"PHUSIS & POLIS": ARISTOTELES' PRAKTISCHE FILOSOFIE

door Herman De Ley*

• Inhoudstafel • CIE-Index •

HOOFDSTUK 4:

DE ANTIEKE PRODUCTIEWIJZE (2):

SLAVEN, VROUWEN EN GELD

4.1.  Slavernij. 

4.1.1. Slavernij en Vrijheid. 

De maatschappelijke institutie die veruit de meeste aandacht heeft gekregen in de moderne studie van de oudheid; die, samen met de Atheense democratie[83], wellicht het meest van al nog het voorwerp is geworden van ideologische stellingnames en polemieken tussen (o.m. marxistische en niet-marxistische) historici[84], en die het vaakst van al nog is aangevoerd als verklaring voor de specificiteit van de Grieks-Romeinse civilisatie en cultuur, is ongetwijfeld de slavernij [85]. Om het even in het traditioneel marxistische jargon te formuleren (zonder dat daarom voor mijn rekening te nemen): "de slavenproductiewijze was de doorslaggevende uitvinding van de Grieks-Romeinse wereld"[86].

Slaven waren er natuurlijk ook vroeger en elders, met name in de koninkrijken van het Nabije Oosten. Maar daar vormden ze enkel de laagste schakering in een breed spectrum of continuum waarin verschillende graden van serviliteit en onvrijheid bijna onmerkbaar in elkaar overgingen[87]. Slavernij kwam er bovendien enkel voor in de marge van het economische proces: het maatschappelijk surplus dat er werd toegeëigend door de heersende klassen en dat het draagvlak vormde voor complexe materiële culturen en staatsapparaten, was in absoluut overwegende mate afkomstig van een horige boerenbevolking[88]. Pas in de klassieke Griekse polis [89] werd onvrije arbeid a.h.w. gepolariseerd in de vorm van slavernij[90], die daarmee een maatschappelijk significant, zo al niet dominant, karakter verwierf [91]. Slavenarbeid was er voortaan niet langer een betrekkelijke, maar een absolute vorm van onvrijheid en afhankelijkheid, d.w.z. van verlies van zo goed als alle zelfbeschikkingsrecht en menselijke waardigheid: de slaaf is, per definitie, rechteloos en hij kan door zijn eigenaar in principe volledig naar believen gebruikt en (bv. seksueel) misbruikt worden[92].

Belangrijk hierbij is dat het begrip van de absolute ónvrijheid zich slechts ontwikkeld heeft sàmen met het even nieuwe begrip van radicale vrijheid, sc. van de polítès, of burger [93] - namelijk als individuele autonomie en autarkie en dus: afwezigheid van dienstbaarheid aan anderen [94]. Zoals Jean-Pierre Vernant het uitdrukte[95]:

 "d'un même mouvement la Grèce a inventé le citoyen libre et l'esclave, le statu de chacun se définissant en fonction de l'autre. Sans citoyen libre, pas d'esclave".

De twee extremen, dus, van vrijheid en slavernij (eleuthería en douleía), die in de klassieke periode een scherpe dichotomie vormden, waren vanuit maatschappelijk oogpunt niet in tegenspraak met elkaar, maar integendeel "complementair en onderling afhankelijk" [96]; een vanzelfsprekend element van het vrijheidsbegrip, derhalve, in de ogen van de Grieken, was precies "de vrijheid om ànderen tot slaaf te maken" [97].

Zoals bekend, werd het idee van de dialectische complementariteit tussen vrijheid en slavernij, maar dan wel met de slavernij als uitgangspunt, reeds filosofisch ontwikkeld door Hegel, in het (beroemde) kapittel van zijn Phänomenologie des Geistes, dat handelt over "Herrschaft und Knechtschaft"[98]. In uitdrukkelijke tegenspraak, nochtans, met de traditionele thesis over de antieke slavernij als de oorzaak, of alleszins de voorwaarde, voor de vrijheid van de burger-boer, pleit de hedendaagse, marxistische historica Ellen Meiksins Wood[99] voor de ómgekeerde relatie: pas nádat de kleine boeren hun politieke vrijheid en burgerstatus hadden veroverd[100], waardoor een gans spectrum aan ('feodale') afhankelijkheidsverhoudingen verdween en de grondadel voor een aantal dienstbaarheden naar alternatieven moest uitkijken -, werd het mogelijk slavernij, in de zin van "chattel slavery", als tegenpool voor het nieuwe vrijheidsbegrip radicaal te onderscheiden van andere, meer relatieve vormen van onvrije arbeid[101].

Hoe dan ook, de conceptuele polarisatie van "vrijheid" en "slavernij", die de polis in haar klassieke periode definieert, vinden we bevestigd in de historische vaststelling dat de systematische uitbuiting van mensen die (in hun persoon) herleid waren tot louter koopwaar, d.w.z. van "commodity slavery", op Griekse bodem plaats had in de bloeiperiode van de democratie, d.w.z. na de politieke emancipatie van de boeren. Zoals Finley het formuleert [102]:

 "the more advanced the Greek city-state, the more it will be found to have had true slavery rather than the 'hybrid' types like helotage. More bluntly put, the cities in which individual freedom reached its highest expression - most obviously Athens - were cities in which chattel slavery flourished... One aspect of Greek history, in short, is the advance, hand in hand, of freedom and slavery".
 

4.1.2. Controversen. 

Wat tot nu toe gezegd werd, zal op niet veel weerstand meer stuiten, in de moderne literatuur. Helaas, zodra we verder willen gaan dan dit soort van algemeenheden, botsen we voor de Griekse, en meer in het bijzonder de Atheense (of Attische) slavernij vooral op vraagtekens en controversen[103].

Vooreerst wat het  aantal slaven betreft, en hun  verhouding tot de totale bevolking van de polis. In afwezigheid van betrouwbare antieke gegevens, met name van statistieken, zijn zeer uiteenlopende schattingen gemaakt over het aantal slaven in klassiek Attika - van enkele tienduizenden tot enkele honderdduizenden[104]. Cijfers die vaak geciteerd worden, en die tot de meer 'genereuze' behoren wat het aantal slaven betreft, zijn die van A.W.Gomme en R.J.Hopper[105]. Voor het jaar 431 geven zij voor het Attische grondgebied (ca 2.500 km²) de volgende cijfers:
 

  

 Mann. Burgers

  

 Tot. Burgers

  

    Metoiken

  

     Slaven

  

 Tot. Bevolk.

  

     43.000

  

    172.000

  

     38.000

  

    110.000

  

    310.000

  

 Verschillende auteurs, nochtans, beklemtonen dat, wat de antieke wereld in haar klassieke momenten tot een authentieke "slavenmaatschappij" maakte [106], niét het absolute aantal slaven was (hoe hoog of hoe laag het reële cijfer ook moge geweest zijn), en evenmin hun aandeel in de totale maatschappelijke productie[107]. Zoals Patterson het formuleert  [108]:

"een slavenmaatschappij is niet noodzakelijk een maatschappij waarin de slaven in de meerderheid zijn, of waarin ze alle, of de meeste arbeid verrichten".

 Wat wél beslissend is, is de 'doorslaggevende' rol en/of plaats van de slaven in de economische, culturele e.a. maatschappelijke processen  [109]. Maar wat betekent hier "doorslaggevend"? En welk wàs die 'rol', of 'plaats', van de slavenarbeid, met name in het geval van Athene?

De historicus/-a wordt geconfronteerd met tal van handicaps, wanneer hij/zij deze vragen tracht te beantwoorden. De belangrijkste ervan is wel de opvallende schaarste, in de overgeleverde bronnen, aan eigentijdse gegevens over de aanwending van slavenarbeid, in Athene [110]. Dat moge dan al het gevolg zijn, precies, van de alomtegenwoordigheid en vanzelfsprekendheid van slavenarbeid in het dagelijks leven[111], het gebrek aan informatie is er niet kleiner om. Wat meer is, van het weinige dàt we dan hebben aan testimonia over slavernij, wordt de interpretatie sterk bemoeilijkt door tal van taalkundige en conceptuele dubbelzinnigheden[112].

Eén van de meest controversiële punten, in de moderne literatuur over de slavernij, meer bepaald in Athene, betreft de draagwijdte ervan voor de  landbouw. Hoger is betoogd dat landbouw de economische basisactiviteit was in de oudheid, meer in het bijzonder in Athene. Het lijkt derhalve logisch dat de karakterisering ervan als een "slaveneconomie" zich het meest van al nog laat bevestigen op het vlak van de landbouw. Niets is minder waar, nochtans. Meer recente argumentaties ten gunste van een betekenisvolle "agrarische slavernij"[113] in Athene, zo al niet op het niveau van de "smallholders"[114], dan toch op dat van de grootgrondbezitters[115], werden m.i. op vrij overtuigende manier in vraag gesteld door Wood (1988)[116]. In tegenstelling met de rijkdom van de Romeinse senatoriale klasse[117], was de mogelijkheid voor de Atheense grondaristocratie om rijkdom (en grond) te accumuleren sterk beperkt, precies ten gevolge van de democratie (wie een goed had van 30 à 40 ha viel al in de hoogste eigendomscategorie)[118]. Bovendien bestond het grondeigendom van de rijke Athener gewoonlijk uit een aantal disparate, kleinere domeinen die efficiënter konden verhuurd worden aan pachters. Enkel in het geval van de grotere landerijen (zij waren betrekkelijk weinig in aantal), waar de slavenarbeid direct kon gesuperviseerd worden (door de eigenaar of zijn rentmeester), bestond het permanente contingent van landarbeiders allicht uit slaven[119].

De grote massa, bijgevolg, van Atheense slaven waren niét zozeer te vinden in de landbouw als wel in (1) de huisarbeid en (2) de Attische zilvermijnen - de twee sectoren die zij min of meer monopoliseerden [120]. De rest, een minderheid, was verspreid over alle andere arbeidssectoren[121]: de landbouw, manufactuur en ambachten, de lagere publieke sector (bv. de Skythische boogschutters, die als een soort van politie optraden), entertainment, prostitutie... Ook al lijkt het bezwaarlijk, in het licht van deze conclusies, i.v.m. Athene nog te gewagen van een "slavenproductiewijze", het belang van het groot aantal slaven in de mijnen en in de huishoudens mag zeker niet onderschat worden: zij waren wel degelijk

"'essentieel' voor de Atheense economie, en hun afwezigheid, als men zich zoiets kan voorstellen, zou de Atheense samenleving (wel degelijk) getransformeerd hebben" [122] .

Het zilver van de Laureionmijnen wàs van levensbelang voor de Atheense economie (het was Athenes belangrijkste exportartikel) [123]. En een Athene zonder huispersoneel - d.w.z. een Athene zonder rijke huishoudens, of een waar arme vrije burgers 'dienden' in de huishoudens van hun rijke medeburgers - zou iets zeer verschillend zijn geweest van de Atheense democratie [124]. Bovendien, zoals we verder nog zullen vermelden, was het huishouden, in afwezigheid van een 'veralgemeende warenproductie' voor de markt, wel degelijk ook een belangrijk productiecentrum, namelijk in het kader van de huisnijverheid (textiel, keramiek, e.d.).

Een ander terugkerend, theoretisch discussiepunt is of de antieke slaven als een sociale "klasse" moeten/kunnen worden beschouwd, dan wel of de toepassing van dat begrip moet voorbehouden blijven voor de kapitalistische maatschappij?[125] Volgens Finley maakt een dergelijke kwalificatie alleszins weinig zin: de slaaf en de vrije loonarbeider, bijvoorbeeld, beiden zonder productiemiddelen, zouden dan als leden van dezelfde klasse moeten worden beschouwd[126]. De Ste. Croix, vanzelfsprekend, weerspreekt Finley in felle termen en bepleit krachtig, zij het op genuanceerde wijze, het gebruik van het klassebegrip voor de analyse van de antieke samenleving in het algemeen, en van de antieke slavernij in het bijzonder[127] - niet als de enige, zaligmakende categorie, maar wel als "de fundamentele, die in the long run altijd de belangrijkste was" [128]. Zo erkent hij dat de werking van uitzonderlijke politieke factoren - zoals de radicale Atheense democratie - voor een tijd een tegengewicht konden vormen voor de economische factoren; op lange termijn, nochtans, neigden de niet-economische verschillen ernaar de plaats te ruimen voor verschillen gebaseerd op economische klasse (cf. de ondergang van de Griekse polisdemocratie, na de klassieke periode) [129].

 

4.1.3. Slavernij en Oorlog.  

De feitelijke economische situatie, hoe dan ook, van de slaven was bijzonder uiteenlopend: ze reikte van de kettingslaven die zwoegden in de mijnen, over ambachtslui en landarbeiders, huisslaven en opvoeders, tot slaven die door hun eigenaar werden geïnstalleerd als "gérant", ondernemer of bankier en die (ter wille van de motivatie) een deel van de profijten voor zichzelf mochten houden om zichzelf na verloop van tijd vrij te kopen [130]. Dat neemt nochtans niet weg dat àlle slaven - de bankier even goed als de mijnwerker - zich vanuit het oogpunt van hun politiek-maatschappelijke situatie (hun "Rechtsstellung", in het Duits), in dezélfde positie van extreme rechteloosheid bevonden: zij golden "pro nullo", zoals het Romeins recht het cru stelde [131]. Hun heer/eigenaar (δεσπότης ) kon op elk moment willekeurig over hen beschikken zoals het hem beliefde (bv. de slaaf-bankier van vandaag op morgen verkopen aan iemand die hem in de mijn zou doen werken). De positie van de slaaf, van élke slaaf, kan daarom nog het best omschreven worden als, algemeen, een positie van  "maatschappelijke dood" [132].

De antieke slavernij was inderdaad niet enkel, als "commodity slavery" de uitkomst van de meest drastische stedelijke 'commercialisering' van de arbeid die denkbaar is (niet de arbeidskracht, de fysieke persoon zelf van de arbeider was herleid tot een koopwaar die vrijelijk verhandeld werd op de markt) [133]. Zij was óók de meest zichtbare expressie van het fundamenteel oorlogszuchtig-expansionistisch karakter van de antieke maatschappij en economie in het algemeen, en van de Griekse in het bijzonder [134]. De hoofdbron, inderdaad, voor de toevoer van slaven op de antieke 'arbeidsmarkt' waren de oorlogen (samen met piraterij)[135]: één van de 'universele waarheden' die in de gehele oudheid gelding hadden, was het 'juridisch' principe dat de overwinnaar een absoluut beschikkingsrecht had over de persoon en het eigendom van de overwonnene [136]. Hoewel niet altijd naar zijn volle draagwijdte toegepast, werd dit 'oorlogsrecht' toch vaak genoeg en op een voldoende ruime schaal toegepast om een aanhoudende en massale toevoer te garanderen van mannen, vrouwen en kinderen op de slavenmarkt[137].

Slaven waren m.a.w. in hoofdorde krijgsgevangenen[138], en als zodanig was slavernij een substituut voor de (gewelddadige) dood in de oorlog (in sommige gevallen, trouwens, wérden de volwassen mannelijke burgers van een veroverde gemeenschap metterdaad 'over de kling gejaagd') [139]. Een slaaf was letterlijk een persoon die onder een doodvonnis (over)leefde[140]; iemand wiens fysiek leven - tijdelijk[141] - gespaard was, maar niét zijn 'maatschappelijk leven': als bewoner van een veroverd territorium had hij alle eigendom en recht op eigendom (m.i.v. een gezin) verloren, en dùs ook alle maatschappelijke identiteit, waardigheid en eer [142]. Hij was m.a.w. terechtgekomen aan de zijde van de natuur, "naast het vee of als een aanhangsel van de aarde"[143]; hij was van een subject een object of zaak (res) geworden, andermans "roerend goed", d.w.z. "chattel"[144] - in het Grieks: vδράπoδα , "manvoeters"[145]. Die "Verdinglichung" en (mate van) ontmenselijking van de slaven werd vanzelfsprekend sterk in de hand gewerkt door het feit dat zij "outsiders" waren, vreemdelingen: d.w.z. niet alleen geen Atheners (na Soloon konden Atheners niet langer tot slaaf worden gemaakt in Athene), maar doorgaans zelfs geen Grieken; de grote meerderheid ervan waren zgn. "barbaren": Thrakiërs, Skythen, Kappadociërs, Aziaten... [146].

Van alle autonomie beroofd en herleid tot een middel voor zijn heer, gold de slaaf vanuit het oogpunt van de menselijke productie en reproductie als een levend werktuig. Aristoteles [147] spreekt zonder meer van "een bezield (stuk) eigendom..., een werktuig dat (zijn meester) in staat moet stellen te handelen"; bij de Romeinen kon de slaaf omschreven worden als een "instrumentum vocale", in onderscheid met het "instrumentum semi-vocale", i.e. het trekdier, en het "instrumentum mutum", bv. een kar[148].
 

4.1.4. Slavernij en "Theorie". 

Mogen we zeggen dat de Griekse, in het bijzonder de Atheense polismaatschappij "gebaseerd" was op slavenarbeid? In zoverre de vraag als zinvol wordt aanvaard[149], mogen we misschien stellen dat, méér nog dan door hun plaats in het economisch proces slaven een conditio sine qua non vormden vanuit het oogpunt van de  culturele bovenbouw. Toen de Atheense grondaristocratie, als gevolg van de politieke emancipatie van de boeren, haar 'inlandse', afhankelijke producenten verloor, was het de massale invoer van "chattels" die allicht belet heeft dat de culturele ontwikkeling in de nieuwe 'boerenrepubliek' op een 'Beotisch' peil geblokkeerd bleef[150]: voortaan leverden de slaven de maatschappelijke meerarbeid, in de eerste plaats binnen de aristocratische huishoudens, die noodzakelijk was om de leden van de maatschappelijke bovenlaag 'vrij' te maken van alle handenarbeid, en hen zo in staat te stellen een nieuwe stedelijke en intellectuele cultuur uit te bouwen.

De slavernij was alleszins geen "schoonheidsfoutje" van het zo geprezen antieke "humanisme" - ze was er integendeel een noodzakelijke voorwaarde voor. Het karakter van dat humanisme zelf werd er mede door bepaald: een fundamenteel gegeven ervan is immers de aanvaarding van de ongelijkheid tussen de mensen en het achterwege-blijven van protesten tegen de onderdrukking van de mens door de mens, ook in de filosofische teksten (met uitzondering van enkele Sofisten) [151]. Voor Aristoteles, in alle geval, bestond er niet de minste twijfel over:

 "zowel voor het ontwikkelen van de morele voortreffelijkheid als voor (uitingen van) politieke praxis is scholè (sc. vrijheid van arbeid) noodzakelijk," én "de slaaf is een helper voor alles wat te maken heeft met de praxis... (Hij is) een werktuig voor het handelen (órganon praktikón, sc. van zijn despótès of meester)"[152].

Maar ook de  "theorie", d.w.z. het antieke filosofisch-wetenschappelijke denken had voor zijn ontstaan en ontwikkeling de slavernij als noodzakelijke maatschappelijk-psychologische voorwaarde [153]. In zoverre was filosofie het resultaat van het historisch proces van arbeidsdeling, d.w.z. van de scheiding tussen hoofd- en handenarbeid[154]. Die scheiding had weliswaar ook al eerder en elders - bv. in Egypte - geleid tot de vorming van antagonistische maatschappelijke groepen of klassen (bv. de priesters versus de boeren) [155]. Maar de geestesarbeid blééf daar verbonden met de handenarbeid, met de praktijk; kon geen echte autonomie verwerven: schrijf- en rekenkunst, meetkunde, chronologie, enz. moesten de toeëigening mogelijk maken en optimaliseren van de surplusarbeid van de horige boeren door de farao - en ze bleven dus 'technieken' [156].

