"PHUSIS & POLIS": ARISTOTELES' PRAKTISCHE FILOSOFIE

door Herman De Ley*

• Inhoudstafel • CIE-Index •

 ETHICA NICOMACHEA: Selecties

Boek I, §§ 1-6+ Boek V, §§ 1-8+ Boek X, § 5

 

Boek   I ,   §§   1-6

(politiek en het menselijke goede)

 

1094a1               1. Alle kunst (téchnè) en alle onderzoek (méthodos), en evenzo (iedere) handeling (praxis) en keuze (proaíresis) streven, zo dunkt het, naar een of ander goed (agathón); terecht, daarom, heeft men het goede (to agathón) bestempeld als hetgene waar alles naar streeft. Onder de einddoelen (télè), evenwel, lijkt er een zeker verschil te bestaan: de ene inderdaad zijn werkzaamheden (enérgeiai), de andere zijn bepaalde werken (erga), ernaast. Van hetgene er enig einddoel is naast de handeling, daar is het werk van nature beter dan de werkzaamheid.

1094a6               Aangezien er een veelheid is aan handelingen, kunsten en wetenschappen (epistèmai), resulteert er ook een veelheid aan einddoelen: van de geneeskunde bv. is dat de gezondheid, van de scheepsbouwkunde het schip, van de krijgskunst de overwinning, van de huishoudkunde (oikonomikè) de rijkdom. Alle zulke kunsten die onder één bepaald vermogen (dúnamis) vallen - zoals onder ruiterkunst de paardehalstervervaardigingskunst en alle andere kunsten vallen die het paardetuig betreffen, en die ruiterkunst, dan weer, evenals alle militaire handeling onder de krijgskunst (stratègikè), op diezelfde manier vallen andere kunsten telkens onder weer andere -, wel, in al die gevallen zijn de einddoelen van de leidinggevende (architektonikaí) kunsten verkieslijker dan die van de eraan ondergeschikte: het is immers ter wille van de eerstgenoemde dat de laatstgenoemde worden nagestreefd. En het maakt daarbij geen enkel verschil uit of de werkzaamheden zelf het einddoel zijn van de handelingen, dan wel iets anders ernaast, zoals in het geval van de vermelde wetenschappen.

1094a18            Indien er dan, met betrekking tot de (door ons, mensen,) te stellen handelingen (ta praktà), enig einddoel (télos) is, dat we willen om zichzelve, terwijl we alle andere wensen om zijnentwille, en indien het niét het geval is dat we alles telkens ter wille van iets anders kiezen - op die manier immers zou het (proces) tot in het oneindige voortgaan, zodat ons verlangen (órexis) leeg en vergeefs zou zijn -, dan is het duidelijk dat dat einddoel het goede moet zijn, en met name het hoogste goede  (to áriston).

1094a22            Is de kennis ervan dan ook voor ons leven (bíos) niet van groot gewicht, en zullen we niet, zoals boogschutters die over een doelwit (skopós) beschikken, (met die kennis) beter het passende kunnen treffen? Indien dat inderdaad het geval is, moet gepoogd worden om, althans in hoofdtrekken (túpooi), te omschrijven wat dat opperste goede voor iets is, en onder welke wetenschap of faculteit het valt. Welnu, het lijkt erop dat het onder de meest gezaghebbende (kuriotátè) en meest leidinggevende (architektonikè) wetenschap valt. Van zulke aard, echter, lijkt de politieke wetenschap (politikè) te zijn: zij, immers, gebiedt welke wetenschappen in elke polis moeten aanwezig zijn, en welke er door iedere (groep burgers) moet worden aangeleerd, alsook in welke mate. Daarenboven zien we dat de meest prestigieuze vermogens eraan ondergeschikt zijn: zoals krijgskunde, huishoudkunde en retoriek. Aangezien zij het is die de overige wetenschappen gebruikt, en zij bovendien wettelijk verordent wat we moeten doen en waarvan we ons moeten onthouden, zal haar einddoel allicht die van de andere omvatten, en zal dàt bijgevolg wel het menselijke goede (to anthrópinon agathón) zijn[1]. Inderdaad, ook al is het goede hetzelfde voor de enkeling als voor de polis, dan schijnt dat van de polis toch groter en volmaakter, zowel om te verwerven als om te behouden; weliswaar moet het ook voor één enkeling verwelkomd worden, maar het is schoner en goddelijker (om te verwezenlijken) ten bate van een volk (éthnos) of van  polis(gemeenschappen).
Ons onderzoek (méthodos), dat een (vorm van) politieke wetenschap is, is dus daarop gericht.

1094b11            Onze bespreking zal voldoen op voorwaarde dat klaarheid gebracht is in een mate die in overeenstemming is met de onderliggende stof (húlè): in uiteenzettingen, immers, mag precisie nooit op identieke wijze nagestreefd worden - net zo min, trouwens, als in ambachtelijke (toepassingen). Welnu, de gevallen van (zedelijke) schoonheid (ta kalà) en rechtvaardigheid (ta díkaia), die bestudeerd worden door de politieke wetenschap, vertonen een grote variatie en onstandvastigheid (planè), zodanig dat de indruk bestaat dat ze slechts door conventie (nómooi) bestaan, en niet van nature (phúsei). Ook de goede (dingen) vertonen een dergelijke wisselvalligheid wegens het feit dat er voor vele (mensen) schade uit resulteert: sommigen zijn immers al ten onder gegaan wegens hun rijkdom, anderen wegens hun moed. We moeten er derhalve genoegen mee nemen, indien we een uiteenzetting houden omtrent zulke (aangelegenheden) en daarvan vertrekkende, dat we de waarheid (to alèthés) in grove en algemene trekken (túpooi) aantonen, en dat, als we het hebben over wat meestendeels het geval is en ons vertrekpunt van zulke aard is, we ook conclusies van zulke aard bereiken. Op dezelfde wijze dan dient alles dat uiteengezet wordt, ook ontvangen te worden: het is immers het eigene van de gecultiveerde (geest) op het vlak van elk genus net zoveel precisie te zoeken als de natuur van de zaak toestaat. Het schijnt inderdaad net zo (onredelijk) te zijn van een mathematicus waarschijnlijkheidsargumenten te aanvaarden, als van een redenaar wetenschappelijke bewijzen te eisen.

1094b27            Elkeen oordeelt op een treffelijke manier over de zaken die hij kent, en daarover is hij een goed beoordelaar. Voor elk onderwerp is dat dus degene die erin gevormd is, en algemeen is het degene die een alzijdige vorming heeft genoten. Daarom is de jongere geen geëigend toehoorder van (lezingen over) de politiek: hij heeft immers geen ervaring met de handelingen van de levensvoering (bíos), terwijl de uiteenzettingen (lógoi) juist daarvan vertrekken en daarover handelen; en daar hij nog zijn gevoelens (páthè) volgt, zal hij bovendien vergeefs en zonder nut luisteren, aangezien het doel hier niet kennis (gnosis) is maar handelen (praxis). En het maakt geen verschil of hij nog jong is van leeftijd of jeugdig van karakter (èthos): het gebrek is geen kwestie van tijd maar is een gevolg van het feit dat men op gevoelsmatige manier (katá páthos) leeft en zijn doelstellingen nastreeft. Zoals ook het geval is voor de matelozen (akrateís), levert voor zulke mensen kennis geen profijt op; voor degenen daarentegen die  hun verlangens bepalen en hun handelingen stellen in overeenstemming met de  rede (kata lógon), zal het weten daaromtrent allicht van bijzonder nut zijn.
Laat dat alles dan inleidend gezegd zijn, over de toehoorder zowel als over de wijze waarop (onze uiteenzetting) moet ontvangen worden, en ook welk ons thema is.

1095a14            2. Laten we de draad weer opnemen en, aangezien alle kennis en keuze (proaíresis) een of ander goed wenst, uiteenzetten welk dan het goede is waarvan wij beweren dat de politieke wetenschap (politikè) het nastreeft, en welke het hoogste goed is van al degene die betrekking hebben op het handelen (ta praktá agathá).

1095a17             Wat de naam betreft, althans, wordt er door de meesten wel een quasi overeenstemming bereikt: zowel de massamensen (hoi polloí), immers, als de gecultiveerden hebben het over het geluk (eudaimonía), waarbij ze goed leven (eu zên) en goed handelen (eu práttein) vereenzelvigen met gelukkig zijn. Over de vraag, evenwel, wat dat is: "geluk", verschillen zij van mening en geven de massamensen niet dezelfde verklaring als de experten (sophoí). Eerstgenoemden, inderdaad, rekenen het tot de dingen die evident en zichtbaar zijn, zoals: genot (hèdonè), of rijkdom (ploutos), of eer (timè). En de ene ziet het zus, de andere zo; dikwijls ziet ook dezelfde (persoon) het op verschillende manieren: bij ziekte, ziet hij het als gezondheid, maar bij armoede, als rijkdom. Is men zich daarentegen bewust van de eigen onwetendheid, dan bewondert men degenen die iets grandioos zeggen, dat het eigen (begripsvermogen) te boven gaat. Sommigen, echter, waren de mening toegedaan dat er, naast deze vele goede dingen, nog een ander goed was, op zich, dat tevens voor al die (concrete) gevallen oorzaak was van hun goed-zijn.

1095a28            Alle opinies onderzoeken is wellicht nodeloze moeite: het volstaat de opvattingen te onderzoeken, die het meest verbreid zijn of de indruk wekken enige redelijke grond (logos) te bezitten.

1095a30            Het mag ons niet ontgaan dat er een verschil bestaat tussen argumentaties (logoi) die van de principes (archaí) uitgaan, en argumentaties die terugvoeren naar de principes. Ook Platoon immers had de goede gewoonte die vraag te stellen, namelijk na te gaan of de onderzoeksweg vertrok van de principes dan wel leidde naar die principes - net zoals in het stadion (de koers kan gaan) van de scheidsrechters naar de eindmeet ofwel omgekeerd. We moeten inderdaad vertrekken van het kenbare (gnórimon), maar dat stelt zich op een tweevoudige wijze: namelijk wat kenbaar is voor ons en wat in absolute zin kenbaar is. Wij althans moeten allicht uitgaan van wat kenbaar is voor ons. Daarom moet wie met vrucht wil luisteren naar (uiteenzettingen over) het schone en rechtvaardige en, algemeen, de politieke aangelegenheden, in zijn leefgewoontes (éthos) reeds goed opgevoed zijn. Uitgangspunt (archè), hier, is immers het "dat" (hoti), en indien dat op voldoende wijze duidelijk is, zal hij geen bijkomende behoefte hebben aan het "waarom"; welnu, een dergelijk (persoon) is reeds in het bezit van principes, of kan ze gemakkelijk verwerven. Laat daarentegen degene voor wie geen van beide het geval is, luisteren naar de woorden van Hesiodos [2]:

"diegene is de allerbeste die alles zelf bedenkt;

goed is ook hij die luistert naar wie 't goed zegt;

maar wie 't noch zelf bedenkt, noch ter harte neemt

naar een ander te luisteren, is een onnut mens".


1095b14            3. Laten wij dan ons exposee hernemen vanaf het punt waar we afgeweken waren. Welke opvatting mensen hebben over het goede en de eudaimonie, blijkt, niet zonder grond, uit de (gangbare) levenswijzen (bíoi): in het geval van de grote massa en de meest vulgaire mensen blijkt dat het genot te zijn - wat ook de reden is waarom zij de hedonistische levenswijze (bíos apolaustikós) beminnen. De meest in het oog springende levenswijzen, inderdaad, zijn drie in getal: namelijk de zo net vernoemde, de levenswijze van de politiek (bíos politikós) en, ten derde, die van de contemplatie (bíos theorètikós).

