(3) Een lijst die bewaard is in de Arabische
overlevering, namelijk in de geschiedenis van de (filosofische) geneeskunde door Ibn
Abî Usaybica (gest. 1270): de lijst gaat, indirect, terug op
Ptolemaios-al-Gharib
[5]
en, middels tal van tussenschakels, op de lijst die werd samengesteld door Andronikos
[6].
2.2. Aristoteles' Oeuvre.
Aristoteles'
leermeester, Platoon, heeft volgens de overlevering, naast zijn ("gepubliceerde" en integraal bewaarde) dialogen, een aantal van zijn filosofische inzichten
voorbehouden voor mondelinge uiteenzettingen: de zogenaamde "ongeschreven
leerstellingen" (ἄγραφα
δόγματα).
Daarmee in contrast heeft Aristoteles zijn volledige filosofische arbeid op
schrift gezet[7]. Binnen dat filosofisch-wetenschappelijk oeuvre, nochtans, onderscheidde ook hij twee
groepen van teksten[8]:
1°) de zogenaamde λόγoι
ἐξωτερικoί
(logoi exoterikoi), d.w.z. bestemd "voor buiten";
2°) de
zogenaamde
λόγoι
περὶ φιλoσoφίαv
(logoi peri philosophian), d.w.z. "de wetenschap betreffende".
2.2.1. De eerste
groep behelsde vooreerst Aristoteles' literaire - d.w.z. door hem "uitgegeven[9] en "afgesloten[10] - teksten. Doorgaans van 'protreptische' of
'wervende' (propagandistische)
aard, waren ze bestemd voor het Griekssprekende, geletterde publiek "buiten"
de school. De groep omvatte bovenal dialogen: Grullos, Eudemos, Politikos,
Sumposion, Over filosofie, Over rechtvaardigheid, enz., maar ook teksten
als de (brief) Protreptikos[11]
(of "Aansporing, sc. tot de filosofie") en het "Over
de vormen"[12] (kritiek
op Platoons Vormen- of Ideeënleer).
Met
zijn dialogen sloot Aristoteles zich formeel aan bij de sokratisch-platoonse
traditie (cf. ook de titels). Vanuit inhoudelijk oogpunt, nochtans, had zich
reeds bij de latere Platoon een belangrijke verschuiving voorgedaan: de
dialoog had zijn dramatische directheid en dialectische eenheid verloren en was
geëvolueerd tot een 'schijngesprek'. De dialoogvorm, anders gezegd, fungeerde
niet langer als het (sokratische) instrument bij uitstek voor filosofische reflectie
en onderzoek; ze diende nog enkel didactische en/of vulgariserende doeleinden,
als een soort van uitgeschreven "panelgesprek" waarin uiteenlopende
standpunten naast elkaar werden geplaatst en getoetst aan de autoriteit van
de auteur (of diens 'masker').[13]
Ook
verzamelwerken van logisch-scholastische en propedeutische aard[14] behoorden tot deze groep, evenals, in het
algemeen, de voor de Peripatos zo typische, thematische
materiaalverzamelingen[15]:
overwinnaarslijsten (Olympische en Pythische spelen), didaskalieën[16],"Gebruiken"[17], (158) "Politieke
regimes"[18]; "Over/Tegen
de Pythagoreërs"[19], "Over
de dichters", "Verzameling van retorika-handboeken"[20], enz. Voor zulke encyclopedische
arbeid schakelde Aristoteles ook systematisch zijn leerlingen en assistenten
in: zo verzamelde (en besprak) Theophrastos de δόξαι (doxai), of
doctrines, van de natuurdenkers; redigeerde Eudemos een geschiedenis van de
wiskunde; Menoon een van de geneeskunde, enz.
In
tegenstelling tot Platoon, doet zich bij Aristoteles het merkwaardige fenomeen
voor dat van zijn "uitgegeven" teksten er niet één
rechtstreeks, d.w.z. in handschriftelijke overlevering, tot ons is gekomen.
Wie zich een idee wil vormen van deze filosofische productie, die in de
oudheid geroemd werd om haar grote literaire kwaliteiten, moet zich tevreden
stellen met enkele schaarse citaten of, vaker nog, parafrasen bij latere
auteurs[21].
2.2. De
tweede groep van teksten - die later ook
ἀκρoαματικoί
werden genoemd, d.w.z. "(bestemd) om aanhoord te worden",
namelijk in hoorcolleges, of ook
ἐσωτερικoί,
letterlijk "(bestemd) voor binnen, sc. de school" - betrof de
zogenaamde πραγματεῖαι,
letterlijk "(ver)handelingen": onder de vorm van een groot
aantal losse traktaten[22] bood ze
de - altijd voorlopige - schriftelijke neerslag van de intellectuele "arbeid"
in de onderscheidene wetenschapsgebieden waarop het onderzoek en
onderwijs van Aristoteles en zijn medewerkers betrekking hadden[23].
Deze
"pragmatieën" - we zouden, zoals Jaeger, ook kunnen spreken
van "schoolliteratuur" - vormen het zichtbare bewijs van
Aristoteles', in vergelijking met Platoon, radiψale positieverandering t.a.v.
de relatie tussen filosofie en het geschreven woord. Het feit, inderdaad, dat Platoon zijn filosofische teksten in een bijzondere, literaire vorm had
gegoten, namelijk die van dialogen, was mede het gevolg geweest van zijn wantrouwen t.a.v.
het schrift[24]. Aristoteles'
vertrouwen, daartegenover, in het schrift ontsloeg hem a.h.w. van de
noodzaak om zijn argumentaties middels een literair veeleisende,
'dramatische' of dialectische vorm te ontwikkelen. Dat had de creatie voor gevolg van een
'zakelijk', wetenschappelijk proza,
waarmee, per definitie, elke filosofische vraagstelling kon verwoord en
geargumenteerd worden. Aristoteles heeft zich daarbij ongetwijfeld geïnspireerd
op het proza gehanteerd door (sommige) vroegere natuurdenkers en vooral door de
zogenaamde
"Hippokratische" medische auteurs[25]. Zoals Düring het formuleerde (ik vertaal):
"Aristoteles'
pragmatieën moeten dus beschouwd worden als een bijzonder soort van
schoolliteratuur, volledig zonder literaire ambities geschreven, wat, en ik wil
dat en passant beklemtonen, niet wil zeggen dat zij vanuit ons gezichtspunt
bekeken, literaire kwaliteit ontberen. Verschillend van Platoons of Aristoteles'
eigen dialogen, werden zij niet beschermd door enig literair eigendomsrecht...
(De pragmatieën bestonden uit) notities, die van tijd tot tijd gereviseerd
werden om up to date te blijven met nieuwe resultaten en verwezenlijkingen...
(Zij vertegenwoordigden) een orale overlevering in geschreven vorm. Aristoteles
en zijn medegeleerden waren continu aan het werk met dit materiaal. Hun
bijdragen namen de vorm aan van toevoegingen end uitbreidingen"[26].
Blijkens
de vorm, inderdaad, waarin deze werkteksten voorliggen[27], werden zij regelmatig door Aristoteles (en anderen?) aangevuld,
gecorrigeerd en gereviseerd - overeenkomstig de vorderingen van het
onderzoek betreffende een bepaald punt en/of de ermee gepaard gaande discussies[28].
Vandaar een grote disparaatheid en opvallende verschillen in toon, een onregelmatige
zinsbouw, lacunes, digressies, abrupte overgangen, een erg elliptische
stijl, enz. Toch betekent zulks niét - zoals vaak geschreven wordt - dat we
enkel te doen zouden hebben met Aristoteles' "collegeaantekeningen".
Enerzijds
is er het feit dat op tal van plaatsen de gedachtegang veel te complex en te
gecondenseerd is om louter en alleen via het oor geassimileerd te kunnen worden.
Anderzijds is er de vaststelling dat er een voortdurende afwisseling is tussen
passussen die literair verzorgd geschreven zijn, en passussen die manifest
niét geredigeerd zijn. De eerste vaststelling dwingt ons tot de conclusie dat
deze teksten ook bedoeld waren om achteraf gelezen, of geconsulteerd te worden,
in de bibliotheek van de school. Zoals T.J.Saunders opmerkt (ik vertaal, ook de
hierna volgende citaten)[29]:
"Het heeft er
de schijn van dat we de verslagen hebben van voltooid onderzoek, die in de
bibliotheek gedeponeerd werden ter consultatie en voor mogelijke correctie of
uitbreiding in het licht van verder onderzoek. Wie er nadien een beroep op deed,
vond geen losse notities maar materiaal dat in voldoende mate voluit was
geschreven opdat het begrijpelijk zou zijn bij een bewuste en reflectieve
lectuur, maar toch voldoende beknopt geschreven om gekopieerd te worden zonder
nodeloze arbeid; en het zou open staan voor het invoegen van revisiepassages.
Kortom, Aristoteles' werken vergen lezers".
