"PHUSIS & POLIS": ARISTOTELES' PRAKTISCHE FILOSOFIE

door Herman De Ley*

• Inhoudstafel • CIE-Index •

 HOOFDSTUK 2:

ARISTOTELES' WERKEN

2.1. Inleiding.

In eerste instantie, presenteert Aristoteles' filosofisch-literaire oeuvre zich aan ons onder twee verschillende gedaantes: (a) als het zogenaamde Corpus Aristotelicum,­ dat een 40-tal (bewaarde) teksten omvat, van erg ongelijke lengte; (b) onder de vorm van een aantal "lijsten" of catalogi, overgeleverd in de Vitae.

Wat die lijsten betreft, uit de (latere) oudheid zijn er drie tot ons gekomen, die zo wat 200 verschillende titels bevatten van aristotelische geschriften[] [1]:

(1) de lijst in de Vita van Diogenes Laertios [2];

(2) de lijst in de Vita Hesychii [3]:

Beide catalogi gaan terug op een gemeenschappelijke bron (Hermippos?), "die in alle geval vóór de uitgave van Andronikos ligt" [4] - i.e. vóór de 1ste eeuw v.o.t.. Vandaar dat het slechts uitzonderlijk mogelijk is titels ervan te identificeren m.b.v. de bewaarde geschriften; titels als "Metaphysica", "Physica", e.d. ontbreken zonder meer. De lijst bij Diogenes kan worden ingedeeld in de volgende rubrieken: nrs. 1-19: (overwegend) dialogen; 20-24: Platoonexcerpten; 25-73: logische en dialectische teksten; 74-76: politieke geschriften; 77-89: retorische en stilistische; 90-110: natuurfilosofische en biologische; 111-116: mathematische, astronomische en muziektheoretische; 117-128: Aporemata, Problemata; 129-143: verzamelwerken; 144: Brieven; 145-146: gedichten. In de lijst van Hesuchios zijn nrs. 1-139 grotendeels identiek aan die van Diogenes; nrs. 140-197 is de zogenaamde Appendix Hesychiana, een latere toevoeging waarvan de herkomst omstreden is.

(3) Een lijst die bewaard is in de Arabische overlevering, namelijk in de geschiedenis van de (filosofische) geneeskunde door Ibn Abî Usaybica (gest. 1270): de lijst gaat, indirect, terug op Ptolemaios-al-Gharib [5] en, middels tal van tussenschakels, op de lijst die werd samengesteld door Andronikos [6].

 

2.2.  Aristoteles'  Oeuvre.

Aristoteles' leermeester, Platoon, heeft volgens de overlevering, naast zijn ("gepubliceerde" en integraal bewaarde) dialogen, een aantal van zijn filosofische inzichten voorbehouden voor  mondelinge uiteenzettingen: de zogenaamde "ongeschreven leerstellingen" (γραφα δόγματα). Daarmee in contrast heeft Aristoteles zijn volledige filosofische arbeid op schrift gezet[7]. Binnen dat filosofisch-wetenschappelijk oeuvre, nochtans, onderscheidde ook hij twee groepen van teksten[8]:

1°)  de zogenaamde λόγoι ξωτερικoί (logoi exoterikoi), d.w.z. bestemd "voor buiten";

2°)  de zogenaamde λόγoι περ φιλoσoφίαv (logoi peri philosophian), d.w.z. "de wetenschap betreffende".


2.2.1. De eerste groep behelsde vooreerst Aristoteles' literaire - d.w.z. door hem "uitgegeven[9] en "afgesloten[10] - teksten. Doorgaans van 'protreptische' of 'wervende' (propagandistische) aard, waren ze bestemd voor het Griekssprekende, geletterde publiek "buiten" de school. De groep omvatte bovenal dialogen: Grullos, Eudemos, Politikos, Sumposion, Over filosofie, Over rechtvaardigheid, enz., maar ook teksten als de (brief) Protreptikos[11] (of "Aansporing, sc. tot de filosofie") en het "Over de vormen"[12] (kritiek op Platoons Vormen- of Ideeënleer).

Met zijn dialogen sloot Aristoteles zich formeel aan bij de sokratisch-platoonse traditie (cf. ook de titels). Vanuit inhoudelijk oogpunt, nochtans, had zich reeds bij de latere Platoon een belangrijke verschuiving voorgedaan: de dialoog had zijn dramatische directheid en dialectische eenheid verloren en was geëvolueerd tot een 'schijngesprek'. De dialoogvorm, anders gezegd, fungeerde niet langer als het (sokratische) instrument bij uitstek voor filosofische reflectie en onderzoek; ze diende nog enkel didactische en/of vulgariserende doeleinden, als een soort van uitgeschreven "panelgesprek" waarin uiteenlopende standpunten naast elkaar werden geplaatst en getoetst aan de autoriteit van de auteur (of diens 'masker').[13]

Ook verzamelwerken van logisch-scholastische en propedeutische aard[14] behoorden tot deze groep, evenals, in het algemeen, de voor de Peripatos zo typische, thematische  materiaalverzamelingen[15]: overwinnaarslijsten (Olympische en Pythische spelen), didaskalieën[16],"Gebruiken"[17], (158) "Politieke regimes"[18]; "Over/Tegen de Pythagoreërs"[19], "Over de dichters", "Verzameling van retorika-handboeken"[20], enz. Voor zulke encyclopedische arbeid schakelde Aristoteles ook systematisch zijn leerlingen en assistenten in: zo verzamelde (en besprak) Theophrastos de δόξαι (doxai),  of doctrines, van de natuurdenkers; redigeerde Eudemos een geschiedenis van de wiskunde; Menoon een van de geneeskunde, enz.

In tegenstelling tot Platoon, doet zich bij Aristoteles het merkwaardige fenomeen voor dat van zijn "uitgegeven" teksten er niet één rechtstreeks, d.w.z. in handschriftelijke overlevering, tot ons is gekomen. Wie zich een idee wil vormen van deze filosofische productie, die in de oudheid geroemd werd om haar grote literaire kwaliteiten, moet zich tevreden stellen met enkele schaarse citaten of, vaker nog, parafrasen bij latere auteurs[21].


2.2.
De  tweede groep van teksten - die later ook κρoαματικoί werden genoemd, d.w.z. "(bestemd) om aanhoord te worden",  namelijk in hoorcolleges, of ook σωτερικoί, letterlijk "(bestemd) voor binnen, sc. de school" - betrof de zogenaamde πραγματεαι, letterlijk "(ver)handelingen":  onder de vorm van een groot aantal losse traktaten[22] bood ze de - altijd voorlopige - schriftelijke neerslag van de intellectuele "arbeid"  in de onderscheidene wetenschapsgebieden waarop het onderzoek en onderwijs van Aristoteles en zijn medewerkers betrekking hadden[23].

Deze "pragmatieën" - we zouden, zoals Jaeger, ook kunnen spreken van "schoolliteratuur" - vormen het zichtbare bewijs van Aristoteles', in vergelijking met Platoon, radiψale  positieverandering t.a.v. de relatie tussen filosofie en het geschreven woord. Het feit, inderdaad, dat Platoon zijn filosofische teksten in een bijzondere, literaire vorm had gegoten, namelijk die van dialogen, was mede het gevolg geweest van zijn wantrouwen t.a.v. het schrift[24]. Aristoteles' vertrouwen, daartegenover, in het schrift ontsloeg hem a.h.w. van de noodzaak om zijn argumentaties middels een literair veeleisende, 'dramatische' of dialectische vorm te ontwikkelen. Dat had de creatie voor gevolg van een 'zakelijk',  wetenschappelijk proza, waarmee, per definitie, elke filosofische vraagstelling kon verwoord en geargumenteerd worden. Aristoteles heeft zich daarbij ongetwijfeld geïnspireerd op het proza gehanteerd door (sommige) vroegere natuurdenkers en vooral door de zogenaamde "Hippokratische" medische auteurs[25]. Zoals Düring het formuleerde (ik vertaal):

"Aristoteles' pragmatieën moeten dus beschouwd worden als een bijzonder soort van schoolliteratuur, volledig zonder literaire ambities geschreven, wat, en ik wil dat en passant beklemtonen, niet wil zeggen dat zij vanuit ons gezichtspunt bekeken, literaire kwaliteit ontberen. Verschillend van Platoons of Aristoteles' eigen dialogen, werden zij niet beschermd door enig literair eigendomsrecht... (De pragmatieën bestonden uit) notities, die van tijd tot tijd gereviseerd werden om up to date te blijven met nieuwe resultaten en verwezenlijkingen... (Zij vertegenwoordigden) een orale overlevering in geschreven vorm. Aristoteles en zijn medegeleerden waren continu aan het werk met dit materiaal. Hun bijdragen namen de vorm aan van toevoegingen end uitbreidingen"[26].

Blijkens de vorm, inderdaad, waarin deze werkteksten voorliggen[27], werden zij regelmatig door Aristoteles (en anderen?) aangevuld, gecorrigeerd en gereviseerd - overeenkomstig de vorderingen van het onderzoek betreffende een bepaald punt en/of de ermee gepaard gaande discussies[28]. Vandaar een grote disparaatheid en opvallende verschillen in toon, een onregelmatige zinsbouw, lacunes, digressies, abrupte overgangen, een erg elliptische stijl, enz. Toch betekent zulks niét - zoals vaak geschreven wordt - dat we enkel te doen zouden hebben met Aristoteles' "collegeaantekeningen".

