Hoofdstuk 2:
Islam en Falsafa:
Al-Kindî, "faylasûf al-carab"
Inhoud:
1. Leven & Werk
2. Filosofie en Theologie
3. Filosofie als "Menselijke Kennis"
van de Waarheid
4. Het "Actieve
Intellect":
4.1. Sterrenleer
4.2. Cognitieve Psychologie
4.3. Aristoteles
4.4. Alexander van Aphrodisias
4.5. Al-Kindî
5. Ethiek.
1. Leven & Werk :
De falsafa,
als de Arabische voortzetting van de Griekse filosofische traditie,
was
het product van de "vertalingsbeweging".[1] Zonder deze laatste had zij niet
kunnen ontstaan in haar "technische", d.w.z. "Griekse" vorm. De
beslissende stap, van het maken/lezen van vertalingen naar het opstellen
van minder of meer oorspronkelijke traktaten, werd allicht uitgelokt én
door de nood aan inleidingen op en uitleg bij de vertaalde teksten én door
de behoefte om de "vreemde" filosofische doctrines minimaal in
overeenstemming te brengen met de grondslagen van het eigen moslimgeloof.
De eerste
intellectuele verschijning, in de moslimwereld, bij wie de volle impact
merkbaar is van het Griekse erfgoed - de eerste moslim, m.a.w., om met de
pas vertaalde teksten te werken en "aan filosofie te doén"[2]
- was Abû Yûsuf Yacqûb ibn Ishâq al-Kindî (ca 800 - ca 870). Geboren in
Irak (zijn vader was amîr, goeverneur, van Kûfa), stamde hij uit
een illustere, Arabische familie[3].
Daarmee was hij niet alleen de eerste, maar de ook enige bekende
faylasûf van echt Arabische origine - vandaar zijn eretitel van
"faylasûf al-carab": "de filosoof van de Arabieren"[4].
Na een opleiding in
Kûfa en, vermoedelijk, Basra, vestigde hij zich in Baghdâd. Hij genoot er
de steun van de kaliefen al-Macmûn en al-Muctasim (hij fungeerde o.m. als
astroloog en als opvoeder voor Muctasims zoon, Ahmad). Maar onder
al-Mutawakkil (847-861) deelde hij klaarblijkelijk mee in de 'klappen'[5]
samen met de muctazilieten, toen traditionalisten als Ibn Hanbal
het pleit wonnen. Zijn omvangrijke bibliotheek werd tijdelijk
geconfisqueerd.
'Kampioen' van de
introductie, in de moslimwereld, van de Griekse (en Indische) geschriften,
gaf al-Kindî ook door zijn omvangrijk en veelzijdig oeuvre blijk van een
indrukwekkende ontvankelijkheid voor de Griekse filosofie en
wetenschappen. De ongeveer 250 titels die hem worden toegeschreven[6],
betreffen zulke uiteenlopende terreinen als: filosofie, logica,
sfeerkunde, meetkunde, muziek (hij zou zelf de cud
hebben bespeeld), astronomie, astrologie, geneeskunde,
farmacologie, psychologie, politiek, meteorologie, geografie, e.a. Maar
ook meer technische zaken (die van praktisch nut waren voor de heersende
élite) komen aan bod: het vervaardigen van glas, edelstenen[7],
metallurgie en wapens[8],
en parfums[9].
In de zgn. "polemische" of "dialectische boeken" (kutub
jadaliyya), tenslotte, werden problemen uit de kalâm - profetie,
goddelijke eenheid en rechtvaardigheid, schepping van het atoom,
weerlegging van andere religies[10],
enz. - aangepakt op basis van de muctazilitische tafsîr, of Qur'âninterpretatie,
maar met gebruikmaking van een filosofische terminologie.
Dergelijke polymathie dient
vanzelfsprekend gesitueerd te worden binnen de hofcultuur (cf. supra, Inleiding
2, kap. 7.4.3.): van iemand als
al-Kindî werd verwacht dat hij zijn vorstelijk publiek kon fascineren door zijn
beslagenheid omtrent de meest diverse fenomenen en onderwerpen.
Ook al ging het in
grote meerderheid om korte, encyclopedische teksten, dan laat de grote
omvang en verscheidenheid van al-Kindî's oeuvre er toch niet de minste twijfel
over bestaan dat hij als een gedreven pionier van het Arabisch
hellenisme mag worden beschouwd. Zoals Watt het formuleert[11]:
"His numerous
short writings suggest that he was an effective agent in spreading the
knowledge of these sciences among the muslims".
Zijn arbeid in dit opzicht laat zich situeren in de traditie van het
filosofisch-wetenschappelijk curriculum van het 6de eeuwse Alexandrië,
d.w.z. vanuit de betrachting om dat laat-antieke curriculum in ere te
herstellen. In dat
opzet, nochtans, werd hij ernstig gehandicapt door het feit dat hij
actief was aan het begin van de Vertalingsbeweging. Zelf noch Grieks noch
Syrisch kennende, had hij van veel van zijn bronnen slechts een indirecte
en gebrekkige kennis. Hoewel hij een bijna exacte tijdgenoot was van de
grote arts-vertaler, Hunayn ibn Ishâq, en men zich moeilijk kan voorstellen
dat zij elkaar niet ontmoet hebben aan het hof van al-Macmûn, baseerde al-Kindî zich voor zijn filosofisch werk op de oudere vertalingen van de
zgn. Veteres[12].
Sommige vertalingen zou hij zelf besteld hebben bij christenen die
rechtstreeks uit het Grieks konden vertalen (in plaats van via de Syrische
omweg). Behalve de algemene tekortkomingen van die eerste generatie van vertalers,
vormde ook het (onvermijdelijk) nog rudimentaire karakter van de Arabische,
filosofische terminologie die erin werd aangeboden, een ernstige handicap[13].
De stylistische en andere tekortkomingen van al-Kindî's teksten kunnen,
van hieruit, als historisch min of meer onvermijdelijk worden bestempeld[14].
Hoe dan ook, slechts
een klein aantal van zijn teksten, namelijk minder dan 40 (en daaronder dan
bijna evenveel wetenschappelijke als filosofische titels), zijn bewaard
gebleven - hetzij in het Arabisch hetzij in (Hebreeuwse of Latijnse)
vertaling[15].
Het hoeft niet gezegd, dat het in die omstandigheden onmogelijk is om tot
een globaal of samenhangend beeld te komen van al-Kindî's denken. Het
bewaarde, in elk geval, getuigt vaak van een nog sterk eclectische ingesteldheid.
Al-Kindî krijgt in de
latere biografische bronnen tal van leerlingen toegewezen, en mogelijk was
er sprake van een "Kindî-kring" (Zimmerman, 1990:365-366), waaruit
een aantal teksten stammen (behalve een materiaalverzameling, onder de
naam "Theologie van Aristoteles", ook een anonieme parafrase van
Aristoteles' De anima). Van een
filosofische school echter als zodanig
lijkt geen sprake;
in een aantal opzichten, zoals gezegd, stond al-Kindî dichter bij de
eigentijdse kalâm dan bij de latere falsafa. Hoe dan ook,
indien ze er al was, kwam er een bruusk eind aan met de terechtstelling
van zijn leerling, al-Sarakhsî (zie verder, hfst. 4, §
1.3.). Zijn studenten
waren vooral geografen, astronomen, wiskundigen, e.d.[16];
en ook hijzelf genoot later vooral faam als universeel geleerde en als
astroloog[17].
Betekenisvol in dit verband lijkt dat al-Fârâbî (870-950), "de Tweede
Meester" (sc. na Aristoteles), zichzelf niét als een
(filosofisch) opvolger van al-Kindî beschouwde, maar integendeel als de (bijna
rechtstreekse) erfgenaam van de laat-antieke, alexandrijnse school[18].
2. Filosofie en Theologie
Al-Kindî leefde en
werkte in een intellectueel zeer creatieve periode. Zoals hoger al
aangestipt i.v.m. de muctazila: na een eerste fase van disparate,
"provinciale" ontwikkelingen, binnen het uitgestrekte nieuwe
rijk, ging de nieuw gestichte hoofdstad Baghdâd, de "Stad van de Vrede",
een centraliserende aantrekkingspool vormen voor steeds meer intellectuele
krachten - moslims en niet-moslims - uit de oude cultuurcentra. Uit hun
ontmoeting en hun onderlinge confrontaties, in het kader van een
jarenlange, stelselmatig aangemoedigde disputatiecultuur aan het cabbâsidische
hof, resulteerden een eerste, intellectuele en ideologische synthese, en
dus creatie van een gemeenschappelijk moslimbewustzijn, die van dit rijk
inderdaad een wereldrijk, en van de islam inderdaad een wereldgodsdienst
hielp maken.
Die eerste
constructie van een min of meer coherente, 'orthodoxe' islamitische
levens- en wereldvisie was, zoals gezegd, bovenal te danken aan het
theologisch rationalisme van de muctazila[19].
Het intellectuele klimaat in de eerste helft van de 9de eeuw werd
aldus gedomineerd door muctazilitische denkers als Abû'l-Hudhayl
en al-Nazzâm (cf. hoofdstuk 1).
Ook Al-Kindî's
optreden als eerste "faylasûf" moet binnen die culturele en
intellectuele context gesitueerd en geduid worden. Zoals terloops al
bleek uit het overzicht van zijn oeuvre, stond hij onvermijdelijk in nauw
(niet noodzakelijk altijd positief) contact met de muctazilieten. De mogelijkheid dat hij zélf
op één of andere manier tot
de muctazila
behoorde,
kan niet volledig uitgesloten worden, maar wordt door sommige historici
betwist.[20] Zeker is, in alle geval, dat hij een aantal
van hun doctrinale en methodologische standpunten deelde. Precies die
betrokkenheid bij de toenmalige, intellectuele hoofdstroom van het theologische denken[21],
zo kunnen we zeggen, maakt al-Kindî's specificiteit uit, in vergelijking
met de latere falâsifa. Zoals Fakhry het formuleert:
"al-Kindî, the
first genuine philosopher, was more than a philosopher with a theological
bent; he was to some extent a theologian with an interest in philosophy.
We might say that al-Kindî still stands on the borderline of philosophy
and theology"[22].
Vermoedelijk lag de
associatie met de muctazila mee aan de basis van al-Kindî's project om,
nog wel als eerste, "de Griekse filosofie te naturaliseren binnen de
moslimwereld"[23].
Zijn "versie-voor-moslims"[24] m.a.w. van die Griekse filosofie moest
dan in eerste instantie wellicht
fungeren als een soort van (Arabische) "ancilla theologiae",
d.w.z. "dienstmaagd van de theologie".
We vinden die
opstelling treffend geïllustreerd in al-Kindî's "Inleiding bij de studie
van Aristoteles"[25].
Na een vrij conventionele bespreking van Aristoteles' oeuvre[26],
duikt een leerrijke, opvallend ónaristotelische passus op over het
onderscheid tussen "menselijke", of filosofische, en
"goddelijke", of profetische kennis[27]:
"als iemand geen
kennis verwerft van kwantiteit en kwaliteit, zal hij de kennis ontberen
van de primaire en secundaire substanties, zodat men niet kan verwachten
dat hij enige kennis bezit van de menselijke wetenschappen (culûm
al-insâniyya), die verworven worden door onderzoek (̣talab) en de inspanning
(ijtihâd) en ijver van de mens - maar die, in rangorde, onderdoen
voor de goddelijke kennis (al-cilm al-ilâhî), die verworven wordt zónder
onderzoek en zónder de inspanning en ijver van de mens, en in geen tijd"[28].
Terwijl de
"menselijke wetenschappen" voor al-Kindî zonder de minste twijfel
samenvielen met het (laat-)Grieks filosofisch curriculum, specificeert hij
de "goddelijke kennis" als die van "de Gezanten (al-rusûl)".
Dank zij die kennis - die als zodanig niet bereikbaar is voor de
menselijke natuur (tabîca) maar een creatie is van Gods wil - zijn
die Gezanten, en dus ook hun lering, verheven boven de gewone mensen[29].
Wat verder wordt die
superioriteit van de profeten en hun openbaring uitdrukkelijker
toegespitst op de Qur'ân - met als illustratie Soera 36, 78-83 (waarin
geantwoord wordt op de zgn. musrikûn, de polytheïsten, die
de herrijzenis van het lichaam weigerden te aanvaarden)[30]:
"Als iemand zich
eraan zet, de antwoorden te beschouwen die de Gezanten hebben gegeven op
vragen over essentiële en verborgen zaken, zal hij het volgende
vaststellen: mocht de filosoof de bedoeling hebben een antwoord te geven
op deze vragen, met aanwending van al de inspanning die hem in het bezit
heeft gesteld van kennis, middels langdurige studie (nạ̣zar) en toewijding voor
onderzoek en training, dan zouden we niet tot de bevinding komen dat hij
een gelijkaardig antwoord kon produceren - even kort en helder en
eenvoudig en omvattend - als de Profeet gaf aan de ongelovigen".
M.a.w. al-Kindî
beklemtoont - in een introductiewerk, nog wel, tot het oeuvre
van Aristoteles - dat de onfilosofische, retorische argumentaties van de
Openbaring ('literair') superieur zijn aan de antwoorden die een filosoof
kan produceren[31].
Maar tegelijkertijd wordt geïmpliceerd dat profetische openbaring en
filosofie allebei betrekking hebben op dezélfde,
inhoudelijke waarheden
- wat vanuit een strikt theologisch oogpunt allicht toch wel
problematisch was (het idee van de 'overbodigheid' van de profetie
werd aldus althans denkbaar).
De verdere passus is ook
daarom interessant, dat al-Kindî er zich bekent tot twee specifieke,
religieuze dogma's - namelijk de "creatio ex nihilo", of
Gods schepping van
het wereld uit het niets, en de lichamelijke verrijzenis van de doden -,
dogma's die
ingingen tegen omzeggens de gehele Griekse filosofische traditie[32].
Vervolgens,
onmiddellijk daarbij aansluitend, past hij het muctazilitisch
interpretatieprincipe toe inzake de antropomorfische hoedanigheid van de betreffende Qur'ân-passage
- namelijk dat God, als ware Hij een mens, bij de schepping daadwerkelijk een
woord zou uitspreken (de Arabische imperatief "Kun": d.w.z. "Wees!"):
dat moet begrepen worden zijns inziens als een metafoor
voor Gods wil[33].
3. Filosofie als "Menselijke Kennis"
van de Waarheid.
Ook al bezat hij de
kennis van een mutakallim, al-Kindî's intellectuele
positionering verschilde voldoende van die van de muctazilitische
theologen om, in onderscheid met hen, wel degelijk als "filosofisch"
in de technische zin van het woord te kunnen bestempeld worden[34].