De tweede
vaststelling, samengevoegd met andere (bv. dat vragen die geformuleerd worden,
onbeantwoord blijven), brengt W.J.Verdenius tot de hypothese dat Aristoteles
voortdurend de bedoeling heeft gehad om van deze teksten afgewerkte
'boeken'
te maken, die zouden gelezen worden[30]:
"Ik zou suggereren dat Aristoteles, die door Platoon 'de Lezer'
werd genoemd, als ultieme bestemmelingen voor zijn werken lezers op het oog had,
maar dat hij niet bij machte was zijn gedachten onmiddellijk vast te leggen in
de rigiede vorm van boeken. Daarom drukte hij ze eerst uit op een meer losse en
tentatieve manier in zijn lezingnotities, maar altijd met in het achterhoofd het
ideaal van een voltooide versie. Hij kón dat ideaal koesteren omdat hij geloofde
dat de filosofie tot haar voltooiing kon worden gebracht. Daarom verwerkte hij
zijn notities op een continue, maar niet systematische manier tot een reeks
boeken. Door zijn vroegtijdige dood en door de moeilijkheid om zijn gedachten
vorm te geven in een volmaakt samenhangend systeem, werd hem dat belet... Dat
betekent dat hij nu eens schrijft als een lesgever, dan weer als een schrijver,
onderwijl de publicatie anticiperend van lezingen die in werkelijkheid nog niet
gepubliceerd waren".
2.3. Het
Corpus Aristotelicum.
Zoals al gezegd,
in het geval van Aristoteles staan we voor de paradoxale situatie dat, terwijl
alle door hem 'uitgegeven' teksten voor ons verloren zijn gegaan, we
middels een aantal middeleeuwse handschriften het overgrote deel bezitten -
namelijk 106 "boeken", d.w.z. papyrusrollen - van de "werkteksten"
die Aristoteles tot aan zijn dood[31]
a.h.w. nog regelmatig aan het bijwerken ("updaten") was,
en die hijzelf als (nog) niet 'persklaar' beschouwde. Dat
wonder[32] wordt nog
wonderbaarlijker als we bedenken dat de Alexandrijnse bibliotheek, het Mouseion, amper
honderd jaar na Aristoteles' dood, op enkele uitzonderingen na[33], klaarblijkelijk niét beschikte over dit
integrale wetenschappelijke corpus.
De
verklaring voor dit curieuze fenomeen kunnen we lezen bij Straboon[34]; ook al "klinkt (ze) als
een roman" (Lesky) en is ze vermoedelijk wat aangedikt, dan lijkt er
toch geen reden te zijn om de historiciteit ervan in twijfel te trekken[35]. In mijn vertaling luidt de passus als
volgt[36]:
"Van
Skepsis afkomstig zijn de sokratici Erastos en Koriskos, evenals Koriskos'
zoon, Neleus, een man die leerling was geweest zowel van Aristoteles als van
Theophrastos, en die ook Theophrastos' bibliotheek had geërfd, waartoe ook
Aristoteles' bibliotheek behoorde. In elk geval heeft Aristoteles de zijne
overgelaten aan Theophrastos, aan wie hij ook de school(leiding) naliet,
waarbij hij de eerste is geweest, zover ik weet, om boeken te verzamelen en
model stond voor de koningen van Egypte inzake bibliotheekorganisatie.
Theophrastos, vervolgens, liet (zijn bibliotheek) na aan Neleus. Deze laatste
heeft ze meegevoerd naar Skepsis en ze nagelaten aan zijn erven, gewone
lieden, die de boeken achter slot hielden, zonder zelfs (de moeite te doen) ze
zorgvuldig op te bergen. Toen ze echter de ijver bemerkten waarmee de Attaliden, onder dewelken de polis ressorteerde, boeken bijeenzochten voor de
samenstelling van de bibliotheek in Pergamon, verborgen ze de boeken onder de
grond, in een soort van greppel. Veel later, nadat de boeken te lijden hadden
gehad van de vochtigheid en de motten, werden ze door hun nazaten verkocht aan Apellikoon van Teos voor een groot bedrag - d.w.z. zowel de boeken van Aristoteles
als die van Theophrastos. Die Apellikoon, echter, was eerder een bibliofiel (philóbiblos)
dan een filosoof. Met de bedoeling, daarom, de weggevreten delen te herstellen,
heeft hij nieuwe afschriften van de teksten gemaakt, waarbij hij op een incorrecte
manier aanvullingen maakte, (zodanig dat) hij een uitgave van de boeken heeft
gemaakt die krioelde van de fouten.
Het
resultaat van dat alles was dat de oude Peripatosleden die na Theophrastos
kwamen, op enkele uitzonderingen na - en na nog meestal exoterische -, niet
over die boeken beschikten, en niets hadden om concreet rond te filosoferen,
maar (zich moesten beperken tot het) declameren van gemeenplaatsen; de latere
(peripatetici), anderzijds, waren, vanaf het moment dat deze boeken te voorschijn
waren gekomen, weliswaar beter dan de (ouderen) in staat te filosoferen
en te aristoteliseren, maar waren toch genoodzaakt, omwille van het groot
aantal (tekst)fouten, aan het overgrote deel van hun uitspraken (het statuut
van) waarschijnlijkheden te geven.
Ook
Rome heeft daar veel toe bijgedragen. Immers, kort na Apellikoons dood werd
zijn bibliotheek buitgemaakt door Sulla, die Athene had ingenomen, en,
hierheen gebracht, werd ze onder handen genomen door Turannioon, de
grammaticus, die een Aristotelesliefhebber was en aan de opzichter van de
bibliotheek iets had toegestoken. Hetzelfde was het geval met een aantal
boekhandelaars die slechte kopiisten gebruikten en nalieten om collaties te
maken - wat ook het geval is met andere boeken die gekopieerd werden voor de
verkoop, hier (in Rome) zowel als in Alexandrië".
Dit verhaal mag,
zoals gezegd, vermoedelijk in grote lijnen als historisch worden beschouwd. Theophrastos'
testament liet inderdaad diens gehele bibliotheek, als zijn persoonlijk
bezit, na aan Neleus, op dat ogenblik wellicht de laatste overlevende van de
Aristotelesgetrouwen 'van het eerste uur'. Aristoteles' manuscripten
bleven als gevolg daarvan (letterlijk) begraven in Skepsis, een stadje in de
buurt van Assos en Atarneus. Weliswaar lijkt het vast te staan dat Neleus zelf
een deel van Theophrastos' nalatenschap verkocht heeft aan koning Ptolemaios
Philadelphos, voor diens pas opgerichte bibliotheek van Alexandrië[37].Evenzo lijkt het bijzonder waarschijnlijk
dat er van een aantal werkteksten van Aristoteles nog tijdens diens en Theophrastos'
leven binnen de school kopieën zijn gemaakt, zodanig dat zij aanwezig en consulteerbaar bleven, in Athene en allicht ook op Rhodos[38] Desalniettemin kan bevestigd worden dat de
hellenistische filosofie voor haar kennis van Aristoteles' opvattingen
hoofdzakelijk aangewezen is geweest op diens dialogen en, in tweede orde,
op de teksten van Theophrastos. Dat was zelfs nog het geval voor Cicero[39].
Straboons
verhaal zal ook wel grotendeels kloppen wat de miraculeuze redding betreft van
de aristotelische manuscripten. Hijzelf had, vermoedelijk in Rome, Aristotelescolleges
bijgewoond van Turannioon en Andronikos, die hem daaromtrent zullen ingelicht
hebben. Zijn bewering, nochtans, als zou Apellikoon een 'uitgave'
verzorgd hebben van de manuscripten, die weliswaar "krioelde van de fouten",
moet met een korreltje zout worden genomen[40]. Zo zal vermoedelijk ook Turannioons bijdrage beperkt zijn
gebleven tot het opkalefateren en herschikken van de (erg beschadigde)
papyrusrollen, die vervolgens werden overgedragen aan Andronikos[41].
Het
was deze Andronikos van Rhodos[42] die, met
gebruikmaking van al het beschikbare materiaal, aan het Corpus Aristotelicum de uitgave heeft bezorgd die aan de basis lag van de gehele
latere overlevering zowel als van het latere, traditionele
Aristotelesbeeld. Aristoteles' dialogen, evenwel, en diens
"exoterische" geschriften in het algemeen maakten géén deel uit van
deze uitgave. Mede omdat de zogenaamde Aristotelesrenaissance die in deze periode van
start ging, juist op de uitgave van Andronikos gebaseerd was, geraakten
Aristoteles' literaire teksten in de vergetelheid: ze werden niet meer
gelezen, daarom ook niet meer gekopieerd en dus gingen ze verloren.
De
wijze waarop hij te werk is gegaan, bij zijn uitgave[43], heeft Andronikos uitvoerig verantwoord in
een (verloren gegane) omstandige "Inleiding"[44]. Onze belangrijkste getuige ervoor is de
neoplatonicus Porphurios die in zijn Plotinosbiografie (24.6-11) meedeelt dat
hijzelf voor zijn uitgave van Plotinos' collegeteksten o.m. Andronikos'
methode als model heeft genomen - zodat hij de zogenaamde "Enneaden" niet
chronologisch maar thematisch heeft geordend[45].