Enerzijds is er het feit dat op tal van plaatsen de gedachtegang veel te complex en te gecondenseerd is om louter en alleen via het oor geassimileerd te kunnen worden. Anderzijds is er de vaststelling dat er een voortdurende afwisseling is tussen passussen die literair verzorgd geschreven zijn, en passussen die manifest niét geredigeerd zijn. De eerste vaststelling dwingt ons tot de conclusie dat deze teksten ook bedoeld waren om achteraf  gelezen, of geconsulteerd te worden, in de bibliotheek van de school. Zoals T.J.Saunders opmerkt (ik vertaal, ook de hierna volgende citaten)[29]:

"Het heeft er de schijn van dat we de verslagen hebben van voltooid onderzoek, die in de bibliotheek gedeponeerd werden ter consultatie en voor mogelijke correctie of uitbreiding in het licht van verder onderzoek. Wie er nadien een beroep op deed, vond geen losse notities maar materiaal dat in voldoende mate voluit was geschreven opdat het begrijpelijk zou zijn bij een bewuste en reflectieve lectuur, maar toch voldoende beknopt geschreven om gekopieerd te worden zonder nodeloze arbeid; en het zou open staan voor het invoegen van revisiepassages. Kortom, Aristoteles' werken vergen lezers".

De tweede vaststelling, samengevoegd met andere (bv. dat vragen die geformuleerd worden, onbeantwoord blijven), brengt W.J.Verdenius tot de hypothese dat Aristoteles voortdurend de bedoeling heeft gehad om van deze teksten afgewerkte 'boeken' te maken, die zouden gelezen worden[30]:

"Ik zou suggereren dat Aristoteles, die door Platoon 'de Lezer' werd genoemd, als ultieme bestemmelingen voor zijn werken lezers op het oog had, maar dat hij niet bij machte was zijn gedachten onmiddellijk vast te leggen in de rigiede vorm van boeken. Daarom drukte hij ze eerst uit op een meer losse en tentatieve manier in zijn lezingnotities, maar altijd met in het achterhoofd het ideaal van een voltooide versie. Hij kón dat ideaal koesteren omdat hij geloofde dat de filosofie tot haar voltooiing kon worden gebracht. Daarom verwerkte hij zijn notities op een continue, maar niet systematische manier tot een reeks boeken. Door zijn vroegtijdige dood en door de moeilijkheid om zijn gedachten vorm te geven in een volmaakt samenhangend systeem, werd hem dat belet... Dat betekent dat hij nu eens schrijft als een lesgever, dan weer als een schrijver, onderwijl de publicatie anticiperend van lezingen die in werkelijkheid nog niet gepubliceerd waren".

 

2.3.  Het  Corpus Aristotelicum.

Zoals al gezegd, in het geval van Aristoteles staan we voor de paradoxale situatie dat, terwijl alle door hem 'uitgegeven' teksten voor ons verloren zijn gegaan, we middels een aantal middeleeuwse handschriften het overgrote deel bezitten - namelijk 106 "boeken", d.w.z. papyrusrollen - van de "werkteksten" die Aristoteles tot aan zijn dood[31] a.h.w. nog regelmatig aan het bijwerken ("updaten") was, en die hijzelf als (nog) niet 'persklaar' beschouwde. Dat wonder[32] wordt nog wonderbaarlijker als we bedenken dat de Alexandrijnse bibliotheek, het Mouseion, amper honderd jaar na Aristoteles' dood, op enkele uitzonderingen na[33], klaarblijkelijk niét beschikte over dit integrale wetenschappelijke corpus.

De verklaring voor dit curieuze fenomeen kunnen we lezen bij Straboon[34]; ook al "klinkt (ze) als een roman" (Lesky) en is ze vermoedelijk wat aangedikt, dan lijkt er toch geen reden te zijn om de historiciteit ervan in twijfel te trekken[35]. In mijn vertaling luidt de passus als volgt[36]:

"Van Skepsis afkomstig zijn de sokratici Erastos en Koriskos, evenals Koriskos' zoon, Neleus, een man die leerling was geweest zowel van Aristoteles als van Theophrastos, en die ook Theophrastos' bibliotheek had geërfd, waartoe ook Aristoteles' bibliotheek behoorde. In elk geval heeft Aristoteles de zijne overgelaten aan Theophrastos, aan wie hij ook de school(leiding) naliet, waarbij hij de eerste is geweest, zover ik weet, om boeken te verzamelen en model stond voor de koningen van Egypte inzake bibliotheekorganisatie. Theophrastos, vervolgens, liet (zijn bibliotheek) na aan Neleus. Deze laatste heeft ze meegevoerd naar Skepsis en ze nagelaten aan zijn erven, gewone lieden, die de boeken achter slot hielden, zonder zelfs (de moeite te doen) ze zorgvuldig op te bergen. Toen ze echter de ijver bemerkten waarmee de Attaliden, onder dewelken de polis ressorteerde, boeken bijeenzochten voor de samenstelling van de bibliotheek in Pergamon, verborgen ze de boeken onder de grond, in een soort van greppel. Veel later, nadat de boeken te lijden hadden gehad van de vochtigheid en de motten, werden ze door hun nazaten verkocht aan Apellikoon van Teos voor een groot bedrag - d.w.z. zowel de boeken van Aristoteles als die van Theophrastos. Die Apellikoon, echter, was eerder een bibliofiel (philóbiblos) dan een filosoof. Met de bedoeling, daarom, de weggevreten delen te herstellen, heeft hij nieuwe afschriften van de teksten gemaakt, waarbij hij op een incorrecte manier aanvullingen maakte, (zodanig dat) hij een uitgave van de boeken heeft gemaakt die krioelde van de fouten.

Het resultaat van dat alles was dat de oude Peripatosleden die na Theophrastos kwamen, op enkele uitzonderingen na - en na nog meestal exoterische -, niet over die boeken beschikten, en niets hadden om concreet rond te filosoferen, maar (zich moesten beperken tot het) declameren van gemeenplaatsen; de latere (peripatetici), anderzijds, waren, vanaf het moment dat deze boeken te voorschijn waren gekomen, weliswaar beter dan de (ouderen) in staat te filosoferen en te aristoteliseren, maar waren toch genoodzaakt, omwille van het groot aantal (tekst)fouten, aan het overgrote deel van hun uitspraken (het statuut van) waarschijnlijkheden te geven.

Ook Rome heeft daar veel toe bijgedragen. Immers, kort na Apellikoons dood werd zijn bibliotheek buitgemaakt door Sulla, die Athene had ingenomen, en, hierheen gebracht, werd ze onder handen genomen door Turannioon, de grammaticus, die een Aristotelesliefhebber was en aan de opzichter van de bibliotheek iets had toegestoken. Hetzelfde was het geval met een aantal boekhandelaars die slechte kopiisten gebruikten en nalieten om collaties te maken - wat ook het geval is met andere boeken die gekopieerd werden voor de verkoop, hier (in Rome) zowel als in Alexandrië".


Dit verhaal mag, zoals gezegd, vermoedelijk in grote lijnen als historisch worden beschouwd. Theophrastos' testament liet inderdaad diens gehele bibliotheek, als zijn persoonlijk bezit, na aan Neleus, op dat ogenblik wellicht de laatste overlevende van de Aristotelesgetrouwen 'van het eerste uur'. Aristoteles' manuscripten bleven als gevolg daarvan (letterlijk) begraven in Skepsis, een stadje in de buurt van Assos en Atarneus. Weliswaar lijkt het vast te staan dat Neleus zelf een deel van Theophrastos' nalatenschap verkocht heeft aan koning Ptolemaios Philadelphos, voor diens pas opgerichte bibliotheek van Alexandrië[37].Evenzo lijkt het bijzonder waarschijnlijk dat er van een aantal werkteksten van Aristoteles nog tijdens diens en Theophrastos' leven binnen de school kopieën zijn gemaakt, zodanig dat zij aanwezig en consulteerbaar bleven, in Athene en allicht ook op Rhodos[38] Desalniettemin kan bevestigd worden dat de hellenistische filosofie voor haar kennis van Aristoteles' opvattingen hoofdzakelijk aangewezen is geweest op diens dialogen en, in tweede orde, op de teksten van Theophrastos. Dat was zelfs nog het geval voor Cicero[39].

Straboons verhaal zal ook wel grotendeels kloppen wat de miraculeuze redding betreft van de aristotelische manuscripten. Hijzelf had, vermoedelijk in Rome, Aristotelescolleges bijgewoond van Turannioon en Andronikos, die hem daaromtrent zullen ingelicht hebben. Zijn bewering, nochtans, als zou Apellikoon een 'uitgave' verzorgd hebben van de manuscripten, die weliswaar "krioelde van de fouten", moet met een korreltje zout worden genomen[40]. Zo zal vermoedelijk ook Turannioons bijdrage beperkt zijn gebleven tot het opkalefateren en herschikken van de (erg beschadigde) papyrusrollen, die vervolgens werden overgedragen aan Andronikos[41].