1095b19            De massamensen, dus, met de voorkeur die zij geven aan een dierlijke levenswijze, verraden geheel en al (de visie van) kuddeslaven[3]; zij vinden echter een argument door het feit dat een groot aantal machthebbers gelijkaardige passies hebben als Sardanapallos [4]. Gecultiveerde mensen, anderzijds, die beslagen zijn in de praxis (praktikoí), (geven er door hun levenswijze blijk van, dat ze het goede en de eudaimonie vereenzelvigen met) eer (timè): eer, inderdaad, is allicht het einddoel (télos) van de politieke levenswijze. In vergelijking, evenwel, met wat we zoeken, lijkt eer te oppervlakkig te zijn (sc. als hoogste goed): de indruk bestaat, immers, dat ze haar (bestaansvoorwaarde) veeleer heeft bij degenen die de eer bewijzen, dan bij degene die ze ontvangt, terwijl wij er (intuïtief) toch van uitgaan dat het goede iets persoonlijks is dat je moeilijk kan worden ontnomen. Verder lijken ze eer na te jagen om van zichzelf te kunnen geloven dat ze goed zijn. In alle geval zoeken ze geëerd te worden door de verstandigen (phrónimoi), en bij diegenen bij wie ze bekend zijn, en wel voor hun voortreffelijkheid (aretè) - zodat het duidelijk is dat althans huns inziens de (morele) voortreffelijkheid superieur is (sc. aan de eer]. Misschien zou men daarom eerder de voortreffelijkheid als de morele finaliteit (télos) van de politieke levenswijze kunnen beschouwen (sc. dan de eer). Maar ook zij is evident nog onvoldoende finaal (atelès). Het lijkt immers mogelijk te slapen terwijl men in het bezit is van de voortreffelijkheid, of zijn gehele leven lang inactief te zijn, en op de koop toe in de hoogste mate kwaad te ondergaan of tegenslag te kennen: maar wie op zo'n manier leeft, zal wel door niemand gelukkig worden genoemd - tenzij om (in een debat) kost wat kost een thesis te verdedigen.

1096a2               Genoeg daarover: ook in onze teksten voor een breed publiek (enkúklioi lógoi) is er over die zaken voldoende gezegd. De derde levenswijze is de contemplatieve (van de filosoof), waaraan we aandacht zullen besteden in wat verder volgt [5]. De levenswijze van de zakenman (chrèmatistès), anderzijds, heeft iets dwangmatig, en het is duidelijk dat rijkdom (ploutos) niet het gezochte goede is: hij is (slechts) een gebruiksmiddel en staat ten dienste van iets anders. Daarom zou men veeleer een van de eerder genoemde zaken als einddoel kunnen beschouwen, want zij worden geliefd om hunnentwille. Het is echter evident dat zelfs zij niet (als zodanig in aanmerking komen]; toch zijn er heel wat argumenten aan verspild. Laten we die thema's dus terzijde laten.

1096a11            4. Misschien verdient het de voorkeur, het universele (kathólou) goede aan een beschouwing te onderwerpen, en te doorvorsen op welke wijze het bedoeld wordt - hoewel een dergelijk onderzoek moeizaam gebeurt wegens het feit dat het vrienden zijn die de Vormen (ta eídè) hebben ingevoerd [6]. Maar allicht zal men van oordeel zijn dat het verkieslijk, ja zelfs nodig is precies voor het behoeden van de waarheid (alètheia), dat we ook wat ons eigen is in vraag stellen, meer in het bijzonder omdat we filosofen zijn: terwijl beide ons dierbaar zijn, inderdaad, is het heilige plicht de voorrang te geven aan de waarheid (sc. boven vrienden].  (Daarom de volgende kritische bemerkingen.)

1096a17            (1) Degenen die deze doctrine hebben aangebracht, poneerden geen Vormen (idéai) voor (klassen) binnen dewelke zij van "prioriteit" en "posterioriteit" spraken, reden waarom ze ook voor de getallen (als verzameling) geen Vorm construeerden. Het goede, evenwel, wordt geprediceerd in (de categorie van) het wezen (tí estin) zowel als in die van de hoedanigheid en die van de relatie; maar wat op zich bestaat en wezenheid (ousía) is, komt naar natuur eerder dan wat relatie is - dat laatste immers lijkt op een zijtak en accidens (sumbebèkós) van wat is -; bijgevolg kan er geen sprake zijn van enige gemeenschappelijke Vorm die daarop van toepassing is.

1096a23            (2) Vervolgens, aangezien (het woordje) "goed" in even vele betekenissen wordt gebruikt als "zijn" - het wordt immers én gebruikt in (de categorie van) de wezenheid (to tí): bv. godheid en intellect, én in (die van) de hoedanigheid: bv. de voortreffelijkheden, én in de hoeveelheid: bv. het maatvolle (to métrion), én in de relatie: bv. het nuttige, én in de tijd: bv. het juiste moment (kairós), en in de plaats: bv. het gezonde milieu (díaita), en dies meer -,  is het duidelijk dat het goede niet iets algemeen (kathólou) kan zijn dat aan alles gemeenschappelijk (koinè) is en één. In dat geval immers kon het niet in alle categorieën (katègoría) geprediceerd worden, maar slechts in één enkele.

1096a29            (3) Vervolgens, aangezien er van de dingen die aan één Vorm (idéa) beantwoorden, evenzo slechts één wetenschap (epistèmè) is, zou er ook voor alles dat goed is, slechts één soort wetenschap zijn. In werkelijkheid echter zijn het er verscheidene, zelfs van fenomenen die onder één categorie vallen. Bv. van het geschikte moment: in oorlogstijd de krijgskunst, bij ziekte de geneeskunst; en van het maatvolle: bij voedsel (is die wetenschap) de geneeskunst, bij lichamelijke inspanningen de gymnastiek.

1096a34            (4) Men zou zich ook de vraag kunnen stellen wat ze toch bedoelen, als ze het hebben over het ding "op zich" (autó), aangezien zowel bij "mens-op-zich" (autoánthropos) als bij "mens" één en dezelfde wezensdefinitie (lógos) past, namelijk die van "mens". In zoverre ze mens zijn, immers, kunnen zij in geen enkel opzicht onderling verschillen; maar als dat zo is, geldt dat ook (voor "goed-op-zich" en "goed") in zoverre ze goed zijn.

1096b3               (5) Maar het (goede-op-zich) zal ook niet in hogere mate goed zijn door het feit van eeuwig te zijn, aangezien ook (in het geval van kleuren) het langdurig witte daarom nog niet witter is dan wat slechts één dag wit is. De Pythagoreërs lijken daarover op een meer aannemelijke wijze te spreken, doordat ze het Ene een plaats gaven in de kolom (sustoichía) van de goede principes [7]; en ook Speusippos[8] is hen daarin blijkbaar gevolgd.

1096b7a            Maar over hen is er een andere uiteenzetting te houden. De opgesomde kritieken, evenwel, lijken vatbaar voor betwisting, omwille van het feit dat (de voorstanders van het algemene Goede) hun theorie niet hebben ontwikkeld voor alle vormen van goed, maar dat zij enkel de gevallen die om hunnentwille worden nagestreefd en bemind, onder één Vorm (eidos) rangschikken, terwijl alle (fenomenen) die de eerstgenoemde bewerkstelligen, of op een of andere manier behoeden, of de tegengestelden ervan verhinderen, slechts om hunnentwille ("goed") worden genoemd, en in een andere (afgeleide) zin.  Het is dus duidelijk dat het predikaat "goed" op tweevoudige manier wordt toegepast: de ene worden "goed" genoemd op zich, de andere ter wille van de eerste. Laten we dus de gevallen die goed zijn op zich, onderscheiden van wat nuttig is, en onderzoeken of eerstgenoemde geprediceerd worden naar één Vorm. Welkdanige zaken echter worden als (goed) op zich geponeerd? Soms alles wat ook nagestreefd wordt wanneer het afzonderlijk wordt genomen, zoals bv. het denken, het zien en sommige lusten en eerbewijzen? Inderdaad, ook al streven we die na ter wille van iets anders, toch zou men ze wel rekenen tot de zaken die goed zijn op zich. Of is er helemaal niets anders (goed op zich), tenzij de Vorm (idéa) (van het goede)? Bijgevolg zal de Vorm (eidos) functieloos zijn. Maar indien ook de genoemde zaken gerekend worden tot wat goed is op zich, dan zal de definitie van het goede in al die gevallen dezelfde moeten blijken te zijn - zoals het geval is met de definitie van witheid in sneeuw en loodwit. Van eer, echter, verstandigheid (phrónèsis) en genot zijn de definities anders en verschillend, precies vanuit het oogpunt van hun goed-zijn. Dus is het goede niet een gemeenschappelijk iets dat onder één Vorm valt.

1096b26            Maar hoe wordt het goede (als gemeenschappelijk predikaat) dan wél bedoeld? Het vertoont immers zeker geen gelijkenis met zaken die louter bij toeval gelijknamig zijn.  Maar is het soms doordat alle (categorieën van goed) van één (principe/goede) afstammen, of dat ze alle gericht zijn op één (principe/goede), of is het veeleer naar analogie (sc. dat ze allemaal "goed" worden genoemd]? In elk geval (wat de analogie betreft), zoals er in het lichaam zicht is, zo is er (analogisch) in de ziel intellect, en evenzo in andere gevallen. Maar misschien moeten deze punten voor het ogenblik terzijde worden gelaten: daarover preciseringen te brengen zal wel meer tot het domein van een andere (tak van de) filosofie behoren[9].

1096b32            Op gelijkaardige manier is het ook gesteld in verband met de Vorm: zelfs áls het gemeenschappelijk geprediceerde goede dan een eenheid vormt, of een transcendent (choristón) iets is dat op zichzelf bestaat (kath' hautó), is het evident dat het niet iets is dat door een mens kan of moet gedaan (praktón) of verworven worden - maar het is net iets van zulke aard dat we nu aan het zoeken zijn.  Maar misschien zal iemand wel opperen dat het verkieslijk is het (absolute Goede) te kennen met het oog op de instanties van het goede die te verwerven en te doen zijn: immers, wanneer we het in ons bezit hebben als een soort van paradigma, zullen we ook de zaken die goed zijn voor ons, beter kennen, en met die kennis zullen we ze realiseren. Het argument bezit een zekere geloofwaardigheid, maar lijkt in tegenspraak te zijn met de wetenschappen (epistèmai): hoewel die allemaal naar een of ander goed streven en hetgeen eraan ontbreekt pogen aan te vullen, laten ze de kennis van (het absolute Goede) toch achterwege. Nochtans, dat alle kunstenaars (technítai) een hulpmiddel van dergelijk belang bewust ignoreren, of zelfs niet eens zoeken, is niet plausiebel. Vraag is ook welke baat een wever of timmerman zal ondervinden voor zijn eigen kunst (téchnè), als hij dat "goede-op-zich" kent; of hoe degene die de Vorm zelf aanschouwd heeft, een beter arts of een beter strateeg zal zijn. Het ziet er immers naar uit dat de geneesheer niet eens de gezondheid (hugíeia) aldus beschouwt (sc. op zich), maar integendeel die van de mens, of misschien eerder: de gezondheid van deze mens hier; de arts geneest immers de individuele mens.  Daarover dan weze tot daar  gesproken.