Pas de extreme vorm van scheiding tussen hoofd- en handenarbeid, die gerealiseerd werd door de "commodity slavery" [157], bracht de verregaande 'decentrering' (Piaget), of: vervreemding, van alle materiële praktijk, die nodig was voor de constructie van een louter theoretisch, abstract bewustzijn[158]. De slaven - als levende automata[159] - leverden niet enkel de directe, materiële arbeid ten voordele van hun particuliere meesters; ze namen, althans bij de echt welstellenden, als epítropos, óók het "management", d.w.z. het (geestelijke) toezicht en de organisatie van de arbeid voor hun rekening: aldus hoefde de kaloskagathós, de "gentleman-burger" zelfs niet mentaal bezig te zijn met (andermans) fysieke arbeid - de maatschappelijke scheiding tussen hoofd- en handenarbeid kan moeilijk extremer gerealiseerd zijn [160]. Zoals nogmaals Aristoteles het zonder schroom formuleerde[161]:

"voor alwie de financiële middelen heeft om zelf geen last te hebben, neemt een opzichter (epítropos) die 'eer' over (sc. van het kommanderen van wat de slaaf moet doen), terwijl zijzelf aan politiek of aan filosofie doen".

 Vanuit dezelfde, aristocratische visie, trouwens, kan Aristoteles, wat de kennishiërarchie betreft, in Metaphysica Alpha ook schrijven dat slechts de kennis die helemaal niét ten dienste staat van een of ander praktisch resultaat, maar louter ter wille van zichzelve wordt gezocht  [162], aanspraak kan maken op het (hoogste) predicaat van "wijsheid" (sophía); deze "theoretische" kennis[163] verhoudt zich tot de andere, dienende wetenschappen zoals de vrije mens zich verhoudt tot de slaaf, namelijk als een gebieder (árchoon):

"het is derhalve duidelijk dat we die kennis niet zoeken met het oog op enig verder praktisch nut, maar dat zij de enige 'vrije' wetenschap is, in dezelfde zin als we ook de mens die ter wille van zichzelf bestaat en niet ter wille van een ander [sc. zoals de slaaf], 'vrij' noemen; alleen zij, inderdaad, bestaat ter wille van zichzelf" [164] .

 Tenslotte, vinden we die correlatie tussen filosofie en slavernij bevestigd in de vaststelling dat de klassieke filosofen het ook als hun taak zagen de bestaande slavernij ideologisch te legitimeren middels de rationalisering ervan onder de vorm van een antiek rassentheorie. [164bis]

 

4.2.  Vrouwen  en  Gendersysteem.

Een tweede hoofdvorm van maatschappelijke afhankelijkheid en uitsluiting in de polis, meer in het bijzonder in de Atheense democratie, betrof de (burger)vrouwen. Vanzelfsprekend, de uitsluiting van de vrouwen uit de politieke sfeer was niet uniek voor de polisdemocratie, en ook hun algemene maatschappelijke achterstelling dateerde al van veel vroeger [165]. Desalniettemin blijft het een opvallende paradox van de Griekse geschiedenis, dat de positie van de vrouw verslechterde naarmate de polisdemocratie radicaliseerde [166]. De verklaring voor deze paradox (die er in feite geen is) is te zoeken in het wezen zelf van de polis [167].

De Griekse polis zag en identificeerde zichzelf als de "gemeenschap van de burgers" [168]. Daarmee werden uitdrukkelijk en exclusief de volwassen mannelijke burgers bedoeld. Zoals Thoukudides het spits formuleerde: "Mànnen (zijn 't die) de polis (maken)"[169]. Concreet kwam het erop neer dat de politieke en maatschappelijke macht het monopolie was van het korps der volwassen, mannelijke burgers. Alle andere bevolkingscategorieën - (burger)vrouwen, (burger)kinderen, vreemdelingen en slav(inn)en - bevonden zich daartegenover in een positie van politieke ondergeschiktheid en ongelijkheid, zij het dan dat de ene al "ongelijker" was dan de andere. Geen van allen beschikte over de burgerrechten, en zij waren bovendien, als leden van een "huishouden" (oikos, oikía), onderworpen aan het patriarchale gezag[170] van dezelfde burgers in hun hoedanigheid van "huisheer" (oikodespótès) [171].

Net zo min als de slavernij, was de onderdrukking van de vrouw een toevallige onvolkomenheid, of 'schoonheidsvlek', van de Griekse democratie, wel integendeel. De vestiging en consolidatie van een "politiek", burgerlijk regime, gebaseerd op een vrije boerenstand, en dus op het (kleine) particuliere grondeigendom, ging historisch juist sàmen met de uitbouw van een radicaal  "patriarchaat"[172]. In het meer archaïsche, 'conservatieve' Sparta, daarentegen, was de maatschappelijke positie van de vrouw, zoals bekend, beter dan in het 'progressieve' Athene [173]. Precies de geprivilegieerde (maar tegelijk ook erg kwetsbare) politieke status van de man, samen met de uitbreiding van het burgerschap tot de lagere klassen, heeft in Athene de traditionele kloof tussen mannen en vrouwen allicht nog sterk vergroot en het exclusiviteitsprincipe verhard [174]. Halperin schrijft dan ook terecht:

"De Atheense democratie, bijgevolg, was niet wat wij een zuiver 'politiek' systeem zouden noemen: het was evenzeer een systeem van sekse en 'gender'. De maatschappelijke legislatie, die aan alle vrije volwassen mannen uit Atheense ouders in principe hun zeg gaf in het bestuur van de stadstaat, bracht een duidelijker articulatie met zich van de 'gender' categorieën en een striktere controle op de seksuele rollen (althans voor de hoofdrolspelers in het politieke spel) - waardoor een ideaal van mannelijkheid gecreëerd werd met tegelijkertijd seksuele en politieke draagwijdte" [175] .

Er moet nochtans worden aangestipt dat de democratie (ook) hierin de erfgename was van de archaïsche, aristocratische polis. Deze laatste ontstond in de late 8de en de 7de eeuw, klaarblijkelijk via de (stedelijke) vereniging van adellijke mannenbonden of -clubs [176]; de vrouwen van stand, die voorheen nog een reële maatschappelijke status hadden genoten, werden daarbij, letterlijk, 'thuis' gelaten: d.w.z. ze werden teruggedrongen in het besloten domein van de (nu a.h.w. 'geprivatiseerde') huishouding (oikos). Met de uitbreiding, vervolgens, van de politieke rechten tot de lagere klassen, in de burgerlijke polis, werd die adellijke mannencultuur (met haar symposia, gymnasia, sportspelen en pederastie) verder veralgemeend en 'verburgerlijkt'. Zoals Aloys Winterling het daarom treffend formuleert, in zijn bijdrage over de Griekse "Männergesellschaften": "Je democratischer eine Stadt war, desto schärfer verliefen die Trennlinien zwischen Männern und Frauen" [177] .

De mannelijke zelf-assertiviteit en "nieuwe fierheid in het mannelijke egalitarisme" (Halperin), die gepaard ging met deze ontwikkeling, vinden we in Athene a.h.w. fysiek en plastisch uitgedrukt in de zgn. "ithyphallische"  Hermen[178]. Zowel de archeologische vondsten als andere (plastische en literaire) getuigenissen verwijzen de 'uitvinding' ervan (misschien beter: de politieke aanwending van een gebruik dat ongetwijfeld veel ouder was) naar het einde van de 6de eeuw. Aanvankelijk geplaatst (door de tyran Hipparchos) op de wegen die van de Attische dorpen naar Athene voerden[179], werden ze ten tijde van Kleisthenes' hervormingen tegelijkertijd gedemocratiseerd en 'geprivatiseerd', d.w.z. op grote schaal opgesteld vóór de buitendeur van de individuele huishoudens, als een soort van 'huisbewaarders'. Met hun (agressieve) phallos-in-erectie, moesten ze ongetwijfeld mee gestalte geven aan, en garant staan voor[180], de democratische mannelijkheids- en gelijkheidsideologie:

"In een politieke gemeenschap waarvan de eenheden vertegenwoordigers zijn van familiale groepen, drukt de herme de principiële gelijkheid uit van elk huishouden, vertegenwoordigd in de persoon van zijn patriarch en gesymboliseerd door een vereenvoudigd beeld van de man - een bebaard hoofd en een phallos in erectie" [181] .

 Maar de Hermen waren slechts één uiting, naast vele andere, van wat we kunnen bestempelen als één van de fundamentele 'protocols' van de Atheense democratie: namelijk het phallocentrisme [182]. Zoals Halperin het geestig formuleert[183]:

"Als onder de Kabyliërs een volwassen man zijn gevoelen van onvervreemdbare en onaantastbare mannelijkheid (d.w.z. zijn fundamentele sociale en seksuele identiteit) kan uitdrukken door te zeggen: 'Ik ook heb een snor', dan proclameerde in Athene, zo schijnt het, de symbolische taal van de democratie ten gerieve van elke burger: 'Ik óók heb een phallos'" [184] .

Combineren we dit phallocentrisme met de maatschappelijke onderdrukking van de vrouwen - wier positie op een aantal punten wel degelijk gelijkenis vertoonde met die van de slaven [185] -, dan lijkt het gerechtvaardigd de Atheense staat te typeren als een "phallocratie"[186].

Het gendersysteem, hoedanook, zoals dat (bv.) in de Griekse polis geconstrueerd werd, berustte op een aantal traditionele dichotomieën, o.m. op het vlak van de maatschappelijke  ruimte: tussen "binnen" en "buiten", tussen "privaat" en "publiek"[187]. Het leven in Athene, anders gezegd, werd - althans op het niveau van het dominante, 'androcentrische' discours[188] - gekenmerkt door de afbakening van een  publieke ruimte, of openbaarheid, versus een  private ruimte, zijnde het huis, met "dorpel" en huisdeur als de fysieke scheiding tussen beide; de verhouding tussen de geslachten speelde hierin een constitutieve rol.

De publieke ruimte gold als het geheel van plaatsen waar mannen bijeenkwamen: de agora, de volksvergadering, de rechtbanken, de gymnasia, de sportterreinen, enz.; ze was aldus geassocieerd met de publieke activiteiten waarin mannen wedijverden voor hun eer en prestige. Daarmee in contrast, was de private ruimte een vrouwelijke ruimte, d.w.z. "omsloten, verborgen, bewaakt, duister"[189]. De 'deftige' burgervrouw, daarom, werd geacht, tenzij om bijzondere redenen die door de alziende buurtgemeenschap[190] als legitiem werden beschouwd (bezoek aan zieke buurvrouw, deelname aan vrouwelijke religieuze feesten, e.d.), 'de deur niet uit te komen'. Vrouwen die zich niet stoorden aan die regel, waren in principe prostituees (cf. nog onze uitdrukking "publieke vrouwen"), of in elk geval vrouwen waarvan aangenomen werd, of kon worden, dat ze seksueel 'beschikbaar' waren voor mannen[191]. Een respectabele burgervrouw, derhalve, die zich toch buitenshuis waagde, zonder goede reden en of "chaperonne", riskeerde in principe het slachtoffer te worden van seksuele geweldpleging (hubris). Wat ze in elk geval op het spel zette, was haar 'eer', of beter gezegd: de eer en reputatie, en dus de (erg kwetsbare) sociale status, van haar "Heer"[192]. De eer (timè) van elke burger, en vandaar de morele integriteit van het burgerkorps in zijn geheel, vereiste inderdaad dat 'zijn vrouwen' (moeder, echtgenote, dochters, zusters) onzichtbaar waren[193], d.w.z. zoveel mogelijk binnenshuis bleven - of althans dergelijke reputatie hadden[194]. Binnen, in het huis zelf, verbleven ze in de speciale, tegen mannelijke bezoekers afgeschermde (zo ver mogelijk van de straatdeur en de mannelijke vertrekken verwijderde) ruimte van het "vrouwenvertrek" (gunaikeía of gunaikoon) [195].

In het maatschappelijk discours werd aldus een ganse  topografie ontwikkeld, waarin de man normatief verbonden werd met "buiten" (de straat, de volksvergadering, het badhuis, de rechtbank, het marktplein, de tempel, enz.), d.w.z. met de openbaarheid[196]; de vrouw, omgekeerd, met "binnen" (de oikos), d.w.z. met het private. De enige momenten waarop burgervrouwen effectief deelnamen aan het gemeenschapsleven, waren overwegend religieus van aard, bv. tijdens grote, exclusief vrouwelijke festivals zoals de Thesmophorieën[197].

In de vakliteratuur wordt weliswaar fel gediscussieerd over de vraag in hoeverre de Atheense vrouwen (van stand) daadwérkelijk 'achter slot en grendel' zaten[198]. Winklers hoger geciteerde opmerking[199], over het "bluf" karakter zelfs van officiële bepalingen en wetten, lijkt hier relevant. In de praktijk, daarom, zullen de vrouwen m.b.t. de "oikonomía", i.e. het beheer van hun huishouden, ongetwijfeld over een zekere (ruime?) mate aan zelfstandigheid hebben beschikt - maar voor mannen was het, in het kader van een "politics of reputation", maatschappelijk noodzakelijk dat feit te loochenen[200]. Juist het constante uithuizig-zijn van de man, trouwens, maakte de "monarchie" (Aristoteles) van de paterfamilias in de praktijk allicht tot een lachertje[201], en... voedde de obsessieve mannelijke vrees voor overspel vanwege de echtgenote [202].


4.3.  Geld-  en  Gebruikswaarde-economie.

4.3.1. Geld en Markt. 

Een belangrijke factor van onderscheid, zowel t.a.v. de "Aziatische" productiewijze als t.a.v. de oudere clansamenleving (gebaseerd op de aristocratische oikos), was het functioneren in de polismaatschappij van een markt- en geldeconomie - waarvoor het particuliere (grond)eigendom vanzelfsprekend de voorwaarde vormde [203].

Hoe sterk, inderdaad, de handel ook ontwikkeld moge geweest zijn in bv. Babylon of het Assyrische en nadien Perzische rijk, markten in de eigenlijke zin van het woord kwamen er niet voor: de maatschappelijke surplusproductie werd er centraal ingezameld en opgeslagen en, van bovenaf, geredistribueerd; en wat de handelaar betreft, hij was in de eerste plaats een statusfiguur (de tamkarum), die voor zijn materiële welvaart niet echt afhing van zijn commerciële transacties: als aangestelde van koning of tempel had hij vaste voorrechten en verplichtingen[204].

De oude Grieken zelf waren zich van dit onderscheid zeer goed bewust, getuige de volgende passus bij Herodotos, waarin hij de Perzische heerser Kuros als volgt laat reageren op de komst van een Spartaans (!) gezelschap[205]:

"Ik ben helemaal niet bang voor dat soort van mannen die midden in hun stad een bepaald terrein hebben, waar ze plegen samen te komen om elkaar vervolgens onder ede te bedriegen".

Herodotos voegt daaraan toe:

"Dit dreigement van Kuros was bedoeld voor àlle Grieken, omdat zij markten (agoraí) hebben waar ze hun waren kopen en verkopen; de Perzen zelf kennen namelijk het gebruik van markten niet, ja, bij hen komt in het geheel geen marktplaats voor".

Een analoge constatatie kan worden gemaakt m.b.t. het gebruik van (munt)geld:  in het Perzische rijk werden de arbeiders in de 1ste helft van de 5de eeuw nog altijd betaald in naturaliën en voorgewogen zilver; de Feniciërs gingen pas rond 450 munten slaan [206].

De eerste introductie van muntgeld in de Griekse stadstaten, op het einde van de 7de eeuw, lijkt weliswaar veeleer in een sociale of politieke, dan in een strikt economische context te hebben plaats gevonden[207]. Anders gezegd, de creatie, resp. introductie, ervan was mogelijk niét het gevolg van de ontwikkeling van de handel, maar veeleer van de 'morele' bekommernis om, middels een (gedeeltelijk) herstel van de sociale rechtvaardigheid (herverdeling van de rijkdom), een nieuwe maatschappelijke consensus te realiseren - zelf de voorwaarde voor de nieuwe, 'politieke' ordening[208].

Maar ook al was, wellicht, de economische functie ervan niet de oorspronkelijke, het muntgeld ging overal in de Griekse wereld zeer vlug inderdààd fungeren als waardemeter en circulatiemiddel voor de handel - eerst voor de buitenlandse, daarna ook voor de binnenlandse (klein)handel. Eens het zover was, bleef de rol van het geld niet beperkt tot die van maat en circulatiemiddel, maar ging het ook zeer vlug 'zelfstandig' optreden: als "schat" (thèsaurós), maar ook en vooral als handels- en woekerkapitaal[209]. Vandaar de totstandkoming van een professioneel bankwezen[210] dat zich met alle soorten van kredietoperaties ging bezighouden (bv. hypotheekleningen aan soms zeer hoge interesten)[211]. Het was vooral in Aristoteles' eigen 4de eeuw dat deze monetaire ontwikkeling zich doorzette.

De antieke productieverhoudingen, zoals we gezien hebben, berustten op een unieke, en tegenstrijdige, combinatie van het "communale" en het "particuliere" [212]. De geldeconomie, in die context, wakkerde de individuele geld- en verrijkingszucht aan, ten koste van de communale, egalitaire basis van de polisgemeenschap, en had, aldus, onvermijdelijk een desintegrerend effekt op de antieke samenleving en haar productieverhoudingen. Zoals Marx het formuleert in "Das Kapitel vom Geld", in de Grundrisse[213]:

"Die Geldgier oder Bereicherungssucht ist notwendig der Untergang der alten Gemeinwesen. Daher der Gegensatz dagegen. (Das Geld) selbst ist das Gemeinwesen und kann kein andres über ihm stehendes dulden".

Als "reële abstractie" [214] onbeperkt accumuleerbaar, doorbrak en verbrak het geld a.h.w. de 'natuurlijke' grenzen van deze agrarische maatschappij. Door de kritische tijdgenoten werd het fenomeen onvermijdelijk moraliserend benaderd: cf. de vele tirades waarin het geld als bron van alle kwaad gebrandmerkt wordt, bij auteurs als Soloon, Alkaios, Sophokles, Aristophanes, Platoon (Politeia, 550D) en, zoals we zullen zien, ook bij Aristoteles[215].

Daar dient nochtans te worden tegenover gesteld dat precies het bestààn van markt en muntgeld de economische voorwaarde was voor de vestiging/functionering van de radicale polisdemocratie. De praktische politieke participatie van de 'kleine man', inderdaad, was enkel mogelijk dank zij  geldelijke vormen van (politieke) redistributie van de maatschappelijke rijkdom: zoals de soldij voor de (vrije) roeiers van de oorlogsvloot[216], en de zitpenningen voor deelname aan de volksrechtbanken, het zetelen in de volksvergadering, het bijwonen van de dramatische festivals, enz. [217] Met dat geld, inderdaad, kon de "arme" burger - die normalerwijze gehéél zijn tijd moest besteden aan het 'werken voor zijn boterham', d.w.z. aan economische activiteiten - op de markt althans gedeeltelijk voorzien in de dagelijkse levensbehoeften van hemzelf en zijn gezin. Zoals Karl Polanyi het formuleert in zijn The Livelihood of Man[218]:

"In een democratie, waar van de burgers verwacht werd dat ze zelf instonden voor het bestuur, vereiste de distributie van voedsel de markt; want hoe konden de burgers - waarvan althans sommigen periodiek ganse dagen geëngageerd waren in de publieke aangelegenheden, en ondersteuning vanwege de staat nodig hadden - hoe konden zij zich anders hun provisie aanschaffen en zichzelf onderhouden?... Dit maakte de plaats die de markt erin bekleedde, cruciaal voor de politieke constitutie van de polisdemocratie".

