1. Inleiding.
1.1.
Actualiteit.
Vanuit religieus-historisch
zowel als vanuit filosofisch oogpunt, moet de theologische beweging die
bekend staat onder de naam van "Muctazila"(1), gewaardeerd worden als
één van de belangrijkste (zo al niet als
dé belangrijkste) theoretische ontwikkelingen binnen de
klassieke islam. Als eerste volwaardige kalâmrichting
en gebaseerd op een verregaand (theologisch) rationalisme, heeft zij een diepgaande
invloed uitgeoefend op zowat alle latere theologische richtingen,
binnen het Soennisme maar ook, en zo mogelijk nog meer, binnen de
Shîca.
Wat meer is, na een aantal eeuwen van
marginalisering, of alleszins van systematische miskenning ervan binnen
de orthodoxie, zijn de muctazilî-s
sedert het einde van de 19de eeuw a.h.w. herontdekt - namelijk in het
kader van de moderniserings- en vernieuwingsbewegingen in de
moslimwereld(2). In de moderne
literatuur is er, vandaar, een trend tot rehabilitatie van de muctazila
merkbaar - vooral onder Egyptische intellectuelen. Sommige
moslimhistorici aarzelen daarbij niet om de historische neergang van de
school - na het midden van de 9de eeuw werd zij geleidelijk aan in de
positie van "ketterij" gedrongen; in de gebieden waar zij als
onorthodox" ging gelden, werden de teksten vernietigd of alleszins niet
langer gekopieerd - te bestempelen als "the greatest
misfortune to have afflicted Muslims; they have committed a crime
against themselves"(3),
en tevens als "a victory of obscurantism"(4). Hedendaagse,
vernieuwingsgerichte moslimdenkers zien in de muctazila
daarom graag een symbool van intellectuele vrijheid en moderniteit - "sometimes
to an exaggerated extent" -, of hebben er alleszins, op een
kritische wijze, inspiratie in gevonden (5).
Ook de westerse oriëntalisten hebben
zich, al sedert de 19de eeuw, sterk aangetrokken gevoeld tot de muctazila:
met hun bevestiging van het primaat van de rede en de vrije wil lijken
ze immers veel dichter te staan bij de westerse visie dan de dominante
soennitische theologie van de latere tijden. Daarmee wordt echter voorbij gegaan
aan het feit dat zij "vele jaren lang... de staatsdoctrine
(verkondigden), en toen ze de kans kregen (niet aarzelden)... hun
tegenstanders te vervolgen" (Leezenberg 2008:82).
In alle geval, sedert een
halve eeuw is er een opvallende "boom" in de
publicaties m.b.t. de muctazila. Een belangrijke
gebeurtenis bij dit alles was de opzienbarende herontdekking in Jemen,
in de jaren '50, van een aantal oorspronkelijke muctazilitische
teksten(6). Zo is van de grote muctazilitische
"scholasticus", cAbd al-Jabbâr (gest.
1025), diens grote theologische summa
teruggevonden: de zogenaamde "Mughnî"(7) - althans 14 van de 20 boeken
ervan (recentelijk, mei 2006, wordt de vondst en publicatie
aangekondigd van nieuwe fragmenten).
Tot dan toe was men voor de studie van de muctazila
hoofdzakelijk aangewezen geweest op niet- of zelfs anti-muctazilitische
(en dus vaak erg tendentieuze), o.m. heresiografische bronnen(8). Ten gevolge van de nieuwe
gegevens en nieuwe studies zijn een aantal standaardwerken en
-beschrijvingen vandaag onvermijdelijk verouderd(9).
Anderzijds beschikken we nog niet over een nieuwe, omvattende studie
over de muctazila waarin de nieuwe inzichten
geïntegreerd zijn. We moeten het daarom in de eerste plaats
stellen met twee overzichtsartikelen: dat van J.Van Ess, in de Encyclopedia of Religion
(1987)(10), en dat van
D.Gimaret, in de Encyclopaedia
of Islam (1992).
De muctazila-kalâm,
als de eerste systematische moslimtheologie, wordt vooral gekenmerkt
door een verregaande "rationalistische" opstelling - zowel op het vlak
van de methode als op dat van mens- en wereldbeeld. Die
kwalificatie van "rationalisme", nochtans, moet
begrepen worden binnen de historische parameters ervan. Indien we dat niet doen en onder "rationalisme" iets verstaan als
de volledige suprematie van de rede (whatever that may be!)
dan moeten we, met B. Arbrahamov, Islamic Theology, Traditionalism and Rationalism
(1998), concluderen dat er in het kader van de
eigenlijke, islamitische theologie van een "zuiver
rationalisme" geen sprake was. Zoals reeds werd aangehaald in onze inleiding (3) over de islamitische theologie:
wie de rede als énige gezaghebbende
bron van kennis voor de mens beschouwde, of evolueerde naar een
dergelijke, kritische positie (zoals effectief het geval was met een aantal muctazilieten),
plaatste zich als "ongelovige" (kâfir) buiten de
moslimgemeenschap, of werd als zodanig beschouwd (cf. takfîr,
of excommunicatie). Weliswaar dient dit standpunt nu, in een bespreking van de muctazila, wat genuanceerd te worden:
het feit, immers, dat een aantal muctazilieten inderdaad een dergelijke evolutie doormaakten, leert ons wel degelijk iets over
de intellectuele oriëntatie van deze denkrichting.
In wat volgt, willen we daarom enige preciseringen en nuanceringen
aanbrengen bij wat we eerder gezegd hebben - in de al vermelde Inleiding (3) - over de genese en ontwikkeling
van de kalâm, binnen het geheel van de
zogenaamde "religieuze wetenschappen". Tevens
moeten we kort even ingaan op de verhouding tussen kalâm
en falsafa, met name op de vraag of, en in in welke
mate, we die verhouding mogen begrijpen als een verhouding tussen
"theologie" en "filosofie".
1.2.
Rationalisme.
Het
gebruik van
de rede (caql) - binnen de
context van het islamitische, theologische denken wordt traditioneel
geassocieerd met de directe receptie en studie van de Griekse filosofie
door de mutakallimûn(10bis).
Zo koppelde bv. reeds de heresiograaf,
al-Shahrastânî (gest. 1153), in zijn
belangrijke werk, "Kitâb al-milal wa 'l-nịhal"
("Boek van de Religies en de Sekten"), de ontwikkeling van de
muctazila uitdrukkelijk aan hun lectuur van de
Griekse filosofen; o.m. in de volgende passus (11):
"Later, vervolgens, lazen de muctazilitische
meesters de werken van de filosofen, toen zij ten tijde van
al-Ma'mûn toegankelijk werden. Met de methodes die (aan die
werken) eigen waren, combineerden zij de methodes (eigen) aan de kalâm;
ze maakten er een bijzondere categorie van wetenschap van, waaraan ze
de naam gaven van
kalâm
('woord'); hetzij omdat de meest prominente kwestie die hen deed
spreken en disputeren, de kwestie was van het (goddelijke) Woord, en
men (vervolgens) die naam aan het (gehele) genre gaf; hetzij om een
tegenhanger te vormen voor de filosofen, die aan een particuliere
categorie van hun wetenschap de naam hebben gegeven van maṇtiq
('logica'): welnu
maṇtiq en kalâm
zijn synoniemen".
Ook de joodse filosoof Maimonides (Arabische naam:
Ibn Maymûn, 1135-1204) - die een uitgesproken aversie had
jegens de mutakallimûn - schreef in zijn
"Gids van de Verdwaalden":
"Weet ook dat alle theorieën
die de mannen van de islam - zowel de muctazila
als de Ashcariyya - omtrent deze noties hebben
geformuleerd, opvattingen zijn die allemaal gebaseerd zijn op premissen
die overgenomen werden uit de boeken van de Grieken en de
Syriërs..."(12).
En de westerse oriëntalisten en filosofen
(te beginnen met Hegel) hebben deze visie lange tijd overgenomen. Toch
gaat het hier, in het algemeen, om een foutieve impressie. Zoals
W.M.Watt opmerkt(13), berust
zij,
(1) enerzijds, op de gewoonte van de Arabische
auteurs zelf om mensen in te delen in van elkaar onderscheiden, zo al
niet antagonistische, categorieën of "sekten": bv. de
beoefenaars van de "religieuze wetenschappen"
versus die van de "rationele/vreemde wetenschappen";
en binnen die "religieuze wetenschappen" zelf: de mutakallimûn,
of theologen, versus de fuqahâ',
of
juristen;
(2) anderzijds op de betrekkelijke verwaarlozing
precies van die islamitische fiqh, of
rechtswetenschap, door de westerse oriëntalisten en historici.
Het rationalisme, inderdaad, van de muctazila,
maar ook van de kalâm in het algemeen,
is in de allereerste plaats een product van de ontwikkeling van
rationele argumentatie- en interpretatiemethodes binnen de vroege
rechtsleer en jurisprudentie, in toepassing van de principes van racy
(i.e. het persoonlijke, gefundeerde oordeel) en de ijtihâd
(het persoonlijke onderzoek, de persoonlijke reflectie)(14). De aantrekkingskracht, nadien,
voor de mutakallimûn van de Griekse filosofische concepten en
argumentatiemethodes was te danken aan het feit dat ze reeds vertrouwd
waren met de argumentatievormen binnen de fiqh.
Maar die nauwe verbondenheid met het "juridische" denken was ook
inhoudelijk belangrijk. Zoals we verder nog zullen vaststellen, bv., op
het vlak van hun atomistische ontologie en hun mensvisie, geven de
mutakallimûn veeleer blijk van een "juridische",
dan van een "metafysische" benadering (ze vertrekken, anders gezegd,
van de menselijke verplichtingen t.a.v. God).
De muctazila-theologie,
zoals Van Ess opmerkt(15),
heeft zeker geparticipeerd in het proces van hellenisering van het
Arabisch-islamitische denken, dat van start ging in de 8de eeuw. Toch
moeten we ons hoeden voor een (zeg maar: eurocentrische) simplistische
voorstelling van zaken die geen recht doet aan de eigen inbreng en
specificiteit van dat denken. De toonaangevende denkers in de periode
van de muctazila-suprematie (einde 8ste, eerste
helft 9de eeuw), zoals Abû'l-Hudhayl (gest. ca 840) en
al-Nazzâm (gest. 836), ontwikkelden hun systemen op een
moment dat de vertaling van de Griekse teksten wel degelijk al was
aangevat(16). Ook Griekse
filosofische termen en concepten waren al "fysiek" aanwezig: ze werden
gebruikt door hun tijdgenoot al-Kindî, bijgenaamd "de
filosoof van de Arabieren" en waarvan geweten is dat hij
nauwe banden onderhield precies met de muctazila(17). In de teksten en
theorieën, nochtans, van die eerste
mutakallimûn is dat (aristotelische) conceptuele
apparaat - bv. de abstracte noties van "zijn" (huwiyya),
"essentie" (dât), "quidditeit"
(mâhîya),
"existentie" (mawjûd), e.a. - opvallend
àfwezig. In de opinie van R.M. Frank mag die afwezigheid
niet als een toevalligheid worden afgedaan, wel integendeel(18). Z.i. gaat het om een bewuste
weigering, die uitdrukking hielp geven aan een specifieke, zeg maar:
"islamitische" werkelijkheidservaring(19);
zij zou later ook nog voor de "Griekse" falâsifa
belangrijk zijn(20).