Andronikos,
die zich geconfronteerd zag met meer dan honderd papyrusrollen -
aristotelische en niet-aristotelische, d.w.z. peripatetische -, grotendeels zonder
expliciete titels, heeft eerst en vooral traktaatjes verenigd in grotere, thematische
eenheden. Op die manier kregen oorspronkelijk zelfstandige uiteenzettingen
(door Aristoteles μέθoδoι
genoemd) het statuut van 'hoofdstukken' in meer omvattende,
systematische handboeken; waar nodig werden, aan eind en/of begin ervan, de nodige overgangs- of verbindingsformules
toegevoegd. Dat geldt "mit Sicherheit"[46] voor: Rhetorica (in 3 "boeken"), Physica,
Meteorologica, De partibus animalium en Metaphysica.
Het geldt "möglicherweise" ook voor: Politica, De
caelo, De generatione animalium, Parva Naturalia[47].
Vervolgens
heeft Andronikos die omvattende leerboeken nog eens een plaats gegeven binnen
de grote deelgebieden waarin de hellenistische scholen de filosofie waren gaan
indelen, nl.
(1) vooraan, als "propaideía"
tot de filosofie, werden Aristoteles' logische geschriften geplaatst: Categoriae,
De interpretatione, Topica, Analytica Priora en Posteriora,
Sophistici Elenchi; ze werden later, door de neoplatonici, samengevat onder
de benaming van "Organon", i.e. "Werktuig",
sc. van de filosofie;[48]
(2) daarachter
volgden, als het eerste deel van de 'eigenlijke' filosofie, namelijk Aristoteles'
'praktische filosofie', de
ethische, politieke, poëtische en retorische geschriften: Magna Moralia
("De Grote Ethiek"), Ethica Eudemia, Ethica
Nicomachea, Politica, Poetica en Rhetorica[49];
(3) vervolgens
kwamen de werken i.v.m. de fysica (Aristoteles' 'theoretische filosofie'):
natuurfilosofie (Physica, De caelo, De generatione et
corruptione, Meteorologica), psychologie (De anima, Parva
Naturalia) en bio- en zoölogie (Historia Animalium, De partibus
animalium, De generatione animalium, De incessu animalium, De
motu animalium);
(4) op de vierde
en laatste plaats, tenslotte, bracht Andronikos een 12-tal zelfstandige
teksten, van ongelijke lengte, samen onder de titel van Metaphysica,
letterlijk: τὰ μετὰ
τὰ φυσι κά
(sc. βιβλία?),
"de (boeken) na de fysische[50].
Wat
bij dit alles verdient onderstreept te worden, is dat Andronikos' redactionele
arbeid vertrok van een visie op de filosofie, in het algemeen, en op de
aristotelische in het bijzonder, die "fundamenteel onaristotelisch,
maar wel goed hellenistisch is[51].
Het was Andronikos er m.a.w. om te doen, bij Aristoteles dàt te vinden wat
kenmerkend was voor de filosofie van zijn tijd: namelijk een samenhangend
filosofisch systeem. Andronikos ligt daarmee aan de basis van het
zogenaamde
scholastisch Aristotelesbeeld dat omzeggens tot in de 20ste eeuw algemeen geldig
is gebleven. Het hield in dat Aristoteles' teksten allemaal een vaste plaats
hadden in een allesomvattend, definitief filosofisch systeem - anders gezegd:
dat ze een summa vormden, zodat Aristoteles verheven kon worden tot "il
maestro di color che sanno", "de Meester van degenen die weten",
zoals Dante hem zou noemen, in Inferno, zang 4, v. 131.
In
werkelijkheid, echter, was Aristoteles bovenal "Problemdenker und
Methodenschöpfer" - zoals Düring schrijft[52]. De systematiserende trend van zijn denken uitte
zich op het vlak van de probleemstellingen; het was hem m.a.w. te doen om "problemensystematiek"
(Düring): hij stond principieel kritisch bv. tegen de literaire, vaag
geformuleerde en allusieve beweringen die in Platoons dialogen ontwikkeld
werden. Hij was er voortdurend op uit, de aporieën bloot te leggen, d.w.z. de
theoretische moeilijkheden, die juist 'gemaskeerd' werden door Platoons "poëtische metaforen" (Met. A, 991a22), en
deze (deel)problemen vervolgens onder te brengen in grotere
(probleem)samenhangen. Weliswaar was hij er principieel van overtuigd dat de "philosophia"
kón voltooid worden, en dat ze ook spoedig zoú voltooid worden, namelijk door
hemzelf en zijn medewerkers. De "pragmatieën", evenwel, als
schriftelijke neerslag van (de voorlopige stand van) het onderzoek, zijn a.h.w. per definitie de uitdrukking, niet van voltooidheid (tenzij van verspreide
onderdelen: cf. de soms literaire stijl van dergelijke delen), maar van de "beweging" (κίvησις) nààr dat definitieve telos[53].
Andronikos'
uitgave van de aristotelische "pragmatieën" legde de basis van het
zogenaamde "aristotelisme". Gedragen door een steeds maar
aangroeiende stroom van zogenaamde prolegomena- en commentarenliteratuur, zou het
aristotelisme de armatuur vormen van de laat-antieke filosofische traditie,
zoals zij ook door de middeleeuwse (christelijke, islamitische en joodse)
scholastici zou ontvangen worden. De lectuur en studie, inderdaad, van déze 'Aristoteles' (dus in onderscheid met de
zogenaamde
"exoterische")
stelde aan de laat-antieke filosofie-, later ook: theologie-studenten, hoge eisen. Taal en stijl ervan waren voor deze lezers volkomen vreemd geworden;
bovendien waren zij niet op zoek naar "aporieën", d.w.z. vraagstellingen,
maar naar antwoorden, naar kant-en-klaar kennis. Aristoteles' filosofie,
daarom, moest m.b.v. inleidingen, parafrasen, samenvattingen, commentaren,
enz. in een systematische, scholastische vorm worden gegoten, zodat ze onderwijsbaar
werd in de laat-antieke en middeleeuwse scholen.
Eén
van de eerste, parafraserende commentaren, na Andronikos, was van de hand van
de politicus-diplomaat, historicus en filosoof, Nikolaos van Damaskos (geb. ca
64 v.o.t.)[54]. Verder dienen nog even
vermeld te worden: Alexander van Aphrodisias, tussen 198 en 211 houder van
de keizerlijke peripatetische leerstoel in Athene; en in het zogenaamde neoplatonisme, gebaseerd op de
'verzoening' tussen Platoon en
Aristoteles, de al vermelde Porphurios (3de eeuw). Vooral met zijn (E)isagoge,
of "Inleiding", bij de aristotelische categorieënleer, heeft
hij er op een beslissende manier toe bijgedragen dat alle latere
filosofiebeoefening gestoeld werd op een vorming in de aristotelische logika.
Wat
de tekstoverlevering betreft, op basis van Andronikos' uitgave heeft de
geschiedenis ervan grosso modo de vorm aangenomen van vier
verschillende
overleveringstakken (met subsecties), die min of meer overeenstemmen met de
vier groepen van Andronikos' uitgave. Algemeen kan worden gezegd dat Aristoteles
de (profane) Griekse auteur is die op het vlak van de handschriften de
grootste verspreiding heeft gehad: cf. de meer dan duizend Griekse handschriften
uit de 9de tot de 16de eeuw.[56]
De
zogenaamde editio princeps van het Aristotelescorpus was de "Aldina",
d.w.z. de gedrukte uitgave door Aldus Manutius, 1495-98, te Venetië. Maar de
basisuitgave voor het hedendaagse Aristotelesonderzoek werd de "Gesamtausgabe"
door Immanuel Bekker, bij de al vermelde Berlijnse Akademie, 1831-1870, in
vijf monumentale banden. Zij verschilt in zoverre van de ordening van Andronikos, dat Andronikos' tweede onderdeel -
namelijk de ethische en politieke
teksten (i.e. de 'praktische filosofie') evenals de retorische en
de Poetica (door Bekker geïnterpreteerd als betrekking hebbende op de
"poietische" of "productieve wetenschap") - achteraan werd geplaatst.
Het
is de paginering van de Bekkerse uitgave, namelijk in de (Griekse) banden I en II,
met de regels afgedrukt in twee kolommen per bladzijde, namelijk 'a' en 'b', die sedertdien
gebruikt wordt als verwijzingssysteem voor de aristotelische tekst, ook in de
latere tekstuitgaven (bv. "De interpretatione, 17a5"= pagina
17, kolom a, lijn 5). Een
aantal jaren geleden heeft de Zwitserse geleerde, Olof Gigon, een
gedeeltelijke herziene herdruk bezorgd van de Bekkerse uitgave, met gewijzigde
bandenindeling.
Wat de meer recente uitgaven van (substantiële
delen van) het Corpus betreft, eventueel met vertaling, kan verwezen worden
naar de Engelse reeks "Oxford Classical Texts" (geen
vertaling), de Franse "Collection Budé" (met vertaling) en de
Amerikaanse "The Loeb Classical Library" (met vertaling[59]). De meest recente en meest handzame,
Engelse totaalvertaling is ongetwijfeld: The Complete Works of
Aristotle. The revised Oxford Translation, ed. by Jonathan Barnes, 2
volumes (Bollingen Series LXXI, 1 & 2), Princeton 1984, 2487 blz.
(met index); ze volgt de ordening van Bekker. Wat nog de Nederlandse vertaling
van het corpus betreft, kan gewezen worden op het ambitieuze project bij de Historische
Uitgeverij, in Groningen, dat gestart is in de jaren '90 van de 20ste eeuw; reeds een 10-tal volumes
werden daar gepubliceerd (zie de lijst op de website van
de HU: klik hier).
