook zijn dochter werd, na omhelzing,
een gouden beeld. Uit medelijden werd hij door Dionusos bevrijd
van zijn macht (hij moest baden in de Paktolosstrooom, die
sedertdien goudzand meevoerde). In de lexica wordt een
onderscheid gemaakt tussen de mythische Midas en een
historische koning van Phrygië (738-696). Deze laatste huwde de
dochter van de koning van (het Griekse) Kumè,
dochter die als eerste munten liet slaan in haar geboortestad...
(cf. Herakleides, in: Jacoby, FrHG, II.216; Pollux,
9.83).
(77] De Cynici (Kunikoí)? Cf. de latere stichter van de Stoa,
Zenoon van Kition, in wiens ontwerp voor een ideaalstaat, de Politeia,
het geld werd afgeschaft (zie D.L. VII.33).
(79] Ik lees "
ἀλλ' ἤ",
samen met de codices en Dreizehnter; Ross verkiest, samen met de
Latijnse vertalingen,
ἀλλά.
[80] Ik volg de tekst van Dreizehnter, die de tekst van de
handschriften volgt; Ross verkiest de correctie van Bernays,
namelijk αὖ
in
plaats van oὐ.
[81] Want is louter een middel of "werktuig", sc. voor de
praxis.
(82]
dunámeis, i.e. zowel kundigheden (technai)
als morele voortreffelijkheden (aretaí). Vgl. Platoon,
Politeia, I, 341C4-7: "de geneesheer in de strikte
zin... is dat een zakenman (chrèmatistès)
of iemand die zieken verzorgt? Ik bedoel dus wel de echte
geneesheer, denk erom".
(83] Vergelijk Marx' gelijklopende beschouwingen over het
aliënerend effekt van de geldeconomie, in zijn
Ökonomisch-philosophische Manuskripte (1844), MEW,
Ergänzungsbd., 1.Teil (1968), pp. 565-567: "Die
Verkehrung und Verwechslung aller menschlichen und natürlichen
Qualitäten... Wer die Tapferkeit kaufen kann, der ist tapfer,
wenn er auch feig ist... Setze den Menschen als
Menschen und sein Verhältnis zur Welt als ein menschliches
voraus, so kannst du Liebe nur gegen Liebe austauschen,
Vertrauen nur gegen Vertrauen etc...
(84] Cf. kap. 8, 1256a4 : daar was weliswaar geen sprake van
de politikos, maar zie de syllabus, hfst. 4,
' 6.2, over de mate van
"eenheid" tussen oikía en polis. Wel druist dergelijke
gelijkstelling (die we ook elders ontmoeten) klaarblijkelijk in
tegen het principiële onderscheid dat Aristoteles juist wil
maken tussen, o.m., de rol van de oikonomikós en die van
de politikós, cf. supra, kap. 1, (2].
(85]
Opnieuw wordt het "politieke" niveau gekoppeld aan het
huishoudelijke (NB in Athene droegen de hoogste magistraten
de titel van "archont").
(86]
Cf. supra, kap. 8, 1256b10v.
(87]
Volgens Van Dale Zuidnederlands voor "rente".
(88] Aristoteles maakt allicht een allusie op het in Athene
gangbare gebruik van de patroniemen ter identificatie: eigennamen van burgers
werden steevast gevolgd door de naam van de vader in de
genitief (zodat het Atheens burgerschap van de betrokkene
bevestigd werd). De absurditeit van deze "vader-zoonrelatie"
toegepast op geld moet de tegennatuurlijkheid van de geldhandel
in het licht stellen. Voor de vertaling volg ik de tekst van
Dreizehnter, die het voorzetsel
"ek" ("uit")
schrapt.
[89]
πρῶτα,
codd. en Dreizehnter; πρώτης Ross.
[90] Platoons polis in De Wetten, die verzaakt aan alle
maritieme import en export, voorziet als enige "productieve"
beroepscategorieën onder de burgers: landbouwers, herders en imkers,
cf. Wetten, VIII, 842D2-E1 ("de wetgever in onze staat
is immers grotendeels verlost van alles wat te maken heeft met
rederij, handelsverkeer, kleinhandel, hotel- en
restaurantbedrijf, tolpacht, mijnbouw, geldleningen, rente op
rente, enz.").
(91] Cf. Hesuchios:
βαναυσία: πᾶσα τέχνη διὰ πυρός,
"elke kunst die met
vuur werkt". Cf.