Volledigheidshalve nochtans moet opgemerkt worden
dat die "oorspronkelijke", islamitische, of althans "koranieke"(21), achtergrond zélf
voor een deel het product was van wat elders werd omschreven als de "diffuse",
of indirecte weg van hellenisering van het Nabije Oosten (sedert
Alexander) - in onderscheid met de "geleerde", of
directe weg, die gedragen zou worden door de vertalingsbeweging(22). Wanneer bv. bij
al-Nazzâm duidelijke sporen merkbaar lijken van
stoïcijnse beïnvloeding(23),
dan moeten we niet op zoek gaan naar de eventuele (vertaalde) antieke
teksten die hij zou gelezen hebben. Zijn kennis ervan zal veeleer de
vrucht geweest zijn van contacten met o.m. de volgelingen van
Bardesanes (de gnostische sekte van de zogenaamde al-d(a)ỵsâniyya) of
met de manicheërs - allebei zeer actief in de
Khurâsân. Vanzelfsprekend zijn ook de disputaties
tussen moslims en Syrische christelijke theologen zeer belangrijk
geweest voor deze "diffuse" overdracht(24).
Ook wanneer sommige, latere muctazilieten
belangstelling laten blijken voor de aristotelische filosofie - bv.
Abû al-Husayn al-Basrî (gest. 1044) -, dan nemen ze
noch op het gebied van de logica noch op dat van de metafysica de
aristotelische basiscategorieën over.
1.3. Taal
& Logica.
De vraag naar
een meer precieze plaatsbepaling van (ontstaan en natuur van) het
Arabisch-islamitisch rationalisme heeft ook een belangrijk linguïstisch aspect.
De eigen structuren, m.a.w., en de grammatica van de Arabische taal
hebben in de organische ontwikkeling van dat rationalisme een
belangrijke, formatieve rol gespeeld(25)
- zowel op het meer formele vlak van de gehanteerde argumentatievormen,
of "logica", als op het meer inhoudelijke van de analyse en oplossing
van filosofisch-theologische problemen.
Wat het eerste betreft, zoals al aangestipt werd
in IsT(26), is de logica die we
aan het werk zien, in de vroege fiqh zowel als in
de kalâm van de zogenaamde "via
antiqua", een uitgesproken "dialectische"
logica of rationaliteit, gebaseerd op de
niet-aristotelische(27)
principes van analogie
en polariteit. Het gaat m.a.w. om een denken en
argumenteren dat niét bemiddeld wordt door een abstracte en
universele "derde term" - zoals klassiek geformaliseerd in de
aristotelische syllogistiek(28)
-, maar om een denken dat van het singuliere naar het
singuliere gaat, d.w.z.
-- van het gelijke naar het
gelijke/tegengestelde;
-- van meer naar minder;
-- van minder naar meer.
In deze zogenaamde
tweetermenlogica volgt
de bekomen zekerheid niet uit een universele middenterm(29), maar uit een soort van
gezagsargument en evidentie, namelijk een onweerlegbaar feit, dat
geconstateerd wordt. Dit is het zogenaamde principe van shâhid ("aanwezig")
en ġâ'ib ("afwezig"):
uit de aanwezigheid ((shuhûd) van een "getuige"
wordt een gevolgtrekking (istidlâl)
gemaakt m.b.t. wat "afwezig" is.
We vinden dat principe bv. toegepast in de
argumentatievorm van de "analogie" (qiyâs)
- die voor het eerst in dwingende regels werd vastgelegd door de jurist
al-Shâfîcî (30). Het uitgangspunt voor het
gebruik ervan in de jurisprudentie was de overtuiging dat elk gebod of
verbod van God "om een reden" gebeurde: die reden
was dus de "oorzaak of het "motief" (cilla,
macnâ) en was als zodanig
van meer algemene aard dan het particuliere voorschrift dat in de
openbaring geformuleerd was. Wanneer de rechtsgeleerde bijgevolg
geconfronteerd werd met een geval dat niet uitdrukkelijk voorzien was
in enige koranieke soera, maar een gelijkenis vertoonde
met een geval dat wél vermeld was, mocht hij concluderen dat
het eerstgenoemde, hoewel niet vermeld, toch onder dezelfde bepaling
viel, namelijk om reden van hetzelfde "motief"(31).
In de handboeken werden, in het kader van deze
dialectische istidlâl, vijf types van
argumentatie of "bewijzen" (adilla) aangeleerd(32). Ze berustten alle op het
procédé van herleiding van het singuliere naar
het singuliere (gelijk/tegengesteld), zonder de abstractie van een
universele middenterm(33).
Welnu, deze "oorspronkelijke", Arabische
dialectiek van het denken staat in nauw verband met een dialectiek van
de (Arabische) taal.
In een korte noot(34)
wees reeds Louis Massignon op het grote belang van de "ambivalentie"
van de Arabische woordwortels. Louis Gardet(35) herneemt die opmerking -
weliswaar met de bedenking dat wellicht de term "bipolariteit"
te verkiezen is. Het gaat hierbij, zo schrijft hij, om
"l'éclosion, dans le concret
vécu ou pensé, d'oppositions constitutives,
constamment et focalement maintenues, et saisies comme un tout
indissociable"(36).
Ter illustratie weidt Gardet uit over drie, voor
het Arabisch typische fenomenen, die al intensief bestudeerd werden
door de middeleeuwse grammatici(37).
Ik geef hier een heel beknopte samenvatting.
(1) Het
lexicografisch fenomeen van de
"didd" (mv.
addâd), of: de dialectiek van
tegenstelling binnen
één woord. Het betreft hier dus een
ambivalentie die wordt opgeroepen door eenzelfde woord. Het is
inderdaad karakteristiek voor de Arabische taal dat woorden,
respectievelijk woordwortels, twee diametraal tegengestelde
betekenissen in zich kunnen dragen.
Bv. het woord "câdil"
denoteert zowel de "rechtvaardige", die ieder het
zijne geeft, als de "onrechtvaardige", die van het
recht pad afwijkt(38); "jawn"
betekent tegelijk "zwart" en "wit";
"wajd" denoteert tegelijk "droefheid"
en "vreugde"; de wortel *HRM,
die staat voor "sacraal", betekent zowel "intiem,
eigen" als voor "verboden, ontoegankelijk",
enz.
Let wel, we staan hier niet voor een banale
homonymie, maar voor een intrinsieke antonymie. De
"psychologische" mogelijkheid voor dit morfologisch fenomeen van de "didd"
berust op het dialectisch besef dat tegengestelden elkaar
tegelijkertijd oproepen én uitsluiten;
dat ze dus, in plaats van elkaar te vernietigen of uit te schakelen,
zoals vereist volgens het aristotelische principe van de
niet-tegenstrijdigheid ("óf A, óf niet-A"),
elkaar juist wederzijds verklaren en bepalen, en dus mogelijk maken
(vergelijk met Herakleitos van Efeze).
Het Arabisch-islamitisch denken zal, van hieruit,
op tal van domeinen te werk gaan b.m.v. contrasten die tegelijkertijd
gejuxtaposeerd én met elkaar verenigd worden(39). Dat vormt ongetwijfeld
één van de redenen voor wat, vanuit westerse
stereotypen, vaak begrepen of bestempeld wordt als morele
"ambivalentie", in de zin van: wispelturigheid, grilligheid en, dus,
onbetrouwbaarheid, van de "Arabische geest". Bovenal resulteerde het in
een typische wijze van uiteenzetting, in fiqh
én kalâm(40):
"en droit et en théologie,
le mode
d'exposition est fréquent qui entrechoque les opinions
opposées. Procédé dialectique sans
doute, mais
où la synthèse est donnée
déjà,
à l'intérieur d'un même mot, dans un
va-et-vient
instantané (et premier) entre deux notions qui ne
s'abstraient
jamais totalement l'une de l'autre".
Anders gezegd, ook wannéér
bv. "jawn" binnen een bepaalde context "zwart"
betekent, dan blijft het toch óók, "en
surimposition", bij de native speaker de
betekenis van "wit" evoqueren.
(2) Een dialectiek
van het ene naar het àndere woord, maar met zelfde wortel,
doet zich voor met de
"tadmîn", d.w.z.
nieuwvorming door "involutie"(41).
Eén modus hiervan berust op het voor
het Arabisch typisch invoegen, in de (drieletter)wortel, van zogenaamde
"infixen": de wortel wordt aldus
gediversifieerd, zonder dat de fundamentele eenheid uit het oog wordt
verloren. Deze linguïstische techniek was zeer geliefd in het
soefisme, ten einde enige, talige greep te krijgen op de
fluïditeit van de verschillende spirituele "staten"
(ạhwâl)(42).
Een andere modus van tadmîn
vormt het aanwenden van een letterlijke betekenis als symbool van een
nieuwe werkelijkheid (eventueel in combinatie met de aan de tadmîn
complementaire én tegengestelde beweging van tahrîj,
"extractie"). Een voorbeeld hiervan vormt het
procédé van de
majâz (gewoonlijk
vertaald met
"metafoor"), d.w.z. de transfert of overgang van het
"gelijke" naar het "gelijke", maar op twee verschillende niveau's van
concrete werkelijkheid: meestal van concreet-zintuiglijk naar
concreet-spiritueel(43). Zo
dienden de antropomorfismen in de Qur'ân volgens de muctazila
"metaforisch" te worden geïnterpreteerd: bv. Gods handen als
Zijn zegen; Gods oog als Zijn kennis; Gods zijde als Zijn bevel; Gods
gelaat als Zijn wezenheid, enz.
Er is hierbij geen sprake van een echte, zelfs
maar implicite, abstractie. Een vereenzelviging met de Griekse metaphorà
lijkt derhalve niet op zijn plaats: een Griekse
metafoor veronderstelt immers een geometrische proportie, d.w.z.
"a:b=b:c", en dus, minstens impliciet, een redenering met 3 termen;
m.a.w. ze vertrekt van, of voert naar een "abstract idee"(44).
(3) De zogenaamde
"muqâbala": twee
woorden van verschillende wortel staan in een dialectische relatie tot
elkaar, namelijk van zowel "correspondentie" als "oppositie". De twee
woorden, anders gezegd, zijn tegengesteld van betekenis, maar
desondanks roepen ze elkaar wederzijds op. Zoals Gardet het formuleert(45):
"Rares sont les mots de la langue arabe
qui, d'une façon ou de l'autre, n'ont pas leur
'corrélatif d'opposition', qui donc s'oppose à
eux, mais comme un vis-à-vis, antagoniste
peut-être, mais dont ils ne peuvent se passer. Comme si toute
notion, tout concept était mis face à un miroir
qui, au lieu de lui renvoyer sa propre image, reflète cela
même qui le nie".
Als een bijzonder suggestief geval van "antithese"
(mutâbaqa, of tibâq),
of van wat Gardet omschrijft als een "'mise en regard'
comparative", verschijnt de muqâbal
a.h.w. als "un raisonnement en raccourci"; ze is
daarom nog het meest sprekend voorbeeld van de dialectiek van de
Arabische taal (die onmiddellijk verwijst naar een dialectiek van het
denken). Enkele voorbeelden:
-- in het soefisme, het koppel al-fanâ'/al-baqâ':
fanâ' staat voor "vernietiging,
uitdoving, enz."; baqâ' voor
het tegendeel, namelijk "bestendiging, voortbestaan".