Terwijl de  aristocratie, als klasse, traditioneel haar maatschappelijke macht vestigde, of poogde te behouden, door de armen in een persoonlijke relatie, namelijk als 'cliënt', aan hun huis (oikos) te binden (via het verstrekken van voedsel, kleding, enz., d.w.z. van goederen in natura) - wat bv. de tactiek was van Kimoon, politiek tegenstander van Perikles -, verstrekte de democratie aan de burgers geld waarmee ze terecht konden op de markt - zodat ze niét in een persoonlijke, 'feodale' relatie moesten treden met een (adellijke) verstrekker. Perikles, die als democratische leider (hoewel zelf van hoge aristocratische afkomst) deze radicale politiek doorvoerde, werd door Kimoon beschuldigd van "verspilling" van de openbare middelen ter versterking van zijn macht [219].

Markt en geld waren dus een essentieel, zij het contradictorisch gegeven voor de polis, economisch zowel als politiek - niet toevallig was in de meeste staten de agorá  tegelijkertijd de politieke en de economische ontmoetingsplaats van de burgers. Zoals Polanyi het kernachtig uitdrukt[220], daarom: "To understand the polis is to understand the place the market occupies in it".  Maar dezelfde auteur waarschuwt ons ook voor de verleiding om de kenmerken van de moderne markteconomie te projecteren op de Griekse. Hoewel onmisbaar, had de markt in het oude Griekenland toch een eerder beperkte maatschappelijk-economische functie. Van een éigenlijke markteconomie - waarin de markt dus (1) via de mechanismen van vraag en aanbod zélf de prijzen van de waren bepaalt, (2) fungeert als het centrale maatschappelijke mechanisme waardoor

"de verschillende elementen van het economisch proces, van de grondstoffen en de arbeid tot het vervoeren, opslaan en verdelen van de geproduceerde goederen, onderling met elkaar verbonden worden" [221] ;

en (3) waarbij het derhalve het economische mechanisme is van de markt, dat instaat voor de reproductie van de maatschappelijke verhoudingen [222], en dus: van de ongelijkheden - daarvan was in het oude Griekenland géén sprake. De Griekse markt, alleszins in de archaïsche en de klassieke periode, was niet echt een  prijsmakende markt, maar bovenal (slechts) de conjunctie van een aantal institutionele gegevens, 'marktelementen', zoals

"een site, goederen die fysiek aanwezig of beschikbaar zijn, een menigte die goederen aanbiedt, een menigte die goederen vraagt, gewoonterecht of de wet, en equivalenties" [223] .


4.3.2. Economie en Politiek [224]. 

Elke economische activiteit in de polis was typisch onderworpen aan "politieke" doelstellingen, d.w.z. stond ten dienste van de (reproductie van) de institutionele en ideologische voorwaarden van de politieke gemeenschap. De vrije, Attische boer of farmer was, voor zijn toegang tot zijn bestaans- en productiemiddelen (cf. het grondeigendom), niet afhankelijk van de markt, maar van  extra-economische, in dit geval "politieke"[225], voorwaarden: namelijk van het 'polítès'-, of lid-zijn van de polis, en derhalve van het (voort)bestaan van die polis, als associatie van grondeigenaars. In een dergelijke context [226], was er geen sprake, kón er geen sprake zijn van een ('economische') tendens tot het stelselmatig opvoeren van de arbeidsproductiveit in combinatie met een systematische technische vernieuwing, zoals kenmerkend is voor het kapitalisme [227].

Iets analoogs gold ook voor de rijke grondaristocraat en slaveneigenaar, die zich (een deel van) de maatschappelijke surplusarbeid toeëigende. Ook hij was, voor zijn reproductie àls "heer", niet aangewezen op zijn verhouding tot de markt. Niet gedreven door de jacht op wistmaximalisatie, was hij integendeel enkel geïnteresseerd in het "genot", d.w.z. de rente van zijn eigendom. Ook al was de drang om zoveel mogelijk rijkdom te verwerven reëel, ze werd niét vertaald in een drang om 'kapitaal' te creëren, of surplus te herinvesteren in verbeterde productiemiddelen: "the prevailing mentality was acquisitive but not productive" (Finley)[228]. Een typisch voorbeeld was de (schat)rijke generaal Nikias (laatste kwart 5de eeuw), die, volgens Xenophoon [229], zijn duizend slaven "leasde" aan concessionarissen in de zilvermijnen - in plaats van ze zélf productief te werk te stellen als arbeidskrachten. Zelfs wie eigenaar-meester was van een groot aantal slaven-ambachtslui, zoals het geval was in een aantal Atheense manufacturen, had veeleer de mentaliteit van een rentenier, niét van een 'ondernemer' [230].

Moderne historici/sociologen, daarom, zoals Werner Sombart, Karl Bücher en Max Weber hebben de antieke stad, in oppositie met de middeleeuwse, gedefinieerd als een "consumentenstad", d.w.z. een stad waarin de economie en de machtsrelaties berustten op rijkdom voortgebracht door rente die toevloeide naar, en circuleerde onder, stedelingen[231]. Marx, van zijn kant, brengt dit fenomeen in verband met de bijzondere machtsrelatie waarin de (eigenaar van de) rijkdom zich bevindt in een systeem van slavenarbeid, in tegenstelling tot dat van loonarbeid[232]:

"tegenover de onmiddellijke dwangarbeid (sc. van slaven) staat de (eigenaar van de) rijkdom niet als kapitaal, maar als  heerschappijverhouding; daarom wordt op die basis ook alleen maar de heerschappijverhouding gereproduceerd, voor dewelke de rijkdom zelf alleen maar waarde heeft als genot (Genuß), niet als rijkdom zelf, en die daarom ook nooit de  algemene industrie kan scheppen".

Vanuit diezelfde dominantie van het politieke over het economische [233] laat zich ook het voor ons zo merkwaardige fenomeen verklaren van het antieke  "euërgetisme", i.e. de publieke "weldadigheid" die de leden van de rijke, zgn. liturgische klasse met de middelen van hun private oikos op zich namen[234].

De klassieke oikonomía of huishoudeconomie was inderdaad nauw gekoppeld aan de politieke structuren (de scherpe dichotomie/oppositie tussen "publiek" en "privaat", die kenmerkend is voor een industriële samenleving, was de Griekse economie vreemd) [235]. De civieke verantwoordelijkheid van een oikos (i.c. de burger-huisheer) beperkte zich niet tot het politieke en militaire domein: van het (rijke) oikos werd ook verwacht dat het, als eenheid van (huishoudelijke) productie, een materieel surplus (περιoυσία) , d.w.z. nieuwe  rijkdom creëerde[236]. Maar verre van hun surplus te transformeren in kapitaal, door het te investeren in de productie  [237], werden de rijken geacht hun overschotten te besteden aan (economisch) onproductieve uitgaven, zoals publieke manifestaties en kunstwerken, en, vooral, 'vrijwillig' een aanzienlijk deel te dragen van de publieke lasten. Via dit systeem van zgn. "liturgieën"[238] waren private welstand en publieke welvaart dus direct met elkaar verbonden; de betrachting om het familiefortuin te vergroten hoefde binnen dergelijk politiek kader geenszins als zelfzuchtig te worden veroordeeld. Zoals Xenophoons Sokrates het wat spottend voorhoudt aan de rijke Kritoboulos[239]:

"Eerst en vooral zie ik dat je verplicht bent dikwijls en rijkelijk te offeren, want anders, geloof ik, zou je noch bij de goden noch bij de mensen goed ontvangen worden; vervolgens komt het je toe om vele vreemdelingen gastvrijheid aan te bieden, en dat op een grootse manier; vervolgens moet je je medeburgers aan je tafel uitnodigen en weldaden bewijzen, om niet zonder bondgenoten te zijn [bv. bij een rechtszaak]. Bovendien heb ik de indruk dat de polis je zware lasten oplegt: paardenkweek [voor wie rijk genoeg was om in de cavalerie te dienen], choregie, gymnasiarchie of een of ander voorzitterschap. In geval van oorlog weet ik dat men je anderzijds triërarchieën, uitbetaling van soldij en zo'n grote contributies zal opdragen dat je ze niet gemakkelijk zult kunnen dragen".

In tegenstelling, bijgevolg, tot de moderne homo oeconomicus, met diens strikt economische, (privé)winstgerichte rationaliteit, was de antieke burger een homo politicus. Zoals gezegd, voor overleving en reproductie was hij niet afhankelijk van zijn competitiviteit op de markt, maar van de reproductie van de "politieke" voorwaarden voor zijn bestaan: het euërgetisme, dat precies tot die reproductie bijdroeg, was binnen deze context wel degelijk "rationeel".

Tot de belangrijkste "voortreffelijkheden van de burger" (politikaí aretaí), bijgevolg, behoorden niet ('protestantse') spaarzaamheid en zuinigheid, maar, juist omgekeerd, "vrijgevigheid" (eleutheriótès), "edelmoedigheid" (megalopsuchía)  en, in het geval van de meest vermogenden, zelfs "vorstelijkheid" (megaloprépeia) - i.e. de deugden van de gentleman (in het Grieks: de 'kalós kagathós', de "schone en goede"), die Aristoteles omstandig behandelt in het vierde boek van zijn Nikomachische Ethiek.
 

4.3.3. Warenproductie. 

Al het voorgaande houdt in dat ook op het vlak van de productie de omvang van de antieke 'markteconomie' zeker niet mag overdreven worden, zomin wat het aandeel betreft van de productie die direct voor de markt was bestemd - de eigenlijke 'warenproductie', dus -, als wat de graad van concentratie en arbeidsdeling betreft.

Zoals in de landbouw het kleine landeigendom domineerde, zo overheerste in de 'industriële' productie het  kleine atelier: de individuele ambachtsman[240], bijgestaan door hoogstens een slaaf of twee, produceerde er voor de lokale markt en stond gedeeltelijk ook zelf voor de verkoop in. Behalve om smeden, schoenmakers, timmerlui, schrijnwerkers, draaiers, e.d., ging  het bv. ook om pottenbakkers en keramisten: met zo'n 500 kleine ateliers (geconcentreerd in de zgn. Kerameikoswijk) stonden ze weliswaar ook in voor één van de belangrijke exportproducten: de beroemde Attische vazen. De detailhandel was vooral belangrijk in de voedingswarensector: onder deze "kápèloi" (κάπηλoι) of winkeliers, waartoe ook veel vrouwen behoorden, trof men bakkers, worstenverkopers, poeliers, slagers, groenten-, ajuinen-, olijvenverkopers, enz.[241]

Voor zover kan worden nagegaan, en met abstractie van de mijnbouw, die een geval apart vormde, waren de enige sectoren in de Atheense 'industrie' die een zekere mate van concentratie kenden - en met betrekking tot dewelke het gebruik van woorden als 'fabriek' en 'manufactuur' niet volledig misplaatst lijkt [242]: (1) de tekstiel, met ateliers werkend met vrouwelijke slavenarbeid, die uitsluitend voor de verkoop fabriceerden; (2) meest van al nog, wegens de aanhoudende krijgsactiviteiten in de 5de en 4de eeuw, de wapenindustrie en wat er mee samenging: metallurgie en lederbewerking. De arbeidsdeling was hier het verst doorgevoerd: de grootste "manufactuur" die we voor Athene kennen, bv., was de schildenfabriek, eind van de 5de eeuw, van de metoik Kephalos, met over de honderd slaven en een stock van ca 700 schilden [243]. Maar ook hier, evenals in de productie van luxegoederen, bleef de productie artisanaal. D.w.z. indien al het belang erkend werd van specialisatie en arbeidsdeling, dan gebeurde dat steeds vanuit overwegingen van  kwaliteit veeleer dan van kwantiteit [244], en artisanale tradities bleven derhalve veel belangrijker dan de arbeidsproductiviteit [245]. Dat had ook alles te zien met de dominantie van de "gebruikswaarde".


4.3.4.  Gebruikswaarde. 

Op het maatschappelijke vlak bleef de (stedelijke) warenproductie hoe dan ook ondergeschikt aan de productie voor eigen gebruik die, in het kader van de  huisnijverheid,  overwegend in handen was van de vrouwen: het spinnen en (vooral) het weven van stoffen[246], het maken van kleding, het bakken van potten, de voedselbereiding, enz., al deze productieve activiteiten vormden een organisch onderdeel van de agrarische "subsistentieëconomie"[247]. Ten einde eventuele tekorten te kunnen aanvullen (bv. wanneer de boer zelf geen graan kweekte), kon een deel van de productie van deze huiseconomie verkocht worden op de stedelijke markt[248]; in het geval van de rijke oîkoi (die, zoals gezegd, bewust naar een surplus toewerkten) was dergelijke verkoop van een deel van de huisproductie hoe dan ook een vereiste [249].

De maatschappelijk ondergeschikte situatie van de warenproductie had belangrijke gevolgen voor het maatschappelijk statuut van de waar, namelijk in termen van de categorieën van "gebruikswaarde"  en "ruilwaarde".

In het eerste hoofdstuk van Het Kapitaal, zoals bekend, analyseert Marx de waar als de contradictorische eenheid van "gebruikswaarde" en "ruilwaarde" (sterk vereenvoudigd: van de nuttigheid van het product, gerealiseerd in het gebruik, en de waarde ervan, gerealiseerd, via de prijs, in de ruil). Welnu, de relatie tussen beide is niet constant doorheen de verschillende productiewijzen: in de zgn. "veralgemeende warenproductie" van het kapitalisme, waar in principe de gehéle maatschappelijke productie bestemd is voor de markt, en de arbeidskracht een koopwaar is waarover de arbeider "vrij" beschikt, domineert de categorie van de  ruilwaarde[250].

In de "eenvoudige warenproductie", daarentegen, in agrarische maatschappijen zoals de antieke, verschijnt het warenproduct, of de koopwaar, nog overwegend onder zijn aspect van gebruikswaarde - d.w.z. aangezien het gaat om waren, die dus moeten verkocht worden: van gebruikswaarde voor iemand anders[251]. Algemeen, daarom, kan worden gezegd dat zulk maatschappelijk productiesysteem wordt gekenmerkt door de dominantie van de gebruikswaardecategorie. Zoals Marx schrijft [252]:

"in al deze vormen waarin grondeigendom en landbouw de grondslag vormen van het economisch bestel, (is) het economisch doel dan ook de productie van gebruikswaarden..."  (m.o.).

Dat verklaart mede de inferieure sociale positie van ambachtsman en ambachtelijke arbeid. In de Vormen schrijft Marx i.v.m. het middeleeuwse ambacht[253]:

"hoewel het stedelijk handwerk in hoofdzaak op ruil en op het scheppen van ruilwaarden berust, is het directe, het voornaamste doel van deze productie het bestaan als handwerker, als handwerksmeester, dus gebruikswaarde, geen verrijking, niet ruilwaarde als ruilwaarde. De productie is dan ook overal ondergeschikt aan de eerder veronderstelde consumptie...".

Welnu, iets dergelijks is ook, of zelfs nog in hogere mate, van toepassing op het antieke ambacht. Zoals de (waar als) gebruikswaarde noodzakelijk opgaat in de dienst die ze bewijst aan de verbruiker [254], zo staat de producent ervan onvermijdelijk in (althans) een sociale verhouding van dienstbaarheid  tot de consument - waarbij deze laatste zelf over σχoλή (scholè)  beschikt, d.w.z. "vrij van arbeid" is. Vandaar dat Aristoteles i.v.m. de productieve arbeid van de handwerker (bánausos) uitdrukkelijk spreekt van "huurdienst" (mistharnía) [255] en van "een soort van begrensde slavernij"[256], want

"zij die te maken hebben met (de productie van) de levensnoodwendigheden, zijn, als ze ten dienste staan van één man, slaven; als ze ten dienste staan van de gemeenschap, zijn ze handwerkers (bánausoi) en dagloners (thètes)" [257] .

Vanuit Aristoteles' (aristocratisch-)filosofisch oogpunt, daarom, zijn handwerkers (en handelaars) per definitie niet "vrij" [258], zodat ze onmogelijk de "politieke voortreffelijkheid"[259] kunnen realiseren en, bijgevolg, in feite niet zouden mogen toegelaten worden tot het volle burgerschap (ibid.).

In een economie waar de warenproductie gedomineerd wordt door de categorie van de gebruikswaarde, bestaan de producent en zijn arbeid met het oog op het product, bestaat het product met het oog op de gebruiker. Door bemiddeling van het product, dus, stelt de arbeid tussen de ambachtsman-producent en de gebruiker een onomkeerbare relatie van middel tot doel. Dientengevolge wordt ook de waarde van het product niét bepaald door de hoeveelheid arbeid die er door de producent aan besteed is, maar door de behoeften van de consument. Vandaar dat Aristoteles kan schrijven, in de Nikomachische Ethiek [260]:

"alle goederen moeten dus door één enkele (maatstaf) worden gemeten, zoals eerder gezegd is. Welnu, dat is in werkelijkheid de behoefte (chreia), die alles samenhoudt: als de mensen niets nodig hadden, of niet op gelijke wijze, zou er ofwel géén ruil zijn, ofwel niet dezelfde; en het is dan als een soort van plaatsvervanger van de behoefte dat het geld (nomisma), bij overeenkomst, ontstaan is".

We mogen dus concluderen met te stellen dat de  rationaliteit van de antieke economie en maatschappij in zekere zin tegengesteld was aan de moderne. Zoals H.G.Kippenberg het formuleert[261]:

"De antieke samenleving was net zo afhankelijk van de economie als de moderne. Haar onderscheid tot de moderne samenleving bestaat in iets anders: nog in de antieke samenleving verschijnt de mens (zeg: de polisburger) als doel van de productie, terwijl in de moderne wereld die productie doel van de mens is".

Anders gezegd, hier géén 'productie om de productie', maar productie "om de consumptie", maar dan wel in de eerste plaats om de consumptie van een sociaal - en t.a.v. de slaven ook politiek - geprivilegieerde élite van niet-producenten.


4.3.5. Waarden  en  Behoeften. 

Het feit dat Aristoteles in zijn 'waardeleer' de "behoefte" (chreia), sc. van de consument, als waardemeter doet fungeren, maakt hem vanzelfsprekend nog niet tot een voorloper van de moderne (post-klassieke en neo-klassieke)  subjectieve waardetheorieën [262] die werken met de spanning tussen behoefte en schaarste - net zomin als de dominantie van de gebruikswaardecategorie in de oudheid mag begrepen worden in de zin van de moderne 'consumptiemaatschappij'.

Om de ware draagwijdte te vatten van "behoefte" (chreia) in Aristoteles' argumentatie [263], moet het primordiaal  historisch statuut worden beklemtoond van de behoeftecategorie. De behoeftestructuur, inderdaad, in een samenleving is geen louter biologisch of "natuurlijk" gegeven maar is integendeel een symbolische constructie. Als zodanig is ze product van het systeem van  normen en waarden dat in die samenleving werkzaam is, en dat vanzelfsprekend historisch bepaald is. Zoals Agnes Heller (leerlinge van Lukács) schrijft, in haar artikel The Dissatisfied Society [264]:

"All need structures have always been, and still are, symbolic structures, in other words, they are shaped by the system of values of their respective societies. A natural drive, for example hunger, is not a need; hunger for something (with the exclusion of something else) is. This is because the 'something' needed and the 'something else' excluded are defined by the norms and rules of the social unit the human being has been born into".

