|
 |
2005-03-03
13:13:48
Bart Somers haalde op 2 maart
jl. fors uit naar minister van Cultuur
Bert Anciaux. Door migrantenverenigingen te subsidiëren zou de
cultuurminister aanzetten tot segregatie. SoCiuS (het Steunpunt voor
Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk) en FOV (de belangenorganisatie voor
het sociaal-cultureel volwassenenwerk) zijn het niet eens met de
uitspraak van de VLD-voorzitter. Het tegendeel is waar. De
ondersteuning van migrantenverenigingen is bevorderlijk voor de
integratie en vormt een belangrijke aanzet in de realisatie van een
harmonieuze samenleving.
Federaties van migrantenverenigingen zijn veelal ontstaan op etnische
basis. Hetgeen niet verwonderlijk is gezien de migratiegeschiedenis.
In de praktijk is er van deze strikt etnische scheiding echter al lang
geen sprake meer. De meeste migrantenverenigingen zijn multi-etnisch
en werken rond centrale thema’s of gemeenschappelijke belangen: als
vrouw, arbeider, op basis van levensbeschouwing...
Deze ontwikkeling vertoont een belangrijke gelijkenis met autochtone
organisaties. Ook het autochtone verenigingsleven kende een
gesegregeerde ontstaangeschiedenis. Het is ook niet meer dan logisch
dat mensen zich verenigen op basis van een gedeelde ideologie,
belangen, sekse en dergelijke meer. Onderzoek wijst bovendien uit dat
de opstap naar andere maatschappelijke domeinen veel makkelijker
verloopt vanuit een ‘vertrouwde omgeving’.
Sociaal-culturele verenigingen hebben altijd al een belangrijke
emancipatorische functie vervuld. Meer nog, deze functie vormt één van
hun belangrijkste kerntaken. En met resultaat. Denken we maar aan de
realisaties van de werknemers- of vrouwenverenigingen in een nog niet
zo’n ver verleden.
Ook migrantenverenigingen vervullen op dit vlak een belangrijke rol.
In sommige kringen verwacht men nu onmiddellijke resultaten. Instant
emancipatie heet zoiets. De ‘traditionele’ sociaal-culturele
organisaties werd meer ademruimte gegund. Hun verwezelijkingen vloeien
voort uit decennialange inspanningen. De meeste allochtone
verenigingen konden slechts vanaf 1994 op overheidssteun rekenen en
zijn nog volop in ontwikkeling. Enig realisme is dus op zijn plaats.
De visie van Bart Somers over gesloten allochtone verenigingen strookt
niet met de werkelijkheid. Allochtone en autochtone verenigingen zijn
per definitie open organisaties. Hun kracht en meerwaarde halen ze net
uit dialoog en samenwerking rond allerhande thema’s. Dat wordt ook
dagelijks in de praktijk bewezen. Zo is er de samenwerking tussen het
Vermeylenfonds en de Vereniging voor Ontwikkeling en Emancipatie van
Moslims rond beeldvorming. En eind vorig jaar nog ging het liberale
Willemsfonds een partnership aan met de Unie van Turkse Verenigingen
om de uitwisseling en de samenwerking tussen beide verenigingen kracht
bij te zetten.
Allochtone en autochtone verenigingen slaan dus wel degelijk de handen
in elkaar. Maar de liefde moet van beide kanten komen. En ook dat
vraagt tijd en structurele ondersteuning. Het is een moeizaam
verkenningsproces naar samenwerking, interculturaliteit... Een bordje
‘Iedereen welkom’, waar de VLD-voorzitter op aanstuurt, volstaat niet.
Dat Bart Somers dit koppelt aan een voorwaarde van subsidiëring
getuigt daarenboven opnieuw van het geloof in instant-oplossingen.
Centen voor snelle samenwerking. Maar liever geen structurele
oplossingen wegens te tijdrovend.
Allochtone verenigingen worden net zoals autochtone organisaties
vandaag structureel gesubsidieerd op basis van het decreet voor het
sociaal-cultureel volwassenenwerk van 4 april 2003.
Dit decreet van de hand van minister Anciaux is zeer duidelijk wat het
open karakter van de allochtone verenigingen betreft. Volgens artikel
6 van dat decreet zijn alle verenigingen ertoe gebonden aandacht te
hebben voor culturele diversiteit en moeten ze werk maken van de
samenwerking en netwerkvorming met andere organisaties. Meer specifiek
is er nog de verplichting voor het uitwerken van een democratische en
zelfstandige werking, naast het hanteren van het Nederlands als
voertaal.
Het decreet voorziet ten slotte in een overgangsperiode voor de
veertien erkende migrantenverenigingen. Tot 2009 wordt hen nog de
nodige tijd en ruimte gegund voor het uitbouwen van een professionele
werking. Vanaf 2009 moeten ze volledig voldoen aan de voorwaarden van
de autochtone verenigingen. Vanaf dan is er beleidsmatig niet langer
sprake van een opsplitsing allochtone/autochtone verenigingen.
Het belang van de verenigingen van migranten overstijgt duidelijk het
beleidsdomein van minister Anciaux. Ze zijn spreekbuis en
gesprekspartner geworden in het brede integratiedebat.
Migrantenverenigingen zorgen voor een belangrijke toeleiding naar de
allochtone gemeenschap in Vlaanderen. Het allochtone middenveld wordt
daarom al langer aanzien als een belangrijke partner bij de advisering
van de overheid. Ook Vlaamse steden en gemeenten doen er steeds vaker
een beroep op voor de realisatie van hun integratiebeleid. En niet
alleen de overheden maar ook scholen, gemeentebesturen, lokale groepen...
vinden vlot hun weg naar migrantenorganisaties als gesprekspartner en
toegangspoort tot de migrantengemeenschap.
Getuige hiervan is ook de nauwe band tussen het allochtoon
verenigingsleven en de integratiesector. En valt het integratiebeleid
niet onder de bevoegdheid van een VLD-minister?
Kortom, Bart Somers stelt een complexe realiteit te eenvoudig voor.
Bovendien zijn zijn uitspraken stigmatiserend in plaats van
enthousiasmerend voor een kleurrijk verenigingsleven in Vlaanderen.
Hugo De Blende, directeur SoCiuS
Hugo De Vos, directeur FOV
3 maart 2005
|