Het was deze Andronikos van Rhodos[42] die, met gebruikmaking van al het beschikbare materiaal, aan het Corpus Aristotelicum de uitgave heeft bezorgd die aan de basis lag van de gehele latere overlevering zowel als van het latere, traditionele Aristotelesbeeld. Aristoteles' dialogen, evenwel, en diens "exoterische" geschriften in het algemeen maakten géén deel uit van deze uitgave. Mede omdat de zogenaamde Aristotelesrenaissance die in deze periode van start ging, juist op de uitgave van Andronikos gebaseerd was, geraakten Aristoteles' literaire teksten in de vergetelheid: ze werden niet meer gelezen, daarom ook niet meer gekopieerd en dus gingen ze verloren.

De wijze waarop hij te werk is gegaan, bij zijn uitgave[43], heeft Andronikos uitvoerig verantwoord in een (verloren gegane) omstandige "Inleiding"[44]. Onze belangrijkste getuige ervoor is de neoplatonicus Porphurios die in zijn Plotinosbiografie (24.6-11) meedeelt dat hijzelf voor zijn uitgave van Plotinos' collegeteksten o.m. Andronikos' methode als model heeft genomen - zodat hij de zogenaamde "Enneaden" niet chronologisch maar thematisch heeft geordend[45].

Andronikos, die zich geconfronteerd zag met meer dan honderd papyrusrollen - aristotelische en niet-aristotelische, d.w.z. peripatetische -, grotendeels zonder expliciete titels, heeft eerst en vooral traktaatjes verenigd in grotere, thematische eenheden. Op die manier kregen oorspronkelijk zelfstandige uiteenzettingen (door Aristoteles μέθoδoι genoemd) het statuut van 'hoofdstukken' in meer omvattende, systematische handboeken; waar nodig werden, aan eind en/of begin ervan, de nodige overgangs- of verbindingsformules toegevoegd. Dat geldt "mit Sicherheit"[46] voor: Rhetorica (in 3 "boeken"), Physica, Meteorologica, De partibus animalium en Metaphysica. Het geldt "möglicherweise" ook voor: Politica, De caelo, De generatione animalium, Parva Naturalia[47].

Vervolgens heeft Andronikos die omvattende leerboeken nog eens een plaats gegeven binnen de grote  deelgebieden waarin de hellenistische scholen de filosofie waren gaan indelen, nl.

(1) vooraan, als "propaideía" tot de filosofie, werden Aristoteles'  logische geschriften geplaatst: Categoriae, De interpretatione, Topica, Analytica Priora en Posteriora, Sophistici Elenchi; ze werden later, door de neoplatonici, samengevat onder de benaming van "Organon", i.e. "Werktuig", sc. van de filosofie;[48]

(2) daarachter volgden, als het eerste deel van de 'eigenlijke' filosofie, namelijk Aristoteles' 'praktische filosofie', de ethische, politieke, poëtische en retorische geschriften: Magna Moralia ("De Grote Ethiek"), Ethica Eudemia, Ethica Nicomachea, Politica, Poetica en Rhetorica[49];

(3) vervolgens kwamen de werken i.v.m. de  fysica (Aristoteles' 'theoretische filosofie'): natuurfilosofie (Physica, De caelo, De generatione et corruptione, Meteorologica), psychologie (De anima, Parva Naturalia) en bio- en zoölogie (Historia Animalium, De partibus animalium, De generatione animalium, De incessu animalium, De motu animalium);

(4) op de vierde en laatste plaats, tenslotte, bracht Andronikos een 12-tal zelfstandige teksten, van ongelijke lengte, samen onder de titel van Metaphysica, letterlijk: τ μετ τ φυσι κά (sc. βιβλία?), "de (boeken) na de fysische[50].

Wat bij dit alles verdient onderstreept te worden, is dat Andronikos' redactionele arbeid vertrok van een visie op de filosofie, in het algemeen, en op de aristotelische in het bijzonder, die "fundamenteel onaristotelisch, maar wel goed hellenistisch is[51]. Het was Andronikos er m.a.w. om te doen, bij Aristoteles dàt te vinden wat kenmerkend was voor de filosofie van zijn tijd: namelijk een samenhangend filosofisch  systeem. Andronikos ligt daarmee aan de basis van het zogenaamde  scholastisch Aristotelesbeeld dat omzeggens tot in de 20ste eeuw algemeen geldig is gebleven. Het hield in dat Aristoteles' teksten allemaal een vaste plaats hadden in een allesomvattend, definitief filosofisch systeem - anders gezegd: dat ze een summa vormden, zodat Aristoteles verheven kon worden tot "il maestro di color che sanno", "de Meester van degenen die weten", zoals Dante hem zou noemen, in Inferno, zang 4, v. 131.

In werkelijkheid, echter, was Aristoteles bovenal "Problemdenker und Methodenschöpfer" - zoals Düring schrijft[52]. De systematiserende trend van zijn denken uitte zich op het vlak van de probleemstellingen; het was hem m.a.w. te doen om "problemensystematiek" (Düring): hij stond principieel kritisch bv. tegen de literaire, vaag geformuleerde en allusieve beweringen die in Platoons dialogen ontwikkeld werden. Hij was er voortdurend op uit, de  aporieën bloot te leggen, d.w.z. de theoretische moeilijkheden, die juist 'gemaskeerd' werden door Platoons "poëtische metaforen" (Met. A, 991a22), en deze (deel)problemen vervolgens onder te brengen in grotere (probleem)samenhangen. Weliswaar was hij er principieel van overtuigd dat de "philosophia" kón voltooid worden, en dat ze ook spoedig zoú voltooid worden, namelijk door hemzelf en zijn medewerkers. De "pragmatieën", evenwel, als schriftelijke neerslag van (de voorlopige stand van) het  onderzoek, zijn a.h.w. per definitie de uitdrukking, niet van voltooidheid (tenzij van verspreide onderdelen: cf. de soms literaire stijl van dergelijke delen), maar van de "beweging" (κίvησις) nààr dat definitieve telos[53].

Andronikos' uitgave van de aristotelische "pragmatieën" legde de basis van het zogenaamde  "aristotelisme". Gedragen door een steeds maar aangroeiende stroom van zogenaamde prolegomena- en commentarenliteratuur, zou het aristotelisme de armatuur vormen van de laat-antieke filosofische traditie, zoals zij ook door de middeleeuwse (christelijke, islamitische en joodse) scholastici zou ontvangen worden. De lectuur en studie, inderdaad, van déze 'Aristoteles' (dus in onderscheid met de zogenaamde "exoterische") stelde aan de laat-antieke filosofie-, later ook: theologie-studenten, hoge eisen. Taal en stijl ervan waren voor deze lezers volkomen vreemd geworden; bovendien waren zij niet op zoek naar "aporieën", d.w.z. vraagstellingen, maar naar antwoorden, naar kant-en-klaar kennis. Aristoteles' filosofie, daarom, moest m.b.v. inleidingen, parafrasen, samenvattingen, commentaren, enz. in een systematische, scholastische vorm worden gegoten, zodat ze  onderwijsbaar werd in de laat-antieke en middeleeuwse scholen.

Eén van de eerste, parafraserende commentaren, na Andronikos, was van de hand van de politicus-diplomaat, historicus en filosoof, Nikolaos van Damaskos (geb. ca 64 v.o.t.)[54]. Verder dienen nog even vermeld te worden: Alexander van Aphrodisias, tussen 198 en 211 houder van de keizerlijke peripatetische leerstoel in Athene; en in het zogenaamde neoplatonisme, gebaseerd op de 'verzoening' tussen Platoon en Aristoteles, de al vermelde Porphurios (3de eeuw). Vooral met zijn (E)isagoge, of "Inleiding", bij de aristotelische categorieënleer, heeft hij er op een beslissende manier toe bijgedragen dat alle latere filosofiebeoefening gestoeld werd op een vorming in de aristotelische logika.

Wat de  tekstoverlevering betreft, op basis van Andronikos' uitgave heeft de geschiedenis ervan grosso modo de vorm aangenomen van vier verschillende overleveringstakken (met subsecties), die min of meer overeenstemmen met de vier groepen van Andronikos' uitgave. Algemeen kan worden gezegd dat Aristoteles de (profane) Griekse auteur is die op het vlak van de handschriften de grootste verspreiding heeft gehad: cf. de meer dan duizend Griekse handschriften uit de 9de tot de 16de eeuw.[56]

De zogenaamde editio princeps van het Aristotelescorpus was de "Aldina", d.w.z. de gedrukte uitgave door Aldus Manutius, 1495-98, te Venetië. Maar de basisuitgave voor het hedendaagse Aristotelesonderzoek werd de "Gesamtausgabe" door Immanuel  Bekker, bij de al vermelde Berlijnse Akademie, 1831-1870, in vijf monumentale banden. Zij verschilt in zoverre van de ordening van Andronikos, dat Andronikos' tweede onderdeel - namelijk de ethische en politieke teksten (i.e. de 'praktische filosofie') evenals de retorische en de Poetica (door Bekker geïnterpreteerd als betrekking hebbende op de "poietische" of "productieve wetenschap") - achteraan werd geplaatst.