Voor de soefi is er géén baqâ',
sc. in God, zonder eerdere fanâ', sc. van
het zelf; en de fanâ' gebeurt maar in
functie van, en met het oog op de baqâ'(46);
-- nog in het soefisme, het koppel al-qaḅd/al-baṣt,
"samentrekking"/"openbloeiing", sc. van het hart(47);
-- het al eerder vermelde koppel van ġayba/shâhid,
i.e. van "afwezigheid" en (testimoniale)
"tegenwoordigheid".
Belangrijk hierbij is dat geen van de twee termen,
bij een muqâbal, niet alleen niet kan
begrépen worden, onafhankelijk van de andere, maar zelfs
niet kan opgeroepen worden zonder het correlaat.
Een voorbeeld van het gebruik van een muqâbal
als argumentatievorm is te vinden bij de ashcaritische
theoloog al-Bâqillâni
(gest. 1013): de atomistische discontinuïteit van het
geschapene "bewijst" z.i. de absolute transcendentie en subsistentie
van God, als enige "agent", en wel in de mate dat dit laatste de muqâbal,
het "tegengestelde correlatief" is van het eerste;
deze twee feiten, die zich aan de geest presenteren in
één enkele intellectuele begripsact, kunnen enkel
samen bevestigd of samen ontkend worden(48).
Samenvattend, kan dus gezegd worden dat het vatten
van een abstract idee, in het Arabisch, oorspronkelijk niét
middels een formele abstractie gebeurde, maar via verwijzing naar een
particulier feit (gebeurtenis of tekst), dat als autoriteitsargument
werd beschouwd. Om Gardet het laatste woord te laten(49):
"Tant que l'influence
hellénistique ne s'exerça pas à plein,
l'idée abstraite s'affirme en négation de son
contraire plus qu'elle n'affirme un constitutif formel. Elle se
dégage donc par la négation de son contraire, qui
à son tour la nie. Et c'est le jeu des négations,
saisi en une suite alternative de discontinuités
immédiates, qui met sous le regard de la raison non tant une
idée ou un concept pris en lui-même que les deux
pôles contrastés d'une
réalité plus foncière".
1.4.
Taal en Filosofie.
Maar het (Arabische)
taalgegeven was niet enkel van belang op het formele vlak van de
argumentatievormen, of logica; ook op het meer inhoudelijke van de
filosofische en theologische analyse liet het zich gelden. Het contrast
met de situatie in het Grieks kan dat verduidelijken.
Zoals bekend, is Aristoteles' logica in de eerste
plaats gebaseerd op een welbepaalde, propositionele structuur, namelijk
die van de, voor het Grieks typische propositie, "S is P" (S=
subject, P= predikaat, is=
koppelwerkwoord)(50). Anders
gezegd, de logica is gebaseerd op oordelen van attributie, die de "inherentie" uitdrukken
van het predikaat in het onderwerp; zoals in het Latijn gezegd wordt:
"omne predicatum inest subiecto". De propositie construeert
derhalve een relatie tussen twee begrippen: hetzij een
"essentiële"(51),
hetzij een "accidentele"(52).
Die inherentie van het predikaat in het onderwerp wordt gerealiseerd
door het
koppelwerkwoord (copula). In het
Grieks is dat "esti"(53),
een werkwoord (infinitief: eînai) dat -
en dat zou filosofisch heel belangrijk zijn - ook àndere,
syntactische en semantische functies vervult (namelijk "bestaan",
"er zijn", "het geval zijn", en "waar
zijn")(54).
Het
Arabisch, daarentegen, heeft géén
dergelijk koppelwerkwoord in de strikte zin van het woord. In de
zogenaamde nominale zin, wordt de verbinding tussen onderwerp (mubtada')(55) en predikaat (habar)(56) aangeduid door het naast elkaar
plaatsen van de twee woorden in de nominatieve naamval: bv. "Zaydun
câdilun", "Zayd (is)
rechtvaardig" - wat dus op zich een tijdloze uitspraak vormt.
Weliswaar kunnen woordjes worden toegevoegd, waardoor dezelfde
attributie wordt geconstrueerd - zij het eventueel met een verandering
van naamval. Bv. het partikel "inna", dat zoveel
betekent als "waarlijk, inderdaad", plaatst het
onderwerp in de accusatief (!) en het complement in de nominatief.
Maar interessant is vooral het werkwoordje "kâna",
dat zoveel betekent als: "hij/zij
was" (57). Wanneer
op zich gebruikt wordt (dus als "volledig werkwoord"),
drukt kâna uit dat iets zich voordoet,
het geval is of bestaat(58).
Gecombineerd met een predikaat (dus als "onvolledig
werkwoord"), fungeert kâna als
een "koppelwerkwoord". Opvallend echter hierbij is dat het predikaat
dan niét in de nominatief staat (i.e. de naamval van het
onderwerp), maar in de accusatief,
i.e. in de naamval van het lijdend voorwerp(59). Kâna
(+ predikaat), daarom, drukt niet zozeer de inherentie uit van een
attribuut in een onderwerp (en dus: een relatie tussen twee begrippen),
als wel de grammaticale categorie van de zogenaamde "̣hâl",
d.w.z. de "staat" (zijnswijze, modus) waarin het
onderwerp zich op dat ogenblik bevindt. Dat kan vergeleken worden met
het gebruik van de accusatieve ̣hâl bij
werkwoorden van handeling, waarmee dan de omstandigheid of de toestand
wordt aangegeven onder dewelke de handeling van het werkwoord plaats
vindt; een dergelijke accusatieve ̣hâl is
bijna altijd een actief deelwoord of participium(60).
Twee algemene opmerkingen hierbij:
(1) de Arabische grammatici werkten, wat de
nominale zin betreft(61), met
een visie op de zin die niét gesteld was in termen van "S
is P", d.w.z. van een relatie tussen een "subject" en een
"predikaat", maar in die van een relatie tussen de inchoatieve mubtada(62), als het gegeven dat bekend
is aan spreker én toehoorder, en de habar,
als het (aan de toehoorder nog onbekende) "verhaal"
dat door de spreker over het voorwerp ervan wordt meegedeeld. De
taalvisie die op deze basis ontwikkeld werd, stond veel dichter bij de
oude,
stoïcijnse theorie dan bij de aristotelische: ze
was toegespitst, niet op zelfstandige termen/begrippen, maar op
uitspraken(63).
(2) De falâsifa,
bij hun vertaling en overname van Aristoteles' logica, werden verplicht
in het Arabisch taalgebruik een equivalent te vinden voor het Griekse
koppelwerkwoord; tegelijkertijd diende dat equivalent ook de
àndere (metafysische) functies van het Griekse werkwoord (einai,
"zijn") waar te maken. Aangezien het Arabisch niet beschikt
over één, multifunctionele woordgroep, maar het
integendeel voor "zijn" in de betekenis van
"existeren" een àndere woordgroep gebruikt (de
wortel WJ̣d) dan voor het predicatieve zijn ("essentie"),
waren de keuzes die de falâsifa maakten,
onvermijdelijk in mindere of meerdere mate arbitrair, zo al niet
afwijkend van de beschrijving van de natuurlijke taal door de grammatici(64). Hoe dan ook,
één van deze keuzes, die hierboven nog niet
vermeld werd, was het persoonlijke voornaamwoord huwa
("hij, het"; vrouwelijk: hiya). Daarmee
werd in feite een
identiteitsrelatie uitgedrukt tussen het onderwerp en de
nominale beschrijving. In sommige gevallen is het gebruik ervan tussen
onderwerp en complement vereist om te beletten dat het complement een
gewone bijstelling zou worden, zodat de zin alsnog een habar
nodig heeft: bv. "cAllâhu l-khâliq"
betekent slechts "God de
Schepper", terwijl "cAllâhu
huwa l-khâliq"
een volledige zin is, namelijk "God
hij (is) de Schepper". Ander voorbeeld: "Zaydun
huwa câlimun", "Zayd hij (is)
geleerd". Op basis van dit gebruik heeft Hunayn ibn
Ishâq, in zijn vertaling van Aristoteles, Metaphysica,
7, het Griekse "to on" ("het zijnde"
of "wat is",
met zijn verschillende, door Aristoteles onderscheiden betekenissen)
vertaald met "al-huwiyya"(65).
1.5. Grammatica en Theologie.
Wat de filosofische toepassingen betreft, in de kalâm,
van de grammaticale categorieën van het Arabisch, kan ter
illustratie verwezen worden naar de muctazilitische
oplossingen voor het centrale, theologische probleem van Gods "attributen"(66). De
mutakallimûn vertrokken inderdaad van de
categorieën van de Arabische grammatica (al-nạhw), zoals zij, in
het kader van de islamitische "religieuze wetenschappen",
door de eigentijdse grammatici werden beschreven(67).
Die grammaticale categorieën en termen -
hoewel verscheidene ervan mogelijk ontleend werden aan de "Griekse"
grammatica(68) -,
corresponderen toch niet exact met die van de westerse of indo-europese
talen. Dat is bv. het geval voor de driedeling van uitspraken(69): namelijk in werkwoord (ficl),
ism ("naam", mv. asmâ')
en partikel (̣harf)(70)
Maar "ism" dekt niet echt
(het Latijnse) "nomen",
in de westerse grammatica's: het omvat behalve naamwoorden o.m. ook het
werkwoordelijk substantief (mạsdar)(71), het deelwoord of participium
(voltooid en onvoltooid) en het "attribuut" (̣sifa),
i.e. het adjectief of het deelwoord met bijvoeglijke betekenis. De
theologen onderscheidden tussen het ism en het ̣sifa
door te stellen dat het ism naar God verwijst in
zoverre hij een bepaalde hoedanigheid bezit: bv. de Machtige, de
Wetende; het attribuut, daartegenover, is de entiteit in de essentie
van God, die je het recht geeft te zeggen dat Hij machtig of wetend is:
namelijk de Macht, de Kennis(72).
Overeenkomstig het fundamentele principe van de taẉhîd
(73), of
de absolute eenheid van God, zagen de muctazilî
zich voor het probleem gesteld van de relatie tussen God en diens
attributen. Vooreerst moesten huns inziens alle antropomorfismen in de
Qur'ân radicaal(74)
symbolisch geïnterpreteerd (ta'wîl),
desnoods zelfs ontkend worden(75).
In tweede orde verkondigden de mutakallimûn
van de eerste periode dat de "essentiële attributen"(76), zoals Leven, Kennis, Macht,
enz., géén zelfstandige entiteiten waren, maar
integendeel identiek waren met Gods essentie. Wat
anderzijds de zogenaamde "attributen van handeling"(77) betreft: willen, horen, zien,
spreken, enz., die Gods relatie-in-de-tijd met zijn schepping
beschreven, zij verschilden van God en waren
onderworpen aan verandering (zij ontstonden wanneer God handelde, en
hielden op te bestaan wanneer hij stopte met handelen). Vandaar dat de
Qur'ân, àls Gods "spreken",
inderdaad "geschapen" was in de tijd.
Deze leer stelde tal van theoretische problemen.
