1. Inleiding
"Alle mensen hunkeren van nature naar het weten"
[1]
. Met
deze bekende zin opent Aristoteles, in Metaphysica Alpha,
zijn
speurtocht naar het soort van kennis dat in de volle zin van het woord
er
aanspraak kan op maken, sophía, "wijsheid",
genoemd te worden - wat de hoogste kwalificatie was die kennis voor
Grieken überhaupt
kón hebben. Het feit dat, in de ogen van de filosoof Aristoteles,
enkel filosofisch-wetenschappelijke kennis
daarvoor in aanmerking kon komen, kan geen verwondering wekken. Zijn
antwoord,
bijgevolg, op de vraag, "wat is sophía?",
leert
ons tevens wat hij verstond onder "philosophía
"
[2]
.
Dat antwoord luidt dat de gezochte
kennis kennis moet zijn die "aan (theoretische) beschouwing
doet van de
eerste beginselen en oorzaken", sc. van de natuurlijke
werkelijkheid
[3]. Anders gezegd, de filosoof
zoekt naar de theoretische verklaring - het algemene antwoord op de "waarom?"-vraag
- voor de (natuurlijke) fenomenen [4]:
"dàn
alleen, immers, zeggen we voor elk ding dat we het weten (eidénai),
wanneer we menen de eerste oorzaak achterhaald te hebben
"
[5] -,
Dergelijk onderzoek moet vanzelfsprekend gebeuren
op basis van de vereiste, wetenschappelijke methodes (alleen dàn,
immers,
kan er sprake zijn van "philosophía"), maar over
dat
methodologische aspect willen we het hier niet hebben[6]. Wat de "primaire
oorzaken"
zelf betreft waarover de filosoof wetenschappelijke kennis (epistèmè)
moet zoeken, zij zijn de bekende, zgn. "vier oorzaken": vorm, stof,
bewegingsgrond en doel, en "daaromtrent", aldus
Aristoteles, "is voldoende getheoretiseerd in de (lezingen)
over de
natuur (phúsis)" [7]
.
We komen aldus tot de, op het eerste
gezicht misschien wat bevreemdende, vaststelling dat "filosofie"
lijkt samen te vallen met natuurfilosofie,
of zelfs natuurwetenschap; of dat de φυσική (phusikè)
alleszins het "oorspronkelijke"
project was van de aristotelische
filosofische vraagstelling
[8].
Voor een historisch begrip van dit
gegeven kan worden uitgegaan van de voorafgaande bespreking over de
"antieke productiewijze". Zoals daar uiteengezet is, wordt een
agrarische samenleving als de antieke gekenmerkt door de algemene
"dominantie van de natuurrelatie"[9].
Die dominantie manifesteert zich niet enkel op het materiële vlak, i.e.
op
dat van de productie [10], maar
ook op dat van de ideologie: d.w.z. ze gaat onvermijdelijk gepaard met
een vorm
van "natuuridolatrie", zoals Marx het noemt[11].
Behalve een vorm van zgn. "paganisme",
daarom, treffen we in een agrarische samenleving, impliciet of
expliciet, ook
een natuurbegrip aan, dat onvermijdelijk een sterk normatieve
geladenheid bezit (PS dat geldt ook voor de 'christelijke middeleeuwen', met de
heksenvervolgingen als negatieven bevestiging). Zoals
Hans Sachsse het formuleert (weliswaar in termen van een verondersteld contrast
met een eraan voorafgaande, pre-agrarische samenleving[12]:
"De natuur, zoals de landbouwer haar
voor ogen heeft, is in verregaande mate tot voorbeeld en
interpretatiemodel geworden... De natuur is ook het domein van de orde,
harmonie en schoonheid. Het woord ‘natuurlijk’
heeft even zeer een esthetische als een ethische klankkleur
verworven".
Iets van zulke strekking kunnen we
alleszins onmiddellijk vaststellen bij de lectuur van Aristoteles' Politica
I, alleen al wat het gehanteerde vocabularium betreft: de
woordgroep die we
op omzeggens elke bladzijde van deze "politieke" tekst steeds weer
ontmoeten, is niét in de eerste plaats "polis" (en
afgeleiden), maar... "phúsis" [13]
. Algemeen vinden we er een antropologie
die in belangrijke mate beïnvloed is door de methodes en resultaten van
Aristoteles' biologie: denken we maar aan zijn beroemde definitie van
de mens
als "van nature een polisdier"
(φύσει πολιτικὸν ζῶιον)
[14]. Het
is er Aristoteles met deze tekst inderdaad bovenal om te doen, het
maatschappelijke - polis, oikos, slavernij,
eigendom, enz. - te "naturaliseren";
d.w.z. het maatschappelijke, nà en tégen de Sofisten in, althans
ideologisch te herintegreren binnen de overkoepelende,
legitimerende categorie van "de
natuur" (ἡ φύσις).
"Het maatschappelijke is
natuurlijk", respectievelijk:
"moet 'natuurlijk' zijn" - dàt, zouden
we kunnen zeggen, is de centrale ideologische boodschap van deze tekst.
Niet
enkel Aristoteles' "theoretische filosofie",
bijgevolg, zoals
bij de aanvang gesteld, óók zijn "praktische
filosofie" wordt beheerst door de "Naturbeziehung"
(Marx); en als zodanig doet ook zij een beroep op het conceptueel kader
zowel
als op de methodologie van de phusikè philosophía
(met name zijn biologie en psychologie). In zoverre die "phusikè",
zoals gezegd, het oorspronkelijke project
is van de aristotelische filosofie, zouden we, naar analogie met Marx'
begrip
van de "Naturalwirtschaft", bij
Aristoteles in algemene
zin kunnen spreken van een "Naturalphilosophie".
5.2. De Aristotelische Phusikè
(φυσική).
Ook al zou het zeker fout zijn haar ertoe te
herleiden, een goed begrip van Aristoteles' "praktische filosofie" vergt onmiskenbaar een voorafgaandelijke kennisname van de
belangrijkste
principes van zijn (meta)fysica
[15]. Als
interpretatiesleutel daartoe zal ik, in wat volgt, het concept hanteren
dat in
het vorige hoofdstuk gehanteerd werd, namelijk dat van de dominantie van de gebruikswaardecategorie.
Die dominantie uitte zich vanzelfsprekend ook
op het
ideologische en theoretische vlak, namelijk in de vorm van wat we een "gebruikswaarde-ideologie"
kunnen noemen.
Jean-Pierre Vernant[16] stipt aan
dat we die
gebruikswaarde-ideologie bij Aristoteles zelf rechtstreeks verwoord
vinden in
een algemene theorie van de "demiurgische activiteit",
d.w.z. van de ambachtelijke poíèsis
of productıe,
en van de
moreel-maatschappelijke praxis
of handeling.
De aristotelische "Naturalphilosophie"
in haar totaliteit - d.w.z. beginnend met haar kínèsis-,
haar ousía- en haar psuchè-leer,
tot en
met de fundamentele noties van Aristoteles' ethiek en politiek - laat
zich van
hieruit interpretatief benaderen als een "filosofie van de
gebruikswaarde".
De φυσικὴ φιλοσοφία - kortweg phusikè
-
wordt door Aristoteles gerekend tot de zgn. "theoretische
wetenschappen
"
[17]
. Dat betekent dat het in zijn ogen om een
puur "beschouwende" kenactiviteit gaat,
gericht op het "weten
om het weten" [18]
, wars van elk praktisch belang - en dus los
van elke fysische ingreep door de mens in het voorwerp ervan, de
natuurlijke
werkelijkheid. Hierbij moet worden opgemerkt dat
het gebied dat door deze
aristotelische "fysica" wordt bestreken, zeer uitgestrekt is, véél
uitgestrekter met name dan dat van de moderne fysica. Vanzelfsprekend,
ook de
fenomenen die nu door die laatste worden bestudeerd, vallen eronder,
maar ze
zijn verre van de enige: niet enkel de 'levenloze', maar ook, en
zelfs vooral, de levende natuur;
niet enkel de strikt fysische, maar ook de chemische;
niet enkel de fysische, in het algemeen, maar ook de
psychische fenomenen vormen er het studieobject van. In feite mogen we zeggen - en ik citeer nu Auguste
Mansion
[19] - dat
àlle
fenomenen van de stoffelijke wereld, met inbegrip van de psychische in
de mate
dat ze afhankelijk zijn van het lichaam, of verbonden zijn met een
organisme,
in gelijke mate onder de fysica in de aristotelische betekenis van het
woord
vallen".
Bovendien beperkt de phusikè
zich niet tot het leveren van (zij het dan rudimentaire) verklaringen
voor de
particuliere verschijnselen: zij doet ook, of zelfs vooràl, aan
reflectie over de algemene gronden van
de natuurlijke orde [20]. Die
reflectie betreft tegelijkertijd de fundamentele structuren,
of zijnsgronden, van de werkelijkheid én
de algemene begrippen die
onze kennis ervan funderen: zoals "beweging", "continuum",
"eenheid", "ruimte", "tijd", enz.
In
het licht van dat alles moeten we dus vaststellen dat onze hedendaagse
begrippen van zowel "natuurfilosofie" als
"natuurwetenschap" (of fysica) ontoereikend zijn om de volledige
betekenis te vatten van de aristotelische phusikè.
Aristoteles' theoretische positie, zou men kunnen zeggen, situeert zich
"tussen
natuurfilosofie en natuurwetenschap" (Seeck); Flashar[21]
heeft het in dit verband over
"die
eigentümliche Stellung des Aristoteles in der Spannweite zwischen
philosophischer Weltdeutung und naturwissenschaftliche Einzelerkenntnis" ("de
specifieke plaats van Aristoteles binnen de spanwijdthe tussen filosofische
wereldverklaring en natuurwetenschappelijke detailkennis").
De verklaring hiervoor moet natuurlijk niet worden
gezocht in een of andere curieuze hersenkronkel van Aristoteles maar in
het
historische gegeven dat de conceptuele differentiatie tussen
"filosofie" en "wetenschap" van veel recentere (moderne)
datum is.
Ook de incorporatie van de (menselijke)
psychologie in de
phusikè moet aldus verklaard worden, namelijk vanuit het ontbreken
bij Aristoteles, zowel van het moderne begrip van het fysische of
materiële,
als van de moderne "subjectiviteit"[22]
- beide het complementaire product van het cartesiaanse dualisme tussen
"materie" en "geest"[23].
Weliswaar maakt ook Aristoteles, in de inleiding van zijn De
anima, een
distinctie tussen twee benaderingswijzen van de psychische aandoeningen
(páthè), namelijk die van de "phusikós" en die van de "dialektikós".
In eerste instantie worden door eerstgenoemde de lichamelijke omstandigheden bestudeerd, die gepaard gaan
met de páthè
[24]; de laatstgenoemde, daarentegen, maakt
abstractie van die lichamelijke factoren om zich toe te spitsen op de
cognitieve, formele principes (logoi), namelijk de definities van
gevoelens en intenties [25]. Maar
inzoverre de psychische fenomenen per definitie psychosomatisch
zijn
[26], en
de wetenschappelijke verklaring ervan, wil ze compleet zijn, bijgevolg
béide
soorten van gegevens vereist, is de theoretische studie van de psuchè
en haar operaties [27] wel
degelijk de taak van de phusikós [28]
.
De aristotelische
"natuurleer", dan, laat zich schematisch onderverdelen in de
volgende deelgebieden:
a) een fundamentele en algemene natuurleer:
Aristoteles heeft haar vóór alles behandeld in de teksten van de Physica,
maar zie ook de teksten van de Metaphysica, bv.
