6.1.
Platoon: Rationalisme en "Gegenaufklärung".
"De mens is uitgedacht om een soort van
speeltje (paígnion) te zijn van de Godheid, en dàt is
waarlijk het beste dat er aan hem te vinden is. Iedere man en
iedere vrouw dient zijn/haar leven op die wijze door te brengen,
namelijk zich schikkend naar die rol, en spelletjes (paidiàs)
spelend die zo mooi mogelijk zijn [sc. in de ogen van de
goddelijke toeschouwer]".
Aldus de oude Platoon, in De Wetten[1].
De mens, dus, als marionet van de goden: we zijn hier wel héél ver
van het zgn. "antropocentrisme" van een Protagoras, met
diens
beruchte stelling, "de mens is de maat (metron) van alle
dingen"[2].
Voor de oude Platoon was de mens integendeel een wezen dat per
definitie "niet ernstig mag worden genomen": in de
kosmisch-theologische orde gold het menselijke bestaan als
niet meer dan een "Spielerei" (paidiá). Vandaar de
belijdenis, door "de Athener" in De Wetten,
van een uitdrukkelijk theocentrisme, met een quasi expliciete
terechtwijzing van de grote Sofist:
"De Gódheid (ὁ θεός),
toch wel, zal voor ons absoluut de maat (metron) zijn van
alle dingen - alleszins in veel hogere mate dan ergens een of
ander mens, zoals door sommigen [i.e. Protagoras] beweerd wordt"[3].
Vanuit algemeen, ideologisch oogpunt mag deze
platoonse opstelling - niet enkel t.o.v. Protagoras maar
t.o.v. de Sofistiek in het algemeen - ongetwijfeld als de
uitdrukking van een soort van "Gegenaufklärung", "Antiverlichting",
worden getypeerd.
Maar het is ons hier niet zozeer te doen om de
ideologische, als wel om de wetenschapsmethodologische
implicaties van dit soort van uitspraken van Platoon. Indien de
mens "niet ernstig" mag worden genomen, en dus geen
"studie" (spoudè) waard is, houdt dat in dat die mens, met
zijn/haar gedragingen, doelstellingen, geschiedenis, enz.,
ook niet het voorwerp kan uitmaken van een zelfstandige theorie
of filosofie. Anders gezegd: van een "antropologie", of een
περὶ
τὰ ἀvθρώπεια
φιλoσoφία,
een "wetenschap omtrent de menselijke aangelegenheden" -
zoals Aristoteles zijn praktische filosofie zal noemen[4], kan in Platoons visie geen sprake zijn. Günther Bien, in zijn
baanbrekende studie, Die Grundlegung der politischen
Philosophie bei Aristoteles[5],
verwijst ter illustratie naar de inhoud van de Politeia[6],
een dialoog die dan toch als Platoons politiek-filosofisch
werk bij uitstek geldt. In die tekst komen in werkelijkheid
nagenoeg àlle filosofische hoofdthema's aan bod die Platoon
bezighielden: d.w.z. naast ethiek en politiek ook poëzie en
opvoeding, psychologie en kennisleer, ontologie en metafysica,
theologie en eschatologie, kosmologie en - als we er de
Timaeus bij voegen, die uitdrukkelijk als een vervolg op
de Politeia wordt geïntroduceerd - natuurfilosofie,
kosmogonie, fysiologie, enz.
In de 'roes', inderdaad, van de door hem
gerealiseerde intellectuele revolutie, werd Platoons denken
volledig gedomineerd door de eenheidsgedachte
- door het 'totalisme',
zo je wil - : zoals alle "zijn" door hem binnen één en
hetzelfde genus werd gestructureerd, en dus onder één en
hetzelfde zijnsprincipe, namelijk de "Vorm van het Goede"
( ἡ ἰδέα
τoῦ ἀγαθoῦ),
zo integreerde hij alle kennis - óók betreffende mens en
maatschappij - binnen een alles omvattende
eenheidswetenschap, de zgn. dialektikè,
onder dezelfde Vorm van het Goede als het absolute kennisprincipe.
Voor de ethische en politieke reflectie betekende
zulks een directe koppeling aan ontologie en metafysica - de
normen voor het menselijke handelen zijn metafysisch
verankerd in de wereld der Vormen -, en hun onderschikking aan
de theologie. Wat onvermijdelijk ook 'praktische' gevolgen had,
namelijk in de vereisten van ideologische conformiteit, en dus van
intolerantie: in De Wetten, boek X, wordt het burgerschap
uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de aanvaarding van een
aantal theologische doctrines (bv. de goddelijkheid van de hemellichamen,
de goddelijke Bouwmeester, e.d.), en wordt het "atheïsme" als de hoofdverantwoordelijke gebrandmerkt voor immoralisme,
criminaliteit, enz. Vandaar ibidem ook een uitgewerkt voorstel
van strafrecht ter vervolging van de zgn. "goddeloosheid" (asébeia),
zelfs m.i.v. de doodstraf[7].
De ironie wil dat Platoons bewoordingen dusdanig gekozen zijn
dat in de eerste plaats zijn eigen, gevenereerde maar
subversieve leermeester, Sokrates, erdoor geviseerd lijkt[8].
Zo wordt voor de onverbeterlijke "goddeloze" o.m. het
volgende gestipuleerd[9]:
"Voor <de goddeloze die> zich niet laat
overreden, moge de volgende wet van toepassing zijn
betreffende de goddeloosheid.
Als iemand zich aan goddeloosheid schuldig
maakt, hetzij in woorden hetzij in daden, zal wie er toevallig
in contact mee komt, de verdediging <van de staat> op zich nemen
door aangifte te doen van het feit bij de archonten. De
magistraten die er het eerst van in kennis worden gesteld,
zullen de beklaagde overeenkomstig de wetten voor de
rechtbank brengen... Er zullen vele soorten van zulke lui
bestaan..., maar de soort <die zich verbergt achter een masker>
van ironie (to eironikón eidos) bedrijft fouten die, méér
dan één of tweemaal, de dood verdienen".
Maar keren we terug naar het filosofische totalisme
van Platoon. Om Bien te citeren[10]:
"De in zich gesloten conceptie van Platoon wordt
centraal dààrdoor bepaald dat de ordeningen, articulaties en
instellingen van het menselijk leven teruggevoerd worden op
dezélfde structuren als degene die het zijnde in zijn
totaliteit constitueren: namelijk op de eenheid van het Ene als
proportie, harmonie, orde en sympathie. Platoon slaagt er
daarmee in... de concrete volheid van de verschijnselen:
kosmos, organisme, ziel, staat, het kunstwerk en de producten van
alle kunsten, terug te binden aan de zijnsgrond."
Welnu, het is in de allereerste plaats tegen deze
platoonse achtergrond - die er dus een is van
"opheffing van het onderscheid tussen theorie en
praktijk[11],
evenals van terugvoering van politiek en ethiek op een henologische en structurele zijnsleer, (en van terugvoering)
van de geschiedenis op de ontologie"[12]
-
dat we Aristoteles' "Grundlegung", of
fundering, van een "praktische filosofie" moeten situeren. Aristoteles heeft zijn "menswetenschap" inderdaad
ontwikkeld via een quasi permanente, kritische confrontatie,
zoniet polemiek, met zijn leermeester Platoon. Over deze
polemische, of beter: dialectische werkwijze - die
historisch inderdaad ten grondslag lag aan de ganse sokratisch-platonische traditie, of zeg maar: aan de filosofie als
zodanig[13] - merkt Aristoteles zelf op, in De Caelo, 294b710:
"Wij hebben immers allemaal de gewoonte ons
onderzoek niet met betrekking tot het studieobject zelf te
voeren, maar veeleer met betrekking tot de (persoon) die
tegenovergestelde standpunten inneemt; ook wanneer we iets bij
onszelf onderzoeken, trouwens, zullen we stoppen op het ogenblik
dat we niets meer tegen onszelf in te brengen hebben".
Wat Bien[14]
doet opmerken dat, hoewel zij hier haar eerste volledige "Verschriftlichung"
kent, de filosofie bij Aristoteles wel degelijk haar
"dialogisch" karakter bewaard heeft.
6.2. Aristoteles: Platoonkritiek en Fysica.
Aristoteles' discussie met Platoon neemt in zijn
teksten verschillende vormen aan. Op het inhoudelijke vlak kan
gewezen worden op de vele passussen waarin expliciete kritiek
geformuleerd wordt (waarbij Platoon al dan niet uitdrukkelijk
met name vernoemd wordt)[15].
In andere gevallen kunnen we van een impliciete kritiek
spreken, namelijk wanneer Aristoteles de facto afwijkende standpunten
argumenteert; maar ook de behandeling van thema's die bij Platoon
niét aan bod komen, is in dit opzicht betekenisvol.
In verband met dit inhoudelijke aspect van de
confrontatie, en aansluitend bij wat hoger Platoons "Antiverlichting"
werd genoemd, kan Aristoteles' theoretisch (maar ook:
politiek-ideologisch) project i.v.m. mens en maatschappij
algemeen worden gekarakteriseerd als: een poging tot
bemiddeling tussen (het absolutisme van) Platoon en (het
relativisme van) de Sofisten, weliswaar onder de suprematie
van het platonisme - d.w.z. zonder dat Aristoteles in de echt
essentiële punten het platonische kamp verlaat[16].
Maar de aristotelische Platoonkritiek manifesteert
zich ook op het meer formele vlak van de filosofie- en wetenschapsconceptie,
namelijk met de constructie van zowel een
veelheid van zelfstandige "wetenschappen" (philosophíai),
in oppositie met de platoonse eenheidswetenschap, als van een
bepaalde vórm van "wetenschap". Inzake de
fysica, bv.,
gaat Aristoteles de confrontatie niet zozeer aan op het niveau
van particuliere stellingen van Platoon, die door hem
bekritiseerd worden, als wel in het project van een
"natuurwetenschap" als zodanig[17].
Zijn eigen algemeen uitgangspunt is het (pluralistische)
principe dat er
"evenveel onderdelen van de filosofie [d.w.z.
evenveel 'filosofieën', of wetenschappen] zijn als er [klassen
van] ousíai, of wezenheden, bestaan"[18].
Net zomin als alle wezenheden onder één genus, namelijk van hét "zijn", vallen, zoals Platoon het wou
- zij
worden integendeel toegewezen aan een veelheid van genera: i.e. de zgn.
categorieënleer[19] , behoort alle kennis tot één en dezelfde wetenschap. Anders
gezegd: zoals er een veelheid is aan zijnscategorieën en
wezenheden, zo is er ook een veelheid aan zelfstandige
wetenschappen. "Zelfstandig" wil hierbij zeggen, dat
zij elk hun specifiek zijnsgebied bezitten, zowel als hun
specifieke (wetenschaps)principes
(ἀρχαί,
archaí). Wolfgang Kullmann, in zijn studie,
Wissenschaft und Methode. Interpretationen zur
aristotelischen Theorie der Naturwissenschaft[20],
beklemtoont terecht het belang van dit
"pluralisme van de wetenschappen en
bewijsprincipes, dat aan Aristoteles' wetenschapsleer haar
bijzonder karakter verleent, en dat ze bij voorbaat oriënteert
in de richting van een nivellering van het streng hiërarchisch
wetenschapsmodel van Platoon".
Wel moet erop gewezen worden, samen met Joachim[21],
dat Aristoteles' conceptie van de "eenheid" van een
particuliere wetenschap niet volledig consistent is:
"een wetenschap is één, wanneer haar object één
enkel 'genus' is; maar wàt dan moet verstaan worden onder één
enkel 'genus', is verre van duidelijk".
Hoe dan ook, op basis van voornoemd, algemeen
principe onderscheidt Aristoteles drie zgn. "theoretische
filosofieën" (θεωρητικαὶ
φιλoσoφίαι).
In neerdalende beweging, namelijk van de Onbewogen Beweger naar de
wereld van de natuur, zijn dat:
1. de "eerste filosofie"
(ἡ πρώτη
φιλoσoφία) of metafysica: zij bestudeert het zijn dat
(1) op zichzelf bestaat (dus ousía is), en (2)
"onbewogen" is (d.w.z. pure vorm of act is), i.e. de
Godheid, met inbegrip van de (onbewogen bewegers van) de
planetensferen in het bovenmaanse deel van de kosmos. Vandaar dat
Aristoteles deze filosofie ook als "theologikè" kan
bestempelen. Maar tegelijkertijd bestudeert de "eerste
filosofie" ook het "zijnde qua zijnde" (d.w.z. het
zijnde, niét in zoverre het bv. kwantiteit is, of in beweging is,
maar inzoverre het "is"), en de attributen ervan.
Hoewel dit zijnde qua zijnde a.h.w. exemplarisch 'belichaamd'
wordt (maar dat is hier wel een zéér ongelukkige wijze van
spreken) in het zijn van de goddelijke wezenheden, gaat het de
metafysica toch om het "zijn" van de gehele werkelijkheid
- van de natuurlijke zowel als van de bovennatuurlijke. Vanuit dit
opzicht kan gezegd worden dat de "eerste filosofie"
de werkelijkheid ('zijnsheid') in haar totaliteit
bestudeert[22].
2. De mathematica:
zij bestudeert het zijn
dat (1) niét op zichzelf bestaat, dus géén ousía is (met
uitzondering, evenwel, van het studieobject van de astronomie),
maar dat (2) wél "onbewogen" is. De onderdelen ervan, sc.
aritmetica en geometrie, bestuderen dezélfde (natuurlijke)
werkelijkheid als de fysica, maar dat zijnde wordt noch qua
beweeglijk, noch qua zijnde beschouwd, maar (louter) qua kwantiteit:
ze bestuderen m.a.w. de bijvoeglijke kenmerken, of "vormen" (eídè),
die door de menselijke geest geabstraheerd worden van
de wezenheden die ze bepalen: namelijk getal[23],
meetkundige figuur, lijn, e.d. Het derde onderdeel, daarentegen,
van de wiskunde, namelijk de astronomie, neemt een gans bijzondere
positie in. Aristoteles bestempelt haar als
"de mathematische wetenschap die het meest
verwant is aan de (eerste) filosofie... (In onderscheid met de
andere doet zij wél aan) beschouwing (theoría) van een
wezenheid (ousía), een (wezenheid) die weliswaar
zintuigelijk maar (toch) eeuwig is",
namelijk die van de hemellichamen[24].