Algemeen, zo kunnen we zeggen, was het zijn bedoeling om
"een filosofische
substructuur te geven aan een moslimse religieuze traditie die (zelf)
begrepen werd in de zin waarin de muctazila-theologen haar
interpreteerden"[35].
Het publiek tot
hetwelk hij zich richtte, was nog verre van gesofistikeerd, d.w.z. was nog
niet vertrouwd, sinds generaties, met Griekse filosofie. Al-Kindî was
integendeel een van de eersten om de Griekse metafysica en natuurlijke
theologie te introduceren in een wereld waar ze tevoren niet aanwezig
waren. Dus doende, stond hij "voor enorme begripsmatige en taalkundige
moeilijkheden" (Leezenberg, 2008:107). Concreet-inhoudelijk, bestond zijn
'originaliteit' erin dat hij de
atomistische metafysica - die in deze periode nog verre van algemeen
aanvaard werd binnen de kalâm[36]
- terzijde schoof en er (een particuliere versie van) de laat-Griekse
filosofie voor in de plaats stelde[37].
Al-Kindî's algemene
positie vinden we nog het best uitgedrukt in zijn "opus magnum" (Ivry):
het traktaat Over de Eerste Filosofie (Kitâb fî
'l-falsafa
al-ûlâ)[38],
meer bepaald in het inleidende hoofdstuk ervan[39].
Zoals Ivry opmerkt[40],
levert het een bijzonder goede illustratie van het proces waardoor de
Griekse filosofie metterdaad geïntroduceerd werd in de islamitische
cultuur.
Het werk biedt zowel
een aantal definities[41]
en technische analyses als een algemene aansporing (protreptiek) tot, en
verdediging van de (Griekse) filosofie[42].
Wat vooreerst de
aristotelisch-technische inhoud betreft: Aristoteles' "vier oorzaken"[43]
- i.e. de materiële, de formele, de bewegingsoorzaak en de doeloorzaak -
en, daarbij aansluitend, de zgn. "vier vragen"[44]
worden geïntroduceerd als de inhoudelijke principes van de filosofie.
Komen ook aan bod: substantie en accidens, aanleg en act, stof en vorm,
ontstaan en vergaan, en de tien
categorieën. De elementaire principes van de logica worden gepresenteerd,
en er wordt een definitie gegeven van de concepten van lichaam, beweging
en tijd - die alle drie als per definitie eindig worden beschouwd. En ter
herinnering: in al-Kindî's Brief over Definities wordt God, typisch aristotelisch, gekarakteriseerd als "onbewogen" (ġayr
mutạharrika; cf. Aristoteles' definitie van het
opperste principe als een "onbewogen beweger"), enz. Dat
alles betekent nochtans géénszins dat al-Kindî een slaafse epigoon was van
Aristoteles (Netton, 1994:52, met voorbeelden).
Bij de bespreking van
eenheid en veelheid, als complementaire voorwaarden voor het bestaan van
objecten, valt op hoe al-Kindî de nadruk legt op het principieel beperkte
karakter van de 'eenheid' van particuliere wezenheden: die 'eenheid' is slechts
"accidenteel" - en vooronderstelt derhalve
noodzakelijkerwijze het bestaan van een wél essentiële, d.w.z. absolute eenheid, als ultieme oorzaak voor al zulke
"accidentele" eenheden. Die ultieme oorzaak moet zelf volkomen transcendent
zijn t.a.v. alle andere vormen van 'eenheid.' Het gaat om "het/de
Ene het/de Ware" (al-wậhid al-̣haqq,
of al-̣haqq al-awwal), in absolute zin - wat inhoudt of zou
inhouden dat het voor de rest enkel in
negaties kan 'beschreven' worden[45].
Dat unieke Ware Ene is desalniettemin ook "de Eerste" (al-awwal), of "de Eerste
Agent" (al-fâcil al-awwal), de "oorzaak van alle
waarheid" (cilla kull l-̣haqq), en dus de ultieme
- en énige - oorzaak voor het
ontstaan van alle wezenheden en dat betekent: voor de schepping van de wereld "uit het
niets" (ibdâc min lâ say)[46].
Anders gezegd, in akkoord met het theologisch-koranieke standpunt,
is ook al-Kindî's God een Schepper via creatio ex nihilo; of, in het
Arabisch, hij is de mubdica.
God is de enige die in de volle zin van het woord - want "uit-het
niets" - de aanzet kan geven tot iets nieuw. Hij is
bijgevolg ook de
enige om te "handelen" in de volle zin van het woord; van
"handeling", Arabisch: ficl, spreken met betrekking tot de
mens kan daarom enkel op metaforische wijze: cf. al-Kindî's "Brief
over de Ware, Eerste en Volmaakte Agent (fâcil) en de
Onvolmaakte Agent die enkel op metaforische wijze een agent wordt genoemd"
(Netton, 1994:54). Deze visie lijkt strijdig met de muctazilitische
visie op de mens als een 'vrij agent'.
Desalniettemin, terwijl hij 'goed-islamitisch' de
eeuwigheid ervan ontkent, begrijpt
al-Kindî die schepping filosofisch als een proces van
'emanatie' (in het Arabisch weergegeven door faỵd). Die (in de tekst
weliswaar summiere) verwijzingen naar een emanatieproces, samen met de
klemtoon op het bestaan van een ultiem Ene[47],
vestigen onze aandacht op een
neoplatonisch
element in al-Kindî's
denken. In een mate van overeenstemming, anders gezegd, met de laat-antieke traditie
wordt ook bij hem 'aristotelisme' geïntegreerd binnen
een 'neoplatonische' metafysica. De aanwezigheid in het Arabisch van de pseudepigrafische Theologie van
Aristoteles[48]
gaf aan dergelijk (eclectisch) syncretisme a.h.w. de kracht van een evidentie.
Netton bestempelt al-Kindî in dit opzicht als "een brug (namelijk) van het koranische Scheppersparadigma naar het denken van filosofen als al-Fârâbî
en Ibn Sînâ" (1994:59).
Tóch is Aristoteles wel degelijk al-Kindî's éérste (het
weze dan selectieve)
inspiratiebron in z'n
"Over de eerste
filosofie". Dat geldt dan meer in het bijzonder de "Metaphysica"
van de Stagiriet
(zoals bekend, wordt die titel of uitdrukking door Aristoteles zelf niét
gehanteerd: ook hij heeft het steeds over "eerste filosofie").
De eerste Arabische vertaling van het boek door Aṣtât (of:
Uṣtât),
i.e. ene Eusthatios, zou zelfs speciaal in opdracht van al-Kindî tot stand
zijn gekomen.
Een tekstvergelijking, met name wat de 'protreptische' passages betreft bij al-Kindî, tussen
(a) zijn traktaat, (b) de oorspronkelijke tekst van Aristoteles
én (c) de Arabische versie van Aṣtât toont heel aanschouwelijk hoe al-Kindî de
Griekse denktrant die hij introduceert in de islam, op (soms) subtiele
(zij het vaak wat langdradige) wijze adapteert aan de nieuwe,
islamitische "matrix"; maar ze toont óók hoe dergelijk acculturatieproces
onvermijdelijk tevens in de àndere richting werkt, d.w.z. hoe het moslimse
denken zelf erdoor veranderd werd, of althans: "zijn rationele en
universele elementen benadrukt (zag)"[49].
Al-Kindî's "fusie" van aristotelische en islamitische terminologie
wordt op een "fascinerende" wijze (Netton, 1994:52) geïllustreerd
door de hierna volgende passus (ik vertaal het Engels van Netton) over
Aristoteles' bedoelingen met het schrijven van de Metaphysica
(de post-aristotelische titel wordt door al-Kindî letterlijk vertaald als:
Mâ Bacd al-̣Tabîca):
"Met het schrijven van zijn boek genaamd 'Metafysica' was het
Aristoteles' bedoeling die dingen te verhelderen die bestaan zonder
materialiteit... (en) gevonden worden bij wat materialiteit bezit,... en de
eenheid (taẉhîd) van God, Hij moge verheven en geprezen
worden, en zijn 99 Schoonste Namen. Hij is de actieve en vervolmakende
oorzaak van alles, (en) de God van alles, de Heerser over alles met Zijn
volmaakte organisatie en Zijn totale wijsheid".
In een
andere passus, die vooral gebaseerd is op (Aṣtâts vertaling van)
Aristoteles' Metaphysica
α, of Kleine Alpha (993b19-31)[50],
omschrijft al-Kindî 'filosofie' als
"de menselijke
kunst die de hoogste en meeste edele in rang is; de definitie ervan is dat
ze kennis is van de dingen in hun waarachtigheid (cilm al-asyâ' bi-̣haqâ' iqihâ)[51],
in zoverre (die kennis) mogelijk is voor een mens. Het doel van de
filosoof wat zijn kennis betreft, bestaat in het bereiken van de
waarheid, en wat zijn handelen betreft, in het naar waarheid handelen.
Niet dat de activiteit eindeloos is, want we onthouden ons en de
activiteit stopt, eens we de waarheid bereikt hebben. We vinden de
waarheid die we zoeken, niet zonder een oorzaak (cilla) te vinden; de
oorzaak van het bestaan en voortbestaan van alles is de Ene de Ware (al-wậhid
al-̣haqq) in de mate dat alles wat zijn (annîya) heeft, ook waarheid (̣haqîqa)
heeft"[52].
Al-Kindî's
filosofiebegrip sluit dus, in eerste instantie, nauw aan bij het
aristotelische: het gaat om kennis van de waarheid, en die waarheid wordt
vereenzelvigd met oorzakelijkheid en zijn. Afwijkend, nochtans, is de
kwalificatie ervan als een "menselijke" kunst - waarmee al-Kindî
ongetwijfeld wil alluderen op het contrast met de "goddelijke"
kunst van de profetie (cf. supra). Anderzijds worden Aristoteles' abstracte en
onpersoonlijke, "ware principes"[53]
vervangen door "de Ene de Ware" (al-wậhid al-̣haqq), een uitdrukking die door
al-Kindî en zijn toehoorders zonder de minste twijfel geassocieerd werd
met de islamitische God: cf. de "taẉhîd"
- de (bevestiging van de) "éénheid-en-énigheid" van God - was en
is hét centrale 'dogma' van de islam (en werd, zoals gezegd, precies door
de muctazilî-s, als "mensen van de Eenheid", op een radicale manier
theologisch uitgewerkt); en de
vereenzelviging van God met "al-̣haqq"
is een frequent gegeven in de Qur'ân[54],
zodat de uitdrukking als één van de "Goddelijke Namen" wordt
beschouwd.
Nog in dezelfde,
protreptische optiek, propageert al-Kindî een positieve houding t.a.v. àlle "vreemde", d.w.z. niet-islamitische, wetenschappen[55].
Zo geeft hij bij een zgn. Aristotelescitaat[56]
het volgende, enthousiaste commentaar:
"Hoe mooi is
hetgene wat (Aristoteles) hierover zei! We hoeven er ons niet voor te
schamen de waarheid te waarderen en ze te verwerven van waar ze ook moge
komen, zelfs als ze van verre rassen en naties komt, die van ons
verschillen. Voor de zoeker van de waarheid gaat er niets boven de
waarheid; en de waarheid wordt niet gediscrediteerd en noch degene die de
waarheid formuleert, noch degene die ze overbrengt, worden gekleineerd.
Van niemand wordt (de status) verminderd door de waarheid. Integendeel, de
waarheid adelt ons allen".
In dezelfde context,
en nogmaals aansluitend bij Aristoteles, spreekt hij de overtuiging uit
dat er een progressieve accumulatie - en dus vooruitgang - plaats vindt
van (filosofische) kennis,
over de verschillende generaties en culturen heen.
Het past ons daarom, dankbaar te zijn jegens al wie, zij het zelfs maar een
klein deel van de waarheid (yasîr al-̣haqq) heeft bijgedragen[57].
Dat al-Kindî met deze
intellectuele en open oriëntatie t.a.v. het niet-Arabisch, vooral helleens
erfgoed en de erin besloten filosofische herintrepretatie van het
godsbeeld, inging tegen de god- en wetgeleerden van zijn tijd - tegen de traditionisten (denken we maar aan Ibn Hanbal), maar
wellicht ook tegen de muctazilieten
- moge
duidelijk zijn (cf. hoger, inzake de tijdelijke vervolging waarvan hij het
slachtoffer was). Hijzelf aarzelt alvast niet om te stellen dat degenen die de
studie van de filosofie bestrijden in naam van de religie, zélf "zonder
religie" zijn en dat ze de religie louter misbruiken voor hun persoonlijke
doeleinden en ambities.
"(De filosoof moet) oppassen voor de slechte interpretaties van velen
van hen die in onze tijd geprezen worden voor hun speculatie (nazar), maar
die vreemden voor de waarheid zijn... Ze verdedigen de onechte troon die
ze onverdiend hebben opgesteld, met de bedoeling het leiderschap te
verwerven en in religie te handelen, hoewel ze van religie gespeend zijn.
Want iemand die in iets handelt, verkoopt het, en wie iets verkoopt, heeft
het niet. Wie in religie handelt, heeft dus geen religie, en het is
correct dat wie het verwerven van kennis van de ware natuur van de dingen
weerstaat en het ongeloof noemt, van religieuze ambten wordt ontheven"
(citaat in Leezenberg, 2008:105).
Al wie het zoeken naar de waarheid afwijst als
"blasfemie" (kufr), moet anders gezegd zelf blasfemeren, want
"de kennis van de
dingen in hun waarachtigheid omvat de kennis van de heerlijkheid-van-God (al-rubûbîya),
van de eenheid-van-God (al-wạhdânîya), van de deugd (al-fạdîla), en een
volledige kennis van al wat nuttig is en van de weg ernaartoe; en een
afstandname van al wat schadelijk is, met waarschuwingen ertegen. Het is
het verwerven van dit alles dat de waarachtige Gezanten ons gebracht
hebben vanwege God, geprezen zij Zijn naam. Want de ware Gezanten - moge
Gods zegen over hen zijn - brachten niet anders dan een bevestiging van
Gods heerlijkheid en een navolging van de deugden (fạdâ'il) die Hem
welgevallig zijn..."[58].
Na, aldus, nogmaals
de filosofische waarheid - metafysica en ethiek[59]
- inhoudelijk gelijk gesteld te hebben aan de religieuze waarheid van de profeten,
rondt al-Kindî dit onderdeel af met een herneming van Aristoteles' bekende
paradox[60],
namelijk dat het logisch onmogelijk is niét te filosoferen: wie weigert te
filosoferen, moet immers een reden geven voor zijn weigering; welnu, aldus
"reden-erend", erkent die persoon dat filosofie noodzakelijk is. M.a.w. je kan
niet wéigeren te filosoferen, zonder al daadwérkelijk te filosoferen.