Boek Alpha; ook
in de gespecialiseerde werken treft men algemene beschouwingen aan: bv.
in De
partibus animalium I, over methodologie en teleologie;
b) kosmologie, elementenleer en meteorologie: cf. De
caelo, De generatione et corruptione (GC)
en Meteorologica
(bv. in boek IV: Aristoteles' 'chemie');
c) psychologie: cf. De anima, evenals de
teksten in de zgn. Parva Naturalia;
d)
biologie en zoölogie: cf. Historia
Animalium (HA), De partibus
animalium (PA), De
generatione animalium (GA), De
incessu animalium (sc. over de
gang van de dieren), De motu animalium (MA).
Niet minder dan 1/3
van alle bewaarde geschriften van Aristoteles heeft betrekking op dit
deelgebied.
5.3. Natuur als Kínèsis
(κίνησις)
.
Basisfenomeen in de natuurlijke werkelijkheid is
de κίνησις , d.w.z. de
'beweging': phusis,
of natuur, ís het domein van de kínèsis.
Terzelfdertijd vormt die beweging (of: verandering) ook het
basisprobleem waarmee de
filosoof intellectueel geconfronteerd wordt: zijn op zich, immers,
vereist voor Aristoteles geen verklaring, want het is eeuwig en heeft
geen
"oorzaak" [29]; het
is louter object voor contemplatie (θεωρία, theoría). De hoofdopdracht,
bijgevolg, voor dewelke de aristotelische filosoof zich geplaatst ziet, is
het intelligibel-, d.w.z.
inzichtelijk- of denkbaar-maken van
de wording of beweging [30].
Onder de notie "beweging",
nochtans - in het Grieks dus kínèsis,
maar
net zo min als elders, houdt Aristoteles zich hier strikt aan één
term [31] -,
moet méér worden verstaan dan wat wij daar gewoonlijk onder
begrijpen (namelijk verandering-van-plaats). Behalve verplaatsing in de
ruimte (phorá)
- voor Aristoteles al met al de fundamentele manifestatie van kínèsis
-, vallen ook kwalitatieve veranderingen (alloíosis, of:
anderswording)
[32]
, kwantitatieve veranderingen
(toename en afname), en ontstaan/wording (génesis)
en vergaan (phtorá)
onder het begrip. Zoals Flashar het samenvat[33]:
"κίνησις, 'beweging', in de brede zin duidt
alle
natuurprocessen in het algemeen aan. Zij is noch een fenomeen van het
'niet-zijn' (Parmenides en de Eleaten), noch de louter onregelmatige
'nabootsing' van de eeuwige hemelbewegingen (Platoon), maar (is integendeel)
juist het sleutelbegrip voor het begrijpen van de wetmatigheden in de natuur"
(m.o.).
Verder moet worden aangestipt dat
'beweging' zich voor Aristoteles niet abstract en op zich voordoet,
maar altijd betrokken is
op iets dat in-beweging-is: het gaat m.a.w. altijd om de beweging vàn iets. Bovendien impliceert alle
"in-beweging-zijn" de aanwezigheid,
naast het "bewogene", van een "beweger",
en is
alle "beweging" dus een bewogen-worden.
Zoals zovele andere aristotelische begrippen, bijgevolg, is
"beweging"
in feite een 'betrekkelijk
begrip', en niet iets algemeen of absoluut, dat de particuliere fenomenen zou transcenderen[34].
Keren we terug naar wat ik de
hoofdopdracht heb genoemd van de aristotelische phusikós:
namelijk het intelligibel-maken van 'beweging' als zodanig. Die opdracht moet,
"ideengeschichtlich",
teruggevoerd worden op Parmenides;
anders gezegd, ze moet begrepen worden in het licht van wat
men Parmenides ' "beginsel van de intelligibiliteit"
is gaan noemen [35]. Dat
beginsel proclameerde de identiteit tussen wat "is"
en
wat "kan gedacht worden"
: alleen dát kon "wérkelijk/waar"
(alèthés) zijn, dat ook kon "gedàcht"
worden
[36]. Het
had Parmenides
zelf tot zijn bekende stelling, of
'wet', gebracht van: "wat is, is"[37]
, en vandaar tot de ontkenning,
aangezien "ondenkbaar", van "wat
niét
is", en dus tot de 'ontkenning' van alle beweging, ontstaan/vergaan en
verandering
[38] - in paradoxale tegenspraak
met zowel de dagelijkse, 'natuurlijke' ervaring als met het taalgebruik
[39].
De natuurdenkers na hem: Empedokles, Anaxagoras en Demokritos, hadden Parmenides' wet aanvaard, met uitzondering
nochtans van de ruimtelijke beweging, die zij juist tot het fundament
van hun
natuurtheorieën maakten: alle verandering en alle ontstaan/vergaan werd
inderdaad door hen herleid tot veranderingen-van-plaats van op zich
"onveranderlijke" elementen
(bv. Demokritos
' "atomen"), die bestendig
onderling nieuwe combinaties
aangaan. Zoals Empedokles
het bv. uitdrukkelijk formuleert
[40]:
"... van niets van al dat
sterfelijk
is,
is er geboorte (phúsis), evenmin
enig eind' in verwenste dood,
maar slechts menging (mixis) is er en
wisseling van 't gemengde:
'geboorte'
(phúsis) is maar de naam daaraan door de mensen
gegeven".
Voor Aristoteles, daartegenover, kon
er, alleen al op principiële gronden, geen sprake van zijn, de
'gemene', voorwetenschappelijke ervaring - zoals zij om te beginnen
in de taal, d.w.z. in ons
spreken over het natuurgebeuren, tot uitdrukking komt - zo maar
terzijde te
schuiven. Wel integendeel: ten einde tot een filosofisch begrip te
komen van de
beweging diende z.i. precies te worden vertrokken van een (kritische)
structuuranalyse van de wijze waarop wij mensen (Grieken) bewegingen en
veranderingen ongereflecteerd ervaren én erover spreken. Het is in eerste instantie vanuit een dergelijke
taalanalyse, sc. van het Grieks, dat Aristoteles een conceptueel kader
heeft
ontwikkeld
[41], dat
hem in staat stelde (of: waarvan hij meende dat het hem in staat stelde) om - mét respect voor Parmenides '
'wet' - de kínèsis
als zodanig 'denkbaar' te maken en haar, aldus, een zijnsstatuut te
verlenen. Lezenswaard zijn hier vooral de analyses in Physica,
I.7: we
staan daar a.h.w. middenin Aristoteles' filosofische 'werkplaats'.
De belangrijkste elementen van dat
aristotelische conceptuele apparaat zijn de volgende:
1°) het onderscheid tussen, enerzijds, "wezenlijk/substantieel/zelfstandig"-zijn,
i.e. het zijn van de ousía (
οὐσία) ,
de zelfstandige "wezenheid" (de zgn. "eerste
categorie"), en, anderzijds, "accidenteel/bijkomstig"-zijn,
i.e. het zijn van kwaliteiten, kwantiteiten, relaties, posities, enz.,
die voor
hun bestaan afhankelijk zijn van het wezenlijk-zijn (cf. de negen
overige
"categoriën");
2°) daarbij aansluitend: het onderscheid
tussen "wezensverandering" en "accidentele
verandering". In laatstgenoemde bewaart de
wezenheid die erbij
betrokken is, haar identiteit: bv. Sokrates wordt, in plaats van bleek,
rood
van opwinding, maar blijft 'Sokrates'. In
eerstgenoemde,
daarentegen, betreft de beweging het wezen zélf van de wezenheid,
zodanig dat er een nieuwe ousía ontstaat en/of een oude vergaat: bv. Sokrates sterft na het drinken van
de
gifbeker. In dat geval spreekt Aristoteles van
γένεσις ἁπλῶς
(génesis haploos), d.w.z. van "ontstaan
in absolute
zin". In het Duits kunnen beide vormen van
verandering mooi van
elkaar onderscheiden worden als respectievelijk "Gegenstandsentstehung"
en "Gegenstandsveränderung".
3°) Het onderscheid tussen "dunámei"
(δυνάμει) en "energeíai" (ἐνεργείαι)
, d.w.z. tussen "in aanleg", of "potentieel",
zijn en "in act", of "actueel",
zijn. Concreet bv. het onderscheid tussen een eikel en een eikenboom: de
eikel ís
"in aanleg" reeds de boom die er, gedurende de kínèsis, nadien (eventueel) uit ontstaat.
4°) Het onderscheid tussen "stof"
en "vorm", dat grotendeels parallel loopt
met het
vorige. De Griekse termen zijn respectievelijk húlè
( ὕλη) en eidos (εἶδος), of morphè (
μορφή)
. Traditioneel is men daarom gaan spreken van het
aristotelische "hylemorfisme".
In zijn analyse, nu, vertrekt
Aristoteles van de 'accidentele verandering' (i.e.: van de wijze
waarop het Grieks daarover spreekt). Hij stelt daarin een
structurele complexiteit vast: vooreerst zijn er
natuurlijk de twee - tegengestelde - hoedanigheden of vormen 'tussen' dewelke
de kínèsis zich altijd voltrekt: "koud"
& "warm", "ongeletterd" & "geletterd", enz. Maar daarnaast is er ook altijd, als
'derde term', een "onderliggende",
of "subject" (hupokeímenon), dat de
drager is van de beweging maar dat zelf blijft wat het is (cf. in
ons spreken erover blijven we hetzelfde "onderwerp" gebruiken). Dat
levert ons dus, wat die accidentele verandering betreft, drie
'principes' op, of beter: twee, want
Aristoteles heeft
de neiging de oorspronkelijke bepaaldheid, of vorm, die in de kínèsis
verloren gaat, in vergelijking met de nieuwe louter als negatie, of "(vorm)afwezigheid"
( στέρησις)
, te beschouwen. Dus: (1) "onderwerp/substraat"
en (2) "vorm".
Het is déze structuur die door Aristoteles wordt overgedragen op
de 'wezensverandering', d.w.z. op het
ontstaansproces als zodanig.
Ook hiér, anders gezegd, moeten we z.i. uitgaan van een
complexiteit. Er moet ook hier een onveranderlijk "onderliggende" zijn, dat zijn identiteit bewààrt tijdens de kínèsis
die leidt tot de actualisering van een nieuwe (wezens)vorm. In dit
geval,
evenwel, kan dat niet de concrete ousía
zélf zijn:
immers, het is zij juist die verdwijnt, resp. geboren wordt. In de
plaats daarvan introduceert Aristoteles daarom één van zijn
belangrijkste begrippen, namelijk dat van de húlè,
of
"stof": zij is het die in het
ontstaansproces de "onderliggende
materie" [42] vormt, ín dewelke
tijdens de kínèsis een nieuwe wezensvorm
overgaat
van in-aanleg naar in-act.
Merken we op dat "vorm" en
"stof" eveneens "betrekkelijke begrippen"
zijn:
de "vorm" (die niét de zichtbare verschijningsvorm is) is
altijd de vorm-van een concrete ousía;
hij
komt dus in onze natuurlijke wereld nooit an sich, op zichzelve
voor. Wat de "stof"
betreft, zij is enkel determineerbaar door de relatie tot datgene
waarvoor ze
substraat is. Stof an sich - de zgn. "prima
materia"
(prootè húlè) - bestaat niet: alles wat
daadwérkelijk
de rol speelt van "stof" in het natuurproces, ís
"gevormd", d.w.z. is, op zich beschouwd, een
concrete
wezenheid (vgl. een blok marmer, met die en die afmetingen, dat het
materiaal
vormt voor een latere sculptuur) [43].
Zoals Wieland derhalve concludeert [44]: "'Die'
Materie als universale und einheitliche Realität gibt es bei
Aristoteles
nicht".
Dank zij de introductie dus van het
stofbegrip, in combinatie met het paar aanleg-act, kon de
aristotelische
theorie én recht doen aan de natuurlijke empirie én de
"wet" van Parmenides respecteren: ook in het geval van ontstaan
en vergaan, immers, bleek er nu een principe werkzaam te zijn dat blééf
wat het "was" (cf. "wat is, is"), zonder
dat
dit de loochening impliceerde van "onstaan" als zodanig.