2.4. De Moderne Aristotelesstudie.
Tot aan het begin
van de 20ste eeuw werd het aristotelische Corpus bestudeerd als een statisch en
'tijdloos' systeem. Terwijl men zich in het geval van Platoon reeds vroeg
verzoend had met het idee dat diens denken, tussen de eerste en de laatste
dialoog, een hele ontwikkeling had doorgemaakt, werd het ook na de Scholastiek
nog als 'godslasterlijk' beschouwd een dergelijke, genetische benadering
ook te hanteren voor "de Meester van degenen die weten". De
interne tegenstrijdigheden die zich wel degelijk manifesteerden tussen
verschillende onderdelen van het Corpus, werden 'opgelost' b.m.v.
de zogenaamde authenticiteitskritiek: zo werden de meeste dialoogfragmenten voor
niet-aristotelisch gehouden; het werkje, Categoriae, kende hetzelfde
lot.
De
definitieve doorbraak van de genetische
benadering - waarbij ogenschijnlijke
tegenspraken gingen gewaardeerd worden als aanwijzingen voor verschillende
ontwikkelingsstadia in Aristoteles' denken - was vooral te danken aan de (in
oorsprong) Duitse filoloog, Werner Jaeger, met zijn in 1912 gepubliceerde
dissertatie, Studien zur Entstehungsgeschichte der Metaphysik, en, vooral,
zijn algemene studie, Aristoteles. Grundlegung einer Geschichte seiner
Entwicklung, van 1923.[60] Daarmee
kwam er een nieuw begrip tot stand van Aristoteles' oeuvre, namelijk niet als
de weergave van een star systeem, maar als de levende uitdrukking van een
zich ontwikkelende persoonlijkheid.
Jaegers
benadering (die spoedig werd overgenomen en verder uitgewerkt door historici
als E.Bignone, F.Solmsen, F.Nuyens, e.a.) kwam er in de praktijk op neer, niet
enkel dat de verschillende "pragmatieën", respectievelijk deelteksten
ervan, op een tijdsschaal werden geplaatst, maar dat ook kleinere onderdelen,
paragrafen, zelfs zinnen, uit hun overgeleverde context werden gehaald en
toegewezen aan verschillende periodes in Aristoteles' loopbaan. Naar
analogie met wat er zich vroeger, in de Homeroskritiek, reeds had voorgedaan,
kwam men dus ook voor Aristoteles tot een soort van "Schichtentheorie".
Een typisch resultaat van Jaegers aanpak was de reconstructie van "oer-"
of "proto-" fazen van de grote werken, die dus ten grondslag zouden
hebben gelegen aan de werken zoals ze ons uiteindelijk werden overgeleverd[61]: Jaeger zelf had het over een "Urmetaphysik",
een "Urethik" en een "Urpolitik". Een absurd gevolg
weliswaar van het 'verknippen' van de overgeleverde
aristotelische tekst in 'vroege' en 'late' stukjes, was dat
uiteindelijk Aristoteles zelf a.h.w. 'zoek raakte': de thesis van Joseph Zürcher[62], dat belangrijke
onderdelen van het Corpus, in de eerste plaats de Metaphysica, niet
door Aristoteles maar door Theophrastos (en andere schoolleden) zouden zijn
opgesteld, lijkt het 'logische' eindpunt te zijn van een hol op geslagen
genetische aanpak[63].
Wat
evenwel in het meer recente Aristotelesonderzoek vooral onder vuur is komen te
liggen i.v.m. Jaegers benadering, is het criterium dat Jaeger en zijn
volgelingen hebben gehanteerd om de aristotelische teksten en tekstgedeelten
op een chronologische as te plaatsen: namelijk de grootte van Aristoteles' (filosofische)
afstand tot Platoon en diens Vormentheorie. Jaeger ging er, anders gezegd, van
uit dat Aristoteles tot aan Platoons dood - en dus tot aan zijn 38ste levensjaar
- een trouwe volgeling van Platoon was geweest. De dood van zijn meester en
de erop volgende breuk met het platonische milieu zouden vervolgens bij Aristoteles een "crisis" hebben teweeggebracht. Tijdens zijn "Wanderjahre"
in het noorden zou hij zich filosofisch-programmatisch hebben losgemaakt van de
platoonse denkwereld, i.e. van de Vormentheorie, en zou hij de speculatieve
aanzet hebben ontwikkeld tot een eigen systeem (nl. in de "Oermetaphysica",
enz.). Aristoteles' tweede Atheense periode, tenslotte, zou de tijd zijn
geweest van zijn empirische opzoekingen en geschriften. Dat levert dus het
vrij simpele ontwikkelingsschema op van een getrouw platonische aanvangsfase[64], via een "krisis, naar een
groeiende aafstandname van Platoon, resp. meer empirische houding, om tenslotte
uit te monden in een uitdrukkelijk empirische opstelling en werkwijze (cf. de
biologische werken, bv.).
Na
een periode van enthousiaste toepassing van de genetische benadering[65] is er in de wereld van de Aristotelesstudies, mede omwille van de zeer uiteenlopende, tegenstrijdige en soms zelfs
absurde resultaten van de enorme inspanningen die geleverd werden, een reactie ingetreden.[66].
Gebleken is dat men van de genetische aanpak wel iets, maar niet alles mag verwachten;
dat het niet opgaat aan een denker als Aristoteles een uiteindelijk vrij
simplistisch en mechanisch ontwikkelingsschema op te leggen. Maar men is
vooral gaan beseffen dat, hoe de precieze ontwikkeling van Aristoteles'
denken ook moge verlopen zijn, diens filosofisch-wetenschappelijk oeuvre -
dat hij dan toch zelf in zijn geheel heeft bewaard, en allicht is blijven gebruiken
in zijn onderwijs - onvermijdelijk gedragen werd door een aantal filosofische
constanten, door een filosofische basisintuïtie
die zich tijdens zijn gehele
ontwikkeling gehandhaafd heeft. Vandaar dan het besef dat het begrijpen van
deze 'logische structuur' àchter de tekstuele verscheidenheid belangrijker
is dan de kennis van de eventuele chronologische volgorde waarin die teksten
oorspronkelijk geschreven werden.
Heden
ten dage bestaat er een brede consensus over de conclusie, zoals geformuleerd
door Flashar,
"dat de
resultaten van Jaeger in hun totaal concept zowel als in vele details als
mislukt moet worden beschouwd" (dass die
Ergebnisse Jaegers im Gesamtkonzept wie in vielen Einzelheiten als verfehlt
anzusehen sind)[67].
Meer bepaald Aristoteles' verhouding tot Platoon blijkt veel te complex
geweest te zijn, dan dat ze zich tot één formule zou laten herleiden. Zo komt
Dirlmeier tot de conclusie:[69] "Erstens:
Aristoteles is Empiriker am Anfang und am Ende... Zweitens: Aristoteles
ist Platoniker am Anfang und am Ende".
Zelfs in de
fragmenten van vroege teksten zoals de dialoog Eudemos en de Protreptikos,
die Jaegers' 'kroongetuige' waren voor een 'zuiver
platonische' periode, zelfs daarin reeds geeft Aristoteles, bij nader
toezien, blijk van een kritische, 'aristotelische' ingesteldheid[70]. De afwijzing, bovenal, van de
platoonse Vormen- of Ideeënleer en Aristoteles' eigen
'categorieënleer' - die we als het resultaat van die afwijzing
kunnen beschouwen - komen al voor in de Topica-boeken over dialectiek,
waarvan nu algemeen wordt aanvaard dat ze tot Aristoteles' vroegste werken, in
de Akademie, behoren.
Dat
alles betekent niet dat Jaegers historische verdiensten geen erkenning meer
zouden krijgen in de meer recente literatuur. Als onbetwist geldt dat zijn Aristoteles
een buitengewone "protrepticus" is geweest, en zal blijven,
voor de moderne Aristotelesstudie[71].
Het "post-Jaeger" Aristotelesonderzoek van de laatste decennia
heeft zijn bekroning gevonden in het dikke Aristoteles-boek, "Darstellung
und Interpretation seines Denkens", van 1966, van Ingemar Düring[72]. Naar het oordeel van Flashar[73], moet het gewaardeerd worden
als "die repräsentative Synthese unserer Zeit",
waarin Düring zowel een reeks eigen voorstudies als het Aristotelesonderzoek
in het algemeen heeft samengevat tot een indrukwekkende "Gesamtdarstellung"
- ook al is de kwaliteit van de verschillende onderdelen wat ongelijk.
Precies wat Jaegers centrale criterium betreft,
namelijk Aristoteles' verhouding tot Platoon, concludeert Düring[74]:
"dat de
jonge Aristoteles zich vanaf het begin tégen Platoon opstelde. Het belangrijkste
hierbij is niet dat Aristoteles Platoon in één of andere detailvraag bekritiseerde,
maar dat zijn principiële instelling, zijn onderzoeksprogramma en zijn methode
vanaf het begin grondig verschilden. Dat belette hem natuurlijk niet, zowel
gedachtegoed als denkstructuren van Platoon over te nemen en te versmelten in
zijn eigen filosofie. Volgens mijn werkhypothese plaatste Aristoteles zich in
het begin sterk in oppositie met Platoon en stuurde hij het erop aan, zijn
oppositie zo dikwijls mogelijk en soms niet zonder scherpte te beklemtonen.