Al-Kindî eindigt met
een gebed waarin hij Gods assistentie vraagt in zijn zoektocht naar
kennis.
4. Het "Actieve Intellect".
4.1. Sterrenleer.
Al-Kindî's
intellectuele arbeid werd gedragen door de vaste overtuiging dat
openbaring en filosofie fundamenteel met elkaar in overeenstemming waren.
Daarmee was ook geïmpliceerd dat er geen discrepantie bestond of kon
bestaan tussen de
geopenbaarde tekst en de exegese ervan in rationele termen.
Een goed voorbeeld
hiervan vinden we in de bewaarde (astronomische) "Risâla",
opgedragen aan Ahmad, de zoon van de kalief, "Waarin wordt uitgelegd hoe
het Uiterste Lichaam [de Eerste Hemel] neerknielt voor God en Hem
gehoorzaamt"[61].
De argumentatie ervan is o.m. gebaseerd op een grammaticale en taalkundige
uitleg van Soera 55.6:
"De ster (al-najm)[62]
en de bomen buigen zich in gehoorzaamheid neer (sc. voor God)",
en wijst
uitdrukkelijk op het belang van een adequate uitleg van de, voor het
Arabisch zo typische, "dubbelzinnige woorden" (mutasâbihât).
Inhoudelijk is
al-Kindî's interpretatie van de notie "gehoorzaamheid" (sujûd)
m.b.t. de sterren, namelijk als bewuste en rationele "instemming met het
bevel van de bevelvoerder", daarom interessant, dat eruit
geconcludeerd wordt dat de sterren, hoewel niet absoluut eeuwig[63],
toch in het bezit zijn van een rationele, volmaakte ziel; precies daarom
fungeren ze als de "onmiddellijke oorzaken" (Latijn: causae proximae)
voor alles wat zich in het ondermaanse voordoet. Daarmee is een
justificatie gegeven voor de astrologie[64],
als een authentieke tak van rationele en methodische
kennis(verwerving).
Al-Kindî's algemene
uitgangspositie, inderdaad, van de inhoudelijke concordantie tussen
Openbaring en wetenschappelijke waarheid, concretiseerde zich in een visie
op astrologie als de wetenschappelijke "tegenhanger" van de H.Schrift -
het
weze dan op voorwaarde dat de beoefenaars ervan de nodige omzichtigheid
aan de dag legden. Ook met dit positief standpunt t.a.v. de astrologie[65]
zou al-Kindî zich uitdrukkelijk opponeren aan de latere, leidinggevende
falâsifa en denkers, zoals al-Fârâbî, Ibn Sînâ, al-Ghazâlî, Ibn
Rusd en Ibn Khaldûn, die allemaal een krachtig negatief
standpunt zouden innemen[66].
Het feit dat dergelijk geloof in de astrologie strikt genomen strijdig was
met het islamitische dogma over God als "de Heer der Hemelen", was
voor al-Kindî klaarblijkelijk net zo min een onoverkomelijk obstakel als
voor de kaliefen, die omzeggens dagelijks een beroep deden op de diensten
van astrologen[67].
Concreet-praktisch,
betrof dat dan bijvoorbeeld het probleem, voor al-Kindî, te kunnen voorspellen,
"Hoe lang het Arabische Rijk zal blijven bestaan?"[68].
En het is interessant om vast stellen dat al-Kindî daarbij tot de
bevinding komt dat, voor dit concrete probleem, de openbaringstekst[69],
enerzijds, en de correcte toepassing van de wetenschappelijke astrologie[70],
anderzijds, tot een identiek antwoord voeren: namelijk exact 693 jaar![71]
In verband,
tenslotte, met al-Kindî's hemelkunde en zijn verhouding tot de laat-antieke, neoplatonische tradities, verdient nog zijn visie vermelding
dat de verschillende kosmische sferen (namelijk het firmament, of
sfeer-der-vaste-sterren, en de zeven planetensferen)
niet enkel, als levende wezens, bezield worden door een intellect, maar
ook beschikken over de twee "hogere zintuigen"[72],
namelijk het zicht en het gehoor[73]
- als zijnde de zintuigen die gericht zijn op het verwerven van kennis en van
deugd. Deze "platonische" visie is duidelijk tegengesteld aan degene die Aristoteles argumenteert, in zijn De caelo (I, 2-3), namelijk dat er
enkel sprake kan zijn van intellecten, als "onbewogen bewegers",
van de verschillende sferen - een opvatting die zou gevolgd worden door
al-Fârâbî en Ibn Rusd. Samen met zijn geloof in de astrologie, verbindt
ze al-Kindî met de Atheense neoplatonische school (cf. Proklos), in de
late oudheid[74].
4.2. Cognitieve Psychologie.
Onder de bewaarde
teksten van al-Kindî treffen we ook twee traktaten aan "Over de ziel"[75].
Samen wekken zij de indruk dat zijn opvattingen over de ziel "een
hutspot (zijn) van platoonse, aristotelische en neoplatoonse ingrediënten"
(aldus Leezenberg, 2008:101). Hoewel de tekstuele basis van al-Kindî's bespreking van de werking van
de psychische (ken)vermogens in de eerste plaats geleverd wordt door Aristoteles'
De anima - of althans de parafrase ervan
door de laat-antieke commentator, Themistios[76]
-, is zijn zielsleer toch in de allereerste plaats (neo)platonisch: de ziel is,
als emanatie uit de Wereldziel,
een onlichamelijke substantie; zij is onsterfelijk en bestaat uit de drie,
platonische delen: het redelijke, het driftige en het verlangende[77],
enz. De studie ervan, d.w.z. de psychologie, behoort daarom niet tot de
fysica - zoals wel in de aristotelische traditie, vóór en na al-Kindî, een
evidentie was -, maar vormt een bijzondere afdeling in het filosofische
curriculum. De motivering hiervoor luidt, goed-platonisch, dat de ziel,
met haar vermogens, bemiddelt tussen de materiële en de spirituele wereld[78].
Zijn bespreking,
zoals gezegd, van de eigenlijke zielsvermogens volgt desondanks vrij
getrouw de aristotelische traditie - met haar onderscheid tussen de
vegetatieve, de zintuiglijke en kinetische, en de rationele vermogens[79].
In wat volgt, zal ik me beperken tot een schets van al-Kindî's
interpretatie van de aristotelische visie op het intellectuele kenvermogen van
de mens. Dit onderdeel, inderdaad, van Aristoteles' psychologie heeft bij
de laat-antieke commentatoren en, vervolgens, vooral bij de middeleeuwse
filosofen - moslims, joden en christenen - een filosofische importantie
gekregen die vandaag, vanuit post-kantiaans perspectief, nog nauwelijks
begrijpelijk lijkt[80].
Aangezien al-Kindî
ook hier als een belangrijke pionier heeft gefungeerd voor de Arabische
receptie (die zelf ten grondslag zou liggen aan de joodse en christelijke)[81],
is het aangewezen dat we beknopt een schets zouden geven van de
theoretische problematiek die de latere aristotelici bij Aristoteles
aantroffen.
4.3. Aristoteles.
In zijn psychologisch
hoofdtraktaat, De anima, brengt Aristoteles een - "cognitivistische"[82]
- analyse en bespreking van het menselijke kenproces. Hij onderscheidt
daartoe een 3-tal fasen:
-- die van de
"gewaarwording" (aísthèsis[83],
sensus), als de actualisering van één van onze lichamelijke,
zintuiglijke organen[84]:
de werking van het "waarnemingsvermogen"[85]
heeft betrekking op de "sensibilia" of "waarnemingsobjecten"[86],
die de empirische werkelijkheid uitmaken, en ze resulteert in de perceptie
van de zintuiglijke vormen ervan, d.w.z. in "waarneming(sinhoud)en"[87];
-- die van de
"beeldvorming" of "voorstelling"
(phantasía[88],
imaginatio): ze vormt vermoedelijk geen apart kenvermogen, in de strikte zin van het woord (ze heeft geen specifieke
objecten), als wel een soort van "reservoir" van (empirische) "(voorstellings)beelden"[89],
dat ten dienste staat van de eigenlijke kenvermogens[90];
-- die van het
"denken" (nóèsis)[91],
als de activiteit van de noûs[92]
(intellectus): ze behelst het kennen en denken van de per definitie
onlichamelijke intelligibilia, of "denkobjecten"[93],
die daarmee "gedachten"[94],
d.w.z. denkinhouden, worden van de menselijke geest. In onderscheid met de zintuiglijke
perceptie, is de noëtische activiteit niét verbonden met een of ander
lichamelijk orgaan.
Zonder gevaar van
overdrijving, kan gesteld worden dat, in het kader van deze
kennispsychologie, het statuut van de noûs, als "het deel van de
ziel waarmee de ziel kent en denkt"[95],
lezers en interpretatoren te allen tijde voor schier onoverkomelijke
problemen heeft geplaatst - en nog altijd plaatst[96].
Een essentieel
element, in alle geval, in Aristoteles' analyse vormt het begrippenpaar
"in aanleg" en "in act"[97].
Een kenvermogen is vooraf "in aanleg", of potentieel, (de vorm van)
elk van zijn mogelijke objecten. Zodra eender welk geëigend object
daadwerkelijk, d.w.z. "in act", gegeven is, wordt die aanleg van
het kenvermogen geactualiseerd, of verwerkelijkt. Een menselijk kenproces wordt op
die manier dus in de eerste plaats geduid als een passief proces, een
kwestie van "ondergaan" - in het
Grieks: een páschein[98]
-, namelijk van receptie van en gelijkwording aan het kenobject (een eventueel
"actief" of creatief moment blijft beperkt tot het onderling
combineren of
onderscheiden van de - passief gerecipieerde - keninhouden).
Voor de zintuiglijke
fase van de perceptie stelt zich in dat opzicht geen echt probleem. De
objecten-in-act, nodig om een zintuiglijk vermogen te actualiseren, zijn
gegeven, namelijk in de buitenwereld. Een concreet paard bv. actualiseert ons
zichtorgaan: van "paard-in-aanleg" wordt het "paard-in-act" - of althans:
de zintuiglijke vorm ervan, want de materialiteit, én van het object én
van het orgaan, maakt een volledige gelijk-wording onmogelijk.
Voor het
intellectuele kennen of denken, evenwel, stond Aristoteles voor ernstige
moeilijkheden - mede als gevolg van zijn afwijzing van de platoonse
theorie van op zich bestaande, transcendente Vormen of Ideeën. In de
aristotelische metafysica, zoals bekend, zijn de wezensvormen (eídè),
of essenties, der dingen immanent in de natuurlijke werkelijkheid
werkzaam. Dat heeft voor gevolg dat zij als onlichamelijke denkobjecten
slechts "in aanleg" gegeven zijn, namelijk "in" de materiële
werkelijkheid[99].
Hun gegeven-zijn "in act" is nochtans een conditio sine qua non,
wil onze geest inhoud, en dús: identiteit en bewustzijn, krijgen[100].
Ze moeten derhalve voorafgaandelijk geabstraheerd, of beter:
"geproduceerd", worden, namelijk uit het in onze geest opgeslagen,
empirische materiaal: de phantásmata, of "beelden", in
onze phantasía[101].
Maar als het juist is dat ons denkvermogen in se louter "aanleg" is
en zich, in het kenproces, passief-receptief gedraagt, hoé dan die "productie"
te begrijpen van de denkobjecten?
Aristoteles heeft
gepoogd zich uit deze impasse te redden in een korte en duistere passus
van zijn De anima (het beruchte "III.5"), die in feite meer vragen
oproept dan hij beantwoordt. Maar die enkele regels zouden het
uitgangspunt vormen voor de beruchte leer van het zgn. "productieve",
of, zoals het traditioneel genoemd is: "actieve intellect" (noûs
poiètikós[102],
in het Latijn: "intellectus agens"), een leer die, zoals gezegd, in de
middeleeuwse filosofie "stukken" zou maken. In vertaling luidt de
aristotelische passus
als volgt (de belangrijkste zinsnede, voor de latere geschiedenis, heb ik
onderlijnd)[103]:
"Aangezien er in
de natuur in haar totaliteit enerzijds een [principe] is dat fungeert als
stof[104]
voor elke categorie [van zijn] - namelijk datgene wat al die dingen in
aanleg is -, en anderzijds een dat het veroorzakende en producerende[105]
is, waaraan [het toekomt] ze allemaal te produceren, op de wijze waarop
dat het geval is met de [ambachtelijke] kunst[106]
t.a.v. de stof ervan, moeten die [twee] verschillen[de aspecten]
noodzakelijkerwijs ook in de ziel voorkomen. En daadwerkelijk is er
enerzijds het intellect dat zodanig is, doordat het alles wórdt, en
anderzijds het [intellect dat zodanig is] doordat het alles mààkt, als een
soort van habitus[107],
zoals bv. het licht. Want in zekere zin maakt ook het licht de kleuren die
in aanleg gegeven zijn, tot actuele kleuren. En dít intellect is
afzonderbaar, onvermengd en impassiebel, aangezien het naar wezen act[iviteit][108]
is. Altijd, immers, is wat [op iets] inwerkt[109]
voornamer dan wat [die inwerking] ondergaat[110],
en het [bewerkende] beginsel dan de stof. [[Actuele kennis[111]
is identiek aan het object ervan; kennis-in-aanleg is chronologisch
prioritair in het geval van het individu, maar, absoluut gesproken, is het
zelfs chronologisch niet prioritair. Maar het is niet het geval
dat het nu eens denkt en dan weer niét denkt]][112].
Alleen wanneer het afgezonderd[113]
is, is het z'n ware zelf, en dàt alleen is onsterfelijk en eeuwig.
Maar we hebben geen herinnering [sc. na de dood], omdat dat ene
impassiebel is, terwijl het passieve intellect[114]
vergankelijk is, en in afwezigheid daarvan is er geen denken".
De controverse die
rond deze passus reeds sedert de oudheid woedt, betreft bovenal de keuze
tussen een "naturalistische" en een "transcendentalistische" interpretatie
- d.w.z. de vraag of Aristoteles' analyse, hier, strikt beperkt blijft tot
de intrinsieke structuren van de individuele, menselijke geest[115],
dan wel of ze een beroep doet op een extrinsiek, transcendent principe[116].
