ARCHIEF VAN DOCUMENTEN

• ARCHIEF-INDEX • CIE-INDEX •

Voorontwerp van besluit van de Vlaamse regering tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria (uittreksels)

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, inzonderheid op artikel 3, 4, tweede  lid, 11, derde lid, 13, derde lid, 17, § 2, 23, 24, § 1, zesde lid en 26, § 2;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 13 januari 2004;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op …… 2004, met toepassing van artikel 84, §1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

BESLUIT:

Hoofdstuk I. Definities

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° het decreet: het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;

2° opgraven: uit een graf halen van een stoffelijk overschot of een asurne met de bedoeling te herbegraven of, in geval van een stoffelijk overschot, te cremeren;

3° ruimen: leegmaken van een graf;

4° schudden: vorm van ruimen waarbij de skeletdelen op de bodem van het graf worden geplaatst;

5° strooiweide: het perceel op de begraafplaats dat gebruikt wordt voor de uitstrooiing van de as;

6° thanatopraxie: het tijdelijk conserveren van een lichaam kort na het overlijden, met als oogmerk gedurende de periode van opbaring de lijkontbinding te remmen, de hygiëne te bevorderen en de overledene een natuurlijk aanzicht te geven.


Hoofdstuk II. Criteria voor de oprichting en het beheer van een begraafplaats en een crematorium

Afdeling I. Begraafplaats

Art. 2. De minimale afstand tussen een graf en de perceelgrens van de begraafplaats bedraagt één meter.

Art. 3. Het bodemmateriaal van de begraafplaats bevat een zo groot luchthoudend poriënvolume dat een voldoende mate van gasdiffusie in de bodem is gewaarborgd. Bij voorkeur bestaat de bodem uit grof zand of zavel. Het bodemmateriaal mag het proces van de lijkvertering niet in ongunstige zin beïnvloeden.

Art. 4. Het terrein van een toekomstige begraafplaats en dat van een uitbreiding alsmede het gedeelte van een bestaande begraafplaats na ruiming wordt, vooraf en in zijn geheel, opgehoogd met materiaal dat aan artikel 3 voldoet als de gemiddeld hoogste grondwaterstand van de begraafplaats zo hoog is dat de graven zich niet ten minste 30 cm boven dit niveau zullen bevinden.

Art. 5. Als de gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband op de begraafplaats een perceel met gelijkvormige graftekens aanwijst, moeten ze steeds in een perceel met niet-gelijkvormige graftekens voorzien. 

Art. 6. De begraving, bewaring in een columbarium of uitstrooiing van de as op de gemeentelijke of de intergemeentelijke begraafplaats met nauwkeurige aanduiding van de plaats ervan, wordt opgetekend in een register dat bijgehouden wordt door respectievelijk de gemeente of het intergemeentelijke samenwerkingsverband op de begraafplaats waar ze plaatsgevonden heeft. Voor de uitstrooiing van de as beperkt de nauwkeurige aanduiding van de plaats zich tot de vermelding van de strooiweide.

Art. 7. De strooiweide bestaat uit een droge bovenlaag. De belasting van de bodem moet in evenwicht zijn met de aanwezige begroeiing.

Art. 8. Het verlenen van toestemming tot opgraving door de burgemeester kan enkel om ernstige redenen. Behoudens gerechtelijk bevel is een opgraving verboden tijdens de periode van grafrust, die loopt tot 10 jaar na de begraving.

Tijdens de opgraving wordt de plaats ervan voor het publiek visueel afgeschermd.

Art. 9. De personen die belast zijn met de opgravingswerkzaamheden moeten voldoende opgeleid zijn en moeten beschermende kledij dragen.

Art. 10. Als wordt vastgesteld dat kledingstukken of andere omhulsels het verteringsproces ernstig vertragen moet de ondoordringbaarheid voor lucht van deze omhulsels bij herkisting worden opgeheven. Zo mogelijk wordt het storende omhulsel verwijderd.

Art. 11. Tijdens het transport van onverteerde resten wordt gebruikgemaakt van een al dan niet herbruikbare lucht- en vloeistofdichte kist. Zo deze kist uitsluitend voor het vervoer is bestemd, mag deze kist vervaardigd zijn uit niet-afbreekbaar materiaal.

Art. 12. Als de bestemming van het lijk buiten de begraafplaats van opgraving is gelegen, moet het lijk in afwachting van vervoer worden bewaard in een lucht- en lekdichte kist.

Art. 13. Voor de ruiming van een begraafplaats of van een deel ervan wordt een draaiboek opgemaakt. Hierin worden de werkzaamheden, de richtlijnen, opgenomen voor de bescherming van het uitvoerend personeel, en de werkwijze bij en de bestemming van mogelijk onverteerde resten, alsook de bestemming van mogelijk aangetroffen waardevolle voorwerpen, omschreven.

Art. 14. Tijdens de ruimingen wordt de plaats van de te ontruimen graven voor het publiek visueel afgeschermd.

Art. 15. De bij het ruimen van een graf gevonden resten van kleding of van een doodskist of een lijkwade worden afgevoerd voor verbranding.

Art. 16. Als bij ruiming een omhulling wordt aangetroffen die de zuurstoftoetreding belemmert moet die worden verwijderd. Als dat onmogelijk is, moet ze in ieder geval luchtdoorlatend worden gemaakt.

Art. 17. Als na sluiting van de begraafplaats een andere bestemming dan parkgebied aan het terrein wordt gegeven, moet het terrein worden uitgebeend.

 (...)

Hoofdstuk V. Begraving in volle grond, in een grafkelder of bovengronds

Afdeling I. Begraving in volle grond

Art. 30. Er mogen ten hoogste drie lijken boven elkaar geplaatst worden mits boven iedere doodskist of lijkwade minstens een laag grond van ten minste 30 cm dikte wordt aangebracht.

Boven de bovenste doodskist of lijkwade bevindt zich een laag grond van ten minste 65 cm.

Art. 31. De afstand tussen de doodskisten of lijkwaden bedraagt minstens 60 cm.

Art. 32. Aan een graf mogen geen milieutoxische stoffen worden toegevoegd.

(...) 

Art. 52. Dit besluit treedt in werking op de datum van de inwerkingtreding van het decreet. 

Brussel, ………

De minister-president van de Vlaamse regering,
Bart SOMERS

De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken,

Paul VAN GREMBERGEN

De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen,
Adelheid BYTTEBIER

• ARCHIEF-INDEX • CIE-INDEX •

Webmaster Update:  13 februari 2007