In de Qur'ân waren de attributen geformuleerd in de vorm van
zogenaamde asmâ', "namen"(78): "God (is) wetend",
"God (is) almachtig", enz. Ten einde de zogenaamde ̣sifât of attributen als
zodànig te denoteren, werden de betreffende zinnen
geherformuleerd in de vorm van: "God heeft kennis", "God
heeft macht", enz. Maar, zo was de moeilijkheid, hoe
kón dat zonder de attributen in kwestie daardoor te
reïficëren, en dùs te verzelfstandigen tot
een soort van hypostasen(79)?
En wanneer kennis bv. inderdaad (aan) God (identisch) was,
hoe kon dat attribuut dan onderscheiden worden van
bv. Gods macht, of van diens overige attributen? De oplossing van deze
problemen nam daarom een belangrijke plaats in in de theoretische
arbeid van de muctazilî.
Interessant, nu, is de vaststelling dat, aangezien
het materiaal voor deze vragen werd gevormd door proposities in de
Openbaring, die vragen door de mutakallimûn
in de eerste plaats werden beantwoord m.b.v.
"de taalanalyse. De doctrine van de
attributen is niet gebaseerd op metafysica maar op grammatica. Om ze te
verstaan moeten we derhalve uitgaan van de Arabische taal en de
middeleeuwse grammaticale theorie"(80).
Ter illustratie volgt nu een korte beschrijving
van de
"conceptualistische" oplossing die werd ontwikkeld door Abû
Hâshim al-Jubbâ'î (gest.
933). Samen met zijn vader, Abû cAlî
al-Jubbâ'î (gest. 915), was Abû Hâshim de intellectuele
leider van de tweede, of klassieke periode van de zogenaamde 'Basra-school' van de muctazila(81).
Zoals al-Sîrâfî (zie hieronder, § 1.6), ging ook hij de confrontatie
aan met de filosoof Mattâ b. Yûnus wat het statuut van de logica
betreft. In Baghdâd vormden zijn volgelingen de zgn. "hâshimiyya".
Terwijl zijn vader zich grotendeels aansloot bij
het traditionele, muctazilitische standpunt(82), ontwikkelde Abû
Hâshim inzake de attributen problematiek een nieuwe oplossing, die ook bij een
aantal ashcaritische theologen succes zou kennen(83). Hij deed daartoe een beroep op
het grammaticale concept van de
"̣hâl"
(84),
zoals dat al eerder ontwikkeld en geanalyseerd was door de grammatici
van Basra.
Teruggrijpend, vooreerst, naar de oorspronkelijke,
koranieke proposities, introduceerde Abû Hâshim
daarin het koppelwerkwoord, met behulp van "kâna":
d.w.z. de nominale zin "Allahu câlimun",
"God (is) wetend", bv., werd herschreven als
"Kâna Allâhu câliman",
"God ís wetend" - let op de plaats van het werkwoord vooraan
(zoals
in een verbale zin) en de nu accusatieve vorm van het predikaat. Het
koppelwerkwoord werd dan begrepen als een "volledig
werkwoord", zodat het ook existentiële betekenis
kreeg: namelijk "God is". D.w.z. Gods bestaan of
werkelijkheid was nu expliciet uitgesproken. Het deelwoord, "wetend",
dat dus nu in de accusatief was geplaatst, fungeerde niet langer als
een "predikaat", maar als een "̣hâl":
d.w.z. als een "staat" of toestand van het
onderwerp, in plaats van als een attribuut(85);
als zodanig viel het nochtans niét zonder meer samen met de
essentie van het subject(86). Het resultaat was dat het attribuut niet langer
het statuut had van een essentiële entiteit(87),
in de strikte zin van het woord.
Enerzijds gold het niet meer als een
object dat geïsoleerd, of op zich, kon gekend worden; gekend
was veeleer de entiteit waarvàn het een attribuut was, namelijk àls erdoor gekwalificeerd:
"Zo dus, hoewel geen apart kenobject en
bijgevolg niet 'gekend' (macluma) in de strikte
zin van deze term, wordt het attribuut of de staat desalniettemin gevat
en begrepen in zoverre men weet dat een ding er specifiek door
gekwalificeerd wordt"(88).
Zoals Abû Hâshim het zelf
formuleerde:
"Aangezien het waar is dat (God) in
zijn kennend-zijn een staat heeft, is de kennis dat hij kennend is, een
kennis van de entiteit zelf [i.e. van het onderwerp als] in deze staat,
veeleer dan een kennis van de akt van het kennen of van de entiteit
[kennis] zelf"(89).
Anderzijds, aangezien het attribuut, of de "staat",
géén entiteit was, kon er nóch van
gezegd worden dat het "bestaand" (mawjûda)
was, nóch dat het "onbestaand" was,
aangezien die predikaten slechts éigenlijk gebruikt worden
m.b.t. entiteiten. Tóch is het attribuut een ontologisch
reële perfectie, of "staat van zijn", van een entiteit; het
heeft actualiteit en men zegt ervan dat het "actueel"
(hậsila)
is - net zoals men ook, in voorkomend geval, kan spreken van de
niét-tegenwoordigheid, of niét-actualiteit ervan,
in een ding (wanneer iemand bv. "niet wijs is").
Algemeen gesproken, dus, moesten attributen als
Leven, Kennis, enz. begrepen worden, niét als
op-zich-staande hypostasen naast God(90),
maar louter in termen van Gods "levend-zijn"(91), Gods
"kennend-zijn"(92),
enz. En een zin als "huwa ̣hayy",
"hij (is) levend" drukte de actualiteit uit van het
attribuut, àls "staat".
Abû Hâshims "conceptualisme"(93) - de (grammaticale) ̣hâl
is de "staat" die in onze geest wordt gevestigd,
namelijk door de betekenis overeenkomstig waarmee het idee gerecipieerd
wordt, en hij is intermediair "tussen bestaan en
niet-bestaan"(94); en
de werkelijkheidsgraad van de goddelijke attributen wordt in deze
theorie gedefinieerd in overeenstemming met de werkelijkheidsgraad van
mentale concepten - is heel invloedrijk geweest, zowel t.o.v. de falsafa(95) als t.o.v. de latere
kalâm(96).
1.6.
Grammaticus versus Logicus.
De Arabische
grammatici en ("traditionele") geleerden waren zich, binnen zekere
limieten, terdege bewust van de samenhang tussen "logica" en "taal"
(meer bepaald: de gesproken taal en haar grammatica).
Dat blijkt uit een beroemde disputatie die a.h.w. van
overheidswege (namelijk aan het hof van de Buyiedenvizier Abû l-Fafl b. al-Furât)
in Baghdâd, in 932,
werd georganiseerd, precies over de respectievelijke merites van
Griekse logica (maṇtiq)
en Arabische grammatica (nạhw).
De gezaghebbende
(nestoriaanse) aristotelicus van Syrische afkomst, Abû
Bishr Mattâ' ibn Yûnus (gest. 940),
één van de leermeesters van
al-Fârâbî(97),
diende er zijn aanspraken te verdedigen, dat de (aristotelische)
logische wetenschap het onmisbare "instrument"(98) was voor het van elkaar
kunnen onderscheiden van waar en onwaar, goed en kwaad, rechtvaardig en
onrechtvaardig, enz. Hij werd van repliek gediend door Abû
Sacîd
al-Sîrâfî (893-979),
jurist, muctazilitisch theoloog, filoloog en grammaticus(99).
Een
'protocol' van de disputatie bleef bewaard in een werk van de hand van
de littérateur Abû
Hayyân al-Tawhîdî (ca 930-1020) (101).
Al-Tawhîdî baseerde zich enkel op notities afkomstig van het kamp
van al-Sîrâfî, maar was zelf geen vijand van de filosofie(102).
Het feit dat hij de
'zegepalm' ondubbelzinnig toewijst aan al-Sîrâfî, mag
daarom wellicht niet louter als
partijdigheid terzijde worden geschoven.
Het debat was, zoals gezegd, "officieel" en
openbaar. Het was niet louter "academisch" maar
nam het karakter aan van een soort van "Kulturkampf".
De twee opponenten, anders gezegd, traden aan als de kampioen van
respectievelijk de hellenisten en de anti-hellenisten, de "vreemde"
filosofie en de Arabisch-islamitische traditie, de (universele)
logica en de (particuliere) grammatica.
Ik vat de discussie summier en schematisch samen.
(1) Mattâ' start met het opzet van de
logica te omschrijven. Als een "werktuig" (âlah, Grieks:
organon) dat vergelijkbaar is met een
weegschaal, hebben we haar nodig om het "gezonde discours" (kalâm ̣sạhị̂h)
te
onderscheiden van het "zieke" (saqîm).
Sîrâfî repliceert dat voor wie Arabisch
spreekt, de kwaliteit van een uiteenzetting gekend wordt door de wetten
van de grammatica. Wat de weegschaal betreft, die leert ons wel wat
het zwaarste is van twee objecten, maar niét wat de natuur
is van wat gewogen wordt.
(2) Sîrâfî
verleidt de logicus ertoe, zijn voorzichtige claim, dat logica het
enige middel is om waar en onwaar van elkaar te helpen onderscheiden,
uit te breiden tot de meer ambitieuze stelling dat logica het enige
middel is om de waarheid te vinden.
Van een
controlemiddel wordt de logica daardoor een onderzoeksmethode, d.w.z.
wordt ze onmisbaar voor het succesvol verrichten van de operaties die
ze analyseert. De logicus wordt hierna door
Sîrâfî gemakkelijk in zijn hemd gezet,
want het is manifest absurd te claimen dat er nooit enige waarheid is
gevonden zonder (voorafgaande) studie van de logica.
(3) Verder, aldus
Sîrâfî, wanneer de logische wetenschap
niet enkel handelt over de kunst van de bewijsvoering, maar
óók betrekking heeft op dialectiek en op retorica
en poëtica(103), dan
zou de logicus even goed moeten uitmunten in poëzie,
welsprekendheidskunst en disputeerkunst als in bewijsvoering.
Mattâ', echter, is het levende bewijs van het tegendeel: zijn
kennis van het Arabisch is gebrekkig; zijn vertalingen van Griekse
teksten getuigen van zijn gebrek aan welsprekendheid en zijn
lamentabele "performance" op het gebied van
disputatie spreekt, hic et nunc, voor zich. En wat moeten we verwachten
van zijn demonstratieve capaciteiten? Gaan al zijn bewijzen misschien
"waarheden" produceren van het soort "één= drie",
zoals in het door hem aangehangen christelijke dogma van de
Drievuldigheid?
(4) Na deze ad hominem
argumenten, keert Sîrâfî terug naar zijn
basisstelling: namelijk de logica is de creatie van een
Griek, Aristoteles. Hij
heeft ze gecreëerd in overeenstemming met de taal van zijn volk, op basis van
de technische (grammaticale) terminologie die erop toegepast werd door
de (Griekse) grammatici, en op basis van zijn vertrouwdheid met de
typische eigenschappen van die taal. Welnu, hoe kan zij dan opgelegd
worden aan Turken, Indiërs, Perzen en Arabieren? In Margoliouths Engelse vertaling luidt de passus als volgt (p. 113):
"If Logic be the invention of a Greek
made in the Greek language and according to Greek conventions, and
according to the descriptions and symbols which Greeks understood,
whence does it follow that the Turks, Indians, Persians, and Arabs
should attend to it?"