Volgens niet weinige
moderne interpretatoren zijn de moeilijkheden bij de interpretatie te
wijten aan een interne tegenstrijdigheid bij Aristoteles zélf. Anders
gezegd, hij zou zélf in tweespalt hebben gestaan tussen twee tendensen:
terwijl de bespreking in De anima, III.4, duidelijk handelt over de
individuele geest, en dus "naturalistisch" van aard is, zou in III.5 zijn
"platonische" of "transcendentalistische" de kop opsteken[117].
Aangezien het ons
hier slechts om de latere receptiegeschiedenis van de doctrine te doen is,
hoeven we ons (gelukkig) niet uit te spreken over de
historisch-filosofische "correcte" interpretatie ervan.
4.4. Alexander van Aphrodisias.
Terwijl Aristoteles' eigen leerlingen, de leden van de zgn. Oude Peripatos, geen overdreven
aandacht hebben geschonken aan de passus en de erin aangesneden
problematiek, zijn met name de onderlijnde regels in de geciteerde passus in de laat-antieke
commentarenliteratuur het voorwerp geworden van een intense exegetische
arbeid die eeuwenlang heeft aangehouden. Ook vandaag nog hebben
commentatoren geen consensus bereikt over de vraag, wàt Aristoteles
precies bedoeld heeft met het "passief" en het "(actief)
intellect"[118],
en hoe hij de interactie tussen beide precies begreep. Ross' kwalificatie
van de doctrine, als "perhaps the most obscure and certainly the most
discussed of all Aristotle's doctrines"[119],
lijkt dan ook volkomen terecht.
Vandaag weliswaar gaat het hoogstens nog om een exegetisch probleem, dat historici van
de filosofie bezighoudt; gedurende meer dan duizend jaar, echter, had de "leer van het Actief Intellect" een filosofisch
en ideologisch
belang van de allereerste orde. Zoals Davidson schrijft:
"Despite, and also
undoubtedly because of, the enigmatic quality of his words, the Greek
commentators on Aristotle, medieval Islamic, Jewish, and Christian
philosophers, and European philosophers as late as the sixteenth century
pored over the master's words, seeking in them the key for decifering
man's essence, man's fate, and the structure of the universe"[120].
De eerste commentator
om aan het probleem van het intellect een bijzondere aandacht te schenken
was Alexander van Aphrodisias (einde 2de eeuw nK)[121].
De twee teksten die hij eraan wijdde, het De anima en De
intellectu[122],
zouden, samen met de parafrase van Aristoteles' De anima door
Themistios (4de eeuw nK), via hun vertaling in het Arabisch, een grote
werking hebben onder de falâsifa[123].
Alexander meende in de aristotelische passus in eerste instantie drie
soorten van "intellect" te kunnen onderscheiden:
1°) het potentiële of
"materiële intellect": noûs hulikós[124]
- cf. Aristoteles' kwalificatie van het intellect "dat alles wordt",
als "stof" (húlè);
2°) het "habituele
intellect": noûs kath' hexin[125]
- cf. Aristoteles: "als een soort van habitus";
3°) het "actieve intellect": de noûs poiètikós.
Het "materiële intellect"
is het eigenlijke, ménselijke intellect: het bestaat zolang de mens leeft
en vergaat bij diens dood. Het "actieve intellect", daartegenover,
werd door Alexander vereenzelvigd met Aristoteles' Onbewogen Beweger,
d.w.z. God of de Eerste Oorzaak, zoals beschreven in Boek Lambda van de
Metaphysica[126].
Daartoe bracht hij een andere, raadselachtige passus te pas, namelijk uit Aristoteles'
De generatione animalium (736b28). Daarin wordt van de
noûs gezegd dat hij, "als enige", sc. onder alle psychische
vermogens van de mens, "van buitenaf" (thúrathen)[127]
tot de mens komt[128].
Het "habituele
intellect", tenslotte, of intellect "in habitu", dat door
Aristoteles niet vermeld wordt[129],
is een modus of staat van het menselijke, materiële intellect: die
namelijk
waarin dat intellect, als gevolg van de inwerking van het Actieve
Intellect, in het bezit is van een gans repertorium aan intelligibilia,
en als zodanig beschikt over het vermogen om te denken, maar dat niet "actueel"
of daadwerkelijk doet. Dat laatste en, voor de mens, hoogste stadium vormt
dus een dérde modus van ménselijk intellect: namelijk het "actuele
intellect"[130].
In totaal, zou men dus, strikt genomen, van vier "intellecten"
kunnen spreken.
4.5. Al-Kindî.
Al-Kindî heeft aan de
problematiek van het intellect (caql) een speciaal, zij het erg
kort[131],
traktaatje gewijd: de Brief over het Intellect (Risâla fî al-caql)[132].
Daarnaast komt het thema van de intellectuele kennis ook nog ter sprake in
enkele andere teksten, waaronder het Over de Eerste Filosofie. Tot
een echt samenhangende visie is al-Kindî klaarblijkelijk niet gekomen:
volgens Davidson, biedt hij in feite twee verschillende en - "very
likely" - incompatibele theorieën aan over de oorzaak van actueel
menselijk denken[133].
Opvallend verder, in vergelijking met zijn Arabische opvolgers, is dat de
thematiek door al-Kindî nog niet expliciet geïntegreerd is in een
uitgewerkt, kosmisch schema. Men zou integendeel kunnen stellen dat hij
weinig meer doet dan
"met dezelfde
karigheid als Aristoteles, diens theorie van het intellect herbevestigen
in relatie tot zijn algemene kennistheorie, zonder ertoe over te gaan haar
te exploiteren, zoals de latere Arabische neoplatonisten deden, voor een
of andere groot kosmologisch opzet"[134].
Al-Kindî's
uitdrukkelijke bedoeling, in Over het Intellect, reikt niet verder
dan "op een beknopte wijze" de visie weer te geven van "de
meest lovenswaardige" Griekse filosofen, zijnde "Aristoteles en
zijn meester, Platoon de Wijze". Maar aangezien "het essentiële van
Platoons opvatting hieromtrent overeenstemt met die van zijn leerling:
Aristoteles", aldus al-Kindî, kan hij zich beperken tot deze laatste.
Wel wordt de aristotelische conceptie van het intellect geïntegreerd in
een platonische zielsopvatting[135].
Verder, hoewel verbale parallellen ontbreken, lijdt het geen twijfel dat
zijn presentatie gebaseerd is op de laat-antieke interpretaties, met name
op die van Alexander.
Zoals Alexander,
geeft ook al-Kindî een overzicht van de verschillende soorten van "intellect".
Hij onderscheidt er vier:
1) "het eerste (intellect)
is het intellect dat altijd in act is";
2) "het tweede is
het intellect dat in aanleg is; en dat behoort tot de ziel";
3) "het derde is het intellect dat in de ziel van aanleg overgaat in
act";
4) "het vierde is
het intellect dat wij demonstratief (al-caql al-bayânî) noemen".
Ook al is de
formulering niet dezelfde, d.w.z. blijft ze dichter bij Aristoteles, dan
erkennen we toch zonder problemen dezelfde vier noties als daarnet, bij Alexander (het "demonstratieve" intellect staat voor het "actuele"
intellect).
In zijn beknopte
bespreking vertrekt ook al-Kindî van Aristoteles' analogie tussen de
zintuiglijke perceptie en de intellectuele kennis. De actualisering van
het (menselijke) intellect-in-aanleg is het gevolg van het "contact-maken"
(bâsara) door de ziel met het "eerste"
intellect, "d.w.z.
met de vormen die noch materie noch beeld hebben". Het "eerste"
is "de specificiteit der dingen en is altijd in act". Verder noemt
hij het "oorzaak en eerste (principe) van alle intelligibilia en van de
tweede intellecten". In een andere, ongepubliceerde tekst, die
vermoedelijk (!) van al-Kindî's hand is, wordt verwezen naar het "universele
intellect"[136].
Mogen we uit dat alles afleiden dat al-Kindî een
transcendente entiteit op het oog heeft? Alvast niét in de zin dat hij het, zoals Alexander,
vereenzelvigde met de opperste Eenheid of God (al-wậhid al-̣haqq).
Dan als de zogenaamde tweede
hypostase in het neoplatonische emanatieschema: Eenheid - Intellect - Ziel?
Dat geven problemen met het koranische "Scheppersparadigma (cf. supra)[137].
Het "contact"
van de ziel met het Intellect brengt een daadwerkelijke eenwording en
vereenzelviging tot stand, vanuit het gezichtspunt van de ziel[138].
Zoals hij schrijft:
"De intellectuele vorm verenigt zich met (de ziel), wanneer beide (de
ziel en de intellectuele vorm) één zijn. De ziel wordt tegelijkertijd
intellectueel denkend (câqil, intelligens) én gedacht (macqul, intelligibel). Dus,
vanuit het oogpunt van de ziel, zijn het intellect (caql) en het
intelligibele hetzelfde. Maar het intellect dat eeuwig in-act is en dat
de ziel leidt van potentialiteit naar actualiteit, is niét één met wat het
intellectueel denkt (câqiluhu)"[139].
De actualisering van
het menselijke, potentiële intellect door het transcendente Eerste
Intellect gaat dus gepaard met een directe communicatie van de
onlichamelijke, intelligibele vormen: het Eerste Intellect "levert" (mufîd)
die vormen/gedachten, en de menselijke ziel "verwerft" (mustafîd)
ze. Het resultaat is: "intellect verworven (mustafâd) door de
(menselijke) ziel vanwege het Eerste Intellect", d.w.z. het zgn.
"derde" intellect.
Het "vierde",
tenslotte, het "demonstratieve"[140],
manifesteert zich in het daadwerkelijk aanwenden van de verworven
intellectuele dispositie m.i.v. haar denkinhouden, anders gezegd: in het
actueel denken en redeneren. Zoals hij het zelf formuleert:
"Dus, het verschil
tussen het derde en het vierde (intellect) bestaat hierin: dat het derde
in bezit is van de ziel sedert lang; ze kan het oproepen wanneer ze wil;
terwijl het vierde zich manifesteert, ofwel op het ogenblik van zijn
inbezitneming, ofwel op het ogenblik van zijn verschijnen wanneer de ziel
er gebruik van maakt. Dus, het derde is een eerder bezit van de ziel, en
staat ter harer beschikking: als ze het wil, is het er; terwijl het vierde
datgene is wat zich manifesteert in de ziel wanneer het zich manifesteert
in act"[141].
5. Ethiek (Ạhlâq).
We willen deze
presentatie van de "faylasuf al-carab" afsluiten met een korte
bespreking van de ethiek, naar aanleiding van het (enige) ethische
traktaatje dat ons van al-Kindî's hand bewaard is gebleven: zijn (Brief
over) De Kunst van het Verdrijven van Smart (Risâla fî al-̣hila
li-dafc al-ạhzân)[142].
Deze "consolatio philosophiae", of "vertroosting der
wijsbegeerte"[143],
bevestigt ons dat al-Kindî's stelling van de convergentie tussen
openbaring en filosofie inderdaad ook geldig was voor de morele en
maatschappelijke praxis.
Zoals we hoger lazen[144],
in al-Kindî's adaptatie van Aristoteles' definitie van de filosofie:
"het doel van de
filosoof bestaat, wat zijn kennis betreft, in het bereiken van de
waarheid, en wat zijn handelen betreft, in het naar waarheid handelen"[145].
Al-Kindî's filosofie-
en waarheidsbegrip, inderdaad, is niet louter theoretisch van aard, wel
integendeel. Net zoals voor de andere falâsifa, gold ook voor hem
de Griekse filosofie, behalve als wetenschap, ook als een praktische,
"filosofische levensvoering", een sîra al-falsafiyya, zoals de
titel luidt van een (autobiografisch) werk van al-Râzî[146].
Op voorwaarde dat de Griekse denkstijl zich conformeerde aan de Arabische
taal en aan de (religieus-culturele) "norm van de tijd" (sunna
al-zamân) - i.e. aan de islam[147]
-, was niet alleen het bestuderen maar ook het "pratikeren" van de Griekse
filosofie, d.w.z. het als-filosoof-leven, volgens al-Kindî volkomen
compatibel met de religie. De filosofische ethiek, of al-ahlâq[148],
inderdaad, leverde identiek dezelfde
"volledige kennis
van de deugd (al-fạdîla) en van al wat nuttig is en van de weg ernaartoe;
en een afstandname van al wat schadelijk is, met waarschuwingen ertegen",
als de verkondiging
van de profeten[149].
De Griekse
moraalfilosofie kwam tot de Arabieren langs verschillende wegen[150].
Vooreerst, natuurlijk, via de vertalingen en/of samenvattingen van Griekse
standaardwerken, zoals een aantal dialogen van Platoon (Republiek,
Timaeus, Wetten) en Aristoteles' Nikomachische Ethiek.
Maar ook een aantal laat-antieke traktaten, gebaseerd op een verbinding
van platonische, aristotelische en stoïsche elementen, zijn van groot
belang geweest. Een van de meest invloedrijke auteurs, ook op dit terrein,
was ongetwijfeld de arts-filosoof Galenos[151].
Diens belangrijk traktaat, Peri Èthoon (De Moribus), is ons enkel bekend dank zij een Arabische
samenvatting.
Ook al-Kindî heeft
een aantal ethische traktaten geschreven, die niet zonder invloed zijn
geweest op de latere ethische literatuur. Zo een (verloren) traktaat
Fi'l-Ahlâq, "Over Ethiek" (de titel is een een vertaling van
het Griekse Peri Èthoon),
dat vermoedelijk een belangrijke bron is geweest voor het "Tahdîb
al-Ahlâq" van de latere Miskawayh (gest. 1030) - "the most
influential work on philosphical ethics"[152].
In zijn ethiek baseerde al-Kindî zich, zoals de laat-antieke auteurs, op
de platoonse indeling van de ziel (een redelijk, een driftmatig en een
begerend deel) en een platoonse definitie van de vier, zgn. kardinale deugden
(wijsheid, moed, matigheid en wijsheid) en ondergeschikte deugden, maar
gecombineerd met Aristoteles' definitie van deugd als het "midden"
tussen twee extremen.
Maar naast de
"geleerde" traditie van een filosofische ethiek, moet ook op het grote
belang worden gewezen van de laat-antieke vulgarisatieliteratuur:
verzamelingen van aforismen of spreuken (sententiën)[153],
vaak pseudo-epigrafisch toegeschreven aan een of andere, klassieke auteur of
filosoof[154];
ook bloemlezingen, stichtende anekdotenverzamelingen, "sermoenen" (diatriben),
enz. Kortom, een ganse "wijsheidsliteratuur",
waarin een combinatie van
uiteenlopende (vooral sokratisch-platonische en cynisch-stoïcijnse)
elementen gesimplificeerd en gepopulariseerd werd[155].