Het
filosofische, d.w.z.
niet-natuurwetenschappelijke, karakter van dit aristotelische
"hylemorfisme" is manifest. Zoals Van Melsen het formuleert
[45]:
"De
leer is bedoeld om de verandering als zodanig intelligibel te maken.
Zij is niét
in staat om iets ter zake te zeggen over de kenmerkende eigenschappen
van één
of andere, bijzondere verandering. Op de vraag, waarom ijzer roest en
goud
niet, moet het hylemorfisme het antwoord schuldig blijven, omdat zijn
probleemstelling uitsluitend is afgestemd op de beschouwing van de
algemene
aard van de stof, d.w.z. van datgene wat stof als stof kenmerkt... Het
typische
verschil tussen hout en ijzer ontsnapt aan het hylemorfisme".
Kínèsis wordt
door Aristoteles derhalve gedefinieerd als "de werkelijkheid
van wat in
aanleg is, in zoverre het (in aanleg) is" [46]
. Wanneer uit een bepaalde "stof"
x een wezen y
ontstaat, dan is dat omdat de
"vorm" y, die het wezen y
maakt tot het
wezen dat het is, reeds "in aanleg" (dunámei)
in
stof x gegeven was. Dat
impliceert natuurlijk dat elk bewegingsproces doelgericht
is. Anders
gezegd:
alle "beweging" - en dat wil zeggen: al wat zich voordoet binnen de
natuur - heeft voor Aristoteles een teleologische structuur.
Immers, in zoverre de vorm die in de kínèsis
verwerkelijkt wordt, reeds vooraf, zij
het in aanleg, in de stof
gegeven is, bepaalt hij de richting van
de beweging. De vorm (eidos) is m.a.w.
het télos - "einddoel" en "voleinding"
- dat
als zodanig ook het ware "wezen", de ware "natuur"
(phúsis) uitmaakt van de nieuwe wezenheid. Zoals
Aristoteles
schrijft in Pol.I, 1252b32:
"(de
staat) waarin elk (wezen) zich bevindt, wanneer zijn onstaansproces (genesis)
voleindigd is, dàt zeggen we, is telkens de natuur ervan: bv. van een
mens, een paard, een huis".
Zoals Platoon vóór hem, dus, had ook Aristoteles een fundamenteel teleologische
of finalistische visie op de natuur. Alle "bewegingen" die er
zich voordoen, zijn doelgericht, want verwerkelijkingen van een telkens
vooraf
en immanent gegeven telos.
De aanzet, evenwel, i.e. datgene "vanwaar het begin van de
beweging (komt)" (ὅθεν ἡ ἀρχὴ
τῆς κινήσεως) -
zoals Aristoteles' technische formulering luidt -, is telkens een
particuliere wezenheid-in-act, die tot dezelfde species behoort en waarin de
betreffende
vorm reeds geactualiseerd is. Het
klassieke voorbeeld van Aristoteles zelf luidt: "een mens genereert een mens". In de mate dat deze "bewegingsgrond" (archè kinèseoos)
tot het (species)subject zélf behoort, kan Aristoteles het
begrip "phúsis",
of "natuur", in zijn technische zin definiëren als:
de
aangeboren, "interne" bewegingsgrond van een natuurlijk wezen. Dus,
wanneer van
een werkelijkheid gezegd wordt dat ze "van nature" (phúsei)
is, dan wordt daarmee de "natuur" ván die wezenheid bedoeld, en niét een of andere geheimzinnige kracht achter of
boven de concrete wezenheid. Anders gezegd, we staan met "phúsis"
- in dit technische, of wetenschappelijke gebruik - eens te meer voor een
'betrekkelijk' begrip.
Deze immanentie zowel van bewegingsgrond als van telos contrasteert -
dat zal duidelijk zijn - met de platoonse visie waarin bewegingsgrond en
doelgerichtheid per definitie extern aan de natuur waren [47]. Van
een "wetenschap" (epistèmè) van die
natuur
zelf kon er voor Platoon bijgevolg geen sprake zijn[48]; anderzijds
situeerden ook de causale
modellen of paradeigmata, sc. de Vormen
of Ideeën, zich
noodzakelijk buiten de natuur. Als gevolg daarvan konden de natuurlijke
wezens
nooit "vol-eindigd" zijn: zij bleven door de kloof van de
transcendentie onherroepelijk van hun "ware natuur" gescheiden of
vervreemd,
schoten in vergelijking daarmee (bv. Sokrates t.o.v. de Mens)
onvermijdelijk
altijd tekort. Dit contrast tussen beide filosofen doet Saunders
[49] spreken van respectievelijk "kosmisch
pessimisme", bij Platoon
, en "kosmisch optimisme", bij
Aristoteles. Bij deze laatste, immers, is het volgroeide, natuurlijke
wezen zélf
het telos dat in de beweging
daadwerkelijk gerealiseerd wordt.
Toch moet die 'autarkie' van de
natuurlijke wezens ook bij Aristoteles gerelativeerd worden, in de mate
namelijk dat
de natuur in haar totaliteit niét louter een (losse) verzameling is van
"bewegingen" (en "acten"), maar zelf een organisch "geheel"
(holon) vormt - wat zowel een hiërarchische structuur
veronderstelt
onder de delen ervan, als een algemeen telos,
of "hoogste
goed" [50]
. Met name in Physica VIII en Metaphysica
Lambda blijkt dat er, voor elk particulier wezen, naast de
interne wel
degelijk ook externe bewegingsgronden
werkzaam. zijn Zo vinden we de hoger geciteerde zegswijze over de mens soms
uitgebreid tot: "een mens en de zon
genereren een mens"
[51]
. Weliswaar betreft de werking van deze
externe factoren veeleer het feit dàt de betreffende genese plaats
vindt
(en de particuliere wezenheid ontstaat en bestaat) dan de aard ervan:
m.a.w. de
aard of natuur van de particuliere wezenheid is wel degelijk functie
van de
interne bewegingsgrond ervan [52].
Hoe dan ook,
het is die 'externe' bewegingssamenhang die de "suntaxis",
d.w.z. de samenhang en eenheid, van de wereld fundeert - sc. ónder het
opperste beginsel van de zgn. "onbewogen beweger".
Anderzijds
zijn de natuurlijke wezens, in zoverre zij a.h.w. per definitie
"stoffelijk" of "lichamelijk" zijn, nooit echt vollédig
of in elk opzicht verwerkelijkt of "act(ueel)"[53].
5.4. Phúsis
en Téchnè.
In wat voorafgaat, zijn Aristoteles' fameuze "vier
oorzaken" [54]
: stof, vorm, beweging en doel, alle aan bod
gekomen. Zoals Düring opmerkt [55],
vormen die "oorzaken" weinig meer dan een thematisering van Aristoteles'
teleologische natuurvisie. Dat blijkt ook daaruit, dat - zoals
Aristoteles zelf
uiteenzet in Physica II, hét "boek van de phusis" bij uitstek -
"natuur" in die viér betekenissen
"oorzaak" is: als stof, als vorm, als bewegingsgrond én als
telos
[56]. De
exemplarische oorsprong ervan is gemakkelijk aanwijsbaar: namelijk het productieproces van de téchnai,
of ambachten, waarin de handwerker, met zijn werktuigen, optreedt als
"bewegingsgrond", zijn materialen als "stof", zijn opdracht
als "vorm" en het eindproduct als "telos".
Door zijn teleologische
natuurconceptie, bijgevolg, construeert Aristoteles het natuurproces àls een ambachtelijk productieproces [57],
d.w.z. realiseert hij een structuurgelijkheid tussen het natuurproces
en het
productieproces, of tussen phúsis en technè
[58]
. Dat wordt treffend geïllustreerd
door het citaat van daarnet, uit Pol. I, waarin,
náást "mens"
en "paard", ook "huis" werd
opgesomd. Zoals
Aristoteles het zelf nog duidelijker formuleert in Physica II
[59]:
"als
een huis (oikía) één van de (dingen) zou zijn die
door natuur (phúsei) ontstaan, dan zou het op
precies dezelfde
manier ontstaan als het nu (ontstaat) door de kunst (téchnè);
omgekeerd, als de natuurlijke fenomenen niet enkel door natuur maar ook
door
kunst zouden ontstaan, dan zouden ze precies zo worden als ze van
nature
zijn".
Maar tegelijkertijd is ook het contrast
met téchnè
en de producten ervan, de zgn. artefacten, constitutief voor
Aristoteles'
natuurconceptie. Het begrip "natuur" kàn immers enkel gevormd worden
door contrast met wat géén natuur is[60]. In
tegenstelling tot de artefacten, die
in verregaande mate afhankelijk zijn van externe oorzaken (o.m. de
"artifex" of ambachtsman), bezitten de natuurlijke fenomenen (τὰ
φύσει) een
soortspecifieke, interne bewegingsgrond - en dus
autonomie -, namelijk hun "phúsis".
Zoals Aristoteles het nogmaals formuleert in Physica II[61]:
"Alles
[wat van nature bestaat,] bezit in zichzelve een principe van beweging
en
stilstand - namelijk sommige volgens plaats, andere volgens groei en afname,
nog
andere op het gebied van anders-wording. Een ligbed, daarentegen, of
een
mantel, of wat anders ook van zulke aard, in mate waarin zij telkens
aldus gecategoriseerd
worden, d.w.z. in zoverre zij het product zijn van kunst, ontberen elke
aangeboren impuls (hormè) tot verandering... (D)e
natuur is een
soort van principe of oorzaak voor het in-beweging- of in-rust-zijn in
datgene
waartoe het primair - d.w.z. per se en niet per accidens - behoort".
Deze interne 'oorzakelijkheid' van de
natuur houdt dus in
"dat
een dergelijk proces, in onderscheid met de vervaardiging van een
kunstproduct,
zonder uitwendige menselijke ingreep 'vanzelf', 'uit zichzelf' plaats
vindt,
hoewel het éven goed op een telos gericht is als de
productie"
[62]
.
Hoe dan ook, wie de aristotelische
natuurfilosofie in haar historiciteit
wil
begrijpen, moet haar in verbinding brengen met het ambachtelijke
productieproces in klassiek Griekenland. Niet enkel met het
productieproces
zoals het zich materieel en realiter voltrok, maar ook, en vooral,
zoals
het gepercipieerd werd doorheen
de 'bril' van de heersende, aristocratische ideologie. In het
vorige hoofdstuk hebben
we deze laatste tevens als een "gebruikswaarde-ideologie" geanalyseerd.
Een fundamenteel
"denkschema" van die ideologie was de tegenstelling tussen de "vervaardiging"
(poíèsis) en het "gebruik" (chrêsis) van goederen; alsook de (maatschappelijke en morele)
onderschikking
van de maker (de handwerker) aan de gebruiker (scherp gesteld: de gepriviligieerde burger-rentenier) [63]. Het
is precies dit denkschema dat ook Aristoteles' "vier oorzaken" hun
eigenlijke draagwijdte geeft, en dat hun onderlinge verhouding bepaalt.
Ze worden
immers geduid vanuit het oogpunt van de chrêsis, niet
vanuit dat van de poíèsis.
In de ideologische benadering van de ambachtelijke, of 'demiurgische', arbeid, zoals we die ook bij Aristoteles aantreffen [64], ligt
de wàre causaliteit, of beter: de wàre "act(iviteit)"
(enérgeia), niét bij de arbeid van de handwerker.
Ze ligt
zelfs in het geheel niét bij handwerker, maar ligt buiten
hem, namelijk in eerste instantie bij het
voltooide product van
zijn arbeid (in tweede instantie: bij de gebruiker
van dat product).