Het is de paginering van de Bekkerse uitgave, namelijk in de (Griekse) banden I en II, met de regels afgedrukt in twee kolommen per bladzijde, namelijk 'a' en 'b', die sedertdien gebruikt wordt als verwijzingssysteem voor de aristotelische tekst, ook in de latere tekstuitgaven (bv. "De interpretatione, 17a5"= pagina 17, kolom a, lijn 5). Een aantal jaren geleden heeft de Zwitserse geleerde, Olof Gigon, een gedeeltelijke herziene herdruk bezorgd van de Bekkerse uitgave, met gewijzigde bandenindeling.

Wat de meer recente uitgaven van (substantiële delen van) het Corpus betreft, eventueel met vertaling, kan verwezen worden naar de Engelse reeks "Oxford Classical Texts" (geen vertaling), de Franse "Collection Budé" (met vertaling) en de Amerikaanse "The Loeb Classical Library" (met vertaling[59]). De meest recente en meest handzame, Engelse totaalvertaling is ongetwijfeld: The Complete Works of Aristotle. The revised Oxford Translation, ed. by Jonathan Barnes, 2 volumes (Bollingen Series LXXI, 1 & 2), Princeton 1984, 2487 blz. (met index); ze volgt de ordening van Bekker. Wat nog de Nederlandse vertaling van het corpus betreft, kan gewezen worden op het ambitieuze project bij de Historische Uitgeverij, in Groningen, dat gestart is in de jaren '90 van de 20ste eeuw;  reeds een 10-tal volumes werden daar gepubliceerd (zie de lijst op de website van de HU: klik hier).

 

2.4.  De  Moderne  Aristotelesstudie.

Tot aan het begin van de 20ste eeuw werd het aristotelische Corpus bestudeerd als een statisch en 'tijdloos' systeem. Terwijl men zich in het geval van Platoon reeds vroeg verzoend had met het idee dat diens denken, tussen de eerste en de laatste dialoog, een hele ontwikkeling had doorgemaakt, werd het ook na de Scholastiek nog als 'godslasterlijk' beschouwd een dergelijke, genetische benadering ook te hanteren voor "de Meester van degenen die weten". De interne tegenstrijdigheden die zich wel degelijk manifesteerden tussen verschillende onderdelen van het Corpus, werden 'opgelost' b.m.v. de zogenaamde authenticiteitskritiek: zo werden de meeste dialoogfragmenten voor niet-aristotelisch gehouden; het werkje, Categoriae, kende hetzelfde lot.

De definitieve doorbraak van de  genetische benadering - waarbij ogenschijnlijke tegenspraken gingen gewaardeerd worden als aanwijzingen voor verschillende ontwikkelingsstadia in Aristoteles' denken - was vooral te danken aan de (in oorsprong) Duitse filoloog, Werner  Jaeger, met zijn in 1912 gepubliceerde dissertatie, Studien zur Entstehungsgeschichte der Metaphysik, en, vooral, zijn algemene studie, Aristoteles. Grundlegung einer Geschichte seiner Entwicklung, van 1923.[60] Daarmee kwam er een nieuw begrip tot stand van Aristoteles' oeuvre, namelijk niet als de weergave van een star systeem, maar als de levende uitdrukking van een zich ontwikkelende persoonlijkheid.

Jaegers benadering (die spoedig werd overgenomen en verder uitgewerkt door historici als E.Bignone, F.Solmsen, F.Nuyens, e.a.) kwam er in de praktijk op neer, niet enkel dat de verschillende "pragmatieën", respectievelijk deelteksten ervan, op een tijdsschaal werden geplaatst, maar dat ook kleinere onderdelen, paragrafen, zelfs  zinnen, uit hun overgeleverde context werden gehaald en toegewezen aan verschillende periodes in Aristoteles' loopbaan. Naar analogie met wat er zich vroeger, in de Homeroskritiek, reeds had voorgedaan, kwam men dus ook voor Aristoteles tot een soort van "Schichtentheorie". Een typisch resultaat van Jaegers aanpak was de reconstructie van "oer-" of "proto-" fazen van de grote werken, die dus ten grondslag zouden hebben gelegen aan de werken zoals ze ons uiteindelijk werden overgeleverd[61]: Jaeger zelf had het over een "Urmetaphysik", een "Urethik" en een "Urpolitik". Een absurd gevolg weliswaar van het 'verknippen' van de overgeleverde aristotelische tekst in 'vroege' en 'late' stukjes, was dat uiteindelijk Aristoteles zelf a.h.w. 'zoek raakte': de thesis van Joseph Zürcher[62], dat belangrijke onderdelen van het Corpus, in de eerste plaats de Metaphysica, niet door Aristoteles maar door Theophrastos (en andere schoolleden) zouden zijn opgesteld, lijkt het 'logische' eindpunt te zijn van een hol op geslagen genetische aanpak[63].

Wat evenwel in het meer recente Aristotelesonderzoek vooral onder vuur is komen te liggen i.v.m. Jaegers benadering, is het criterium dat Jaeger en zijn volgelingen hebben gehanteerd om de aristotelische teksten en tekstgedeelten op een chronologische as te plaatsen: namelijk de grootte van Aristoteles' (filosofische)  afstand tot Platoon en diens Vormentheorie. Jaeger ging er, anders gezegd, van uit dat Aristoteles tot aan Platoons dood - en dus tot aan zijn 38ste levensjaar - een trouwe volgeling van Platoon was geweest. De dood van zijn meester en de erop volgende breuk met het platonische milieu zouden vervolgens bij Aristoteles een "crisis" hebben teweeggebracht. Tijdens zijn "Wanderjahre"  in het noorden zou hij zich filosofisch-programmatisch hebben losgemaakt van de platoonse denkwereld, i.e. van de Vormentheorie, en zou hij de speculatieve aanzet hebben ontwikkeld tot een eigen systeem (nl. in de "Oermetaphysica",  enz.). Aristoteles' tweede Atheense periode, tenslotte, zou de tijd zijn geweest van zijn empirische opzoekingen en geschriften. Dat levert dus het vrij simpele  ontwikkelingsschema op van een getrouw platonische aanvangsfase[64], via een "krisis, naar een groeiende aafstandname van Platoon, resp. meer empirische houding, om tenslotte uit te monden in een uitdrukkelijk empirische opstelling en werkwijze (cf. de biologische werken, bv.).

Na een periode van enthousiaste toepassing van de genetische benadering[65] is er in de wereld van de Aristotelesstudies, mede omwille van de zeer uiteenlopende, tegenstrijdige en soms zelfs absurde resultaten van de enorme inspanningen die geleverd werden, een reactie ingetreden.[66]. Gebleken is dat men van de genetische aanpak wel iets, maar niet alles mag verwachten; dat het niet opgaat aan een denker als Aristoteles een uiteindelijk vrij simplistisch en mechanisch ontwikkelingsschema op te leggen. Maar men is vooral gaan beseffen dat, hoe de precieze ontwikkeling van Aristoteles' denken ook moge verlopen zijn, diens filosofisch-wetenschappelijk oeuvre - dat hij dan toch zelf in zijn geheel heeft bewaard, en allicht is blijven gebruiken in zijn onderwijs - onvermijdelijk gedragen werd door een aantal filosofische constanten, door een filosofische  basisintuïtie die zich tijdens zijn gehele ontwikkeling gehandhaafd heeft. Vandaar dan het besef dat het begrijpen van deze 'logische structuur' àchter de tekstuele verscheidenheid belangrijker is dan de kennis van de eventuele chronologische volgorde waarin die teksten oorspronkelijk geschreven werden.

Heden ten dage bestaat er een brede consensus over de conclusie, zoals geformuleerd door Flashar,

"dat de resultaten van Jaeger in hun totaal concept zowel als in vele details als mislukt moet worden beschouwd" (dass die Ergebnisse Jaegers im Gesamtkonzept wie in vielen Einzelheiten als verfehlt anzusehen sind)[67].

Meer bepaald Aristoteles' verhouding tot Platoon blijkt veel te complex geweest te zijn, dan dat ze zich tot één formule zou laten herleiden. Zo komt Dirlmeier tot de conclusie:[69] "Erstens: Aristoteles is Empiriker am Anfang und am Ende... Zweitens: Aristoteles ist Platoniker am Anfang und am Ende".

Zelfs in de fragmenten van vroege teksten zoals de dialoog Eudemos en de Protreptikos, die Jaegers' 'kroongetuige' waren voor een 'zuiver platonische' periode, zelfs daarin reeds geeft Aristoteles, bij nader toezien, blijk van een kritische, 'aristotelische' ingesteldheid[70]. De afwijzing, bovenal, van de platoonse Vormen- of Ideeënleer en Aristoteles' eigen 'categorieënleer' - die we als het resultaat van die afwijzing kunnen beschouwen - komen al voor in de Topica-boeken over dialectiek, waarvan nu algemeen wordt aanvaard dat ze tot Aristoteles' vroegste werken, in de Akademie, behoren.

Dat alles betekent niet dat Jaegers historische verdiensten geen erkenning meer zouden krijgen in de meer recente literatuur. Als onbetwist geldt dat zijn Aristoteles een buitengewone "protrepticus" is geweest, en zal blijven, voor de moderne Aristotelesstudie[71]. Het "post-Jaeger" Aristotelesonderzoek van de laatste decennia heeft zijn bekroning gevonden in het dikke Aristoteles-boek, "Darstellung und Interpretation seines Denkens", van 1966, van Ingemar Düring[72]. Naar het oordeel van Flashar[73], moet het gewaardeerd worden als "die repräsentative Synthese unserer Zeit", waarin Düring zowel een reeks eigen voorstudies als het Aristotelesonderzoek in het algemeen heeft samengevat tot een indrukwekkende "Gesamtdarstellung" - ook al is de kwaliteit van de verschillende onderdelen wat ongelijk.