Die felle polemiek is echter tegelijk de uitdrukking van een innerlijke
onzekerheid bij de jonge denker. Naarmate hij zijn eigen standpunten zekerder
en preciezer kan formuleren, wordt hij ook verdraagzamer en positiever in de
beoordeling van de inzichten van zijn tegenspeler. Dat komt ook in de toon en
de stijl tot uiting. Als rijp denker erkent hij volledig de grootheid van Platoon. De ontologie die hij in (Met.)
Γ
, Ζ
, Η
& Θ
ontwikkelt, betekent in zekere zin een terugkeer naar de platonische vraagsteling".
En in zijn RE-artikel (1968) vinden we nog de volgende twee
vaststellingen, die enkel op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken, nl.:
"in der philosophiehistorischen Perspektive steht
(Aristoteles) für uns als der Vollender der platonischen Philosophie da[75], en
"es ist keine Übertreibung zu sagen, dass seine Philosophie
sich in ständiger Auseinandersetzung mit Platon entwickelte[76].
2.5. Relatieve Chronologie.
Eén van de
belangrijkste "tastbare" resultaten van Dürings Aristotelesonderzoek
is ongetwijfeld dat hij, zij het als een "werkhypothese", tot
een "relatieve chronologie van Aristoteles' geschriften" is
gekomen; in haar grote lijnen, heeft zij een vrij algemene instemming gevonden[77]. Voorafgaandelijk merkt hij op (1°) dat het hem als "vrij
zeker" voorkomt dat alle, in het Corpus bewaarde geschriften geschreven
werden nà Platoons Timaeus, Theaetetus, Parmenides en De
Sofist; (2°) dat
we ons goed voor ogen moeten houden dat al deze teksten door Aristoteles
a.h.w. tot op de dag van zijn dood voortdurend zijn bijgewerkt, aangevuld, enz.
Düring
ordent dus op de volgende manier de aristotelische teksten (en dus: 'ontwikkelingsstadia')
binnen de drie hoofdetappes in Aristoteles' leven:
(1) Akademietijd (367-347):
a) vóór
360 (Platoon: Phaedrus, Timaeus, Theaetetus, Parmenides):
Περὶ
ἰδεῶv
(De ideis); Grul(l)os; classificatorische "Vorarbeiten"
en materiaalverzamelingen van het type
Διαιρέσεις
(Divisiones), Θέσεις
, Συvαγωγαί
, Παρoιμίαι.
b) 360
- ca 355 (Platoon: Sofist, Politicus): Categoriae, De
interpretatione (Hermeneutica); Topica II-VII, VIII, I, IX;
Analytica Priora & Posteriora; de dialoog
Περὶ φιλoσoφίας;
het referaat over Platoons (mondelinge) lezing Περὶ
τἀγαθoῦ;
het geschrift Λ
van de Metaphysica; de dialoog Περὶ πoιητῶv
; Ἀπoρήματα
Ὁμηρικά;
de oorspronkelijke versie van de Poetica, Retorica I-II (zonder
II, 23-24); de oorspronkelijke versie van de Magna Moralia.
# In Dürings commentaar hierbij[78] is
vermeldenswaard dat voor deze periode typisch is dat Aristoteles op zo goed als alle terreinen uitgaat van platoonse
vraagstellingen, maar dat hij er anderzijds op gebrand is, o.m. in zijn onderwijs,
op een "strijdlustige en oppositionele" manier zijn éigen
standpunten naar voren te brengen. Hij verwerpt Platoons Vormenleer en houdt
lezingen o.m. over de techniek en opgave van de dialectiek, de
wetenschappelijke bewijsvoering en de retoriek; over de tragedie en het
epos. Hij formuleert zijn filosofische "Weltanschauung" in de
dialoog "Over de filosofie", voor het brede publiek, en in Met.
Lambda voor intern akademisch gebruik: zij impliceert o.m. een theorie
over de ontwikkeling van de cultuur, sedert de oertijd (de
laatste zondvloed) tot de bloei van de filosofie in zijn eigen tijd, evenals
een theorie over het goddelijke in de kosmos. Aristoteles' belezenheid is "erstaunlich:
er ist wohl vertraut mit den Schriften der vorsokratischen Denker, de Sophisten
und der Mediziner; er kennt die alte Poesie und die dramatische Literatur,
die er fleissig zitiert; besonders gern zitiert er Verse des Euripides".
In zijn Poetica gaat hij uit van Platoons notie van de mimèsis;
in de Rhetorica kiest hij Platoons Phaedrus als uitgangspunt.
Hij geraakt verwikkeld in een 'vete' met de school van Isokrates.
c) Van ca 355 tot Platoons dood, 347
(Platoon: Philebus, Wetten, Epistula VII): natuurfilosofie
en kosmologie: Physica I en II, VI, III-VI; De caelo; De
generatione et corruptione, Meteorologica IV.
Kontroverse rond
de Vormenleer: M §9b,
1086b21-N, A, I, M §§
1-9, B van de (latere) Metaphysica-verzameling. Rhetorica I-II
herwerkt; Rhet. III, Περὶ
λέξεως.
Ethiek: Ethica Eudemia. Dialoog Eudemos, de Protreptikos;
andere, exoterische teksten, bv. het Περὶ δικαιoσύvης
Over Rechtvaardigheid).
# Dertig jaar oud,
heeft Aristoteles voor zichzelf reeds de positie van geleerde uitgebouwd.
Hij richt zich nu op de kennisgebieden waarvoor Platoon slechts weinig
belangstelling heeft getoond. Hij legt de basis voor een (betrekkelijk)
zelfstandige natuurfilosofie; op het vlak van de "eerste filosofie",
d.w.z. de studie van de eerste principes, verdedigt hij zijn eigen opvattingen o.m. via een vaak onverbiddelijke kritiek van de posities van Platoon,
Speusippos en Xenokrates; m.b.v. zijn begrippenkader kan hij tot een "geniale
synthese" komen, die een oplossing biedt voor de sinds Parmenides
gestelde problematiek van de verhouding tussen de zintuiglijke wereld en de
'werkelijkheid', en van verandering en ontstaan, in de natuur. Hij
fundeert zijn ethiek. In de Eudemos behandelt hij de koerante opvattingen
over de
ψυχή.
In antwoord op de Akademiekritiek van Isokrates (in diens Antidosis),
schrijft hij de Πρoτρεπτικός
(λόγoς), formeel gericht aan de Cyprische vorst Themisoon, maar in werkelijkheid een (propagandistische) oproep tot de jongeren
in de Atheense scholen. "Seine Schriften aus dieser Periode strotzen
von Vitalität und Selbstvertrauen. Wir dürfen diese Periode als den
Höhepunkt seines Lebens betrachten"[79].
(2) De "Wanderjahre":
Assos, Mutilene, Makedonië (347-334):
- Natuurkunde, zoölogie en botanika: Historia Animalium I-VI,
VIII; De partibus animalium II-IV; De incessu animalium; de
verloren materiaalverzamelingen
Ζωικά en
Ἀvατoμαί;
Meteorologica I-III. De eerste ontwerpen van de Parva Naturalia
en De anima (Περί ψυχῆς); het verloren geschrift over de botanika.
- Politieke
theorie: Politica I en VII-VIII; uittreksels uit Platoons Wetten;
wellicht een belangrijk aantal van de 158 constituties
(πoλιτεῖαι
πόλεωv) die Aristoteles en Theophrastos
verzamelden; de verloren verzameling Νoμικὰ βαρβαρικά,
e.a.
# In een nieuwe
omgeving begint Aristoteles zijn levenslange samenwerking met Theophrastos.
Met hun getweeën brengen ze een immens materiaal bijeen, gebaseerd op eigen
observaties, 'horen zeggen' en de bestaande literatuur. Meer dan
vroeger richt Aristoteles zich op de empirische waarneming, maar alles staat
ten dienste van zijn hoofdproject: het intelligibel-maken
van het natuurgebeuren b.m.v. vergelijkende structuuranalyses.
(3) Tweede Atheense Periode, 334-322:
- Retorica I, §§
23-24, geschreven en geïntegreerd in Rhet. II; Rhet. I-II en III
herwerkt.
- Politica II, V-VI, III-IV; waarschijnlijk werd de verzameling
constituties verder vervolledigd door Aristoteles en Theophrastos.
- Literatuurgeschiedenis: de overwinnaarslijsten van de Olympische
en Pythische spelen en van de Atheense dramatische festivals, en daarmee
verwante geschriften.
- "Eerste filosofie": (Met.)
Γ , Ε
, ΖΗΘ.
- Physica: waarschijnlijk b. VIII.
- Natuurkunde en psychologie: De partibus animalium I
(gedeeltelijk uit oudere ontwerpen); De generatione animalium; De
motu animalium; waarschijnlijk de bewaarde versie van Parva Naturalia
en De anima.
- Ethiek: Ethica Nicomachea.
- Gedichten:
Platoonelegie, epigram voor het Hermiasbeeld, Hymne aan de Deugd (ter
ere van Hermias).
