|

DE
VLAAMSE REGERING,
Gelet op het decreet van 7 mei 2004
betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten,
inzonderheid op de artikelen 2, tweede lid, 79, tweede lid, 115,
tweede lid, 151, tweede lid, 187, tweede lid en 230, tweede lid;
Gelet op het samenwerkingsakkoord van 27
mei 2004 tussen de federale overheid, het Vlaamse Gewest, het
Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende
de erkenning van erediensten, de wedden en pensioenen van de
bedienaars der erediensten, de kerkfabrieken en de instellingen
belast met het beheer van de temporaliën van de erkende
erediensten;
Gelet op
het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 28 april
2005;
Gelet op
het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting,
gegeven op 10 mei 2005;
Gelet op het advies van de Raad van State Nr 38.491/3 gegeven op
14 juni 2005, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 1°,
van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op
voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur,
Stedenbeleid, Wonen en Inburgering;
Na
beraadslaging,
BESLUIT:
Hoofdstuk I. – Begripsbepalingen
Artikel
1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a)
het decreet: het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële
organisatie en werking van de erkende erediensten;
b)
de erkenning: de beslissing van de Vlaamse Regering waarbij de
oprichting van een entiteit van een kerk- of geloofsgemeenschap in
rechte wordt aanvaard overeenkomstig het decreet;
c)
de aanvrager: het door de federale overheid erkende representatief
orgaan van de eredienst;
d)
de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap: de territoriale
entiteit van de erkende erediensten, overeenkomstig het decreet
aangeduid als:
-
parochie (rooms-katholieke, anglicaanse en orthodoxe eredienst);
-
kerkgemeente (protestantse eredienst);
-
Israëlitische gemeente (Israëlitische eredienst);
-
Islamitische gemeenschap (Islamitische eredienst);
e)
grensoverschrijdende plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap:
-
de gemeenschap die in toepassing van het decreet georganiseerd
wordt op het niveau van de gemeente maar wiens gebiedsomschrijving
niettemin het grondgebied van één gemeente of eventueel van één
provincie overschrijdt;
-
de gemeenschap die in toepassing van het decreet georganiseerd
wordt op het niveau van de provincie maar wiens
gebiedsomschrijving niettemin het grondgebied van één provincie
overschrijdt.
Hoofdstuk II. – Aanvraagprocedure en erkenningsvoorwaarden
Art. 2.
§1.
Om in aanmerking te komen voor erkenning moet de aanvrager een
gemotiveerde aanvraag tot erkenning van een plaatselijke
kerk- of geloofsgemeenschap, bij een ter post aangetekende brief,
indienen bij de Vlaamse Regering.
§2. Het
dossier voor de aanvraag moet tenminste de volgende inlichtingen
en stukken bevatten:
1°) de identificatie van de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap waarvan de erkenning wordt gevraagd: naam,
denominatie, in voorkomend geval de huidige rechtsvorm, adres,
naam en adres van de huidige verantwoordelijke van de eredienst;
2°) de
gebiedsomschrijving: de duidelijke aanwijzing van het territoriaal
werkingsgebied van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap:
naam van de gemeente(n) of van de delen ervan;
3°)
gegevens over het gebouw dat binnen de gebiedsomschrijving bestemd
is voor de uitoefening van de eredienst, met vermelding van:
a)
het volledig adres;
b)
de aard van het beschikkingsrecht (eigendom, huur, gebruiksrecht,
zakelijk recht, enz…), waarvan de bewijsstukken moeten kunnen
voorgelegd worden aan de Vlaamse Regering als zij daar om
verzoekt;
c)
de oppervlakte.
Dezelfde
gegevens worden vermeld als meerdere gebouwen, binnen de
gebiedsomschrijving, bestemd zijn voor de eredienst. De aanvrager
duidt aan welk gebouw het hoofdgebouw is.