Xenophoon, Oeconomicus, 4.2: "de
zogenaamde banausische kunsten staan in een
slechte roep en worden bovendien volkomen terecht door de
polissen misprezen. Zij verminken immers geheel en al het
lichaam van de werkers en hun opzichters, doordat ze hen
verplichten altijd neer te zitten en en in de schaduw
binnenshuis te verblijven; sommige zelfs om de gehele dag bij
het vuur door te brengen. Aangezien hun lichaam verwijfd
wordt [!], wordt ook hun psyche veel zwakker".
(92] Ross volgt Susemihl en drukt Charetides als naam. Het
gaat alleszins om een tijdgenoot van Aristoteles, net zoals
Apollodoros van Lemnos (deze laatste wordt als
"landbouwspecialist" o.m. geciteerd in Varro's De re
rustica).
(93] Door de Romein Plinius wordt deze "demonstratie" aan
Demokritos toegeschreven, met dezelfde motivatie, zie N.H.,
XVIII.273.
(94] Milete en Chios behoorden beide tot de Ionische
confederatie en tussen beide bestonden er klaarblijkelijk
nauwe banden. Zie Herodotos, Historiën, I.18; VI.3.
(95]
De tyran van Syracuse.
(96] Cf. Herodotos, Historiën, II.172: de Egyptische
pharao Amasis (6de eeuw), ten einde degenen die hem zijn lage
afkomst verweten, de mond te snoeren, liet een voetbassin hergieten
tot een godenbeeld dat vervolgens door de Egypten vereerd werd.
(97] In NE, VIII, 1160b32v., 1160a22v. en 1161a22v.,
typeert Aristoteles de man-vrouwrelatie als "aristokratikè",
wat niet in tegenspraak is met deze passus, maar impliceert dat
de mannelijke heerschappij gebaseerd is op een superioriteit
in morele voortreffelijkheid (aretè).
Het gebruik van de kwalifikatie "politiek" m.b.t. de
man-vrouwrelatie moet hoedanook overdrachtelijk worden begrepen:
cf. NE, V.6, 1134a26-b18, waar Aristoteles opmerkt dat
er inderdaad een rechtsverhouding bestaat tussen de man en
zijn vrouw (tussen dezelfde man en zijn slaven en kinderen
geldt dat in veel mindere mate, aangezien zij a.h.w. "een
deel van hemzelf" zijn), maar dat dat recht niet zozeer
"politiek" (zeg maar: burgerlijk) als wel
"huishoudelijk" (oikonomikón, zeg maar: familiaal) van aard
is.
(98]
Vgl. NE, X.9, 1180b5-7: "(de voorschriften van
de vader in het huishouden hebben, vergeleken met de wetten in
de polis, des te meer gelding) vanwege de bloedverwantschap en
de bewezen weldaden: al van bij de aanvang, immers, koesteren
(kinderen t.a.v. hun vader) een natuurlijke genegenheid en
gehoorzaamheid".
(99]
Zie Ilias, z. 1, v. 144.
(100] Aristoteles beperkt zich tot het uitdrukkelijk vermelden
van slechts drie van de vier zgn. kardinale deugden die Platoon in de Politeia had centraal gesteld (de vierde is
die van de sophía, of wijsheid).
(101] Vgl. supra, kap. 5, 1254b22.
(102] Aristoteles formuleert de vraag bewust zo paradoxaal mogelijk:
kalokagathía, als de alomvattende voortreffelijkheid
van de gentleman, is precies de deugd waarvan slaven, vrouwen
en kinderen het verst verwijderd zijn. Zie daarover het slot
van de Eudemische Ethiek, VII.15.
(103] Ik volg hier nogmaals Dreizehnter (en de codices). Ross
drukt het actieve "archóntoon".
(104] Nogmaals de tekst van Dreizehnter; Ross voegt, op
voorstel van Schütz, τὰ toe vóór
περὶ τὴν ψυχὴν.
(105] namelijk respectievelijk de zgn. "intellektuele deugden" (dianoètikaí
aretaí) - zie NE,
bk. VI -, en de zgn. "morele deugden" (èthikaí
aretaí), zie bken II-V
van de NE.
(106] Cf. de formulering van (de sofistenleerling) Menoon in
Platoons Meno, 72A2-4: "...voor ieder van ons (sc.
mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, vrijen en slaven)
bestaat de voortreffelijkheid, naargelang van iedere
handeling of leeftijd, met het oog op ieders werk".