# Aristoteles' zogenaamde
'psychologische' periode. Hoewel er tussen zijn vertrek uit de Akademie en zijn terugkeer naar Athene slechts enkele jaren verlopen zijn, is
er, volgens Düring, een duidelijk verschil te merken in stijl en toon t.o.v. de
vroegere geschriften. Ook nu polemiseert Aristoteles nog met andere denkers
(o.m. Platoon), maar dat gebeurt op een minder scherpe, meer omzichtige manie[82]. M.b.t. de geschriften ΖΗΘ (Met.),
De motu animalium en De generatione animalium merkt Düring op dat
geen enkel ander geschrift in het Corpus "naar inhoud en fundering zo
rijp en zo veelzijdig is als deze drie"[83]; hetzelfde geldt z.i. voor de Nikomachische Ethiek,
in vergelijking met de andere ethische werken.
Aan het einde van zijn RE-artikel[84] concludeert Düring:
"Trotz der
Gegenständlichkeit seines Denkens ist Aristoteles im grossen und ganzen
theoretischer und spekulativer als Platon. Er ist der Prototyp des gelehrten
Professors. Mit ihm beginnt die Ära des Gelehrtentums" ("ondanks de
zakelijkheid van zijn denken is A. in zijn geheel genomen theoretischer en
speculatiever dan Platoon. Hij is het prototype van de geleerde professor. Met
hem begint de periode van het geleerdendom").
Wat
Dürings Aristotelesbeeld dus betreft, mogen we, met Flashar[85], besluiten dat, ondanks enkele overeenkomsten
met Jaeger qua datering, het totaalbeeld volledig verschillend is. Vooral
opvallend is hoe Aristoteles' Akademieperiode onomwonden opgevuld wordt met
talrijke pragmatieën waarin Aristoteles zijn eigen doctrine ontwikkelt. Meer
nog: de derde subperiode ervan dient zelfs, volgens Düring, als "het
hoogtepunt" van Aristoteles' loopbaan geapprecieerd te worden[86].
Van een "ontwikkeling" van
Aristoteles' denken is bijgevolg voor Düring nog slechts in erg betrekkelijke
zin sprake. Zij verloopt geenszins via een toenemende distanciëring t.a.v.
Platoon, maar ze dient vooral begrepen te worden "als een verdieping
en een rijping van het denken, waarbij de continuïteiten sterker naar voor
komen dan de verschillen tussen de afzonderlijke fazen"[87]. De chronologie van Aristoteles'
geschriften neemt derhalve niet meer dezelfde sleutelpositie in, voor een goed
begrip van Aristoteles' filosofie, als dat het geval was voor Jaeger.
_________________________
Naar hoofdstuk 3
NOTEN:
[1] Cf. de samenvatting bij Flashar (1983), p. 190; voor een uitvoerige studie
ervan, zie P.Moraux, Les listes anciennes des ouvrages d'Aristote
(Louvain 1951); Gigon (1987), p. 3, maant tot grote voorzichtigheid aan, bij
het omgaan en interpreteren van dergelijke lijsten, die onvermijdelijk, in de
traditie, tal van corrupties en aanpassingen hebben ondergaan; ook de
antieke criteria voor echtheid en onechtheid van bepaalde teksten kunnen z.i.
voor ons slechts een betrekkelijke geldigheid hebben; zie, ibidem, p. 201.
[2]
V, 22-28: zie Düring (1957), pp. 41-50.
[3]
Düring, o.c., pp. 83-89.
[5] Düring, o.c., pp. 222-231.
[6]
1ste eeuw v.o.t.; zie verder.
[7]
Cf. ook zijn bijnaam van
"de
lezer".
[8]
Cf. bv. Eudemische Ethiek
, 1217b22.
[9]
ἐκδεδoμέvoι
, Poetica, 1454b17-18.
[10]
ἀπηλλαγμέvoι
, Eudemische Ethiek, 1220b10.
[11]
Πρoτρεπτικός
(
λόγoς
).
[13] De Romein Cicero (1ste eeuw
v.o.t.), die eveneens het genre van de
filosofische dialoog zou beoefenen (in het kader
van zijn project om de Griekse filosofie te integreren in de Romeinse "humanitas"),
zou zich uitdrukkelijk beroepen op Aristoteles en diens literaire kunst: cf.
zijn Academica Priora, II, 38, 119, waar hij het heeft over de "gouden
stroom" van Aristoteles' discours (flumen orationis aureum).
[14] Bv. de
Διαιρέσεις
(Divisiones), in 16 boeken.
[15]
Συvαγωγαὶ περὶ τoῦ δεῖvα
.
Cf. Lynch (1972), p. 89: "(The sunagôgê
type of writing) was so distinctive that almost everyone in the Hellenistic
Age who produced a sunagôgê was labeled a 'Peripatetic' whether or not
he had anything to do with the school at all".
[16] Gebaseerd op archiefmateriaal, gaven de
"didaskalieën" informatie over de opvoeringen van tragedies
en komedies (opvoeringsdatum, festival, prijs, hoofdakteur, enz.).
[18]
Πoλιτεῖαι
. De Ἀθηvαίωv
πoλιτεία, of Atheense constitutie, is eind vorige
eeuw grotendeels teruggevonden op (twee) papyri.
[19]
Zie Gigon, o.c., pp. 408-409.
[20]
Τεχvῶv συvαγωγή
α
'
β
'
(nr. 77, in de lijst bij Diogenes
Laertios).
[21]
Zie de recente verzameling van Gigon
(1987), pp. 257, die zich inspant zoveel mogelijk van de overgeleverde
fragmenten toe te wijzen aan titels in de lijst van Diogenes Laertios.
[23]
Voor de betekenis van "πραγματεία"
, een uitdrukking die door Aristoteles zelf
werd gebezigd, zie F.Dirlmeier (1963), p. 164: de link makend met de Griekse
werkwoordelijke uitdrukkingen πραγματεύεσθαι
en
πράγματα
ἔχειv
,
παρέχειv
- die, toegepast op de wetenschap,
uitdrukking moeten geven aan de overtuiging dat ook intellectuele
activiteiten "moeite, inspanning" vergen, en dus "arbeid"
zijn -, komt Dirlmeier tot de conclusie dat de term "nichts anderes
bedeuten (kann), als einen geschriebenen Logos, der mit ernsthafter, man möchte
geradezu sagen: mit beruflicher Hingegebenheit verfasst worden ist".
[24]
Cf. zijn bekende schriftkritiek aan het slot van de
Phaedrus , 274B-278B. Zie hierover verder
de syllabus ΦIΛΟΣΟΦΟΣ
. Van "Wereldwijs" naar
"Wereldvreemd"? , RUG 1988), p. 96v.
[25]
Cf. de teksten verzameld en overgeleverd in het zogenaamde
Corpus Hippocraticum .
[26]
In zijn Notes on the History of the
Transmission of Aristotle's Writings (Göteborg
Högskolas Årsskrift 56, 1950), pp. 58-59; geciteerd bij Lynch (1972), p.
90, die eraan toevoegt: "In the style, form, and quantity of literary
output Aristotle's school had a distinctive character, unprecedented by
anything produced in the Academy or elsewhere".
[27] Voor hun
'miraculeuze'
redding, zie verder.
[28]
Wat die discussies betreft: hoewel Aristoteles de dialoog als
filosofisch-wetenschappelijk genre verving door
het traktaat, blééf het dialogisch of dialectisch element sterk aanwezig. M.a.w. Aristoteles ontwikkelt zijn denkbeelden in voortdurende
confrontatie met
afwijkende opvattingen, met aporieën die er worden door opgeroepen, met
geformuleerde objecties, enz.
[29]
In zijn Reviser's Introduction
, bij de Politica-vertaling (Penguin), p. 32.
[30]
Verdenius (1985), p. 18; zie ook Moraux
(1973), p. 8, over de vraag of Aristoteles zelf, als editor voor zijn
werkteksten is opgetreden, d.w.z. ze geordend en consulteerbaar heeft gemaakt.
[31]
Of alleszins tot zijn laatste vertrek uit Athene.
[32]
Vgl. bv. met de grote atomist, Demokritos, wiens oeuvre dat van Aristoteles én in veelzijdigheid én in aantal
titels evenaarde (zie de lijst bij D.L., IX,
' 45-49),
maar dat volledig verloren is gegaan.
[33]
Het boek
Δ
van
de Metaphysica-verzameling, enkele boeken uit de Physica en het Historia
Animalium...
[34]
Geographia , XIII, i, 54= Düring (1957),
66b, pp. 382-383.
[35]
Cf. wat hoger, in kap. 1, gezegd is over Aristoteles' nauwe
relaties met het noordwesten van Klein-Azië (de Troas); zie ook Theophrastos'
testament, D.L., V.52, blijkens hetwelke "alle
boeken aan Neleus" werden nagelaten. Cf. Düring (1957), l.c., en pp.
393-395.
[36] Zie ook
het nog altijd lezenswaardige boekje van J.Bidez, Un Singulier Naufrage
Littéraire dans l'Antiquité. À la recherche des Épaves de l'Aristote perdu (Bruxelles,
1943).
[37]
Vermoedelijk vooral uit het niet-aristotelische fonds ervan, zie
P.Moraux (1973), p. 12v.