De uitstraling ervan, ook in het Nabije Oosten, mag zeker niet onderschat
worden.
Eén van de
belangrijke "wegen", inderdaad, die de Griekse filosofie gevolgd heeft bij
haar receptie in "de islam", d.w.z. in een maatschappij en cultuur
normatief gebaseerd
op een profetische openbaring, bestond erin, dat ze de gedaante aannam van
een (ethisch-religieuze) "Wijsheid" (sophía),
in het Arabisch: al-̣hikma[156].
D.w.z., dat ze als "philosophia" ook létterlijk een "liefde voor
de wijsheid" (̣hubb al-̣hikma) bleek te zijn. Zoals Abû Sulaymân al-Sijistânî
(gest. 987) het zou geformuleerd hebben:
"de filosofie is
liefde voor de wijsheid en er is geen andere liefde voor de wijsheid dan
in de vereniging tussen de wetenschap van de waarheid en het handelen
overeenkomstig de waarheid"[157].
In haar
"gevulgariseerde" vorm, vervoegde die Griekse wijsheid de "eeuwige
wijsheid"[158],
zoals zij in het Nabije Oosten al eeuwenlang opgeslagen was in de zgn.
wijsheids- en spreukenverzamelingen, o.m. in de Hebreeuwse, Perzische en Indische
literaturen. Ook de Arabische auteurs legden ijverig uitgebreide
verzamelingen aan van zulke wijsheidsaforismen (die aforismen heetten zelf
"̣hikam"). Wat de Griekse
modellen betreft, gingen de schrijvers al
vlug over van het vertaalstadium naar de creatie van een "oorspronkelijk",
Arabisch genre van zgn. gnomische werken[159].
Precies die verzamelwerken hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de
algemene receptie van de Griekse filosofie en filosofen in de Arabische,
humanistische cultuur (adab)[160].
De filosofen werden er weliswaar opgevoerd als "dépositaires et
transmetteurs de la sagesse"; en hun filosofie werd herleid tot een
"aforistische filosofie" en geassimileerd aan een eeuwige, profetische
wijsheid, zoals zij o.m. bij Perzen en Indiërs werd aangetroffen[161].
Dé onovertroffen,
"morele held", in deze "culturele dramaturgie"[162],
was natuurlijk Sokrates. Hij gold als de "imâm" van de falâsifa
en als de vader zelf van de wijsheid[163].
Al-Kindî's tijdgenoot, Hunayn ibn Ishâq, zelf auteur van een
aforismenverzameling, zou Sokrates als volgt getypeerd hebben[164]:
"Sokrates is de
vader van de oude filosofen, de wijze van de wijzen; van hem is de
filosofie gekomen, uit hem is de wijsheid voortgekomen".
In het vermelde
traktaatje van al-Kindî, De Kunst van het Verdrijven van Smart, dat
nadien gebruikt is door o.m. Miskawayh en Ibn Sînâ, ziet men al-Kindî de
stoïcijnse idealen uiteenzetten van apátheia, van morele
onverstoordheid en onthechting. De argumentatie is, in overeenstemming met
het populair-protreptische opzet ervan, geïllustreerd met antieke (!)
anekdotes (een brief van Alexander de Grote aan zijn moeder; de repliek
van een filosoof aan keizer Nero, i.v.m. een kostbaar baldakijn...)[165].
Maar natuurlijk was ook voor al-Kindî Sokrates hét prototype van alle
morele en filosofische voortreffelijkheid.
Typisch, en zeker niet uniek,
is de persoonsverwarring in de weergegeven anekdote met
die andere "morele held" uit de oudheid, Diogenes de Hond, of
Cynicus.
"Men vertelt dat
Sokrates zich gedurende enige tijd verschuilde in een gebroken ton, in het
kamp waar men zich bevond. Op een dag, in aanwezigheid van enkele
kwaadsprekers, zei hij: 'om onszelf geen verdriet aan te doen, moeten we
geen bezit hebben'. Een kwaadspreker repliceerde daarop: 'En als de ton
zou gebroken zijn?' Waarop Sokrates antwoordde: 'als de ton breekt, dan
zal de plaats nog niet breken'. Waarbij al-Kindî opmerkt: 'de filosoof
heeft goed gesproken, want al wat verloren gaat, kan worden vervangen'"[166].
Naast nog een aantal spreuken vol 'goede raad' (zoals: "Wie lui is zal
verzwakken", of "De studie van boeken van wijzheid is het
offerfeest van de redelijke zielen"), heeft al-Kindî met name ook een
verzameling "Spreuken van Sokrates" (alfâz al-Suqrât) geschreven,
"waarin hij Sokrates presenteert als een toonbeeld van morele moed en
onthouding" (Leezenberg, 2008:105).
Laat ik besluiten met
het beknopte commentaar van Fakhry bij dit werkje[167]:
"As the earliest
treatise of its kind in Arabic, this eloquent and very often moving
disquisition on moral heroism has a special claim on the attention of the
historian of ideas. We can only note in this survey its cardinal
importance for the history of moral ideas in Islam".
________________________________


NOTEN:
[1] Zie
de inleiding over "Het Arabisch-Islamitisch Hellenisme", kap. 4,
op deze site.
[2] Cf.
het Arabische al-mutafalsifûn: "zij die het filosoferen
beoefenen".
[3] "une
famille de roitelets", Badawi (1972), II, p. 385. Cf. de
Zuid-Arabische Kindah-stam.
[4] O.m.
in de "Kitâb al-Fihrist", of "Cataloog", van Ibn al-Nadîm
(geb. ca 936). Terwijl al-Kindî in (een samenvatting van) het "̣sịwân
al-̣hikma" ("Kast van de Wijsheid", een verzameling van
biografieën, van Griekse zowel als moslimgeleerden, maar toegespitst op
aforismenverzamelingen) van Abû Sulaymân al-Sijistânî, hoofd
van de "School van Baghdad" (gest. na 1001), omschreven wordt als "de
eerste moslim die zich vormde in de falsafa", verstrekt een
latere biograaf-aforismenverzamelaar,
̣zahîr al-Dîn
al-Baỵhaqî (gest.
1170), in zijn "Voortzetting van de
̣siwân al-̣hikma", de volgende,
bizarre mededeling: "(al-Kindî) had in sommige van zijn werken de
principes van de Wet en die van de rede met elkaar verbonden, en er
bestaat een meningsverschil over zijn religie. Sommige mensen zeggen:
hij was jood en werd vervolgens moslim, en sommigen: hij was christen".
Jolivet (1991), p. 33 n. 6, die de passus citeert, merkt op: "Ces
lignes surprenantes rappellent du moins qu'il peut être difficile
d'inférer des livres d'un philosophe sa religion" (met als ander
voorbeeld de Spaans-joodse filosoof Ibn Gabirol, 11de eeuw, die in de 13de
eeuw door sommigen als een christen werd beschouwd).
[5] Volgens
de traditie ook letterlijk: de kalief zou hem doen geselen hebben.
[6] O.m.
in de Al-Fihrist. Zie het overzicht bij Badawi (1972), II, pp.
387-393. 116 titels behoren tot het genre van de zg. "risâla" (mv.
rasâ'il): lett. "brief, missive". Dit literaire genre, dat
mede tot ontwikkeling kwam o.i.v. de Griekse epistolografie, leende zich
bijzonder goed tot het formuleren van nieuwe, persoonlijke of
oorspronkelijke gedachten (in de traditionele, zgn. adab-literatuur
was zoiets veel moeilijker: ze was gericht op compilatie; elke habar,
"verhaal, geschiedenis", fictief of reëel, moest voorzien worden
van een isnâd, of berichtgeversketen - waardoor de status ervan
als overgeleverde tekst beklemtoond werd, in plaats van als product
van zelfstandig denken). De risâla verwierf spoedig alle
kenmerken van wat wij plegen te verstaan onder de monografie of het
essay. Alle mogelijke thema's en problemen - theologische,
maatschappelijke, morele, politieke, literaire, enz. - kwamen erin aan
bod. Het (compacte) formaat ervan droeg in belangrijke mate bij tot het
grote succes ervan: elke titel bestudeert één enkel probleem, wat een
aansporing was tot reflectie. Dat het genre vooral in de theologie, de
filosofie en de wetenschappen aansloeg, was o.m. te danken aan de
vertaling, of alleszins parafrase, in het Arabisch van de laat-antieke,
pseudepigrafische briefwisseling tussen Alexander de Grote en
Aristoteles. Ook de vertaling van de Brieven der Apostelen, in het
christelijke NT, heeft invloed gehad. Zie het omstandige artikel "risâla",
van A.Arazi & H. Ben-Shammay, in EI, vol. VIII, f. 139-140
(1994), pp. 532-9.
[7] Een
risâla over "De soorten van kostbare en andere stenen", en
een over "De soorten, vindplaatsen en prijzen van goede en slechte
stenen en edelstenen". Zie M.Ullmann (1972), p. 114.
[8] Cf.
een risâla over "Zwaarden en hun essentiële hoedanigheden",
waarin vele soorten van ijzer en staal alsook hun legeringen worden
beschreven, en een andere over het onderhouden van ijzer en zwaarden,
"opdat ze niet schaardig en bot zouden worden". Zie Ullmann, l.c.
[9] Het
"Kitâb fî kîmiâ' al-cịtr wa al-tạscîdât" ("Boek over de chemie van het
parfum en de distillaties"). I.t.t. wat de Arabische titel laat
vermoeden, gaat het niet om een eigenlijk alchemistisch werk (het woord
"kîmiâ'" wordt overdrachtelijk gebruikt). Zoals ook aangestipt
in het hoofdstuk over alchemie, kap. 5, wees al-Kindî de alchemie af (cf. zijn "Boek ter
weerlegging van degenen die pretenderen in staat te zijn goud en zilver
te maken zonder de ertsen"). Dergelijke boeken over parfums vormen
a.h.w. een neventak van de farmaceutische literatuur (al-Kindî schreef
ook een "apothekersboek", of dispensatorium, over samengestelde
medicamenten, zie Ullmann (1970), p. 301). Al-Kindî's boek is een
verzameling van 107 recepten voor het fabriceren van aromatische zalven,
oliën en reukwaters, met bijzondere aandacht voor surrogaatproducten die
als echte kunnen verkocht worden. Cf. al-Kindî's "Kîmiyâ' al-̣tabâ'ih",
met surrogaatrecepten voor koks (bv. hoe je lever kan serveren, die geen
lever bevat!). Zie Ullmann (1970), p. 314.
[10] Onder
de vermelde titels vinden we bv. "Weerlegging van het Christianisme"
(Maqâla fî al-radd calâ al-nạsârâ) -tegen
de drievuldigheid -, "Weerlegging van de Manicheërs" -
tegen het dualisme - en "Weerlegging van de Argumenten van
Atheïsten".
[12] Zie
de inleiding over het Arabisch-Islamitische Hellenisme,
kap. 4.
[13] Zie
Badawi (1972), II, pp. 395-6.
[14] Cf.
Walzer (1962c), p. 178: "... the long-windedness of Al-Kindî's style,
which may be a particular shortcoming of his due to the difficulties of
an early attempt at using abstract technical language in Arabic; it can,
however, be understood more adequately if one realises that he wrote for
a public which was not sufficiently prepared for what he tried to
explain and needed a more elementary exposition than, say, a 6th century
A.D. Greek or a contemporary of Averroes or Avicenna". Zie ook Ivry
(1975), p. 19, die als mogelijke verklaringen voor "the verbose,
repetitive nature of al-Kindî's writing" ook verwijst naar diens
"missionary desire to convince his fellow Muslims of the validity of
philosophy"; maar ook naar de mogelijkheid dat de bewaarde teksten
slechts studentennotities zouden zijn van mondelinge uiteenzettingen. Wat al-Kindî's repetitiviteit betreft, Badawi (1972), II, p. 412, stipt bv.
aan dat zijn bewijs van de onmogelijkheid van een actueel oneindig
lichaam terug te vinden is (deel in exact dezelfde bewoordingen) in vier
verschillende traktaten. Hoe dan ook, mede omwille van zijn wat
zwaar-op-de-handse en langdradige schrijfstijl, was al-Kindî in de
volgende, meer gesofistikeerde generaties vaak het voorwerp van spot: zo
werd hij bv. geparodieerd door al-Sîrâfî, in diens disputatie met Abû
Bisjr Mattâ (zie hfst. 1, kap. 1.6.).
[15] Het
belangrijkste handschriftelijke fonds bevindt zich in de Hagia Sophia
Bibliotheek, in Istanbul (nr. 4832), met 29 korte traktaten (uitg. Caïro,
1950-53, van cA.Abû Rîdâ). Zie Badawi (1972), pp. 387-393.
[16] Onder
de enkelen die aanspraak kunnen maken op de titel van filosoof, behoorde
Ahmad ibn al-Tayyib al-Sarakhsî (viel in ongenade bij de kalief en
werd in 895 geëxecuteerd). Zie het volgende hoofdstuk, § 1.3.
[17] Tekenend
bv. is dat Ibn Khaldûn hem wel verschillende malen citeert, in
zijn Muqaddima, maar hem niét opneemt in zijn lijst van
moslimfilosofen.
[18] Voor
het verhaal - de legende? - van die "verhuis" (via o.m. Harrân),
zie de inleiding over het Arabisch-Islamitische Hellenisme,
kap. 4. Cf. Zimmermann (1981), p. cxxv: "Al-Kindî... was a
predecessor of the tenth-century Aristotelians only in the very
weak sense that his boundless curiosity towards all aspects of the Greek
legacy - from pharmacology to astrology, from geography to metaphysics -
had naturally brought him into contact also with philosophy in general
and Aristotle in particular". Maar deze historische appreciatie van
al-Kindî lijkt toch wat al te minimalistisch. Volgens Ivry (1975), n. 1
(p. 23), heeft een toenemende appreciatie voor al-Kindî's betekenis
geleid tot "increased scholarly interest in his person and writings".
Cf. de (nu al wat verouderde) bibliografie van N.Rescher, Al-Kindî:
an Annotated Bibliography (Pittsburgh 1964). Ook Zimmerman zelf, in
1990:368-369, klinkt nu positiever wat de blijvende invloed van al-Kindî
betreft: "Extensions and alterations notwithstanding, the edifice of
classical falsafah continued to exhibit the original design of al-Kindî".
[19] "Lorsque
la capitale nouvellement fondée eut attiré de plus en plus de forces
intellectuelles venant des anciens centres et qu'elles s'y retrouvèrent
ensemble, alors seulement naquit avec le muctazilisme une théologie qui
revendiqua un caractère obligatoire et général", Van Ess, Th&G,
Woord Vooraf, bij Gilliot (1993), p. 348.