Van die (goddelijke) hemellichamen, of "planeten"[25],
bestudeert de astronomie nochtans niet zozeer de zicht-, beter:
schijnbare banen, die onregelmatig zijn, als wel de
"wérkelijke", volmaakt cirkelvormige sfeerbewegingen die
aan de zichtbare ten grondslag liggen. De juiste combinatie van een veelheid van dergelijke sferische bewegingen per
planeet (in een soort van meetkundig model) kan precies de
"schijnbare", onregelmatige bewegingen (regressies,
lussen, enz.) ervan verklaren[26].
3. De phusikè,
door Aristoteles ook wel
"tweede filosofie" genoemd: zij bestudeert het zijnde dat
(1) op zichzelf bestaat (dus ousía is), en (2) in
"beweging" is (dus: "stoffelijk" is). Aansluitend bij wat
hierboven gezegd is i.v.m. de astronomie en haar studieobject,
moet erop gewezen worden dat Aristoteles op het vlak van de
kosmologie in feite een veel radicaler dualist was dan Platoon: hij trok inderdaad een kwalitatieve, of ontische,
scheidingslijn in de (éne, eeuwige en geocentrische) kosmos
tussen het "bovenmaanse" en het "ondermaanse". De bovenmaanse
wereld wordt - althans volgens Aristoteles' geschrift De
caelo - fysisch geconstitueerd door een bijzonder, zgn. vijfde element: de aithèr, wiens
natuurlijke beweging de volmaakte cirkel is, en wordt "bevolkt"
door de goddelijke (want eeuwige: cf. de cirkelbeweging)
hemellichamen. Daartegenover vormt de ondermaanse wereld de
phúsis, d.w.z. de "natuur", stricto sensu. Zij is
het gebied van de klassieke 4 elementen - wier natuurlijke
beweging rechtlijnig is (d.w.z. naar omhoog en naar omlaag)
- en van de kínèsis in het algemeen.
Terwijl de "vormen", of "species" (eídè),
van planten, dieren en mensen bestendig in de natuur
verwerkelijkt worden, dankzij het voortplantingsproces, en ze
dus eeuwig en onveranderlijk zijn, zijn de individuele,
natuurlijke wezens - die particuliere boom, die particuliere mens, enz.
- sterfelijk[27].
Tegelijkertijd zijn ze onderhevig aan allerlei contingenties,
of toevalligheden: alleen de cirkelbeweging, immers,
garandeert niet enkel onsterfelijkheid[28]
maar ook een perfecte noodzakelijkheid of wetmatigheid.
Doorheen de (metaforische) cirkelbeweging, weliswaar, van de
voortplanting[29] - die zelf de (reële) ruimtelijke
cirkelbeweging van de hemelsferen als haar (doel)oorzaak heeft - verlenen die
universele, natuurlijke vormen aan dat natuurlijke proces
een algemene wetmatigheid, en dus: rationaliteit of intelligibiliteit. Niets daarentegen van wat zich op het
particuliere of individuele vlak voordoet, is zeker of
noodzakelijk. De phúsis is daarom het gebied van een
louter statistische wetmatigheid: de dingen gebeuren er
slechts ὡς
ἐπὶ τὸ
πoλύ, d.w.z. "meestal" wordt uit een
mens een mens geboren, uit een hond een hondμ enz. Soms, nochtans,
worden "monsters" (τέρατα)
voortgebracht (bv. een hond met twee koppen, een kalf met een
hondekop, enz.). In tegenstelling, dus, tot het goddellijke
zijn van het bovenmaanse, dat "noodzakelijk" is, d.w.z.
"niet anders kan zijn dan het is", is de natuur in zekere
zin het gebied van het contingente, d.w.z. van "wat (wél)
anders kan zijn dan het is" - hoewel de principes ervan, de
vormen, onveranderlijk en dus noodzakelijk zijn. "De natuur
wíl wel altijd, maar kàn niet altijd", schrijft Aristoteles
berustend in de Politica[30].
Deze situatie heeft onvermijdelijk gevolgen voor de
wetenschappelijke studie van die natuurlijke fenomenen, in de
fysica: vanuit het oogpunt van de "exactheid" (akríbeia),
inderdaad, komt die fysica in vergelijking met de metafysica
slechts op de tweede plaats, en is zij dus (slechts) "tweede
filosofie". Aangezien de natuurlijke vormen altijd
verbonden zijn met stof, en zij bijgevolg nooit volledig
act, of enérgeia, kunnen zijn, is perfecte kennis
- in de
zin van de eenwording van het kennende en het kenobject, zoals
in het geval van het intellectueel denken
(voεῖv) en het (onstoffelijke)
denkobject (voητόv)
- hier niet mogelijk.
6.3. Mens en Natuur.
Tot de contingente wereld van de phúsis
behoort ook de mens. Hij[31]
is een "dier" (ζῶιov)
onder de "dieren" (ζῶια).
Dat houdt in dat hij, net zo goed als de andere natuurlijke
wezens, en in dezelfde fysische zin, een archè, d.w.z.
een "(bewegings)principe" is, te weten in de zin dat
"ieder levend wezen er vele (andere) kan
voortbrengen, die van dezelfde aard zijn als hijzelf, bv. een
mens brengt mensen voort, en, in het algemeen, een dier dieren
en een plant planten"[32].
Àls een dergelijke
ousía valt ook de mens binnen het kennisveld van de
fysica,
meer bepaald dat van de bio- en zoölogische wetenschappen.
Maar voor de menselijke soort is daarmee
'de kous
niet af'. In onderscheid met de andere wezens, is hij niet énkel
een (procreatief) bewegings-, maar ook een
"handelingsprincipe"
(archè práxeoos). Zoals Aristoteles in de geciteerde passus
vervolgt:
"Daarenboven is de mens, als enige der levende
wezens, óók archè van bepaalde handelingen (praxeis);
want van geen enkel ander levend wezen zeggen we dat het
handelt".
Wezenlijk voor déze, d.w.z. specifiek ménselijke
vorm van kínèsis - "want praxis is (een vorm
van) kínèsis"[33]
- is wat we er het "morele statuut" van mogen noemen:
in tegenstelling, inderdaad, tot de bio- en fysiologische
processen, of "bewegingen", die zich, bestendig en a.h.w.
vanzelf en instinctief, ook in het menselijke lichaam voordoen,
behoort de praxis principieel tot een domein van de
werkelijkheid, dat van de mens zélf,
d.w.z. van zijn
keuzes en beslissingen, afhangt. We staan hier m.a.w. voor wat
Aristoteles in het Grieks omschrijft als de wereld van
τὰ ἐφ'
ἡμῖv, "de (zijnden die) in onze macht liggen",
en waarover wij ons bijgevolg beraden en "overleg"
plegen (βoυλή,
βoύλευσις,
συμβoυλή), met onze medemensen én met
onszelf, ten einde tot een - moreel juiste, want verstandige
- beslissing/keuze te komen inzake de alternatieven die zich
aanbieden.
Dit domein van de werkelijkheid - deze "menselijke
wereld" - is voor Aristoteles duidelijk afgebakend van de rest
van het "zijn", precies àls het domein van het "overleg":
"niemand overlegt over de eeuwige (dingen),
zoals over de kosmos, of over (de mathematische stelling dat) de
diagonaal en de zijde (van het vierkant) incommensurabel zijn;
evenmin overlegt men over wat weliswaar in beweging is maar
altijd op dezelfde wijze plaats vindt, hetzij uit noodzaak (anánkè)
hetzij uit natuur (phúsis) hetzij door enige andere
oorzaak, zoals bij de solstitiën of de opkomst der sterren;
evenmin over wat nu eens zus en dan weer zo gebeurt, zoals
droogtes en regens; evenmin over wat een kwestie van toeval is
(túchè), zoals het vinden van een schat... Overleggen doen
we over wat in onze macht ligt en te doen staat
(τὰ ἐφ' ἡμῖv καὶ
πρακτά)"[34].
De "oorzaak" die - naast de meer algemene
oorzaken zoals "natuur", "noodzaak" en "toeval"
- specifiek in dit menselijke domein werkzaam is, is "het
verstand (nous) en alles wat door de mens (tot stand
komt)"[35].
Wat de mens kàn doen, kan hij,
vanzelfsprekend, ook verkiezen niét te doen, of, zoals
Aristoteles het formuleert in de Eudemische Ethiek[36]:
"alle handelingen, waarvan de mens het principe
is en waarover hij (dus) meester (kúrios) is, kunnen
zowel gebeuren als niét gebeuren, en het hangt van de mens af, of
ze gebeuren of niet, aangezien hij meester is over hun zijn en
niet-zijn."
En het is vanzelfsprekend juist dit soort van contingentie
die de mogelijkheid én zinvolheid fundeert, zowel van het
politieke beraad (sumboulè) - en dus van de politikè
téchnè -, als ook van de verbale overreding, en dús van de
rhètorikè téchnè, deze laatste dan als
"de bekwaamheid om over àlle onderwerpen het
mogelijke overredingsmiddel te ontdekken"[37].
Zoals Aristoteles inderdaad ook schrijft in de
Rhetorica[38]:
"Er is niet over alles beraad, maar enkel over
zaken die wel of niet kunnen plaats hebben... Dat geldt voor alle
zaken die van aard zijn om op onszelf te worden teruggevoerd, d.w.z. waarvan de ontstaansgrond (archè genéseoos) in
onze macht ligt".
Bovendien is het evident dat de mensen - interindividueel zowel als intercultureel
- onderling sterk
verschillen in wat hun verstandelijk inzicht betreft, hun moreel
besef, doelstellingen, visie op het (menselijke) goede, enz.
En aangezien het juist die subjectieve factoren zijn[39]
- en dan vooral de persoonlijke "morele ingesteldheid",
of
πρoαίρεσις (letterlijk:
"keuze") , die volgens
Aristoteles de éigenlijke
ἀρχὴ πράξεως, d.w.z. het éigenlijke
"handelingsprincipe" vormen, vertoont het menselijke
domein van "ta praktá" een quasi onoverzienbaar aantal
variaties en contrasten. Meer bepaald op het vlak van het morele
handelen stricto sensu kunnen we vaststellen dat wat in de éne
samenleving als "schoon en rechtvaardig" wordt beschouwd, in de àndere integendeel veroordeeld of gelaakt wordt
- zodanig,
schrijft hij,
"dat de indruk bestaat dat de (morele en
maatschappelijke categorieën) enkel bij wet (nómooi)
bestaan, en niét van nature (phúsei)"[40].
Dat alles betekent dat, in een nog méér
fundamentele zin dan bij het fysische gebeuren, het menselijke
domein binnen die natuur (d.w.z. menselijke geschiedenis
en cultuur, maatschappij en instellingen, moraal en recht, enz.,
enz.) essentieel gekenmerkt wordt door contingentie en
betrekkelijkheid.
Toch impliceert zulks voor Aristoteles niét, dat
er helemaal géén wetmatigheid of inzichtelijkheid aanwezig
zou zijn in dat menselijke domein: de werkingsoorzaak is hier
immers niét het toeval, maar het menselijke verstand of de rede,
en dat verstand behoort tot de "natuurlijke" uitrusting
van de mens - en dús tot de natuur. Het betekent evenmin dat àlle
culturele verschillen tussen de onderscheidene,
'nationale'
nomoi - gebruiken en wetten - louter contingent zouden
zijn, dwz niet-afleidbaar van enig principe. Het zgn.
"natuurlijke recht" (díkaion phusikón)[41]
is juist dàt deel van het "politieke recht" (díkaion
politikón) dat - i.t.t. het "wettelijke recht" (nomikón
díkaion), i.e. het louter positief recht van de
plaatselijke wetten en gebruiken - de noodzakelijke uitdrukking
is van de specifieke "natuur" van een land en zijn inwoners.
Het zijn dus enkel de variaties van het nomikón díkaion
die echt contingent zijn, d.w.z. louter "conventioneel"
(vόμωι),
of niet "van nature"
(φύσει)[42].
Het is hoe dan ook déze
'tranche' van de totale
werkelijkheid - die menselijke wereld, dus, van "(de dingen)
die van ons afhangen en te doen zijn" - die het specifieke
zijnsgebied, of voorwerp, uitmaakt van de "praktische filosofie"
- of, zoals hij het op het einde van de Nikomachische Ethiek[43]
uitdrukt: van
ἡ περὶ
τὰ ἀvθρώπεια
φιλoσoφία,
"de filosofie omtrent de menselijke aangelegenheden".
Samen met de terreinafbakening van haar studieobject in het
geheel van de werkelijkheid, krijgt ook deze praktische
filosofie van Aristoteles een precies omschreven plaats in het
totale systeem van zijn filosofie (of wetenschap). Vergeleken
met Platoon, kan dat ongetwijfeld als een belangrijke stap
bestempeld worden, maar
"nóg belangrijker is het methodologische aspect
dat aan deze afgrenzing ten grondslag ligt: (nl.) de
inhoudelijke scheiding van de maatschappijleer van de metafysica"[44]
- een scheiding, niet alléén van de metafysica
(ontologie, theologie), trouwens, maar óók van de fysica
(kosmologie, biologie)[45].
6.4.
Het "Werk van de Mens".
Voor de platoonse "ratio triumphans", zoals
gezegd, was de mens niet méér dan een speeltuig in de handen van
de goden; men mocht hem/haar niet "ernstig" nemen: de menselijke
orde ging m.a.w. volledig op in de kosmische, zelfs
metafysische orde, waaruit zij haar normen moest halen.
Aristoteles is het daarmee oneens: de menselijke
sfeer beschikt z.i. wel degelijk over een eigen, zij het niet
absolute (want in de totaliteit ingeschakelde) autonomie, een
eigen zin en finaliteit - wat impliceert dat het menselijke handelen, ondanks
alles, een eigen rationaliteit, en dus inzichtelijkheid
bezit, zodat het inderdààd het voorwerp kan uitmaken van
φιλoσoφία - i.t.t. het domein van het
toeval. Aristoteles drukt die visie op de autonomie van de
menselijke wereld uit bij middel van de notie van "het werk
van de mens" (τὸ ἔργov
τoῦ ἀvθρώπoυ):
de mens, àls mens, heeft een eigen "werk", d.w.z. een
"eigen zin"[46].
Zoals Bien opmerkt[47]:
"de ganse kritiek van Aristoteles op Platoons
politieke theorie heeft hier haar zenuw. Het is Aristoteles te
doen om het erkennen en fixeren van het bestaan en het recht van
een 'werk van de mens als mens'".