Zoals Aristoteles het zelf formuleert in zijn Metaphysica 2
[65]
:
"van
alle (vermogens) waar nog iets anders van voortkomt dan het gebruik (chrêsis),
huist de enérgeia in wat geproduceerd wordt (zoals
het bouwen: in
wat gebouwd wordt, het weven: in wat geweven wordt...)".
De producent kan zelfs geen 'intellectuele' aanspraken laten
gelden op zijn product. Vanzelfsprekend moet hij een 'idee' hebben
van wat hij zal maken, maar de 'subjectieve' of creatieve betekenis daarvan mag niet
overdreven worden [66]. In
Aristoteles' visie, inderdaad, valt zulk "idee", als een mentale
vorm, eigenlijk samen met de
objectief gerealiseerde vorm: bv. de geneeskunde, als "vorm" in
de geest van de arts, wordt vereenzelvigd met de gerealiseerde
gezondheid, in
het lichaam van de patiënt. Hoe dan ook, de eisen waaraan het product moet voldoen - en zij
zijn het toch die te samen er de (te consumeren) "vorm" of gebruikswaarde van uitmaken -,
zijn maar echt gekend door de opdrachtgever, d.w.z. de
(toekomstige) gebruiker ervan, niét door de maker
ervan; alleen de gebruiker, immers, beschikt over de nodige
gebruikskennis, en dus over kennis tout
court [67]
. Als zodanig is de consument de éigenlijke
"(vorm)oorzaak" van het scheppingsproces. De directe
"bewegingsoorzaak", namelijk de technítès, is in deze
ideologische context bijgevolg niet echt 'actief' of creatief: hij
is louter instrumenteel, louter een middel
voor de verwerkelijking van
een
"vorm" die al vooraf gegeven
is, 'in hoofde' van de consument[68].
Zoals Vernant concludeert [69]:
"in
de maatschappelijke en mentale context van het oude Griekenland vinden
we wel,
enerzijds, gespecialiseerde productieve activiteiten.., de
τέχναι
; anderzijds vinden we ook de 'producten' van deze
activiteiten. Maar wat in dit kader... uitblinkt door zijn afwezigheid,
is
de 'producent' en de act van het
'produceren', twee met elkaar verbonden termen die veronderstellen dat
in de handeling de klemtoon wordt gelegd,in het begin, op de
agent, en dat, i.t.t. het gehele Griekse
perspectief, in de verhouding tussen agent en handeling voorrang wordt
verleend
aan de agent...".
De éigenlijke
"activiteit", m.a.w., komt maar nà de
vervaardiging van het product. Zij situeert zich op het niveau van de chrêsis,
de "consumptie", en dat wil zeggen: op
het niveau van
het "handelen" (praxis) van de
gentleman-burger. Zoals
Aristoteles schrijft in de Eudemische Ethiek[70]:
"het
handelende (praktikè) leven inderdaad impliceert het
gebruik (chrêsis)
van de dingen: de bronssmid mààkt weliswaar het paardentuig, maar
de ruiter gebruikt het".
Vernant
schrijft dan ook terecht[71]
"dat in dit maatschappelijk en mentaal
systeem de mens 'handelt' wanneer hij de dingen gebruikt, niét wanneer
hij ze vervaardigt".
5.5. Kínèsis en Enérgeia
.
Het besproken ideologische denkschema m.b.t. het
productieproces, namelijk poíèsis versus chrêsis,
vinden we bij Aristoteles vooreerst getheoretiseerd in de antithese poíèsis-praxis.
Daarin staat poíèsis voor een menselijke
(dus
"redelijke") activiteit die gericht is op een doel dat extern
is aan de vervaardigende handeling; deze laatste is
bijgevolg geen doel op zich, maar is louter instrumenteel (sc. voor het
product
ervan). Praxis, daarentegen, staat voor een werkzaamheid die 'autotelisch' is, d.w.z. beoefend wordt terwille van haarzelve (bv. "goed-leven").
Maar de vermelde
gebruiks(waarde-)ideologie heeft bij Aristoteles ook een meer algemene,
filosofische uitdrukking gekregen in het kader van zijn phusikè, namelijk met het fundamentele onderscheid tussen kínèsis,
"beweging", en enérgeia, "act(ualiteit)
"
[72]
.
Kínèsis, zoals gezegd[73],
is "de werkelijkheid van wat in
aanleg is, in zoverre het in aanleg is". Dat houdt
in dat elke
beweging, àls beweging, "onaf" is[74].
Aristoteles spreekt ook van "onvoltooide
werkelijkheid" (enérgeia atelès), waarvan de
"werkelijkheid" erin bestaat om, àls beweging, nooit vollédig
werkelijkheid te zijn [75]. Kínèsis
is ook "in de tijd" [76]
, d.w.z. is een duur - een negatieve
"duur", want een
'wachttijd', sc. m.b.t. de actualisering - en dus een continuum,
dat oneindig deelbaar is, en waarvan elk volgend ogenblik ("nu")
verschilt van elk volgend ogenblik; ze is m.a.w. onomkeerbaar.
Als verwerkelijking van aanleg - van
wat kàn zijn, maar nog niet is -, is kínèsis
dus per definitie uitdrukking van onvolmaaktheid.
Wat verklaart waarom de Godheid, als de
volmaaktheid zelve, "onbewogen"
is. Kínèsis heeft haar télos
buiten zich, namelijk in het product of "werk"
(ergon). Wannéér dat telos dan effectief
gerealiseerd is,
d.w.z. de aanleg "werkelijkheid" is geworden, is de beweging voorbij.
In haar plaats is dan, plots, de
ἐνέργεια getreden, d.w.z. de "act(ualiteit)-en-activiteit"
van het gerealiseerde telos.
Enérgeia is, in
tegenstelling tot kínèsis, uitdrukking
van
volmaaktheid, d.w.z. impliceert
ἐντελέχεια , of "entelechie
"
[77]. Enérgeia is dus
op elk ogenblik "af" [78] - daarom is
ze de zijnswijze van de
Godheid. Ze is bijgevolg niét "in de tijd", maar
is een aaneenschakeling van identieke, tijdloze en ondeelbare "nu's"
- zodat ze reversiebel is. De enérgeia àls enérgeia
is bijgevolg verbonden met "bewegingloosheid" (akinèsía)
- waaronder iets anders te verstaan is dan "rust" (die zelf onder de
categorie van de "beweging" valt). Zoals Aubenque schrijft
[79]:
"wat
gedacht wordt in het geval van de energeia..., is
de ambachtelijke
activiteit, of beter gezegd: het product (ergon).
Zeker, de act is niet
de activiteit, en Aristoteles zal er goed op toezien de act te
onderscheiden
van de beweging, maar hij is het resultaat van (de
activiteit). (De act)
is niet het wordende, maar het gewordene... De aristotelische notie van
act...
duidt de zijnswijze aan van het onbeweeglijke, maar van een
onbeweeglijke dat geworden
is wat het is".
Als concreet, a.h.w. banaal voorbeeld voor zulke enérgeia
gebruikt Aristoteles graag de zintuigelijke activiteit van
het "zien"
(ὅρασις) - in onderscheid met het kijken (we kijken
omhoog, in de lucht, en, plots, zien we
de buizerd):
"het
zien (bv.), zo blijkt, is op elk tijdstip af: het komt m.a.w. niets te
kort,
dat, door er later bij te komen, de vorm (eidos)
ervan zou voltooien
"
[80]
.
Elders schrijft hij dat men tijdens het zien op elk ogenblik "tegelijkertijd ziet en
gezien heeft" [81]
. Andere voorbeelden die hij, in dezelfde
passus, geeft van zulke "act(iviteit)en" zijn: "inzien"
(φρονεῖν)
, "geestelijk vatten/denken" (νοεῖν)
, "contempleren" (θεωρεῖν), en "goed-leven" (εὖ
ζῆν) of
wat op hetzelfde neerkomt, "floreren" (εὐδαιμονεῖν).
Terwijl
de kínèsis louter middel is voor een
telos dat
erbuiten ligt, namelijk het ergon ("werk/product"), ís
de enérgeia dat ergon.
"Vandaar ook",
schrijft Aristoteles f[82],
"dat het woord 'enérgeia' is
afgeleid van 'ergon', en tendeert naar de betekenis
van 'entelécheia'
(volmaaktheid)".
In
tegenstelling tot de kínèsis, is de enérgeia dus louter chrêsis,
"gebruik", van een (geactualiseerd) vermogen - d.w.z.
zonder dat er daarnààst nog iets ànders, extern (sc. een
"product/werk") uit voortkomt. Anders gezegd,
"het
ultieme dat ervan voortkomt, is chrêsis (zoals van
het zicht [opsis]
het zien [hórasis], zonder dat er daarnaast nog een
ànder
werk van het zicht voortkomt)"
[83].
Daarmee, mogen we zeggen, is enérgeia
dan inderdaad onherroepelijk 'ontmaskerd', namelijk als een filosofisch-ideologische sublimering van de praxis,
d.w.z. van het consumerend handelen van de gentleman (kalós
kagathós), dat, als "vrij" handelen, louter zichzelve tot
doel heeft; en kínèsis als het dito van
de poíèsis:
het vervaardigend handelen van de bánausos, dat
"onvrij" is, want dienstig is aan een extern doel, namelijk (de consumptie
van) het product of werk (door de consument).
Tenslotte, hoe fundamenteel dit
ideologisch schema wel is
voor Aristoteles' wereldbeeld, blijkt uit zijn theologie: het opperste
beginsel, de Godheid ( ὁ θεός, τὸ
θεῖον), wordt daarin door hem geconstrueerd als een "onbewogen
beweger", wat wil zeggen dat hij pure enérgeia,
pure act" is, die de wereld slechts in
beweging brengt/houdt
als haar doeloorzaak [84]:
"(de
Godheid is) iets wat in beweging brengt zonder in beweging gebracht te
worden,
iets wat eeuwig is, wat wezenheid (ousía) en
act(ualiteit) is. Op
deze manier brengt dat wat verlangd wordt en wat gedacht wordt [de wereld] in
beweging: het
brengt in beweging zonder in beweging gebracht te worden
"
[85]
.
De
scholè
(σχολή), i.e. het
maatschappelijk ideaal van de arbeidsvrije consumptie, die hét
statussymbool vormde van de zgn. "rijken"
in de
klassiek-Griekse samenleving, werd daarmee door Aristoteles
verabsoluteerd tot
een universeel metafysisch beginsel.
6. Natuur als Enérgeia .
De antithese kínèsis-enérgeia
wijst er ons op dat de benadering van de natuur waarmee ik hoger startte
[86], namelijk de phúsis
als het domein van de "beweging", slechts één
(zij het fundamenteel) aspect is van de aristotelische natuurvisie. In
onderscheid met Platoon
, inderdaad, is de natuur voor Aristoteles niét
uitsluitend het 'rijk van het worden': ze is óók het "rijk
van de act(ualiteit)", i.e. van de actieve
werkzaamheid (enérgeia)
van het gerealiseerde telos.
Vanuit dit oogpunt van de enérgeia
presenteert de natuur zich niet als de som van alle "bewegingen" (kinèseis),
maar als de som, of het (geordend) "geheel" (holon)
van alle
actueel bestaande - en dus "volmaakte" - "wezenheden"
(ousíai). Kenmerkend voor deze "natuurlijke
wezens
"
[87] is, zoals gezegd, dat ze zowel een interne
(soortspecifieke) bewegingsgrond als een interne (soortspecifieke) finaliteit
bezitten; ze zijn dus (betrekkelijk) 'autotelisch', d.w.z. niet
louter afleidbaar uit, of herleidbaar tot een hogere werkelijkheid.
Essentieel
aan Aristoteles' teleologische visie op de natuur is dat elk
wezen-in-act een (soortspecifiek)
ἔργον
(ergon),
i.e.