Precies wat Jaegers centrale criterium betreft, namelijk Aristoteles' verhouding tot Platoon, concludeert Düring[74]:

"dat de jonge Aristoteles zich vanaf het begin tégen Platoon opstelde. Het belangrijkste hierbij is niet dat Aristoteles Platoon in één of andere detailvraag bekritiseerde, maar dat zijn principiële instelling, zijn onderzoeksprogramma en zijn methode vanaf het begin grondig verschilden. Dat belette hem natuurlijk niet, zowel gedachtegoed als denkstructuren van Platoon over te nemen en te versmelten in zijn eigen filosofie. Volgens mijn werkhypothese plaatste Aristoteles zich in het begin sterk in oppositie met Platoon en stuurde hij het erop aan, zijn oppositie zo dikwijls mogelijk en soms niet zonder scherpte te beklemtonen. Die felle polemiek is echter tegelijk de uitdrukking van een innerlijke onzekerheid bij de jonge denker. Naarmate hij zijn eigen standpunten zekerder en preciezer kan formuleren, wordt hij ook verdraagzamer en positiever in de beoordeling van de inzichten van zijn tegenspeler. Dat komt ook in de toon en de stijl tot uiting. Als rijp denker erkent hij volledig de grootheid van Platoon. De ontologie die hij in (Met.) Γ , Ζ , Η & Θ ontwikkelt, betekent in zekere zin een terugkeer naar de platonische vraagsteling".

En in zijn RE-artikel (1968) vinden we nog de volgende twee vaststellingen, die enkel op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken, nl.:

"in der philosophiehistorischen Perspektive steht (Aristoteles) für uns als der Vollender der platonischen Philosophie da[75], en

"es ist keine Übertreibung zu sagen, dass seine Philosophie sich in ständiger Auseinandersetzung mit Platon entwickelte[76].

 

2.5.  Relatieve  Chronologie.

Eén van de belangrijkste "tastbare" resultaten van Dürings Aristotelesonderzoek is ongetwijfeld dat hij, zij het als een "werkhypothese", tot een "relatieve chronologie van Aristoteles' geschriften" is gekomen; in haar grote lijnen, heeft zij een vrij algemene instemming gevonden[77]. Voorafgaandelijk merkt hij op (1°) dat het hem als "vrij zeker" voorkomt dat alle, in het Corpus bewaarde geschriften geschreven werden nà Platoons Timaeus, Theaetetus, Parmenides en De Sofist; (2°) dat we ons goed voor ogen moeten houden dat al deze teksten door Aristoteles a.h.w. tot op de dag van zijn dood voortdurend zijn bijgewerkt, aangevuld, enz.

Düring ordent dus op de volgende manier de aristotelische teksten (en dus: 'ontwikkelingsstadia') binnen de drie  hoofdetappes in Aristoteles' leven:

(1)  Akademietijd (367-347):

a)    vóór 360 (Platoon: Phaedrus, Timaeus, Theaetetus, Parmenides): Περ δεv (De ideis); Grul(l)os; classificatorische "Vorarbeiten"  en materiaalverzamelingen van het type Διαιρέσεις (Divisiones), Θέσεις , Συvαγωγαί , Παρoιμίαι.

b)    360 - ca 355 (Platoon: Sofist, Politicus): Categoriae, De interpretatione (Hermeneutica); Topica II-VII, VIII, I, IX; Analytica Priora & Posteriora; de dialoog Περ φιλoσoφίας; het referaat over Platoons (mondelinge) lezing Περ τγαθo; het geschrift Λ van de Metaphysica; de dialoog Περ πoιητv ; πoρήματα μηρικά; de oorspronkelijke versie van de Poetica, Retorica I-II (zonder II, 23-24); de oorspronkelijke versie van de Magna Moralia.

# In Dürings commentaar hierbij[78] is vermeldenswaard dat voor deze periode typisch is dat Aristoteles op zo goed als alle terreinen uitgaat van platoonse vraagstellingen, maar dat hij er anderzijds op gebrand is, o.m. in zijn onderwijs, op een "strijdlustige en oppositionele" manier zijn éigen standpunten naar voren te brengen. Hij verwerpt Platoons Vormenleer en houdt lezingen o.m. over de techniek en opgave van de dialectiek, de wetenschappelijke bewijsvoering en de retoriek; over de tragedie en het epos. Hij formuleert zijn filosofische "Weltanschauung" in de dialoog "Over de filosofie", voor het brede publiek, en in Met. Lambda voor intern akademisch gebruik: zij impliceert o.m. een theorie over de ontwikkeling van de cultuur, sedert de oertijd (de laatste zondvloed) tot de bloei van de filosofie in zijn eigen tijd, evenals een theorie over het goddelijke in de kosmos. Aristoteles' belezenheid is "erstaunlich: er ist wohl vertraut mit den Schriften der vorsokratischen Denker, de Sophisten und der Mediziner; er kennt die alte Poesie und die dramatische Literatur, die er fleissig zitiert; besonders gern zitiert er Verse des Euripides". In zijn Poetica gaat hij uit van Platoons notie van de mimèsis; in de Rhetorica kiest hij Platoons Phaedrus als uitgangspunt. Hij geraakt verwikkeld in een 'vete' met de school van Isokrates.

c)    Van ca 355 tot Platoons dood, 347 (Platoon: Philebus, Wetten, Epistula VII): natuurfilosofie en kosmologie: Physica I en II, VI, III-VI; De caelo; De generatione et corruptione, Meteorologica IV.

Kontroverse rond de Vormenleer: M §9b, 1086b21-N, A, I, M §§ 1-9, B van de (latere) Metaphysica-verzameling. Rhetorica I-II herwerkt; Rhet. III, Περὶ λέξεως. Ethiek: Ethica Eudemia. Dialoog Eudemos, de Protreptikos; andere, exoterische teksten, bv. het Περ δικαιoσύvης Over Rechtvaardigheid).

# Dertig jaar oud, heeft Aristoteles voor zichzelf reeds de positie van geleerde uitgebouwd. Hij richt zich nu op de kennisgebieden waarvoor Platoon slechts weinig belangstelling heeft getoond. Hij legt de basis voor een (betrekkelijk) zelfstandige natuurfilosofie; op het vlak van de "eerste filosofie", d.w.z. de studie van de eerste principes, verdedigt hij zijn eigen opvattingen o.m. via een vaak onverbiddelijke kritiek van de posities van Platoon, Speusippos en Xenokrates; m.b.v. zijn begrippenkader kan hij tot een "geniale synthese" komen, die een oplossing biedt voor de sinds Parmenides gestelde problematiek van de verhouding tussen de zintuiglijke wereld en de 'werkelijkheid', en van verandering en ontstaan, in de natuur. Hij fundeert zijn ethiek. In de Eudemos  behandelt hij de koerante opvattingen over de ψυχή. In antwoord op de Akademiekritiek van Isokrates (in diens Antidosis), schrijft hij de Πρoτρεπτικός (λόγoς), formeel gericht aan de Cyprische vorst Themisoon, maar in werkelijkheid een (propagandistische) oproep tot de jongeren in de Atheense scholen. "Seine Schriften aus dieser Periode strotzen von Vitalität und Selbstvertrauen. Wir dürfen diese Periode als den Höhepunkt seines Lebens betrachten"[79].

(2)  De  "Wanderjahre":  Assos, Mutilene, Makedonië (347-334):

- Natuurkunde, zoölogie en botanika: Historia Animalium I-VI, VIII; De partibus animalium II-IV; De incessu animalium; de verloren materiaalverzamelingen Ζωικά en vατoμαί; Meteorologica I-III. De eerste ontwerpen van de Parva Naturalia en De anima (Περί ψυχῆς); het verloren geschrift over de botanika.

- Politieke theorie: Politica I en VII-VIII; uittreksels uit Platoons Wetten; wellicht een belangrijk aantal van de 158 constituties (πoλιτεαι πόλεωv) die Aristoteles en Theophrastos verzamelden; de verloren verzameling Νoμικ βαρβαρικά, e.a.

# In een nieuwe omgeving begint Aristoteles zijn levenslange samenwerking met Theophrastos. Met hun getweeën brengen ze een immens materiaal bijeen, gebaseerd op eigen observaties, 'horen zeggen' en de bestaande literatuur. Meer dan vroeger richt Aristoteles zich op de empirische waarneming, maar alles staat ten dienste van zijn hoofdproject: het intelligibel-maken van het natuurgebeuren b.m.v. vergelijkende structuuranalyses.

(3)  Tweede  Atheense  Periode, 334-322:

- Retorica I, §§ 23-24, geschreven en geïntegreerd in Rhet. II; Rhet. I-II en III herwerkt.

- Politica II, V-VI, III-IV; waarschijnlijk werd de verzameling constituties verder vervolledigd door Aristoteles en Theophrastos.

- Literatuurgeschiedenis: de overwinnaarslijsten van de Olympische en Pythische spelen en van de Atheense dramatische festivals, en daarmee verwante geschriften.