Mattâ's repliek hierop luidt dat
logica te maken heeft, niet met natuurlijke talen, maar met
(universele) intelligibilia en ideeën: welnu, op dat niveau - d.w.z. op het
vlak van het denken - "zijn alle mensen gelijk"(104). Voor alle mensen is 2 + 2 =
4, en hetzelfde geld voor de regels van de logica.
(5) Sîrâfî
ontkent: die intelligibilia kunnen uitsluitend bereikt worden làngs de
taal, met haar naamwoorden, werkwoorden en partikels. De studie van de
logica propageren, bijgevolg, komt neer op het propageren van de studie
van de Griekse taal. Maar het volk dat die taal sprak, is verdwenen en
het Grieks kan enkel gekend worden door middel van vertalingen in het Syrisch, en vervolgens in het Arabisch.
Mattâ': die vertalingen bewaren de
intenties en ideeën.
Sîrâfî: de
vertalingen gemaakt door Mattâ' en zijn collega's zijn
slecht. Maar zelfs als ze beter waren, dan nog zouden ze nooit perfect
kunnen zijn. Ze zouden enkel perfect kunnen worden indien ze ophielden
vertalingen te zijn. Dus, in plaats van te proberen in het Arabisch te
zeggen wat Aristoteles in het Grieks heeft gezegd, zou een Arabisch
equivalent van Aristoteles' logica rekenschap moeten geven van de
betekenissen en uitdrukkingen van de Arabische taal, die corresponderen
met, maar totaal verschillend zijn van, Aristoteles' theorie van de
Griekse taal. Om nogmaals de Engelse vertaling te citeren (p. 115v. M.):
"If... you were to empty your mind of
other things and devote your attention to the study of the language in
which you are conversing and disputing with us, and instruct your
friends in words which the speakers of that language can understand,
and interpret the books of the Greeks in the style of those who know
that language, you would learn that you can dispense with the ideas of
the Greeks as well as you can dispense with the language of the Greeks".
(6) Sîrâfî: de
verdiensten en de superioriteit van de Grieken op het gebied van de
wetenschap mogen niet overdreven worden:
"de kennis van de
wereld is over heel de wereld verspreid, onder alle bewoners ervan".
In alle geval: "ook nà de logica van Aristoteles
is de wereld dezelfde gebleven als degene die ze tevoren was"(105).
(7) Sîrâfî pakt Mattâ' nog maar eens aan op zijn gebrekkige kennis van de
Arabische grammatica, door hem concreet te vragen de functies op te sommen van
de letter en het partikel waw (و).
Wanneer Mattâ' daar, door gebrek aan grammaticale kennis,
niet in slaagt, beschouwt Sîrâfî dat als
een bewijs dat Mattâ' niet bevoegd is om het Arabisch te
gebruiken(106).
Mattâ' repliceert hierop met te
stellen dat de logicus geen grammatica nodig heeft, daar waar de
grammaticus wél logica nodig heeft. Zoals het luidt in de
Engelse vertaling (p. 116 M.):
"This [sc. het probleem
van de waw] is Grammar, and of Grammar I
have made no study: for the Logician has no need of Grammar, whereas
the Grammarian does need Logic; since Logic inquires into the sense (macnâ),
whereas Grammar inquires into the sound laf̣z). Now the
sense is more
exalted than the sound and the sound humbler than the sense".
De rationele kern van deze opstelling wordt
gevormd door het idee van een "grammatica universalis",
dat op filosofen altijd een grote aantrekkingskracht heeft uitgeoefend(107), i.e. de visie dat de
onderliggende betekenis en gedachte van gelijk welke propositie in
een particuliere, "natuurlijke" taal universeel zijn en het onderwerp
vormen van een universele, speculatieve theorie, die dan de logica is.
Sîrâfî
argumenteert daartegenover dat de "betekenis" (macnâ),
niét kan gezocht worden buiten de grammatica van een
particuliere taal(108). In de
Engelse vertaling (p. 117 M.):
"Grammar, then, is Logic, only
abstracted from the Arabic language, and Logic is Grammar, only
rendered intelligible by language".
Het verschil tussen woord en betekenis is dat
het woord (als signifiërende klank: laf̣z)
een "natuurlijke werkelijkheid" is, die wordt
uitgewist door de tijd, terwijl de (gesignifieerde) betekenis een "mentale
werkelijkheid" is, die blijft bestaan doorheen de tijd. In
alle geval, Mattâ''s rhetorische bewering, dat de logicus
enkel "gedachten" bestudeert, en geen woorden, is weinig meer dan
ridicuul, aldus Sîrâfî (p. 121 M.):
"And why do you maintain that the
grammarian only studies the sound and not the sense, and that the
logician studies the sense and not the sound? - which might be true if
the logician kept silent and let his thoughts wander among ideas...".
Ook even verder laat
Sîrâfî zich sarcastisch uit over de
pretenties van de pro-helleense logici, wier kennis én van
het Grieks én van het Arabisch - zie maar hun vertalingen -
zonder meer lamentabel is(109)
(p. 122v. M.):
"They... interpreted a language in
which they are weak and of which their knowledge is imperfect into
another, in which they are also weak and of which their knowledge is
imperfect. This sort of translation they made into an art, and then
declared that the grammarians have to do only with words (laf̣z), not
with ideas (macnâ)!"
(8) Aan het einde bekritiseert
Sîrâfî de logici omdat ze niets anders
gedaan hebben dan "de mensen de stuipen op het lijf jagen"
met hun technisch jargon van: genus, species, differentia specifica,
attribuut, accidens, individu, enz., enz.,
en vooral met hun neologismen op -iyya.
Hij bespot de "magische" formules van het
syllogisme en concludeert(110):
"All of this is nonsense, trifles
[beuzelarijen], incomprehensible and confused propositions. Anyone
possessing fine intelligence, good discernment and refined insight, can
do without it altogether".
1.7.
"Theologie" en "Filosofie".
In het kader van het moderne wetenschapsbegrip
wordt regelmatig een fundamenteel, formeel onderscheid gemaakt tussen "filosofie"
en "theologie". Theologie, aldus de definitie van
J.Bochenski(111), is
"een studie waarin, samen met andere
axioma's, tenminste één zin geassumeerd wordt,
die tot een gegeven geloof behoort, en die niet geponeerd wordt door
personen die niet behoren tot de gelovigen van een gegeven religie".
Waarbij dient opgemerkt dat dit onderscheid
niét berust op enige assumptie, of oordeel, betreffende de
cognitieve waarde van een religieus geloof. Veeleer resulteert het,
simpelweg, uit de erkenning van religieuze ervaring en religieuze taal
als verschillend van de alledaagse of profane ervaring en taal. M.a.w. "religie"
presenteert - correcter: pretendeert te representeren - een bijzonder
domein van ervaring en taal, dat volledig verschillend is van het
domein van de dagelijkse ervaring en het profane taalgebruik.
Daarop berust het begrip van het "religieuze
taalgebruik", of discours: het onthult (construeert) bij
middel van symbolische taal een zijnsdimensie die niét
toegankelijk is voor de "profane" rationaliteit. En "theologie"
is van daaruit te begrijpen als de (poging tot) rationalisering van die
"religieuze" ervaring en taal; en als
zodanig vormt zij een theoretische wetenschap sui generis.
Belangrijk, voor ons, is dat voor de middeleeuwse
mutakallimûn én falâsifa
er géén sprake was van een dergelijk, formeel
onderscheid tussen kalâm en
falsafa. Zo erkénden en aanvaardden de (meeste) falâsifa
het fenomeen van de profetische inspiratie (al-wạhy)
en de bovenaardse oorsprong ervan in een op zich staand (kosmisch)
Intellect, en aanvaardden en erkenden zij de waarheidswaarde van de
profetische openbaring(112).
Dat verklaart waarom zij door de mutakallimûn
als een religieuze, weliswaar "ketterse", sekte
werden beschouwd.
Weliswaar was, in de ogen van de falâsifa,
de kalâm typisch
geassocieerd met de geïnstitutionaliseerde religie (al-milla).
Ze had immers als specifieke functie, een particulier soort van
rationele expositie en
justificatie te produceren van de profetische teksten die
gezaghebbend waren in de samenleving. Nochtans, àls
een soort van rationeel discours was de kalâm
niet essentieel onderscheiden van het filosofisch discours (anders
gezegd: van de metafysica van de falâsifa)
louter omdat ze op een of andere manier gebonden was aan de symbolische
taal van de Openbaring. Wàt
kalâm
onderscheidde van falsafa, in de ogen van de falâsifa,
was dat de theologische rationalisering van het profetische discours
slechts het argumentatieve niveau bereikte van de dialectiek (jadal),
en dus niét de demonstratieve of wetenschappelijke kennis
realiseerde, die sedert Aristoteles eigen was aan de filosofie.
Hoe historisch belangrijk het realiseren van dit
onderscheid ook was, het ging niét om de conceptie van
religie als de weergave van een bijzondere zijnsdimensie. De falâsifa
waren in staat om, zonder innerlijke tegenstrijdigheid, aanspraak te
maken op de rol van scheidsrechter en autoriteit t.a.v. de
waarheidsaanspraken van het religieuze taalgebruik, en de
geldigheidsvoorwaarden te bepalen voor een correct religieus discours
als zodanig(113).
Maar ook in het zelfbegrip van de mutakallimûn
bestond er geen echt onderscheid tussen "theologie" en "filosofie", en
dat in contrast met de christelijke conceptie.
Illustratief voor deze laatste is het augustinisch motief van het "fides
quaerens intellectum", "geloof op zoek naar intellectueel inzicht":
dat proces ging van start vanuit de "duisterheid"
van het geloof, ten einde tot rationele "verheldering"
te komen, althans binnen de limieten gesteld door de aard van het
onderwerp(114). In de islam,
daarentegen, geldt het geloof (al-îmân)
in de eerste plaats als een "instemming" (tạsdîq)
met de boodschap van de Profeet; en om geldig te zijn, moet deze
instemming, althans in principe, gebaseerd zijn op een correcte,
verstandelijke conclusie, en dus op kennis. Het argumenteren gaat
m.a.w. vooraf aan geloven in de zin van zich "overgeven"
of "toevertrouwen" (islâm),
en wel als een fundering en voorwaarde voor dit laatste. Dat betekende
evenwel niet dat in de praktijk per se iederéén
bij machte moest zijn om zijn of haar geloofsopvattingen rationeel te
onderbouwen (cf. het principe van taqlîd, of
"navolging", dat gold voor de
minder-onderlegde gelovige).
Zowel de muctazila als de
orthodoxe ashcarîya gingen er
bijgevolg vanuit dat de hoofddoctrines van de islam rationeel
aantoonbaar en verstaanbaar waren, vanuit universeel aanvaardbare
assumpties en principes(115).