4°)
gegevens over de andere infrastructuur die gebruikt wordt door de
plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap met vermelding van:
a)
het volledig adres;
b)
de aard van het beschikkingsrecht (eigendom, huur, gebruiksrecht,
zakelijk recht, enz…);
c)
de reden van het gebruik;
5°) de
inventaris, gedateerd op datum van de aanvraag, van de
patrimoniale en financiële toestand bedoeld om te bestemmen voor
de materiële organisatie en werking van de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap (vermogen, inkomsten en uitgaven, met
specificatie van leningslasten, enz…);
6°) het
financieel plan voor de eerstvolgende drie kalenderjaren dat een
overzicht bevat van de voorziene ontwikkeling van de financiële
toestand met opgave van de verwachte ontvangsten en uitgaven,
desgevallend met inbegrip van de bijdrage van de gemeente(n) of de
provincie(s) tot de financiering, en de voorziene planning van de
investeringsuitgaven met inbegrip van de voorgenomen
financieringswijze;
7°) de
melding of voor de gebiedsomschrijving een bezoldigd bedienaar van
de eredienst zal worden aangevraagd bij de federale overheid.
Indien meerdere bezoldigde plaatsen worden gevraagd, wordt het
aantal en de identiteit van de betrokkene(n) ervan vermeld;
8°) een
toelichtende nota waaruit de maatschappelijke relevantie van de
plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap blijkt, met inbegrip van
haar betrokkenheid bij het geheel van de lokale leefgemeenschap
binnen de gebiedsomschrijving. De toelichting over de
maatschappelijke relevantie bevat minimaal de volgende elementen:
a)
een benaderende opgave van het aantal gelovigen binnen de
gebiedsomschrijving, zo nodig opgesplitst per gemeente;
b)
de wijze waarop de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich
inschakelt in de lokale gemeenschap van de gemeente waartoe zij
behoort, met inbegrip van:
-
de wijze waarop zij in haar werking en haar contacten met
gelovigen en derden, uitgezonderd de door de liturgie
voorgeschreven bepalingen, de Nederlandse taal gebruikt;
-
de organisatie van haar contacten met de bestuurlijke overheid van
de gemeente of de gemeenten van haar gebiedsomschrijving.
Bij het
indienen van het jaarlijkse budget bij, naar gelang van het geval
de gemeente- of provincieoverheid, moet telkens een verslag
gevoegd worden over de concrete toepassing van de betrokkenheid
van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap bij het geheel van
de lokale gemeenschap met opgave van de elementen bedoeld in het
vorige lid. De provincieoverheid voor de orthodoxe en islamitische
eredienst, en de gemeenteoverheid voor de rooms-katholieke, de
protestantse, de anglicaanse en de Israëlitische eredienst, stuurt
een afschrift van het voormelde verslag naar de gouverneur,
eventueel samen met haar bemerkingen over de toepassing van deze
bepalingen. Als de provincieoverheid, gemeenteoverheid of de
gouverneur bemerkingen formuleert over de toepassing van deze
bepalingen, rapporteert de gouverneur erover aan de Vlaamse
Regering binnen een termijn van 30 dagen, samen met zijn advies
ter zake.
9°) een
schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap zich verbindt tot een correcte toepassing van
de wetgeving inzake het gebruik van de talen in bestuurszaken door
de bij toepassing van artikel 6 erkende entiteiten en alle
openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid die opgericht
worden op grond van het decreet;
10°) een
schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt dat haar huidige en
toekomstige geestelijke bedienaars voldoen aan de
inburgeringsplicht die desgevallend op hen van toepassing is
ingevolge het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse
inburgeringsbeleid.
Met
geestelijke bedienaars van de eredienst wordt verstaan:
·
de door de bisschop aangestelde verantwoordelijke van de parochie
voor de rooms-katholieke eredienst en zijn vervanger;
·
de predikant voor de protestantse eredienst en zijn vervanger;
·
de bedienaar van de eredienst voor de anglicaanse eredienst en
zijn vervanger;
·
de rabbijn voor de Israëlitische eredienst en zijn vervanger;
·
de kerkbedienaar en zijn vervanger voor de orthodoxe eredienst;
·
de eerste imam en zijn vervanger voor de islamitische eredienst.