[20] "Al-Kindî
was almost certainly himself a muctazilite", Peters (1968), p. 158,
onder verwijzing naar Richard Walzer. Een andere al-Kindî expert,
echter, Alfred L.Ivry, heeft grote vraagtekens geplaatst bij de thesis
van een "muctazilitische al-Kindî" (zie Netton,
1994:56, met verwijzingen).
[21] Watt
(1979), p. 46. Zie vooral Walzer (1962c), dat hoofdzakelijk al-Kindî's vertrouwdheid met de muctazilitische interpretatie van de
islam in het licht wil stellen.
[22] Fakhry
(1970), p. 10. Zie ook ibid., p. 111: "there can be little doubt that
al-Kindî stands decidedly at the center of the Islamic theological
tradition, and that his philosophical interests do not prejudice his
unconditional adherence to the fundamental tenets of Islamic dogma".
[23] Walzer
(1962c), p. 175.
[25] "Risâla
fî kammiyyat kutub Ariṣtụtâlîs wa mâ yụhtâj ilay fî tạḥsîl
al-falsafa" (letterlijk: "Brief over het Aantal van Aristoteles'
Boeken en Wat Vereist is voor de Studie van de Filosofie").
Al-Kindî produceerde een verscheidenheid aan commentaren op, of
parafrases van aristotelische teksten, met name die uit het Organon.
[26] Op
basis, weliswaar, van een sterk platonisch
getint aristotelisme. Zie
Walzer (1962c), p. 201: "it shows a stronger emphasis on the Platonic
element in the union of Plato of Aristotle, of whose agreement in
essential tenets Al-Kindî is as convinced as Porphyry and Simplicius or
Al-Fârâbî and Ibn Sînâ - although Aristotle is in his view the greatest
philosopher of all (but can be represented as sharing many Platonic
tenets without any reservation". De "verzoening",
inderdaad,
van Platoon en Aristoteles was reeds in verregaande mate tot stand
gebracht in het laat-antieke neoplatonisme; Plotinos' leerling,
Porphurios, had daarin een beslissende rol gespeeld.
[27] Engelse
vertaling bij Walzer (1962c), p. 177.
[28] De
zinsnede "primaire en secundaire substanties" alludeert op de
concrete wezens en de immateriële essenties, die, als respectievelijk
"primaire" en "secundaire" ousíai,
of wezenheden, volgens Aristoteles' Categoriae (2a14)
samen de zgn. eerste categorie uitmaken.
[29] Walzer,
o.c., p. 178. Al-Fârâbî, daartegenover, die ook een scherpe kritiek
ontwikkelt tegen de kalâm, zou juist de superioriteit beklemtonen van de
menselijke rede. Precies in zoverre religies de waarheid benaderen
middels symbolen (mathâlât), is hun geopenbaarde verkondiging inferieur aan de
filosofische bewijsvoering. Zie verder, over al-Fârâbî.
[30] "(De
heiden) maakt een vergelijking met Ons en vergeet hoe hij geschapen is.
Hij zegt: 'Wie maakt de beenderen weer levend als zij gruis zijn?' Zeg:
'Hij die ze de eerste maal heeft laten ontstaan zal ze weer levend
maken. En Hij kent alles wat geschapen is, Hij die voor jullie uit
groene bomen vuur gemaakt heeft zodat jullie er meteen een vuur mee
kunnen ontsteken'. Is Hij die de hemelen en de aarde geschapen heeft
niet bij machte iets te scheppen wat aan hen gelijk is? Ja zeker, Hij is
de schepper, de wetende. Wanneer Hij iets wenst, is zijn bevel dat Hij
ertegen zegt: 'Wees' (kun) en het is. Geprezen zij Hij dus in
wiens hand de heerschappij over alles is en tot wie jullie worden
teruggebracht". Voor de al-Kindî-passus, zie Walzer, o.c., p. 181.
[31] Cf.
Fakhry (1970), p. 111: "we... note that (al-Kindî), like the vast
majority of Islamic theologians, is obsessed with the literary
superiority of the Koran, whose arguments might differ from the
stringent dialectical proofs of the philosophers but are often more
effective and more concrete". In zoverre al-Kindî's eigen werken
kunnen begrepen worden als een dergelijke "filosofische" tegenhanger van
de Openbaring, en zij, zoals gezegd, nogal wat literaire tekortkomingen
bevatten (langdradigheid, repetitiviteit, enz.), zouden we deze passus
als een uiting van zelfkritiek, of alleszins bescheidenheid, van zijnentwege kunnen begrijpen. In het
algemeen, geven Arabische filosofen wel degelijk
blijk van een 'literaire' bekommernis; het percentage strikt
'wetenschappelijke' argumentaties, in hun oeuvre, is eerder gering. Zie
hierover Mahdi (1986), cf. p. 104: "the view that these philosophers
were not rhetoricians or poets, but were doing philosophy makes
little sense unless one understands doing philosophy in their
case as preparing for and composing the works they left behind";
dezelfde auteur ook in: 1990:77: "if the reader studies the works of
almost any one of these (Arab) philosophers - ... - and asks what
portion of them is or pretends to be in the form of scientific
demonstration, he is likely to be disappointed". We mogen hierbij
opmerken dat reeds bij Aristoteles kan worden vastgesteld dat diens
model van demonstratieve bewijsvoering, zoals ontwikkeld in de
Analytica's, in geen van de bewaarde werken toepassing vindt (in de
inleiding van de Rhetorica, daarentegen, benadrukt hij de
nuttigheid van retorica voor de presentatie van wetenschappelijke kennis
aan derden ("zelfs de grootste wetenschap volstaat soms niet"),
cf. I.1, 1355a21 e.v.
[32] Voor
zijn verdediging van de "creatio ex
nihilo" (cf. in het
Boek van
Definities, zijn definitie van ibdâc
als: "iets-dat-is [ays] tevoorschijn laten komen uit wat niet-is [lays]"), heeft al-Kindî
vermoedelijk een beroep gedaan op de (christelijk-monophysitische) alexandrijnse filosoof, Johannes
Philoponos (ca 1e helft van de 6de eeuw; bij de Arabieren werd hij "Johannes de Grammaticus"
genoemd): cf. diens (grotendeels verloren) Tegen Aristoteles en (bewaarde) Tegen Proklos Over de eeuwigheid van de wereld. Die
'aristotelische' doctrine werd daarin op filosofische wijze bekampt (zo
met het logische argument, dat contingente wezens,
bewegingen of tijdseenheden onmogelijk een oneindige reeks kunnen
vormen); zie o.m. Walzer, 1962c:187-196; Netton, 1994:65-70 (in het
kader van al-Kindî's kosmologisch godsbewijs dat er direct mee gelinkt
is). 'Voor alle zekerheid' (?), echter,
werd aan een verzameling van tekstmateriaal die al-Kindî liet
aanleggen onder de titel: de "Theologie van Aristoteles", 'ter bevestiging' een
gefabriceerde passus toegevoegd, of ingeschoven, die schepping uit het niets (ibdâc)
tot een bijzondere eigenschap van God maakte - wat uiteraard
helemaal niét de mening was van Aristoteles, Alexander, Plotinos of
Proklos, wier teksten hierin waren samengebracht. [PS déze "Theologie
van Aristoteles" mag niet zonder meer vereenzelvigd worden met het
beroemde traktaatje, "Theologia
Aristotelis" (in zijn Latijnse titel), dat louter uit een parafrase
bestond van teksten van Plotinos; zie hoger, Inleiding 2, §
5.1.].
[33] Interessant
hieraan is dat hij dat argumenteert b.m.v. enkele verzen van een
pre-islamitisch dichter, waarin de nacht, metaforisch, wordt
toegesproken als ging het om een persoon. Ook dit didactisch gebruik,
bij het interpreteren van de Qur'ân, van populaire passages uit de
pre-islamitische poëzie was karakteristiek voor de muctazila. Zie Walzer,
o.c., pp. 182-183: "... a specific trend of the muctazila of his own
day. (Al-Kindî) fully agrees with Bishr ibn al-Muctamir (died
210/825-6), the founder of the Baghdâd muctazilite school und Al-Macmûn,
who is also known for his interesting attempt to spread his instructions
by means of popular forms of poetry". De genoemde muctaziliet ging
ook in, wat Gods schepping betreft, tegen de opvatting van Abû'l-Hudhayl,
volgens dewelke er bij die schepping, behalve Gods wil, wel degelijk ook
een "scheppend woord" te pas kwam.
[34] Zie
reeds Gardet (1959), pp. 269-270. Maar Gardets houding over al-Kindî
hangt samen met zijn onderschatting van de kalâm als weinig meer dan een
"apologetica": "les muctazilites, tout attachés au critère rationnel
qu'ils fussent, étaient déjà premièrement apologistes. Ils luttaient
contre l'invasion incontrôlée de la pensée hellénistique, se servaient
dialectiquement en effet de la philosophie, mais ne lui donnaient
d'autre fin que cet usage dialectique même. Al-Kindî, lui, utilisait
d'abord la philosophie pour sa vérité philosophique.. (Son) attitude va
plus loin que l'attitude muctazilite. Tout se passe comme s'il y avait
chez Kindî une confortation, au moins implicitement acceptée de
la raison par le dogme". Maar je kan de metafysische systemen van
Abû'l-Hudhayl en al-Nazzâm moeilijk afdoen als louter apologetica
of dialectiek.
[35] Walzer,
o.c., p. 195.
[36] Cf.
al-Nazzâm, die ook een groot aantal leerlingen telde (supra).
[37] Zo
Walzer, o.c., p. 184.
[38] Het
werd door al-Kindî opgedragen aan kalief al-Muctạsim en dateert dus uit
de periode tussen 833 en 847. Enkel het eerste deel ervan is bewaard.
Alfred L.Ivry heeft een geannoteerde Engelse vertaling van de tekst
gepubliceerd: Al-Kindi's Metaphysics (Albany, 1974). De
uitdrukking "eerste filosofie" stamt van Aristoteles;
pas na Aristoteles werd hiervoor de uitdrukking "metafysica" gecreëerd.
[39] Jolivet
(1991), p. 36, bestempelt dit eerste hoofdstuk als: "ce véritable
manifeste idéologique".
[41] Naar
het voorbeeld van Aristoteles (cf. diens Metaphysica, boek
Delta), stelde al-Kindî ook een terminologisch lexicon op: Over
definities en beschrijvingen der dingen (Risâla fî ̣hudûd al-asyâc wa rusûmuhâ). Daarin worden 87 technische termen (kort)
gedefinieerd. Hoewel de meeste definities een uitgesproken aristotelisch
karakter hebben ("un caractère nettement aristotélicien"),
bestaat er volgens Badawi (1972), II, p. 402, toch geen directe relatie
tussen dit werkje en Aristoteles' tekst.
[42] Het
was, zoals gezegd, opgedragen aan al-Kindî's broodheer, de kalief.
[43] Grieks:
aítion, aítia; Arabisch: cilla
en (meervoud) cilal. Zie het overzichtsartikel van Gardet,
"cilla:
II. Philosophy", in: EI, III (1971), pp. 1129-1132; voor
de bewegingsoorzaak (actor) gebruikt al-Kindî het woord "fâcila";
voor de doeloorzaak: "mutammima".
[44] Namelijk
"het of, het wat, het welk en het waarom"
- i.e. het bestaan, het genus (of species), de differentia specifica en
de doeloorzaak. Wie de stof kent van een wezenheid, kent het genus; wie
de vorm kent, kent de species evenals de differentia die erdoor
geïmpliceerd wordt; eens stof, vorm en doeloorzaak gekend, zijn ook de
definitie en, daardoor, de werkelijkheid van het definiendum
gekend. Cf. Fakhry (1970), pp. 86-87.
[45] "Het
ware Ene is noch een intelligibile, noch stof, noch genus, noch species, noch individu, noch differentia, noch proprium, noch algemeen accidens, noch beweging, noch
ziel, noch intellect, noch geheel, noch deel, noch som, noch enkele,
noch één in verhouding tot iets anders; maar het is absoluut één... Het
ware Ene heeft noch stof, noch vorm, noch kwantiteit, noch kwaliteit,
noch relatie... Het is noch tijd, noch ruimte, noch onderwerp, noch
predicaat, noch geheel, noch deel, noch substantie, noch accident... Het
is kortom zuivere eenheid (wạhda), d.i. het is
niets anders dàn eenheid, terwijl elk ander ene (gekarakteriseerd) is
door veelheid".
Zie de Franse vertaling in Badawi, 1972:416; en de enigszins afwijkende
Engelse vertaling in Netton, 1994:57-58 en 59-60. We krijgen hier dus
"a kind of philosophical taẉhîd", vergezeld door een
('muctazilitische) kritiek
op degenen die God attributen toewijzen; zie Jolivet-Rashed, 1986:123.
[46] ibdâc
(letterlijk: "vernieuwing"), als Gods unieke vermogen tot schepping-uit-het-niets, werd door al-Kindî a.h.w. toegevoegd aan de
aristotelische vier oorzaken. Maar de notie dient dan wel om het
goddelijke domein af te bakenen van de wereld van de natuur; in deze
laatste gelden de
natuurwetten van Aristoteles: "Weet dat
fysica de wetenschap
is van de wezenheden die in beweging zijn; want de natuur is door God
tot de oorzaak gemaakt voor de oorzaak van alle dingen die bewegen en,
na beweging, tot rust komen". Zie Walzer, o.c., p. 193, die op de
nauwe parallellen wijst met de argumentaties van de al vermelde Johannes Philoponos.
[47] In
Plotinos' Grieks: to Hen (τὸ Ἕν). Maar in het
benadrukken van de totale transcendentie van "het Ene Ware" (al-wậhid al-̣haqq)
gaat al-Kindî verder dan Plotinos. Tegelijkertijd is er bij hem ook geen
sprake van dat, in het kader van de "emanatie", de schepping zou
bemiddeld worden door de hypostasen, i.e. het
Intellect en vooral de (Wereld)Ziel:
de enige God is de enige Schepper (over Plotinos zogenoemde
hypostasenleer, zie
op deze website). Onduidelijk weliswaar blijft hoe daarmee de rol te
verbinden is van het "Actieve Intellect" in het kader van al-Kindî's
cognitieve psychologie (zie verder, kap. 3.5.).
[48] Dit
in de middeleeuwen zeer invloedrijke
geschrift was in werkelijkheid een parafrase uit de Enneaden van
Plotinos (zie hoger, in Inleiding2, kap.
5.1). Al-Kindî zou daar "correcties" hebben bij aangebracht
(Netton, 1994:59).