Volgens sommige autoriteiten was het zelfs pas nadàt
de gelovige was gekomen tot een rationele instemming met, en een
verstandelijk begrip van de waarheid van de profetische verkondiging,
dat hij de confrontatie kon aangaan met aspecten van die verkondiging
die het strikt rationele te boven gingen, zoals bv. de heropstanding(116). De algemene verklaring voor
dergelijke opstelling moet gezocht worden in het feit dat de
Qur'ân géén mysteries verkondigt die,
vergelijkbaar met de christelijke (de Drievuldigheid, de Incarnatie en
christologie, de Kerk, de sacramenten...), waarlijk bovennatuurlijk zijn(117). Weliswaar is er het voor de
mens onpeilbare mysterie van de goddelijke transcendentie en
uniciteit, maar althans de waarheid ervan moet en kan afgeleid worden
uit de "tekens" (ayât)
aanwezig in de natuur. Vandaar de talloze
voorbeelden en bewijzen die de Qur'ân aanhaalt uit de
natuurlijke werkelijkheid en de geschiedenis.
De kalâm als zodanig
kan daarom fundamenteel rationalistisch worden genoemd. Zoals Anawati
het formuleert in het Engels(118):
"in
practice it denies the possibility of access to an order of
supernatural mysteries. For its clearest representatives, who are not
necessarily always the most religious, Muslim theology is essentially a
superior metaphysical system to which are added in an incidental
manner, a few positive notions relating to matters of cult, which are
revealed by God in the Qurân".
De naam zelf van de wetenschap, "(cilm)
al-kalâm", is betekenisvol. In onderscheid met een
échte "naam", heeft het woord "kalâm"
hier inderdaad ook een beschrijvende waarde(119).
"Kalâm" is een mạsdar,
d.w.z. het werkwoordelijk
substantief van "takallama/yatakallamu",
dat als fundamentele betekenis heeft: "op een intelligente,
begrijpelijke manier spreken". "Kalâm"
kon daarom gebruikt worden als een synoniem voor "al-nạzar",
in de zin van een "denken, (be)redeneren" dat tot bewezen
kennis leidt(120). "Al-kalâm"
kon dus gebruikt worden met de betekenis van "formeel/speculatief/theoretisch
redeneren", en "cilm
al-kalâm" voor zoveel als "de
speculatieve" of "rationele wetenschap"(121); de "mutakallim"
was, strikt genomen, de "redeneerder".
Tegelijkertijd, nochtans, gold "al-kalâm"
ook als een synoniem voor "al-jadal", "dialectiek",
of "al-munậzara"
(cf. nạzar),
in de formele betekenis van een scholastische of academische "disputatio",
niet enkel over theologische problemen, maar ook over onderwerpen uit
de grammatica en de fiqh (die geen theoretische
wetenschappen zijn). Vandaar Franks conclusie(122):
"Al-kalâm, then, as the
dialectical disputation of the schools (and so most, if not all, of the
purely controversial writings of the mutakallimîn) is to be
recognised as an activity that is formally distinct and was
thematically distinguished from that of rational speculation".
De mutakallimûn,
zoals gezegd, maakten geen formeel onderscheid tussen "theologie" en
"filosofie". In de klassieke handboeken over de zogenaamde "ụsûl al-dîn"
("wortels van het geloof") kunnen we
gewoonlijk eenzelfde basisschema aan het werk zien (weliswaar met
variaties)(123):
1. Over wetenschap (al-cilm)
en theoretisch redeneren (al-nạzar);
2. 1. Bewijs van het bestaan van de Schepper;
2. 2. De attributen van de Schepper;
3. 1. Gods bestuur over de wereld en het
ontologisch statuut van de menselijke handelingen;
3. 2. Profetie en de Profeten;
3. 3. Kwesties m.b.t. de profetische Openbaring;
3.3.1. Het Hiernamaals;
3.3.2. De status van individuen en de
maatschappelijke ordening.
Welnu, als we abstractie maken van het eventuele,
al te nadrukkelijke religieuze jargon, valt het niet moeilijk dat
schema filosofisch te interpreteren, in overeenstemming met het schema
van de metafysische traktaten van de falâsifa:
Afdeling 1: brengt een epistemologische
inleiding over kennis (cilm)(124) en argumentatie, ten einde de
principes vast te leggen van de wetenschappelijke, of rationele
argumentatie. De "theologische" auteur maakt daarmee de claim dat de
erna volgende, metafysische uiteenzettingen volledig "filosofisch"
zullen zijn: d.w.z. alle axioma's en assumpties die zullen gehanteerd
worden, zullen gevalideerd worden op louter rationele gronden (d.w.z.
niet op grond van de autoriteit van openbaringsteksten).
Afdeling 2: staat a.h.w. voor de "Eerste
Filosofie", d.w.z. handelt over de wijzen van zijn en de
fundamentele zijnsklassen: de eeuwige/noodzakelijke versus de
tijdelijke/contingente; zij is dus integraal metafysisch van aard.
Afdeling 3: handelt over het lot van de
menselijke ziel, antropologie, ethiek, politiek, e.d.; algemeen: over
de relatie van het menselijke bestaan tot de goddelijke Eerste Oorzaak(125).
Tenslotte, zo betoogt Frank, hoewel de mutakallimûn
(vanzelfsprekend) niet vertrouwd waren met het moderne begrip, kan hun
werk, in de praktijk, wel degelijk ook geapprecieerd worden als "theologie"
in de moderne zin van het woord(126).
De "intentionaliteit" ervan, inderdaad, is
essentieel theologisch, d.w.z.
"the primary function of kalâm
- its end and its activity - is to rationalise the basic beliefs of the
Muslims as they are given in the Koran and the Sunna and are present in
the way these are read and understood by orthodox believers. What is
required is that these beliefs be conceptualised, ordered, explained
and, if possible, justified, since in their primary givenness within
the community they are presented in symbolic language, are not formally
ordered to one another, and are received as meaningful and true without
explanation or rational justification"(127).
Dat geldt zowel voor de muctazilitische
als voor de ashcaritische kalâm.
De muctazila, weliswaar, wordt gekenmerkt door
een nog fundamenteler rationalisme: de Openbaring geldt hierbij niet
als de énige bron van ware kennis en inzicht m.b.t. de zin
van het menselijke bestaan, maar veeleer als een complementaire gids.
Illustratief zijn de synoniemen voor de benaming
van de discipline, namelijk cilm
ụsûl al-dîn ("wetenschap van
de wortels van het
geloof") en cilm
al-taẉhîd, letterlijk "wetenschap van de
Eenheid (van God)", maar het betreft in feite de fundamenten
van het moslimgeloof in zijn geheel. We mogen dus stellen dat de kalâm
"theologisch is in de volle zin van het
woord, namelijk het gebruik van theoretische reflectie voor het
rationaliseren en verklaren van de cognitieve inhoud van de symbolische
taal van de religie en de natuur van de openbaring, alsook (van) haar
werking binnen het individu en haar plaats en functie binnen de
gemeenschap"(128).
De kalâm, als een
"theologie" in de volle zin van het woord, mag dus wel degelijk
gewaardeerd worden als de fundamentele wetenschap van de islamreligie -
ook al genoot ze in de maatschappelijke realiteit zelden of nooit van
de erbij horende status (zie IsT, kap. 2).
2. Historiek.
2.1.
Inleiding: 1ste (7de) en 2de (8ste) eeuw.
Zoals elders al aangegeven(129),
kwamen de eerste "theologische"(130)
discussies binnen de islam op gang in nauwe samenhang met de politieke
en maatschappelijke ontwikkelingen na de dood van de Profeet.
We moeten ons hierbij hoeden voor de - meer mythische dan
historische - schema's die door de latere "orthodoxieën" en
heresiografieën op die vormingsjaren geprojecteerd werden. Bij
Muhammads dood was in feite nog niets beslist; alle historische opties,
ook wat de religieuze doctrines betreft, lagen in feite nog open(131).
De beginnende islam heeft
m.a.w. een gelijkaardig proces doorgemaakt van "trial and
error"
als andere religies (denken we in de eerste plaats
aan de aanvangseeuwen van het christendom). Alleen, in het geval van de
islam was dat proces nog complexer, in de mate namelijk dat, met de
veroveringsoorlogen, de volgelingen ervan op korte tijd verspreid
geraakten over verschillende, uitgestrekte cultuurgebieden van de oude
wereld en er zich als heersende bovenlaag vestigden bovenop oude
bevolkingslagen(132). In de
aanvangsperiode zien we daarom tal van afzonderlijke,
provinciale, theologische ontwikkelingen, die pas achteraf
geïntegreerd zouden worden in een meer algemeen en
gemeenschappelijk moslimbewustzijn. Iets gelijkaardig gold ook voor de
maatschappelijke tegenpool. Het ideologische concept van de "umma
(van de gelovigen)", dat ook vandaag
nog grote betekenis heeft(133),
beantwoordde in de 1ste eeuw
nauwelijks aan enige realiteit: de sociale verbondenheid gold in
de eerste plaats de eigen (familiale en tribale) verwantschapsgroep(134). De "geboorte" van een
moslimtheologie zal m.a.w. tegelijkertijd de geboorte zijn van een
moslimsamenleving.
De historische wisselwerking tussen (prille)
theologie en (prille) maatschappij, die, op termijn, zou resulteren in
de vorming van een "orthodoxie"(135),
werd in eerste instantie bepaald door de succesvolle veroveringsoorlogen(136); in tweede instantie door de
zogenaamde eerste burgeroorlog (fitna)(137), die - hoeft het gezegd?
-zelf de uitdrukking was van dieperliggende (tribale, regionale, e.a.)
tegenstellingen, en de zogenaamde "oppositiepartijen"
(firaq) die daarbij vorm kregen. Als ideologische
keerzijde van die "politieke" en maatschappelijke confrontaties, kwam
men , in de verschillende culturele regio's - in de eerste plaats:
Syrië, Irak en Iran - tot "clusters"
van theologische posities. Zo bijvoorbeeld i.v.m. de relatie
tussen het geloof (îmân)
en de werken (acmâl):
kon of mocht de moslim (i.c. de Kalief) die een zware zonde had begaan,
nog
als "gelovige",
en dùs als lid van de gemeenschap, worden beschouwd? Idem
voor de relaties tussen Gods almacht en de menselijke
verantwoordelijkheid en vrijheid; tussen God en zijn attributen; het
statuut van de Qur'ân; het Imamaat, enz.(138)
Op deze "clusters" werden door
de traditie nadien een aantal namen "geplakt", die meestal in
pejoratieve zin
bedoeld waren. De aldus benoemde stromingen of bewegingen ("sekten")
hadden uiteenlopende provinciale of regionale zwaartepunten (139). Enkele ervan kwamen al ter
sprake in het inleidend hoofdstuk over Kalâm. Beklemtoond moet worden: (a) dat de muctazilî,
die traditioneel als "de eerste denkers van de islam"
zijn bestempeld(140), in deze
vroege periode (2de/8ste eeuw) een nog erg marginale positie
bekleedden, en (b) dat de missioneringsgeest waarmee groepen
hun
religieuze opvattingen over quasi de gehele dâr
al-islâm verbreidden, vooral gedragen werd door de
snel aangroeiende klasse van handelaars(141).
Met name de geschiedenis van de muctazila werd in
aanzienlijke mate bepaald door kooplui en langeafstandshandel.