"werk"
of taak bezit, d.w.z. een
(soortspecifieke) functie
of zin, want "de natuur maakt niets onaf (áteles)
of zonder zin" [88]. In de praktijk komt dat erop neer
dat het de eidos, "(wezens)vorm", is die, zodra
gerealiseerd, aan elk
wezen tegelijkertijd zijn identiteit en zijn zin of functie geeft:
beide,
d.w.z. identiteit/essentie/natuur, enerzijds, en "werk"
of "vermogen"
(dúnamis) [89]
, anderzijds, vallen voor Aristoteles
samen, want "alles... wordt gedefinieerd door zijn ergon
en zijn
dúnamis" [90]
. Vandaar dat de "logos",
of definitie, van de "vorm" dat (soortspecifieke) ergon als inhoud heeft, en niét de uitwendige verschijningsvorm ervan
[91]. Terwijl het actueel
verwerkelijkt-zijn van de vorm door Aristoteles als de "eerste
volmaaktheid (entelechie)" kan bestempeld worden,
bestaat de "tweede
entelechie" - d.w.z. de zin én
het zijn van actueel levende wezens - in het
ἐνεργεῖν (energeîn), het "in-de-daad-omzetten-van-het-ergon";
m.a.w. ze bestaat uit enérgeia, in de zin
van
(soortspecifieke) "werkzaamheid".
5.7. Psuchè als Eidos
.
Laten we het bovenstaande concretiseren naar
de levende wezens toe. Zoals
gezegd, wordt het ergon van elke wezenheid bepaald door de
soortspecifieke eidos of vorm. In het
geval, nu, van de levende
wezens: planten, dieren en mensen, neemt de eidos
de gedaante aan
van ψυχή,
"ziel", of beter: "levensbeginsel".
Hoe sterk ook hiér de gebruiks(waarde)ideologie aanwezig is, blijkt uit
de wijze waarop Aristoteles in zijn De anima de
vraag beantwoordt, wat
de psuchè voor iets is.
Aristoteles maakt daartoe een
vergelijking met een werktuig: de bijl, en met een lichaamsorgaan: het
oog
[92]. Stel, schrijft hij, dat de
bijl een "natuurlijk wezen" zou zijn (zodat ze haar
bewegingsgrond in zichzelf zou hebben). In dat geval was "bijlheid",
d.w.z. het kunnen-hakken, de "psuchè" van de bijl.
De
bijl die dat vermogen verliest (bv. door bot te worden; of door een houten
speeltje te zijn), is
geen bijl
meer, tenzij homoniemisch (d.w.z. ze heeft dan nog enkel de nààm "bijl"). Idem voor het oog: was dat een
(zelfstandig)
levend wezen, dan was het zicht, d.w.z. het
kunnen-zien, de "psuchè"
ervan. Een oog dat het zicht verloren heeft (bv. bij een blinde) is nog
enkel
homoniemisch een "oog".
Uit deze voorbeelden blijkt duidelijk
dat Aristoteles de vraag naar de psuchè hanteert
als de vraag
naar het specifieke ergon, d.w.z. de (soortspecifieke) functie of nuttigheid van het levend wezen in kwestie. M.a.w. de psuchè is in eerste instantie niet méér
dan het kunnen-functioneren van een levend lichaam (Aristoteles noemt
haar
daarom de "eerste entelechie").
Wat dan de vraag betreft, wàt
het "werk", of de functie, is van levende of
"bezielde" wezens (ta zôia, ta émpsucha),
algemeen kan gezegd worden dat het er - banaal weg - in bestaat "te
leven" ( ζῆν);
wat dus omgekeerd betekent dat "het
leven (hè zoè) een soort van enérgeia
is
"
[93]
. Dat antwoord, evenwel, is te
abstract: in tegenspraak met wat Platoon ons (onder invloed van de Pythagoreërs) voorhoudt, is er niet zoiets als "dé"
psuchè, die identiek zou zijn voor de bezielde natuur in haar
totaliteit (zodanig dat zielsverhuizing van mens naar dier en
plant, en omgekeerd, mogelijk zou zijn). Het antwoord moet derhalve geconcretiseerd worden, en wel op basis van de
specifieke vermogens van
de drie hoofdcategorieën van
"leven", en dus van psuchè, die Aristoteles
onderscheidt binnen wat later (in het Latijn) de "scala
naturae"
zal worden geheten:
1°) vooreerst is er de psuchè
van de planten (ta phutà):
zij bezit enkel het vegetatieve/nutritieve vermogen (to
phutikón/threptikón), het vermogen voedsel tot zich te nemen en te groeien;
2°) de psuchè van de dieren (ta zôia) bezit,
behalve het voornoemde, ook het vermogen van verplaatsing (to kinètikón) en
gewaarwording (to
aisthètikón) - die dus als een eenheid worden beschouwd (gevoeligheid
vereist dat je bv. je kan verwijderen van wat pijn geeft);
3°) het "dier" mens, tenslotte, bezit,
behalve alle reeds
vermelde vermogens, als specifieke vermogen de logos,
d.w.z. het
spreek-en-denkvermogen (to logikón).
Met het uitoefenen, nochtans, van de (ziels)vermogens is nog niet alles
gezegd, wat het "werk" (ergon) betreft
van de levende
wezens. Het telos immers dat moet
gerealiseerd worden, bestaat
niet zozeer in het (louter) be- of uitoefenen van je ergon,
als wel in
het goed-uitoefenen
ervan (vgl. nogmaals de bijl: er
wordt niet enkel van verwacht dat ze klieft, maar ook dat ze goed
klieft). Het telos is immers "het
beste"[94], d.w.z. het beste dat voor elk
(soort)wezen überhaupt mogelijk is. Toegepast op de levende wezens in
het
algemeen zou dat dus betekenen dat hun ergon erin
bestaat, 'goed te
leven' (maar zie verder). De "gesteldheid" (diáthesis),
nu, of "habitus" (hexis), waarmee elk wezen
inderdààd
zijn vermogen(s) optimaal doet
functioneren (bv. de bijl, die scherp moet staan), wordt in het
Grieks
ἀρετή (aretè) genoemd.
Het woord
wordt traditioneel vertaald door "deugd", maar kan
beter
omschreven worden als "(staat van) voortreffelijkheid
"
[95]
. Zoals Aristoteles het zelf formuleert in
de Eudemische Ethiek [96]: "aretè
is de beste dispositie of habitus, of het beste vermogen van alles
waarvan er
een of andere chrêsis of ergon
is" -
wat uitdrukkelijk betekent dat ook
gebruiksgoederen, bv. een mantel, zulke aretè kunnen, en dus moeten
bezitten. In de Nikomachische Ethiek[97],
anderzijds, legt Aristoteles de functie van aretè
als volgt uit:
"elke
aretè maakt dat datgene waarvan het de aretè
is,
zich in een goede staat bevindt en zijn ergon op
een goede manier
aflevert; zo maakt bv. de aretè van het oog het oog
goed evenals
het ergon van het oog: dank zij de aretè
van het oog zién
we goed".
Anderzijds gaat elke
uitoefening-van-het-ergon, dus enérgeia,
gepaard met een
bijzondere, eigen
ἡδονή (hèdonè), d.w.z. "lust-",
of "genotbeleving" [98]
; en dat genot verhoogt dan op
zijn beurt de (intensiteit van de) enérgeia
[99]
. De axiologische betekenis van het hoger
besproken onderscheid kínèsis-enérgeia komt in deze
context duidelijk naar voor. In zijn discussie, inderdaad (in boek X
van de Nikomachische
Ethiek), van het 'hedonisme' (in de brede betekenis van het
woord) beklemtoont Aristoteles dat de "wàre" hèdonè
- die dus als "goed" moet worden nagestreefd - de hèdonè
is die gepaard gaat met enérgeia,
aangezien enérgeia,
zoals we gezien hebben, volmaaktheid impliceert[100];
minderwaardig, daarentegen, is de hèdonè die de kínèsis vergezelt: deze laatste is
altijd
uitdrukking (want leniging) van een gebrek
of tekort (bv. drinken: van dorst, eten: van honger, enz.),
en na
verloop van tijd leidt ze noodzakelijk tot (over)verzadiging en onlust. Tenslotte moet er nog worden op
gewezen dat de hèdonè van de enérgeia,
net zoals de enérgeia zelf,
soortspecifiek is:
"elk dier blijkt zijn eigen hèdonè
te hebben, zoals het ook zijn eigen ergon heeft: de
hèdonè namelijk die de (eigen) enérgeia vergezelt
"
[101].
5.8. Natuur en Ethiek.
In de voorafgaande paragrafen zijn we a.h.w.
ongemerkt van de natuurfilosofische volop in de ethische problematiek terechtgekomen, en dat is
vanzelfsprekend geen toeval.
Weliswaar rekent Aristoteles de
ethiek (zelf spreekt hij van "politikè") niet,
zoals de
phusikè, tot de "theoretische"
maar
tot de "praktische" filosofie: waar het
ons om te doen
is, schrijft hij regelmatig in zijn ethisch-politieke werken, is niet
(enkel)
te wéten wat het
goede is, maar ook om "goed" te
wórden. Desondanks lijkt zijn ethische reflectie, op
het vlak van de basisprincipes en de doelstellingen ervan, wel degelijk
een
'verlengstuk' van zijn natuurfilosofie. Zoals Saunders het formuleert
12.0pt;[102]:
"(de
aristotelische ethiek) is gebaseerd op de verrassende assumptie dat het
moreel
juiste, het nuttige en het natuurlijke identiek zijn, en dat het
menselijke
geluk gelegen is in de conformiteit aan een natuurlijk patroon".
Het uitgangspunt van deze "Naturalethik"
is het gegeven dat, zoals alle andere natuurlijke wezens, ook
de mens een (soortspecifiek) ergon
bezit - dat we dan "het werk
van de mens", sc.
àls mens, kunnen noemen [103]. De
vraag stellen, wàt dat "werk van de mens" dan wel is - dus,
waartoe hij "dient", wat zijn 'gebruikswaarde'
is -, betekent vragen wat het beste, of "het goede" (to
agathón),
is van, en dus: voor [104], de
mens. Het algemene (schijnbaar tautologische)[105] antwoord
op die vraag naar het
menselijke "summum bonum" luidt: het "goed-leven"
(τὸ εὖ ζῆν) , en
dat is hetzelfde als eudaimonía, "geluk" (of beter:
"floreren")
- want ook voor de mens gaat de uitoefening van deze "natuurlijke",
soortspecifieke enérgeia gepaard met
ware, want
natuurlijke (soortspecifieke) hèdonè.
Weliswaar zou de uitdrukking "goed
te leven" - als het ergon van
de mens àls mens -
strikt genomen ook voor de overige levende wezens kunnen gebezigd worden
[106]. Aristoteles evenwel
merkt hiertegen op [107] dat "het
goed-leven" in de éigenlijke (wij zouden zeggen:
"morele") zin van het woord moet worden voorbehouden aan de mens, in
onderscheid met de dieren. Zoals hij ook schrijft in de Eudemische
Ethiek [108]:
"geen
enkel van de dieren, die allemaal een natuur (phúsis)
bezitten
die inferieur is aan die van de mens, deelt in die benaming (sc. van de
eudaimonía):
een paard is immers niet 'gelukkig', en evenmin een vogel of een vis".
In hetzelfde, naturalistische
perspectief kan die menselijke eudaimonie dan gedefinieerd worden door
hem als
de enérgeia van de (vermogens van de)
menselijke psuchè
- waarbij die psuchè en
haar vermogens zich
natuurlijk niet in gelijkwélke staat mogen bevinden. Het
"menselijke werk" - en dùs het "menselijke goede",
en dùs de eudaimonie - kunnen vandaar gedefinieerd worden als "de
activiteit van de psuchè overeenkomstig haar
staat-van-voortreffelijkheid" (ψυχῆς
ἐνέργεια κατ' ἀρετήν) [109]
. Of zoals Aristoteles de eudaimonie definieert in
Politica VII-VIII [110]: "de
volmaakte activiteit... en het volmaakte gebruik (chrêsis)
van de
voortreffelijkheid".