- "Eerste filosofie": (Met.) Γ , Ε , ΖΗΘ.

- Physica: waarschijnlijk b. VIII.

- Natuurkunde en psychologie: De partibus animalium I (gedeeltelijk uit oudere ontwerpen); De generatione animalium; De motu animalium; waarschijnlijk de bewaarde versie van Parva Naturalia en De anima.

- Ethiek: Ethica Nicomachea.

- Gedichten: Platoonelegie, epigram voor het Hermiasbeeld, Hymne aan de Deugd (ter ere van Hermias).

# Aristoteles' zogenaamde 'psychologische' periode. Hoewel er tussen zijn vertrek uit de Akademie en zijn terugkeer naar Athene slechts enkele jaren verlopen zijn, is er, volgens Düring, een duidelijk verschil te merken in stijl en toon t.o.v. de vroegere geschriften. Ook nu polemiseert Aristoteles nog met andere denkers (o.m. Platoon), maar dat gebeurt op een minder scherpe, meer omzichtige manie[82]. M.b.t. de geschriften ΖΗΘ (Met.), De motu animalium en De generatione animalium merkt Düring op dat geen enkel ander geschrift in het Corpus "naar inhoud en fundering zo rijp en zo veelzijdig is als deze drie"[83]; hetzelfde geldt z.i. voor de Nikomachische Ethiek, in vergelijking met de andere ethische werken.


Aan het einde van zijn RE-artikel[84] concludeert Düring:

"Trotz der Gegenständlichkeit seines Denkens ist Aristoteles im grossen und ganzen theoretischer und spekulativer als Platon. Er ist der Prototyp des gelehrten Professors. Mit ihm beginnt die Ära des Gelehrtentums" ("ondanks de zakelijkheid van zijn denken is A. in zijn geheel genomen theoretischer en speculatiever dan Platoon. Hij is het prototype van de geleerde professor. Met hem begint de periode van het geleerdendom").

Wat Dürings Aristotelesbeeld dus betreft, mogen we, met Flashar[85], besluiten dat, ondanks enkele overeenkomsten met Jaeger qua datering, het  totaalbeeld volledig verschillend is. Vooral opvallend is hoe Aristoteles' Akademieperiode onomwonden opgevuld wordt met talrijke pragmatieën waarin Aristoteles zijn eigen doctrine ontwikkelt. Meer nog: de derde subperiode ervan dient zelfs, volgens Düring, als "het hoogtepunt" van Aristoteles' loopbaan geapprecieerd te worden[86].

Van een "ontwikkeling" van Aristoteles' denken is bijgevolg voor Düring nog slechts in erg betrekkelijke zin sprake. Zij verloopt geenszins via een toenemende distanciëring t.a.v. Platoon, maar ze dient vooral begrepen te worden "als een verdieping en een rijping van het denken, waarbij de continuïteiten sterker naar voor komen dan de verschillen tussen de afzonderlijke fazen"[87]. De chronologie van Aristoteles' geschriften neemt derhalve niet meer dezelfde sleutelpositie in, voor een goed begrip van Aristoteles' filosofie, als dat het geval was voor Jaeger.

 

_________________________

 Naar hoofdstuk 3


NOTEN:

[1] Cf. de samenvatting bij Flashar (1983), p. 190; voor een uitvoerige studie ervan, zie P.Moraux, Les listes anciennes des ouvrages d'Aristote (Louvain 1951); Gigon (1987), p. 3, maant tot grote voorzichtigheid aan, bij het omgaan en interpreteren van dergelijke lijsten, die onvermijdelijk, in de traditie, tal van corrupties en aanpassingen hebben ondergaan; ook de antieke criteria voor echtheid en onechtheid van bepaalde teksten kunnen z.i. voor ons slechts een betrekkelijke geldigheid hebben; zie, ibidem, p. 201.

[2] V, 22-28: zie Düring (1957), pp. 41-50.

[3] Düring, o.c., pp. 83-89.

[4] Flashar, l.c.

[5] Düring, o.c., pp. 222-231.

[6] 1ste eeuw v.o.t.; zie verder.

[7]  Cf. ook zijn bijnaam van "de lezer".

[8]  Cf. bv. Eudemische Ethiek , 1217b22.

[9]   κδεδoμέvoι , Poetica, 1454b17-18.

[10] πηλλαγμέvoι , Eudemische Ethiek, 1220b10.

[11] Πρoτρεπτικός ( λόγoς ).

[12] Περ δεv .

[13] De Romein Cicero (1ste eeuw v.o.t.), die eveneens het genre van de filosofische dialoog zou beoefenen (in het kader van zijn project om de Griekse filosofie te integreren in de Romeinse "humanitas"), zou zich uitdrukkelijk beroepen op Aristoteles en diens literaire kunst: cf. zijn Academica Priora, II, 38, 119, waar hij het heeft over de "gouden stroom" van Aristoteles' discours (flumen orationis aureum).

[14] Bv. de Διαιρέσεις (Divisiones), in 16 boeken.

[15] Συvαγωγα περ τo δε. Cf. Lynch (1972), p. 89: "(The sunagôgê type of writing) was so distinctive that almost everyone in the Hellenistic Age who produced a sunagôgê was labeled a 'Peripatetic' whether or not he had anything to do with the school at all".

[16] Gebaseerd op archiefmateriaal, gaven de "didaskalieën" informatie over de opvoeringen van tragedies en komedies (opvoeringsdatum, festival, prijs, hoofdakteur, enz.).

[17]  Νόμιμα.

[18]  Πoλιτεαι . De θηvαίωv πoλιτεία, of Atheense constitutie, is eind vorige eeuw grotendeels teruggevonden op (twee) papyri.

[19]  Zie Gigon, o.c., pp. 408-409.

[20]  Τεχvv συvαγωγή α ' β ' (nr. 77, in de lijst bij Diogenes Laertios).

[21]  Zie de recente verzameling van Gigon (1987), pp. 257, die zich inspant zoveel mogelijk van de overgeleverde fragmenten toe te wijzen aan titels in de lijst van Diogenes Laertios.

[22]  μέθoδoι , méthodoi.

[23]  Voor de betekenis van "πραγματεία" , een uitdrukking die door Aristoteles zelf werd gebezigd, zie F.Dirlmeier (1963), p. 164: de link makend met de Griekse werkwoordelijke uitdrukkingen πραγματεύεσθαι en πράγματα χειv , παρέχειv - die, toegepast op de wetenschap, uitdrukking moeten geven aan de overtuiging dat ook intellectuele activiteiten "moeite, inspanning" vergen, en dus "arbeid" zijn -, komt Dirlmeier tot de conclusie dat de term "nichts anderes bedeuten (kann), als einen geschriebenen Logos, der mit ernsthafter, man möchte geradezu sagen: mit beruflicher Hingegebenheit verfasst worden ist".

[24]  Cf. zijn bekende schriftkritiek aan het slot van de Phaedrus , 274B-278B. Zie hierover verder de syllabus ΦIΛΟΣΟΦΟΣ . Van "Wereldwijs" naar "Wereldvreemd"? , RUG 1988), p. 96v.

[25]  Cf. de teksten verzameld en overgeleverd in het zogenaamde Corpus Hippocraticum .

[26]  In zijn Notes on the History of the Transmission of Aristotle's Writings (Göteborg Högskolas Årsskrift 56, 1950), pp. 58-59; geciteerd bij Lynch (1972), p. 90, die eraan toevoegt: "In the style, form, and quantity of literary output Aristotle's school had a distinctive character, unprecedented by anything produced in the Academy or elsewhere".

[27]  Voor hun 'miraculeuze' redding, zie verder.

[28]  Wat die discussies betreft: hoewel Aristoteles de dialoog als filosofisch-wetenschappelijk genre verving door het traktaat, blééf het dialogisch of dialectisch element sterk aanwezig. M.a.w. Aristoteles ontwikkelt zijn denkbeelden in voortdurende confrontatie met afwijkende opvattingen, met aporieën die er worden door opgeroepen, met geformuleerde objecties, enz.

[29]  In zijn Reviser's Introduction , bij de Politica-vertaling (Penguin), p. 32.

[30]  Verdenius (1985), p. 18; zie ook Moraux (1973), p. 8, over de vraag of Aristoteles zelf, als editor voor zijn werkteksten is opgetreden, d.w.z. ze geordend en consulteerbaar heeft gemaakt.

[31]  Of alleszins tot zijn laatste vertrek uit Athene.

[32]  Vgl. bv. met de grote atomist, Demokritos, wiens oeuvre dat van Aristoteles én in veelzijdigheid én in aantal titels evenaarde (zie de lijst bij D.L., IX, ' 45-49), maar dat volledig verloren is gegaan.

[33]  Het boek Δ van de Metaphysica-verzameling, enkele boeken uit de Physica en het Historia Animalium...

[34]  Geographia , XIII, i, 54= Düring (1957), 66b, pp. 382-383.

[35]  Cf. wat hoger, in kap. 1, gezegd is over Aristoteles' nauwe relaties met het noordwesten van Klein-Azië (de Troas); zie ook Theophrastos' testament, D.L., V.52, blijkens hetwelke "alle boeken aan Neleus" werden nagelaten. Cf. Düring (1957), l.c., en pp. 393-395.