[38]
Cf. Aristoteles' belangrijke leerling,
Eudemos, was van Rhodos afkomstig en keerde er nadien terug. Zie Moraux (1973),
pp. 9-11. Ook een buitenstaander, zelfs tegenstander van de school, zoals Epikouros, heeft een aantal van deze teksten gelezen en zelfs geëxcerpeerd.
[39]
Cf. Flashar (1983 ), p. 191.
[40]
Cf. Düring (1957), p. 393:
"Everybody
familiar with Strabon knows that, at the end of narratives like this, he alwas
adds something from his own lively imagination".
[41]
Turannioon was door de Romeinse zogenaamde 'philhelleen' Lucullus ca 60 v.o.t., samen met andere geleerden en
een massa boeken als oorlogsbuit uit Klein-Azië naar Rome gebracht; hij werd
er o.m. door Atticus en Cicero vaak, als expert, geraadpleegd: zie Düring
(1957), p. 412. I.v.m. Sulla's inname van Athene, in 86 v.o.t., moet nog worden
opgemerkt dat bij die 'gelegenheid' zowel de Akademie als het Lyceum,
die zich allebei buiten de stadsmuren bevonden, kompleet verwoest werden door
de Romeinse soldateska - wat een einde stelde aan het voortbestaan van beide
als instelling; cf. Ploutarchos, Leven van Sulla, 12, 1-3. Zie Lynch
(1972), pp. 163-207, die zijn vaststellingen als volgt samenvat, pp. 206-207:
"Although philosophical work which can be called in some sense
'Peripatetic' and 'Aristotelian' was carried on beyond the first century B.C.,
the institution of higher learning Aristotle founded in the Lyceum at Athens
did not continue beyond 86 B.C. to contribute to the history of Greek
philosophy and ceased to be an instrument of Greek and Roman education".
[42]
Einde 2de, 1e helft van de 1de eeuw v K;
was vermoedelijk gevormd in de aristotelische school die op Rhodos gesticht
was door Aristoteles' leerling Eudemos.
[43]
Datering en plaats ervan vormen het voorwerp van betwisting.
Volgens de communis opinio
en o.m. Düring (1957), pp. 413-425, en (1966), pp. 40-41, kwam de
uitgave tot stand in Rome, tussen 40 en 20 v.o.t., op basis van de voorarbeid van
Turannioon; volgens Moraux (1973), pp. 45-58, daarentegen, zou Andronikos, als
hoofd van het Lyceum (wat betwist wordt door Düring), reeds ca 75 v.o.t. in Athene
zijn uitgave gerealiseerd hebben.
[44]
Het werk bestond zelf uit 5 boeken, waarvan het laatste een
pinax, of lijst gaf van alle
aristotelische teksten die Andronikos bekend waren. Onderverdeeld in 4 delen,
bestond het tweede uit een "index generalis" van Andronikos' eigen
uitgave. Andronikos' lijst lag aan de oorsprong van die van
Ptolemaios-el-Gharib. Zie Moraux (1951), pp. 289-321; Düring (1957), pp.
241-246, en (1968), kk. 187-190.
[45]
"Andronikos de Peripateticus heeft
Aristoteles' en Theophrastos' (boeken) gerangschikt in pragmatieën, door (inhoudelijk)
verwante traktaten in dezelfde (afdeling) samen te brengen".
Zie Düring (1957), pp. 414-5, (1966), p.
41, en (1968), kk. 198-200 (maar zie verder).
[46]
Düring (1968), k. 199.
[47]
Strikt genomen, is het dus onjuist te spreken van "dé"
Metaphysica of "dé" Physica
van Aristoteles: het gaat in werkelijkheid (wanneer we deze visie volgen) om post-aristotelische bundelingen van formeel zelfstandige (maar inhoudelijk
wel samenhorende) teksten. Aristoteles heeft zelf slechts weinig systematische
handboeken opgesteld: bv. de Topica, als leerboek van de dialectische,
en Rhetorica I-II, als leerboek van de retorische techniek.
[48]
N.B. Aristoteles zelf heeft, hoewel hij de logica a.h.w. geschapen
heeft, deze teksten nooit onder dat begrip samengevat
; wat wij "logica" noemen, heet bij hem "analytiek".
Voor een overzichtelijke en systematische "Werkbeschreibung"
van alle op naam van Aristoteles bewaarde teksten, zie Flashar (1983), pp.
236-293.
[49]
Zoals althans in de Index generalis van Andronikos' uitgave, opgenomen in de omvattende catalogus van Aristoteles' werken,
bij Ptolemaios el-Gharib, zie Düring (1957), pp. 224-225, en pp. 244-245; voor
de poëtica als deel van de "praktische filosofie", zie o.m. Flashar
(1983), pp. 363-364. In een oudere classificatie, nochtans, van Aristoteles'
werken, teruggaande tot het einde van de 3de v.o.t., waren de poëtische en
retorische teksten als onderdelen van de zogenaamde "poietische" of
"productieve" wetenschap gerangschikt - vandaar ook nog hun plaats
achteraan, in de uitgave van I.Bekker (zie verder). In de late oudheid,
tenslotte, bij de commentatoren van de 5de en de 6de eeuw, zijn Ethica en
Retorica onder de logische teksten, vooraan, geplaatst als
propedeutische werken, die, net zoals de logische, moesten bemeesterd
worden vooraleer de filosofie als zodanig aan te vatten. Zie J.Lameer, Aristotelian
Rhetoric and Poetics as Logical Arts in Medieval Islamic Philosophy, in:
Bibliotheca Orientalis, 50 (1993), p. 564.
[50]
Vgl. bij Porphurios,
Vita Plotini
, 14.6-7: ἡ μετὰ
τὰ φυσικὰ τoῦ
Ἀριστoτέλoυς
πραγματεία
, "Aristoteles' metafysische
pragmatie". De gebrekkige dispositie en samenstelling van het werk
riep reeds in de latere oudheid vragen op. Volgens de laat-antieke commentator,
Asklepios (6de eeuw), zou Aristoteles aan zijn leerling Eudemos gevraagd hebben
de uitgave van de Metaphysica op zich te nemen, maar die had de tekst
als te lang en onpubliceerbaar beschouwd. Een aantal moderne autoriteiten
wijzen dit bericht af als onhistorisch: zie Moraux (1973), pp. 8-9. -- Over
de (oorsprong van de) uitdrukking "metafysica", als
onderdeel van de filosofie, is al heel veel inkt gevloeid. Eén ding is zeker:
ze komt niet van Aristoteles zelf. De eenvoudigste verklaring voor het
ontstaan ervan, die nog altijd de meeste aanhangers telt, is dat Andronikos
in verlegenheid zat om een naam te vinden voor een reeks uiteenlopende
teksten - waarvan sommige de natuurfilosofie betroffen, andere de ontologie,
nog andere de theologie - en dat hij dan verkozen heeft de verzameling te
benoemen naar de plaats ervan in zijn uitgave, namelijk "achter"
of "na de fysische boeken". Pas nadien zou de uitdrukking een
overdrachtelijke, filosofische betekenis hebben gekregen, zodanig dat "na"
de betekenis kreeg van "later/hoger in de zijns- en kennisorde",
sc. dan de fysica. Aristoteles zelf, in elk geval, gaf de voorkeur aan de
omgekeerde orde: wat in de volgorde van de menselijke kennisverwerving -
dus "voor ons" (
ἡμῖv)
- laatst komt, komt in de orde van zijn en
van absolute kenbaarheid - dus "in absolute zin" (
ἁπλῶς
)
- éérst (zie de openingsregels van de Physica
I). Als benaming, daarom, voor de "theoretische" studie van het
opperste zijn, verkoos hij, naast "theologie"
(
θεoλoγική
), die van "eerste filosofie"
( ἡ πρώτη
φιλoσoφία )
; de fysica, anderzijds, werd door hem om
dezelfde reden als "tweede (theoretische) filosofie" geclassificeerd
(zie bv. Met. Z, 1037a17).
[51]
Düring (1966), p. 41.
[52]
Düring (1966), p. 42, en (1968), k. 319.
[53]
Aristoteles kon wel, i.v.m. een of
ander deelgebied, inderdaad de indruk hebben dat het onderzoek daaromtrent
"af" was, of zijn voltooiing naderde, vgl. bv. Meteor., I.1,
339a8-9: "Wanneer deze (onderwerpen) besproken zijn, dan zal het totale
onderzoeksprojekt dat we ons bij de aanvang gesteld hebben, wel zijn
einddoel (telos) bereikt hebben". N.B. Wat nog de term "pragmateia"
betreft, die, zoals we zagen, door Porphurios gehanteerd werd m.b.t.