De
morele vraagstelling voor de mens, namelijk hoe "goed"
te leven, laat zich op die manier presenteren als een gewone
toepassing van de algemene principes die gelden voor de natuur in het
algemeen:
zoals alle andere natuurlijke wezens, heeft ook de mens een natuurlijk ergon
- "natuurlijk" in de zin dat het bepaald wordt door
zijn
soortspecifieke, natuurlijke vermogens. Zoals gezegd, "goed leven" of eudaimonie is dan niet méér dan de enérgeia, i.e.
het actueel functioneren - we zouden ook kunnen zeggen: consumeren
- van die natuurlijke vermogens in hun staat van voortreffelijkheid.
Wel dient
onder die vermogens, en dus ook onder hun "voortreffelijkheden" (of:
"deugden"), een rangorde
te worden gemaakt, zodat Aristoteles de eudaimonie uiteindelijk kan
definiëren
als de enérgeia van de psuchè
"volgens de
beste en meest volmaakte aretè"
[111].
Op ons, '(post-)modernen',
die het historisch product zijn van een lange christelijke traditie,
maakt de
aristotelische (zeg maar: oud-Griekse) benadering van het morele een
nogal
eigenaardige, om niet te zeggen: 'amorele' indruk. Er is hier immers
geen plaats voor zoiets als een eigenlijke, morele "verplichting"
(obligatio), uitgaande van een finaliteit die het 'aardse'
leven
absoluut transcendeert (het aristotelische telos is
integendeel coëxtensief
met het morele leven zélf), en die als zodanig moet worden
aanvaard/gehoorzaamd, 'tegen heug en meug', door de menselijke "wil"
- zodat "goed" en "kwaad" essentieel een kwestie van
intentie zijn (zgn. 'wilsonbekwaamheid' pleit iemand dan vrij van
verantwoordelijkheid). De morele
problematiek, daarentegen, in de aristotelische 'deugdenethiek'
herleidt zich grotendeels tot de veeleer 'technische' kwesties
van overleg over, en keuze van, de
juiste middelen; wat betekent
dat niet de wil, maar het verstand
het morele handelingsprincipe is.[111bis]
Het
is precies vanuit dit oogpunt, namelijk dat van overleg en keuze (proaíresis),
dat "menselijke" handelingen voor Aristoteles een typisch, "moreel" statuut krijgen, zodanig dat zij
inderdààd niet het voorwerp kunnen uitmaken van een
"theoretische" wetenschap, i.c. de phusikè - hoewel
zij
wel degelijk tot het zijnsgebied van deze laatste behoren. In het
volgende
hoofdstuk zullen we daarop terugkomen.
9. Ousía als
Gebruikswaarde.
"De
nuttigheid van een ding maakt het tot een gebruikswaarde. Maar deze
nuttigheid
zweeft niet in de lucht. Bepaald door de eigenschappen van het
warenlichaam,
bestaat ze niet zónder dat warenlichaam. Het warenlichaam zélf...
is daarom een gebruikswaarde of goed... De gebruikswaarden van de waren
leveren
het materiaal voor een eigen discipline, de warenkunde. De
gebruikswaarde realiseert
zich enkel in het gebruik of de consumptie".
Aldus Marx in het eerste boek van Das Kapital
[112]. Mits enkele
terminologische omzettingen gebeuren, lijkt de passus Aristoteles 'op het lijf
geschreven'. In het licht, inderdaad, van wat hoger gezegd werd over
het ontstaan
van de natuurlijke wezens (ousíai), namelijk als
resultante van een
'genaturaliseerd' ambachtelijk proces, alsook over het zijn
ervan, namelijk als act(ualiteit) van hun 'natuurlijke' ergon,
zou
kunnen gezegd worden dat Aristoteles de natuur (phúsis)
heeft
geconstrueerd als een verzameling van
'natuurlijke gebruikswaarden'. Het "wezen",
immers, van die wezens wordt gedefinieerd in termen van hun specifieke "nuttigheid":
hun "zijn" is niets anders dan hun "werkzaam-zijn" (enérgeia),
en dat wordt door Aristoteles omschreven als "gebruik van het
vermogen" [113]; en die nuttigheid constitueert de "vorm"
(eidos), of, in het geval van levende wezens, de psuchè
van
de wezens.
Ook
voor Aristoteles "zweeft deze nuttigheid niet in de lucht":
in tegenspraak met Platoons dualisme[114],
benadrukt Aristoteles (1) dat de eidos
niet kan gescheiden worden
van de stof, en (2) dat elke psuchè
volledig samenvalt met een (soortelijk)
particulier lichaam - namelijk dàt lichaam dat de nodige órgana,
of "werktuigen",
bezit - bv. ogen, handen, enz. - voor het uitoefenen van haar
(soort)specifieke
vermogens. De psuchè is als zodanig niet méér dan "de
eerste volmaaktheid (entelécheia) van een natuurlijk
lichaam dat
in aanleg (dat soort van) leven bezit"
[115]
.De psuchè is bijgevolg niet méér dan het 'kùnnen-functioneren' van een levend lichaam; als
zodanig kan ze van dat lichaam onmogelijk gescheiden worden[116].
Er kan bijgevolg noch van
onsterfelijkheid van de ziel sprake zijn, noch van zielsverhuizing.
Behalve
het zgn. "hylemorfisme"[117] van
de aristotelische zielsleer, wordt ook het 'dubbelzinnig' gebruik
door Aristoteles van de term "ousía" door
een
gebruikswaarde-interpretatie verhelderd: d.w.z. het feit hij dit
substantief[118] zowel gebruikt voor:
(1) het concrete "warenlichaam
zelf", d.w.z. het concrete natuurlijke wezen - wat dan de
zgn. "primaire
ousía" uitmaakt; als voor
(2) het abstracte "wezen van
het wezen" - wat hij in De anima
omschrijft als "het
wezen op het vlak van de definitie"[119],
en in de Categoriae (2a11 e.v.) als "tweede"
of "secundaire
ousía".
Op een even vanzelfsprekende manier, m.a.w., als
Marx enerzijds de gebruikswaarde vereenzelvigt met het "warenlichaam",
maar anderzijds ook spreekt van "de gebruikswaarde van de
warenlichamen
" [120] - dus van de 'gebruikswaarde van
de
gebruikswaarde' -, stelt ook Aristoteles het probleem van het "wezen
van het wezen". Daarbij beklemtoont hij dat dit "ware wezen" enkel "in ons denken" (λόγωι) kan gescheiden
worden van het concrete lichaam.
In een zekere zin analoog aan Marx' "warenkunde",
die "de gebruikswaarden van de waren" bestudeert,
heeft ook
Aristoteles' φιλοσοφία de taak het specifieke ergon/telos
te ontdekken en definiëren van alle soorten van natuurlijke wezens.
Vanzelfsprekend zijn er ook
belangrijke verschillen tussen Aristoteles' zijnsmetafysica en Marx'
economische theorie. Eén van de grootste is ongetwijfeld dat voor de
Griek de 'nuttigheid', als "vorm" van de
wezens, een eeuwig en onveranderlijk gegeven is (daarin was Aristoteles een
overtuigd platonist), en niet het wisselend resultaat van een "historische
handeling, sc. van ontdekking van de talrijke wijzen van gebruik
" [121]
. Bovendien gaat het Aristoteles om "natuurlijke"
gebruikswaarden - wat wil zeggen dat ze hun "principe van
beweging en
rust" in zichzelve hebben, maar óók dat ze
een éigen, zelfstandige
finaliteit hebben: het ergon van het gras, bv.,
bestaat er in de eerste
plaats in, te groeien (cf. het zgn. phutikón-vermogen),
en niét: als voedsel te dienen voor het paard. Toch is ook dat laatste
aspect uitdrukkelijk aanwezig: in de verzameling der 'natuurlijke
gebruikswaarden' bestaat er een middel-doel hiërarchie, overeenkomstig de zgn. scala naturae,
waarbij het specifieke ergon van een lagere soort
of categorie
noodzakelijk beantwoordt aan de behoeften van een hogere. Terwijl
en omdat
het gras groeit, dient het als voedsel voor het paard. Enkel de hoogste
soort,
namelijk de mens [122], is
een "gebruikswaarde" die binnen de natuur louter en alleen zichzelve,
d.w.z. het "gebruik" van zijn vermogens, tot doel
heeft; de
gehele overige natuur bestaat om zijnentwille,
"want
als de natuur inderdaad niets vergeefs en doelloos doet, dan moet men
op basis
daarvan noodzakelijk aannemen dat zij dat alles (sc. planten en dieren)
zelf
geschapen heeft ter wille van de mensen"
[123]
.
Volledigheidshalve moeten we nog even
terugkomen op Aristoteles' theologie. Zijn 'Godheid' is, in
onderscheid met wat hierboven werd gezegd over de immanentie van de
aristotelische eidos, wél zuivere "vorm" (en dus:
zuivere "act"). Veeleer, echter, dan de opperste
'gebruikswaarde' te zijn, die de wereld van alle andere in zich zou
omvatten (zoals dat in de platoonse metafysica in zekere zin het geval
is),
representeert Aristoteles' godheid het concept gebruikswaarde an
sich (de 'gebruikswaardigheid', a.h.w.): als "geest"
(νοῦς, noûs), bestaat de enérgeia
ervan uit louter "denken" (νοεῖν) , sc. "van zichzelf":
"Het denken denkt dus zichzelf, omdat dit immers het beste is, zijn
gedachte is de gedachte van de gedachte"
[124]
.
5.10. Epiloog
.
Met het bovenstaande heb ik - hoeft het gezegd? -
niét willen suggereren dat Aristoteles met de term ousía
reeds Marx' economisch begrip van de "gebruikswaarde" zou hebben
geconcipieerd. Het grote, historische onderscheid tussen beiden blijkt
alleen
al hieruit, dat Marx - werkzaam in een context van dominantie van de
ruilwaarde - de gebruikswaarden definieert als "verbindingen
van
twee elementen: natuurstof en arbeid
" [125]
; voor Aristoteles, daarentegen, werkend
onder de dominantie van de gebruikswaarde, is de ousía
een combinatie van stof en "vorm" (i.e. nuttigheid).
Ten slotte, zou met recht de vraag kunnen worden gesteld naar de
toepasbaarheid van het 'gebruikswaarde-paradigma' op de overige Griekse filosofen, en dan
vooral op de platoonse filosofie. Deze laatste vertoont, naast
belangrijke
overeenkomsten (Aristoteles is, ten gronde, een 'platonist'),
ook opvallende verschillen met de aristotelische (in de eerste plaats
de zgn.
Vormen- of Ideeëntheorie, natuurlijk) - en tóch zijn beide in
dezélfde maatschappelijke
context tot stand gekomen.
M.i. is het inderdaad mogelijk die verschillen 'economisch' te interpreteren, uitgaande van de
verschillende maatschappelijke positie van beide filosofen. Zeer
schematisch,
kan op de volgende wijze althans de richting worden aangegeven van een
dergelijke benadering:
1°) Platoon behoorde tot de (hoogste)
Atheense
grondadel. Voor hem was de grond, en dus de
landbouw,
noodzakelijkerwijze, zoniet de enige, dan toch de allesoverheersende
'sociale' categorie. Voor een warenproductie, met een eigen
bestaansrecht (en dus moreel positief geëvalueerd) nààst de
agrarische huishoudeconomie, was ideologisch nauwelijks ruimte: de
markteconomie wordt door Platoon
derhalve overwegend negatief
geëvalueerd,
als een
'noodzakelijk kwaad' [126]. Dat
alles vinden we in zijn filosofische theorie "weerspiegeld" in de
positie van de transcendente idéai, of "Vormen"
(overkoepeld door de éne "Vorm van het Goede"), namelijk als
de 'onroerende gronden' van een voortdurend veranderende, zintuiglijke werkelijkheid, die noch eigen finaliteit noch
zijnsstatuut bezit.