De sleutelpassus hieromtrent geeft de
Nikomachische Ethiek, I, 6, 1097b2433:
"... als we het werk van de mens zouden kunnen
vatten. Want zoals voor een fluitspeler, een beeldenmaker en elke
kunstenaar, en in het algemeen voor alles waarvan er een werk
voortkomt, het goede en het goed[-zijn] in het werk (ergon)
lijken te huizen, zó, zou men menen, zal dat ook voor de mens [als
mens] het geval zijn, tenminste, als er van hem een werk is. Maar
zijn er dan van schrijnwerker en schoenmaker [wél] bepaalde
werken en handelingen, van de méns evenwel geen enkel, maar is
hij van nature werkeloos? Of mogen we stellen dat, zoals er van
oog, hand en voet, en in het algemeen van élk lichaamsdeel een
werk blijkt te zijn, er aldus nog een werk is van de mens [als
zodanig], nààst al die [partiële]? Wel, wat zal dat dan voor een
werk zijn?".
Ook hier, dus, hebben de téchnai Aristoteles een conceptueel model geleverd. Maar, zoals Bien
verder opmerkt[48],
impliceert het aristotelische begrip van een "werk van de mens
(als mens)" óók een
"afwijzing van Platoons vereenzelviging van de
mens met diens maatschappelijke functie in een arbeidsdelige
wereld, het weze een uitsluitend poietisch-technische of een
uitsluitend politieke functie".
Zoals in het vorige hoofdstuk al aangeduid, dient
de vraag, "wat zal dat dan voor een werk zijn?", voor
Aristoteles beantwoord te worden op basis van de specifieke
vermogens van de menselijke psuchè, vergeleken, dan, met
die van de overige levende wezens[49]:
"het leven [zonder meer] blijkt de mens zelfs
met de planten te delen, terwijl het het specifieke is, dat
gezocht wordt. Het nutritieve en het vegetatieve leven moeten
dus worden terzijde geschoven. Het leven dat erop volgt, zal er
een zijn van zintuiglijke gewaarwording; maar ook dàt blijkt de
mens te delen, namelijk met paard, rund en elk dier. Wat bijgevolg
overblijft, is een leven van handelen (praktikè) vanwege
wat de rede (logos) bezit: daarvan 'bezit' het ene die
logos in de zin dat het eraan gehoorzaamt; het andere in
de zin dat het hem [effectief] bezit en [dus] nadenkt".
De mens is een
ζῶιov
λoγικόv, d.w.z. een "dier" dat zich van de
rest van de dierenwereld wezenlijk onderscheidt door het bezit
van de logos, of de "taal/rede", d.w.z. het vermogen tot
sprekend-denken én denkend-spreken. Dat houdt in dat, met
uitzondering van de louter bio- en fysiologische processen, die
onder het phutikón/threptikón vallen, àlle (bewuste)
uitingen van het menselijke leven in mindere of meerdere mate
"rationeel" zijn: niét enkel de verschillende soorten van
"aktiviteiten" die direct verbonden zijn met het eigenlijke
rationele zielsdeel, maar óók de "bewegingen" van het
"gehoorzamende" zielsdeel - althans bij de mens die zich in
een "natuurlijke" staat bevindt.
Laten we, ter verduidelijking, schematisch
Aristoteles' ethische "psychologie" weergeven, zoals
hij ze zelf presenteert in de Nikomachische Ethiek (einde
boek I en begin boek II, alsook boek VI).
Wanneer we, samen met Aristoteles[50],
nogmaals het vegetatieve of nutritieve vermogen buiten
beschouwing laten, kan de menselijke psuchè in twee
"delen" onderscheiden worden[51]:
1°)
het "niet-redelijke" (to álogon):
in onderscheid met het vegetatieve,
"participeert" het toch op een betrekkelijke manier aan
de logos, of rationaliteit[52].
Het is de zetel van alle vormen van verlangen
(ὄρεξις, órexis)[53]
en van de affecties of emoties
(πάθη,
παθήματα,
"passies"), zoals
"begeerte, woede, vrees, zelfzekerheid, nijd,
vreugde, vriendschap, haat, verlangen, ijver, medelijden, en,
in het algemeen, alles dat gevolgd wordt door plezier of smart"[54].
Hiermee zijn tevens de "vermogens" (dunámeis)
verbonden, die ons precies in staat stellen de desbetreffende
gevoelens te ervaren: "bv. toornig te zijn of smart of
medelijden te voelen".
Iemands persoonlijk, "moreel karakter" (ἦθoς,
èthos), dan, is
het product van de particuliere "habitus", d.w.z.
dispositie of gesteldheid (ἕξις, hexis) die deze
affectieve vermogens verworven hebben, als resultaat van
opvoeding en "gewoontevorming" (ἔθoς, éthos), maar ook
- dat spreekt vanzelf - onder invloed van ieders natuurlijke
aanleg (phúsis)[55].
In de mate, precies, dat (het geheel van) deze vermogens bij
de volwassene al dan niet bestuurd of geleid worden door het
('praktische') verstand, bezitten zij al dan niet de vereiste
optimale gesteldheid, d.w.z. "voortreffelijkheid" of
"deugd" (ἀρετή, aretè)
- algemeen: de bekwaamheid om in elke concrete
levenssituatie telkens het "midden" te kiezen[56].
Βv.
om, tussen de extremen of "ondeugden"
(κακίαι)
in van, enerzijds, lafheid/angst en, anderzijds,
driestheid/overmoed, in een concrete confrontatie moed (ἀvδρεία)
te betonen. Moed, bezonnenheid, zelfbeheersing, vrijgevigheid,
grootmoedigheid, rechtvaardigheid, enz., zijn als zodanig
de "deugden van het èthos", ofte de "ethische" of "morele voortreffelijkheden" (ἠθικαὶ
ἀρεταί).
In de mate dus dat deze deugden "rationele" gesteldheden
zijn, die als zodanig maken dat én 's mensen gevoelens (páthè)[57]
én zijn handelingen "rationeel" zijn, vormen zij een absolute
voorwaarde ('middel') voor, én, tegelijkertijd, een wezenlijk
bestanddeel van de menselijke εὐδαιμovία,
of het "goed-leven"[58].
Zoals gezegd, in zijn "natuurlijke"
toestand "gehoorzaamt" dit zielsdeel aan:
2°)
het redelijke (τὸ
λόγov ἔχov,
"wat logos bezit").
Als de zetel van het menselijke denken of verstand
(to dianoètikón), organiseert en leidt het het
"handelingsleven" (zooè praktikè) van de mens. Het wordt door
Aristoteles, in NE, bk VI, verder ingedeeld in:
a. een theoretisch/speculatief/wetenschappelijk
vermogen: namelijk het theorètikón of epistèmonikón,
i.e. het vermogen "waarmee wij dat soort van
zijnden beschouwen, waarvan de beginselen niet anders kunnen
zijn [dan ze zijn]"[59];
de specifieke activiteit van dit vermogen is dus
θεωρία,
d.i. "contemplatie", gericht op het "kennen om
het kennen", sc. van de onveranderlijke waarheid/werkelijkheid
(alètheia);
b. een overleggend/berekenend/opiniërend
vermogen: namelijk het bouleutikón, logistikón of
doxastikón,
i.e. het vermogen "waarmee [wij de zijnden
beschouwen] die wél anders kunnen zijn [sc. dan ze zijn]", "want niemand overlegt over wat onmogelijk anders
kan zijn"[60].
Dit laatste wordt door Aristoteles nog verder
gedifferentieerd in:
aa. de praktische verstandigheid, of phrónèsis,
door Aristoteles gedefinieerd als "rationele,
waarheidsgetrouwe en handelingsgerichte gesteldheid m.b.t. [de
instanties van] het menselijke goede (ta anthrópina agathá)"[61]:
er is m.a.w. óók een "waarheid/werkelijkheid" van het
handelen (en dus: van het contingente); de specifieke activiteit
ervan is de éigenlijke, want moreelmaatschappelijke -
πρᾶξις;
bb. de technische intelligentie, of téchnè,
gedefinieerd als "poietische (of:
producerende) gesteldheid die gepaard gaat met waaarheidsgetrouwe rationaliteit"[62]:
er is dus óók een (wij zouden zeggen: technische) "waarheid/werkelijkheid" van de productie); de specifieke
activiteit ervan is πoίησις.
Net zoals het èthos, heeft ook dit
redelijke deel zijn optimale gesteldheden, of "deugden": het zijn
de zgn. "verstandelijke" of "intellectuele deugden"
(διαvoητικαὶ
ἀρεταί):
a. voor het speculatieve vermogen onderscheidt
Aristoteles als zulke "deugden": (1) nous
(voῦς),
als het intuïtief-vatten van intelligibele vormen en
wetenschappelijke principes (premissen), en (2) epistèmè (ἐπιστήμη),
d.w.z. "wetenschap", in de strikte zin (namelijk als het
deductief construeren van demonstratieve syllogismen); sàmen
vormen zij (3) sophía
(σoφία),
of "(speculatieve) wijsheid";
b. vàn de praktische phronésis is er
geen "deugd", zij is zélf de deugd, of optimale habitus van
het praktische vermogen; de téchnè, daarentegen, is zelf
géén deugd, maar er is een voortreffelijkheid vàn de téchnè,
namelijk sophía, maar dan in de prefilosofische,
praktische zin van dat woord:
"in de téchnè is degene die opzettelijk
een vergissing begaat, superieur; m.b.t.
de phrónésis, echter, is dat veel minder het geval, zoals
ook m.b.t. de [morele] deugden"[63].
De morele, "praktische" voortreffelijkheid,
m.a.w. is voor Aristoteles - net zomin als voor Sokrates en
Platoon, trouwens[64] - zeker niet volledig te herleiden tot een moreel neutrale,
louter 'technische' vaardigheid.
6.5. Praxis
en Poíèsis.
Zoals we gezien hebben, dient volgens Aristoteles
het "werk van de mens" omschreven te worden als
ζωὴ πρακτική,
"handelingsleven".
"Praxis" m.a.w., als rationele, op de
"waarheid/werkelijkheid" gerichte activiteit, is de
specifieke enérgeia, of activiteit, van de menselijke
soort[65].
Gelet, nochtans, op de differentiatie binnen het
met-rede-begaafde zielsdeel - zelf een gevolg van het
composiet-zijn van de mens, d.w.z. de aanwezigheid van een
niet-redelijk deel, zélf een gevolg van het lichamelijk-zijn van
de mens -, laten zich binnen deze algemene notie van
"praxis" drié categorieën onderscheiden, nl.: poíèsis,
praxis (zeg maar: praxis²) en theoría. Zij staan, (in het aristotelische
systeem) onvermijdelijk, in een hiërarchische relatie tot
elkaar. Aangezien zij àlle "rationeel" zijn, d.w.z.
gepaard gaan "met waarheidsgetrouwe logos", hebben
zij alledrie hun specifieke "kunsten" of
"wetenschappen". Er zijn m.a.w. zowel poiètikaí,
praktikaí als theorètikaí "téchnai" (dat laatste
hier in een brede betekenis gebruikt) of "epistêmai".
Hoger werd als voorwerp van de praktische filosofie de "praxis" in het algemeen aangewezen[66].
Dat moet nu gepreciseerd worden: het is de praktische filosofie
niet te doen om de menselijke "praxis" in de brede, alles
omvattende gebruikswijze van het woord, maar enkel om de moreel-maatschappelijke praxis als
activiteit van het
"overleggende" zielsvermogen. Deze "praxis²",
a.h.w., moet dus theoretisch afgebakend worden t.a.v. de andere
twee categorieën van menselijke activiteit.
De afbakening t.a.v. de poíèsis, of
vervaardigende activiteit, stelt weinig of geen problemen. We
kunnen daartoe terugvallen op het onderscheid tussen kínèsis
en enérgeia, in het voorgaande hoofdstuk[67]:
poíèsis is "praxis" in de zin van "kínèsis".
Het is m.a.w. een "doen" dat gericht is op en gedefinieerd
wordt door een externe doelstelling, als zijn limiet,
namelijk het ergon of product; eens dat telos bereikt of
gerealiseerd, is de handeling afgelopen. Praxis², daarentegen, in de zin van enérgeia, is autotelisch:
d.w.z. is haar eigen doel, wordt uitgeoefend ter wille van
haarzelve. Dat heeft belangrijke gevolgen voor het "morele
statuut" van beide.
Aangezien in het geval van de ambachtelijke
productie, het afgeleverd product het objectief is, en de
activiteit bijgevolg beoordeeld wordt op basis van de kwaliteiten
van dat product, is - vanuit het oogpunt van de consument - het
morele bewustzijn (proaíresis), de moraliteit van de
producent secundair: de schoenmaker bv. is "goed", wanneer zijn
schoenen "goed" zijn; en omgekeerd, het feit dat hij een
"goed
schoenmaker" is, in de technische zin van het woord, impliceert
geenszins dat hij ook een "goed mens" is, sc. in de morele zin van
het woord. Vandaar dat Aristoteles op het einde van Politica
I, kan suggereren dat, in onderscheid met de huisslaaf - waarmee
men nu eenmaal moet samenleven -, aan de ambachtsman, of technítès,
géén morele eisen dienen gesteld: er is niet echt behoefte
aan een (morele) voortreffelijkheid van de ambachtsman[68].
In de praxis²
ligt dat precies omgekeerd: aangezien zij in zich waardevol is, d.w.z. terwille van zichzelve geprezen of
veroordeeld wordt, is de morele proaíresis
van de agent een
essentieel moment in de betekenis ervan. Opdat iemands praxis, en
dus hijzelve, bv. "rechtvaardig" zou kunnen worden genoemd,
volstaat het niet dat hij rechtvaardige dàden stelt (bv.
de bij hem in bewaring gegeven goederen steeds aan de eigenaar
teruggeeft): hij moet dat vanuit een standvastige geestesgesteldheid,
dus moreel bewust, doen. Daarom dat kinderen net zomin als dieren
morele handelingen kunnen stellen: zij zijn (nog) geen 'morele
agenten'.
Dat betekent nochtans niét, dat voor Aristoteles de
'intentie' zou volstaan: de proaíresis heeft zich te
manifesteren in de daad. Anders gezegd: pas in de verbinding
van beide, proaíresis plús daad, vindt de deugd haar
voltooiing[69].
Alleen de morele praxis, immers, maakt het aan derden mogelijk om
een onderscheid te maken tussen gefingeerde en waarachtige
beweegredenen. Dat verklaart waarom in de ethische theorie van Aristoteles het
'geweten', of "forum internum", géén rol
speelt; het onderscheidt zijn ethiek als een zgn. "deugdenethiek"
van een "gewetensethiek" (en dus van moraalfilosofie). Zoals Bien hierbij opmerkt:
"Het laatste criterium van het zedelijk handelen
is niét de innerlijkheid van het geweten, dat, ook in de
verborgenheid en in de mislukking ervan verzekerd kan zijn, het
beste gewild te hebben, maar de fundamentele oordeelsvormen
zijn 'lof' en 'blaam', waarin de polisopenbaarheid aan iemand de
'deugd', d.w.z. de handelingsbekwaamheid, toekent of ontzegt[70].