[36]  Zie ook het nog altijd lezenswaardige boekje van J.Bidez, Un Singulier Naufrage Littéraire dans l'Antiquité. À la recherche des Épaves de l'Aristote perdu (Bruxelles, 1943).

[37]  Vermoedelijk vooral uit het niet-aristotelische fonds ervan, zie P.Moraux (1973), p. 12v.

[38]  Cf. Aristoteles' belangrijke leerling, Eudemos, was van Rhodos afkomstig en keerde er nadien terug. Zie Moraux (1973), pp. 9-11. Ook een buitenstaander, zelfs tegenstander van de school, zoals Epikouros, heeft een aantal van deze teksten gelezen en zelfs geëxcerpeerd.

[39]  Cf. Flashar (1983 ), p. 191.

[40]  Cf. Düring (1957), p. 393: "Everybody familiar with Strabon knows that, at the end of narratives like this, he alwas adds something from his own lively imagination".

[41]  Turannioon was door de Romeinse zogenaamde 'philhelleen' Lucullus ca 60 v.o.t., samen met andere geleerden en een massa boeken als oorlogsbuit uit Klein-Azië naar Rome gebracht; hij werd er o.m. door Atticus en Cicero vaak, als expert, geraadpleegd: zie Düring (1957), p. 412. I.v.m. Sulla's inname van Athene, in 86 v.o.t., moet nog worden opgemerkt dat bij die 'gelegenheid' zowel de Akademie als het Lyceum, die zich allebei buiten de stadsmuren bevonden, kompleet verwoest werden door de Romeinse soldateska - wat een einde stelde aan het voortbestaan van beide als instelling; cf. Ploutarchos, Leven van Sulla, 12, 1-3. Zie Lynch (1972), pp. 163-207, die zijn vaststellingen als volgt samenvat, pp. 206-207: "Although philosophical work which can be called in some sense 'Peripatetic' and 'Aristotelian' was carried on beyond the first century B.C., the institution of higher learning Aristotle founded in the Lyceum at Athens did not continue beyond 86 B.C. to contribute to the history of Greek philosophy and ceased to be an instrument of Greek and Roman education".

[42]  Einde 2de, 1e helft van de 1de eeuw v K; was vermoedelijk gevormd in de aristotelische school die op Rhodos gesticht was door Aristoteles' leerling Eudemos.

[43]  Datering en plaats ervan vormen het voorwerp van betwisting. Volgens de communis opinio en o.m. Düring (1957), pp. 413-425, en (1966), pp. 40-41, kwam de uitgave tot stand in Rome, tussen 40 en 20 v.o.t., op basis van de voorarbeid van Turannioon; volgens Moraux (1973), pp. 45-58, daarentegen, zou Andronikos, als hoofd van het Lyceum (wat betwist wordt door Düring), reeds ca 75 v.o.t. in Athene zijn uitgave gerealiseerd hebben.

[44]  Het werk bestond zelf uit 5 boeken, waarvan het laatste een pinax, of lijst gaf van alle aristotelische teksten die Andronikos bekend waren. Onderverdeeld in 4 delen, bestond het tweede uit een "index generalis" van Andronikos' eigen uitgave. Andronikos' lijst lag aan de oorsprong van die van Ptolemaios-el-Gharib. Zie Moraux (1951), pp. 289-321; Düring (1957), pp. 241-246, en (1968), kk. 187-190.

[45]  "Andronikos de Peripateticus heeft Aristoteles' en Theophrastos' (boeken) gerangschikt in pragmatieën, door (inhoudelijk) verwante traktaten in dezelfde (afdeling) samen te brengen".   Zie Düring (1957), pp. 414-5, (1966), p. 41, en (1968), kk. 198-200 (maar zie verder).

[46]  Düring (1968), k. 199.

[47]  Strikt genomen, is het dus onjuist te spreken van "dé" Metaphysica of "dé" Physica van Aristoteles: het gaat in werkelijkheid (wanneer we deze visie volgen) om post-aristotelische  bundelingen van formeel zelfstandige (maar inhoudelijk wel samenhorende) teksten. Aristoteles heeft zelf slechts weinig systematische handboeken opgesteld: bv. de Topica, als leerboek van de dialectische, en Rhetorica I-II, als leerboek van de retorische techniek.

[48]  N.B. Aristoteles zelf heeft, hoewel hij de logica a.h.w. geschapen heeft, deze teksten nooit onder dat begrip samengevat ; wat wij "logica" noemen, heet bij hem "analytiek". Voor een overzichtelijke en systematische "Werkbeschreibung" van alle op naam van Aristoteles bewaarde teksten, zie Flashar (1983), pp. 236-293.

[49]  Zoals althans in de Index generalis van Andronikos' uitgave, opgenomen in de omvattende catalogus van Aristoteles' werken, bij Ptolemaios el-Gharib, zie Düring (1957), pp. 224-225, en pp. 244-245; voor de poëtica als deel van de "praktische filosofie", zie o.m. Flashar (1983), pp. 363-364. In een oudere classificatie, nochtans, van Aristoteles' werken, teruggaande tot het einde van de 3de v.o.t., waren de poëtische en retorische teksten als onderdelen van de zogenaamde "poietische" of "productieve" wetenschap gerangschikt - vandaar ook nog hun plaats achteraan, in de uitgave van I.Bekker (zie verder). In de late oudheid, tenslotte, bij de commentatoren van de 5de en de 6de eeuw, zijn Ethica en Retorica onder de  logische teksten, vooraan, geplaatst als propedeutische werken, die, net zoals de logische, moesten bemeesterd worden vooraleer de filosofie als zodanig aan te vatten. Zie J.Lameer, Aristotelian Rhetoric and Poetics as Logical Arts in Medieval Islamic Philosophy, in: Bibliotheca Orientalis, 50 (1993), p. 564.

[50]  Vgl. bij Porphurios, Vita Plotini , 14.6-7: μετ τ φυσικ τo ριστoτέλoυς πραγματεία , "Aristoteles' metafysische pragmatie". De gebrekkige dispositie en samenstelling van het werk riep reeds in de latere oudheid vragen op. Volgens de laat-antieke commentator, Asklepios (6de eeuw), zou Aristoteles aan zijn leerling Eudemos gevraagd hebben de uitgave van de Metaphysica op zich te nemen, maar die had de tekst als te lang en onpubliceerbaar beschouwd. Een aantal moderne autoriteiten wijzen dit bericht af als onhistorisch: zie Moraux (1973), pp. 8-9. --  Over de (oorsprong van de) uitdrukking "metafysica", als onderdeel van de filosofie, is al heel veel inkt gevloeid. Eén ding is zeker: ze komt niet van Aristoteles zelf. De eenvoudigste verklaring voor het ontstaan ervan, die nog altijd de meeste aanhangers telt, is dat Andronikos in verlegenheid zat om een naam te vinden voor een reeks uiteenlopende teksten - waarvan sommige de natuurfilosofie betroffen, andere de ontologie, nog andere de theologie - en dat hij dan verkozen heeft de verzameling te benoemen naar de  plaats ervan in zijn uitgave, namelijk "achter" of "na de fysische boeken". Pas nadien zou de uitdrukking een overdrachtelijke, filosofische betekenis hebben gekregen, zodanig dat "na" de betekenis kreeg van "later/hoger in de zijns- en kennisorde", sc. dan de fysica. Aristoteles zelf, in elk geval, gaf de voorkeur aan de omgekeerde orde: wat in de volgorde van de menselijke kennisverwerving - dus "voor ons" ( μv) - laatst komt, komt in de orde van zijn en van absolute kenbaarheid - dus "in absolute zin" ( πλς ) - éérst (zie de openingsregels van de Physica I). Als benaming, daarom, voor de "theoretische" studie van het opperste zijn, verkoos hij, naast "theologie" ( θεoλoγική ), die van "eerste filosofie" ( πρώτη φιλoσoφία ) ; de fysica, anderzijds, werd door hem om dezelfde reden als "tweede (theoretische) filosofie" geclassificeerd (zie bv. Met. Z, 1037a17).

[51]  Düring (1966), p. 41.

[52]  Düring (1966), p. 42, en (1968), k. 319.

[53]  Aristoteles kon wel, i.v.m. een of ander deelgebied, inderdaad de indruk hebben dat het onderzoek daaromtrent "af" was, of zijn voltooiing naderde, vgl. bv. Meteor., I.1, 339a8-9: "Wanneer deze (onderwerpen) besproken zijn, dan zal het totale onderzoeksprojekt dat we ons bij de aanvang gesteld hebben, wel zijn einddoel (telos) bereikt hebben". N.B. Wat nog de term "pragmateia" betreft, die, zoals we zagen, door Porphurios gehanteerd werd m.b.t. Andronikos' redactionele arbeid, moet worden vastgesteld dat Düring er in zijn publicaties niet consequent mee omspringt: enerzijds brengt hij het woord in verband met de groepering door Porphurios (en dus ook door diens model, Andronikos) van Plotinos/Aristoteles' teksten in grotere, thematische verbanden: "logica", "ethica", enz., zo (1957), p. 415, en (1968), k. 200; anderzijds (en in het RE-artikel tegelijkertijd), interpreteert hij het woord als verwijzend naar de omvattende (leer)boeken die Andronikos creëerde uit de afzonderlijke traktaatjes, cf. (1968), k. 199, en (1966), p. 41 ("Für Aristoteles bedeutet das Wort pragmateia ein Wissensgebiet und die geistige Betätigung, für Strabon und Andronikos ein Buch");  maar in een vroeger artikel, (1950), geciteerd hoger, n. 26, heeft ook hij het woord toegepast op de traktaten van Aristoteles. Hierbij dient opgemerkt dat reeds Porphurios er geen graten in zag om het woord nu eens te betrekken op deelgebieden van de filosofie, dan weer om er een "boek" mee aan te duiden (nl. Aristoteles' Metaphysica, zie hoger); alleen viel in Andronikos' uitgave het (vierde) deelgebied, namelijk van de metafysica, sàmen met het éne handboek, de Metaphysica, in tegenstelling tot de andere deelgebieden.