1097a15            5. Laten we weerom terugkeren naar het gezochte goede, wat het toch kan zijn. Naargelang van de handeling en kunst lijkt het (telkens) anders te zijn: het is inderdaad anders in de geneeskunst en in de strateegkunst, en in de overige (kunsten) op gelijkaardige wijze. Wat is dus van ieder het goede? Of (is het datgene) ter wille waarvan de overige (handelingen) gesteld worden? In de geneeskunst is dat gezondheid, in de strateegkunst overwinning, in de bouwkunst een huis, en zo telkens anders, en in elke handeling en  voornemen (proaíresis) het einddoel (télos): het is ter wille van dit laatste dat iedereen de overige handelingen stelt. Bijgevolg, indien er van alle te stellen handelingen enigerlei einddoel is, zal dat wel het goede zijn dat kan of moet gedaan worden; zo het er echter verscheidene zijn, (dan zullen) zij (het zijn). 
Onze uiteenzetting is dus langs een andere weg tot dezelfde (conclusie) gekomen; we moeten echter proberen die nog verder te verduidelijken.

1097a15            Aangezien er een veelheid aan einddoelen lijkt te bestaan en we daarvan telkens het ene kiezen ter wille van een ander, bijvoorbeeld rijkdom, fluiten en in het algemeen instrumenten, is duidelijk dat (die einddoelen) niet allemaal voleindig (téleios)[9bis] zijn; het hoogste goed (áriston), echter, leek wél iets voleindig te zijn. Bijgevolg, indien er één enkel iets voleindig is, zal dat het (door ons) gezochte (goede) zijn, maar zijn het er méér, dan (zal het) het meest voleindige daarvan (zijn).  Wat echter om zichzelf na te jagen is, noemen we voleindiger dan hetgene (dat is) om iets anders, en wat nooit omwille van een ander te kiezen is (noemen we voleindiger) dan (de dingen) die zowel om zichzelf als omwille van dat (andere) te kiezen zijn, en zonder meer voleindig dus is wat altijd op zich te verkiezen is en nooit omwille van iets anders.

1097a34            Zodanig, nu, blijkt bovenal de eudaimonie te zijn: haar, immers, verkiezen wij altijd om haarzelve en nooit om iets anders; eer, daarentegen, en genot en intellect en elke voortreffelijkheid verkiezen we weliswaar ook om henzelve (elkeen ervan zouden we verkiezen ook als er niets uit voortkwam), maar we verkiezen ze ook ter wille van de eudaimonie, in de mening dat we door hen gelukkig zullen zijn; niemand, echter, verkiest de eudaimonie om hunnentwille, of algemeen omwille van iets anders.

1097a34            Ook (redenerend) vanuit (het ideaal van) de zelfsufficiëntie (autárkeia) komen we klaarblijkelijk tot hetzelfde resultaat: het voleindige goede, immers, blijkt autarkisch te zijn. Met 'autarkisch' bedoelen we niet voor jezelf alleen, voor wie het leven leidt van een eenzaat, maar ook voor ouders, kinderen, vrouw en in het algemeen je vrienden en (mede)burgers, aangezien de mens van nature een poliswezen (politikón) is. Er moet daaronder wel een grens worden getrokken: wanneer je dat uitrekt tot de ouders (van je ouders) en de kinderen (van je kinderen) en de vrienden van je vrienden, kan je doorgaan tot in het oneindige. We moeten dat opnieuw bekijken. Wat echter 'autarkisch' betreft, daarmee bedoelen we wat, alleen genomen, het leven verkieslijk maakt en vrij van enig gemis maakt. Dusdanig, menen wij, is de eudaimonie. Vervolgens is het van alles het meest verkieslijk wanneer het niet wordt meegeteld - meegeteld, echter, is ze verkieslijker in combinatie met het kleinste goede: het erbij gevoegde, immers, brengt een surplus voort aan weldaden (agathá) en het grotere in weldaden is altijd verkieslijker.

1097b20           De eudaimonie, dus, is blijkbaar iets voleindig en autarkisch, waarbij het het einddoel is van alles wat te doen staat.

1097b22            6. De formulering dat de eudaimonie het opperste goede is, moge dan al misschien de communis opinio reveleren, ze heeft er nood aan dat nog duidelijker zou gezegd worden wàt (dat opperste goede) is. Misschien kunnen we dat bereiken indien we greep kunnen krijgen op het werk van de mens (to érgon tou anthrópou). 

1097b25           Inderdaad, zoals voor een fluitspeler, voor een beeldenmaker en elke kunstenaar, en algemeen voor elkeen van wie er een of ander werk en handeling is, het goede en het wel (doen) in het werk blijkt te liggen, op die wijze zal men dat ook wel menen voor een mens (als mens), indien er tenminste van hem enig werk is. Zullen er dan van een timmerman en een schoenmaker werken en handelingen zijn, van een mens (als mens) echter geen enkele maar is het zijn aangeboren natuur om werkeloos te zijn? Of zullen we, zoals er van oog, hand en voet en in het algemeen van elk lichaamsdeel een werk blijkt te zijn, aldus ook van mens naast dat alles een werk poneren?

1097b33           Wat kan dat dan wel voor iets zijn? Leven, immers, blijkt ook met de planten gemeenzaam te zijn, maar wat gezocht wordt is het eigene. De levensfuncties derhalve inzake voeding en groei moeten afgezonderd worden. Erop volgend zal er een levensfunctie van gewaarwording zijn, doch ook zij is gemeenzaam, zowel met paard, rund en elk levend dier. Wat rest dan is een handeling(sleven) van wat in het bezit is van de rede. Van dit laatste (gedraagt) het ene (deel) zich in gehoorzaamheid aan de rede, het andere (verhoudt zich) als in het bezit ervan en in volle denkactiviteit. Aangezien echter ook dat leven op tweevoudige wijze bedoeld wordt, moet zij in de zin van activiteit (enérgeia) geponeerd worden: zij dunkt immers in de meer eigenlijke zin (zo) genoemd te worden.

1097b33           Indien 's mensen werk bestaat uit een activiteit van de ziel, overeenkomstig de rede of niet zonder rede, en wij anderzijds zeggen dat naar genus het werk hetzelfde is vanwege deze (ongekwalificeerde) en vanwege gene gekwalificeerde, zoals van een citerspeler en een knappe citerspeler, en dat zonder meer het geval is bij alle gevallen, wanneer superioriteit aan voortreffelijkheid aan het werk wordt toegevoegd; van een citerspeler, immers, is het (de taak) citer te spelen, en van de goede (speler) om dat goed te doen. Indien dat zich aldus stelt, [en we het werk van de mens poneren als een soort van leven en dat leven als activiteit van de ziel en handelingen gepaard met rede; als het het werk is van de goede man om die taken op een goede en schone manier (uit te voeren), terwijl elk (werk) op een goede manier wordt voleindigd overeenkomstig de geëigende voortreffelijkheid: indien zich dat aldus stelt][9tris], wordt het menselijke goede de activiteit van de ziel overeenkomstig de voortreffelijkheid; zo er echter een veelheid aan voortreffelijkheden zijn, dan volgens de beste en meest voleindige. Daarenboven nog in een voleindig leven. Immers, één zwaluw maakt geen lente, en evenmin één dag: zo ook maken één dag of een korte tijd niemand gelukzalig en gelukkig.
 

(. . . .)


Boek  V,   §§   1-8

(rechtvaardigheid en geld)

 

1129a3               1. Over rechtvaardigheid (dikaiosúné) en onrechtvaardigheid (adikía) moet onderzocht worden (1) op welkdanige handelingen ze betrekking hebben; (2) welkdanig midden (mesótès) de rechtvaardigheid is, en (3) tussen welke (extremen) het rechtvaardige (díkaion) een midden (méson) is. Laat ons onderzoek gebeuren volgens dezelfde methode als bij de hiervoor besproken voortreffelijkheden.

1129a6               We constateren dat iedereen onder "rechtvaardigheid" de habitus (hexis) wenst te verstaan die van zulke aard is (a) dat mensen erdoor bekwaam zijn rechtvaardige handelingen te stellen; (b) dat zij (daadwerkelijk) rechtvaardig handelen en (c) willen wat rechtvaardig is. Op dezelfde manier geldt over de onrechtvaardigheid dat zij de habitus is die mensen onrecht doet plegen en doet willen wat onrechtvaardig is. Laat dat daarom ook voor ons, om te beginnen, in grote lijnen (túpooi) de basis vormen. Het is immers met habitussen niet op dezelfde manier gesteld als met wetenschappen of vermogens. Voor wetenschap (epistèmè) en vermogen (dúnamis), immers, geldt dat het dezelfde is die betrekking heeft op tegengestelden (enantía), maar voor een habitus, die tot een paar van tegengestelden behoort, is dat niet het geval. Bv. vanuit de gezondheid wordt niet gedaan wat eraan tegengesteld is, maar uitsluitend wat gezond is: we spreken van "gezond wandelen", wanneer iemand wandelt zoals de gezonde dat zou doen.

1129a17            In vele gevallen, weliswaar, wordt een habitus gekend vanuit de eraan tegengestelde, maar in vele gevallen ook vanuit (de fenomenen die er) het onderwerp van (vormen): indien de goede (fysieke) habitus (euexía) bv. manifest is, wordt ook de slechte manifest, en: uit wat zich in een goede habitus bevindt, wordt de goede habitus manifest, en uit deze laatste dan weer wat zich in een goede habitus bevindt. Als de goede (fysieke) habitus een kwestie is van stevigheid van het vlees, dan is de slechte noodzakelijkerwijze een kwestie van slapheid van het vlees, en moet wat zich in een goede conditie bevindt, datgene zijn dat stevigheid van het vlees teweegbrengt. Indien, anderzijds, één van beide (tegengestelde gesteldheden) meerduidig is, volgt in de meeste gevallen dat ook de andere meerduidig is: bv. als dat het geval is met "rechtvaardig", dan is het ook zo gesteld met "onrechtvaardig".

1129a26            2. Nu blijken "rechtvaardigheid" en "onrechtvaardigheid" inderdáád in meervoudige zin gebruikt te worden, maar doordat (die gebruikswijzen) dicht bij elkaar liggen, ontgaat ons hun homonymie (homonumía) en is ze niet zo duidelijk als bij de (fenomenen) die veraf liggen van elkaar. In dit laatste geval, immers, is het verschil in gedaante (idéa) opvallend: denken we bv. aan het feit dat zowel het been dat bij dieren onder de hals ligt, als datgene waarmee we deuren sluiten, homoniemisch "sleutel" worden genoemd.

1129a31            Laten we dan de "onrechtvaardige" nemen (en zien) in hoeveel (betekenissen) hij zo genoemd wordt. Blijkt dat zowel de wetsovertreder (paránomos) "onrechtvaardig" is, als de hebzuchtige (pleonéktès) die het gelijkheidsbeginsel schendt (ánisos); zodat duidelijk is dat zowel de wetgetrouwe (nómimos) als degene die de gelijkheid respecteert (ísos), "rechtvaardig" zullen zijn. Het recht(vaardige) is dus het wettelijke (nómimon) en het gelijke (íson), het onrecht(vaardige) het onwettelijke en het ongelijke.