En nog:
"het goede moet aan het licht treden, moet
gékend en érkend kunnen worden; tot de deugd behoort op een of
andere manier de éér die de openbaarheid, juister: de verstandigen (phrónimoi), op het forum externum willen
betuigen aan de deugd omwille van haarzelve"[71].
Het vermelde onderscheid tussen poíèsis en
praxis²
komt er dus op neer dat de poíèsis, of het vervaardigend
handelen van de ambachtslui, buiten het werkingsdomein valt
van de φρόvησις,
d.w.z. van de moreel-praktische verstandigheid (in het Latijn
vertaald door prudentia), en dat zij, bijgevolg, ook
niet tot het domein van de praktische filosofie behoort. Aristoteles' standpunt dat de producentenklasse geen eigenlijk
(of organisch) "onderdeel" (méros) van de polis vormt (ze
is wél "noodzakelijk", sc. voor de behoeftevoorziening),
en dat de ambachtslui niet het volle burgerrecht zouden mogen
bezitten, vloeit daar logisch uit voort.
Deze verbanning van de menselijke, scheppende
activiteit, de arbeid[72],
uit de sfeer van de 'éigenlijke' menselijke praxis (in de zin van
het "werk van de mens", àls mens) levert, zoals gezegd,
binnen Aristoteles' theorie weinig of geen moeilijkheden op (in
onderscheid met de verhouding tussen praxis en theoria). Vanuit
een extern, kritisch standpunt bekeken, nochtans, lijkt dergelijke
afwijzing tegenstrijdig met de paradigmatische rol die juist
aan de ambachtelijke productie moet toegewezen worden voor Aristoteles' theoretische analyse van het menselijk handelen:
het was inderdaad die ambachtelijke τέχvη
die hem het conceptuele model leverde, bij middel waarvan
hij pas een rationel" structuur kón geven aan de
πρακτικὴ ζωή van de mens. Inderdaad, niet enkel het
praktische redeneren en handelen in het algemeen, maar ook het
strikt zedelijke
redeneren en handelen (moet ik zus
handelen, of zo? wat is goed? wat is slecht?, enz.) wordt door
Aristoteles geassimileerd aan technisch overleg, met zijn
typische middel-doel structuur. Anders gezegd, in
Aristoteles' analyse van het zedelijke denken valt de klemtoon op
het delibereren of overleggen over
(βoύλευσις),
het kiezen tussen, de geschikte middelen, of wegen, om een vooraf
gegeven doelstelling (het "goede") te realiseren[73].
Het is ook die middel-doel structuur, maar dan
tussen de verschillende téchnai onderling - waarbij het product van de ene dienst doet als middel
(bv. als materiaal) voor de
activiteit van
de andere , die hem de visie aan de hand doet dat er ook tussen
de ontelbaar vele, uiteenlopende ménselijke doelstellingen een
gelijkaardige, hiërarchische structuur
moet zijn, zodanig
dat zij alle convergeren in één enkele ultieme doelstelling. Aristoteles vereenzelvigt de "rationaliteit" (μετὰ λόγoυ)
van het menselijke leven en handelen juist met een dergelijke structuur: zij alleen maakt "planning"
(βουλεύματα)
van het leven als
zodanig mogelijk[74].
Het is m.a.w. 'géén toeval' dat precies het Griekse
woord τέχvη
het éérste zelfstandig naamwoord is dat we in de Nikomachische
Ethiek ontmoeten. Zoals Bien hierbij opmerkt[75],
heeft Aristoteles zijn (voor de praktische filosofie
"historische") begrip van de mens, respectievelijk van het
"werk" van de mens, juist verworven
"onder de voorwaarden van de arbeidsdelige
praktijk (van de ambachtelijke productie) in een samenleving
van vrije en gelijke burgers in de Griekse polis".
We mogen dus concluderen dat, net zoals reeds gold
voor zijn leermeester Platoon[76],
Aristoteles' moreel-negatieve beoordeling van de (ambachtelijke)
arbeid niet vrij is van een ideologisch moment ("ideologie" dan
begrepen in de betekenis van: vals bewustzijn).
6.6. Praxis
en Theoría.
Aristoteles' opstelling tegenover de poíèsis
stemt grotendeels overeen met die van Platoon, ook al zijn er
ongetwijfeld nuances[77].
Voor de verhouding, daarentegen, tussen
πρᾶξις
en θεωρία
zijn er tussen beiden belangrijke verschuivingen aan te stippen[78].
Laten we eerst kort ingaan op Platoon.
6.6.1. Platoon. Wat men het sokratisch-platonisch
"intellectualisme" heeft
genoemd - lapidair uitgedrukt in de bekende stelling "deugd is
kennis" -, was het product van de maatschappelijke
omwenteling die de Griekse, met name Atheense samenleving in de
5de eeuw kende als gevolg van de vestiging van een radicale polisdemocratie,
met een reële inbreng van de kleine producenten. Van een nog sterk
'natuurlijke', archaïsche samenleving, gebaseerd op verwantschap
en ancestrale, niet-in-vraag-gestelde tradities en gewoontes,
en waarin de afkomst of geboorte (phúsis) bepalend was
voor iemands status en betekenis, werd Athene een "moderne",
politieke samenleving. De overwinning op de Perzen (480) gaf
aan die maatschappelijke dynamiek nog een extra versnelling.
De regeling en sturing van de (steeds complexer
wordende) maatschappelijke problematiek op àlle vlakken geschiedde
voortaan bij middel van wat men een brede maatschappelijke discussie kan noemen, namelijk in de
volksvergadering (ekklèsía). Van al wie in déze
context een leidinggevende rol wou spelen, werd als gevolg
daarvan in toenemende mate een bijzondere intellectuele
competentie gevergd: het was niet lager iemands (adellijke)
afkomst, maar zijn reële bekwaamheid (in de eerste plaats op het
vlak van de welsprekendheid) die bepalend werd voor zijn sociale
positie en succes.
In die context van rationalisering
van het
maatschappelijke leven werd ook de individuele, menselijke
bíos in toenemende mate beschouwd naar analogie met de
bestaande, ambachtelijke téchnai of "kunsten", de
geneeskunde in de eerste plaats[79]:
namelijk als óók een kwestie van τέχvη,
van levenskunst. Om een "goed" man/burger te zijn,
en dus succesvol te leven, diende men in de eerste plaats
"verstandig" (φρόvιμoς)
te handelen, d.w.z. met kennis van zaken (epistèmè).
Vragen daarom i.v.m. de opvoeding (paideía) tot zulke
eupraxía (d.w.z. goed, of succesvol handelen) en eudaimonía,
worden door auteurs van de klassieke periode, zoals Isokrates
en Xenophoon, bijna uitsluitend beantwoord m.b.v. categorieën
die afkomstig zijn uit het domein van de
τέχνη[80].
Zij beschrijven de "goed opgevoede" (εὖ
πεπαιδευμέvoς,
in het Duits: "der Gebildete") als een soort van τεχνίτης,
"vakman" of "kunstenaar" die, mutatis mutandis,
in zijn leven tot analoge,
"vakkundige" prestaties in staat is als met name de goede arts
in diens medische praktijk (zonder dat zulks occasionele
vergissingen uitsluit).
Illustratief voor deze ontwikkeling was de grote
populariteit van het debat over de vraag of de menselijke
"voortreffelijkheid"
(ἀρετή)
het product was van aanleg
(φύσις),
van training of gewenning (ἄσκησις,
ἔθoς)
óf van onderwijs (διδαχή, μάθησις).
In deze confrontatie tussen de traditionele praktijk en een zich
ontwikkelend intellectualisme speelden de Sofisten
vanzelfsprekend een centrale rol: zij pretendeerden juist dat
ze, tegen betaling[81],
de
πoλιτικὴ
ἀρετή,
de "voortreffelijkheid van de burger", aan gelijk
wie
konden aanleren.
Dit maatschappelijk rationalisatieproces bracht
onvermijdelijk een legitimatiecrisis met zich mee
van de voorvaderlijke, tot dan toe ongereflecteerde normen en
gebruiken, bv. op het vlak van het vaderlijke gezag in de oikía,
of het huishouden. Besproken, werden ze bespreekbaar;
bespreekbaar, werden ze onvermijdelijk voorwaardelijk en
betrekkelijk (denken we aan de beruchte nomos-phusis
antithese)[82].
De langdurige oorlog met Sparta, met de gedwongen verhuis van de
kleine boeren van het platteland naar en binnen de stad, en met de sociale
en andere ellende die ermee gepaard ging (bv. de
pestepidemieën), kon deze crisis alleen maar op de spits drijven.
Het is tegen deze maatschappelijke achtergrond dat
we het sokratisch-platonische 'project' moeten situeren. Naar
zijn formele kenmerken - de vestiging van een reflexief,
rationeel bewustzijn - was het een product van de
maatschappelijke dialoogsituatie, d.w.z. van de radicale
democratie, die Athene in de 5de en 4de eeuw kenmerkte. Inhoudelijk,
anderzijds, moet het gezien worden als een poging om,
geconfronteerd met de teloorgang van de traditionele waarden en
verhoudingen, een nieuwe, hogere 'eenheid' of geborgenheid tot
stand te brengen. Alleen, dat gebeurde bij middel van een
verabsolutering van juist "dat moment van zijn tijd, dat ten
grondslag lag aan de vernietiging (van die eenheid"[83],
namelijk het intellect, én door een radicale (zeg maar:
revolutionaire) vervanging van die tradities: vgl.
bijvoorbeeld de
afschaffing van het private huishouden, het eigendom, e.d. Zoals Bien schrijft[84]:
"zo beschouwd, is de ganse 'Politeia' een poging
tot herwinning van de mogelijkheid van die door (de oude) Kephalos vertegenwoordigde levensvorm door het stichten van een
niéuwe traditie, gerealiseerd door de 'eigenlijke', niet sofistisch-destructieve, rationaliteit van de
sokratisch-platonische, op het schouwen van de Ideeën
georiënteerde phronèsis".
Platoons oplossing m.a.w. bestond erin, zowel de
verloren zekerheid van de tradities als de moderne onzekerheid
van het sofistisch relativisme te vervangen door de
'wetenschappelijke' zekerheid van een absoluut, objectief-gefundeerd rationalisme.
Zijn Vormenwereld wordt, zoals bekend, niet
enkel 'bewoond' door de eeuwige gronden van het Zijn (en dus ook
van het kennen/denken) maar ook door de absolute, onveranderlijke
normen van het menselijke handelen: de Rechtvaardigheid,
de Bezonnenheid, de Moed, enz.[85]
Dat houdt in:
- dat de wetenschappelijke of theoretische
kennis van de zijnsgronden, de metafysica, tegelijkertijd óók
de "hoogste normenwetenschap" is[86];
- dat het bijgevolg de filosoof is, en
hij alléén, die met zekerheid kan weten aan welke normen dat
menselijk handelen zou moeten beantwoorden om 'succesvol' te
zijn[87];
- en dat diezelfde filosoof dus de enige
expert is, die bekwaam is om dat menselijke handelen, d.w.z. de
menselijke samenleving, doeltreffend te organiseren en te
leiden, sc. naar het goede leven en de eudaimonie[88].
Dit filosofische 'triomfalisme' van Platoon (dat,
zoals, gezegd, dient gesitueerd in de 'roes' van de creatie van
het nieuwe, rationele denken) betekent voor de relatie tussen
theoría en praxis dat er bij Platoon niet echt kan
gesproken worden van een "verhouding" tussen beide:
eigenlijk staan we voor een "vermittlungslose Identifikation
von Theorie und Praxis"[89].
Filosofie, anders gezegd, ís praktische
filosofie
voor Platoon, in de zin dat het moreel goede (en dus
"gelukkige") leven alleen maar kan resulteren uit de theoría,
en dat, omgekeerd, alléén het leven van de filosoof echt
goed, rechtvaardig, enz. kan zijn.[90]
Die platoonse vereenzelviging van theorie en
praktijk kan ook nog geformuleerd worden als de vereenzelviging
van de school, binnen dewelke de filosofen aan theoría
doen, en de polis, binnen dewelke de burgers aan
politieke praxis doen. Nogmaals Bien[91]:
"institutioneel laat de platonische aanspraak op
een onmiddellijk praktisch worden van de filosofie zich
beschrijven als het programma van een vereenzelviging van
'stad' en 'school', concreet: van polis en Akademie".
Daarbij aansluitend, heeft Platoon - ondanks zijn
daadwerkelijke oprichting van een school - ook geen theorie van de
'school', d.w.z. als een plaats van
filosofisch-wetenschappelijke en pedagogische bedrijvigheid die per
definitie gescheiden is van de sfeer en het engagement van de politieke en
maatschappelijke praxis[92].
De theoría, anders gezegd, loopt met onvermijdelijkheid
uit op de heerschappij van de "wetenden".[93]
Maar, zoals uit de laatste paragraaf al mocht
blijken, het gaat hier niét enkel om een onderschikking van de
praktijk aan de theorie, ook het omgekeerde
is het geval: de
onderschikking van de theorie aan de praktijk. Platoon zelf,
blijkens de Zevende Brief, was hoofdzakelijk uit
(gefrustreerde) politieke ambities aan filosofie gaan doen, en tot
het eind van zijn leven (cf. De Wetten) had hij gehoopt dat
hij door zijn medeburgers 'geroepen' zou worden de "ziektes"
van de polis met behulp van de filosofie te "genezen".
Op analoge wijze heeft het menselijke intellect, in zijn
visie, weliswaar als functie de (transcendente)
Waarheid/Werkelijkheid te kennen, maar de hoofdtaak
ervan bestaat erin, op basis van die filosofische kennis, het
praktische, menselijke en maatschappelijke leven te organiseren[94].
Zoals Cooper schrijft[95]:
"Er komen wel degelijk theoretische activiteiten
aan te pas, maar enkel omdat, voor Platoon, de praktische kennis,
die de ziel als essentiële taak heeft te verstrekken, enkel
bekomen wordt door middel van eerst mathematische en,
vervolgens, filosofische onderzoeken. Bij zijn vereenzelvigen
van het menselijke wezen met diens geest, in Politeia Bk
IX, beschouwt Platoon de geest duidelijk in de eerste plaats in
zijn praktische oriëntatie".