2°) Aristoteles,
daarentegen, kwam niét uit de grondaristocratie, maar uit de
(weliswaar zeer begoede) "demiurgische" klasse, namelijk van de artsen.
Bovendien was hij een vreemdeling of metoik in Athene, die als zodanig
slechts
roerende goederen kon verwerven, en voor zijn onderhoud en welstand
systematisch een beroep moest doen op de markteconomie. De
(betrekkelijke)
autonomie, bijgevolg, en (betrekkelijk) positieve betekenis van de
warenproductie en de warenruil t.o.v. de huishoudeconomie was voor hem a.h.w. een
dagelijkse
evidentie. Hoewel ook hij, als geprivilegieerde consument, veel
'aristocratisch' misprijzen heeft voor "banausische"
producenten en winkeliers, zal hij toch, in boek V van de Nikomachische
Ethiek, handelend over de "rechtvaardigheid"
(dikaiosúnè),
een centrale, positieve functie
toewijzen aan de door-geld-bemiddelde ruileconomie, namelijk in zoverre zij
de
realisatie mogelijk maakt van de "evenredige wedervergelding":
het
is door dergelijke wedervergelding, inderdaad, dat zijns inziens "de
polis
wordt samengehouden" [127].
|
|
NOTEN:
[1]
Πάντες ἄνθρωποι τοῦ εἰδέναι όρέγονται φύσει.
[2] Over
de noties "sophía"
en "philosophía", zie de syllabus De Ley (1988).
[3] Met.
A, 982b9: δεῖ γὰρ αύτὴν τῶν πρώτων ἀρχῶν καὶ αἰτιῶν εἶναι θεωρητικήν. Zie De Ley (1977), p. 63.
[5] Alpha,
983a25-26,
vert. De Ley (1977), p. 71.
[6] Zie
over de
methodologische aspecten van Aristoteles' filosofiebegrip (filosofie
als
'wetenschap') - met de combinatie van een beweging van inductie (epagogè) en een van deductie (apódeixis)
- De Ley (1988), pp. 151-156; ten gronde: Kullmann (1974).
[7] Ibid.,
a33-b1: ... ἐν τοῖς περὶ φύσεως.
[8] Zo
W.Wieland (1962), p. 14
en passim. Boek Alpha stamt vermoedelijk reeds uit
Aristoteles' zgn.
Akademietijd; zie hoger, hfst. 2, § 5 (1, c).
[9] Cf.
supra, hfst. 3, §
3.
[10] Cf.
Marx' "Naturalwirtschaft".
[11] Cf.
de reeds gedeeltelijk
geciteerde passus in Marx' Grundrisse, p. 313, waar
wat hij "the
great civilising influence of capital" noemt, in contrast wordt
geplaatst met alle vroegere "Gesellschaftsstufe(n)":
in vergelijking
met het kapitalisme verschijnen die laatste "nur
als lokale Entwicklungen der Menschheit
und als Naturidolatrie"
(enkele regels verder hernomen als "Naturvergötterung").
[12] In
zijn Ökologische
Philosophie. Natur-Technik-Gesellschaft (Darmstadt 1984), p.
3.
[13] Phusis
en
afgeleiden komen ongeveer 95 maal voor, polis
en afgeleiden 44
maal.
[14] Pol.
I.2, 1253a3
(voor andere verwijzingen, zie de noot bij de vertaling). Voor een
benadering
die, wat apologetisch, de klemtoon legt op dit biologische perspectief
van
Aristoteles' mensbeeld (met verwijzingen naar de moderne ethologie van
Konrad
Lorenz), zie Kullmann (1984).
[15] Het
primaatschap van "eerste filosofie", of
metafysica, t.a.v. praktische filosofie vormt bv. het (heideggeriaanse)
uitgangspunt
van Swazo (1991). De stelling, als zou Aristoteles' ethiek slechts een
afgeleide zijn van algemene, metafysische principes (vgl. bv. M.Riedel,
1975),
wordt o.m. in vraag gesteld door H.-G.Gadamer (Truth and Method,
1985,
p. 278), en Annas (1993), p. 15. Annas, in haar studie, ontdekt
integendeel een
gemeenschappelijke structuur in de ethica's van Aristoteles, Stoïcijnen
en
Epikouros, filosofen wier metafysische principes onderling juist sterk
afwijken. Vgl. ook, vanuit een weliswaar andere invalshoek, de kritiek
van
Nussbaum (1991), p. 11, op de visie die "Aristoteles'
opvatting
over de mens als afgeleid (ziet) van een op zichzelf staand
wetenschappelijk
onderzoek, dat geen gebruik maakt van ethische of andere normatieve
opvattingen"; ook ibid., p. 29v.
[16]
Vernant (1971b), p. 40v.
[17] Zie
het volgende
hoofdstuk.
[18] "De
wetenschap die om harentwille en terwille van het weten verkozen wordt,
(is)
eerder wijsheid (sophía) dan de wetenschap die
gekozen wordt voor
haar resultaten", Met. A,
982a14-16.
[19]
Mansion (1945), p. 38.
[20]
Mansion, l.c., spreekt
daarom van "une métaphysique des corps ou une philosophie du
monde matériel". Zie ook infra, p. , het citaat uit
Van
Melsen (1955).
[21]
Flashar (1983), p. 390.
[22] De
radicale
differentiatie tussen een (autonoom) "zelf" en een (volledig externe,
objectieve) "buitenwereld", die kenmerkend is voor de moderne
rationaliteit, was Aristoteles nog onbekend: "die natürliche
Welt
ist also (noch) keine Aussenwelt", Wieland (1962), p. 45.
Vandaar is
zijn begrip van de ziel niet echt subjectivistisch (in de kantiaanse
zin van
dat woord): uitgangspunt voor de studie ervan is nooit zoiets als een
menselijk
zelfbewustzijn (dat was Aristoteles eveneens vreemd, ondanks het
begrip van het "denken van het denken", sc. i.v.m.
de
Godheid), maar datgene wat door de menselijke geest (noûs)
gekend wordt, d.w.z. de
"denkobjecten" (noètá). Het
menselijke subject is m.a.w. geen "epistemisch subject". Cf. Wieland,
o.c., p. 333 n. 17: "Diese bei Aristoteles für die Seele
charakteristische 'Äusserlichkeit' ist auch der Grund dafür, dass wir
er es in der Psychologie mit Bestimmungen zu tun haben, die ebenso in
die
Physik gehören". Zie ook, beknopt, De Ley (1993), hfst. 2, §
1.2.
[23]
Aangezien "materie"
en "geest" voor Descartes twee totaal verschillende
substanties
zijn, is het onderwerp (in het Engels: "subject-matter")
van de cartesiaanse psychologie noodzakelijk totaal verschillend van
dat van de
Cartesiaanse fysica. De negatieve implicaties van de (onontkoombaar)
cartesiaanse uitgangspunten van de moderne kritiek voor de
interpretatie van de
aristotelische "philosophy of mind",
werden (te?)
scherp in het licht gesteld door M.F.Burnyeat (1995), Is an
Aristotelian
Philosophy of Mind Still Credible? A Draft, oorspronkelijk
van 1983; zie
S.M.Cohen (1995), p. 60, en de andere replieken op Burnyeat, alle in
dezelfde
bundel van Nussbaum & Rorty (1995).
[24] Bv.
het koken van het
bloed in de hartstreek, bij het gevoelen van woede, zie De
anima, I.1,
403a31.
[25]
Woede is dan het "verlangen
naar vergelding" (sc. in het besef onrechtvaardig behandeld
te zijn), De
anima, l.c.
[26] In
Aristoteles'
terminologie: de páthè zijn logoi
enhuloi,
"gematerialiseerde principes", cf. ibid., 403a25; vgl. ook
403b17-18: "we zegden dus dat de zielsaandoeningen
niet te
scheiden zijn van de fysische materie (tês phusikês húlès)
der levende wezens: het is aan haar in alle geval dat zulke
aandoeningen
gebonden zijn als toorn en vrees".
[27] Met uitzondering dan van
de strikt "noëtische", die het lichamelijke transcenderen en het
studieobject vormen van de metafysicus (ho protos
philósophos),
cf. 403b16.
[28] De an.
, 403a27-28. Een
systematische, maar "dialectische" beschrijving
van de menselijke páthè - dus zonder de
lichamelijke
factoren ervan in rekening te brengen - is te vinden in Aristoteles' Rhetorica,
II, §§ 2-11; zij is, vandaar, niet theoretisch maar "praktisch"
gericht. Vgl. het commentaar van Heidegger, Sein und Zeit
(1972), p.
138: "Es ist kein Zufall, daß die erste
überlieferte,
systematisch ausgeführte Interpretation der Affekte nicht im Rahmen der
'Psychologie' abgehandelt ist. Aristoteles
untersucht die πάθη im
zweiten Buch seiner 'Rhetorik'. Diese muß - entgegen der traditionellen
Orientierung des Begriffes der Rhetorik an so etwas wie einem
'Lehrfach' - als
die erste systematische Hermeneutik der Alltäglichkeit des
Miteinanderseins aufgefaßt werden". Zie ook Rorty (1995), p.
8
n. 2.
[29] In
onderscheid dus met
bv. Plotinos.
[30] Cf.
Van Melsen (1955), p.
61v.
[31] Een
alternatief is 'metabolè',
"verandering".
[32]
άλλοίωσις, letterlijk "anderswording".
[33]
Flashar (1983), p. 391.
[34] Cf. Physica,
III,
200b32. Aristoteles kan, althans in contrast met Platoon, een 'nominalist'
worden genoemd.
[35] Van
Melsen, o.c., p. 54.
[37]
ἔστι γὰρ εἶναι, fr. D-K
Β6, v. 1.
[38] Cf.
fragment D-K 28 B 7.
[39] Cf.
Parmenides' kritiek
op de "meningen" (doxai) en het
taalgebruik (onómata)
van de "dubbelhoofdige" mensen,
in frr. B 6 en 7.
Parmenides' leerdicht, zoals bekend, bevatte twee onderdelen (wier
onderlinge
relatie door hem niet geëxpliciteerd werd): de "Weg
van de
Waarheid (Alètheia)" en de "Weg
van
de Mening (Doxa)". In het tweede
schetste hij een (vrij
traditionele) kosmogonie (op basis van de twee tegengestelde principes
van
licht en duister), waarin het 'ondenkbare' ogenschijnlijk dan tóch
'gedacht' werd. Voor een interessante historisch-filosofische
interpretatie van de parmenideïsche paradox (zelf product van het nog
niet
gerealiseerd-zijn van de conceptuele differentiatie tussen formele en
materiële
kennisvoorwaarden), zie J.Mansfeld, Die Vorsokratiker,
Griechisch-Deutsch
(Stuttgart 1987), pp. 284-309.
[41] Voor
hemzelf, weliswaar,
was het méér dan louter conceptueel.
[42]
ὑποκειμένη ὕλη. In het dagelijkse
Grieks werd het woord gebruikt voor bv. bos en struikgewas; ook voor gekapt
hout, een stapel hout (voor de haard), enz.
[43] De
meest elementaire
concrete stof (die a.h.w. de overgang vormt van de puur ideële
'oerstof' naar de particuliere, natuurlijke wezens) verschijnt in de
gedaante van de klassieke vier elementen: aarde, water, lucht en vuur.
[44]
Wieland (1962), p. 140 n.
29.
[45] Van
Melsen (1955), p. 69.
[46] Phys.,
III.1,
201a10: º
ἡ τοῦ δυνάμει ὄντος ἐντελέχεια ἧι τοιοῦτον.