1129b1               Aangezien de onrechtvaardige hebzuchtig is, zal het hem te doen zijn om de goede dingen (ta agathá) - niet om alle, maar om al diegene waarop voorspoed en tegenspoed betrekking hebben, en die weliswaar op zich (haploos) altijd goed zijn, maar niet altijd voor deze of gene (persoon]. De mensen bidden om deze dingen en lopen ze na. Ze zouden dat niet mogen doen maar moeten bidden dat de dingen die op zich goed zijn, ook voor hen goed zouden zijn, en kiezen wat voor henzelf goed is. De onrechtvaardige kiest echter niet altijd het grotere, maar hij kiest ook het kleinere, namelijk in het geval van dingen die op zich slecht zijn. Omdat men evenwel de mening is toegedaan dat ook het kleinere kwaad in zekere zin een goed is, en de hebzucht (pleonexía) het goede als voorwerp heeft, om die reden schijnt de onrechtvaardige (ook in dat geval) hebzuchtig te zijn. Dat houdt echter in dat hij oneerlijk (ànisos) is, want dit laatste is het omvattende en gemeenschappelijke (begrip).

1129b11            3. Aangezien de wetsovertreder, zoals gezegd, onrechtvaardig is en de wetgetrouwe rechtvaardig, is het duidelijk dat al het wettelijke in zekere zin rechtvaardig is: alles wat door de wetgeving (nomothetikè) bepaald is, is wettelijk, en van elk van die bepalingen zeggen we dat ze recht(vaardig) zijn. De wetten (nómoi), nu, spreken zich uit over alles, waarbij ze bedacht zijn op ofwel het gemeenschappelijke belang voor allen, ofwel dat voor de aristocraten (hoi áristoi), of voor de bewindvoerders (hoi kúrioi), of volgens een ander criterium van die aard. Bijgevolg bestempelen we op één manier datgene als rechtvaardig dat voor de politieke gemeenschap (politikè koinonía) de eudaimonie en de onderdelen ervan bewerkstelligt en behoedt. De wet, nu, gebiedt zowel de daden (érga) van de dappere (andreíos) te verrichten - zoals: de slaglinie niet te verlaten, of niet op de vlucht te slaan of de wapens weg te werpen -, als die van de gematigde (soophroon) - zoals geen overspel, of agressie te plegen -, en die van de kalme (práos) - zoals niet te slaan of te schelden; en evenzo met betrekking tot de overige voortreffelijkheden en ondeugden, waarbij de wet de ene gebiedt en de andere verbiedt: op de juiste wijze, indien ze op de juiste wijze opgesteld is, op een inferieure indien de wet op geïmproviseerde manier ontworpen is.

1129b25            Deze rechtvaardigheid, dus, is voortreffelijkheid (aretè) in voleindigde vorm (teleía), weliswaar niet absoluut gesteld maar betrokken op de andere (medeburger). En om die reden geldt de rechtvaardigheid dikwijls als de meest superieure voortreffelijkheid, en "noch de avond- noch de morgenster is zo wonderbaar"; en in de vorm van een spreekwoord zeggen we: "in de rechtvaardigheid ligt elke deugd besloten". En zij is meest van al nog voleindigde voortreffelijkheid, namelijk omdat zij de daadwerkelijke beoefening (chrèsis) is van de voleindigde voortreffelijkheid. Voleindig is zij omdat de bezitter ervan zijn voortreffelijkheid ook jegens anderen kan beoefenen, en niet enkel jegens zichzelf: vele mensen, immers, zijn wel in staat de voortreffelijkheid in hun eigen aangelegenheden te beoefenen maar niet in degene die op iemand anders betrekking hebben. Om die reden lijkt het gezegde van Bias [10] geslaagd: "het ambt (archè) toont de man (anèr)"; want precies de gezagsdrager heeft met anderen te maken en opereert in de gemeenschap. Om diezelfde reden geldt de rechtvaardigheid ook als enige der voortreffelijkheden als "andermans goed" [11], namelijk omdat ze op de andere (persoon) betrekking heeft: haar handelingen, immers, gelden wat nuttig is voor een ander, het zij een gezagsdrager of een genoot. De slechtste mens (kákistos), dus, is degene die zijn verdorvenheid (mochtèría) zowel tegenover zichzelf als tegenover zijn vrienden aanwendt, de beste (áristos), daarentegen, degene die zijn voortreffelijkheid niet tegenover zichzelf maar tegenover een andere (persoon) aanwendt; dat is immers een lastige taak.

1130a8               Deze rechtvaardigheid, dus, is geen bijzondere voortreffelijkheid, maar is voortreffelijkheid in haar algemeenheid (hólè aretè), en evenmin is de eraan tegengestelde onrechtvaardigheid bijzondere ondeugd, maar ondeugd in haar algemeenheid (hólè kakía). Wat het onderscheid is tussen de voortreffelijkheid en deze rechtvaardigheid, is duidelijk uit hetgene gezegd is. Zij zijn weliswaar identiek, maar hun zijn is niet identiek: in zoverre sprake is van betrokkenheid op de andere, gaat het om rechtvaardigheid; in zoverre sprake is van een dusdanige habitus zonder meer, om voortreffelijkheid.

1130a14            4. Hoe dan ook, wat wij aan het onderzoeken zijn, is de rechtvaardigheid als bijzondere voortreffelijkheid[12]; zo bestaat er een, zo stellen we. En op dezelfde manier gaat het ons ook over de bijzondere onrechtvaardigheid. Een aanwijzing voor het bestaan ervan is het volgende: wie actief is overeenkomstig de andere ondeugden, pleegt weliswaar onrecht, maar haalt daaruit geen enkel (onrechtvaardig) gewin: bv. wie uit lafheid zijn schild wegwierp, of uit boosaardigheid kwaad sprak, of uit krenterigheid geen geldelijke bijstand heeft verleend; wanneer men daarentegen hebzuchtig handelt, gebeurt dat vaak overeenkomstig geen enkele van zulke ondeugden afzonderlijk, evenmin volgens alle te samen, en toch beantwoordt het aan één of andere slechtheid (ponèría) - we drukken immers onze afkeuring uit -, te weten aan onrechtvaardigheid. Er is dus wel degelijk een andere soort van onrechtvaardigheid, als een onderdeel van de algemene, en (we spreken van) "onrecht(vaardig)" (díkaion) als partieel t.a.v. het onrecht in zijn totaliteit, dat strijdig is met de wet. Verder, als de ene voor het gewin overspel bedrijft en er geld aan verdient, de andere, echter, eraan toelegt en gepenaliseerd wordt om zijn begeerte, dan zal deze laatste wel eerder als bandeloos (akólastos) dan als hebzuchtig gelden, de eerste daarentegen als onrechtvaardig maar niet als bandeloos - evident omdat het hem om het winst maken te doen is. Verder laten alle andere daden van ongerechtigheid zich altijd terugvoeren op één of andere ondeugd: bv. als men overspel pleegde, op bandeloosheid; als men zijn medestrijder in de steek liet, op lafheid; als men iemand een slag toebracht, op toorn. Als men daarentegen winst maakte, wordt dat op geen andere ondeugd teruggevoerd tenzij op onrechtvaardigheid.

1130a32            Het is bijgevolg duidelijk dat er naast de algemene onrechtvaardigheid nog een andere, namelijk bijzondere is, die ermee synoniem is omdat de definitie ervan in hetzelfde genus thuishoort: beide hebben ze hun vermogen (dúnamis) met betrekking tot de medemens, maar de ene (nl. de bijzondere) is het te doen om eer of geld of veiligheid, of met welk éne woord ook we dat alles kunnen samenvatten, en ze gebeurt om de lust die uit het gewin voortkomt; de andere (nl. de algemene), anderzijds, is het doen om de totaliteit (van waarden) waarmee de goede mens (ho spoudaíos) te maken krijgt.

1130b6               5. Dat er dus verscheidene vormen van rechtvaardigheid zijn, en dat er wel degelijk nog een andere is naast de algemene voortreffelijkheid, is klaar. Aan ons dan om na te gaan wat ze is, en hoedanig.

1130b8               We zijn eerder tot een tweevoudige indeling gekomen, namelijk voor het onrechtvaardige: het onwettelijke en het ongelijke, en voor het rechtvaardige: het wettelijke en het gelijke. De eerder besproken onrechtvaardigheid[13] beantwoordt dus aan het onwettelijke. Aangezien, evenwel, ongelijkheid en onwettelijkheid niet hetzelfde zijn, maar verschillend, namelijk zoals het deel staat tot het geheel - al het ongelijke immers is onwettelijk, maar niet al het onwettelijke is strijdig met de gelijkheid -, vallen ook het onrechtvaardige en de onrechtvaardigheid (in de zin van inbreuk op de gelijkheid) niet samen, maar zijn ze verschillend van de eerder besproken vorm, namelijk als enerzijds deel en anderzijds geheel. De laatstgenoemde onrechtvaardigheid is immers een deel van de algemene onrechtvaardigheid, en evenzo de (bijzondere) rechtvaardigheid van de (algemene) rechtvaardigheid. Bijgevolg moet ook gesproken worden over de bijzondere rechtvaardigheid en de bijzondere onrechtvaardigheid, en evenzo over recht(vaardig) en onrecht(vaardig).

1130b18            Laten we dan de rechtvaardigheid terzijde laten die op de gehele voortreffelijkheid betrokken is, evenals de onrechtvaardigheid (die op de gehele ondeugd betrokken is), waarbij de eerste de aanwending (chrèsis) is van de gehele voortreffelijkheid met betrekking tot de andere (medemens), de andere die van de (gehele) ondeugd (m.b.t. de andere). Ook is duidelijk hoe het recht(vaardige) en het onrecht(vaardige) dat daarmee overeenstemt, moeten bepaald worden: het merendeel, immers, van de wettelijke (voorschriften) betreft (de daden) die door de gehele voortreffelijkheid zijn voorgeschreven: de wet legt ons op overeenkomstig elke voortreffelijkheid te leven en verhindert dat volgens gelijk welke ondeugd. Bewerkstelligers van de gehele voortreffelijkheid zijn al die wettelijke voorschriften die uitgevaardigd zijn omtrent de opvoeding (paideía) voor de gemeenschap (to koinón). Wat (de vraag) betreft over de individuele opvoeding door dewelke men zonder meer (haploos) een goed man is, namelijk of ze tot de politieke wetenschap behoort, dan wel tot een andere, dat moet later uitgemaakt worden: wellicht, immers, is het niet hetzelfde een goed man (anèr) te zijn en gelijk welk (goed) burger (polítès) te zijn.

1130b30            Van de bijzondere rechtvaardigheid, en het ermee overeenstemmende recht(vaardige), bestaat één vorm (eidos) in de distributies van eerbewijzen of van geld, of van alle andere zaken die er te verdelen zijn onder de deelgenoten van de polisconstitutie - want in deze dingen is het mogelijk dat de ene, in vergelijking met de andere, een ongelijk of een gelijk (aandeel) heeft; een andere vorm is degene die correctief werkt (diorthotikón) in de uitwisselingen. Van deze laatste dan weer zijn er twee delen. Sommige uitwisselingen, immers, zijn vrijwillig, andere onvrijwillig: tot de vrijwillige behoren al zulke zoals verkoop, koop, lening, borgtocht, vruchtgebruik, inbewaringgeving, verhuring - ze worden vrijwillig genoemd, omdat de aanzet tot deze uitwisselingen vrijwillig is. Van de onvrijwillige zijn de ene heimelijk, zoals diefstal, overspel, vergiftiging, koppelarij, slavenverleiding, sluipmoord, valse getuigenis; de andere zijn gewelddadig, zoals aanranding, gevangenneming, moord, roof, verminking, beschimping, belediging.