Van een theorie óm de theorie, van een "zuivere
theorie", is bij Platoon m.a.w. eigenlijk nog geen sprake.
6.6.2. Aristoteles. Vergeleken met zijn leermeester Platoon, kan bij Aristoteles
een dubbele ontwikkeling worden vastgesteld:
6.6.2.1. Vanuit het historisch oogpunt van de
(realisatie van de) scheiding tussen hoofd en handenarbeid,
kunnen we vaststellen dat de theoría zich bij
Aristoteles (quasi) volledig bevrijdt van haar binding aan de
praxis. We zouden daarom hier het bekende citaat uit Marx en
Engels' "Die
Deutsche Ideologie" te pas kunnen brengen:
"Van dit ogenblik af kàn het bewustzijn zich
werkelijk inbeelden, iets anders te zijn dan het bewustzijn van de
bestaande praktijk, werkelijk iets voor te stellen zonder iets
werkelijks voor te stellen; van dit ogenblik af is het
bewustzijn in staat, zich van de wereld te emanciperen, en over
te gaan tot de vorming van 'zuivere' theorie, theologie, moraal, enz."[96].
De theoría is, zoals gezegd[97],
de activiteit van een bijzonder zielsvermogen, het
θεωρητικόv.
Of beter gezegd, ze is de activiteit van het zuivere intellect (de
nous)[98],
en als zodanig is ze louter op "het weten om het weten"
gericht. M.a.w. het intellect is hier geen middel ten dienste van
iets dat er vreemd aan is, maar is zichzelf tot doel. Van enige
ingreep vanwege de kenner op het kenobject is daarbij geen
sprake: de θεωρητικός
is louter "toeschouwer" van de ware werkelijkheid (alètheia),
waarmee hij zich echter wel tracht te vereenzelvigen. De
specifieke kenobjecten, trouwens, van het zuivere intellect
zijn, zoals gezegd, de "noodzakelijke zijnden", d.w.z.
"die niet anders kunnen zijn dàn ze zijn". Maar ook nadièn
heeft deze kennis niet de functie enig "praktisch"
optreden
mogelijk te maken, of theoretisch te ondersteunen. In contrast met
"praktische" kennis, inderdaad, is zij per definitie
"nutteloos", en ze beroémt zich daar zelfs op[99]:
zij is "de enige vrije wetenschap"[100].
Zoals de (ex-DDR) marxistische historicus, Reimar Müller opmerkt[101],
is dit
"de ultieme consequentie van een arbeidsdelige
maatschappij waarin geestelijke arbeid en onmiddellijk productieve arbeid zich steeds verder van elkaar verwijderen".
Dergelijke 'emancipatie' van de theorie impliceert
onvermijdelijk ook een mate van ontvoogding t.a.v. het
zedelijke domein: de morele voortreffelijkheid (aretè)
is klaarblijkelijk noch een gevolg van, noch een voorwaarde voor
de theorie. En, zoals Cooper opmerkt[102],
"Aristoteles vermijdt op een opvallende manier
te zeggen dat zijn theoreticus een deugdzaam persoon zal zijn".
Weliswaar zal de filosoof, in zoverre hij ook
"mens" is (wij zouden zeggen: een wezen is 'van vlees en bloed')[103],
mét en ónder zijn medemensen moeten leven, en zal hij er dus een
zedelijke levenswandel op na houden[104].
Maar dat zedelijke gedrag zal de filosoof niet als "het zijne"
erkennen, maar als een toegeving aan een ('lagere') menselijke
natuur waarmee hij zich niet echt wil identificeren: hij
identificeert zich veeleer met "zijn" intellect (nous),
dat "goddelijk" is[105].
Hij zal zijn zedelijke handelingen bijgevolg niet stellen ter
wille van het zedelijk schone, van to kalón - terwijl dat
voor Aristoteles juist de conditio sine qua non is van de
moraliteit.
"Het verschil met Platoon bestaat bijgevolg
hierin, dat bij Aristoteles de 'Geistlehre' geneutraliseerd
wordt t.o.v. het zedelijke domein",
aldus Bien[106],
die ook nog aanstipt dat de filosofische strijd tegen het
antropomorfisme van de Griekse goden daarmee in zijn tweede
fase trad: het ging niet langer - zoals bij Xenophanes, Sokrates[107]
en Platoon - om hun homerische immoraliteit, maar juist om
hun "moraliteit".
Dit zelfstandig-worden van de theoría, als
superieure, menselijke activiteit, vindt dan a.h.w. zijn
bezegeling, bij Aristoteles, in diens conceptie van de
βίoς
θεωρητικός[108],
of "levensvoering volgens de geest"
(ὁ κατὰ τὸv
voῦv
βίoς),
namelijk als een aparte, volwaardige levenswijze. Zij is gewijd aan "het goddelijke" in ons, en breekt in zoverre met het
traditionele, Griekse ideaal van het "mens-zijn"
(ἀvθρωπεύεσθαι)[109],
zoals uitgedrukt in de bekende Delphische spreuk, "Ken jezelf" (γvῶθι
σεαυτόv).
Zoals Aristoteles het ongetwijfeld bewust wat provocerend
uitdrukt[110]:
"We moeten niet luisteren naar [de
zedenmeesters] die ons vermanen, aangezien we mens zijn, slechts
menselijke dingen, en aangezien we sterfelijk zijn, slechts
sterfelijke dingen te denken, maar we moeten ons integendeel voor
zover dat mogelijk is onsterfelijk maken (ἀθαvατίζειv)
en alles doen om te leven volgens het hoogste van wat in ons
is".
Die bíos wordt, wellicht ten gerieve van de 'burghers', door Aristoteles bezongen in Boek X,
§§'
6-9, van de Nikomachische Ethiek en vormt
"eine Hymnus auf die Theorie von einem solchen
Range, wie er (nach Ed. Schwartz) 'nur einmal in der Welt
geschrieben worden ist'"[111].
6.6.2.2. Een essentiële voorwaarde voor de
'bevrijding' van de theorie, was Aristoteles' afwijzing van de
platoonse Vormen of Ideeëntheorie[112].
Die afwijzing was zelf slechts de ('dramatische') uitdrukking
van wat we een basiswet mogen noemen van zijn filosoferen, nl.: alle wetenschappelijk onderzoek krijgt zijn grenzen
gesteld door
τὰ φαιvόμεvα,
"de verschijnselen", dat wil zeggen: door de
menselijke ervaring (empeiría); het is niet mogelijk
resultaten te confirmeren door ze te vergelijken met een
werkelijkheid die die ervaring volledig te buiten zou gaan[113].
Die ontkenning van transcendente, alleen voor de
filosofie kenbare, ethische normen bracht automatisch met zich
mee dat de filosoof, àls filosoof, niet langer een
"nomothetische" of, algemeen, "politieke" functie
had of kón hebben[114].
Van de weeromstuit was, omgekeerd, ook de praxis bevrijd
van haar bevoogding door de theorie (namelijk in de vorm van
metafysica en theologie): samenvallend met de verheffing van
het goddelijke en de theoría tot een boven-ethische
sfeer[115],
verwierf de menselijke praxis haar autonomie, in de zin
van een eigen, "ethische" rationaliteit" die haar
criteria op het niveau van de praxis zelf moet zoeken. Zoals
Aristoteles opmerkt in zijn kritiek op de platoonse Vorm van het
Goede, in de Nikomachische Ethiek[116]:
"zelfs indien het universeel geprediceerde goede
een eenheid is of een transcendent iets dat op zichzelf
bestaat, is het evident dat het niet door een mens te doen (praktón)
of te verwerven is; maar het is iets van dié aard dat nù gezocht
wordt".
Geformuleerd in termen van de tegenstrijdige leuzen
waarmee we dit hoofdstuk gestart zijn, luidt die ethische
rationaliteit: de "maat van alles" is nóch de godheid,
zoals Platoon het wou, nóch de mens zonder meer, zoals Protagoras het formuleerde; "regel en maat" (καvὼv
καὶ
μέτρov)
is daarentegen "de goede [man]"
(ὁ σπoυδαῖoς):
"want de goede [man] velt telkens een correct
oordeel en in iedere [situatie] ervaart hij de waarheid
[letterlijk: schijnt de waarheid hem toe].
Immers, wat schoon en aangenaam is, is afhankelijk van iedere
particuliere gesteldheid, en de goede [man] onderscheidt zich
wellicht nog het meest van al hierdoor, dat hij in iedere
[situatie] de waarheid (τἀληθές)
ziet, als was hij de regel en de maat van ieder"[117].
De "goede" of deugdzame mens, die als
zodanig de menselijke phusis realiseert, is m.a.w. de
concrete, natuur-immanente norm voor zijn medemensen: de zogenaamde
"natuurlijke goederen" (gezondheid, rijkdom,
schoonheid, enz.)
- die "op zich" goed zijn, maar voor
inferieure mensen slecht of schadelijk kunnen zijn (zoals honig
bitter smaakt voor een zieke) -
zijn goed voor hem[118].
Vandaar kan Aristoteles, in de Eudemische Ethiek[119],
schrijven, dat de politikè als taak heeft, de mensen in
zulke gesteltenis te brengen, dat ze dezélfde verlangens en
ervaringen hebben als "de goede (man)", zodat die goede dingen
ook "goed" zijn voor hen.
De maatschappelijke relevantie van filosofie en
filosoof kon niet anders dan sterk gerelativeerd worden vanuit
zulke visie. In Platoons besef was het evident geweest, dat er
"geen eind [kon] komen aan de kwalen waaraan de
polis [leed], vóórdat het ras van de degelijke en echte filosofen
toegang [had gekregen] tot de politieke leidersposten"[120].
Aristoteles, daarentegen, erkent dat er ook buiten de School - dus zónder filosofische reflectie - een
geslaagde, 'gelukkige' praxis mogelijk is, gebaseerd op een
eigen, d.w.z. op de praxis gerichte "verstandigheid": namelijk de niet- of voorreflexieve, zeg maar:
'geleefde' phrónèsis,
sc. van de "goede" man of burger. Méér nog: die geslaagde
praxis, met wat zij impliceert aan bezit van een zedelijk goed
karakter (èthos) en aan zedelijke ervaring, is zelf een
voorwaarde om 'met vrucht' te komen luisteren naar theoretische
beschouwingen óver die praktijk, sc. in de filosofenschool[121].
6.7. Praktikós Bíos, Phrónèsis en Praktische Filosofie.
In vergelijking met Platoon kunnen we bij
Aristoteles dus een 'rehabilitatie' vaststellen van de
voorreflexieve verstandigheid - en dus van de prefilosofische
gebruikswijze van de notie "phrónèsis"[122].
Die verstandigheid had haar neerslag gevonden in de
tradities, instellingen en gebruiken, de taal, de
spreekwoorden, en de gangbare meningen (ta éndoxa)[123].
Zij werd en wordt, àls "praktische/politieke (des)kundigheid"[124],
gerealiseerd door bekwame politici en redenaars (bv. Perikles)[125]
en burgers-huisheren (oikonomikoí); hun reputatie,
namelijk "verstandig" (phrónimoi) te zijn, hebben zij
precies te danken aan het feit dat ze, dank zij hun ervaring,
"bij machte zijn te zien wat voor henzelf en wat voor de mensen
goed is"[126].
Aristoteles verwerpt hierbij uitdrukkelijk de suggestie als
zou deze bekwaamheid, ze moge dan al verre van universeel zijn,
een kwestie zijn van een toevalstreffer (túchè) of
van natuurlijke aanleg (phusis) - want
"het grootste en schoonste laten afhangen van
toeval, zou al te misplaatst zijn"[127].
In de Eudemische Ethiek wijst hij in dit
verband op het belang - vanuit het oogpunt van de ethische
rationaliteit - van het feit dat het goede wel degelijk
bereikbaar is, mits de nodige inspanningen geleverd worden, en dat
het dus althans kan
verhoopt worden, voor de meerderheid van de mensen (sc. van
degenen die daarvoor in aanmerking komen)[128]:
"immers, indien
schoon-leven (kaloos
zên) behoort tot de zaken die door toeval ontstaan of door
natuurlijke aanleg, zal het voor vele mensen onverhoopbaar zijn - want de verwerving ervan is dan niet, door toewijding, van
henzelf afhankelijk, of een zaak van hun eigen activiteit. Indien
het daarentegen gelegen is in het feit, zelf van een bepaalde
hoedanigheid te zijn, en de daarmee overeenkomstige handelingen
[te stellen], dan zal het goede (to agathón) algemener
zijn en goddelijker: algemener omdat een groter aantal mensen de
gelegenheid heeft er deel aan te hebben, en goddelijker omdat de eudaimonie dan beschikbaar is voor al degenen die maken dat
zijzelf en hun handelingen van een bepaalde hoedanigheid zijn".
Dit "praktische" leven, als een volwaardige en
realiseerbare expressie van het menselijke leven, werd door Aristoteles geconceptualiseerd in het begrip van de
βίoς
πρακτικός (of:
πoλιτικός).
Het staat voor de "rationele" (want:
"waarheidsgetrouwe"), en dus geslaagde, levensvoering van
de mens, namelijk van de mens als een typisch "samengesteld" (súntheton)
wezen, d.w.z. met redelijke én niet-redelijke vermogens, en dat
juist als zodanig niet enkel een (natuurlijk) "bewegingsprincipe"
maar ook een "handelingsprincipe" is[129].
Het " goed-leven" vereist daarom de geïntegreerde
realisatie van àl die vermogens, en dùs de samenwerking tussen
iemands ἦθoς,
of morele "karakter" - zeg maar: zijn deugdzaamheid,
en zijn φρόvησις,
of praktische "verstandigheid":
- de deugdzaamheid (èthos), als
resultaat van zijn opvoeding (met een doorslaggevende bijdrage
vanwege de wetten)[130],
waarborgt de (praktische) kennis en juistheid van de morele
waarden en principes die iemands gedrag bepalen, d.w.z. van het
menselijke (individuele én maatschappelijke) einddoel
(telos)[131];
- de verstandigheid (phrónèsis),
anderzijds, stelt iemand in staat, b.m.v. praktisch overleg, de
juiste middelen te kiezen - d.w.z. dagelijks de juiste
morele keuzes te maken - met het oog op het (eventueel)
realiseren van dat globale einddoel[132].