[49] Ivry
(1975), die precies een dergelijke oefening gemaakt heeft.
[50] Ik
vertaal uit het Grieks: "Correct
is het ook dat de filosofie de wetenschap van de waarheid (epistèmè
tês alètheías) wordt genoemd. Immers, de
finaliteit (telos) van theoretische (kennis) is (kennis van de)
waarheid; van praktische (kennis) is (die finaliteit) het werk. Want de
mensen van de praxis, ook als ze nagaan hoe het ermee gesteld is,
bestuderen niet de oorzaak op zich [het eeuwige?], maar (slechts) in
relatie tot het 'hic et nunc'. Nu kennen we het ware niet zonder (kennis
van) de oorzaak; anderzijds is datgene dat maakt dat eenzelfde
kwalificatie ook aan andere toekomt, in een hogere mate dan de andere
(die kwalificatie): bv. het vuur is het warmste, want het is ook voor de
andere dingen de oorzaak van warmte. Ergo, heeft ook datgene telkens een
hogere graad van waarheid, dat voor de latere (fenomenen) oorzaak is van
het waar-zijn. Om die reden moeten de principes van wat altijd het geval
is, de hoogste waarheidsgraad hebben: ze zijn immers niet nu eens waar
(en dan weer niet), en evenmin hangen zij voor hun zijn af van een
andere oorzaak, maar zij zijn oorzaak voor (het zijn van) de anderen.
Elke (entiteit), bijgevolg, heeft op dezelfde wijze deel aan de
waarheid, als het deel heeft aan het zijn" (Oxford-uitg. van W.Jaeger).
[51] Aṣtât
vertaalt epistèmè tês alètheías letterlijker,
namelijk als cilm al-̣haqq.
[52] Vertaald
naar de Engelse vertaling van Ivry (1975), pp. 16-17.
[53] Waarvan
ook sprake is in de Arabische tekst van Aṣtât.
[54] Bv.
soera 20.114; 18.44, e.a. De uitdrukking kreeg een bijzondere
geladenheid met de beroemde/ beruchte mysticus, al-Hallâj (geëxecuteerd
in 922), en zijn mystieke uitspraak, "Anâ 'l-̣haqq",
"Ik ben de Ware".
[55] Deze,
vanuit gelovig oogpunt, 'pragmatische' positie laat zich, op het eerste
gezicht, vergelijken met die van de Latijnse kerkvader Augustinus t.a.v.
het "heidense", antieke erfgoed. Cf. diens De doctrina christiana,
II.40.60: net zoals de joden zich, bij hun vertrek uit Egypte, zonder
problemen meester hadden gemaakt van de Egyptische schatten, zo mogen de
christenen niet aarzelen zich de intellectuele schatten toe te eigenen
van de heidense filosofen die naar waarheid hebben gesproken, d.w.z. ze
te gebruiken voor het begrijpen en onderwijzen van het Evangelie. Zie
De Late Oudheid, pp. 126-127.
[56] In
werkelijkheid betreft het een nogal vrije parafrase van een passus uit
Aristoteles' Metaphysica α (Kleine Alpha), namelijk 993a30-b4. De betreffende
passages worden vertaald en besproken in Ivry (1975), p. 20.
[57] Zie
Ivry, o.c., p. 18. Ook de adaptatie - niet overname! - van de Griekstalige filosofie aan de
Arabische taal en aan de islam moest als een dergelijke 'vooruitgang'
gewaardeerd worden.
[58] Tekst
bij Ivry, o.c., pp. 22-23.
[59] Vgl.
de tweede helft van de eerste zin in het citaat met een, weliswaar late,
maar toch klassieke definitie van "ahlâq", of "ethiek":
namelijk als "de wetenschap van de deugden en de weg, hoe ze te verwerven,
van de ondeugden, en de weg, hoe er zich voor te behoeden" (Al-Sirwânî,
gest. 1626/7, gecit. in Walzer, 1960, p. 327). Al-Kindî schreef een
(verloren) werk, Fi'l-Akhlâq, "Over Ethiek" (zie verder, §
4).
[60] In
diens Protreptikos, fr. 2 Ross (al-Kindî laat zelf de verwijzing
achterwege). De bekende passus luidt: "als er moet gefilosofeerd
worden, moet er gefilosofeerd worden, én als er niét moet gefilosofeerd
worden, moet er gefilosofeerd worden, bijgevolg moet er in elk geval
gefilosofeerd worden. Immers, als (de filosofie) er is, behoren we in
elk geval te filosoferen, aangezien ze er is; maar als ze er niét
is, behoren we ook in dàt geval te zoeken hoe (het komt dat) de
filosofie er niet is; al zoekende, echter, filosoferen we, aangezien het
zoeken de grond is van de filosofie".
[61] "Risâla
ilâ Ạhmad ibn al-Muctạsim fîl al-ibâna can
sujûd al-jirm
al-aq̣sâ wu ̣tâcatihi li Allâh". Zie Badawi, o.c., p. 389 (nr. 2) en p.
418v.; Walzer, o.c., pp. 196-199.
[62] De
betekenis van "najm" werd, en wordt aangevochten. Volgens
een aantal middeleeuwse grammatici, daarin gesteund door een aantal
hedendaagse arabisten, moet het woord begrepen worden in de zin van
"gras(sen)". Zie Walzer, o.c., p. 196.
[63] Zoals
in de antieke "astrale religie", van een Platoon of een Aristoteles.
Goed islamitisch hangt hun (voort)bestaan volkomen af van Gods wil.
[64] Zie
ook het hoofdstuk over de alchemie, kap. 3.
[65] In
de Fihrist-cataloog van Ibn al-Nadîm worden, naast 19 "boeken
over astronomie", ook 19 "boeken over astrologie" en 10
"boeken over voorspelling b.m.v. de sterren" aan al-Kindî
toegewezen.
[66] Een
uitzondering hierop was de grote al-Bîrûnî: zie het hoofdstuk over
alchemie, kap. 5.
[67] Zie
nogmaals de inleiding over het Arabisch-Islamitisch Hellenisme.
[68] De
Arabische titel van het traktaat luidt: "Risâla fî mulk al-carab wa
kammîyatihî".
[69] Namelijk
door het optellen van de getalwaarde van de raadselachtige
lettermonogrammen in de Qur'ân (met uitsluiting van de herhalingen).
Zie Ullmann (1972), p. 313.
[70] Uitgaande
van de conjunctie van de twee ongeluksgesternten, Saturnus en Mars, in
het teken van de Kreeft, conjunctie die plaats vond bij de aanvang van
het jaar van de Hijra (622). Zie Ullmann, l.c.
[71] Zie
ook Walzer, o.c., p. 199, met verwijzingen. De vernietiging van het
kalifaat van Baghdâd door de Mongolen vond plaats in 656 H. (1258),
d.w.z. met nauwelijks 37 jaar verschil!
[72] al-̣hissâni
al-sarîfâni.
[73] In
zijn Risâla over de "gehoorzaamheid" der sterren (cf.
supra). Zie Walzer, o.c., pp. 202-203, met verwijzingen.
[74] Walzer
l.c. Voor de twee neoplatonische scholen en hun onderlinge verschillen,
namelijk de Atheense en de Alexandrijnse, zie ook de syllabus, De Late
Oudheid, pp. 61-63.
[75] Namelijk
Brief Over de Ziel, Afgekort uit het Boek van Aristoteles en Platoon
en uit de Andere Filosofen (Risâla fî al-qawl fî al-nafs al-muhtạsar
min kitâb Ariṣtoe wa Flậtin wa sâ'ir al-falâsifa), en
Discours over
de Ziel, Afgekort en Beknopt (Kalâm fî al-nafs, muhtạsar
wajîz). Zie Badawi, o.c., p. 389, nrs. 8 en 11. Hiernaast
zijn er ook nog een viertal andere teksten relevant - o.m. de Risâla
fî al-caql, of Brief over het Intellect, die verderop ter
sprake zal komen. Zie El-Konaissi, p. 141.
[76] Parafrase
die reeds vertaald was door Yahya ibn al-Bitrîq, onder al-Mansûr (zie
het Arabisch-Islamitisch Hellenisme, kap.
4).
[77] Cf.
Platoons Phaedrus en Republiek.
[78] Cf.
Walzer, o.c., p. 201.
[79] Waarmee
door al-Kindî de platonische, 3-delige zielsconceptie dikwijls
vermengd wordt. Cf. Fakhry (1970), p. 103.
[80] Wat
de falâsifa betreft, waagt Frank (1992), p. 28, de suggestie dat
"de meest plausibele verklaring voor de klaarblijkelijk kritiekloze
devotie waarmee opeenvolgende generaties van falâsifa zich hebben
vastgeklampt aan (de theorie van een apart, kosmisch intellect)", de
nood was aan een rationele justificatie voor de profetische openbaring. Op
die manier kon de profetische intuïtie in verband worden gebracht met de
rationele intuïtie van rationele vormen (cf. Platoons Ideeën) en de
intuïtie, door de filosofen, van de universele orde van de
werkelijkheid. In een voetnoot (n. 35) merkt hij nog op dat men zich
moeilijk kan inbeelden dat zovele, intelligente filosofen er nooit,
zelfs maar aan gedacht hebben de theorie in vraag te stellen, "if the
only thing required was to explain the cognitive intuition of essential
forms and of the basic principles of reasoning".
[81] Via
Latijnse vertalingen (van Gerard van Cremona en van Jan van Spanje) zou
zijn De intellectu ook in de christelijke discussies een hoofdrol
spelen. In de Latijnse scholastiek gingen codices circuleren waarin
verschillende traktaten over het intellect - dat van Alexander van
Aphrodisias, van al-Kindî, van al-Fârâbî en (het De anima) van
Ibn Sînâ - in één band verenigd waren. Het basisartikel over de
inwerking van die intellectleer op die scholastiek is nog altijd de
studie van E.Gilson, Les sources gréco-arabes de l'augustinisme
avicennisant, in: Archives d'Histoire doctrinale et litt. du Moyen
Age, 4 (1929), pp. 5-149.
[82] D.w.z.
dat weinig of geen aandacht wordt geschonken aan de fysiologische
processen, maar een beroep wordt gedaan op interne structuren en
operaties die zelf cognitief toegerust zijn. Cf. Wedin (1988), p. 3:
"For the cognitivist what is crucial is explaining how a system is
designed or organized to accomplish tasks of a given sort, and this is
usually held to be independent of whatever material realizes the design
- be it grey matter or silicon and chips... Aristotle shares with the
cognitivist the view that what is esential to the soul is its design or
organization and that this is to be characterized at a fairly abstract
level... In short, the question of what sort of material the soul is
realized in does not appear to play a central role in De anima.
What does play such a role, I will argue, is the notion of the soul as a
functional or cognitive system".
[84] Enkv.:
to aisthètèrion.
[86] ta aisthètá (sensibilia).
[89] phantásmata (imagines).
[90] Ik
volg hier de interpretatie van Wedin (1988), bv. p. 55: "imagination
is not a genuine faculty in the sense that there is no complete act that
counts as imagining something".
[95] De anima, III.4, 429a10. Vgl. ibid., l. 22: "wat de
noûs
van de ziel wordt genoemd (ik bedoel: noûs waarmee de ziel
nadenkt en oordelen vormt)". Wordt hier een onderscheid geïmpliceerd
met een noûs die niét "van de ziel" zou zijn?
[96] "The
single most vexing problem in Aristotle's psychology is the status of
noûs",
Wedin (1988), p. 160. Eén van de hindernissen die Aristoteles zelf
opwerpt, voor een goed begrip van zijn filosofie in het algemeen, en van
zijn noûsleer in het bijzonder, is zijn grote "terminologische
nonchalance". Zo hanteert hij de term "noûs" zowel m.b.t. de
(onfeilbare) intuïtie van de eerste beginselen (Analytica Posteriora,
Nikom. Ethiek, VI) als in de zin van "praktisch verstand" (Politiek
I). Zie hierover Guthrie (1981), pp. 308-9.
[97] dunámei en energeíai.
[98] páschein,
letterlijk: (een inwerking) ondergaan of lijden.
[99] Cf.
De anima, III.4, 430a6: "in de stoffelijke wezens is elk der
denkobjecten (slechts) in aanleg (gegeven)". Een concreet, volwassen
paard, m.a.w., is weliswaar het resultaat van de actualisering, in de
stof of materie, van de universele (species)vorm, "paard"; maar als
onlichamelijk "intelligibile" is deze essentie, of
wezensvorm, nooit in act gegeven.
[100] Denken
bestaat in "het zien van de intelligibilia" (Protrepticus,
fr. 24), "want zoals in een lichaam het zicht, zo in de ziel de
noûs" (Nik.Eth., I, 1096b28). De noûs heeft, zoals
gezegd, geen lichamelijke substructuur (er is geen "denkorgaan"), maar
is "(van het lichaam) gescheiden" (choristós). Hij bezit, vóór het denken van de intelligibilia,
niet de minste eigen natuur, tenzij die van "aanleg (te zijn)" (De
an., 429a21-2); zónder denkobjecten is de geest slechts een
"onbeschreven wastafeltje" (De an., 429b24-430a5 - maar ook
die vergelijking loopt natuurlijk mank: een wastafeltje heeft nog altijd
een identiteit, als materieel voorwerp). Bijgevolg, wannéér hij de (zelf
ook onlichamelijke) intelligibilia denkt, wordt de noûs volledig
één met die intelligibilia; en wordt dus zelf "intelligibel"
(noètós):
"want in het geval van de stoffeloze (dingen) is dat wat denkt en dat
wat gedacht wordt, hetzelfde" (430a3-4). Een ander gevolg is dat,
wanneer onze noûs intelligibilia denkt, hij tegelijkertijd "zichzelve
denkt" (429b9). In deze "pre-moderne" rationaliteit, m.a.w., is er
van een autonoom zelfbewustzijn, of een "epistemisch subject", nog geen
sprake. Zie de syllabus, Philosophos, pp. 168-171.
[101] "Denken
is niet mogelijk zonder beeld (phántasma)", De memoria,
449b31.
[103] De
anima, III.5, 430a10-25. Voor een recente, geannoteerde vertaling,
zie H.Lawson-Tancred, Aristotle. De Anima (On the Soul), Penguin
Classics 1986, pp. 204-205.
[111] hè kat' enérgeian
epistèmè.
[112] De
passus tussen dubbele rechte haken wordt herhaald verderop, in De
anima,
431a1-3. Het vermoeden bestaat dat hij eigenlijk dààr thuishoort maar,
in de latere overlevering, hier geïnterpoleerd zou zijn, eventueel ten
koste van een meer relevante, maar misschien meer duistere uitleg over
de relatie tussen "actief" en "passief" intellect. D.Ross, in zijn
uitgave (Oxford 1961), stelt daarom voor de passus hiér te "schrappen". Wedin (1988), p. 187, evenwel, pleit voor het behoud ervan, op basis van
zijn "naturalistische" interpretatie van III.5.