1131a3               6. Aangezien de onrechtvaardige de ongelijke (of oneerlijke) is, en het onrechtvaardige het ongelijke, is het duidelijk dat er ook een midden (méson) bestaat met betrekking tot de ongelijkheid. Welnu dat is het gelijke (to íson): in elkdanige handeling waar er een teveel en een te weinig kan zijn, is er ook de mogelijkheid van het gelijke. Als dus het onrechtvaardige het ongelijke is, is het rechtvaardige het gelijke: dat is ook zonder argumentatie (logos) ieders mening.

1131a14            Aangezien het gelijke een midden is, zal het rechtvaardige een midden zijn. Het gelijke, nu, doet zich voor tussen minstens twee (termen). Het rechtvaardige, noodzakelijkerwijs, is (a) een midden en het gelijke, en (b) een verhouding (pros ti) en wel tot bepaalde (personen): in zoverre het een midden is, moet het een midden zijn tussen bepaalde (termen) - te weten: meer en minder; in zoverre het het gelijke is, (moet het dat zijn) tussen twee (termen), en in zoverre het rechtvaardig is, (moet het dat zijn) tot bepaalde (personen). Het rechtvaardige doet zich derhalve noodzakelijkerwijze voor tussen minstens vier (termen): de (personen), immers, voor wie het metterdaad rechtvaardig is, zijn twee (in getal), én de zaken waarin (het zich realiseert,) zijn twee (in getal). En er zal eenzelfde gelijkheid gelden, namelijk (voor de personen) waarvoor en (de zaken) waartussen: zoals de laatstgenoemde, i.e. de zaken waartussen, zich verhouden, zo verhouden zich ook de eerstgenoemden. Immers, als (de personen) niet gelijk zijn, dan zullen zij ook geen gelijke (porties) ontvangen, maar daaruit komen juist de twisten en aanklachten voort, namelijk wanneer gelijken geen gelijke, of ongelijken gelijke porties hebben of toegewezen krijgen.

1131a24            Dat is ook duidelijk uit (de formulering) "overeenkomstig de waarde" (kat' axían): iedereen immers is het erover eens dat het rechtvaardige in de verdelingen moet gebeuren naar een of andere waarde, alleen verstaat niet iedereen hetzelfde onder die "waarde", maar de democraten vereenzelvigen haar met vrijheid (eleuthería), de oligarchen met rijkdom (ploutos), nog anderen met edele geboorte (eugéneia), de aristocraten met voortreffelijkheid (aretè).

1131a29            Het rechtvaardige is derhalve een kwestie van evenredigheid (análogon). Die is immers niet enkel eigen aan het uit-eenheden-bestaande getal (monadikós aritmós), maar aan het getal in het algemeen [14]: evenredigheid (analogía) is een gelijkheid van verhoudingen (logoi), (en wel) tussen minstens vier (termen). Dat de verdeelde evenredigheid tussen vier termen geldt, is duidelijk. Ook bij de aaneengesloten (proportie is dat zo)[15]: één term inderdaad wordt dan voor twee gebruikt en wordt tweemaal vernoemd, bv. "zoals (lijn) A tot B (staat), zo (staat) B tot C". Die van B wordt dus tweemaal vermeld; bijgevolg, indien die van B tweemaal wordt genomen, zullen de in evenredigheid geplaatste termen vier in getal zijn. Welnu, ook het rechtvaardige (stelt zich) tussen minstens vier (termen) en hun verhouding (logos) is dezelfde: op gelijkaardige manier verdeeld zijn (de personen) voor wie zowel als (de voorwerpen) waaromtrent. Zoals derhalve de term (horos) A staat tot (de term) B, zo zal C staan tot D, en dus ook kruislings: zoals A tot C, zo B tot D. Bijgevolg ook het ene geheel tot het andere geheel [16]: datgene wat de verdeling koppelt, en indien de combinatie aldus gebeurt, koppelt ze op een rechtvaardige manier.

1131b9               7. De samenvoeging, derhalve, van de term A met C en van B met D is het rechtvaardige-bij-verdeling, en dat (distributief) rechtvaardige is een midden; <het onrechtvaardige>, anderzijds, is hetgene in strijd is met het evenredige, want het evenredige is een midden en het rechtvaardige is evenredig. Dergelijke evenredigheid noemen de mathematici geometrisch: in de geometrische evenredigheid, is het inderdaad het geval dat de verhouding van het geheel tot het geheel precies dezelfde is als die van elk (onderdeel) tot het overeenkomstige (onderdeel). Alleen is deze evenredigheid niet ononderbroken: de (persoon) waarvoor, immers, en (de zaak) waaromtrent vormen geen term die numeriek één is.

1131b16            Het rechtvaardige bestaat dus hierin, namelijk in het evenredige; het onrechtvaardige, anderzijds, in wat in strijd is met het evenredige. (In het laatste geval) wordt de ene (term) te groot, de andere te klein, wat precies is wat zich ook feitelijk voordoet: wie onrecht pleegt, heeft te veel, en wie onrecht ondergaat, te weinig van het goede. Met het kwade is het net omgekeerd: het kleinere kwaad wordt in vergelijking met het grotere kwaad als een goed geteld. Het kleinere kwaad is immers verkieslijker dan het grotere, en wat verkieslijk is, is een goed, en wat zulks in  hogere mate is, is een groter goed.
Dat is dus één vorm (eidos) van het rechtvaardige.

1131b25            De overblijvende (vorm) is de correctionele (diorthotikón) rechtvaardigheid, die tot stand komt in uitwisselingen (sunàllagma), vrijwillige zowel als onvrijwillige. Deze rechtvaardigheid bezit een andere wezensvorm (eidos) dan de vorige. De rechtvaardigheid, immers, die de verdeling regelt (dianemètikón) van de gemeenschapsgoederen (ta koiná) [17] geschiedt altijd in overeenstemming met de hoger besproken (sc. geometrische) evenredigheid: ook als er een verdeling gebeurt van gemeenschapsgelden, zal zij gebeuren volgens dezelfde verhouding als waarin de bijdragen der leden tot elkaar staan; de onrechtvaardigheid, anderzijds, die tegengesteld is aan deze (verdelende) rechtvaardigheid, bestaat in wat in strijd is met de evenredigheid. Rechtvaardigheid, daarentegen, in transacties bestaat weliswaar in een zekere gelijkheid, en onrechtvaardigheid in ongelijkheid, maar niet volgens de genoemde (sc. geometrische), maar volgens de aritmetische evenredigheid. Het maakt immers geen enkel verschil of een fatsoenlijk (mens) (epieikès) een slecht (mens) (phaúlos) heeft beroofd, dan wel een slecht een fatsoenlijk, en evenmin of een fatsoenlijk dan wel een slecht (mens) overspel pleegde: de wet kijkt enkel naar het verschil in schade en behandelt (de betrokkenen) als gelijken, (onderzoekend) of de ene het onrecht pleegt, de andere het ondergaat, en of de ene de schade heeft berokkend, de andere ze heeft geleden.

1132a6              Bijgevolg tracht de rechter dat onrecht, daar het een ongelijkheid is, te egaliseren. Immers, ook wanneer de ene getroffen werd en de andere een slag toebracht, of de ene doodde en de andere stierf, zijn het ondergaan (páthos) en het begaan (praxis) ongelijk verdeeld; maar de rechter poogt het gelijk te maken door middel van de straf, namelijk door van de winst (kerdos) af te nemen. Want in het algemeen gesproken gebruikt men bij zulke gevallen die term, namelijk "winst", ook al is het in sommige gevallen niet de geëigende naam, bv. voor degene die de slagen toebracht, en de term "verlies" (zèmía) [18] voor degene die ze onderging - althans wanneer het lijden gemeten is, wordt het ene "verlies", het andere "winst" genoemd. Het gelijke is bijgevolg het midden van het teveel en het te weinig, en winst en verlies zijn het teveel en het te weinig op tegengestelde manier: het teveel van het goede en te weinig van het slechte is winst, het omgekeerde verlies. Daarvan, zegden we[19], is het gelijke het midden, wat we het rechtvaardige noemen. De correctionele rechtvaardigheid zal bijgevolg het midden zijn tussen winst en verlies. Dat is ook de reden waarom men, wanneer men het oneens is, zijn toevlucht neemt tot de rechter: zich wenden tot de rechter (dikastès) betekent zich wenden tot het recht (díkaion): de rechter, immers, wil a.h.w. het belichaamd recht zijn. En men zoekt de rechter als een midden, en in sommige (streken) noemt men rechters "middelaars", in de overtuiging dat indien men het midden verkrijgt, men zal verkrijgen wat rechtvaardig is. Het recht(vaardige) is dus een soort van midden, aangezien dat ook geldt voor de rechter.

1132a24            De rechter herstelt de gelijkheid en, zoals bij een lijnstuk dat in ongelijke delen gesplitst werd, neemt hij datgene weg waardoor het grootste stuk langer is dan de helft, en voegt het toe aan het kleinste stuk. Wanneer het geheel in twee (dicha) is verdeeld, zegt ieder dán dat men "het zijne" heeft, wanneer ieder het gelijke kreeg. Het gelijke, evenwel, is het midden tussen het grootste en het kleinste volgens de aritmetische evenredigheid. Dáárom wordt het ook "díkaion" (d.w.z. recht) genoemd, namelijk omdat het "dicha" (d.w.z. in twee) is, alsof men zou zeggen "díchaion", en de "dikastès" (rechter) een "dichastès" (in-twee-verdeler) zou zijn. Inderdaad, wanneer van twee gelijke (grootheden) van de ene iets werd afgenomen en aan de andere werd toegevoegd, dan overtreft die laatste de eerste met die twee (eenheden]; immers, als men het wel had afgenomen maar niet had toegevoegd, dan had de tweede de eerste met slechts één (eenheid) overtroffen. (De grootste) overtreft het midden dus met één (eenheid), en evenzo overtreft het midden (de grootheid) waarvan iets afgenomen werd, met één. Hierdoor zullen we dan weten wat we moeten afnemen van het stuk dat teveel heeft, en wat we moeten toevoegen aan het stuk dat te weinig heeft: datgene namelijk waardoor het midden superieur is, dat moeten we toevoegen aan het (stuk) dat te weinig heeft, en datgene waardoor het midden overtroffen wordt, moeten we afnemen van het grootste. Laten de drie lijnstukken AA', BB en CC' onderling gelijk zijn[20]: men neme van AA het (stuk) AE af en men voege dit als CD toe aan CC', zodat de gehele lijn DCC de lijn EA overtreft met CD en CF; en zij derhalve BB overtreft met CD.

1132b11            Die benamingen, namelijk "verlies" en "winst", zijn afkomstig uit de vrijwillige ruil: meer te hebben, immers, dan wat het zijne is, wordt "winst maken" genoemd, minder te hebben, daarentegen, dan wat men oorspronkelijk had, "verlies lijden", zoals bv. in het kopen en verkopen en in alle andere (ruilactiviteiten) waarvoor de wet ons de vrije hand heeft gelaten. Maar wanneer men noch teveel noch te weinig krijgt maar precies datgene wat men zelf heeft ingebracht, dan zegt men dat men "het zijne" heeft en noch winst noch verlies maakt. Bijgevolg is het rechtvaardige het midden tussen een zekere winst en verlies, die niet vrijwillig zijn, namelijk het feit van zowel ervoor als erna het gelijke te bezitten.