Ziehier een heel schematisch overzicht:
(1) de (proto-) Shîca(142): het shîcisme
- maar eigenlijk moeten we zeggen: de shîcismes,
want de eenheid waarop de term in het enkelvoud doelt, heeft nooit
bestaan - had vooral in het Iraakse Kûfa een brede inplanting(143). De stroming die er de
overhand haalde, was die van zogenaamde "râfịda",
i.e. de verdedigers van de raf̣d,
"afwijzing", namelijk
van de
eerste twee kaliefen en van de meeste Gezellen van de Profeet(144).
(2) De Murji'a,
d.w.z. de aanhangers van de "irjâ", "opschorting",
sc. van het oordeel over zondige moslims, en dus
doorverwijzing ervan naar
God, op de dag van het Laatste Oordeel(145):
ze waren, behalve in Syrië, eveneens sterk aanwezig in
Kûfa, met als leidinggevende persoonlijkheid aldaar de
theoloog-jurist Abû Hanîfa (146). Maar ook in Basra waren er
murji'itische stromingen actief, namelijk zowel een qadaritische
(gevluchte volgelingen van Ghaylân van Damascus) als een
niet-qadaritische(147). Ook
Iran (vooral Khurâsân), met zijn traditie van
religieus pluralisme (mazdeïsme, mazdakisme,
manicheïsme, boeddhisme, sjamanisme, enz.) was erg
ontvankelijk voor het (tolerante) murji'isme(148).
(3) De Khârijiyya,
of de zogenaamde "derde partij", sc. tussen de
(latere)
soennitische meerderheid en de aanhangers van cAlî.
Zij namen t.a.v. "geloof-werken" het tegenovergestelde standpunt in van
de murji'a(149). Hoewel vandaag nog slechts
gering in aantal (minder dan een miljoen), speelden de hârijieten
een erg belangrijke
rol in de geschiedenis van de
(vroege) theologie en politieke theorie. Van de verschillende
subrichtingen hebben alleen de "Ibâdiyya"
de tand des tijds doorstaan(150).
Zij hadden oorspronkelijk hun basis in Basra, waar zij nauwe relaties
onderhielden met de qadaritische milieu's (Ibn Ibâd was
vermoedelijk qadariet), met Wâsil ibn cAtâ(151) en de vroege muctazila.
(4) De Jabriyya(152) of aanhangers van de "jabr",
of goddelijke dwang(153). Dit
geloof in de voorbeschiktheid sloot, behalve bij tal van verzen in de
Qur'ân, ook aan bij het traditionele "fatalisme" van de
woestijnnomaden, zoals dat al in de pre-islamitische poëzie
tot uitdrukking was gekomen(154).
Onder de Umayyaden (die hun machtsbasis in Syrië hadden) waren
het doorgaans verdedigers van het regime die dergelijke opvattingen
huldigden(155), terwijl de
vele geleerden die kritisch stonden t.o.v. de macht, naar een vorm van
qadarisme neigden. Na de machtsovername door de cAbbâsieden
verloor het geloof in de vrije wil een groot deel van zijn politieke
relevantie en werd de trend naar een vorm van predestinarianisme
geleidelijk aan opnieuw sterker, om uiteindelijk, in de ashcaritische
interpretatie ervan, tot de (soennitische) orthodoxie te
worden.
(5) De Jahmiyya,
genoemd naar de Iraanse neoplatonist, Jahm b.
Safwân(156).
Deze laatste had steun verleend aan een revolte tegen de Umayyaden, in
de Khurâsân, en werd in 746 geëxecuteerd.
De eerste berichten, nochtans, over de naar hem genoemde sekte dateren
van pas 70 jaar nà zijn dood. De aanhangers ervan zouden
o.m. een extreme vorm van jabrisme hebben voorgestaan: enkel in een
metaforische zin kon van mensen gezegd worden dat zij "handelden", net
zoals
ook van de zon, wanneer zij zogezegd "onderging",
slechts metaforisch kon gezegd worden dat ze "handelde"(157).
(6) De Qadariyya(158): met deze term, afgeleid van "qadar"
("vermogen"), werd traditioneel verwezen naar de vroege,
"ketterse sekte" van de aanhangers van de vrije wil. Het qadarisme, dat
nooit een homogene beweging heeft gevormd, was in de 8ste eeuw algemeen
verspreid in Syrië, waar het zich tot een 'politieke' tendens
ontpopte(159). Eén
van de vooraanstaande figuren die ermee verbonden wordt, was (de Kopt)
Ghaylân al-Dimashqî (d.w.z. van
Damascus):
aanvankelijk een regeringsfunctionaris en bevriend met verschillende
kaliefen, werd hij omwille van zijn 'politiek' programma (160) in 730 op last van kalief
Hishâm geëxecuteerd(161).
Ook in Basra waren qadaritische opvattingen oorspronkelijk algemeen
verspreid(162), maar in
onderscheid met het Syrische, was het Basrische qadarisme veeleer
theologisch van aard, namelijk vanuit het idee dat het niet
aanvaardbaar was, "het kwade toe te schrijven aan God"(163). De belangrijkste
persoonlijkheid hier was Hasan al-Basrî
(642-728)(164). Op basis van
diens (authentieke?) "Risâla" ("Brief")
aan de kalief(165),
ontwikkelde de gematigde qadariyya de positie dat God enkel het goede
schiep; het kwade kwam van de mens of van Satan; de mens koos vrijelijk
tussen het goede en het kwade, maar God wist vanuit de eterniteit,
wát de mens zou kiezen.
Volledigheidshalve moet er nog op gewezen worden
dat ook de benaming "qadariyya" in feite een
scheldnaam was, die door opponenten werd gehanteerd. Wat meer is,
wegens de dubbelzinnigheid van het woord "qadar" -
dat zowel kon gebruikt worden voor de almacht van God als voor het
menselijke vermogen tot zelfbepaling -, is de benaming van "qadarî"
klaarblijkelijk óók gebruikt door de voorstanders
van de vrije wil, als een scheldnaam voor... de deterministen (mujbira) (166). Hoe dan ook, met het aan de
macht komen van de cAbbâsieden en de
doorbraak van de muctazila, zou de naam
geleidelijk aan uitsterven (hij werd hoogstens nog gebruikt als een
synoniem voor muctazilî).
Het hoeft niet gezegd dat de informatie over deze
vroege stromingen - hun data, locaties,
vertegenwoordigers, stellingen, enz. -, informatie die vrijwel
uitsluitend afkomstig is van latere heresiografische, hetzij
apologetische hetzij polemische bronnen, met zeer grote omzichtigheid
moet benaderd worden(167). Het
is in alle geval duidelijk dat er nog geen sprake was van 'scholen',
maar hoogstens van tendensen. De posities i.v.m. de verschillende
theologische vraagstellingen konden daarbij nogal door elkaar lopen:
terwijl er bijvoorbeeld een duidelijke tegenstelling is tussen het
jahmitische
en het muctazilitische standpunt inzake
vrijheid/determinisme, en er in de latere literatuur tal van echo's
zijn van een felle polemiek tussen Jahm en Wâsil daaromtrent,
trokken beiden in een aantal àndere fundamentele kwesties
aan hetzélfde 'zeel': bijvoorbeeld wat het "geschapen-zijn"
van de Qur'ân en de attributen van God betreft(168).
2.2. De Muctazila.
Pas met de zogenaamde "muctazilî"
zou, op termijn, de theologische arbeid - in de hoger (sub §
1.7) vermelde zin van: het rationaliseren, ordenen en
justifiëren van de geloofspunten - op een systematische leest
worden geschoeid, en werden, bijgevolg, de fundamenten gelegd van een cilm
al-kalâm, of theologische wetenschap.
Als theologische 'school', weliswaar, werd de muctazila
gekenmerkt door een opvallende mate van doctrinale verscheidenheid,
zeker in de hegemonische periode (tot midden 9de eeuw). Desalniettemin,
deelden de leden ervan in een "common spirit"(169), namelijk die van een
principieel rationalisme, op het vlak van de methodologie (argumentatie
en interpretatie) zowel als op dat van de theologie, metafysica en
ethiek. De grondslag van dat rationalisme vormde de concordantie tussen
rede en religieuze Wet(170).
Het muctazilitisch geloof in de menselijke rede
vinden we literair uitgedrukt in een kort gedicht "Op de Rede", van
de
hand van Bishr b. Al-Muctamir
(gest. 825), stichter van de school van Baghdâd. In
Bouamranes Franse vertaling, luidt het als volgt(171):
"Que la raison est magnifique comme
exploratrice
"et comme compagne dans le mal et dans le bien,
"comme juge qui décide sur ce qui est absent et se
"prononce sur une cause actuelle".
De (zeker niet lineaire) ontwikkeling van de muctazila
tot een hegemonische, theologische school moet gesitueerd worden binnen
de cultureel-historische context van
(1) de omvorming
van de islam, in de oude cultuurlanden van het Midden-Oosten (van
Syrië tot de Indus), van een minderheids- naar een
meerderheidsgodsdienst, en
(2) de start van
een systematische, "directe" receptie van de (teksten
van de) Griekse
filosofie en wetenschap.
De politieke voorwaarde ervoor was de
vestiging van de cAbbâsidische
dynastie (al-cAbbâsîyah: zij voerden hun afstamming terug tot
al-cAbbâs, Muhammads oom langs vaderszijde) en de stichting van hun nieuwe hoofdstad, Baghdâd,
"de Stad van de Vrede" (madîna as-salâm), vanaf 750.
Onder de cultuurpolitieke stimulans van het cabbâsidische
hof aldaar - het centrum van een voortaan als een "wereldrijk"
geconcipieerde moslimgemeenschap(172)
- gaven de muctazilî-s aan het
moslimgeloof de vereiste argumentatieve en rationele bovenbouw opdat
het daadwerkelijk een 'wereldreligie' kon worden(173).
De meer concrete, 'culturele' voorwaarde daartoe
was de vestiging van een 'officiële' - want door de heersers
en de leidende kringen (viziers) aangemoedigde, zo al niet
georganiseerde - disputatiecultuur.
Woordvoerders van de verschillende religieuze
gezindten: moslims, mazdeërs, manicheërs en andere
dualisten, joden, nestorianen, monofysieten, enz., traden er met elkaar
in verbale confrontatie (majlis of munậzara) rond allerlei onderwerpen. Beroemd werden de
debatten die georganiseerd werden door de Perzische vizierdynastie van
de Barmakieden, bovenal door Yahyâ b. KHâlid
al-Barmakî, wazîr van
Hârun al-Râshîd(174).
Ook kalief al-Ma'mûn
was 'verslaafd' aan deze debatcultuur. Een bekend voorbeeld ervan was
de disputatie (munậzara)
die in 805 tussen 13 geleerden werd georganiseerd over de definitie van
de liefde.
Deze regelmatige confrontaties gaven de
moslimintellectuelen vanzelfsprekend alle gelegenheid om hun dialectische
vaardigheid (jadal) te ontwikkelen en aan te
scherpen.
Meer in het bijzonder de muctazilî zetten dialectische technieken en
procedures en etiquetteregels op punt (samen: de adab al-jadal), die iemand in staat moesten
stellen bewijzen te construeren en tegenstanders te overtuigen, of, ten
minste, hen in logische moeilijkheden te brengen. Als zodanig golden
zij als dé "mutakallimûn", "redeneerders",
bij uitstek(175). Een
voortrekkersrol werd ook hierin bovenal gespeeld door Abû'l-Hudhayl
(ca 752-841): niet alleen legde hij de grondslag van de muctazilitische
wereldvisie(176), maar hij was
ook beroemd om zijn grote polemische gaven(177).