Bijgevolg, net zoals het waardesysteem, zo verschilt ook het behoeftesysteem van een agrarische samenleving als de Griekse polis, gebaseerd op het vrije, kleine landbouwbedrijf, fundamenteel van dat van de moderne, kapitalistische. In deze laatste zijn waarden en behoeften a.h.w. "geuniversaliseerd"[265], zodat ze ook elke limiet of begrensdheid verloren hebben (en bijgevolg, aldus Heller, per definitie onbevredigbaar zijn geworden: bv. "vrijheid" als waarde). In een (boeren)samenleving als de polis, daarentegen, zijn waarden en behoeften nog strikt "geparticulariseerd": d.w.z. ze zijn niet enkel opgedeeld over de verschillende standen en klassen, elk met hún particuliere bíos, of levenswijze[266], maar ze zijn ook noodzakelijk  begrensd, afgebakend, namelijk door het steeds opnieuw gereproduceerde systeem van traditioneel gevestigde normen die als "natuurlijk" en onveranderlijk worden ervaren[267]. Aristoteles' pleidooi, in Politica I, voor een "natuurlijke goederenverwerving", gericht op een "begrensde rijkdom"[268], geeft uitdrukking aan dit traditionele behoeftecsysteem (dat door de ontwikkeling van de geldeconomie werd aangetast). Om nogmaals Heller te citeren [269]:

"In precapitalist epochs, so Marx suggested, the development of needs was limited by a set of norms of conduct. The individual's system of needs could develop only  within these fixed boundaries. This is why 'great individuals' were only apparently great while in fact they were narrow-minded (Borniert) - they accepted their confinements to the boundaries of a particularistic world of symbolic meaning as their 'natural' limitation".

Heller beklemtoont in dit verband dat, juist omdàt de waarden geparticulariseerd zijn, de behoeften die er de uitdrukking van zijn, principieel  realiseerbaar zijn - zodat bv. Aristoteles' supreme waarde (het hoogste menselijke goed), de eudaimonia, méér is dan een louter (onbereikbaar) 'ideaal', in onze zin van het woord:

"If the value of freedom has a concrete and limited meaning, and if this meaning is defined by the norms of conduct of any given society, the need for freedom is equally concretely defined, thus limited. For example, it was self-evident for Aristotle that the 'free man' is the citizen eligible for office in a city-state. No one could be 'more free' than being a free citizen; by having been granted this status, a person's need for freedom was completely satisfied" [270] .

Het dwangmatige, en dus a.h.w. externe en "objectieve", karakter van deze structuren blijkt uit het paradoxale feit dat, in de Atheense samenleving, de 'dwang' van de maatschappelijke normen/behoeftes juist  toenam - en de 'willekeur', wij zouden zeggen: vrijheid, daarmee proportioneel afnam -, naarmate men hóger opklom op de sociale ladder. Dat gold bv. in de militaire sfeer: terwijl de leden van de bezittende klassen verplicht dienst deden als hopliet, bij alle militaire acties en expedities (en daarbij zelf moesten instaan voor hun uitrusting en bewapening)[271], hadden de armen en bezitslozen de keuze, al dan niét dienst te doen als roeiers in de vloot. Zo ook in de fiscale sfeer: terwijl belastingen algemeen als "tiranniek" werden beschouwd, waren het nogmaals de begoeden die, van tijd tot tijd, moesten opdraaien voor de zgn. eisphorá, i.e. een ad hoc belasting per hoofd om het hoofd te bieden aan bijzondere militaire kosten - de armen, nogmaals (d.w.z. grosso modo iedereen onder de hoplietenstatus), waren ervan vrijgesteld[272]. Deze, voor ons, paradoxale samenhang tussen (politieke) "vrijheid" en (maatschappelijke) "dwang" wordt treffend geformuleerd in een passus van Aristoteles' Lambda[273] (waar de "orde" in het huishouden als referentiepunt wordt gebruikt om de orde in de kosmos te verduidelijken):

"binnen het huis(houden) is het aan de vrijen nog het minst van al toegestaan om gelijk wat te doen, maar alles, of het meeste, is geordend; de slaven en de dieren, daarentegen, dragen weinig bij tot het gemeenschappelijke belang en zij leven voor het grootste deel erop los".

Geïnterioriseerd, tenslotte, werd die "dwang" ervaren als "zelfcontrole" (enkráteia). In het ethisch-ideologische discours van de élite kon het positieve resultaat van meesterschap over zichzelf - d.w.z. van de oéfeningen (askèseis)  in zelf-bemeestering -, namelijk de deugd (aretè) van de "sophrosúnè" (σωφρoσύvη), of "matigheid", zonder meer  vereenzelvigd worden met "vrijheid":  de zelfbeheersing van de gentleman (kalós kagathós)  - d.w.z.  diens vermogen om de eigen verlangens en geneugtes daadwerkelijk onder controle te houden - was immers de voorwaarde voor een doeltreffend heersen als meester over de anderen; en tegelijkertijd werd "mateloosheid" (akrasía), nogmaals vereenzelvigd met de dispositie van... slaven en dieren[274].

We mogen uit dit alles wellicht besluiten dat, wanneer Aristoteles, in de Nikomachische Ethiek, de "behoefte" (chreia) tot het fundament maakt van de "ruilrechtvaardigheid"  en, als zodanig, van de polisorde, het hem niét te doen is om een puur subjectieve, psychologische grootheid. In tegendeel, in zoverre alle mensen een bepaalde "natuur" hebben die zij, elk op hun niveau, binnen de polisordening moeten (en dus: ook kúnnen) realiseren, zijn hun "behoeften" - d.w.z. hun "natuurlijke"  behoeften, en dat zijn de behoeften van "natuurlijke"  mensen: die van "minderwaardige mensen"  zijn niet relevant[275] - a.h.w. objectief gegeven én begrensd.

Die "natuurlijke" orde, evenwel, van de behoeftestructuur binnen de polis werd, zoals gezegd, ondermijnd door de (excessieve) ontwikkeling van de geldeconomie: namelijk van geld, niet als middel, maar als doel  van de ruil. Vandaar dat Aristoteles' pleidooi voor de "natuurlijke goederenverwerving" gekoppeld wordt aan een kritiek op de "tegennatuurlijke", éigenlijke "chrematistiek"[276]. Deze laatste is gebaseerd op de accumulatie, niet van (consumeerbare) goederen, maar van geldrijkdom - en die is, als zodanig, "onbegrensd"[277].

 

_____________________________

 


 

NOTEN:

[83] Stellingnames t.a.v. de Atheense democratie hebben te allen tijde een soort van Rorschach test geleverd voor het politieke denken. Voor een kritische geschiedenis van de, overwegend vijandige, reacties op die Atheense democratie, vanaf de oudheid zelf tot vandaag, zie nu Jennifer Tolbert Roberts, Athens on Trial. The Antidemocratic Tradition in Western Thought, Princeton 1949. Zie ook het eerste hoofdstuk in Wood (1988), cf. de volgende noot.

[84] Vooral Finley, vanuit zijn "Frankfurter Schule" achtergrond, heeft uitvoerig aandacht geschonken aan de ideologische context binnen dewelke de moderne studies over de slavernij steeds gevoerd zijn, cf. zijn opmerking, in (1981c), p. 111, dat, ten minste sedert het Kommunistisch Manifest, van 1848, "ancient slavery has been a battleground between Marxists and non-Marxists, a political issue rather than a historical phenonomenon". Zelf waarschuwt hij in de eerste plaats tegen het verwarren van de historische studie met morele oordelen over de slavernij: "We condemn slavery, and we are embarrassed for the Greeks, whom we admire so much; therefore we tend either to underestimate its role in their life, or we ignore it altogether, hoping that somehow it will quietly go away" (l.c.). Zie vooral zijn kritisch historisch overzicht van de moderne literatuur, vanaf de 18de eeuw, in (1980), "Ch. 1: Ancient Slavery and Modern Ideology". Wood (1988), "ch. I: The Myth of the Idle Mob", doet iets gelijkaardigs voor de moderne visie (sedert de 18de eeuw) op de relatie tussen Atheense democratie en slavernij.

[85]  Zie over de antieke slavernij o.m. Finley (1980), (1981c= oorspronkelijk 1959), (1981d), maar ook de andere bijdragen in het tweede deel, "Servitude, Slavery and the Economy", van Finley (1981). Brockmeyer (1979) geeft vooreerst een historisch overzicht van de studie van de antieke slavernij (sedert de Renaissance), met inbegrip van de "marxistische" literatuur (vereenzelvigd met de Oost-Europese en sovjetauteurs), vervolgens een (historisch geordend) "Forschungsbericht" over de slavernij in de Griekse (pp. 77-147) en in de Romeinse wereld (pp. 148-235); het werk bevat ook uitvoerige bibliografische noten. Een selectie van antieke bronnen in Engelse vertaling is te vinden in Thomas Wiedemann, Greek and Roman Slavery (London 1981).

[86] Zo P.Anderson (1974), p. 21: "The slave mode of production was the decisive invention of the Graeco-Roman world". Andersons, in vergelijking met De Ste. Croix, meer traditioneel marxistische visie op de slavernij (m.i.v. de beslissende effecten ervan op het geheel van de Atheense cultuur) wordt gehekeld door Wood (1988), p. 40. Voor een kritiek op het begrip "slavenproductiewijze", zie Patterson (1979), pp. 47-52, cf. p. 47: "Marx, it must be emphasized, never developed a theory of slave society, nor of the slave mode of production". Naar het oordeel van Patterson is er "niets in de natuur van slavernij dat een gegeven economische organisatie vereist"; evenmin is er sprake van "een bewezen verband tussen slavernij en technologische achterstand" (p. 48).

[87] Zie o.m. Finley, Between Slavery and Freedom (1964), in: Finley (1981), pp. 120-121, en p. 132. Voor een o.m. terminologisch overzicht en bespreking van de verschillende vormen van onvrije arbeid, mede op basis van de hedendaagse definities ervan, in de twee internationale conventies van 1921 en 1956 - nl. "slavernij", "horigheid" of "lijfeigenschap", en "schuldslavernij" ("debt bondage") -, zie De Ste. Croix (1983), pp. 133-174.

[88] Op gezag van Lenin en Stalin, nochtans, was in het sovjetmarxisme de leer van de "Sklavenhaltergesellschaft" en de slavenproductiewijze dermate geschematiseerd en veralgemeend dat de gehéle "oudheid", d.w.z. met inbegrip van het Oude Nabije Oosten, erin werd ondergebracht; cf. Brockmeyer (1979), pp. 12-13; Finley (1980), p. 58. De 'klassieker' op dit gebied, gebaseerd op de geschriften van de 'H.Viervuldigheid' van het 'marxisme-leninisme' maar toch ook getuigend van een reële historische kundigheid, is ongetwijfeld het boek van Elisabeth Ch. Welskopf, Die Produktionsverhältnisse im Alten Orient und in der griechisch-römische, Antike (Berlin 1957); cf. het commentaar bij dit werk vanwege Finley (1980), n. 68, p. 157: "This book remains the safest guide to Marx's thinking on the subject. Although the aim, stated in a sub-title that was deleted before publication, was specifically to present the views of Marx, Engels, Lenin and Stalin, the author never confuses the four men, and the reader has no difficulty in differentiating among them".

[89] Niét in Sparta, weliswaar: daar behield men het meer archaïsche systeem van horigheid, met de zgn. heloten. Deze laatsten vormden een afhankelijke bevolking die collectief onderworpen was aan de staat, maar individueel (d.w.z. inclusief met hun familie) toegewezen werden aan individuele leden van de Spartaanse burgergemeenschap; ze bewerkten het land, in ruil voor zekere rechten, en stonden de helft van hun opbrengst af aan hun heer (tussen heloten en heren was er nog een tussencategorie van afhankelijke producenten: de zgn. perioikoi, i.e. boeren die juridisch vrij waren, maar zonder burgerrechten). Een gelijkaardig "archaïsch" systeem van onvrije of horige arbeid, geleverd door een militair onderworpen boerenbevolking (mogelijk een erfenis van het Mykeense tributaire systeem, zie Wood, 1988, pp. 86-89), was in de klassieke periode ook te vinden in Thessalië en op Kreta (ook op Sicilië). Sparta (dat geen echt stedelijk centrum bezat), Thessalië en (de poleis op) Kreta bieden aldus een 'conservatief' model van politieke ontwikkeling, in contrast waarmee de verwezenlijkingen van een democratische polis als Athene kunnen gemeten worden (Wood, o.c., pp. 86-87).

[90] Slavernij is "the status or condition of a person over whom any or all of the powers attaching to the right of ownership are exercised" - aldus de definitie in artikel 1 (1) van de Conventie over Slavernij van 1926 (georganiseerd door de Volkenbond). Cf. het commentaar van De Ste. Croix (1983), p. 135: "I accept this definition of 'chattel slavery' (as it is often called) for the ancient as well as the modern world, the more willingly since what it stresses is not so much the fact that the slave is the legal property of another as that 'the powers attaching to the right of ownership are exercised over him' - for the essential elements in the slave's condition are that his labour and other activities are totally controlled by his master, and that he is virtually without rights, at any rate enforceable legal rights".

[91] Anderson (1974), p. 21: "The slave mode of production was the decisive invention of the Graeco-Roman world, which provided the ultimate basis both for its accomplishments and its eclipse". Voor kritiek op Andersons (traditioneel) marxistische notie van een antieke "slavenproductiewijze" (die door De Ste. Croix niét wordt overgenomen), zie Wood (1988), p. 40. Maar ook Wood erkent, o.c., p. 110: "And yet, after all this is said, it must still be acknowledged that Athenian democracy was inextricably bound up with slavery on a scale unprecedented in the ancient world".

[92] Vgl. de definitie bij Dioon Chrusostomos (begin 2de eeuw nK), Orationes, XV.24: iemand anders "bezit hem als meester, zoals eender welk stuk eigendom of vee, zodanig dat hij bij machte is van hem gebruik te maken naar zijn believen" (Patterson, 1991, pp. 3-4, ziet hierin een vorm van wat hij noemt "sovereignal freedom"). Vgl. in het Romeins recht, Julius Paulus (3de eeuw nK), 5, 3, 1: "Servile caput nullum ius habet". De slaaf was in de eerste plaats alle eigendomsrecht ontzegd, cf. de Institutes van Ioustinianos, II.ix, :§ 3: "een slaaf, die in de macht is van een andere persoon, kan niets bezitten dat het zijne is". Wat het 'misbruiken' betreft, de Romeinse homoseksualiteit bv. had quasi uitsluitend (jonge) slaven in de rol van de passieve partner.

[93] Veelzeggend is het feit dat geen enkele taal van het Nabije of het Verre Oosten een equivalent bezit voor het Griekse λευθερία (eleuthería) of het Latijnse libertas (zo Finley, 1975a, p. 28). Zie over deze "politische" vrijheid, o.m. ook Finley (1981b). Voor een bespreking van de evolutie van het Griekse woord eleútheros, "vrij" (dat al voorkomt in het Mykeense Lineair B, maar dan in de zin van "vrij van heffing"; idem voor "doulos", niet in de zin van "chattel slave", maar als degene die tribuut betaalt), zie Wood (1988), pp. 130-135. Zoals "slavernij", is ook "vrijheid" een complex begrip. Zo maakt Patterson (1991), pp. 3-4, een onderscheid tussen "personal freedom", "sovereignal freedom" en "civic freedom". Terwijl in de Griekse polis de burger over de drie vormen van vrijheid beschikte, beschikte de metoik bv. enkel over de eerste twee (wat "sovereignal freedom" betreft, in de mate dat ook hij, even goed als de burger, slaven kon bezitten en "despotisch" manipuleren).

[94] Weliswaar kon deze burgerlijke vrijheid onderworpen worden aan tal van - vrijwillig aanvaarde - beperkingen van dat zelfbeschikkingsrecht, meest van al nog in het radicale Athene (bv. op het gebied van het huwelijk en het familierecht), cf. Finley (1981b), p. 87. Zie ook verder, infra, sub :§ 6.5, p. 114.

[95] In (de parallelexposees) J.Gernet & J.-P.Vernant, Histoire sociale et évolution des idées en Chine et en Grèce du VIe au IIe s. avant notre ère (1964), in: Vernant (1974), p. 94.

[96] Austin & Vidal-Naquet (1972), p. 32; cf. Wood (1988), p. 110: "in one way or another the freedom of the citizen and the degradation of the slave were but two sides of the same coin".

[97] Cf. Finley (1981d), p. 128: "Most revealing of all is the firm implication in many ancient texts, and often the explicit statement, that one element of freedom was the freedom to enslave others", gevolgd door een citaat van Aristoteles, Politica, VII, 1333b38v.

[98] Phänom., pp. 112-128, van de Erstausgabe van 1807 (pp. 113-120 in de Ullstein-uitgave ervan); zie pp. 138-142, in de Nederlandse vert. van J.C.G.Hahn (Futile 1980). Hegel argumenteert - weliswaar vanuit het oogpunt van "de tegenstellingen binnen het bewustzijn" - dat de heerschappij van de heer over de slaaf geen ware vrijheid impliceert, aangezien de heer even afhankelijk is van de slaaf als deze laatste van hem. Het idee van de absolute vrijheid wordt integendeel voor het eerst gevat door de slaaf, namelijk dankzij de combinatie van angst en arbeid(sdiscipline). M.a.w. de vrijheid wordt oorspronkelijk op een negatieve wijze ervaren, namelijk door de slaaf. Ook het recente boek van O.Patterson, Freedom, I: Freedom in het Making of Western Culture (1991), heeft als "basic argument de thesis "that freedom was generated from the experience of slavery" (p. xiii); zie ook de bespreking bij Kyrtatas (1993), pp. 90-91.

[99] Wood (1988), p. 128 (zie ook ibid., p. 133).

[100] In Athene: vanaf de hervormingen van Soloon, begin 6de eeuw.

[101] Wood citeert hierbij uitvoerig Vernant, cf. hoger, n. 95; onmiddellijk voorafgaand aan ons citaat, p. 75, schrijft Vernant: "c'est seulement dans une société où s'est ainsi dégagée et affirmée la notion d'un individu autonome, libre de toute servitude, que peut, par contraste, se définir le concept juridique de l'esclave, c'est-à-dire d'un individu privé de tous les droits qui font de l'homme un citoyen". Cf. ook Kyrtatas (1993), p. 92, die wijst op de historische prioriteit van het privaatgrondeigendom: "Some notion of freedom, therefore, precedes the emergence of slavery in the ancient world".

[102] Was Greek civilization based on slave labour?, in: Finley (1960), p. 72. Vgl. ook Weber (1976), p. 42; Finley (1975b), p. 102; Anderson (1974), p. 21v., e.a. Cf. supra, n. 89, over het voortbestaan van vormen van horigheid in de meer conservatieve staten.

[103] Cf. Wood (1988), p. 42: "With the exception of very general propositions about the 'importance' of slavery in Athenian society, nearly every major question remains in dispute: the number of slaves, the extent and distribution of slaveownership, the location of slaves in the economy. In other words, how important is important, and in what ways?"

[104] Athenaios, Deipnosophistae, VI, 272C, geeft het cijfer van 400.000 - "a figure (that) still has its defenders despite the devastating critique by W.L.Westermann", Finley (1975a), n. 19 op p. 191; ook F.Engels, in De Oorsprong van het Gezin, van de Particuliere Eigendom en van de Staat (4de uitg., 1891), p. 121 (in de Nederlandse vert., Moskou 1970), hanteert "een onmogelijk hoge schatting" (Wood, 1988, p. 38 en n. 75), namelijk van 365.000 slaven - i.e. "minstens 18 slaven" per volwassen mannelijke burger. Engels zag in dit groot aantal slaven, waartegen de arme burgers niet konden/wilden concurreren met eigen handenarbeid, precies de oorzaak van Athenes val: "Niet de democratie heeft Athene te gronde gericht, zoals de Europese, voor hun vorsten met de staart kwispelende schoolmeesters beweren, maar de slavernij die de arbeid van de vrije burger onteerde", ibid.

[105] In hun artikel "Population", in de Oxford Classical Dictionary (1970), p. 862. Zie Wood (1988), p. 43 (in n. 2 merkt zij op dat deze hoge cijfers recentelijk, vooral met de vooruitgang die gemaakt is in de historische demografie, onder kritiek zijn komen te staan). Finley (1981c), p. 102, houdt het bij de schatting van een totaal van 60 tot 80.000 slaven in de piekperiodes van de 5de en 4de eeuw. Voor andere cijfers, zie bv. Kloft (1992), p. 115.