[115] Deze
interpretatie houdt met name in dat het zgn. "actieve intellect"
(zie verder) strikt binnen de menselijke ziel moet gelokaliseerd worden.
In de geschiedenis van de filosofie is ze vooral verbonden met de naam
van Thomas van Aquino (zie Kal, 1988, pp. 103-107). Ook in de moderne
literatuur heeft zij vele verdedigers gevonden. Een heel recente,
filosofisch waardevolle toepassing ervan geeft Wedin (1988), p. 160v.
Z.i. behoren zowel de "productieve" als de "receptieve"
noûs tot de interne, functionele organisatie van onze individuele
geest (p. 168); het perspectief van III.5, z.i., is niét dat van het
verwerven van concepten, maar van het uitoefenen van reeds verwórven
conceptuele bekwaamheden (ibid., pp. 176-7).
[116] In
casu dat het zgn. "actieve intellect" te vereenzelvigen is met
Aristoteles' God, Onbewogen Beweger of Intellect (cf. Metaphysica
Lambda). Voor een beknopt, recent voorbeeld van deze interpretatie,
zie Mamo (1981).
[117] Wedins
interpretatie is precies gebaseerd op de stelling dat III.4 en III.5
moeten beschouwd worden als "a continuous analysis of thinking":
"the target is mainly with De anima III.4 and 5 and the
interpretation's thrust is that together these chapters provide
the essentials of what is recognizably a cognitivistic account of
individual noetic activity" (l.c., p. 161 en n. 5). Voor een
samenvattende bespreking van de controverse, zie Guthrie (1981), pp.
308-330.
[118] Strikt
genomen, komt deze laatste benaming, namelijk "noûs poiètikós",
als zodanig in de passus niet voor.
[
119] Zo de
grote Aristoteleskenner, W.D.Ross, in zijn uitgave van de Metaphysica
(Oxford 1924), vol.1, p. cxliii. Geciteerd in Davidson (1992), p. 4.
Voor een recente bespreking ervan, zie Victor Kal (1988), pp. 84-91 (met
bibliografie).
[121] Voor een beknopt historisch overzicht zie Kal (1988), pp. 93-109.
[122] Het auteurschap van dit werk wordt in de moderne literatuur in
vraag gesteld. Zie Davidson, o.c., p. 7.
[123] Voor een volledig overzicht van de laat-antieke teksten die op
dit punt werkzaam waren in de Arabische filosofie, zie Davidson, o.c.,
pp. 7-9.
[126] Door
Aristoteles gekarakteriseerd als een "intellect", een "denken
dat zichzelf denkt":
hautón de noeî ho noûs (Met., 1072b19-20).
[128] Een
belangrijk gegeven voor de toekomst zou het feit zijn dat, in de
Arabische vertalingen, de Griekse uitdrukking "ho thùrathen noûs"
vertaald werd door "verworven van buitenaf" (al-mustafâd
min khâridj), en vaker nog door simpelweg door:
"het verworven intellect" - waardoor de nuance werd ingebouwd dat
het om het "actieve intellect" ging inzoverre het, op de een of
andere manier, tot de mens behoorde. Cf. Davidson, o.c., pp. 11-12; en
vooral Badawi, o.c., pp. 439-444.
[129] De
verwijzing naar "hexis", d.i. "habitus", in
Aristoteles' tekst, betreft integendeel het actieve intellect.
[130] Vgl.
voor deze drie staten bv. Aristoteles, Physica, VIII,
255a33-255b5, waar de vergelijking wordt gemaakt met de 3 fasen van
wetenschap (het aanleren - het bezitten van wetenschap - het beoefenen ervan):
"de leerling-wetenschapper bevindt zich in een andere
staat-van-aanleg dan degene die de wetenschap al bezit maar niet
bedrijft. Altijd, wanneer het actieve en het passieve samenzijn, wordt
wat in aanleg is, actueel, bv. degene die leert, wordt uit wat hij in
aanleg was, iets ànders in aanleg (want wie een wetenschap bezit maar
niet schouwt, is in zekere zin slechts in aanleg wetenschapper, maar
niét in dezelfde zin als vóór het leren). Maar wanneer hij zich in die
staat bevindt, en op voorwaarde dat er geen beletsel is, is hij actief
en schouwt (energeî kai theoreî)".
[131] Het beslaat in het manuscript van de Hagia Sophia slechts één
bladzijde (21b-22a).
[132] Een
vertaling ervan in Badawi, o.c., pp. 447-450. Zie ook R.J.McCarthy,
Al-Kindî's Treatise on the Intellect, in: Islamic Studies, III
(1964), p. 119v.
[133] Davidson, o.c., p. 15.
[134] Fakhry, o.c., p. 105.
[135] Terwijl
Aristoteles enkel de noûs als "gescheiden van het lichaam"
bestempelt, is voor al-Kindî de ziél als zodanig onlichamelijk ("l'âme
n'est pas un corps et n'est pas divisible", vert. Badawi, o.c., p.
448).
[136] Zie Davidson, o.c., p. 16.
[137] Davidson, l.c., alvast maakt die link; Netton, 1994:64 (met
verwijzingen), heeft grote reserves: "this Intellect is not part of a
scheme of structured emanation".
[138] Hoé
de vereniging tot stand komt, blijft onverklaard. Bij de latere
falâsifa zal deze eenwording of "conjunctie" (ittịsâl)
belangrijke, religieus gekleurde functies krijgen (cf. profetie;
onsterfelijkheid). In het Over de Eerste Filosofie, volgt
al-Kindî een gans andere aanpak: de actualisering van het menselijke
intellect wordt daar verklaard door vereniging met de "species en
genera", i.e. "de universalia der dingen". Hoewel kan
verondersteld worden dat deze universele principes "geleverd"
worden door het transcendente Intellect, maant het feit dat al-Kindî in
deze tekst op geen enkel ogenblik een dergelijk Intellect vermeldt, tot
voorzichtigheid aan: "the universals in the passage may simply be
concepts abstracted from physical objects; Isaac Israeli, who was
dependent on Kindi, outlined a proces whereby human concepts are refined
from sense perceptions through successive abstractions. Or perhaps the
universals Kindi speaks of are abstract concepts subsisting in a
Platonic world of ideal Forms. In the passage under consideration, Kindi
may, then, very well be dismissing the need for any transcendent agent
to lead the potential intellect to actuality. He was fully capable of
advocating diverse and inconsistent theories at different times",
Davidson, o.c., p. 17.
[139] Vertaling
bij Badawi, o.c., p. 449; maar aangepast op basis van Davidson, o.c.,
pp. 41-42. Met de laatste wat duistere zin wil klaarblijkelijk gezegd
zijn dat de eenwording niét geldt vanuit het oogpunt van het
transcendente Intellect.
[140] Cf.
het onderscheid, in Aristoteles' Nikomachische Ethiek, VI,
1141a19, tussen "noûs", als de dispositie die intuïtief en
direct
de principes van de bewijsvoering vat, en "epistèmè", die deze
principes daadwerkelijk en discursief hanteert in de wetenschappelijke
bewijsvoering. Beide sàmen constitueren "sophía", of
"wijsheid". Al-Kindî's benaming voor deze vierde vorm zal door de
latere falâsifa niet worden overgenomen.
[141] (Franse) vertaling bij Badawi, o.c., pp. 449-451.
[142] Uitvoerige
parafrase en beknopte bespreking bij Badawi, o.c., pp. 456-477. Wel is
op naam van al-Kindî ook een aforismenverzameling bewaard, onder de
titel Gezegdes van Sokrates. Cf. Fakhry (1970), p. 112 n. 118.
[143] Cf. het bekende werk van Boëthius.
[145] Waar Aristoteles, in zijn tekst, een onderscheid maakte tussen
twee categorieën van mensen: de "theoretici" en de "praktici", heeft
al-Kindî het over het tweevoudige bestreven van éénzelfde persoon: de
"filosoof".
[146] Of
zoals de Grieken zelf het sedert Sokrates noemden: een bíos
philósophos.
[147] Cf. wat hoger, § 2.2., aangestipt werd, over al-Kindî's geloof in
de "vooruitgang van de kennis".
[148] Ahlâq
is het meervoud van khuluq, dat zoveel betekent als
"aangeboren dispositie, karakter" en gebruikt werd als vertaling
voor het Griekse begrip "èthos".
[149] Cf.
supra, § 2.2., het citaat uit zijn Eerste Filosofie, waarin de
convergentie tussen filosofische en profetische ethiek uitdrukkelijk
wordt verkondigd.
[150] Zie Walzer (1960), p. 327.
[151] Ca
129 - ca 199 nK. Naar zijn eigen zeggen,
schreef Galenos niet minder dan 23 teksten op het gebied van de
moraalfilosofie; hiervan zijn er slechts een tweetal in oorspronkelijke
versie bewaard: namelijk "Over het erkennen van je eigen passies", en
"Over het erkennen van je eigen gebreken" (een samenvatting van
dit laatste in al-Râzî's "̣tibb al-rụhânî", pp. 36-37 Arberry). Zie
hierover Walzer (1962b).
[152] Walzer
(1960), p. 328. De bewaarde tekst is, behalve door M.Arkoun, ook
vertaald door C.K.Zurayk, onder de titel: The Refinement of Character
(Beirut 1968).
[153] In
het Grieks: gnomai, vandaar de uitdrukking "gnomische
literatuur".
[154] Cf. bv.
pseudo-pythagorische teksten als de Pinax van Kebes, de Oikonomikos van Brusoon, de
Gouden Verzen van Puthagoras,
e.a. Voor vertaalde illustraties, zie Rosenthal (1975).
[155] Zie
Peters (1968), pp. 120-129 ("Doxographies and Gnomonologies").
[156] Het
woord "̣hikma", en verwanten, heeft een bijzonder rijke semantiek.
Zie de korte bespreking ervan in Jolivet (1991), pp. 42-44, die aanstipt
dat men er schematisch drie connotaties kan in onderscheiden: een
religieuze, een intellectuele en een praktische. Wat de religieuze
betreft: "Al-̣hakîm" is één van de goddelijke namen die meer dan 90
maal in de Qur'ân voorkomt. Die Qur'ân wordt zelf al-kitâb al-̣hakîm
genoemd, in zoverre de inhoud ervan de drie aspecten in zich verenigt.
[157] Overgeleverd
door al-Taẉhîdî. Citaat bij Jolivet (1991), p. 55. Net zoals het Griekse
sophía, kon het Arabische ̣hikma ook gebruikt worden voor
het gehéél van filosofische theoretische én praktische kennis. Cf.
al-Kindî's definitie, in zijn Risâla Over definities, van
"wijsheid" als: "deugd van het intellectuele (vermogen) die
bestaat in de wetenschap van de universele zaken in hun waarheid en in
het passend gebruik van de waarheden". Over het belang en de functie
van "l'idée de la sagesse", in de Arabische filofosie, zie
Jolivet (1991).
[158] "Al-̣hikmat
al-̣hâlida", zoals de titel luidt van een aforismenverzameling van
Miskawayh. Zie Jolivet (1991), p. 48.
[159] "Les
recueils arabes ont leur propre mode de composition", Jolivet, o.c.,
p. 48 n. 69. Voor een beknopte bespreking zie ook Peters, l.c. Voor
enkele tekstuele voorbeelden (in Engelse vertaling), zie Rosenthal
(1975), p. 118v.
[160] Vgl.
bv. de beroemde "̣siwân al-̣hikma", toegeschreven aan al-Sijistânî
en bewaard in een aantal samenvattingen. Het werk bracht (o.m.) een
dubbele "geschiedenis van de Griekse filosofie". In de eerste ervan
worden een twaalftal filosofen kort gepresenteerd: Thales, Anaximander,
Anaximenes, Anaxagoras, Archelaos, Puthagoras, Herakleitos, Epikouros,
Empedokles, Sokrates en Platoon, Aristoteles, Zenoon. Hierna volgt een
reeks notities over vijf ervan, als "wijzen": Empedokles,
Puthagoras, Sokrates, Platoon en Aristoteles. Een derde subdeel,
tenslotte, handelt over meningsverschillen tussen de eerste vier, inzake
de goddelijke attributen van het Ware en de Wijsheid en inzake de
schepping, en de manier waarop Aristoteles die beslecht had. Ook het tweede
deel vertrekt van Thales en brengt "des centaines et des centaines
d'aphorismes". Zie Jolivet, o.c., pp. 55-61.
[161] Jolivet,
o.c., p. 61 en 63. Ibid., pp. 64-65: "...Certes la philosophie a
réussi à s'installer, avec les maîtres grecs, dans l'univers culturel et
spirituel de l'Islam...; mais dans la partie qu'elle a jouée en ces deux
siècles [9e et 10e s.], elle a perdu une bonne partie de sa mise: en
s'identifiant à une sagesse déjà là depuis toujours elle oublia sa
raison d'être qui est d'inventer" (Jolivet maakt wel een
uitzondering voor al-Fârâbî).
[162] Jolivet, o.c., p. 31.
[163] Cf. de
monografie van I.Alon, Socrates in Medieval Arabic Literature
(Leiden 1991).
[164] De
woorden zijn opgenomen in de al vermelde "̣siwân al-̣hikma", zoals
gezegd, één van de beroemdste voorbeelden van "aforistische
filosofie".
[165] In de
Italiaanse uitgave en vertaling ervan (H.Ritter & R.Walzer, Studi su
al-Kindî II: Uno scritto morale inedito di al-Kindî (Temistio
peri alupías),
Roma 1938), argumenteert Walzer, daarom, dat al-Kindî's Arabische tekst
weinig meer zou zijn dan een reproductie van een verloren diatribe van
Themistios (4de eeuw nK). Badawi, evenwel, die er ook op andere plaatsen
blijk van geeft dat hij Walzers "bloed zou kunnen drinken", wijst
Walzers thesis met groot sarcasme af (ook de uitgave en vertaling als
zodanig worden door hem weggehoond: hij heeft in een tekst van 17
gedrukte bladzijden niet minder dan "ongeveer 200 fouten"
ontdekt). Zie Badawi (1972), II, pp. 456-7.
[166] Badawi's parafrase, o.c., p. 465.
[167] Fakhry
(1970), p. 112. Fakhry heeft de tekst vertaald en besproken in:
Al-Kindî and Socrates, in: al-Aḅhâth, 12 (1963), pp. 28v.
|