[54]  Zie voor bio- en bibliografische gegevens over deze en andere vertegenwoordigers van het aristotelisme in de vroege Romeinse keizertijd, de syllabus Encyclopedie van de Wijsbegeerte der Oudheid, II (1985-86), pp. 107-113.

[55]  Zie hierover ook de syllabus, Het Klassieke Arabische Denken: Oudheid en Islam, kap. 3.2. (op deze site). Alle bewaarde antieke Aristotelescommentaren werden, zoals bekend, rond het begin van deze eeuw uitgegeven in de reeks Commentaria in Aristotelem Graeca, van de Berlijnse Academie.

[56]  Zie Flashar (1983), p. 192.

[57]  De precieze titel en indeling ervan is als volgt: Aristotelis Opera edidit Academia Regia Borussica (1831-70). Bd I (pp. 1-789) en II (pp. 791-1462): Aristotelis graece ex recensione I.Bekkeri, 1831; III: Aristotelis latine interpretibus variis, 1831 (Latijnse Renaissance-vertalingen); IV: Scholia in Aristotelem, collegit Ch.A.Brandis, 1836; V: Aristotelis qui ferebantur librorum fragmenta, coll. V.Rose, Scholiorum in Aristotelem supplementum, Index aristotelicus, ed. H.Bonitz (1870). 

[58]  Nl. Aristotelis Opera, ex rec. I.Bekkeri, editio altera : vols. I en II, Berlin 1960; en vooral vol. III: Librorum deperditorum fragmenta, 1987; vol. IV brengt scholia (edd. Chr.A.Brandis en H.Usener), met een uitg. van de Vita Marciana, door Gigon (1961); vol. V de Index Aristotelicus van H.Bonitz (1961).

[59]  De meeste, oudere Aristotelesteksten in deze reeks reproduceren grotendeels de tekstuitgave van Bekker.

[60]  Engelse bewerking 1934 en 1948².

[61]  Vgl. nogmaals de 19de-eeuwse Homeroskritiek die tot allerlei voorstellen van "oer-Ilias" en "oer-Odyssea" heeft geleid.

[62]   Aristoteles, Werk und Geist , Paderborn 1952.

[63]  Zürchers thesis werd door nagenoeg alle andere historici verworpen. Chroust (1973), nochtans, Preface, p. xi e.v., staat er uitgesproken positief tegenover. Z.i. is het niet uit te sluiten dat men in de toekomst verplicht zal zijn het Corpus Aristotelicum om te dopen tot: Corpus Scriptorum Peripateticorum Veterum (wel erkent hij dat een dergelijke mogelijkheid in het licht van het hedendààgse Aristotelesonderzoek als "highly problematic" moet worden beschouwd).

[64]  Waarvoor Jaeger de fragmenten meende te mogen opvoeren van de "exoterische" werken, vooral van de dialogen.

[65]  Zie bv. F.Nuyens, Ontwikkelingsmomenten in de Zielkunde van Aristoteles , Nijmegen 1939, waarin Jaegers schema gebruikt werd om opeenvolgende ontwikkelingsstadia te construeren in Aristoteles' zielsopvatting en psychologische theorie.

[66]  Düring (1968), k. 319, merkt op dat dit een normaal verschijnsel is, aangezien een wetenschappelijke hypothese gewoonlijk ongeveer 20 jaar geldig blijft.

[67]  Een belangrijke mijlpaal in die 'ontnuchtering' was het Aristotelesartikel van F.Dirlmeier (1950). Deze laatste wijst vooreerst op de  historiciteit van Jaegers genetische benadering: het 'ontwikkelingsdenken' is een creatie van het Romantisme (Dirlmeier verwijst naar Herder; cf. ook Flashar, 1983, p. 179). Als een "unantikes Werkzeug" (ibid., p. 132) is het bijgevolg niet zomaar toepasselijk op iemand als Aristoteles (de 'genetische' methode die Aristoteles zelf toepast, bv. in Politica I, betreft nooit het afzonderlijke, individuele wezen, maar de actualisering van de - eeuwige en onveranderlijke - soortvorm).

[68]  Flashar (1983), p. 177.

[69]  O.c., p. 136.

[70]  In zijn status quaestionis over de 'stand van het Aristotelesonderzoek' merkt Flashar (1983), p. 178, op dat Jaegers Aristotelesboek berustte op "twee elementaire filologische tekortkomingen": 1°) Jaeger nam Aristoteles' biografie als maatstaf voor diens ontwikkeling zonder dat hij het (antieke) "biografische materiaal" op een systematische manier verzameld en onderzocht had - dat gebeurde pas met Düring (1957), en dan bleek dat de antieke biografische gegevens voor een deel onderling tegenstrijdig en tendentieus waren; 2° ) Jaeger is op een veel te zorgeloze, zelfs lichtzinnige manier omgesprongen met de "fragmenten", resp. de "exoterische geschriften": de zogenaamde fragmentenverzameling met name van Valentin Rose (1870) mocht niet als een echte fragmentenverzameling worden gehanteerd. Niet alleen vertoont zij grote onvolkomenheden, maar zij was ook niet bedóeld, door Rose, als een dergelijke verzameling (cf. de titel: "Aristotelis qui ferebantur librorum fragmenta"!); het zo belangrijke onderscheid tussen "fragmenta" en "testimonia" (vgl. bv. in Diels' Fragmente der Vorsokratiker) werd door Rose niet gemaakt en er is een enorme disproportie tussen de gegarandeerde en de vermoedelijke citaten, parafrases, verwijzingen, enz.: "wörtliche Zitate aus den exoterischen Schriften bei Aristoteles finden sich nur ganz selten; es sind wenige ganz kleine Splitter" (Flashar, l.c.). Daarbij dient nog geconstateerd dat de assumptie dat Aristoteles' dialogen, als 'navolging van Platoon', noodzakelijk uit een vroége periode stammen, in feite een petitio principii is (cf. ook de latere peripatetici hebben nog dialogen geschreven). Als literair genre, trouwens, bezat de aristotelische dialoog een aantal stilistische kenmerken en traditionele topoi, die niet zonder meer chronologisch-biografisch kunnen geduid worden: bepalend was de adaptatie van de filosofische inhoud aan het receptievermogen van de adressaat. Bijgevolg, zo concludeert Flashar, o.c., p. 179, heeft zich steeds meer de opvatting doorgezet, "dass aus den Dialogen und den übrigen exoterischen Schriften eine frühe Phase platonisierender Philosophie, die mit der Lehrschriften im Widerspruch stünde, nicht ableitbar ist".

[71]  Zo Dirlmeier (1950), p. 167. Düring (1968), k. 319, schrijft: "Jaegers 'Urmetaphysik', 'Urethik' und 'Urpolitik' werden im Pantheon der A.-Forschung Ehrenstätten haben; der Entwicklungsgedanke als solcher wird nicht aufgegeben werden".

[72]  Samengevat en bijgesteld in Düring (1968).

[73]  Flashar (1983), p. 181.

[74]  Düring (1966), p. 46, mijn vertaling.

[75]  Düring (1968), k. 319.

[76]  Ibid., k. 330.

[77]  Zie zijn (1966), pp. 48-52, en (1968), kk. 332-336.

[78]  (1968), k. 333.

[79]  Düring (1968), k. 334.

[80]  Düring merkt op dat niet kan worden uitgemaakt of de voorliggende versies van Parva Naturalia en De anima in Makedonië dan wel in de tweede Atheense periode zijn uitgewerkt.

[81]   "für die Aristoteles drei Bücher der Eudemischen Ethik umarbeitete und benutzte", Düring, o.c., k. 335.

[82]  Cf. het regelmatig terugkerende, berustende "we moeten ermee tevreden zijn als..." (γαπητv ε ...) .

[83]  O.c., k. 336.

[84]  O.c., k. 336; zie ook (1966), p. 52.

[85]  Flashar (1983), p. 182.

[86]  Dat Aristoteles' 'empirische' periode vooral moet gesitueerd worden tijdens zijn "Wanderjahre" in Assos en Mutilene, was reeds vóór Jaeger, in 1910, bevestigd door D'Arcy Thompson, die in zijn studie van Aristoteles' zoölogische werken had vastgesteld dat een groot aantal natuurobservaties (bv. van de maritieme fauna) gelokaliseerd waren op Lesbos, in Klein-Azië en in Makedonië.

[87]  Zo Flashar, l.c.

 

• Inhoudstafel • CIE-Index •

Update: 14 juli 2008