Om die reden, vormt de praktikós bíos
de éigenlijke, "menselijke" levensvoering,
en
leidt zij tot de éigenlijke, "menselijke" eudaimonie
- in contrast, dan, met de 'bovenmenselijke' van de zuivere
theoría:
"... de verstandigheid is nauw verbonden met de
voortreffelijkheid van het karakter, en deze laatste evenzo
met de verstandigheid, aangezien de principes van de
verstandigheid afhankelijk zijn van de ethische
voortreffelijkheden, en de correctheid, anderzijds, van de
ethische [beslissingen] afhankelijk is van de verstandigheid.
Aangezien die [ethische voortreffelijkheden] ook verbonden
zijn met de gevoelens (páthè), hebben zij betrekking op
het samengestelde [wezen]. Maar de voortreffelijkheden van het
samengestelde [wezen] zijn de menselijke (anthroopikaí)
voortreffelijkheden. Dus geldt dat ook voor de levensvoering
volgens deze voortreffelijkheden en voor de eudaimonie. Maar die
van het intellect (nous) is daar gescheiden van (kechorisménè)"[133].
Duidelijker kan het wel niet: het "menselijke"
leven is dat van de mens als "samengesteld wezen",
en en vindt dus zijn morele uitdrukking in de "praktische" levensvoering[134].
Het feit dat Aristoteles desalniettemin, in NE, Boek X,
die "menselijke levenswijze", in vergelijking met de
"goddelijke" van het intellect (dus van de "philosophe
pure"), hiërarchisch op de twééde plaats stelt[135],
is niet zo verwonderlijk: al met al gaat het daar om een
aansporing tot het filosofische leven, gericht aan niet-filosofen. In de rest van het werk, evenals in de
Eudemische, staat wel degelijk de bíos praktikós in
de volle schijnwerpers: zij is het onderwerp van deze
werken, en van de praktische filosofie in het algemeen.
Met zijn differentiatie tussen theoría en
praxis gaf Aristoteles erkenning aan de reële kloof
die, in de Atheense samenleving, sedert de Sofistiek gegroeid was
tussen "school" en "stad", d.w.z.
tussen de 'abstracte'
rationaliteit van de filosofen en het praktische weten van de
burgers. Dat betekende, echter, dat hij geconfronteerd was
met het probleem van de verhouding,
of bemiddeling,
tussen theoría en praxis - een probleem dat
zich pas vanaf dit ogenblik kón stellen. Welnu, Aristoteles'
praktische filosofie is te beschouwen als de theoretische (!)
uitdrukking van deze probleemstelling, of beter gezegd: zij
drukt Aristoteles' filosofisch programma uit van een
bemiddeling tussen theorie en praktijk. Zoals Bien schrijft[136]:
"de praktische filosofie in de zin van
Aristoteles is op deze wijze het ondernemen van een bemiddeling
tussen filosofie en praktijk, tussen verstand en ethos, tussen
kritische reflectie en voorreflectief weten".
Zijn praktische filosofie is "praktisch"
"niet omdat de filosoof erover delibereert, hoe
te leven, of wat te doen (zoals de casuïstieker doet)[137],
maar door het verstrekken van een omvattend en kritisch inzicht
in de fundamentele structuur en doeleinden van het zedelijk leven"[138].
Anders gezegd: in de praktische filosofie richt
de filosoof zich tot de "stad", tot de burgers, maar de voordracht
ervan zélf is géén morele act, of
"praxis".
Weliswaar is - in onderscheid met de zgn.
"theoretische wetenschappen", maar analoog aan een
toegepaste wetenschap zoals de geneeskunde -, het doel (telos)
ervan "niet kennis, maar praxis"[139].
Of, zoals hij het in de Eudemische Ethiek omstandiger
formuleert[140]:
"Sokrates de Oude, weliswaar, meende dat het
doel erin bestond de voortreffelijkheid (aretè) te
kennen, en hij voerde een onderzoek naar het wezen van
rechtvaardigheid, moed en alle onderdelen van de
voortreffelijkheid. En dat was logisch: hij geloofde dat elke
voortreffelijkheid kennis was, zodat de rechtvaardigheid
kennen en rechtvaardig zijn [z.i.] samenvielen. Immers, zodra we
meetkunde en bouwkunde hebben geleerd, zíjn we ook
bouwkundigen en meetkundigen. Vandaar dat hij placht te
zoeken naar het wezen van de voortreffelijkheid, maar niét naar
hoe, en vanuit welke [principes] ze tot stand komt. Maar dat is
wat het geval is met de theoretische wetenschappen: noch de
sterrenkunde noch de natuurwetenschap noch de meetkunde hebben
enig ander doel (telos) dan het kennen en contempleren van
de natuur van de dingen die het voorwerp vormen van de
wetenschappen - hoewel moet gezegd dat niets belet dat zij
accidenteel (katà sumbebèkós) voor ons van nut zijn voor
tal van onze noodwendigheden. Maar van de productieve
wetenschappen[141]
is het doel verschillend van (louter) wetenschap en kennis: van
geneeskunde, bv., is dat gezondheid, van de politikè is
dat goed bestuur (eunomía) of iets dergelijks. Weliswaar
is het schoon alle schone dingen ook te kennen, maar
desalniettemin is inzake de voortreffelijkheid (aretè)
niet het kennen van haar wezen het meest waardevolle, maar wel
het inzicht uit welke [principes] ze tot stand komt. We wensen
immers niet te wéten wat het wezen van moed is, maar moedig te
zijn, of welk het wezen van rechtvaardigheid is, maar
rechtvaardig te zijn, net zoals we ook eerder willen gezond-zijn
dan te weten wat het wezen is van gezond-zijn, en we eerder in
een goede [lichamelijke] conditie willen zijn dan te weten wat
het wezen is van een goede conditie".
Deze analogie met de geneeskunde houdt ook in dat,
in onderscheid nogmaals met de "theoretische wetenschappen",
de politikè of praktische filosofie zich niet kan
beperken tot het niveau van het universele, maar dat zij ook oog
moet hebben voor het particuliere[142]
- wat dan weer meebrengt dat haar argumenten of logoi
geen wetenschappelijke "exactheid" (akríbeia) mogen
betrachten, maar dat ze de waarheid slechts "in algemene trekken" (túpooi)
nastreven[143].
Aristoteles aarzelt daarom ook niet te beklemtonen dat de
praktische filosofie en haar logoi "nuttig" moeten
zijn, d.w.z. een "nuttige bijdrage" moeten leveren,
sc. voor het goed-leven[144];
of om argumenten die géén dergelijke praktische
doeltreffendheid hebben (bv. die van Platoon over de Vorm van
het Goede), als even "nutteloos" of "ijdel" te
beschouwen als medische voorschriften die ons niet genezen of
beter maken[145].
Tóch is de praktische filosofie niét te
vereenzelvigen met phrónèsis, of praktische
verstandigheid, zoals zij zich bv. manifesteert in de
onderlegdheid van de wetgever, of nomotheet, en van de politicus[146]:
zijzelf is niét louter "ervaring" (empeiría), maar is
"philosophía"; anderzijds is de phrónèsis zelf géén
'filosofische' kennis van de algemene principes van de
praxis, die als zodanig a.h.w. ex cathedra, b.m.v. logoi,
zou kunnen onderwezen worden door de filosoof[147].
Vandaar dat Bien terecht opmerkt[148]
dat het probleem van de verhouding theorie-praktijk
onvermijdelijk terugkeert binnen de praxis. De politikè
philosophía[149]
kan bij de praktijkgeëngageerde mens weliswaar een brede
reflectie stimuleren (namelijk over menselijke doelstellingen en
middelen), waardoor de betrokkene zowel in zijn persoonlijk
leven als in zijn politieke interakties een betere keuzemaker zal worden[150];
maar àls filosofische reflectie is zij
"geheel en al een methodisch doorgevoerde
wetenschap met haar eigen [weliswaar beperkte] exactheids en verificatievoorwaarden"[151].
Tegelijkertijd is er geen sprake van dat de
argumenten (logoi) van de filosofie, op dezelfde wijze
als de voorschriften van de arts, instrumenteel en autoritair - eventueel zelfs met een vorm van extern geweld (bía)[152]
- de toehoorder (gelijk wélke toehoorder) moreel "beter"
zouden kunnen maken. Daar waar de geneeskunde, wil zij
doeltreffend zijn, vanzelfsprekend vereist dat de arts kennis
bezit maar niét dat ook de patient die kennis zou verwerven,
vereisen de logoi van de "praktische filosoof"
integendeel de intellectuele medewerking van zijn - geselecteerde
- toehoorders/leerlingen. Vandaar Aristoteles' relativerende
beschouwingen, aan het slot van zijn Nikomachische Ethiek:
"Mochten argumenten (logoi) op zich
volstaan voor het produceren van fatsoenlijke mensen, dan
zouden ze met recht, volgens Theognis, vele en grote beloningen
verdienen...; nu, echter, schijnen zij wel de kracht te hebben de
edelmoedigen (eleuthérioi) onder de jongeren op te
wekken en aan te sporen, en eventueel ook een edel en waarlijk
schoonheidsminnend karakter bezeten te maken van de
voortreffelijkheid, maar schijnen ze niet bij machte te zijn de
grote massa op te wekken tot schoonmenselijkheid (kalokagathía)"[153].
Zoals Martha Nussbaum derhalve concludeert[154]:
"ethical logoi are unlike medical
treatment, in that they involve a reciprocal discourse in which
the pupil is not ordered around by an authority, or manipulated
by coercive tactics, but is intellectually active for herself".
In onderscheid, m.a.w., met de latere,
hellenistische filosofieën, zoals stoïcisme en epicureïsme,
kent Aristoteles aan de medische analogie slechts een
beperkte toepasbaarheid toe voor de "Grundlegung", of
constructie, van een praktische filosofie evenals voor haar
werkzaamheid.
_______________________
NAAR HOOFDSTUK 7
NOTEN:
[1] Wetten, VII, 803C4-8; zie ook ibid.,
I, 644D8.
[2]
D-K 80B1: πάvτωv χρημάτωv μέτρov ἐστὶv
ἄvθρωπoς ... De uitspraak gaat (in vertaling) als volgt verder:
"van wat is, dat (hoe) het is, van wat
niet is, dat (hoe) het niet is".
[4]
Cf. aan het slot van de Nikomachische
Ethiek, X.9, 1181b15.
[6]
Vaak vertaald als: "De Staat",
of "De Republiek".
[7]
Waarmee Platoon de traditionele Griekse
praktijk, waarin de klemtoon werd gelegd op een mate van orthopraxie,
ontwikkelde in een richting die de latere, christelijke zorg om de doctrinale orthodoxie a.h.w. aankondigde. Precies het door Platoon gecreëerde rationalisme maakte
het vastleggen mogelijk van een "orthodoxie" die vervolgens kan/moet
worden afgedwongen. Reeds Auguste Lecomte heeft aangetoond dat, in
tegenstelling tot de gangbare evidentie, intolerantie juist een
"rationele" oorsprong heeft.
[8]
Eén van de twee aanklachten die in 399 tegen
Sokrates waren ingebracht, betrof zijn asebie en luidde:
"het niet erkennen van de goden die de
polis erkent, en het introduceren van andere, nieuwe goden", cf.
Diogenes Laërtios, II.40; zie De Ley (1994), p. 4 (zie de syllabus
op deze site).
[9]
De Wetten, 907D6v. en 908D7v. Ik neem
het citaat over uit De Ley (1994), p. 3 (op
deze site). Zoals ik daar ook schreef, p. 55: "Wat... de algemene, maatschappelijke
effecten betreft van Sokrates' optreden in de straten van Athene, namelijk de
daadwerkelijke 'subversiviteit' ervan t.a.v. de gevestigde, ook
moreel-religieuze orde: gesleept voor Platoons Inkwisitie, namelijk zijn Nachtelijke
Raad, had Sokrates geen schijn van een kans gemaakt. Zijn veroordeling en
executie stonden bij voorbaat vast: in de 'totalitaire' staat van de Wetten
is er voor een open discussie over de instellingen, het in vraag stellen van de
heersende waarden en normen, of het introduceren van nieuwe ideeën
principieel niet de minste ruimte meer".
[10]
Bien (1980), p. 165.
[11]
Maar dat lijkt mij een niet echt gelukkige
manier van uitdrukken: Platoon zette juist een beslissende, zij het nog
onvolledige, stap in de richting van de zuivere theorie.
[13]
Zie de syllabus De Ley (1988).
[15]
Bv. Politica, II; maar ook in Pol.
I zullen we zulke "Platoonkritiek" ontmoeten (het weze dan zonder
expliciete naamvermelding).
[16]
Zie Bien, o.m. zijn "Einleitung" bij de (vertaling van de) Nikomachische
Ethiek, p. xxix (verder geciteerd als: Einleitung).
[17]
Vgl. met de platoonse Timaeus: van de
continu veranderende, natuurlijke of empirische 'werkelijkheid' is slechts
een "bastaardkennis", een "muthos",
mogelijk, géén echte, wetenschappelijke
kennis. Zie Wieland (1962), p. 25.
[18]
Metaphysica, Γ
.2,
1004a3.
[19]
Aan een veelheid (i.e. minstens 10) genera
van zijnden beantwoordt een veelheid (i.e. minstens 10) opperste klassen van
"zijn", i.e. van predicaten (
κατηγoρίαι); zie De Ley (1972).
[22]
Zie ook G.Verbeke, L'objet de la métaphysique d'Aristote
selon des études récentes, in: Revue de Philosophie Ancienne, l(1983), pp.
5-30.
[23]
I.t.t. Platoon, voor wie getallen
"Vormen" waren, is voor Aristoteles' nominalisme het reële getal
steeds een geteld
getal, d.w.z. een aantal, namelijk van getelde objecten.
[24]
Met. Λ .8,
1073b4-8.
[25]
Het Griekse woord planètès
betekent oorspronkelijk zoveel als "dwaalster".
[26]
Elke planetenbaan is dus het resultaat van
de beweging van verscheidene sferen, die elk hun onbewogen Beweger als oorzaak
hebben, zie Boek Lambda, 6-8 (cf. de vertaling van C.Verhoeven, 1989).
[27]
Vgl. De Generatione Animalium (GA),
II.1, 731b31v.: "... is er een
geboorte (genesis) van dieren. Aangezien het immers onmogelijk is voor
de natuur van dit soort van genus om eeuwig te zijn, is hetgene geboren wordt,
eeuwig op de wijze waarop dat mogelijk is. Numeriek is dat dus onmogelijk - de wezenheid (ousía) van de zijnden ligt immers in het particuliere, en als
dit zodanig was, dan zou het eeuwig zijn -, maar in vorm/soort (eidos)
is het wel mogelijk. Daarom is er altijd een genus van mensen, dieren en planten".