11°) een
schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt om individuen die handelen
of oproepen om te handelen in strijd met de Grondwet en het
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, te weren uit de organisatie en werking van
de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap;
12°) een
schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt om, behoudens incidentele
overmacht:
-
in geen geval, op welkdanige wijze dan ook, haar medewerking te
verlenen aan activiteiten, als zij in strijd zijn met de Grondwet
en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden,
-
individuen of verenigingen te weren uit gebruikte lokalen en
plaatsen die de door artikel 6 erkende entiteiten en alle openbare
instellingen met rechtspersoonlijkheid die opgericht worden op
grond van het decreet gebruiken, wanneer die personen oproepen of
handelen in strijd met de Grondwet en het Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
13°)
naam en adres van de contactpersoon van de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap.
Hoofdstuk III. - Erkenningsprocedure
Art. 3.
§1.
Wanneer de aanvraag tot erkenning de inlichtingen en stukken
bevat, vermeld in artikel 2, §2, zendt de Vlaamse Regering, bij
een ter post aangetekende brief, een ontvangstbewijs aan de
aanvrager en schrijft, op dezelfde dag, de aanvraag in het
aanvraagregister in. Het ontvangstbewijs vermeldt deze
registratie.
§2. Is
het aanvraagdossier niet volledig, dan deelt de Vlaamse Regering
dit aan de aanvrager mee en verzoekt hem het dossier te
vervolledigen. Zij neemt de aanvraag in behandeling na ontvangst
van al de ontbrekende dossierstukken.
§3. De
Vlaamse Regering stuurt een afschrift van de geregistreerde
aanvraag aan de minister van Justitie.
Art. 4.
De
Vlaamse Regering beoordeelt de aanvraag op basis van de volgende
criteria:
1°) de
volledigheid van het aanvraagdossier overeenkomstig artikel 2, §2,
1° tot 13°;
2°) de
financiële leefbaarheid van de plaatselijke kerk- en
geloofsgemeenschap op basis van het onderzoek van het financieel
plan, bedoeld in artikel 2, §2, 6°, rekening houdend met:
-
de in hetzelfde artikel, sub 5°, bedoelde inventaris;
-
in voorkomend geval, de redelijkheid en de financiële haalbaarheid
van de bijdrage van de gemeente(n) of de provincie(s) tot de
financiering;
3°)de
maatschappelijke relevantie van de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap, overeenkomstig artikel 2, §2, 8°, wordt
minimaal aangetoond aan de hand van:
-
een benaderende opgave van het aantal gelovigen binnen de
gebiedsomschrijving, zo nodig opgesplitst per gemeente;
-
de wijze waarop de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich
inschakelt in de lokale gemeenschap van de gemeente waartoe zij
behoort, met inbegrip van:
-
de wijze waarop zij in haar werking en haar contacten met
gelovigen en derden, uitgezonderd de door de liturgie
voorgeschreven bepalingen, de Nederlandse taal gebruikt;
-
de organisatie van haar contacten met de bestuurlijke overheid van
de gemeente of de gemeenten van haar gebiedsomschrijving;
4°) de
correcte toepassing van de wetgeving inzake het gebruik van de
talen in bestuurszaken, overeenkomstig artikel 2, §2, 9°;
5°) de
verbintenis inzake het voldoen aan de bij decreet vastgestelde
inburgeringsplicht door de huidige en toekomstige geestelijke
bedienaars, overeenkomstig artikel 2, §2, 10°;
6°) de
verbintenis van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap om
individuen die handelen of oproepen om te handelen in strijd met
de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden, te weren uit de organisatie en
werking van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap,
overeenkomstig artikel 2, §2, 11°;
7°) de
verbintenis, overeenkomstig artikel 2, §2, 12°, van de
plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap om, behoudens incidentele
overmacht:
-
in geen geval, op welkdanige wijze dan ook, medewerking te
verlenen aan activiteiten, als zij in strijd zijn met de Grondwet
en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden;
-
individuen of verenigingen te weren uit gebruikte lokalen en
plaatsen, wanneer die personen oproepen of handelen in strijd met
de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden.