[47] In
Platoons laatste
dialoog, De Wetten, boek X, gebeurt dat middels de
zgn. Wereldziel en
het Intellect, die resp. de bewegingsgrond en de doelgerichtheid voor
hun
rekening nemen.
[48] Zie
het volgende
hoofdstuk, § 2.
[49] In
de "Reviser's
Introduction", in de Pelican-vertaling
van de Pol., p.
36.
[50] Dat,
als object van de "eerste
filosofie", of metafysica, deze laatste juist tot de "meest
gebiedende", of meest supreme wetenschap maakt, vgl. Met.
A,
982b4-7: "de meest gebiedende onder de
wetenschappen, i.e. die in
hogere mate de dienende wetenschap gebiedt, is degene die weet ter
wille
waarvan elke handeling moet verricht worden, d.w.z. het goede in elk
individueel geval; in het algemeen, echter, is dat het hoogste goed in
de
natuur in haar totaliteit".
[52] Cf.
Waterlow (1982), pp.
27-30.
[53] Zie
het volgende
hoofdstuk, § 2.
[54]
αἰτίαι, misschien
beter: "gronden". We mogen ons inderdaad niet laten
misleiden
door het woord "oorzaak" (Latijn: causa),
dat
traditioneel gebruikt wordt om aitía (of:
aítion)
te vertalen: van een oorzakelijkheid in de zin van de moderne
kausaliteitstheorie is alleszins nog geen sprake. Cf. Von Fritz (1984),
p. 126,
die erop wijst "dass das antike Kausaldenken zwar nicht
ausschliesslich, aber vornehmlich auf Structurerkenntnisse,
das moderne zwar nicht ausschliesslich, aber vornehmlich auf
die Voraussage von künftigen Ereignissen
und im Zusammenhang damit auf das Hervorrufen
und Bewirken von Ereignissen gerichtet ist" (m.s.). Zie ook
Wieland (1962), p. 266: "dass ein der moderneren 'Wirkung'
entsprechendes Grundbegriff in der aristotelischen Physik fehlt".
De zgn. bewegingsoorzaak, bv., "ist... nicht ein Vorgang in
der Art von
Druck und Stoss (wie in der Neuzeit), sondern
das Ding, welches die fragliche Bewegung auflösst. Und was in
diesem Fall verursacht wird, ist nicht eigentlich die Bewegung selbst,
sondern
wiederum die Sache, die das Resultat dieser
Bewegung ist".
[55]
Düring (1966), p.
27.
[56] Maar
de "vier"
laten zich gemakkelijk herleiden tot twéé: namelijk "stof"
en "vorm", en daarin is het Aristoteles vooral om de "vorm"
te doen, cf. Mansion (1945), p. 92: "la nature aus sens
principal, pour
Aristote, c'est la forme qui sans doute n'est pas en elle-même un
principe intelligent, mais qui n'en est pas moins de soi principe d'un
ordre
rationnel". Cf. het ideologisch gebruik dat Aristoteles van
deze
meerduidigheid maakt in zijn 'bewijs', in Pol.,
I.2, van de
natuurlijkheid van de polis.
[57] In
zijn bewustzijn,
weliswaar, is de doelgerichte, menselijke productie (poíèsis)
een "nabootsing" (mímèsis) van het natuurlijke
scheppingsproces, cf. PA, 641b11v.
[58]
Platoon, in Wetten,
X, 886B-899D, had beide nog aan elkaar geopponeerd.
[59] Phys.,
II.8,
199a12-15.
[60] Cf.
Wieland (1962), p.
231: "Ohnehin spricht man ja von Natur nur dann, wenn man sie
gegen
etwas anderes abgrenzen will, was nicht Natur ist".
[61] Phys.,
II.1,
192b13 e.v. Zie Waterlow (1982), p. 2 e.v.; ook het commentaar van
W.Charlton,
in zijn vertaling van Phys. I&II (1070),
pp. 88-93; Chan (1992), p.
191v. Waterlow, o.c., p. 27v., overaccentueert (d.w.z. begaat een
anachronisme),
in haar antithese tussen natuur en "artificer",
de
"autonomie" van de ambachtsman, cf. p. 28: "For the
craftsman (as we ordinarily view such a one) is causally autonomous
as
regards his craftsmanly activities, in the following sense: he
dictates
the shape and pattern of the changes he brings about... What
kind of
change takes place depends on the craftsman and his purpose, and the
external
conditions are relevant only insofar as they make possible change of
that
kind". De antithese phusis-téchnè
zowel als
de autonomie van de ambachtsman blijven, in vergelijking met de moderne
visie,
wel degelijk betrekkelijk, cf. de PA-passus, hoger,
n. 57, en infra, over poíèsis.
Ook Chan (1992), p. 193, die Waterlows analyse toepast op Aristoteles'
theorie
van de "natuurlijkheid" van de polis, bezondigt zich m.i. aan
dergelijk anachronisme.
[62] Von
Fritz (1984), p. 127,
die opmerkt dat, bekeken vanuit het moderne causaliteitsbegrip, de
aristotelische definitie van "natuur" als "bewegingsgrond" in feite "niets 'verklaart'"; van
'vitalisme'
kan er bij Aristoteles bijgevolg geen sprake zijn.
[63] Cf.
hfst. 4, § 6.4.
Het denkschema is ook werkzaam bij Platoon, cf. W.Wieland, Platon
und die
Formen des Wissens (Göttingen 1982), p. 17, die opmerkt dat
het schema
"zu den wichtigsten Orientierungshilfen des
platonischen Denkens gehört".
[64] Cf.
supra, kap. 5.2.
[65]
1050a30v. Vgl. Vernant
(1979), p. 92: "l'acte réside dans l'objet effectué, l'oeuvre
produite".
[66] Cf.
supra, n. 22, over de
afwezigheid van de moderne subjectiviteit bij Aristoteles.
[67] Zie
al Platoon, Politeia,
601A e.v. Cf. De Ley (1988), p. 132v., waar aangestipt wordt dat
Platoons
kennisideaal van de epistèmè dient
begrepen te worden
"als een soort van 'gebruikskennis'" (zie nu
op deze site).
[68] Cf.
Vernant (1971b), p.
41.
[69]
Vernant (1979), p. 92.
[72] Cf.
bv. Metaphysica
1
.
[73] Cf.
supra, kap. 5.3.
[74]
ἀτελής (atelès),
Nikomachische Ethiek, X, 1173a29.
[75] Zie
Aubenque (1972), p.
454.
[76]
ἐν χρόνωι , N.E.,
1174a19.
[77] Voor "entelécheia"
en de nuance met
enérgeia, zie D.Ross, Aristotle,
De Anima (Oxford 1961),
pp. 166-167: "it appears that strictly speaking
ἐνέργεια means
'activity' or 'actualisation', while
ἐντελέχεια means
the resulting actuality or perfection. For the most part Aristotle
treats the
two words as synonyms... There is no English word that translates
ἐντελέχεια exactly.
The traditional translation is 'actuality', but 'completion' perhaps
better
expresses Aristotle's meaning". De samenstelling
betekent
letterlijk zoiets als het "in-zich-hebben-van-het-telos".
[79]
Aubenque (1972), pp.
440-441 (opgelet: hij gebruikt het woord "activiteit" om
te
verwijzen naar de producerende handeling van de ambachtsman, d.w.z.
voor kínèsis).
[84] Cf.
de relatie tussen de
aristocratische opdrachtgever-klant en de handwerker.
[85] Metaphysica
Lambda,
1072a25-27, de Griekse tekst is weliswaar gebrekkig overgeleverd. Ik
heb de
vertaling van Verhoeven (1989), p. 36, lichtjes aangepast.
[87]
οὐσίαι κατὰ φύσιν, τὰ φύσει ὄντα
.
[89] Dit
keer in een meer
actieve betekenis.
[91] Vgl.
reeds Sokrates, in
Platoon, Cratylus, 389A-C, over de "vorm"
van de
schietspoel. Zie De Ley (1988), pp. 130-131.
[93] N.E.,
1175a12: ἡ δὲ ζωὴ ἐνέργειά τις
ἐστί.
[94] Pol.
I, 1252b34: τὸ βέλτιστον.
[95] Het
Griekse woord is
etymologisch verwant met de overtreffende trap van agathós,
"goed", namelijk áristos, "best".
[100]
Vgl. bv. het esthetisch
genieten van een kunstvoorwerp.
[102] In
zijn "Reviser's
Introduction" van de Penguin vertaling
van de Politica,
p. 39.
[103]
Cf. N.E., I,
1097b24: τὸ ἔργον τοῦ ἀνθρώπου. Zie hierover verder, in het volgende
hoofdstuk.
[104]
Voor Aristoteles staat
er een gelijkheidsteken tussen "wat een wezen het beste kàn"
en "wat voor dat wezen het beste is".
[105]
De
schijn van tautologie
verdwijnt zodra we deze immanente finaliteit van de Griekse levensvisie
contrasteren met de christelijke. Zie verder. Zie ook de syllabus De
Late
Oudheid
[107] De
partibus animalium,
656a3.
[109] N.E.,
I, 1098a16.
De traditionele vertaling luidt: "overeenkomstig de deugd".
[110] Pol.
VII, 1332a9.
Ook in de E.E., V, 1129b31v., wordt gesproken van "gebruik/consumptie
van de voortreffelijkheid"
(χρῆσις τῆς ἀρετῆς)
.
[113] Cf. Met.
1
, 1050a22v.
[114]
Volgens wie de eidos
op zich bestaat, en de psuchè,
vandaar, in gelijkwelk lichaam
kan (ver)huizen, d.w.z. in dat van een dier zowel als in dat van een
mens: cf.
de slotmythe van zijn Politeia.
[116] De
anima, 413a4.
Voor de discussie in de hedendaagse (overwegend angelsaksische)
literatuur over
Aristoteles' "philosophy of mind",
namelijk of diens
theorie al dan niet kan beschouwd worden als een prototype van het
hedendaagse zgn. functionalisme, zie de tegensprekelijke bijdragen opgenomen in
Nussbaum
& Rorty (1995). Cohen (1995), p. 58, omschrijft dat
functionalisme als: "the
theory that mental states are defined in terms of their relations to
causal
inputs, behavioural outputs, and other mental states. It holds that the
same
mental state may be realized by several different
physical states or
processes. Mental states cannot, therefore, be reduced to physical
states. They
are, rather, functional states of the physical systems that realize
them".
Burnyeat (1995), in dezelfde bundel, betoogt dat het moderne
functionalisme
slechts kan begrepen worden vanuit de Cartesiaanse dichotomie tussen
lichaam en
geest, cf. supra, n. 23.
[117]
Cf. supra, kap. 5.3.
[118]
dat eigenlijk het
substantief is van het werkwoord "zijn".
[119]
οὐσία κατὰ τὸν λόγον, De anima,
412b12.
[122]
Maar dan wel
uitdrukkelijk de "vrije" polisburger, die "terwille van
zichzelf bestaat, en niet terwille van een ander" (Met.
A,
982b26): dus noch de slaaf, noch de producent in het algemeen.
[124] Met.
Lambda, 1074b33-35: αὑτὸν ἄρα
νοεῖ (τὸ νοεῖν), εἴπερ ἐστὶ τὸ κράτιστον, καὶ ἔστιν ἡ νόησις νοήσεως νόησις. Vertaling van Verhoeven (1989), p. 43.
[125]
Marx, o.c., p. 57
(m.o.).
[126] In
de Politeia
wordt ze beperkt tot de laagste, producerende klasse; in Wetten,
705A,
bepleit hij, voor zijn polis, een zo groot mogelijke afstand tot... de
zee.
[127] N.E.,
1132b33-34:
τῶι ἀντιποιεῖν γὰρ ἀνάλογον
συμμένει ἡ πόλις. Voor de vertaling van de gehele passus, zie de
vertaling bij deze syllabus.
|