Andronikos' redactionele arbeid, moet worden vastgesteld dat Düring er in zijn
publicaties niet consequent mee omspringt: enerzijds brengt hij het woord in
verband met de groepering door Porphurios (en dus ook door diens model,
Andronikos) van Plotinos/Aristoteles' teksten in grotere, thematische
verbanden: "logica", "ethica", enz., zo (1957), p. 415, en
(1968), k. 200; anderzijds (en in het RE-artikel tegelijkertijd),
interpreteert hij het woord als verwijzend naar de omvattende (leer)boeken die Andronikos
creëerde uit de afzonderlijke traktaatjes, cf. (1968), k. 199, en
(1966), p. 41 ("Für Aristoteles bedeutet das Wort pragmateia ein
Wissensgebiet und die geistige Betätigung, für Strabon und Andronikos ein
Buch"); maar in een vroeger artikel, (1950), geciteerd hoger, n. 26, heeft ook hij het woord toegepast op de traktaten van Aristoteles. Hierbij
dient opgemerkt dat reeds Porphurios er geen graten in zag om het woord nu eens
te betrekken op deelgebieden van de filosofie, dan weer om er een
"boek" mee aan te duiden (nl. Aristoteles' Metaphysica, zie
hoger); alleen viel in Andronikos' uitgave het (vierde) deelgebied, namelijk van
de metafysica, sàmen met het éne handboek, de Metaphysica, in tegenstelling
tot de andere deelgebieden.
[54]
Zie voor bio- en bibliografische gegevens over deze en andere
vertegenwoordigers van het aristotelisme in de
vroege Romeinse keizertijd, de syllabus Encyclopedie van de Wijsbegeerte der
Oudheid, II (1985-86), pp. 107-113.
[55]
Zie hierover ook de syllabus,
Het Klassieke Arabische Denken: Oudheid en Islam, kap. 3.2. (op
deze site). Alle bewaarde antieke Aristotelescommentaren werden, zoals bekend, rond
het begin van deze eeuw uitgegeven in de reeks Commentaria in Aristotelem
Graeca, van de Berlijnse Academie.
[56]
Zie Flashar (1983), p. 192.
[57]
De precieze titel en indeling ervan is als volgt:
Aristotelis Opera edidit Academia Regia Borussica
(1831-70). Bd I (pp. 1-789) en II (pp. 791-1462): Aristotelis
graece ex recensione I.Bekkeri, 1831; III: Aristotelis latine
interpretibus variis, 1831 (Latijnse Renaissance-vertalingen); IV: Scholia
in Aristotelem, collegit Ch.A.Brandis, 1836; V: Aristotelis qui
ferebantur librorum fragmenta, coll. V.Rose, Scholiorum in Aristotelem
supplementum, Index aristotelicus, ed. H.Bonitz (1870).
[58]
Nl. Aristotelis Opera, ex rec.
I.Bekkeri, editio altera : vols. I en II, Berlin
1960; en vooral vol. III: Librorum deperditorum fragmenta, 1987; vol.
IV brengt scholia (edd. Chr.A.Brandis en H.Usener), met een uitg. van de Vita
Marciana, door Gigon (1961); vol. V de Index Aristotelicus van
H.Bonitz (1961).
[59]
De meeste, oudere Aristotelesteksten in
deze reeks reproduceren grotendeels de tekstuitgave van Bekker.
[60]
Engelse bewerking 1934 en 1948².
[61]
Vgl. nogmaals de 19de-eeuwse Homeroskritiek die tot allerlei
voorstellen van "oer-Ilias" en
"oer-Odyssea" heeft geleid.
[62]
Aristoteles, Werk und Geist , Paderborn
1952.
[63]
Zürchers thesis werd door nagenoeg alle andere historici verworpen.
Chroust (1973), nochtans, Preface, p. xi
e.v., staat er uitgesproken positief tegenover. Z.i. is het niet uit te sluiten
dat men in de toekomst verplicht zal zijn het Corpus Aristotelicum om te
dopen tot: Corpus Scriptorum Peripateticorum Veterum (wel erkent hij dat
een dergelijke mogelijkheid in het licht van het hedendààgse
Aristotelesonderzoek als "highly problematic" moet worden
beschouwd).
[64]
Waarvoor Jaeger de fragmenten meende te mogen opvoeren van de "exoterische" werken, vooral van de dialogen.
[65]
Zie bv. F.Nuyens, Ontwikkelingsmomenten
in de Zielkunde van Aristoteles , Nijmegen 1939,
waarin Jaegers schema gebruikt werd om opeenvolgende ontwikkelingsstadia te construeren
in Aristoteles' zielsopvatting en psychologische theorie.
[66]
Düring (1968), k. 319, merkt op dat dit een normaal verschijnsel
is, aangezien een wetenschappelijke hypothese
gewoonlijk ongeveer 20 jaar geldig blijft.
[67]
Een belangrijke mijlpaal in die
'ontnuchtering' was het Aristotelesartikel van F.Dirlmeier (1950). Deze laatste
wijst vooreerst op de historiciteit van Jaegers genetische benadering: het
'ontwikkelingsdenken' is een creatie van het
Romantisme (Dirlmeier verwijst naar Herder; cf. ook Flashar, 1983, p. 179).
Als een "unantikes Werkzeug" (ibid., p. 132) is het bijgevolg
niet zomaar toepasselijk op iemand als Aristoteles (de 'genetische'
methode die Aristoteles zelf toepast, bv. in Politica I, betreft nooit
het afzonderlijke, individuele wezen, maar de actualisering van de -
eeuwige en onveranderlijke - soortvorm).
[68]
Flashar (1983), p. 177.
[70]
In zijn status quaestionis
over de 'stand van het Aristotelesonderzoek' merkt Flashar (1983), p. 178, op dat Jaegers Aristotelesboek berustte op "twee elementaire filologische tekortkomingen": 1°) Jaeger nam Aristoteles' biografie als maatstaf voor diens ontwikkeling zonder dat hij
het (antieke) "biografische materiaal" op een systematische
manier verzameld en onderzocht had - dat gebeurde pas met Düring (1957), en dan
bleek dat de antieke biografische gegevens voor een deel onderling tegenstrijdig
en tendentieus waren; 2° ) Jaeger is op een veel
te zorgeloze, zelfs lichtzinnige manier omgesprongen met de "fragmenten",
resp. de "exoterische geschriften": de zogenaamde
fragmentenverzameling met name van Valentin Rose (1870) mocht niet
als een echte fragmentenverzameling worden gehanteerd. Niet alleen vertoont
zij grote onvolkomenheden, maar zij was ook niet bedóeld, door Rose, als een
dergelijke verzameling (cf. de titel: "Aristotelis qui ferebantur
librorum fragmenta"!); het zo belangrijke onderscheid tussen "fragmenta"
en "testimonia" (vgl. bv. in Diels' Fragmente der
Vorsokratiker) werd door Rose niet gemaakt en er is een enorme disproportie
tussen de gegarandeerde en de vermoedelijke citaten, parafrases, verwijzingen,
enz.: "wörtliche Zitate aus den exoterischen Schriften bei
Aristoteles finden sich nur ganz selten; es sind wenige ganz kleine Splitter"
(Flashar, l.c.). Daarbij dient nog geconstateerd dat de assumptie dat Aristoteles' dialogen, als
'navolging van Platoon', noodzakelijk uit
een vroége periode stammen, in feite een petitio principii is (cf. ook
de latere peripatetici hebben nog dialogen geschreven). Als literair genre,
trouwens, bezat de aristotelische dialoog een aantal stilistische kenmerken en
traditionele topoi, die niet zonder meer chronologisch-biografisch
kunnen geduid worden: bepalend was de adaptatie van de filosofische inhoud
aan het receptievermogen van de adressaat. Bijgevolg, zo concludeert Flashar,
o.c., p. 179, heeft zich steeds meer de opvatting doorgezet,
"dass aus
den Dialogen und den übrigen exoterischen Schriften eine frühe Phase
platonisierender Philosophie, die mit der Lehrschriften im Widerspruch
stünde, nicht ableitbar ist".
[71]
Zo Dirlmeier (1950), p. 167. Düring (1968), k. 319, schrijft:
"Jaegers 'Urmetaphysik', 'Urethik' und 'Urpolitik' werden im
Pantheon der A.-Forschung Ehrenstätten haben; der Entwicklungsgedanke als
solcher wird nicht aufgegeben werden".
[72]
Samengevat en bijgesteld in Düring (1968).
[73]
Flashar (1983), p. 181.
[74]
Düring (1966), p. 46, mijn vertaling.
[75]
Düring (1968), k. 319.
[77]
Zie zijn (1966), pp. 48-52, en (1968),
kk.
332-336.
[79]
Düring (1968), k. 334.
[80]
Düring merkt op dat niet kan worden uitgemaakt of de voorliggende
versies van Parva Naturalia
en De anima in Makedonië dan wel in de tweede Atheense
periode zijn uitgewerkt.
[81]
"für die Aristoteles drei Bücher der Eudemischen Ethik
umarbeitete und benutzte", Düring, o.c., k.
335.
[82]
Cf. het regelmatig terugkerende, berustende
"we moeten ermee tevreden zijn als..."
(ἀγαπητὸv
εἰ
...)
.
[84]
O.c., k. 336; zie ook (1966), p. 52.
[85]
Flashar (1983), p. 182.
[86]
Dat Aristoteles' 'empirische' periode vooral moet
gesitueerd worden tijdens zijn "Wanderjahre"
in Assos en Mutilene, was reeds vóór Jaeger, in 1910, bevestigd door
D'Arcy Thompson, die in zijn studie van Aristoteles' zoölogische werken had
vastgesteld dat een groot aantal natuurobservaties (bv. van de maritieme fauna)
gelokaliseerd waren op Lesbos, in Klein-Azië en in Makedonië.