[106] Finley (1975a), p. 71: "If we... concentrate on the great 'classical' periods in Greece and Italy, then we are faced with the first genuine slave societies in history, surrounded by (or embedded in) societies that continued to rely on other forms of dependent labour". 'Slavenmaatschappijen' in de volle zin van het woord zijn eerder zeldzaam in de menselijke geschiedenis, zie Finley (1980), p. 67; Wood (1988), p. 66 n.59, verwijst ook naar K.Hopkins, Conquerors and Slaves (Cambridge 1978), pp. 99-100, waar het lijstje tot 5 beperkt wordt: klassiek Athene, Rome, de West Indies, Brazilië en het Zuiden van de VS. N.B.: misschien moeten we spreken van "slavenhoudersmaatschappij" ("Sklavenhaltergesellschaft"), eerder dan van  "slavenmaatschappij".

[107] Cf. supra, hfst.3, kap. 3.1.

[108] Patterson (1979), p. 59. Zie ook Finley (1975a), p. 71 (de uiteenlopende moderne schattingen "reveal an obsessively tendentious, subjective and basically false approach to the problem"); De Ste. Croix (1983), pp. 52-55, met uitvoerige vergelijking met de situatie in het Amerikaanse Old South (waar, in 1860, de slavenbevolking amper 1/3 uitmaakte van de totale bevolking).

[109] "The test is not numbers but social and economic location", Finley (1975a), p. 71. Vgl. Finley (1980), p. 65: "there was no action or belief or institution in Graeco-Roman antiquity that was not one way or other affected by the possibility that someone involved might be a slave".

[110] Naast de algemene en dikwijls vage verwijzingen naar slavernij in literaire/filosofische teksten, zoals bij de comici en bij Platoon, Xenophoon en Aristoteles, zijn er slechts enkele, occasionele passages bij de Attische redenaars en een handvol inscripties. Zie De Ste. Croix (1983), p. 171, en Appendix II, pp. 505-508; en het kritisch overzicht bij Wood (1988), Appendix I, pp. 173-180.

[111] Vgl. met het bijna volledig stilzwijgen van zowel de Griekse als Latijnse bronnen over de  slavenhandel (zie daarover bv. Finley, The Slave Trade in Antiquity: The Black Sea and Danubian Regions, in: Finley, 1981, pp. 167-175). Ook de landbouw komt slechts zelden aan bod in de overgeleverde literatuur.

[112] Cf. Wood (1988), pp. 46-51; De Ste. Croix (1983), p. 138; Finley (1981c), p. 98; Brockmeyer (1979), p. 106. Behalve de standaard technische termen, zoals "doûlos" en "andràpodon" (letterlijk "manvoeter", gevormd naar: "tetrapoda", "viervoeters", d.w.z. dieren - of de slaaf als een zaak, stuk bezit, oorspronkelijk als buit) worden in het Grieks ook woorden gebruikt als "paîs" (letterlijk: "kind" of "knaap"), vergelijk met het koloniale "boy", en allerlei synoniemen voor "(huis)dienaar, knecht, helper", die echter ook konden gebruikt worden voor vrije helpers. Anderzijds konden in het Griekse (en Romeinse) dichotomische systeem, waarin alle mensen opgedeeld worden in slechts twéé categorieën: "vrijen" en "slaven", alle andere vormen van onvrije arbeid (horigheid, schuldslavernij) in termen van "slavernij" worden beschreven (er is geen technisch woord voor "horige"). Tenslotte, en in omgekeerde zin, wordt de slavernij-terminologie ook vaak zeer los en louter metaforisch gebruikt: voor aristocratische auteurs als Platoon en Aristoteles was alle vrije manuele arbeid alsook handel en commercie in feite een vorm van "slavernij"; van de weeromstuit werd ook de betekenis van het woord "vrij" (eleútheros) dubbelzinnig.

[113] "Agricultural slavery", in het Engels.

[114] Dat het gebruik van slavenarbeid in de klassieke periode óók de algemene norm was in de grote meerderheid van gewone, d.w.z. kleine boerenbedrijfjes, wordt nog bepleit door Michael Jameson, Agriculture and Slavery in Classical Athens, in: Classical Journal, 73 (1977), pp. 122-141; zie de uitvoerige, kritische bespreking ervan bij Wood (1988), pp. 51-63. Zie reeds Finley (1981c), pp. 99-100, die het belang van de slavernij in deze sector sterk relativeert.

[115] Zo Finley, l.c.: "dependent labour worked their land as a basic rule (even when allowance is made for tenancy). In some areas it took the form of helotage, and in the archaic periode, of debt-bondage, but generally the form was outright slavery". Natuurlijk ook De Ste. Croix, cf. supra, p. 60: zie de kritische bespreking ervan bij Wood (1988), pp. 64-80.

[116] Cf. haar conclusie, o.c., p. 79: "Unless and until new evidence emerges different from what now exists, 'widespread' agricultural slavery must seem very much more fanciful".

[117] Die uit de creatie van het Romeinse rijk enorme fortuinen en uitgestrekte landerijen (latifundia) wist te vergaren (buit te maken), zodat de massale inzet van slaven economisch rendabel was. Prominente aristocraten zoals Lucius Domitius Ahenobarbus, in de 1ste eeuw v.o.t., konden meer dan 80.000 ha in eigendom hebben; doorsneelandgoederen, zoals die van Plinius de Jongere in Toskanië konden nog altijd 1.200 ha of meer groot zijn. Wat de massale toevoer van slaven betreft in die context, wordt voor het midden van de 1ste eeuw v.o.t., voor Italië, een cijfer van 3 miljoen (tegenover 4,5 miljoen vrijen) voorgesteld (vgl. met 225 v.o.t.: 600.000 slaven en 4,4 miljoen vrijen). Zie Anderson (1974), pp. 61-62 (met literatuur), die eraan toevoegt: "Nothing like this had ever been seen in the Ancient World before". Over de noodzakelijke samenhang tussen zulk proces van hoge concentratie van eigendom en fortuin en de grootschalige - én economisch én technologisch productieve - inzet van slavenarbeid, zie Wood (1988), pp. 57-58 en 154-155.

[118] Cf. T.Pekàry, Die Wirtschaft der griechisch-römische Antike (Wiesbaden 1976), p. 19.

[119] "but this stock would not be very large", aldus Wood, o.c., p. 79.

[120] Ik parafraseer in deze paragraaf Wood (1988), pp. 79-80.

[121] Cf. Finley (1981c), p. 99: "With little exception, there was no activity, productive or unproductive, public or private, pleasant or unpleasant, which was not performed by slaves at some times and in some places in the Greek world". Ook Mossé (1962), p. 188, wijst op "l'extrême diversité du mode d'utilisation des esclaves à Athènes, diversité qui traduit une absence de maturité de l'esclavage. En fait, Athènes n'a jamais connu une concentration d'esclaves et l'utilisation systématique du travail servile, comparables à celles qui se manifestent dans l'Empire Romain".

[122] Wood, o.c., p. 79.

[123] Cf. S.Lauffer, Die Bergwerkssklaven von Laureion (1956).

[124] Het op het eerste gezicht merkwaardige feit dat Aristoteles, in Politica I, de slavernij herleidt tot de huishoudelijke slavernij, wordt hiermee begrijpelijk. Vgl. de pseudo-aristotelische Oeconomica I, v, 1344a24: "Van de bezittingen is het eerste en noodzakelijkste datgene wat het beste is en het meest geschikte voor de huishouding (oκovoμικώτατov): welnu, dat is de mens. Daarom moet men zich eerst en vooral voorzien van toegewijde slaven. Nu zijn er twee soorten slaven: de opzichter en de werker".

[125] "Klasse" wordt dan vaak als een louter economisch begrip beschouwd - en als zodanig ongeschikt bevonden voor een maatschappij waar het 'economische' en het 'politieke' nog in verregaande mate samenvielen. De strenge restrictie ervan tot het economische is alleszins typisch voor het Weberiaanse klassebegrip. In de marxistische aanwending ervan lijkt dat minder evident: cf. de interpretatie/toepassing ervan door De Ste. Croix, waarbij ook niet-economische aspecten als "status" en "Rechtsstelllung" geïntegreerd worden, cf. (1983), pp. 43-44 en 94-96.

[126] Zo Finley (1975a), p. 49: "Men are classed according to their relation to the means of production, first between those who do and those who do not own the means of production; second, among the former, between those who work themselves and those who live off the labour of others... Whatever the applicability of that classification in present-day society... (it) does not seem a very sensible way to analyse ancient society". Vgl. ook Brockmeyer (1979), pp. 13-14: "Vor allem... ist die antike Sklaverei nicht als Einheit zu fassen... Aber ohnehin bildeten die Sklaven nie eine einheitliche 'Klasse', ein Begriff, der der Antike in seiner heutigen Bedeutung fremd war".

[127] Cf. supra, hfst.3, kap. 3.1.2. Tussen de klasse van de grootgrondbezitters, enerzijds, en die van de slaven, anderzijds, situeert hij de grote massa van de vrije, kleine producenten als een soort van "intermediate class"; zij hadden weliswaar een groot (het grootste) aandeel in de productie, maar produceerden nauwelijks enig surplus, zie (1975), p. 16. De Ste. Croix gaat in zijn pleidooi voor Marx' klassebegrip zo ver dat hij ook de vrouwen, of alleszins de gehuwde, in de oudheid als een aparte klasse, "in the technical Marxist sense", wenst te beschouwen, in zoverre zij als een direct gevolg van hun reproductieve functie (de menselijke reproductie is een onderdeel van de productie) door de mannen onderdrukt en uitgebuit worden: "they are 'exploited', by being kept in a position of legal and economic inferiority, so dependent upon men (their husbands in the first place, with their male kin, so to speak, in reserve) that they have no choice but to perform the tasks allotted to them, the compulsory character of which is not in principle lessened by the fact that they may often find real personal satisfaction in performing them", (1983), p. 100. Een gelijkaardige analyse is te vinden bij Nicole Chevillard & Sébastien Leconte, The Dawn of Lineage Societies: The Origins of Women's Oppression, in: Coontz & Henderson (1986), pp. 76-107: in zgn. "lineage societies" werden vrouwen beschouwd als een "exploitable labour force", en als zodanig vormden vrouwen "de eerste, vervreemde maatschappelijke klasse" (wat evenwel niet inhield dat àlle mannen tot de heersende, onderdrukkende klasse behoorden, integendeel). Zie ook verder, in dit hoofdstuk, over het gendersysteem.

[128] De Ste. Croix (1975), p. 22; (1983), p. 45. Voor Finley's argumentatie, dat volgens Marx' klassebegrip o.m. de vrije loonarbeider en de slaaf tot dezelfde klasse moeten worden gerekend, heeft hij geen goed woord over: "Marx would have been shocked, as I am, by these suppositions. Even on the most 'mechanical interpretation' of what Marx called 'the relations of production', the free wage-labourer, who has his own labour-power to sell, occupies a completely different position from the slave, who is the property of his master, a mere 'animate tool', as Aristotle called him", (1975), p. 20. Vgl. (1983), p. 91: "It is unfortunately all too characteristic of contemporary Western historiography of the ancient world that one of the few practitioners who has taken the trouble to examine some of the concepts and categories with which he operates, should have failed to grasp even the basic elements of Marx's thought"(!).

[129] De Ste. Croix (1975), pp. 22-23. Mede onder invloed van Finley (en Weber) hebben ook een aantal bekende Franse historici, die zich in Frankrijk ter linkerzijde situeren, de toepassing van het begrip "klasse" (en "klassestrijd") op de oudheid in vraag gesteld: zie bv. J.-P.Vernant, Remarques sur la lutte de classe dans la Grèce ancienne, in: Eirene, 4 (1965), pp. 5-19 (= 1974a); P.Vidal-Naquet, Les esclaves grecs étaient-ils une classe?, in: Raison présente, 6 (1968), pp. 103-112  (hoewel hij erkent dat de tegenstelling tussen meesters en slaven de fundamentele tegenstelling is van de oude wereld, ontkent hij niet enkel, zoals Vernant, dat Griekse slaven participeerden in klasseconflicten, maar ook dat de slaven überhaupt een "klasse" vormden); ook in de invloedrijke tekstverzameling van Austin & Vidal-Naquet (1972) wordt Marx' klasseanalyse verworpen, althans wat de oudheid betreft. Zie de kritische bespreking in De Ste. Croix (1983), pp. 63-65.

[130] De zgn. vδράπoδα μισθoφoρovτα of δoλoι μισθoφoρovτες.

[131] "Servi pro nullis habentur", Digestae, 50, 17, 32.

[132] Patterson (1979), p. 39, "Slavery as Social Death".

[133] Cf. Anderson (1974), p. 25. Tussen de ontwikkeling van een (beperkte) geldeconomie (zie verder) en "chattel slavery" bestond er een nauwe samenhang: vgl. met Sparta, waar enerzijds de uitbreiding van dergelijke geldeconomie institutioneel geblokkeerd werd (cf. het verbod op het gebruik van zilveren munten, vermoedelijk kort na 600, onder het koningschap van Leoon en Agasikles), en anderzijds de meer archaïsche vorm voorkwam van staatsslavernij, of -lijfeigenschap, van de heloten.

[134] "Military power was more closely locked to economic growth than in perhaps any other mode of production, before or since", Anderson (1974), p. 28. Reeds voor Marx was één van de meest prominente kenmerken van de polis, als vereniging van grondeigenaars, haar krijgshaftige organisatie. Die is niet enkel gericht op de verdediging van de politieke gemeenschap en haar territorium, maar neemt ook een duidelijk offensief karakter aan: oorlogvoering is het middel waarmee naburige gemeenschappen onteigend worden, de leden ervan tot slaaf gemaakt, de overwinnaars de opbrengsten van de buit onder elkaar verdelen en nieuw territorium verworven wordt. Cf. Vormen, p. 15: "De moeilijkheden, die de gemeenschap ondervindt, kunnen slechts rijzen van de kant van andere gemeenschappen, die ofwel de grond reeds hebben bezet, ofwel de gemeenschap, die de grond heeft bezet lastigvallen. Oorlog is dan ook de grote zaak van allen, het grote gemeenschappelijke werk, dat vereist is hetzij om de objectieve voorwaarden van het levende bestaan te veroveren, hetzij om de verovering ervan te beschermen en te vereeuwigen. De uit families bestaande gemeenschap is dan ook allereerst militair georganiseerd, als een krijgs- en legermacht, hetgeen een van de voorwaarden is van haar bestaan als eigenares" (m.o.). Zie over dit intrinsieke expansionisme van de antieke gemeenschap - dat zich historisch bovenal heeft gerealiseerd in drie grote cycli van koloniale en imperialistische expansie: namelijk de Griekse, de Makedonische en de Romeinse -, Lekas (1988), pp. 92-104. Wat meer in het bijzonder Athene betreft, heeft men berekend dat gedurende de anderhalve eeuw tussen het einde van de Perzische oorlogen, in 479 v.o.t., en de nederlaag tegen de Makedoniërs, in 338, "Athens was engaged in war on an average of two out of every three years, and never enjoyed a period of peace for as long as ten consecutive years,", Finley (1981b), p. 88. Daaraan dient echter te worden toegevoegd dat deze oorlogvoering 'op maat gesneden' was voor de burger-boer: het karakter ervan, de methodes, de objectieven en de timing waren omschreven door de noden, mogelijkheden en seizoenritmes van de "smallholder" (het ging, anders gezegd, om campagnes van enkele dagen of enkele weken, gewoonlijk tijdens de 'slappe' periode van de late lente, vóór de graanoogst). Zo Wood (1988), p. 59, met citaat uit R.Osborne, Classical Landscape with Figures (1987), die er o.m. op wijst dat het traditioneel veeleer om raids ging, dan om regelrechte veroveringsoorlogen: "Warfare like this, consisting of raids, was the perfect complement to farming. Gaining agricultural supplies by raiding was an alternative to farming, a way of making up deficiencies in one's own supplies..." (p. 139). Eén van de eersten, evenwel, om dit traditionele patroon te vervangen door nieuwe strategieën en technieken, was Athene, met haar ongeëvenaarde, permanente oorlogsvloot.

[135] Cf. Herakleitos, fr. 53: "Oorlog is vader van alles...; de enen maakt hij tot slaaf, de anderen tot vrije".

[136] Cf. Aristoteles, Politica I, 6, 1255a6: "(het oorlogsrecht stelt) dat al wie in de oorlog overweldigd is, toebehoort aan de overweldiger". Zie de volledige passus in vertaling bij deze syllabus.

[137] Finley (1981c), p. 103. Militaire expedities waren gewoonlijk vergezeld van o.m. slavenhandelaars; zij kochten de overwonnen bevolking ter plaatse op en zorgden aldus voor haar intrede als koopwaar in de markteconomie. Naast deze directe 'oorlogsproductie' van slaven, was er ook een gestage toevoer in de Griekse wereld van "barbaren" van buitenaf - Thrakiërs, Skythen, Kappadociërs, enz. -, georganiseerd door slavenhandelaars (vgl. met de import van Afrikaanse slaven in het Zuiden van de VS, in de moderne tijd); de meesten ervan waren het slachtoffer van oorlogen tussen de barbaren onderling; sommigen waren gewoon verkocht door hun ouders (volgens Herodotos, Historiën, 5.6, was dat de gangbare praktijk van de Thrakiërs). Zo was er een bijzonder hoge concentratie van Thrakiërs en Paphlagoniërs onder de slaven in de Attische zilvermijnen.

[138] "The captive is the typical slave", Patterson (1979), p. 33. Volgens de overlevering (Ploutarchos, Caesar, 15.3) zouden de Gallische campagnes van Julius Caesar maar liefst 1 miljoen slaven hebben opgeleverd - "a not wildly incredible figure" (Finley, 1975a, p. 72), dat in elk geval de vanzelfsprekendheid illustreert van de directe band tussen oorlog en slaventoevoer. We vinden die samenhang ook uitdrukkelijk geformuleerd, zij het moreel gesublimeerd in een theorie van de "rechtvaardige oorlog", door Aristoteles. Cf. Pol. VII, 1333b38v.: "Training voor oorlogsviteiten moet niet beoefend worden met het oog op het tot slaaf maken van (mensen) die (zulk lot) niet verdienen, maar wel ten einde (1) te vermijden dat men zelf de slaaf van anderen zou worden, (2) om een leiderspositie te verwerven in het belang van de onderworpenen (nochtans niet ter wille van een meesterschap (despoteía) over allen), (3) (ter wille van) het heer-zijn (despózein) over degenen die (van nature) verdienen slaaf te zijn". Zie natuurlijk ook Pol. I, 7 (einde) en 8, 1256b23-26 (in deze syllabus).

[139] Bv. in het beruchte geval van de inname van Melos door de Atheners, cf. Thoukudides, Hist., V, 116: "omdat ze dan echt met volle macht belegerd werden, en nadat er ook verraad was gepleegd (van binnenin), gaven de Meliërs zich onvoorwaardelijk over aan de Atheners. Deze laatsten doodden alle gevangen Meliërs die oud genoeg waren (om de wapens te dragen), terwijl ze vrouwen en kinderen verkochten als slaven (vδραπόδισαv) ".

[140] Cf. het gebruik in tal van samenlevingen slaven kaal te scheren, op de wijze van iemand die in de rouw is: "the slave is a man who mourns his own death", Patterson, o.c., p. 39.

[141] Cf. Patterson (1979), pp. 33-34: "The condition of slavery does not absolve or erase the prospect of death. Slavery is not a pardon, it is a conditional commutation; the execution is suspended only so long as the slave acquiesces in his powerlessness. It is this which accounts for the second quality of the slave's powerlessness: the fact that the relationship is maintained by and usually originates in violence. The master is essentially a ransomer. What he buys or acquires by force is the slave's life. Thus in almost all slaveholding societies the master, in practice, has the power of life and death over his slave. The fact that in law constraints are sometimes found is irrelevant". Cf. de problemen die Aristoteles heeft met de relatie tussen slavernij en geweld, in Pol. I, § 6. Zie ook de hoger geciteerde passus van Hegel, waarin de relatie "Herr"-"Knecht" (in de eerste plaats binnen het bewustzijn) het resultaat is van een "Kampf auf Leben und Tod".