1132b21            8. Sommigen, evenwel, zijn de mening toegedaan dat de wederkerigheid (to antipeponthós) rechtvaardigheid zonder meer is. Zoals de Pythagoreërs beweerden: zij definieerden het rechtvaardige inderdaad zonder meer als wederkerigheid jegens een ander. Wederkerigheid echter past noch op de verdelende (nemètikón) noch op de correctionele (diorthotikón) rechtvaardigheid - hoewel men toch wil dat zelfs het recht van Radamanthus[21] die betekenis heeft, namelijk: "als men ondergaat wat men heeft begaan, zal het recht pas recht zijn gedaan"[22]. In vele gevallen, immers, is er (tussen wederkerigheid en correctief recht) een tegenspraak: bv. indien een gezagsdrager een slag heeft toegebracht, mag hij niet op zijn beurt geslagen worden, en indien men een gezagsdrager heeft geslagen, moet men niet alleen geslagen maar ook gestraft worden. Verder maakt het ook een groot verschil of er sprake is van vrijwilligheid (hekoúsion) of van onvrijwilligheid (akoúsion)

11b32b31   Maar in de gemeenschappen die op ruilverkeer berusten (koinoníai allaktikaí), is het deze vorm van rechtvaardigheid die (de mensen) samenhoudt, namelijk de wederkerigheid naar evenredigheid (kat' analogían), en niet naar gelijkheid (kat' isótèta). Het is immers door evenredige wederkerigheid dat de polis bijeenblijft. Want ofwel zoekt men het (kwaad dat men geleden heeft, met) kwaad (te vergelden) - zoniet heeft het (gedrag) de roep van slavernij -, ofwel het (goed met) goed: zoniet komt er geen uitwisseling (metádosis) tot stand; maar het is dank zij de uitwisseling dat men samenblijft. Daarom ook bouwt men het heiligdom der Chariten[23] op een opvallende plaats, namelijk om (te stimuleren) dat er wederkerigheid zou zijn. Dat is immers het eigene aan dankbaarheid (charis): wie ons ter wille is geweest, moeten we een wederdienst bewijzen, en op onze beurt moeten we de eerste zijn om hem ter wille te zijn.

11b33a5            De evenredige wederdienst, nu, wordt gerealiseerd door de diagonaalsgewijze verbinding [24]. Laat A een huizenbouwer zijn, B een schoenmaker, C een huis en D schoeisel. De huizenbouwer moet dan van de schoenmaker diens product ontvangen en zelf het zijne aan hem in ruil geven. Indien dan eerst de gelijkheid naar evenredigheid en vervolgens de wederkerigheid tot stand komen, zal wat we bedoelen het geval zijn. Zoniet, is er geen gelijkheid, en blijft men ook niet samen. Niets, immers, belet dat het werk van de ene beter is dan dat van de andere: die moeten dus gelijk worden gemaakt. Dat is ook het geval bij de andere kunsten: zij zouden verdwijnen, mocht hetgeen de producent produceerde, en met die omvang en hoedanigheid, ook niet ervaren worden door wat eraan onderworpen is, en met dezelfde omvang en hoedanigheid. Niet uit twee artsen, immers, ontstaat een gemeenschap (koinonía) maar uit een arts en een landbouwer, en, in het algemeen, uit (mensen) die verschillen en niet gelijk zijn; maar het zijn zij die gelijk moeten worden gemaakt.

1133a19            Daarom dient alles waarvan er uitwisseling is, op een of andere manier met elkaar vergelijkbaar te zijn. Met het oog daarop is het geld (nómisma) er gekomen en wordt het een soort van midden: het geld meet immers alles, bijgevolg ook het teveel en het te weinig; hoeveel schoeisels precies gelijk zijn aan een huis of aan voedsel. Welnu, naargelang van de verhouding van huizenbouwer tot schoenmaker net zoveel schoenen moeten er gesteld worden tegenover een huis of voedsel. Want als dat niet gebeurt, zal er geen ruil zijn en evenmin een gemeenschap. Dat zal echter het geval zijn, tenzij (de goederen) op een of andere manier gelijk zijn. Derhalve moeten ze allemaal door één iets gemeten worden, zoals eerder al gezegd werd. Dat is in werkelijkheid de behoefte (chreia), die alles samenhoudt: indien (de mensen) helemaal niets nodig hadden, of niet op gelijke wijze, zou er ofwel geen ruil zijn, ofwel niet dezelfde. Het geld, echter, is bij overeenkomst (kata sunthèkèn) a.h.w. een plaatsvervanger van de behoefte geworden; om die reden heeft het de naam "geld" (nómisma), namelijk omdat het niet door natuur (phusei) maar door "gelding" (nómooi) bestaat, en het in onze macht ligt het te veranderen en ongeldig te maken[25].

1133a31            Wederkerigheid zal dus plaats hebben zodra er geëgaliseerd is, zodat het werk van de schoenmaker in dezelfde verhouding staat tot dat van de landbouwer als de landbouwer tot de schoenmaker staat. Men mag ze echter niet in het schema van de evenredigheid plaatsen op het ogenblik dat de ruil al heeft plaats gehad - zoniet zal één van beide polen een dubbel overschot bezitten [26] -, maar wanneer ieder nog het zijne heeft. Aldus zullen ze gelijken en genoten worden, omdat deze gelijkheid bij hen tot stand kan komen: Laat A een landbouwer zijn, C het voedsel, B een schoenmaker, D diens (aan C) gelijk gemaakt product. Indien het echter niet mogelijk was aldus wederkerigheid te realiseren, was er geen gemeenschap.

1133b6               Dat het de behoefte is die (mensen) samenhoudt als een soort van eenheid, blijkt hieruit dat, wanneer zij elkaar niet behoeven - hetzij geen van beiden hetzij de ene de andere niet -, ze niet onderling ruilen, zoals wanneer iemand nodig heeft wat hij zelf <niet?> bezit, bv. wijn, terwijl toestemming voor graanuitvoer wordt gegeven  [27]. Dat moet dus gelijk worden gemaakt. Maar ook voor de toekomstige ruil, indien men nu niets van doen heeft, is het geld a.h.w. een borg voor ons, namelijk dat, áls we iets nodig zullen hebben, het er zal zijn: wie het immers bij zich draagt, moet kunnen krijgen (wat hij nodig heeft). Weliswaar is ook het geld onderhevig aan dezelfde (veranderlijkheid sc. als de koopwaren): het bezit niet altijd hetzelfde vermogen; maar toch wil het eerder stabiel blijven. Daarom moet alles in geldprijs uitgedrukt zijn: op die manier zal er altijd ruil zijn en, indien zij er is, gemeenschap (koinonía).

1133b16            Het geld maakt dus als maat (de dingen) onderling meetbaar en gelijk; er zou immers noch een gemeenschap zijn zonder ruil, noch ruil zonder gelijkheid, noch gelijkheid zonder onderlinge meetbaarheid. In werkelijkheid, weliswaar, is het onmogelijk dat zaken die onderling zoveel verschillen, commensurabel worden, maar met betrekking tot de behoefte is dat in voldoende mate mogelijk. Er moet dan een bepaalde eenheid zijn, en die bestaat dan bij onderstelling (ex hupothéseoos); wat de reden is waarom ze "geld" wordt genoemd: dat maakt immers alles onderling meetbaar, want alles wordt gemeten door geld. Laat A een huis zijn, B tien minai[28], C een rustbank. A is de helft van B waard indien het huis vijf minai, of iets wat daarmee gelijk is, waard is; de rustbank, C, is een tiende deel van B; dan is het duidelijk hoeveel rustbanken gelijk zijn aan een huis, namelijk vijf. Dat de ruil op deze wijze plaats had vóór het geld (bestond), is duidelijk; het maakt immers geen enkel verschil uit of vijf rustbanken geruild worden tegen een huis dan wel tegen wat die vijf rustbanken waard zijn.

(. . .)

 


 

Boek  X,   §  5

(opvoeding en wetgeving: theorie versus praktijk)

 

1179a33            5. Aldus, indien over (de eudaimonie) en de voortreffelijkheden, en verder over vriendschap (philía) en genot (hèdonè) op voldoende wijze in algemene trekken (tois túpois) gesproken is, mogen we dan menen dat ons opzet zijn einddoel heeft bereikt? Of is, zoals men zegt, inzake de dingen die ons te doen staan (ta praktá), het einddoel niet het beschouwen (theoreín) en kennen van ieder, maar veeleer het doen ervan? En volstaat het al evenmin inzake de voortreffelijkheid (aretè) haar te kennen, maar moet integendeel getracht worden haar ook te bezitten en te beoefenen, tenzij we op enigerlei andere manier goed worden?

1179b4               Mochten nu (theoretische) betogen (lógoi) op zich volstaan (autárkeis) voor het produceren van fatsoenlijke mensen, dan zouden ze met recht, volgens Theognis[29], vele en grote beloningen verdienen, en zouden die ook moeten uitgereikt worden; nu, echter, schijnen zij wel de kracht te hebben de edelmoedigen (eleuthérioi) onder de jongeren op te wekken en aan te sporen, en eventueel ook (iemand met) een edel en waarlijk schoonheidsminnend karakter bezeten te maken van de voortreffelijkheid, maar schijnen ze niet bij machte te zijn de grote massa (hoi polloí) op te wekken tot schoonmenselijkheid (kalokagathía). Van nature, immers, laten laatstgenoemden zich niet leiden door eergevoel (aidoos) maar door vrees, en evenmin onthouden zij zich van lage daden ter wille van de schandelijkheid ervan, maar ter wille van de straffen: levend op hun gevoelens (páthos), jagen zij hun eigen genoegens na en waardoor die  tot stand komen, en ontvluchten zij de eraan tegengestelde smarten; maar van het schone (to kalón) en waarlijk lustvolle hebben zij zelfs geen notie, daar ze het nooit geproefd hebben. Dat soort mensen, welk betoog zou hén kunnen omvormen (metarruthmísai)? Het is immers niet mogelijk of niet makkelijk wat zich van oudsher in de zeden heeft vastgezet, door betoog uit te schakelen. Wellicht moeten we er mee tevreden zijn dat we, alles gegeven zijnde waardoor we fatsoenlijk dunken te worden, een aandeel zouden krijgen in de voortreffelijkheid.

1179b20            Goed (agathós) worden is volgens de enen een kwestie van natuurlijke aanleg (phúsis), volgens de anderen een kwestie van gewoontevorming (ἔθος, éthos), volgens nog anderen een kwestie van onderricht (didachè) [30]. Wat dan het aandeel van de natuurlijke aanleg betreft, is het duidelijk dat zij niet van onszelf (eph' hèmîn) afhangt, maar door zekere goddelijke oorzaken aanwezig is bij de waarlijk fortuinlijken; wat anderzijds betoog en onderricht betreft, zij hebben in genen dele op iedereen een krachtdadige invloed maar de ziel van de toehoorder dient voorafgaandelijk door gewoontes grondig bewerkt te zijn ten einde op een schone manier (in het ene) vreugde te scheppen en (het andere) te haten, net zoals de grond die het zaaizaad moet voeden. Immers, wie volgens zijn gevoelen (katà páthos) leeft, zou het betoog dat hem er tracht van af te brengen, noch horen noch zelfs maar begrijpen: welnu, hoe zou men iemand die zo ingesteld is, tot andere gedachten kunnen brengen? In het algemeen blijkt het gevoelen (páthos) niet voor betoog maar voor geweld te zwichten. Het karakter (ἦθος, èthos) moet dus tot op zekere hoogte van te voren met affiniteit voor de voortreffelijkheid aanwezig zijn, (d.w.z.) vol liefde voor het schone (to kalón) en vol afkeer voor het schandelijke (to aischrón).