Art. 5.
Voor de
Vlaamse Regering haar beslissing neemt over de erkenning van de
plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap, wint zij het advies in
van de gemeenteraden van de gebiedsomschrijving, bedoeld in
artikel 2, §2, 2°. Zij vraagt tevens het advies van de gemeente-
of provinciera(a)d(en) die, met toepassing van het decreet, in
voorkomend geval moeten bijdragen in het budget.
Als de
gemeenteraad of provincieraad zijn advies niet naar de Vlaamse
Regering heeft gestuurd binnen een termijn van vier maanden nadat
de Vlaamse Regering hem de vraag om advies heeft toegezonden,
wordt de gemeenteraad of de provincieraad geacht een gunstig
advies over de erkenningsaanvraag te hebben uitgebracht.
Art. 6.
De
Vlaamse Regering neemt een beslissing bij gemotiveerd besluit. Dit
erkenningsbesluit bevat desgevallend de verdeelsleutel van de
kosten tussen de openbare besturen die betrokken zijn bij
grensoverschrijdende plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschappen,
na het inwinnen van hun advies terzake.
De
Vlaamse Regering geeft, bij een ter post aangetekende brief,
kennis van dit besluit aan de aanvrager. Zij stuurt ook
een afschrift ervan aan de minister van Justitie en, naar gelang
van het geval, aan de betrokken gemeente(n) of provincie(s).
Hoofdstuk IV. - Opheffing van de erkenning
Art. 7.
§1. De
Vlaamse Regering kan, bij gemotiveerd besluit, de erkenning
opheffen van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap die niet
meer voldoet aan één of meerdere erkenningscriteria, bepaald in
artikel 4 van dit besluit.
Voor zij
daartoe kan overgaan verzoekt de Vlaamse Regering de aanvrager
haar een dossier te bezorgen met de door de Vlaamse Regering
aangeduide inlichtingen en de stukken, bedoeld in artikel 2, §2.
Het dossier bevat daarnaast ook de verantwoordingsstukken en
elementen betreffende de criteria bepaald in artikel 4, die de
plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap aan de aanvrager
verstrekt om het dossier te ondersteunen.
De
aanvrager beschikt over een termijn van 100 dagen om het dossier
naar de Vlaamse Regering te sturen, te rekenen vanaf de datum
waarop het verzoek van de Vlaamse Regering aan de aanvrager is
verzonden.
Na
ontvangst van het dossier of na het verstrijken van de in het
vorige lid bepaalde termijn van 100 dagen, wint de Vlaamse
Regering het advies in van de betrokken gemeentera(a)d(en) of
provinciera(a)d(en), overeenkomstig de procedure, bepaald in
artikel 5.
§2. De
Vlaamse Regering geeft, bij een ter post aangetekende brief,
kennis van haar gemotiveerd besluit aan de aanvrager. Zij stuurt
ook
een afschrift ervan aan de minister van Justitie en, naar gelang
van het geval, aan de betrokken gemeente(n) of provincie(s).
Hoofdstuk V. – Slotbepalingen
Art. 8.
Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de tweede
maand, volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
De
aanvragen, ingediend voor het in werking treden van dit besluit en
waarvoor nog geen erkenning is verleend, worden geacht te zijn
ingediend op grond van dit besluit. In geval van onvolledigheid
wordt het aanvraagdossier voor aanvulling aan de aanvrager
teruggezonden.
Art. 9.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden,
is belast met de uitvoering van dit besluit.
De
minister-president van de Vlaamse Regering,
Yves
LETERME
De
Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid,
Wonen en
Inburgering,
Marino
KEULEN
|