[142] Cf. supra, n. 92. "Ehre und Leben sind... einzig anerkannt in der Unantastbarkeit des Eigentums", J.Habermas, i.v.m. de jonge Hegel, in Arbeit und Interaktion. Bermerkungen zu Hegels Jenenser 'Philosophie des Geistes', in: Id., Technik und Wissenschaft als "Ideologie" (Suhrkamp, 1974), p. 34. Cf. Patterson, o.c., p. 35: "The slave can have no honour because he has no independent social existence".

[143] Marx, Vormen, p. 31.

[144] Cf. de definitie van "chattel" (cf. cattle, beide van capitale) in de Shorter Oxford English Dictionary: "a movable possession; any piece of property other than real estate or a freehold". Bv. "Chattels personal: all movable goods, as money, plate, cattle".

[145] Zoals we zullen zien, vertrekt Aristoteles, in Pol. I.4, voor zijn bespreking van de slavernij vanuit de categorie van het (huishoudelijk) "bezit".

[146] Zie Finley (1981c), p. 104, en (1981d), p. 122 en 129. Cf. de wijze waarop Aristoteles, in Politica I, dit raciale gegeven inbouwt in zijn filosofische justificatie van de (zgn. "natuurlijke") slavernij, bv. in kap. 6. 

[147] Pol. I, 1253b32v.

[148] Cf. Varro, Rerum rusticarum I, 17, 1. Vgl. Marx, Grundrisse, p. 368: "Im Sklavenverhältnis gehört (der Arbeiter) dem  einzelnen, besondren Eigentümer, dessen Arbeitsmaschine er ist. Als Totalität von Kraftäußerung, als Arbeitsvermögen, ist er einem andern gehörige Sache und verhält sich daher nicht als Subjekt zu seiner besondren Kraftäußerung, oder der lebendigen Arbeitstat. Im Leibeigenschaftsverhältnis erscheint er als Moment des Grundeigentums selbst, ist Zubehör der Erde, ganz wie das Arbeitsvieh. Im Sklavenverhältnis ist der Arbeiter nichts als lebendige Arbeitsmaschine, die daher einem Wert hat für andre oder vielmehr ein Wert ist".

[149] Cf. de kritische houding van Finley daaromtrent, (1981c), pp. 112-113 ("the question which is most promising for systematic investigation is not whether slavery was the basic element, or whether it caused this or that, but how it functioned", p. 113).

[150] Zo Anderson (1974), p. 35.

[151] Dit vormt een belangrijk contrast met het 'oosters humanisme': in de oosterse teksten wordt men regelmatig wél geconfronteerd met het maatschappelijk protest tegen de onderdrukking. Meer in het bijzonder wat China betreft, schrijft I.Banu (La formation 'asiatique' dans la perspective de la philosophie orientale antique, in: Sur le 'mode de production asiatique', Paris 1974, pp. 299-302): "la critique des injustices sociales constitue un côté permanent de la pensée philosophique ancienne".

[152] Resp. Politica VII, 1329a1, en I, :§ 4.

[153] Wat niét wil zeggen dat ze ook de voldoende voorwaarde was: de (sokratisch-platoonse) filosofie was - wat Platoon daar ook moge van gedacht hebben - in de eerste plaats een product van de maatschappelijke dialoogsituatie die tot stand was gekomen dank zij de radicale Atheense democratie. Cf. Wood (1988), p. 171: "In this sense, even Plato, the severest critic of Athenian democracy, was a quintessential creature of the democracy"; zie ook mijn syllabus PHILOSOPHOS (RUG 1988), p. 103.

[154] Cf. Marx, De Duitse Ideologie, p. 32: "De arbeidsdeling wordt pas werkelijk deling vanaf het moment dat er een deling van materiële en geestelijke arbeid ontstaat [Daarmee valt de eerste vorm van ideologen, priesters, samen]".

[155] En wel "omdat met de arbeidsdeling de mogelijkheid, ja de werkelijkheid is gegeven, dat de geestelijke en materiële activiteit - genot en arbeid, productie en consumptie - aan verschillende individuen toevallen", Marx, De Duitse Ideologie, p. 33.

[156] Bv. de meetkunde diende om na elke Nijloverstroming de percelen opnieuw af te meten en op die basis de precieze grootte van de taksen te bepalen.

[157] Die zelf een (beperkte) geld- of markteconomie, en dus, het particuliere eigendom, als voorwaarde had.

[158] Cf. Marx, De Duitse Ideologie, p. 32: "Van dit ogenblik af kan het bewustzijn zich werkelijk inbeelden iets anders te zijn dan het bewustzijn van de bestaande praktijk, werkelijk iets voor te stellen zonder iets werkelijks voor te stellen; van dit ogenblik af is het bewustzijn in staat zich van de wereld te emanciperen en over te gaan tot de vorming van de 'zuivere' theorie, theologie, moraal, enz".

[159] Cf. Aristoteles, Pol. I, :§ 4: "Want als elke werktuig gewoon op bevel of door anticipatie zijn eigen werk zou kunnen uitvoeren, en als, op dezelfde wijze als men dat vertelt van de beelden van Daidalos of de driepikkels van Hephaistos, waarvan de dichter verhaalt dat ze vanzelf (autómatos) de vergadering der goden binnenkwamen, zo ook de schietspoelen uit zichzelf zouden weven..., dan zouden de bouwmeesters in geen enkel opzicht behoefte hebben aan helpers of de heren aan slaven".

[160] Onder druk, weliswaar, van een peniebele economische situatie konden ook vrijen zich tegen loon voor deze taak beschikbaar stellen (dit wordt nogal sterk in de verf gezet door Wood, 1988, p. 69v., in haar kritiek op De Ste. Croix).

[161] Pol. I, 7, 1255b35.

[162] Vgl. Met. A, 982a15v.: "(de gangbare mening is) dat de wetenschap die om harentwille en terwille van het weten verkozen wordt, eerder sophía is dan de wetenschap die gekozen wordt voor haar resultaten".

[163] Zij doet aan "contemplatie (theoría)... van de eerste beginselen en oorzaken" (ibid., 982b9v.).

[164] Ibid., 982b24v. Cf. 982b4v.: "de meest gebiedende onder de wetenschappen en die in hogere mate de dienende wetenschap(pen) gebiedt...".

[164bis] Zie mijn bijdrage, Rationaliteit en Racisme: het Griekse Model, op deze site.

[165] D.w.z. is reeds aan te treffen in vele (de meeste? alle?) "primitieve" samenlevingen. Cf. Maurice Godelier, Horizon, trajets marxistes en anthropologie (Paris 1973), p. 142: "Il faut rappeler que dans les sociétés primitives la femme a une importance décisive pour le maintien des communautés par ses fonctions reproductives et économiques, et cette importance rend nécessaire le contrôle par la société de l'accès aux femmes. Mais ce contrôle, ce sont toujours les hommes qui l'exercent. La relation entre les sexes dans les sociétés primitives est donc fondamentalement asymétrique et non réciproque. La réciprocité n'existe qu' entre les hommes... Il n'y a donc pas d'état matriarcal...". Wat nochtans niet wil zeggen dat de seksuele ongelijkheid geen oorsprong zou hebben. Voor een overzicht van de verschillende posities hieromtrent, meer in het bijzonder binnen de feministische literatuur, zie S.Coontz en P.Henderson (1986), in hun "Introduction", 'Explanations of Male Dominance, pp. 1-42. De eerste zin van deze bijdrage luidt: " Male dominance is one of the earliest known and most wide-spread forms of inequality in human history". Zie ook supra, n. 127.

[166] Cf. Wood (1988), p. 115, die de achteruitstelling van de vrouw (o.m. op het vlak van het erf- en eigendomsrecht) situeert in het context van "the peasant regime". Dit kapittel 4.2. is overgenomen uit mijn opstel, "Eros en Polis:Homo-erotiek en socio-seksueel systeem in Athene", zie op deze site. Voor de "seksuele protocols"  die aansloten bij het Atheense socio-seksuele systeem, m.i.v. de pederastie, zie ibidem.

[167] Cf. Saliou (1986), p. 193: "Contrary to the belief of Bachofen and Engels, the advent of the city-state did not mark 'the historical defeat of the female sex', which had occurred a long time before. But it marked a pronounced deterioration in the status of noble women, and hence of all women as a result of the ideology that accompanied it". -

[168] Κoιvωvία τv πoλιτv (koinonía tôn politôn), cf. wat hoger gezegd werd over de polis als vereniging van de particuliere grondeigenaars. Als benaming bv. voor de staat "Athene" vinden we in de teksten meestal het meervoudige (οἱ ) θηvα, "(de) Atheners"; bij de redenaars vinden we als aanspreking van de jury systematisch vδρες θηvα, "Atheense mannen". Zoals hoger, n. 59, al opgemerkt, golden ook Attische boeren uitdrukkelijk als "Atheners". Vrouwen, daarentegen, wààr ze ook woonden (in de stad of in het platteland), precies omdat ze géén politieke rechten hadden, en bijgevolg ook geen bijzondere konnektie met de polis of het openbare leven, werden nóóit als θηvααι, "Atheensen" aangesproken maar hoogstens als (slechts) "Attische vrouwen" (ττικα γυvακες). Cf. Wood (1988), p. 108; vooral N.Loraux (1981), pp. 124-132. Terwijl er dus geen vrouwelijk woord bestond voor "Athener", bestond er wél een vrouwelijk woord voor "Spartaan" (nl. Σπαρτιτις, mannelijk:  Σπαρτιάτης). Maar wat dan met Athena, de vrouwelijke godheid die men uit het verre verleden had overgeërfd als patrones van Athene (en die Athenaia, i.e. de "Atheense" kon worden genoemd)? Zij werd afgebeeld als een antieke "Jeanne d'Arc", in volle wapenrusting; zij zou trouwens, volgens de toenmalige mythologie, in volle wapenrusting geboren zijn, niet uit een moeder, maar uit het hoofd van oppergod Zeus, en ze stond altijd aan de kant van de mannen. Cf. ook Saliou (1986), p. 194: "What Athenian citizens retained from the eponymous goddess is that she was a negation of femininity: she had no mother, was not a mother; she waged war; and she embodied creative intelligence at the service of Power". De mythe van de zgn. "autochtonie" van de Atheners (cf. Erichthonios of Erechteus, als geboren, niet uit een vrouw, maar uit de aarde) speelde een belangrijke, want legitimerende rol t.a.v. de mannelijke macht en de uitsluiting van de vrouwen. Zie hierover bovenal Loraux (1981).

[169] Thoukudides, Historiën, 7.77.7: vδρες γρ πόλις .

[170] Dat nog versterkt werd door het prestige dat verbonden was aan de politieke rol van de huisheer.

[171] oκoδεσπότης , Latijn: paterfamilias. Cf. "elk huishouden staat onder het koninklijk gezag van de oudste" (βασιλεύεται ὑπὸ τo πρεσβυτάτoυ ), Aristoteles, Pol. I, 1252b20-21. Dat gold in zekere mate zelfs voor de metoiken, of vreemdelingen, namelijk in zoverre zij er wettelijk toe gehouden waren een burger als "voogd" (prostátès) te hebben, cf. hfst. 1, :§ 2.3.

[172] Wood (1988), p. 118v., zoekt een mogelijke verklaring voor het fenomeen, behalve in de algeméne exclusiviteit van politieke rechten binnen alle voor-kapitalistische maatschappijen, vooral in de "logic of the smallholders' regime", meer bepaald op het vlak van de eigendomsrelaties. Wat het eerste punt betreft, schrijft ze, o.c., p. 117: "In capitalism, claims on the labour of others rest on the property of the capitalist and the propertyless of the labourer and can coexist with formal juridical/political freedom and equality - even to the extent of universal suffrage. In pre-capitalist societies political rights are, as it were, a scarce resource and there is an absolute limit on their distribution...". Wat anderzijds de verregaande afbouw betreft van het vrouwelijk eigendomsrecht, in Athene, wijst ze op de druk die op de boerenfamilie woog om de integriteit van het familiebezit (de oikos) zoveel mogelijk te beschermen, niet enkel tegen onteigening maar ook tegen excessieve fragmentatie. Cf. ook De Ste. Croix (1983), p. 102, die "één goed resultaat" ziet van de onteigening van de vrouwen: "If property is fairly widely distributed in the first place, and if (...) marriage is patrilocal, so that the girl leaves her father's clan and family and, taking with her whatever she possesses either as dowry or in her own right, goes to join her husband's family, then to keep women propertyless may well help to prevent property from accumulating rapidly in the hands of the richer families... the resulting greater equality of property among citizen families is likely to have been one of the factors making for the exceptional strength and stability of the Athenian democracy". Dergelijke concentratie was bv. het geval in Sparta, waar vrouwen wel konden erven. In Athene was, in deze logica, een meisje dat als enig kind, en dus erfgename, achterbleef - i.e. een zgn. "epíklèros" -, ertoe gehouden haar dichtste mannelijke verwante te huwen (die, zo hij al gehuwd was, eventueel moest scheiden - zie, in het testament van Aristoteles, de beschikking i.v.m. zijn dochter, kap. 1.5.2.), ten einde het eigendom binnen de familie te houden en het voortbestaan van de oikos te garanderen, cf. Todd (1993), pp. 228-231 ("The epiklerate... reflects the centrality of the oikos in Athenian thought...").

[173] Evenzo leidde het verlies van de politieke autonomie van de polis ten gunste van de hellenistische monarchieën, vanaf de 3de eeuw v.o.t., tot een opvallende verbetering van de maatschappelijke positie van de vrouw (van stand). Weliswaar moet enig voorbehoud worden gemaakt inzake de geprivilegieerde positie van de Spartaanse vrouw, en moeten er, wat de beperkte bewegingsvrijheid van de Atheense vrouwen betreft, klassedistincties worden gemaakt: de beperkingen golden vooral de vrouwen uit de hogere klassen; vrouwen uit de lagere klassen, daarentegen, genoten in de praktijk van een aanzienlijke bewegingsvrijheid (maar zie verder, voor de gevolgen op het vlak van maatschappelijke status). Zie Wood (1988), p. 116.

[174] Wood, o.c., p. 118. Dat we hier te doen hebben met een soort van historische "wetmatigheid" wordt m.i. bewezen door de parallelle ontwikkeling tijdens de middeleeuwen, bij de vestiging van een burgerlijke "commune" in de Noord- en Centraal-Italiaanse stadstaten (zie op deze site, de Marsiliussyllabus). Zie J.Larner, Italy in the Age of Dante and Petrarch, 1216-1380 (1980), p.68-9, over "(the) powerful strengthening of the patrilineal family", met als verklaring: "In order not simply to gain preeminence but to survive within the world of government it was necessary for the great families of the town that a new power should be given to the father-husband". Ook de Franse Revolutie van 1789 heeft de vrouwen beroofd van alle politieke rechten, daar waar het Ancien Régime aanvaard had dat vrouwen een leengoed konden houden, met de eraan verbonden rechten. Deze samenhang tussen "politiek" en vrouwenonderdrukking wordt door Clark (1982), p. 190, in een breder, antropologisch perspectief geplaatst: "From this perspective, politics is a particular effort by the male cohort isolated from the female lineage to provide its members with a sense of being and belonging. Patriarchalism involves a corresponding effort to break up female nexuses, to bring daughters to the husband's home, and create a new male lineage, the household".

[175] Halperin (1990a), p.104. Zoals hoger al aangemerkt, verdedigt De Ste. Croix de stelling dat de (gehuwde) vrouwen in de oudheid als een economische klasse moeten worden beschouwd, cf. (1983), p. 102 (aansluitend bij het citaat, hoger, n. 172): "The whole situation is to me a good illustration of the validity of Marx's class analysis, in that it is the woman's place in production which was directly responsible for her special status, and in particular created a tendency (observable in many other societies) for her to be denied those property rights which were available to men, and indeed to become herself an object of property rights on the man's part, so that both she and her children could be secured as possessions by her husband". Zie ook de bijdragen in Coontz & Henderson (1986).

[176] De zgn. "hetairieën", vgl. bv. in de fragmenten van Alkaios.

[177] Zie Aloys Winterling, Symposion und Knabenliebe: Die Männergesellschaften im archaischen Griechenland, in: Männerbande, Männerbünde. Zur Rolle des Mannes im Kulturvergelich (Köln 1990), Bd 2, p. 22, met verwijzing naar J.Vogt, Von der Gleichwertigkeit der Geschlechter in der bürgerlichen Gesellschaft der Griechen (Wiesbaden 1960). Winterling wijst op het contrast met de politieke ontwikkeling in onze middeleeuwen: de sociale integratie van de krijgers/ridders gebeurde daar via de hoven van de vorsten -waar de vrouw (van stand) een maatschappelijke status kon (blijven) genieten, cf. de "hoofse liefde" (ibid., p. 17).

[178] Hermen ( ρμαί) waren (vierkantige) palen met bovenop een (ruw gesculpteerd) mannehoofd met baard, en op de schacht voorzien van een phallos-in-erectie. Opgesteld voor tempels en private woningen, hadden ze o.m. een belangrijke apotropaïsche functie (wegjagen van boze geesten, inbrekers en ongewensten).

[179] Om de stad te markeren als politiek centrum? Zo R.Osborne, The Erection and Mutilation of the Hermai, in: Proc. Cambr. Philol. Soc., n.s. 31 (1985), p. 57 (gecit. in Halperin, o.c.).

[180] Vandaar dat de nachtelijke, massale desacratie en verminking ('castratie'?) van de Hermen, in 415, vlak vóór de uitvaart van de Sicilische expeditie, een algemene hysterie veroorzaakte want ervaren werd als een aanslag tegen het wezen zelf van de Atheense democratie. Omtrent die politieke provocatie - waarvan de jonge democratische leider, Alkibiades, "the personification of phallicism", het voornaamste slachtoffer werd - ontwikkelt Keuls (1993), pp. 381-403, de aantrekkelijke, maar puur speculatieve hypothese dat zij het werk was van... de Atheense vrouwen, en gericht was zowel tegen de heersende phallocratie als tegen de agressieve Atheense oorlogspolitiek (cf. de wreedaardige uitroeiing van Melos, in 416; ook Euripides, Trojaanse Vrouwen, daterend van 415).

[181] J.J.Winkler, Representing the Body Politic, in: Id., Rehearsals of Manhood (Martin Classical Lectures, Princeton), gecit. in Halperin, (1990a), p. 103. Wat het aspect agressiviteit/afweer betreft van de phallos-in-erectie, worden de Hermen (cf. ook de god Priapos die later populair werd als bewaker van tuinen en boomgaarden) in de moderne zowel etno- als ethologisch literatuur gekoppeld aan soortgelijke uitingen van zgn. "agressieve homoseksualiteit" bij tal van volkeren en culturen (tot in de moderne reclame, popcultuur, enz. toe) zowel als bij primaten (bv. bij bavianen). Zie Detlev Fehling, Ethologische Überlegungen auf dem Gebiet der Altertumskunde (1974), I. "Phallische Demonstration".