1179b31            Maar van jongsaf aan een juiste opleiding (agogè) krijgen tot de voortreffelijkheid is moeilijk indien men niet onder overeenkomstige wetten is opgevoed. Maatvol (soophrónoos) en beheerst (karterikoos) te leven is immers niet aangenaam voor de massa (hoi polloí), zeker niet als men nog jong is op de koop toe. Daarom moeten opvoeding (trophè) en bezigheden (epitèdeúmata) geregeld worden door  wetten; wat immers tot een gewoonte is geworden, zal niet meer pijnlijk zijn. Maar allicht volstaat het niet, dat ze (enkel) in hun jeugd de juiste opvoeding en verzorging krijgen; integendeel, aangezien zij die zaken ook wanneer ze man zijn geworden, geregeld moeten beoefenen en zich gewoon maken, zullen we ook daarvoor wetten nodig hebben, en in het algemeen voor het gehele leven: de massa laat zich immers eerder door dwang (anánkè) dan door betoog leiden, en eerder door straffen dan door het schone. Daarom juist zijn sommigen de mening toegedaan dat degenen die de wetten opstellen, oproepen en aansporingen tot voortreffelijkheid ter wille van het schone moeten formuleren, in de overtuiging dat al wie vooraf door gewoontes op een fatsoenlijke manier is opgeleid, daaraan gehoor zal geven; maar dat ze daarentegen straffen en kastijdingen moeten opleggen aan al wie niet gehoorzaamt en al te hardleers is, en dat ze de onverbeterlijken zonder meer moeten verbannen [31]. De fatsoenlijke mens, immers, die leeft voor het schone, zal zich laten leiden door het betoog (lógooi), terwijl de slechte, die uit is op genot, zoals een lastdier door pijn onder controle wordt gehouden [32]. Daarom zeggen ze ook dat de pijnen van een zodanige aard moeten zijn dat ze het meest tegengesteld zijn aan de op prijs gestelde genoegens.

1180a14            Indien men dus, zoals gezegd, ten einde een goed mens te zijn treffelijk dient opgevoed te zijn en goede gewoontes dient aangeleerd te hebben, en vervolgens op die manier zijn leven in fatsoenlijke bezigheden dient door te brengen, en men noch onvrijwillig noch vrijwillig slechte handelingen mag stellen, en indien zulks slechts het geval kan zijn voor wie leeft overeenkomstig een zeker verstandelijk inzicht (nous) en een juiste ordening die over (de nodige) kracht beschikt: welnu, dan (moet gezegd worden dat) de bevelvoering van de vader niét de (vereiste) kracht en al evenmin afdwingbaarheid (to anankaíon) bezit, en al evenmin, in het algemeen, die van gelijk welke man alleen, tenzij wanneer hij een koning (basileús) is of iets dergelijks. De wet, daarentegen, bezit wél een afdwingende macht (anankastikè dúnamis) [33], waarbij ze een betoog (logos) is dat uitgaat van een zekere verstandigheid (phrónèsis) en inzicht (nous). Ook heeft men haatgevoelens jegens die mensen die ingaan tegen de eigen aandriften (hormaí), zelfs indien ze dat terecht doen; de wet, daarentegen, die het fatsoenlijke (to epikeikés) voorschrijft, wordt niet als kwetsend ervaren.

1180a24            Alleen in de polis der Lakedaimoniërs[34], evenwel, en in enkele andere blijkt de wetgever (nomothétès) bekommernis aan de dag te hebben gelegd omtrent de opvoeding en bezigheden (der burgers]. In de meeste polisgemeenschappen, daarentegen, heeft men zich omtrent zulke zaken geen zorgen gemaakt en leeft iedereen zoals hij wil, op 'cyclopische' wijze "de wet stellend aan kinderen en echtgenote" [35]. Het beste, nu, is dat de zorg daarvoor gemeenschappelijk en op een correcte manier gebeurt. Indien dat echter op het vlak van de gemeenschap verwaarloosd wordt, dan zal het wel de plicht lijken te zijn van ieder afzonderlijk om voor de eigen kinderen en vrienden een bijdrage tot de voortreffelijkheid te leveren, <en dat daadwerkelijk te kunnen doen> [36] of daartoe in elk geval het voornemen te hebben.

1180a32            Op basis van wat hier gezegd is, heeft men de indruk dat men daartoe eerder in staat is indien men wetgever is geworden. Het is immers duidelijk dat de gemeenschappelijke verzorgingstaken tot stand komen door middel van wetten, en de fatsoenlijke door de goede wetten. Of het om geschreven of ongeschreven wetten gaat, lijkt wel geen enkel verschil te maken, en evenmin of het er zijn waardoor één (persoon) dan wel velen moeten opgevoed worden, zoals dat ook geen verschil maakt bij muziek of gymnastiek of andere bezigheden. Zoals immers in de polisgemeenschappen de wettelijke voorschriften (ta nómima) en de zeden (ta éthè) van kracht zijn, op dezelfde wijze hebben ook in de huishoudens de uitspraken (logoi) en de gewoontes (ta éthè) van de vader gelding, en nog des te meer omwille van de bloedverwantschap (sungéneia) en de weldaden: door natuur zijn ze hem bij voorbaat genegen en gehoorzaam. Verder heeft een individuele opvoeding ook iets voor op de gemeenschappelijke, zoals dat ook van toepassing is op de geneeskunde: in het algemeen zijn rust en vasten weliswaar goed voor de koortslijder, maar voor een particuliere zieke misschien niet; en ook de vuistvechter legt allicht niet aan alle leerlingen dezelfde strijdwijze op. Het lijkt dus wel zo te zijn, dat het individuele geval met meer precisie wordt gevat wanneer de verzorging particulier gebeurt: ieder krijgt dan immers in hogere mate wat hem past.

1180b13            Maar de beste verzorging zal wel geval per geval verstrekt worden, door een geneesheer, een gymnastiekmeester en ieder ander die een algemene kennis heeft van wat goed is voor iedereen of voor die zodanige gevallen. De wetenschappen (epistèmai), immers, heten te gaan over, en gaan ook inderdaad over het universele (to koinón); toch is er allicht niets dat belet dat ook iemand die niet wetenschappelijk onderlegd is, één particulier geval goed kan behandelen, namelijk wanneer hij door ondervinding (empeiría) nauwkeurig de gebeurtenissen per individueel geval heeft geobserveerd - zoals er ook mensen schijnen te zijn die voor zichzelf de beste geneesheren zijn maar niet in staat zouden zijn voor een andere ook maar enige baat te zijn. Desalniettemin zal men toch wel de indruk hebben dat althans wie technisch (technikós) of theoretisch (theorètikós) onderlegd wil worden, tot het algemene (to kathólou) moet gaan en dát zo goed als mogelijk is moet kennen: zoals gezegd, daarop hebben de wetenschappen betrekking[37]. Misschien moet dan ook door degene die anderen door zijn verzorging (moreel) beter wil maken, of het er nu veel of weinig zijn, gepoogd worden wetgever te worden, indien wij door wetten goed kunnen worden. Immers, gelijk wie of degene die voor ons geplaatst wordt, in een schone habitus te brengen, dat is niet gegeven aan de eerste de beste, maar als iemand het vermag dan degene die de kennis bezit, zoals dat het geval is bij de geneeskunde en de overige (activiteiten) bij dewelke een zekere zorg en verstandigheid (phrónèsis) van doen is.

1180b28            Moet dan hierna niet onderzocht worden, vanwaar, of hoe, iemand onderlegd in het wetgeven (nomothetikós) kan worden? Is het soms, zoals bij de andere kunsten, van degenen die (in de praktijk) de polis leiden (hoi politikoí)? (De betreffende onderlegdheid) bleek immers een onderdeel van de politieke wetenschap (hè politikè) te zijn [38]. Of schijnt het niet gelijkaardig te zijn in het geval van de politiek en in dat van de overige wetenschappen en vermogens? In het geval immers van de andere (kunsten) schijnen het dezélfden te zijn die de vermogens overdragen (aan anderen) én er uit zichzelf actief in zijn, zoals bv. geneesheren en schilders. Wat echter de polisaangelegenheden betreft (ta politiká), verkondigen de sofisten dat ze die onderwijzen maar géén van hen beoefent ze, dat doen integendeel de politiekers (hoi politeuómenoi), waarvan men de indruk kan hebben dat ze dat eerder doen met een zekere bedrevenheid (dúnamis) en ondervinding (empeiría) dan met verstandelijk inzicht (diánoia): ze blijken immers noch te schrijven noch te spreken over dergelijke zaken - nochtans zou dat misschien schoner zijn dan redevoeringen voor de rechtbank of in de volksvergadering -, en al evenmin schijnen ze van hun eigen zoons of van die van hun vrienden polisleiders (politikós) te hebben gemaakt [39]. Het ware nochtans logisch, indien ze daartoe in staat waren: noch zouden ze aan de polis iets beter nalaten, noch zouden ze voor zichzelf, of voor hun meest dierbaren, iets beter kunnen verkiezen dan het bezit aan een zulkdanig vermogen.

1181a9               Desalniettemin lijkt de ondervinding er niet weinig toe bij te dragen, anders zouden ze ook geen polisleiders door de politieke praktijk zijn geworden; daarom lijken degenen die erop uit zijn kennis van de politiek te hebben, op de koop toe ondervinding nodig hebben. Van de sofisten, anderzijds, schijnen degenen die dat verkondigen, wel heel ver verwijderd te zijn van het (effectief) onderwijzen ervan [40]. Ze weten zelfs in het geheel niet wat voor iets (de politiek) is, of waarover ze handelt: ze zouden haar immers niet vereenzelvigd hebben met de retoriek of nog erger, en evenmin zouden ze geloven dat wetgeven gemakkelijk is voor wie de beroemde wetten verzamelt - men zou er dan de beste kunnen uitkiezen, alsof het uitkiezen niet iets is dat verstandelijk begrip (súnesis) vraagt, en juist oordelen niet iets van het zwaarste is, zoals op het gebied van de muziek. Het zijn immers de mensen met ondervinding op elk bijzonder terrein die de werken ervan juist beoordelen, en die begrijpen waardoor of hoe ze tot stand komen, en welke met welke concorderen; de onervarenen, daarentegen, moeten er zich mee tevreden stellen dat hun niet ontgaat of het werk goed of slecht gemaakt is, zoals op het gebied van de schilderkunst. De wetten, nu, lijken de werken (erga) van de politiek te zijn; hoe zou iemand dan daaruit onderlegd-in-het-wetgeven kunnen worden, of oordelen welke de beste zijn? Blijkbaar wordt men immers ook niet onderlegd-in-de-geneeskunde vanuit de geschriften ervan. Nochtans doen (de auteurs ervan) tenminste nog een poging, niet alleen om de medische behandelingen uiteen te zetten, maar ook om aan te geven hoe iedereen kan genezen worden en hoe men iedereen moet behandelen, namelijk door een indeling te maken van de lichamelijke gesteldheden. Maar dat alles schijnt wel nuttig te zijn voor degenen die al ondervinding hebben, maar nutteloos voor de onkundigen.

1181b6               Wellicht, dan, kunnen ook verzamelingen (sunagogaí) van wetten en polisconstituties (politeíai) [41] van groot nut zijn voor degenen die capabel zijn er een studie van te maken en te oordelen wat goed is of het tegenovergestelde, en welke met welke harmoniëren; diegenen, anderzijds, die dergelijk (materiaal) doornemen zonder (wetenschappelijke) habitus (hexis), zal het weliswaar niet gegeven zijn een treffelijk oordeel te vormen, tenzij dan per toeval (autómaton), maar misschien zullen ze er wel een beter begrip voor krijgen.