(107] Zoals nogmaals in de Meno, 73B3v.: "Beiden, man
en vrouw, hebben dus hetzelfde nodig, als het de bedoeling is
goed te zijn, namelijk rechtvaardigheid en matigheid... En verder,
wat kind en grijsaard betreft, kunnen zij ooit goed worden, als
ze losbandig en onrechtvaardig zijn?... Dus zijn alle mensen op
dezelfde wijze goed: ze worden namelijk goed door deel te krijgen aan
dezelfde (eigenschappen]... Zeer zeker zouden ze niet op
dezelfde wijze goed zijn, mochten ze niet dezelfde
voortreffelijkheid bezitten", enz.
(108] Vgl. Platoon, Politeia, IV, 444D13v.: "[Analoog
aan de gezondheid van het lichaam], zal de voortreffelijkheid
dus wel een soort van gezondheid en schoonheid en goede staat (euexía)
van de ziel zijn...".
(109] "Orthopraxie", dus; vgl. Platoon, Charmides,
171D1v.; Meno, 97B9v., e.a.
(110] Allicht een verwijzing naar dezelfde passus in de Meno,
geciteerd hoger, n. 89 (Menoon was een leerling van de sofist
Gorgias).
(111]
Sophokles, Aiax, v. 293.
(112]
Cf. supra, kap. 5, 1254b25.
(113]
Cf. Platoon, Wetten, VI, 776E4-778A5, cf.
777D3-778A5: "De behandeling van (slaven) zal erin bestaan
dat we geen enkele brutaliteit (hubris) begaan tegen onze
knechten maar dat we ons tegenover hen, zo mogelijk, nog
minder onrecht veroorloven dan tegenover onze gelijken... Wel
moeten we, waar het recht dat vraagt, slaven tuchtigen en we
mogen hen niet verwaand maken door hen te vermanen, zoals dat
met vrije mensen gebeurt. De aanspreking van een knecht moet zo
goed als uitsluitend beperkt blijven tot het geven van
bevelen, waarbij er onder geen enkel beding grapjes mogen
gemaakt worden met knechten, dus noch met vrouwelijke noch met
mannelijke. Want het is juist door het huldigen van dergelijk
(houding) tegenover slaven, waardoor ze hen verwaand maken, dat
vele mensen op een wel heel onverstandige manier het leven
lastiger plegen te maken, zowel voor de slaven om te
gehoorzamen, als voor zichzelf om te gebieden".
(114]
Is een verwijzing naar Politica II.
|
* PS 1. Deze (licht herwerkte) vertaling vergezelde de syllabus, "Phusis
& Polis", Aristoteles' Praktische Filosofie, UGent, 3de
herwerkte uitgave, Gent 1996. Zij is gebaseerd op de tekstuitgaven
van W.D.Ross, Aristotelis Politica (Oxford 1964) en van
A.Dreizehnter, Aristoteles Politik, München 1970. In de
Verantwoording van voornoemde syllabus schreef ik o.m.: "(Ik)
heb gestreefd naar een vertaling die zoveel mogelijk recht doet aan
de Griekse, vaak weinig sierlijke zinsconstructie. Ten einde de 'barbaroi'
onder ons zo weinig mogelijk op het verkeerde been te zetten, wat de
Nederlandse terminologie betreft, heb ik - telkens dat relevant leek
- Nederlandse woorden die de zin van het Grieks weergeven, maar niet
als zodanig in de Griekse tekst zijn terug te vinden, tussen...
haakjes geplaatst". Voor een ruimer commentaar bij de
inhoud van Aristoteles' tekst, zie voorlopig ook reeds de bijdrage:
"Rationaliteit en Racisme: het Griekse Model",
op deze site.
Zie ook de (selectieve) vertaling van Ethica Nicomachea
(boeken I, V en X) op deze site.
PS 2. Eerder spaarzaam, werden belangrijke Griekse termen, behalve
in transcriptie, ook in Grieks alfabet in de teksten opgenomen. Om alle letters, ook
die met diakritische tekens, correct op het scherm te krijgen,
volstaat het dat je op je pc beschikt over het ttf-lettertype, "Palatino
Linotype", dat onder meer alle nodige (oud-)Griekse teken(combinatie)s
bevat. In Windows is dit lettertype standaard aanwezig vanaf Windows
2000. Mocht je het, om een of andere reden, niet geïnstalleerd
hebben, kan je je het font aanschaffen (tegen betaling) via URL:
http://www.linotype.com/57056/palatinolinotype-family.html .
|
|