[182] Zie bv. ook de Comedie, in de 5de eeuw: tijdens de uitvoering ervan op de burgerlijk-religieuze festivals waren de akteurs (burgers) uitgerust met een grote lederen phallos. Ook op processies werd een phallosbeeld meegedragen ter ere van Dionusos en andere godheden, waaronder Phales, i.e. "the personification of tireless male sexuality" (Dover, 1978, p.132; vgl. de komische versie van het Phales- of phalloslied in Aristophanes, Acharniërs, 263-79). Ook de Attische vazenschilderingen manifesteren een bijzonder opvallende belangstelling, obsessie bijna, voor de penis (voor een uitvoerige bespreking van de esthetische criteria die daarbij golden, zie Dover, o.c., pp. 124-135, die uit het overgeleverde materiaal concludeert "that Greek art and cult were extremely interested in the penis", p.134). Behalve om de mannelijke geslachtsorganen bij de afgebeelde personages - overwegend jongelingen, in een grote variatie aan poses (volgens Dover, o.c., p.6, mogen we ze als de antieke "pin-ups" beschouwen) -, gaat het ook om phallosobjecten in alle mogelijke vormen en situaties: bv. een vrouw die phalloi water geeft, als waren het planten, of een vrouw met een mand vol phalloi (NB onder de naam "olisbos" had de kunstpenis natuurlijk ook een direct seksuele functie), enz. Tal van phalloi worden typisch afgebeeld met een starend oog op de eikel ("it conveys the impression of great tension and has the effect of investing the penis with an impudent, aggressive personality of its own", Dover, o.c., p. 132). Een "surrealistisch" element, in dit kader, is de zgn. 'phallosvogel', met de poten, het lijf en de vleugels van een vogel, maar met nek en kop in de vorm van een gekromde penis, met het al vermelde oog. - Een dergelijke "phalloscultus" is natuurlijk niet uniek, maar komt in tal van culturen voor (bv. bij de oude Germanen). Zie o.m. Th.Vanggaard, Phallos, Eros und Macht, Frankfurt 1979 (Nederlandse vert. Amsterdam 1971).

[183] Halperin, o.c., p.103, met verwijzing - wat de Kabyliërs betreft - naar P.Bourdieu, Esquisse d'une théorie de la pratique, précédé de trois études d'ethnologie kabyle (Genève 1972), p. 19.

[184] In de literatuur over deze thematiek wordt het mannelijk geslachtsorgaan nu eens "penis" (Dover) dan weer "phallos" genoemd. Halperin verkiest het laatste woord, met de argumentatie (1990), p. 164 n. 67: "I say 'phallus' rather than 'penis' because (1) what qualifies as a phallus in this discursive system does not always turn out to be a penis (...) and (2) even when phallus and penis have the same extension, or reference, they still do not have the same intension, or meaning: 'phallus' betokens not a specific item of the male anatomy simpliciter but that same item taken under the prescription of a cultural signifier; (3) hence, the meaning of 'phallus' is ultimately determined by its function in the larger socio-sexual discourse: i.e. it is that which penetrates, that which enables its possessor to play an 'active' sexual role, etc.".

[185] Wanneer Aristoteles, Pol. I, :§ 4, de ("natuurlijke") slaaf definieert als een wezen "dat door natuur niet van-zichzelf is, maar mens-van-een-ander is", dan gold dat, in het ideologisch discours, ook voor de vrouw: cf. de algemene praktijk om een vrouw niet bij haar naam te noemen; in plaats daarvan werd ze geïdentificeerd d.m.v. haar relatie tot een mannelijk lid in het huishouden, d.w.z. als dochter/vrouw/moeder-van een (met name genoemde man) - zie ter illustratie nogmaals Aristoteles' testament, in hoofdstuk 1, kap. 1.5.2., waar hij het verschillende malen heeft over "het meisje", om naar zijn dochter Puthias te verwijzen. In tegenstelling tot jongetjes, werden de namen van meisjes zelfs niet genoteerd in de lijsten van fratrie of stam; en wanneer het burgerschap afhankelijk werd gesteld van het geboren-zijn uit twee Atheense ouders, dan diende daartoe de naam en geboorteplaats te worden opgegeven van de vader en... de grootvader langs moeders kant: "the name of the mother dit not appear. Thus, in public registration, the woman served as a nameless channel for the transmission of citizen standing from her father to her sons", Keuls (1993), p. 90.

[186] Zo, radicaal, Eva Keuls (1993), waarbij ze, p. 2, "phallocratie" omschrijft als "a cultural system symbolized by the image of the male reproductive organ in permanent erection, the phallus. It is marked by, but is far more particular than, the dominance of men over women in the public sphere... (T)he concept denotes a successful claim by a male elite to general power, buttressed by a display of the phallus less as an organ of union or of mutual pleasure than as a kind of weapon: a spear or war club, and a scepter of sovereignty". Wat die "display" betreft van de phallos, in Athene, schrijft ze, l.c.: "As foreigners were astonished to see, Athenian men habitually displayed their genitals" (wààrop Keuls zich hierbij baseert, is de opsteller van deze syllabus onbekend). Volgens Keuls is het verhaal van de phallische heerschappij die ten grondslag ligt aan de westerse civilisatie onderdrukt geworden "as a result of the near-monopoly that men have held in the field of Classics" (ibid., p. 1).

[187] De polis was ook hierin natuurlijk niet uitzonderlijk. Over de bijna universele draagwijdte van (maatschappelijke indelingen van) de ruimte voor de constructie van de gender-verhoudingen, zie o.m. de bundel Women and Space. Ground Rules and Social Maps, ed. Shirley Ardener (London 1981). Wat meer in het bijzonder de mediterrane culturen betreft, zie de bijdrage aldaar van Lidia Sciama, The Problem of Privacy in Mediterranean Anthropology, pp. 89-111. Deze auteur waarschuwt nochtans voor de gevaren van een al te ongenuanceerd toepassen op andere culturen van de (moderne) oppositie vrouwen=privaat=achtergesteld versus mannen=publiek=gepriviligieerd, cf. pp. 109-110. Cohen (1991), p. 74, anderzijds, wijst erop dat "publiek" en "privaat" in wezen relationele begrippen zijn, die in een "complementaire oppositie" staan tot elkaar (bv. een symposium dat binnenshuis plaats vindt, wordt als "privaat" gezien m.b.t. de agora of het badhuis, maar als "publiek" m.b.t. de vrije vrouwen in het huis). Voor een inleiding in de thematiek van de genderconstructie, zie Marie Scheirlinck, "Mannelijk"/"Vrouwelijk". De Maatschappelijke Constructie van Gender. Een Interculturele Verkenning, Diss. RUG 1993.

[188] In de inleiding van zijn The Constraints of Desire (1990) waarschuwt Winkler ervoor, dat het dominante mannelijke discours in het algemeen, en het oud-Griekse "androcentrisme" in het bijzonder, slechts een beperkte descriptieve waarde heeft. Als een discours van mannen over vrouwen én over zichzelf was het veeleer een soort van "calculated bluff" (p. 4); het kan nog het best begrepen worden als "coffeehouse talk, addressed to men themselves" (p. 6). Zie ook Halperin, o.c., p. 30, met in n. 63 een verwijzing naar N.Abercrombie, S.Hill & B.S.Turner, The Dominant Ideology Thesis (London 1980). Cohen (1991), tenslotte, onder verwijzing naar P.Bourdieu en A.Giddens, waarschuwt voor een zich blind staren op de letter van de teksten: veeleer dan bestaande normen gewoon te reproduceren, zijn zij het resultaat van "rhetorische strategieën" van de auteurs ervan, waarbij "de normatieve categorieën van hun cultuur gemanipuleerd worden om in particuliere situaties particuliere effecten te bekomen" (p. 32, m.o.).

[189] Cohen (1991), p. 72. Keuls (1993), pp. 93-97, "Inner and Outer Space in Greek Architecture", vestigt de aandacht op de architecturale uitdrukking van deze tegenstelling tussen mannelijke=publieke en vrouwelijke=private ruimte: namelijk met de prestigieuze, publieke gebouwen en ruimtes (tempels, raadshuizen, galerijen, enz.), alle afgebakend met ("phallische") zuilencolonnades, versus de bescheiden, doosachtige, vensterloze en volledig naar binnen gekeerde privee-woningen. Cf. p. 97: "even architecture reflected the genital notions concerning the societal roles of men and women. Only this background can explain the contrast between the splendor of the public structures and the modesty of the private houses - a contrast unequaled in any known ancient city. For the 'respectable' classes of Attic society, the anatomical differences between men and women were translated into the shapes of their living spaces...".

[190] Die... uit vrouwen bestaat, aangezien de mannen constant uithuizig zijn. Cf. Cohen (1991), p. 161: "But how can husbands guard or confine their wives or daughters if the man's role demands that he stay away from the house? In fact, women's information networks play a central role in the politics of reputation that... form the primary means of implementing community vigilance in the form of social control... Thus Athenian women were not, as they have too often been portrayed, mere passive objects of monolithic masculine domination, but were themselves agents in processes of social control that governed both their lives and the lives of men as well".

[191] In de dagdagelijkse realiteit waren vrouwen uit de lagere klassen wel verplicht, mee 'de kost te verdienen', bv. als kraamster, net zoals de armen vaak gedwongen waren slavenwerk te verrichten. Sociale en seksuele status gingen hier onvermijdelijk samen: vgl. Anakreoon, fr. 43.4-5 (PMG 388), waar broodverkoopsters geassocieerd worden met prostituees.

[192] κύριoς, kurios - d.w.z. haar echtgenoot, vader, oom, broer, zoon of voogd. De bepalingen van het Attische strafrecht inzake prostitutie, verkrachting, overspel e.d. hadden niet zozeer de belangen van de vrouw op het oog (persoonlijke veiligheid en lichamelijke integriteit), als wel die van haar "heer" (zijn sociale status, bescherming van zijn eigendomsrecht, de wettigheid van de kinderen, e.d.). Zo waren de straffen voor verleiding van de echtgenote, en dus overspel (moicheía), zwaarder dan die voor verkrachting. Zie A.R.W.Harrison, The Law of Athens: Family and Property (Oxford 1968), die uit de bespreking van deze strafbepalingen o.m. concludeert: "the woman and her chastity are hardly protected in their own right, but only because she is the humble but necessary vehicle for carrying the o É κoς". Voor een bespreking in het kader van het "mediterrane" gendersysteem, zie Cohen (1991, cf. o.m. p. 82: "If honor is won in public it may also be lost in private: a man unable to protect his private sphere incurs dishonor... As in modern Greece, Morocco, Turkey, or Andalusia, in general, failure to preserve the sexual purity of one's wife, daughter, or sister brings dishonor". Voor het Atheense strafrecht inzake overspel, zie ibid., p. 98v.; zie ook infra.

[193] Wanneer ze zich toch in het openbaar vertoonden, moesten ze blijk geven van de nodige seksuele zedigheid en schaamte, o.m. op het vlak van de kledij. Cf. Cohen (1991), p. 61 n. 113: "Protecting the modesty of a woman is to 'cover', 'clothe', or 'veil' her. Failure to do so 'exposes' her, and likewise 'exposes' the man's honor".

[194] Cf. Cohen (1991), p. 64: "Her honor depends upon the reputation the community is willing to concede, not upon the evidence of facts... As one would expect in a culture oriented toward shame, it follows from this sexual dynamic that reputation depends largely upon the appearance of honor as judged by others rather than the inner reality".

[195] Daartegenover was het 'androon' het mannenvertrek, waarin ook de symposia plaatsvonden. Naar het voorbeeld van de Indische situatie, wordt zulke ruimtelijke segregatie van de vrouw in het Engels vaak aangeduid met de (Indische) term "purdah".

[196] Zoals ook vandaag nog geldt in de mediterrane wereld, riskeerde de man die integendeel teveel tijd doorbracht binnen de private ruimte, kritiek en oneer (atimía): hij werd m.a.w. gerangschikt bij de bewoners van die private ruimte: de vrouwen, kinderen en slaven (net zoals een inbreuk op de maatschappelijke codes in de eerste plaats bestraft werd/wordt met een uitsluiting uit de publieke ruimte). Anders gezegd, "the politics of reputation required a man to lead a public life", Cohen (1991), p. 74. Vgl. Xenophoon, Oeconomicus, vii.30: "Voor de vrouw is het schoner binnen te blijven dan buiten te lopen, voor de man is het schandelijker binnen te blijven dan zich te bekommeren om de zaken buiten".

[197]  Maar in zoverre deze festivals bewust gemarkeerd werden als sacrale, dus uitzonderlijke, abnormale tijd, strekten ze er natuurlijk juist toe, het normale patroon van restricties in het dagelijkse leven te bestendigen. Zie S.Goldhill, Reading Greek Tragedy (Cambridge 1986), pp. 70-71, met verwijzing, voor de Thesmophorieën, naar M.Detienne, La Cuisine du sacrifice en pays Grec, Paris 1979.

[198] Zie J.Gould, Law, custom and myth: aspects of the social position of women in classical Athens, in: JHS, 100(1980), pp. 38-59; voor een recent synthesewerk over de positie van de vrouw in Athene zie R.Just, Women in Athenian Law and Life (London 1989), o.m. ch. 6, "Freedom and Seclusion". Cohen (1991) waarschuwt voor een al te letterlijke interpretatie van het "binnen/buiten" discours, cf. bv. p. 149: "there is a marked tendency (sc. in modern literature) to take the public/private dichotomy as an absolute ontological category and hence to confuse separation and seclusion. That is, it does not follow that because, generally speaking, the man's sphere is public/outside, and the woman's is private/inside, women live their lives in total isolation from all but their slaves and their family. Separation of spheres of activity does not imply physical sequestration, and consequently utter subjection, as does seclusion". Keuls (1993), daarentegen, spreekt onomwonden van het "opsluiten" van de vrouwen, als een aspect van het "phallocratisch" regime, cf. p. 1: "In the case of a society dominated by men who sequester their wives and daughters, denigrate the female role in reproduction, erect monuments to the male genitalia, have sex with the sons of their peers, sponsor public whorehouses, create a mythology of rape, and engage in rampant saber-rattling, it is not inappropriate to refer to a reign of the phallus. Classical Athens was such a society".

[199] Cf. supra, n.  188.

[200] "In the sex-gender system constructed and experienced by citizen males, the first unwritten rule is that men are the important agents, while women are properly dependents rather than agents. Men count as significant, women do not signify. When women are active, they are trouble. Since a man does not want to invite trouble, it is prudent for him and other men to assume, until forced to do otherwise, that the women of his household are invisible, obedient, and industrious" (Winkler, 1990, p. 8). Zie ook de hoger vermelde opmerking (supra n.187) van Lidia Sciama.

[201] Zie Clark (1982), p. 185: "The most alarming feature of Greek domestic life is the failure of the Greek father". Cf. Cohen (1991), pp. 157-158. Vgl. de kritiek van Aristoteles op de "extreme" (Atheense) democratie, Politica, V, 1313b32: "de gunaikokratie over het huis".

[202] Vgl. de wantrouwige echtgenoten die gekarikaturiseerd worden door Aristophanes (bv. in de Thesmophoriazusae 397, 410-414, 519): het eerste wat ze doen, als ze thuiskomen, is onder het bed kijken op zoek naar echtbrekers (moichoi) en vragen waar hun vrouwen die dag 'gezeten' hebben. Op overspel (moicheía), zoals gezegd, stonden zware straffen: echtbrekers vielen onder het strafrecht op de zgn. kakourgoi, samen met dieven, rovers, moordenaars en inbrekers, en riskeerden de doodstraf; indien betrapt op heterdaad, in het huis, konden zij door de huisheer ter plekke gedood worden. Zie Cohen (1991), p. 110v. Deze laatste merkt nog op dat de bestraffing niet de morele verwerpelijkheid gold van de daad, met als bedoelig een moreel correct seksueel gedrag af te dwingen: "there are no 'sexual offenses', in the modern sense, in Athenian law" (p. 123). Wàt aanstoot gaf, was de huisvredebreuk, gewoonlijk dan nog 's nachts, als een onduldbare aanslag op de eer van de huisheer (die geacht werd de kuisheid van vrouw, dochter of zuster te behoeden), met een bloedvete als mogelijk gevolg: "Athenian law, in short, focused on the public consequences of illicit sexuality, not on the private, moral transgression", ibid., n. 74.

[203] Cf. Kloft (1992), p. 127: " Der Markt ist idealtypisch gesehen das qualitativ Neue, das die Poliswirtschaft gegenüber dem Oikos afweist".

[204] Cf. K.Polanyi, Le commerce sans marché au temps d' Hammourabi, in: Polanyi & Arensberg (1975); Polanyi (1977), p. 87.

[205] Historiën, I, 153 (vertaling O.Damsté).

[206] Cf. Bogaert (1975), k. 818.

[207] Zie ook de syllabus De Ioniërs, p. 262v.

[208] Zo althans E.Will, De l'aspect éthique des origines grecques de la monnaie, in: Rev. Hist., 1954, pp. 209-231. Hij verwijst daarbij naar Aristoteles' bespreking van het geld, in de Nikomachische Ethiek, bk. V, in de sociaal-ethische context van de notie "rechtvaardigheid" (zie op deze site, kap. 8). Tegen Wills historische argumentatie zijn weliswaar bezwaren gerezen, zie O.Picard (1980), vnl. pp. 270-273. Zijn algemene aanpak, nochtans, is recentelijk hernomen door Von Reden (1995), namelijk in "Part III" ervan: veeleer dan een economische benadering te hanteren, volgens dewelke het geld dient in verband gebracht met de opkomst van markten en de expansie van de handel, onderzoekt zij "to what extent coinage was used for social and political purposes" (p. 9).

[209] Cf. de syllabus De Ioniërs (1993b), hfst. 6, § 4.

[210] In het Grieks: trápeza, letterlijk "tafel", sc. van de wisselaar; trapezítès, "bankier".

[211] De Atheense lange afstandshandel werd grotendeels gefinancierd door "maritieme leningen", cf. Bogaert (1975), k. 822.

[212] Cf. supra, kap. 3.2., met de laatste zin uit het Marx' citaat: "Lidmaatschap van de gemeenschap blijft hier de voorwaarde voor het zich toeëigenen van de grond, maar als lid van de gemeenschap is de enkeling particulier eigenaar". Cf. Lekas (1988), p. 83: "the fundamental contradiction inherent in the ancient relations of production is that between the communal presupposition of landholding and the particular form that the latter assumes, that is private property in the hands of individual citizens".

[213] Grundrisse, p. 134. Cf. Lekas (1988), p. 114: "The emergence of large fortunes in money, in conjunction with the usurious practices of the rich, precipitated the pauperization of the smallholding citizens and the consequent exacerbation of the class antagonism within the polis".

[214] Cf. De Ley (1993b), l.c.

[215] Zie R.W.Müller (1977), p. 118v.; Bogaert (1975), k. 823v. Zie ook De Ley (1993b), hfst. 6, §§ 4.3.

[216] Ook de hoplieten ontvingen een dergelijke soldij "per diem", voor de dagen waarop ze in actieve dienst waren. Maar terwijl de hoplieten (die zelf moesten instaan voor hun zware wapenrusting) jaarlijks gewoonlijk slechts voor periodes van enkele dagen of weken in actieve dienst waren (en het totaalbedrag van hun soldij dus eerder een niemendalletje was), was een belangrijk aantal triremen, in het 5de-eeuwse Athene, voor zeven tot acht maanden per jaar gemobiliseerd. De bezitsloze burgers (de zgn. theten), bijgevolg, die (op vrijwillige basis) regelmatig "roeiden", ontvingen jaarlijks een soldij van misschien 100 (in vredestijd) tot 200 (in de Peloponnesische oorlog) drachmen per jaar. Zie Finley (1981b), p. 89.

[217] Een belangrijke bron van inkomsten, die het o.m. mogelijk maakte dit systeem van betalingen voor publieke diensten in stand te houden, zonder al te zeer te wegen op de bezittende klassen (die grotendeels instonden voor de maatschappelijke lasten), was het Atheense rijk in de 5de eeuw (de zgn. Delische Bond), met het jaarlijkse tribuut dat door de zgn. Geallieerden aan Athene werd betaald. Zie nu voor een korte, kritische evaluatie van die band tussen "Democracy and Empire", Wood (1988), pp. 122-125.

[218] Polanyi (1977), p. 167.