 

§-§-§
 

1181b12            Aangezien dus onze voorgangers[42] de kwestie van de wetgeving (nomothesía) ononderzocht hebben nagelaten, is het misschien het beste dat we haar zelf onderzoeken, en in het algemeen dan die van de polisconstitutie (politeía), opdat onze wetenschappelijke studie over de menselijke aangelegenheden (hè perí ta anthrópeia philosophía), voor zover het in ons vermogen ligt, tot haar voltooiing zou komen. Laten we dan eerstens trachten te overlopen of in enig detail iets goeds is gezegd door de vroegere (denkers)[43], en vervolgens vanuit de verzamelde constituties bestuderen (theoreín) welke (factoren) de polisgemeenschappen in stand houden en welke ze ten onder doen gaan, en welke dat doen voor elk der constituties, en door welke oorzaken de ene goed en de andere slecht politiek bestuurd worden [44]. Want wanneer we dat eenmaal bestudeerd hebben, zullen we misschien ook beter overzien welke polisconstitutie de beste (arístè) is, op welke wijze telkens georganiseerd, en met gebruikmaking van welke wetten en gewoontes[45]. Laten we dus starten met onze uiteenzetting.

 

_________________________________________

 

NOTEN:

 

[1]      Vgl. hiermee de wijze waarop in Metaphysica A, 982b47, de "eerste filosofie", of metafysica, tot de meest supreme wetenschap wordt gemaakt, namelijk door niet de polis maar de natuur als alomvattende totaliteit te beschouwen: "De meest gebiedende (archikotátè) der wetenschappen ten slotte en die in hogere mate de dienende wetenschap gebiedt, is degene die weet ter wille waarvan elke handeling verricht moet worden, d.w.z. het goede in elk individueel geval; in het algemeen, echter, is dat het hoogste goede in de natuur in haar totaliteit".

[2]      Werken & Dagen, vv. 293297.

[3]      Letterlijk: "manvoeters" (andrapodódeis).

[4]      Legendarische Assyrische koning (cf. Assurbanipal van Ninive, 667-647 vK), die blijkens zijn grafmonument een leven vol seksuele en andere uitspattingen zou hebben gesleten.

[5]      Zie Boek X, §§ 6-9.

[6]      Sc. de Vormen- of zgn. Ideeënleer van Platoon.  Vgl. de 23 bezwaren die Aristoteles tegen deze theorie inbrengt, in het slotdeel van Metaphysica Alpha, 990b1 e.v.

[7]      Cf. de tafel van "goede" en "slechte" principes, in Aristoteles' Metaphysica A, 986a23 e.v.; cf. De Ley 1977, pp. 88-89.

[8]      Lid van de Akademie, en, als diens neef, erfgenaam en opvolger van Platoon.

[9]      Vgl. Metaphysica, Γ 2.

[9bis]  We permitteren ons hier het neologisme, "voleindig", als vertaling voor téleios om op die manier de etymologische link met télos beter te bewaren, en tegelijkertijd voor télos de vertaling met "einddoel" te kunnen behouden (bínnen iedere 'kunst' is het doel ervan het 'einddoel').

[9tris] Door Ross wordt de voorafgaande passus tussen rechte haken geplaatst, als zijnde 'verdacht': hij "lijkt een herhaling te zijn van wat eraan voorafgaat" (vertaald uit zijn kritisch apparaat).

[10]    Eén van de zgn. Zeven Wijzen.

[11]    De Sofist Thrasumachos in Platoons Politeia, 343 C 3.

[12]    D.w.z. het gaat ons om de rechtvaardigheid als één van de specifieke voortreffelijkheden, of deugden, náást de andere (moed, matigheid, enz.), en niét om de deugdzaamheid, of rechtschapenheid, als alomvattende morele voortreffelijkheid.

[13]    Cf. supra, 1129b11-1130a13.

[14]    ("Evenredigheid is niet enkel eigen aan het abstracte getal, maar ook aan alle telbare eenheden. De opmerking is wellicht een latere toevoeging"), Thuijs (1954), p. 125 n.1.

[15]    Dus: "a : b = b : c".

[16]    ("Het geheel is de samenvoeging van een persoon en een zaak, bv. A+C. De verhouding wordt derhalve aldus: A - C = B - D = A : B"), Thuijs, o.c., p. 125 n. (2).

[17]    I.e. de distributieve rechtvaardigheid.

[18]    Betekent ook: "straf".

[19]    Cf. supra, kap. 3, 1131a14.
 

[20]  Aldus: 

[21]    Zoon van Zeus en Europe, en broer van Minos; mythisch wetgever op Kreta en na zijn dood één van de drie rechters in de onderwereld (Platoon, o.m. Gorgias, 523E8).

[22]    Hesiodos, fr. 286 Merkelbach-West. Volgens een anonieme commentator bij Aristoteles luidde het eraan voorafgaande vers: "als men kwaad zaait, zal men ook kwade winsten maaien".

[23]    Charites, in het Grieks. Het woordje "charis" betekent o.m. dankbaarheid, gratie.

[24]    I.e. in de volgende figuur:   

[25]    Vgl. Pol., I.9, 1257b10v.

[26]    ("De waarde der goederen moet vóór de ruil bepaald worden, daar anders het afgestane goed te hoog en het ontvangene te laag geschat wordt"), Thuijs, o.c., p. 132 n. 2.

[27]    ("Ondanks de vele beproefde correcties is hier aan de tekst geen logische zin te geven"), Thuijs, o.c., p. 133 n. 1.

[28]    Een munteenheid (1 mina= 100 drachmen).

[29]    Theognis (elegisch dichter, 6de eeuw vK), v. 434.

[30]    Vgl. Platoon, Meno, 70A14 (openingswoorden): "Kun je mij zeggen, Sokrates, of de voortreffelijkheid onderwijsbaar is? Of is ze geen kwestie van onderricht maar van inoefening? Of is ze noch in te oefenen noch aan te leren, maar komt ze door natuurlijke aanleg tot de mensen, of op enigerlei andere manier?"

[31]    Vgl.  Platoons aanbeveling, in De Wetten, 722A7723D4, om de eigenlijke wetsartikels te laten voorafgaan door protreptische en vermanende proöimia.

[32]    Vgl. met wat Aristoteles schrijft in Pol. I.5, 1254b2226, over het onderscheid tussen slaven en lastdieren; en ibid., kap. 13, 1260a57, over de zinvolheid van het vermanen van slaven.

[33]    Cf. de "potestas coactiva", in de Defensor Pacis van Marsilius van Padua, als voorwaarde om van wet en recht in de strikte zin van het woord te kunnen spreken.

[34]    I.e. Sparta.

[35]    Homeros, Odyssea, z. 9 v. 114. Vgl. Pol. I.2, 1252b2223.

[36]    Op voorstel van Bywater naar hier verplaatst van r. 15 (na "gebeurt").

[37]    Vgl. Metaphysica A, kap. 1, 981a12 e.v.: "Het is juist, dat met het oog op het handelen ondervinding (empeiría) in niets lijkt te verschillen van kunst (téchnè ); ja, we zien zelfs dat de mensen met ondervinding succesvoller zijn dan degenen die theorie (logos) bezitten zonder de ondervinding. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat ondervinding kennis (gnosis) van het particuliere is, kunst daarentegen kennis van het algemene, terwijl alle handelingen en creaties betrekking hebben op het particuliere; want niet de mens wordt door de arts genezen, tenzij bijkomstig, maar Kallias of Sokrates, of iemand anders met een dergelijke naam, wie het toevalt mens te zijn...".

[38]    Maar dan wel "politikè " als alomvattende wetenschap, en niet als de (eraan ondergeschikte) kunst van het "politiek bedrijven", die náást de wetgevende staat, vgl. Pol., VI.8, 1141b2329: "Politieke wetenschap en (praktische) verstandigheid (phrónèsis) vormen weliswaar dezelfde habitus, maar hun wezen is niet hetzelfde. Van de verstandigheid m.b.t. de polis is de ene (subcategorie) wetgevend (nomothetikè), namelijk in zoverre ze een leidinggevende (architektonikè ) verstandigheid is, de andere, in zoverre zij zich met de particuliere aangelegenheden bezighoudt,  draagt de algemene naam, namelijk van politikè: zij is het die op de praktijk is gericht (praktikè ) en beraad vereist... Daarom zegt men enkel van hen (die daaraan participeren) dat ze aan politiek doen: zij alleen, immers, stellen handelingen op de wijze van de ambachtslui".

[39]    Vgl. reeds Platoon, Meno, 93B694B8, en Protagoras, 319D7320B1, met vermelding van prominente staatslieden als Themistokles en Perikles.

[40]    De passus 1181a12-b12 is een polemiek tegen Isokrates' Antidosisrede, die in 355/354 gepubliceerd werd.

[41]    Cf. de verzameling van 158 constituties die Aristoteles met zijn leerlingen heeft aangelegd (alleen het eerste boek, het Athènaioon Politeia, wer in 1891 op papyrus teruggevonden).

[42]    Sc. vóór Platoon en Aristoteles?

[43]    Is een aankondiging van Politica, boek II.

[44]    Cf. Politica, boeken III en IVVVI.

[45]    Cf. Politica, boeken VII-VIII.

* PS 1. Deze (licht herwerkte) vertaling vergezelde de syllabus, "Phusis & Polis", Aristoteles' Praktische Filosofie, UGent, 3de herwerkte uitgave, Gent 1996. Zij is gebaseerd op de tekstuitgaven van W.D.Ross, Aristotelis Ethica Nicomachea (Oxford 1975 reprint). In de Verantwoording van voornoemde syllabus schreef ik o.m.: "(Ik) heb gestreefd naar een vertaling die zoveel mogelijk recht doet aan de Griekse, vaak weinig sierlijke zinsconstructie. Ten einde de 'barbaroi' onder ons zo weinig mogelijk op het verkeerde been te zetten, wat de Nederlandse terminologie betreft, heb ik - telkens dat relevant leek - Nederlandse woorden die de zin van het Grieks weergeven, maar niet als zodanig in de Griekse tekst zijn terug te vinden, tussen... haakjes geplaatst". Op het ogenblik dat ik mijn vertaling opstelde, moest het Nederlandstalige lezerspubliek nog terugvallen op de oudere vertaling van R.W.Thuijs (in de Klassieke Galerij, nr. 84, Antwerpen 1954). Ondertussen is er gelukkig een nieuwe, eigentijdse vertaling op de markt gekomen, van de hand van Christine Pannier & Jean Verhaeghe: Aristoteles Ethica: Ethica Nicomachea, Historische Uitgeverij, Groningen 1999. Ze bevat tevens een inleiding en aantekeningen.

PS 2. Eerder spaarzaam, werden belangrijke Griekse termen, behalve in transcriptie, ook in Grieks alfabet in de teksten opgenomen. Om alle letters, ook die met diakritische tekens, correct op het scherm te krijgen, volstaat het dat je op je pc beschikt over het ttf-lettertype, "Palatino Linotype", dat onder meer alle nodige (oud-)Griekse teken(combinatie)s bevat. In Windows is dit lettertype standaard aanwezig vanaf Windows 2000. Mocht je het, om een of andere reden, niet geïnstalleerd hebben, kan je je het font aanschaffen (tegen betaling) via URL: http://www.linotype.com/57056/palatinolinotype-family.html .
 

• Inhoudstafel • CIE-Index •

Update: 14 juli 2008