[28]
Vgl. reeds de pythagoreïsche arts-filosoof,
Alkmaioon van Krotoon (begin 5de eeuw), fr. 24B2 D-K: "de mensen gaan daarom ten onder, omdat
zij niet bij machte zijn het begin (van de cirkel) te verbinden aan het einde
ervan".
[29]
Hoewel Aristoteles de opeenvolging der
generaties ziet als een proces dat analoog is aan de cyclische fenomenen in de
natuur, beklemtoont hij dat het bij de voortplanting niet gaat om een proces
dat in de strikte zin van het woord "cyclisch" is: "dit wordingsproces (genesis)
lijkt [integendeel] rechtlijnig te verlopen", De Generatione et
Corruptione (GC), II.11, 338b11. Hij lijkt daarom het gebruik van
het woord "omloop"
(períodos) te vermijden, in
onderscheid met de auteur van de Oeconomica, I.3, 1343b23-25 (zie de vertaling
achteraan, in het Corpus).
[30]
I, 1255b3. Het zgn. "kosmisch
optimisme" van Aristoteles
(Saunders, cf. het vorige hoofdstuk 5,
wordt hierdoor toch wel sterk gerelativeerd.
[31]
Het mannelijke geslacht van "de
mens" is voor Aristoteles vanzelfsprekend.
[32]
Eudemische Ethiek, II, 6, 1222b15v.
[34]
Nikomachische Ethiek, III.3,
1112a21-31. Voortaan verwijzen naar deze tekst met de afkorting NE, en
naar de Eudemische met EE.
[35]
Ibid. a21-33.
"Nous", "intellect",verwijst hier naar het menselijke, praktische
verstand.
[37]
Rhetorica, I.2, 1355b26-27. Over de
belangrijkste thema's t.v. dewelke de zgn. raadgevende retoriek (in
onderscheid met de pleitrede en de demonstratierede)
"proposities" (logoi)
moet aanreiken, zie Rhet., I.4
(vertaling achteraan, in het Corpus).
[38]
Rhet., I.4, 1359a31v.
[39]
Maar ook hier moet voorzichtig worden
omgesprongen met de notie "subjectief".
[41] δίκαιov φυσικόv,
NE, V.10, 1134b18.
[42]
Zie Aubenque (1980), pp. 218-219.
[44]
Müller (1983), p. 208.
[45]
Zie ook Van der Wal (1979), die op de
actualiteit wijst van Aristoteles' praktische filosofie, namelijk in een tijd
waarin "over een steeds breder front een herleving te constateren
(valt) van normatief georiënteerd politiek (ook rechtsfilosofisch en
sociaal-ethisch) denken" (p. 51).
[46]
Zie ook het vorige hoofdstuk, kap. 5.8; en Achtenberg (1991).
[49]
NE, I.7, 1097b33-1098a5.
[51]
Maar Aristoteles vermijdt het woordje "deel"
in dit verband expliciet te gebruiken: in onderscheid met Platoon
beklemtoont hij veeleer de éénheid van de ziel.
[52]
De argumentatie is goed vergelijkbaar met wat
Aristoteles schrijft, in Pol., I.5, 1254b22-23, over de slaaf-van-nature
en diens betrekkelijke "participatie" aan de
logos.
[53]
ὄρεξις, cf. τὸ
όρεκτικόv, "het appetitieve". Orexis
mag niet, modernistisch, simpelweg geopponeerd worden aan rede, als een
verlangen waarvoor er geen (goede) redenen zijn. Voor de oude Grieken vormt orexis,of verlangen, de meest algemene soort van motivering om iets te doen,
die we kunnen hebben: "it
covers wanting of various kinds, and also covers the motivation generated by
reasons, including ethical reasons",Annas (1993), p. 35.
[55]
In tegenspraak, op het eerste gezicht, met
het normatieve natuurbegrip, erkent Aristoteles dat mensen "van
nature" slecht kunnen zijn - zodanig dat het hun "natuur"
(phúsis) is, zich in een "tegennatuurlijke"staat te bevinden, cf. Pol.I, 1254b1v.
Ter verklaring hiervoor kan Aristoteles naar het hoger besproken
fundamenteel contingente karakter verwijzen van de wereld van de phúsis;
maar dat belet niet dat de ideologische circulariteit van zijn natuurbegrip erdoor gereveleerd wordt: als
(normatieve) "natuur" wordt slechts erkend wat beantwoordt aan de
normen die zogezegd uit die "natuur" werden afgeleid.
[56]
Ondanks de rol van de gewoontevorming (éthos), gaat het in elke morele situatie
wel degelijk telkens om een "keuze".
[57]
Vgl. EE, II.2, 1220b18-20:
"gesteltenissen (hexeis) zijn al zulke die er verantwoordelijk voor
zijn dat deze páthè zich in een rationele staat (katá logon) of
in de tegenovergestelde bevinden, zoals [in de gesteltenis van] moed,
bezonnenheid, lafheid, tomeloosheid".
[58]
Cf. o.m. Hutchinson (1986), maar nu vooral
Annas (1993), pp. 47-131: "I.2:
The Virtues", waarin zij er o.m. op wijst dat "deugden"
zowel een affectief/emotioneel als een intellectueel aspect bezitten. D.w.z.:
een aretè bezitten betekent een
karakter hebben dat op zulke wijze ontwikkeld is dat men niet enkel, in elke
concrete situatie, (rationeel) beseft welke de moreel juiste handeling is,
maar óók er plezier in schept, ze te stellen (p. 55). De moderne, kantiaanse
(in oorsprong christelijke) visie dat de deugden ons integendeel in staat stellen wilsmatig onze gevoelens te beheersen, bedwingen en
corrigeren, is strijdig met
de antieke, voor dewelke de nood aan zelfcontrole wijst op een nog niét volledig
gerealiseerde "deugdzame" dispositie (ibid., pp. 52-53).
[59]
"want t.o.v. de generisch
verschillende objecten is ook het redelijk zielsdeel dat telkens van nature op
één van beide gericht is, telkens verschillend van aard, aangezien het kennen
toekomt op basis van een zekere overeenkomst en verwantschap", NE,
VI.1, 1139a6-11. In meer klare mensentaal: (wetenschappelijke) kennis is voor
Aristoteles een kwestie van "being in a special state of mind",en die kendispositie wordt geactualiseerd
(ook: de zekerheid van de bekomen kennis gegarandeerd) door een specifiek
soort van objecten, namelijk intelligibele kenobjecten. Zie de bekende kritiek van
A.J.Ayer op deze visie, in zijn The Problem of Knowledge (1956), p.
14v.
[61]
NE, 1140b20:
ἀvάγκη τὴv
φρόvησιv ἕξιv εἶvαι μετὰ λόγoυ
ἀληθῆ περὶ τὰ ἀvθρώπιvα
ἀγαθὰ πρακτικήv
.
[62]
NE, 1140a10: ἕξις μετὰ λόγoυ
ἀληθoῦς πoιητική.
[64]
Vgl.
Kleine Hippias, 375B7-C3: "En voor de cither- en fluitspeelkunst
en, in het algemeen, voor alle kunsten (téchnai) en wetenschappen (epistèmai):
is ook hier telkens niet dié ziel de beste, die vrijwillig slecht en
verfoeilijk werk levert en tegen de regels zondigt, terwijl de ziel die het
onvrijwillig doet, de slechtste is?" Zie De Ley (1988), p. 137v.
[65] N.B. in een strikt biologische
context, nochtans, kan
Aristoteles desalniettemin óók van de "praxis" van dieren spreken, vgl. bv. Historia
Animalium, I, 487b33v., waar de zooia worden geclassificeerd naar hun "bíos" en "praxis".
[66] Zie hoger,
kap. 6.3.
[67] Cf. supra, hfst.
5, kap.5.5.
[68] Cf. Pol., I.13, 1260a36v.
[69] Vgl. NE, X.8, 1178a34-b1: "de vraag wordt opgeworpen wat van de
morele voortreffelijkheid belangrijker is: het morele bewustzijn (proaíresis)
of de handelingen, aangezien zij in beide gelegen is; maar het is duidelijk dat
zij in haar volheid beide zal insluiten".
[69] Grundlegung, p. 225.
[71] Id., Einleitung NE, p.xliv. Vergelijk daarmee
Kant, bv. in de Vorrede van zijn Grundlegung zur Metaphysik der Sitten
(1785), p. 15 (ed. Darmstadt): de "Metaphysik der Sitten", of
"moraalfilosofie", dient, in onderscheid met
de "praktische anthropologie", "de idee en de principes van
een mogelijke zuivere wil te onderzoeken, en niét de handelingen".
[72] Maar het moderne (algemene en abstracte) begrip van
"arbeid" was de Grieken onbekend, zie Vernant (1971a) en (1971b).
[73] Zie J.M.Cooper (1975), ch. I.
[74] Cf. Cooper, o.c., pp. 96-97.
[75]
Einleitung NE, p. xlxlii.
[76] Vgl. Wood (1988), p. 145: "the analogy of the
arts, the concept of technê, is the very foundation of his political
philosophy. In his doctrine, the ideal of craftsmanship and respect for those
who work with their hands is transmuted into a argument for the exclusivity of
politics and for a hierarchical division of labour which excludes the
possessors of technê from the 'technê' of citizenship. By
placing technê at the centre of his argument, Plato pays democracy the
tribute of turning its ideals against itself, of meeting his enemies on their
own ground".
[77] Bv. de handenarbeid wordt bij
hem dan toch nog als een activiteit van het redelijke zielsdeel beschouwd.
[78] Zie ook E.Kapp, Theorie und Praxis bei Platon und Aristoteles, in: Mnemosyne, 6 (1938), pp. 179-194; G.Bien, Das
Theorie-Praxis-Problem und die politische Philosophie bie Platon und
Aristoteles, in: Phil. Jahrb., 76 (1968/69), pp. 264-314.
[79] De geneeskunst(téchnè iatrikè) gold toen,
zoals in de latere oudheid, als dé paradigmatische téchnè. Zie nu vooral Nussbaum (1994); ook
Müller (1994).
[80] Zie hierover nu Hartmut
Wilms, "Techne und Paideia" bei
Xenophon und Isokrates (1995).
[81] NB ook de ontwikkeling van
een geldekonomie was hier zeer belangrijk.
[82] Voor een bondige bespreking zie de syllabus, Inleiding tot de Sofistiek
(1985-86): op deze site.
[85] Vgl. de bekende, mythische
beschrijving van de "rondtocht" (períodos) van de zielen (in hun
preëxistentie), in de Phaedrus, 247C6-D7. Als wagenspannen, met het
intellect als menner, rijden ze door de hemel, achter de wagenspannen van de
goden aan (cf. de Melkweg!); aldus kunnen ze af en toe de "bovenhemelse plek" zien en het ware zijnde aanschouwen, dat per
definitie onaanschouwelijk is (sc. voor de zintuigen): "het kleurloze, vormloze, ontastbare,
werkelijk-zijnde Zijn (ousía), alleen waarneembaar voor het intellect,
de stuurman der ziel, dat Zijn waarop alle ware kennis betrekking heeft,
bewoont deze plek. En aangezien het goddelijk verstand (diánoia) gevoed
wordt met geest (nous) en loutere kennis - zoals het verstand van elke
ziel die erom bekommerd is, haar passend voedsel te ontvangen -, is het blij
het na verloop van tijd weer te zien: en in die aanschouwing (theoroúsa)
van het ware vindt het z'n voedsel en gedijt het, totdat de omwenteling het
in een kring naar zijn uitgangspunt heeft teruggevoerd. En op die rondtocht
aanschouwt het Rechtvaardigheid zelf, aanschouwt het Bezonnenheid,
aanschouwt het Kennis (epistèmè)...".
[86] Bien (1973), p. 126.
[87] Vgl. daarmee het
anti-platonische, pragmatische standpunt van Platoons opponent, Isokrates, in Antidosis,
§ 271: "aangezien het niét in de menselijke natuur ligt trefzekere kennis te
verwerven, door het bezit waarvan wij zouden wéten wat [telkens] moet gedaan of gezegd worden, beschouw ik als
'wijzen' (sophoí) voortaan degenen die door hun meningen (doxai)
in staat zijn meestendééls de beste oplossing te treffen, en als 'wijsheidsvrienden'
(philósophoi) degenen die zich met die zaken bezighouden, waaruit ze
het vlugst dergelijke verstandigheid (phrónèsis) kunnen opdoen".
[88] Dat wil nochtans niét zeggen
dat deze theoretische kennis onmiddellijk toepasselijk is op een realiteit die dan toch
voortdurend in verandering is (vgl. met de Meno, waar zelfs gesteld
wordt, in 99B, dat de epistèmè
géén gids kan zijn "in de
politieke praxis"; evenzo in
de late Philebus, 62B).
[89] Bien (1973), p. 163.
[90] Vgl. ook de reductie van alle aretaí tot de eenheidsdeugd van de phrónèsis die tegelijkertijd
theoretisch én praktisch is.
[92] Vgl. de oorsprong van ons
woordje "school", namelijk van het Griekse scholè.
[93] Bien, l.c., citeert E. Kapp, Platon und die Akademie; zie ook Bien,
Einleitung NE, p. xxxv.
[94] Vgl. bv. Politeia, 441E5 en 442C5-7, over het "redelijke
zielsdeel".
[95] Cooper (1975), p. 169.
[96] K.Marx & F.Engels, De Duitse Ideologie, p. 32
(SUN-vertaling).
[97] Zie hoger,
kap. 6.4.
[98] I.t.t. de andere
kenvermogens, bezit de nous geen fysiek
orgaan (cf. De anima, III, 429b25-27); hij komt "van buiten" (θύραθεv , GA ,
736b27, 737a10 en 744b21).
[99] Cf. Met.
α , 993b20-23: "van
theoretische (kennis) is het doel de waarheid, van praktische het werk (ergon);
want ook als ze onderzoeken hoe het (met iets) gesteld is, beschouwen de praktijkmensen
(praktikoí) niet de oorzaak op zichzelve, maar (is het hen te doen) om
de relatie ervan tot (iets anders) en om het momentane".
[100] "Het is derhalve duidelijk dat we die
kennis niet zoeken met het oog op enig verder praktisch nut, maar dat zij de
enige 'vrije' wetenschap is, in dezelfde zin als we ook de mens die ter wille
van zichzelf bestaat en niet ter wille van een ander [sc. zoals de slaaf],
'vrij' noemen; alleen zij, inderdaad, bestaat ter wille van zichzelf", Metaphysica Alpha, 983b24v.