[219] Kimoon (die zijn rijkdom vooral te danken had aan de enorme oorlogsbuit die hij als Atheens generaal had weten te verzamelen) werd hierin nagevolgd door de moderne vijanden van de (o.m. Atheense) democratie, onder de klassieke historici en filologen. Zie hierover Wood (1988), ch. 1: "The Myth of the Idle Mob". Zij citeert bv. uit het basiswerk van één van de grondleggers van de klassieke filologie, August Boeckh, Die Staatshaushaltung der Athener (Berlin 1817, Engelse vert. 1842), voor wie de democratie niets anders was/is dan een middel voor de heb- en zelfzuchtige massa om zichzelf te verrijken. Meer in het bijzonder Perikles wordt door Boeckh bijzonder hard aangepakt: "For this statesman, finding himself unable by reason of the scantiness of his fortune to vie with other public leaders and demagogues in liberality, thought of supplying his private incapacity... by a distribution of the public revenue, and bribed the multitude partly with the theorica  [i.e. de theaterkas], partly with the payment of dicasts, and salaries of other descriptions". Vgl. daarmee Finley (1981b), p. 91: "I am not for a moment suggesting that a notable proportion of the citizen-body were idlers living at public expense. Most Athenians, like most Greeks, had a low standard of living and worked for it, none harder than the rowers in the fleet, the largest body of men receiving pay from the state".

[220] O.c., p. 163.

[221] Polanyi, o.c., p. 35.

[222] D.w.z., in termen van klassenstrijd: voor de toeëigening van de surplusarbeid van de producenten door de bezittende klassen.

[223] Polanyi, o.c., p. 125. Voor deze kritiek op de zgn. "modernisten" door K.Polanyi en zijn school, zie bv. ook H.W.Pearson, Un siècle de débat sur le primitivisme économique, in: Polanyi & Arensberg (1975), pp. 43-49. Over de betekenis van Polanyi (1886-1964) en zijn school (o.m. in relatie tot Marx), zie o.m. M.Godelier, "Présentation", in dezelfde bundel, pp. 9-32 (met bibliografie); maar vooral Humphreys (1978), pp. 31-75 ("History, economics and anthropology: the work of Karl Polanyi").

[224] Voor alle duidelijkheid weze aangestipt dat de conceptuele differentiatie van het 'economische' t.a.v. het 'politieke' (maar ook het religieuze, culturele en maatschappelijke) een product is van de (kapitalistische) moderniteit. Vgl. de kritiek van Sitta von Reden (1995), p. 2, op de traditionele geschiedschrijving, in zoverre zij vertrekt van dat moderne onderscheid: "the mode of analysis adopted by historians has prevented the interdependence of intellectual, political and economic developments from being studied in its own right".

[225] Ook de toeëigening van het maatschappelijke surplus in bv. Assyrië gebeurde op basis van extra-economische, machts-, d.w.z. politieke verhoudingen. Maar in het geval van de Griekse "polis"  krijgt het woord "politiek"  vanzelfsprekend een extra, want letterlijke of eigenlijke betekenis.

[226] Waar de directe producenten, als burgers-grondeigenaren, niét gescheiden zijn van de directe, "non-market"  toegang tot hun reproductiemiddelen (wat ze dan zou dwingen, alleen al om te overleven, te wedijveren op de markt).

[227] Vgl. de belangrijke studies van Robert Brenner over de historische voorwaarden voor het onststaan van het kapitalisme, o.m. The Origins of Capitalist Development: a Critique of Neo-Smithian Marxism, in: New Left Review, 104 (1977), pp. 25-92, met kritiek op de thesis van o.m. P.Sweezy en I.Wallerstein, dat de expansie van de handel, met de gelijktijdige groei van steden en markten, de "eerste beweger" was in de ontbinding van het feodalisme en de overgang naar het kapitalisme. Voor de afwezigheid van enig systematisch streven naar productiviteitsverhoging, in samenhang met de zgn. "technische stagnatie", in de oudheid, zie Wood (1988), pp. 150-162: zij beklemtoont dat dergelijke  "stagnatie", veeleer dan een probleem dat nodig moet verklaard worden, in feite het normale patroon vormt (dat pas in het vroeg-moderne Europa, voor het eerst, werd verbroken), en dat, veeleer dan de slavernij (die traditioneel als 'schuldige' wordt aangewezen), vermoedelijk het bestaan van het vrije, kleine landeigendom, in Attika, verantwoordelijk was voor eventuele remmen op de technische vooruitgang: "the technical stagnation of democratic Athens, far from being determined by a contempt for labour associated with slavery, was on the contrary a corollary of the uniquely high and respectable status of  Athenian producers".  Maar deze "'constraints' of the peasant regime"  hadden ook veel te maken met de kenmerken (bodemgesteldheid, klimaat, enz.) van het mediterrane, natuurlijke milieu, waar ook vandaag het inzetten van zware machines vaak al meer kwaad dan goed heeft gedaan: zie ibid., n. 31 op blz. 203, met verwijzingen.

[228] Finley (1975a), p. 144. Vgl. Aristoteles in wiens "oikonomia", in Pol. I, de κτητική sc. τέχvη (ktètikè téchnè), i.e. de "verwervingskunst", een al met al centrale plaats inneemt (ook al beklemtoont hij dat de huisheer àls huisheer zich veeleer met het gebruik dan met de verwerving van goederen heeft bezig te houden.

[229] In zijn Poroi, 4.14-15. Zie Finley (1975a), p. 72, die opmerkt dat de moderne twijfel aan de correctheid van dat hoge aantal in zekere zin irrelevant is: "it is enough that Xenophon assumed his readers would not find these figures unreasonable and that he based a very elaborate proposal on them".

[230] Cf. Weber (1976), p. 208.

[231] Zie Finley (1981a), p. 21.

[232] Grundrisse, p. 232.

[233] Die tevens de dominantie was van het politieke principe - i.e. de politieke solidariteit tussen de polisleden - op de traditionele relaties gecentreerd in de 'private' oikos. Zie verder, in hoofdstuk 7, § 5.

[234] Zie vooral P.Veyne, Le pain et la cirque, Paris 1977.

[235] Cf. Pomeroy (1994), p. 52. De hoger besproken constructie van een 'publieke' versus een 'private' ruimte, in het kader van het gendersysteem, mag hiermee niet verward worden. Ook Aristoteles, in Politica I, maakt regelmatig de koppeling tussen oikonomía en polis.

[236] In deze huisnijverheid speelden vooral vrouwen (vrije en slavinnen) een vooraanstaande, productieve rol. Een visie op het huwelijk als een soort van economische 'vennootschap' die de aangroei beoogt van het bezit, en met volle erkenning van het belang van de vrouwelijke arbeid, vinden we, uitzonderlijk, ontwikkeld door Xenophoon, in zijn Oeconomicus. Cf. Pomeroy (1994), pp. 58-61.

[237] Ten einde 'nieuwe arbeidsplaatsen' te creëren, zoals het hedendaagse ideologische discours het kapitalistische winstbejag justifieert.

[238] Bv. de kosten voor het trainen en het laten optreden van een lyrisch of dramatisch koor (de zgn. chorègía);  de bevelvoering en het onderhoud van een trireem(schip), i.e. de "triërarchie";  de "gymnasiarchie" (uitrusting en onderhoud van een gymnasium), e.a. Cf. Finley (1981b), p. 90: "The honorific element in liturgies was a strong one, but so was the financial burden".

[239] In Xenophoon, Oeconomicus, II.1-6.

[240] In het Grieks: τεχvίτης (technítès) , χειρoτέχvης (cheirotéchnès, "handwerker"). Veel meer ideologisch, en pejoratief, gekleurd en als zodanig gebruikt door (aristocratische) filosofen als Platoon en Aristoteles, is de term βάvαυσoς (bánausos, oorspr.: bij de oven arbeidend; wie in de regel al zittend laag gewaardeerde handenarbeid verricht).

[241] Cf. Kloft (1992), p. 119.

[242] Het woord "fabriek" moet dan alleszins worden verstaan in zijn oorspronkelijke betekenis: cf. het gaat terug op het Latijnse "fabrica" (zelf afgeleid van "faber", i.e. de handwerker die met ruwe materialen werkt, in het bijzonder de smid), dat gebruikt werd voor de werkplaatsen van schrijnwerkers, smeden, enz. Het Griekse equiivalent ervoor, ergastèrion, verwijst evenzo in de eerste plaats naar "werkplaats" in het algemeen: van de handwerker, de barbier en zelfs van de prostituee... Pas in tweede orde werd het gebruikt voor grotere bedrijven, waar met slaven werd gewerkt. "Industrie" (van het Latijn "industria", i.e. "nijver, vlijt") staat in deze context algemeen voor een productie die gericht is op het bewerken van grondstoffen, ten einde daaruit goederen te fabriceren van een hogere waarde. De term "manufactuur", tenslotte, verwijst naar de, in de pre-industriële periode, meest vooruitstrevende bedrijfsvorm voor het fabriceren van 'massaproducten'. Kenmerkend ervoor waren: een gecentraliseerde productie, het samenbrengen van enkele tientallen arbeidskrachten in één werkplaats, handenarbeid, arbeidsdeling en gebruik van eenvoudige machines. Zie Kloft (1992), p. 119.

[243] Kloft (1992), p. 118, met verwijzing naar Lusias (zoon van Kephalos), Orat. 12, 19. Kloft vermeldt ook nog de schildenfabriek, in de 4de eeuw, van de rijke bankier Passioon, met ca 50 arbeiders; Demosthenes' vader bezat een zwaardenfabriek met ca 32 arbeiders en een meubelfabriek met 20 arbeiders.

[244] Cf. Xenophoon, Cyropaidia, 8.2.5, over de superioriteit van de eetmalen aan het Perzische hof: "net zoals ook de andere ambachten (téchnai) het meest van al nog in de grote steden (poleis) ontwikkeld zijn, wordt op gelijkaardige wijze het voedsel in het paleis op een veel meer superieure manier bereid. In de kleine steden, inderdaad, vervaardigen dezelfde (ambachtslui) bed, deur, ploeg en tafel, en vaak is het deze zelfde die ook nog het huis bouwt... Het is niet mogelijk voor wie alle ambachten uitoefent, ze allemaal op treffelijke manier te verrichten. In grote steden, echter, wegens de grote vraag voor ieder, volstaat één ambacht om elke (ambachtsman) te onderhouden, en dikwijls zelfs niet het volledige: bv. de ene vervaardigt schoeisel voor mannen, de andere voor vrouwen; er zijn zelfs plaatsen waar iemand alleen al door het naaien van schoeisel zich in leven houdt, een ander door het uitsnijden ervan (uit het leder),... Noodzakelijkerwijze, dus, zal degene die bedrijvig is in een meest gespecialiseerde taak, die ook op de voortreffelijkste wijze uitvoeren". Zie Finley (1975a), p. 135 ("This is the most important ancient text on division of labour"), en (1981e), p. 186v. Maar zie ook Marx, Das Kapital I, MEW 23, pp. 386-388, die het verband legt met de "gebruikswaarde": "die Schriftsteller des klassischen Altertums (halten sich) ausschließlich an Qualität und Gebrauchswert" (zie verder).

[245] Cf. Wood (1988), pp. 160-161; ook Mossé (1962), pp. 75-85; T.Pekáry, Die Wirtschaft der griechisch-römische Antike (Wiesbaden 1976), p. 26.

[246] In de homerische wereld, zoals bekend, vormden geweven stoffen een hoog gewaardeerd item van de "gift-exchange" economie, tussen de adellijke oikoi (vgl. de losprijs die koning Priamos met zich meevoert, Ilias, 24. 229-231, om het lijk van zijn zoon Hektoor vrij te komen: twaalf kleden, twaalf mantels, twaalf dekens, twaalf bovenkleden en twaalf chitoons). Maar ook na de introductie van een geldeconomie bleven textielproducten fungeren als een belangrijke vorm van liquide rijkdom, want ze konden gemakkelijk worden omgezet in cash geld. Cf. Pomeroy (1994), pp. 62-65 (met verwijzing naar de rol ervan in de "trousseaux" die vrouwen meebrengen bij hun huwelijk, ook nog in de 20ste eeuw).

[247] Cf. Kloft (1992), p. 118: "Die agrarische  Subsistenzwirtschaft, die der Familie gerade das Nötigste zum Leben sicherte, dürfte nach wie vor viele Teile Griechenlands geprägt haben".

[248] Bijzonder frappant, maar illustratief, lijkt de afwezigheid van (archeologische gegevens over)  lokale markten in de Attische dorpen, cf. Wood (1988), pp. 108-109 (met verwijzing naar R.Osborne, Classical Landscape with Figures: The Ancient Greek City and its Countryside, London 1987), die hierbij opmerkt: "The paradox is thus complete: the political elevation of the village, signalling the breakdown of the age-old division between ruling centre and subject countryside, encouraged the growth of the city, while at the same time and by the same means it placed limits on the development of the urban economy". Pomeroy (1994), p. 54, nochtans, schrijft dat, naast de stedelijke markt (de agorá), "er en plus vermoedelijk lokale secundaire markten waren in de demen", waar de boeren hun producten konden verkopen.

[249] Wilden de leden van de "liturgische klasse" hun verplichtingen t.a.v. de staat nakomen, dan moesten ze vanzelfsprekend over de nodige cash  beschikken.

[250] Cf. het vernietigen van bv. tomaten omdat ze niet de minimumprijs halen.

[251] Cf. Vernant (1971b), p. 42 n. 15. Dat de gebruikswaarde inderdaad een economische  categorie is, is al beklemtoond door K.Korsch, in zijn Karl Marx (1936, 1967), pp. 89-90: "Nach Marx handelt es sich in der Ökonomie nicht um den Gebrauchswert im allgemeinen, sondern um den Gebrauchswert der Ware. Der Gebrauchswert der 'Ware' ist aber nicht nur (ausserökonomische) Voraussetzung für ihren 'Wert'. Er ist Element des Werts und selbst eine ökonomische (damit, wie Ware und Tauschwert, zugleich geschichtliche und gesellschaftliche) Kategorie. Die Tatsache, dass ein Ding irgendeine Brauchbarkeit für irgendeinen Menschen, z.B. für seinen eigenen Hersteller, hat, ergibt noch nicht die ökonomische Definition des Gebrauchswerts. Erst die Tatsache, dass das Ding gesellschaftliche Brauchbarkeit (Brauchbarkeit 'für andere') hat, ergibt die ökonomische Definition des 'Gebrauchswerts' als Eigenschaft der Ware (sie Kapital I [MEW 23, p. 56v.] und 'Oekonomisches en Général' [MEW 19, p. 355v., vnl. 368-376]. Ist der Gebrauchswert der Ware ökonomisch bestimmt als gesellschaftlicher Gebrauchswert (Gebrauchswert 'für andere'), so ist auch die spezifisch nützliche Arbeit, die diesen Gebrauchswert herstellt, ökonomisch bestimmt als gesellschaftliche Arbeit (Arbeit 'für andere')..." (m.o.). Vgl. de hoger (n. 241) vermelde passus, in Kapital I, p. 388 n. 81, waar Marx over Xenophoon opmerkt dat het hem weliswaar uitsluitend te doen is om de "Güte des Gebrauchswerts", maar dat hij toch wel wist dat de gradaties van arbeidsdeling afhingen "vom Umfang des Markts".

[252] In de Vormen, pp. 24-25.

[253] Vormen, p. 63.

[254] In onderscheid met de ruilwaarde, "die altijd uitsluitend beschouwd wordt onder het gezichtspunt... niet van de dienst die ze bewijst, maar van de dienst die haarzelf bewezen is in haar productie", Marx, Zur Kritik der politischen Oekonomie, MEW 13, p. 24.

[255] Pol. I, 1258b25.

[256] Ibid., 1260a41-b1: γρ βάvαυσoς τεχvίτης φωρισμέvηv τιv χει δoυλείαv...

[257] Pol. III, 1278a11-13: ... o δ κoιvo βάvαυσoι κα θτες.

[258] Cf. supra, p. 74, over "vrijheid" als het niet-ten-dienste-staan van een ander.

[259] πoλιτικ ρετή .

[260] V, 1133a25v.; zie de vertaling van de gehele passus, die deze syllabus vergezeld: E.N., V.8.

[261] Die Typik antiker Entwicklung, in: Kippenberg (1977), p. 18.

[262] Zoals de zgn. "grenswaardeleer": "als een goed voor verschillende behoeften aangewend kan worden (wordt) de waarde ervan bepaald door de waarde gehecht aan de bevrediging van de minst belangrijke behoefte, die nog voldaan wordt", cf. G.Vandewalle, De Geschiedenis van het Economisch Denken (1976), p. 113.

[263] Die deel uitmaakt van een  ethische probleemstelling.

[264] Heller (1983), p. 360.

[265] Vgl. met de "rechten": het gaat niet om de rechten van de mens als "burger", als "vazal", als "gelovige", enz., maar om die "van de mens", sc.  àls mens.

[266] Maar waarbij het "goede leven", zonder meer, toekomt aan de klasse of stand bij uitstek, namelijk de hoogste.

[267] Over de alle verandering of vernieuwing weerstrevende 'logica' van het kleine boerenbedrijf in combinatie met een "renteniersmentaliteit", zie Wood (1988), pp. 159-160.

[268] Cf. § 8, 1256b30v..

[269] O.c., p. 359. Vgl. Marx, Grundrisse, p. 313: "Wie also die auf das Kapital gegründete Produktion einerseits die universelle Industrie schafft..., so anderseits ein System der allgemeinen Exploitation der natürlichen und menschlichen Eigenschaften... Das Kapital treibt dieser seiner Tendenz nach ebensosehr hinaus über nationale Schranken und Vorurteile, wie über Naturvergötterung, und überlieferte, in bestimmten Grenzen selbstgenügsam eingepfählte Befriedigung vorhandner Bedürfnisse und Reproduktion alter Lebensweise". Cf. ook in de Vormen, p. 29 (= Grundrisse, pp. 387-8): "Vandaar dat enerzijds de kinderlijke antieke wereld superieur lijkt. Aan de andere kant is ze dat ook, in zoverre men een afgeronde gestalte, vorm en vaststaande grenzen verlangt. Ze is bevrediging op een bekrompen (bornierten) standpunt, terwijl het moderne onbevredigd laat, of, waar het zelf wel bevredigd schijnt te zijn, gemeen is".

[270] Heller, o.c., p. 361.

[271] De rijksten moesten zelfs dienen in de cavalerie - wat nog veel kostelijker was.

[272] Cf. Finley (1981b), p. 90: "The rich therefore paid for the wars as well as fighting in them".

[273] Metaphysica Λ , 10, 1075a19-22.

[274] Zie, in Xenophoons Memorabilia, IV.5, 2-11, de "hymne aan de matigheid beschouwd als vrijheid"  -  zo Michel Foucault (1984), p. 93; diens kapittels, "Enkrateia"  en "Liberté et Vérité",  pp. 74-107, zijn hieromtrent "verplichte lectuur".

[275] Cf. Pol. I.5, 1254a34v.

[276] Een echt, technisch, woord voor "geld" ontbreekt in het Grieks (maar misschien moeten we dat ook zeggen voor het Nederlandse woord "geld"?). Het woord χρήματα, chrèmata, oorspronkelijk gebruikt voor "(waardevolle/nuttige) goederen"  of "bezittingen", werd in de klassieke periode het meest gebezigde woord voor "geld" (daarnaast ook nómisma). De "meest eigenlijke chrèmatistikè" is dus de chrematistiek die, "letterlijk", op "geldverwerving" is gericht. Voor een bespreking van de Griekse geldterminologie, zie bv. Von Reden (1995), pp. 173-175.

[277] Ibidem, 1257b22. Zie de vertaling van Politica 1, bij deze syllabus: kap. 9.

 

NAAR HOOFDSTUK 5

• Inhoudstafel • CIE-Index •

Update: 14 juli 2008