[101] Müller (1983), p. 217.
[102] Cooper, o.c., p. 164.
[103] "Onze
(menselijke) natuur is immers niet
autarkisch voor het schouwen, maar ook ons lichaam moet gezond zijn, en het
heeft voedsel en de rest van de verzorging nodig", NE, X.8, 1178b33-35.
[104] Cf. ibid., 1178b3-7: "(terwijl de beoefenenaar van de morele voortreffelijkheden vele externe middelen nodig
heeft,) heeft degene die aan theoría niets van dergelijke zaken van
doen, althans voor de (uitoefening van die) activiteit (enérgeia); zij
zijn integendeel zelfs hinderlijk, althans voor de theoría. Maar in zoverre
hij mens is en met een groot aantal (mensen) samenleeft, verkiest hij de
handelingen van de morele voortreffelijkheid te stellen; hij zal dus
dergelijke middelen nodig hebben met het oog op zijn mens-zijn".
[105] "Indien dan t.o.v. de mens het intellect iets goddelijk is, dan zal ook de levensvoering (bíos)
in overeenstemming met dat intellect goddelijk zijn, in vergelijking met de menselijke
levensvoering (ho anthroopinos bíos)", NE, X.7, 1177b30-31. Voor de vereenzelviging
van de "ware" menselijke persoon met diens intellect, zie ook ibid.,
o.m. 1166a22, 1168b35, en 1178a2.
[106] Bien (1973), p. 152 n.
[108] Ook "bíos philósophos"genoemd, en "bíos xenikós", d.w.z.
"de levensvoering van een vreemdeling" - waarmee Aristoteles zijn metoikenstatuut a.h.w.
een filosofische sublimering heeft gegeven.
[110] NE, X.7, 1277b31-34. Hier althans aarzelt Aristoteles niet tegen de
traditie in te gaan, zoals die door dichters en zedenprekers was verwoord. Zie
ook Met. Alpha, 983a3v.: "zoals het spreekwoord zegt: 'de
zangers vertellen veel leugens'" (zelf citaat van... Soloon!).
[111] Bien (1973), p. 141.
[112] Cf. de verloren monografie "Over de Vormen", uit zijn Akademieperiode: zie daarover Fine (1995). De (23)
bezwaren die erin ontwikkeld werden, worden (beknopt) herhaald aan het slot
van Met. Alpha, 990b1 e.v.; zie De Ley (1977), pp. 120-139 (met verklarende
noten), en in Boek Mu, van dezelfde Metaphysica,
§§ 4-5. Terwijl Aristoteles in de (latere) Mu-versie
systematisch in de derde persoon over de Vormentheorie spreekt, doet hij dat in
de Alpha-versie nog regelmatig in de eerste persoon - wat erop zou
kunnen wijzen dat Alpha nog voor een kring van mede-platonici werd
naar voren gebracht.
[113] Cf. Nussbaum (1994), p. 61. Zij vervolgt met: "On the other hand, Aristotle does not
mourn the absence of such standards: for the boundaries of experience are also,
he holds, the boundaries of discourse and thought. The search for truth is the
search for the most accurate account of the world, as we do (and shall)
experience it". Zie ook mijn overzicht, "Bronnen van de Antieke
Wijsbegeerte", p. 4. (zie op deze site)
[114] We zien dit bevestigd in het
feit dat Aristoteles ook in NE, I.6, 1096a13, tijd besteedt aan het
afwijzen van de (ethische toepassing van de) Vormentheorie - "hoewel een dergelijk onderzoek
moeizaam gebeurt, wegens het feit dat het vrienden zijn die de Vormen hebben
ingevoerd" (zie vertaling achteraan, in het Corpus).
[115] Vgl. bv. NE, VII.1, 1145a25-27, en X.8, 1178b8v.:
bij de goden/godheid is er geen sprake van een ethische habitus (hexis) of van morele voortreffelijkheden (aretaí); de ethische ingesteldheid is
integendeel kenmerkend voor het intermediaire statuut van de mens, namelijk tussen
dat van de dieren (die inferieur zijn) en dat van de goden (die superieur
zijn).
[116] NE, I.6, 1096b32v. Vgl. EE, I.8, 1217b23-25: "vervolgens, ook al mogen de Vormen (idéai)
en de Vorm van het Goede er nog zo zeer zijn, op geen enkel ogenblik zullen ze
ooit van nut zijn voor het goede leven of voor de handelingen".
[117] NE, III.4, 1113a29-33; cf. ook ibid., X.5, 1176a15-18: "...
maat van alles is de voortreffelijkheid en de goede (hagathós), àls
goede".
[118] in zijn bemiddeling tussen Platoon en de Sofisten, doet Aristoteles de"natuur" aldus een ideologische en normatieve rol spelen, die, zoals Müller
(1983), p. 209, opmerkt, "vergelijkbaar is met die van de Ideeën bij
Platoon.
[119] EE, VII.2, 1237a2-3.
[120] Zevende Brief, 326A-B.
[121] Cf. NE, I,
' 3-4 (zie
vertaling achteraan).
[122] Vgl. Isokrates' gebruik van
deze term, hoger, n. 87. Let op: Aristoteles gebruikt "phrónèsis" enkel in de ethische traktaten in de technische zin van 'prudentia'. Elders, bv. Met. Alpha, kan hij het
woord gebruiken in de platoonse zin van theoretische kennis, d.z.w. als
synoniem voor sophía en epistèmè.
[123] Zie Aristoteles' "stock" van éndoxa, in zijn Rhetorica, I.4-14:
inzake eudaimonie en haar bestanddelen (afkomst, vrienden, rijkdom,
kinderen, reputatie, enz.); algemene criteria voor het
"goed"-zijn van iets; de politieke constituties; voortreffelijkheden
en ondeugden; rechtvaardige en onrechtvaardige handelingen, enz. Zie Cooper
(1994) en Halliwell (1994). Vertaling van Rhet., I, 4-6, achteraan.
[124] praktikè/politikè
téchnè, dúnamis of epistèmè, als de praktische kennis van het
handelende subject. Ook het Griekse woord "epistèmè" - dat Aristoteles waar nodig gebruikt als terminus voor "wetenschap" in de theoretische
betekenis van het woord - had van huis uit een praktische betekenis,
namelijk als tegelijk kennen-en-kunnen:
het werd gebruikt voor allerlei vormen van gebruikskennis en voor
ambachtelijke e.a. technische vaardigheden. Zie De Ley (1988), p. 129, met
verwijzingen; Bodéüs (1982), pp. 54-58.
[125] NE, VI.5, 1140b7v. Bij Platoon, daarentegen, had Perikles nog model
gestaan voor de " onbekwame" (kakós)staatsman, zie bv. Gorgias, 515A1v.
[126] NE, VI.5, l.c. Voor het belang van die praktische "ervaring", bij de politici, die
hen weliswaar niet in staat stelt hun kundigheid over te dragen (bv. op hun
zoons), zie NE, X.9, 1181a1-12 (zie vertaling achteraan).
[127] NE, I.9, 1099b24-25.
[128] EE, I.3, 1215a13v. Vgl. Verbeke (1985), p. 251: "In
Aristotle's view happiness is widely diffused; most people participate in moral
life leading to the fullest perfection of human existence. This must be the
case, since man is by nature a moral being and nature is the source of what
most frequently occurs. Chance could never be the principle of events that
generally occur"; zie ook Nussbaum (1994), p. 61v. Kritisch t.a.v.
deze interpretatie staat o.m. Leys (1989), p. 173: "... Verbekes
conclusie en redenering moeten worden genuanceerd. Weinig of geen mensen
slagen erin de menselijke natuur te realiseren"; ook Rowe (1983), p.
94. NE, X.5, 1176a20-21, merkt Aristoteles zelf op dat er "vele
(vormen van) corruptie en misvormdheid tot stand komen onder de
mensen". Onder "meerderheid", in onze tekst, dient in alle
geval niet die van àlle polisbewoners begrepen te worden (zie het volgende
hoofdstuk,
kap. 7.1).
[129] De proaíresis, met name, d.w.z. het menselijke morele bewustzijn, dat in elke situatie
een morele "keuze"
maakt, berust op een combinatie van verstand en "ethische" habitus,
namelijk als een "verlangend verstand" of een "verstandelijk verlangen (órexis)",
καὶ
ἡ τoιαύτη
ἀρχὴ ἀvθρωπoς
,
"en een zulkdanig principe is de
mens", NE, VI.2, 1139a33-b5.
[130] Cf. NE, X.9 (zie vertaling achteraan).
[131] Vgl. NE, I.4, 1095b4v.: "Daarom moet wie met vrucht wil luisteren
naar (uiteenzettingen over) het schone en rechtvaardige... in zijn
leefgewoontes (éthè) reeds goed opgevoed zijn... (E)en dergelijk
persoon is reeds in het bezit van principes" (zie vertaling achteraan).
[132]
Zie Fortenbaugh (1991), die vertrekt vanuit
de gegevens in Aristoteles' Poetica, Rhetorica en Politica.
In de moderne literatuur, weliswaar, werd door een aantal auteurs (o.m.
D.J.Allen, The Philosophy of Aristotle, Oxford 1951, herdr. 1978;
R.A.Gauthier, La Morale d'Aristote, Paris 1973
;
) de interpretatie
verdedigd dat de aristotelische "phrónèsis", verre van een
terugkeer te zijn naar de pre-platoonse 'prudentiële' notie, die
(enkel) betrokken is bij de praktische keuze van het moreel wenselijke, integendeel,
als een soort van anticipatie van Kants "praktische Vernunft", de kennis
en studie betreft van de algemene normen en doelstellingen van het
handelen, gecombineerd met de bekwaamheid om die algemene regels ook toe te
passen in concrete situaties (Allen, o.c., p. 126); de "verstandige" (phrónimos), vandaar,
zou dan diegene zijn die [1], "by a philosophical view", die
algemene principes kan rechtvaardigen én [2], b.m.v. discursieve logoi, deze "praktische
wijsheid" zou kunnen aanleren - zoals Aristoteles dat dan zelf zou
doen in zijn onderwijs/geschriften (Allen, o.c., p. 133). Voor een kritiek
hierop zie o.m. Guthrie (1981), pp. 346-348, en, vooral, Bodéüs (1982), pp.
60-78.
[133] NE, X.8, 1178a16-22. Commentatoren/vertalers als Joachim, Tricot,
Rackham en Léonard menen dat in het slotzinnetje "eudaimonie" verzwegen is;
volgens Ross, Verbeke, Seidl, Gauthier & Jolif en Dirlmeier is het "aretè" (cf. a20, "de voortreffelijkheden van het samengesteld
wezen"). Zie Dudley (1982), pp. 71-73 (n. 58). Voor
κεχωρισμέvη,
zie Verbeke (1951), p. 89. Voor de bíos theorètikós, zie ook De Ley (1988),
hfst. 4.
[134] Aristoteles' leerling,
Dikaiarchos van Messene, concludeerde hieruit dat de bestemming van de mens niet theoría, maar praxis
was. Zie W.Jaeger (1960a), p. 379.
[136] Bien,
Eileitung NE, p. xxxvii.
[137] Cf. de opmerking van
J.Verhaeghe (1980), p. 14: "...dat de vraag naar het zedelijk goed
of slecht zijn in de Nikomachische Ethiek nergens wordt gesteld".
[138] Cooper (1975), p. 71 n. 98.
[139] NE, I.3, 1095a5: ξις
.
Zie ook NE, 1103b26v., 1143b18v., 1179b35v.; EE, 1214b12v.,
1215a8v.; e.a.
[140] EE, I.5, 1216b3-25. Zie ook Nussbaum (1994), p. 59.
[141] "Poiètikè" wordt hier nog in een bredere
zin gebruikt.
[142] "Want niet de
mens wordt door de arts genezen, tenzij bijkomstig, maar Kallias of Sokrates,
of iemand anders met een dergelijke naam, wie het toevalt een mens te
zijn", Met. A, 981a17v.
[143] Vgl. NE, I.3 (zie vertaling achteraan); II.2,
1103b26v.: "Aangezien de pragmatie
waaraan we bezig zijn, niet, zoals de andere, theoría op het oog
heeft, (we voeren ons onderzoek immers niet om te weten wat de
voortreffelijkheid is, maar om goed te worden, daar het anders geen nut zou
hebben), moeten we het domein van de handelingen bestuderen, namelijk op welke
wijze die handelingen moeten gesteld worden... Vooraf echter weze dit
overeengekomen, dat elk argument omtrent de aangelegenheden van het handelen (ta
praktá) vereist dat het uiteengezet wordt in algemene trekken (túpooi)
en niet met precisie, zoals we ook bij de aanvang [sc. I.3] zegden dat
argumenten moesten gevraagd worden in overeenstemming met de behandelde stof.
Op het gebied echter van de handelingen en van wat in ons belang is, staat
niets vast, net zomin als inzake kwesties van gezondheid...". Ook
hier, dus, lijkt Aristoteles dicht aan te leunen bij het (anti-platoonse)
standpunt van Isokrates, zie hoger, n. 87.
[144] Cf. NE, 1143b13; EE, 1217b23,
1218a34, 38, e.a.
[145] NE, 1096b33v. (met een vergelijking met de praktijk van ambachtslui en
geneesheren); EE, 1217b23-25, 1218a33-34, e.a.
[146] Cf. NE, X.9, 1180b28v.: zie vertaling
achteraan, met in voetnoot vertaling van Pol., VI.8, 1141b23-29.
[147] Cf. Bodéüs (1982), p. 77: "Même si la φρόvησις
aristotélicienne inclut immanquablement
une connaissance de la fin, cette dernière ne coïncide en rien avec le savoir
que procure une recherche discursive pareille à celle dont les textes d'Aristote
lui-même pourraient contenir les résultats. Comme l'affirme en substance l'EN,
aucun discours n'enseigne les principes de la 'science pratique'. On ne
saurait donc prêter au Stagirite l'intention de fournir par ses
λόγoι
un enseignement de cet ordre".
[148] Bien (1973), p. 127.
[149] De uitdrukking in Pol., III.12, 1282b23 (philosophía verwijst veeleer naar "onderzoek" dan naar
doctrine).
[150] Cf. Nussbaum (1994), p. 61.
[151] Bien, o.c., p. 131.
[152] Vgl. EE, I.3, 1214b33-34: "want het toedienen van geneesmiddelen (pharmakeía)
is in niet mindere mate een vorm van kastijding dan het toedienen van
slagen".
[153] NE, X.9, 1179b4v. (zie vertaling achteraan).
|