Hij heeft in dat verband een aantal discussieregels opgesteld(178):
** bij de aanvang van het debat dienen 4 vragen
gesteld aan de opponent (die zich vooraf akkoord moet verklaren om een debat of
disputatie aan te gaan):
(1) waaruit
bestaat zijn thesis?
(2) op welke
bewijzen berust ze?
(3) welk
dieperliggende reden ligt eraan ten
grondslag?
(4) hoe wordt
die reden gedemonstreerd?
** Vervolgens geeft hij aan hoe je het aan boord
moet leggen om je opponent te weerleggen: je moet hem zichzelf doen
tegenspreken; de discussie verplaatsen, tonen dat de opponent zijn doel
niet bereikt en aldus over hem triomferen. Wie discussieert moet zich
nochtans ten doel stellen de waarheid te bereiken en blijk geven van
intellectuele integriteit; hij moet zich inspannen om de juiste
betekenis van de vraag te preciseren en vermijden principes of
argumenten te
gebruiken die door de andere niet aanvaard worden (bijvoorbeeld door
een
beroep te doen op
Muhammads profetie).
** Tenslotte formuleert hij 3
procédé's van bewijsvoering:
(1) oorzaak en
gevolg met elkaar verbinden;
(2) de thesis
weerleggen b.m.v. haar tegengestelde
en er de noodzakelijkheid van ontkennen;
(3) de eigen
theorie bevestigen m.b.v. een
doctrine die door de tegenstander aanvaard wordt.
Abû'l-Hudhayl geeft de volgende
formulering van het principe van de niet-tegenstrijdigheid:
"het is
absoluut onmogelijk te aanvaarden
dat iemand weet dat een lichaam bestaat en dat hij, terzelfder tijd, niét weet dat
het bestaat"(179).
Bouamrane citeert als toepassing van deze muctazilitische
jadal de discussie, in aanwezigheid van
kalief al-Ma'mûn, tussen de muctaziliet
Thumâma b. Ashras (gest. 828?) en een zekere Yahyâ
b. Al-Akthâm over de oorsprong van de menselijke handelingen(180). Thumâma brengt
zijn opponent in de problemen door hem te doen kiezen tussen 3
mogelijke posities:
(1) menselijke
handelingen zijn het werk van God
alleen;
(2) zij zijn het werk van God én de mensen;
(3) zij zijn het
werk van de mensen.
De keuze voor (1) schrijft aan God het kwade toe;
evenzo de keuze voor (2). Dus is (3) de enig juiste houding.
De muctazilî
waren natuurlijk niet de énigen die hun dialectische wapens
hadden kunnen scherpen, in de confrontaties met andersdenkenden (confrontaties
die vaak alles behalve sereen en volgens de hoffelijkheidsregels van
de adab al-mujâdal verliepen, o.m., maar niet uitsluitend,
wanneer de opponenten niet-moslims waren). Maar
behalve het feit dat ze knappe dialectiekers waren, hadden zij
nóg een belangrijk pluspunt: zij boden, ook inhoudelijk, een
rationeel concept aan van de islam.
Precies door zijn rationaliteit kon het de tegenstellingen tussen de
oudere theologisch-politieke tendensen (shîca,
murji'a, enz.) overstijgen, en dat gaf aan de muctazila
een brede aantrekkingskracht, tenminste onder de geletterden van
verschillende gezindten.
Tegelijkertijd bood het een veel meer attractieve vorm van islam - d.w.z. veel aantrekkelijker dan de traditionalistische islam, met zijn
voluntarisme en predestinarianisme, die later wel de orthodoxie zou
worden(181) - ten einde de
(geletterde) volgelingen van de oudere religies, zoals
mazdeïsme en manicheïsme, te kunnen overreden zich te
bekeren(182).
2.3.
Ontstaansperiode.
Het allereerste ontstaan van de muctazila
wordt traditioneel teruggevoerd tot de slotjaren van de Umayyaden, ca
740-750, en gesitueerd in de handelaarsmiddens in Irak, meer in het
bijzonder in de welvarende havenstad Basra. Maar onze informatie
daaromtrent is erg onbetrouwbaar, niet enkel wanneer ze afkomstig is
van de tegenstanders van de muctazila, maar ook
wanneer ze verstrekt wordt door de late muctazilî.
In een tijd waarin het traditionalistisch model het pleit gewonnen had,
zochten deze laatsten, om defensieve redenen, de wortels van hun
beweging zo ver als maar enigszins mogelijk was, terug te voeren in het
verleden(183).
Volgens Van Ess(184)
is het niet eens zeker of er wel, zoals alle bronnen willen, een
reële continuïteit was tussen de ontstaansfaze en de
eerste bloeiperiode (einde 8ste en eerste helft 9de eeuw). Alles wijst
erop dat zelfs de grote denkers van die eerste bloeiperiode geen
precieze kennis hadden, het zij van de oorsprong van de naam van hun
school, het zij van de "founding fathers". De
kloof werd nog vergroot doordat zij het oneens waren met een aantal
opvattingen die van de vorige generatie waren overgeleverd:
"under these circumstances we must
reckon with the possibility that they constructed a past which never
belonged to them or was only partially true"(185).
Het ontbreken van een historisch geheugen, binnen
de school, blijkt bovenal uit de vaststelling dat geen enkele (latere)
muctaziliet enige precieze informatie verstrekt
over de oorspronkelijke betekenis van de naam, "muctazila".
In latere bronnen duiken weliswaar een aantal verklaringen op, "but
all of them are secondary guesses and beside the point"(186). De basisvorm van de naam van
de school, namelijk "ictizâl",
verwijst alleszins naar een positie van
afzijdigheid, neutraliteit
t.o.v. de strijd tussen zich opponerende fracties. "Muctazilûn"
- "degenen die de ictizâl
toepassen" - betekent dan zoveel als: "degenen die
zich dissociëren, zich afzijdig houden,
géén partij kiezen". Als zodanig, was
de
term al gebruikt voor die Gezellen van de Profeet, die tijdens de fitna
noch de zijde van cAlî noch die van cUthmân
hadden willen kiezen. Mogelijk sloten de eerste muctazilî
zich bij die houding aan en dankten ook zij hun naam aan hun weigering
de zijde te kiezen van enige politieke partij in hun tijd(187).
Als "stichter" van de muctazila
geldt traditioneel Wâsil ibn cAtâ' (gest.
748/9), een Basrisch lakenhandelaar, en oorspronkelijk een volgeling van de 'qadariet', Hasan al-Basrî
(188). Hij zou nadien vervoegd
zijn door een andere volgeling van Hasan, cAmr
ibn cUbayd (gest. 761). Na diens
dood waren muctazila-activisten betrokken bij
een mislukte, shîcitische opstand, in
762, tegen de cabbâside kalief,
al-Mansûr. Ze werden vervolgd en doken onder; de meesten van
degenen die zich gecompromitteerd hadden, vluchtten naar Marokko. De
volgende 30 jaar blijft het dan stil rond de muctazilieten
in Basra(189).Volgens Van Ess,
had Wâsil - van wie vooral de gaven als hạtîb
("prediker/redenaar")
geprezen worden - vermoedelijk eerder de bedoeling een missionerende hervormingsbeweging
te lanceren - als antwoord op de maatschappelijke
crisis
tijdens de laatste jaren van de Umayyaden, en in een
context waarin de islam nog altijd een minderheidsgodsdienst was(190).
Op het doctrinale vlak hebben we over deze eerste
"muctazila" weinig betrouwbare informatie.
Waarschijnlijk waren hun thesissen in essentie dezelfde als degene die
al eerder courant waren in het Basrische qadariyya-milieu:
d.w.z. afwijzing van de predestinatie en bevestiging van de morele
verantwoordelijkheid van de mens. Maar terwijl Wâsil,
overeenkomstig de positie van Hasan, de ontkenning van de
voorbeschiktheid nog beperkt had tot het kwaad - God was wel degelijk
schepper van 's mensen "goede" daden -, kan men
bij "de tweede muctazilitische
'Kerkvader'"(191), cAmr,
een radicalisering van Hasans erfenis vaststellen: cAmr
wees óók de voorbeschiktheid af van het goede.
D.w.z. de mens, niét God, was z.i. zowel schepper van de
moreel goede als van de moreel slechte handelingen; keuze en
verantwoordelijkheid lagen dus volledig bij de mens(192).
Anderzijds was er het fameuze probleem van het
statuut van de
'zondigende moslim', waaromtrent reeds door Hasan een intermediaire
positie was ingenomen(193). Op
basis van de latere berichtgeving(194),
lijkt het vermoeden gerechtvaardigd, dat Wâsil weinig
méér heeft gedaan dan die positie van Hasan
- namelijk
nóch een ongelovige (kâfir),
zoals de khârijieten het stelden, nóch een
gelovige (mu'min), zoals de murji'ieten het
voorhielden, maar een "hypocriet" (munâfiq)
-
te preciseren: namelijk door
de koranieke uitdrukking "munâfiq" te
vervangen door de notie "fâsiq" (zondaar)(195): d.w.z. de misdadiger
blééf
lid van de umma, maar indien hij
géén berouw toonde, zou hij eeuwig "branden" in
de Hel. De naamgeving van Wâsils nieuwe beweging, namelijk "ictizâl",
lijkt daarom wel degelijk verband te houden met diens duidelijke keuze
voor een "tussenpositie" (manzila bayna l-manzilatayn,
letterlijk: "positie tussen de posities"), sc.
tussen de twee extreme posities van respectievelijk de
khârijieten en de murji'ieten(196).
2.4.
Bloeiperiodes.
In de meer recente literatuur werd afgestapt van
de
visie op de geschiedenis van de muctazila,
die jarenlang ingeburgerd was in de handboeken: namelijk dat na de
politiek-religieuze ommezwaai van kalief al-Mutawakkil, in 848, de rol
van de
muctazila als toonaangevende theologische
beweging volledig uitgespeeld was. In werkelijkheid, zo merkt
bijvoorbeeld
Gimaret op(197), betrof het
hier slechts de
afsluiting van een periode: namelijk van de periode van ca 30 jaar
waarin de muctazila de gunst had genoten van de cabbâsidische
kaliefen in Baghdâd. Die gunst hadden ze natuurlijk niet om
louter religieuze of theologische redenen genoten.
Aan het rationalisme van de muctazila
zaten er immers ook belangrijke maatschappelijke, zo al niet politieke
implicaties vast. Volgens M.Arkoun doet men er zelfs fout aan, het muctazilitische
systeem (sc. van de Vijf Principes) te blijven voorstellen als (louter)
een theologie (198):
"il est plus exact de parler de
l'idéologie d'une classe dirigeante dont le
succès s'est affirmé de 813 à 847...
Une axiomatique d'inspiration coranique visait à mettre la
Parole de Dieu à la portée de l'homme
cultivé en assurant à la raison une
capacité d'initiative et en favorisant
l'émergence d'une personne
responsable: tels sont, en effet, les traits de l'homme nouveau, cet adîb
(honnête homme) qui prend déjà une
place prépondérante dans la
société abbâside en pleine ascension...".
Alleen, die
humanistische accentuering ("accentuation
humaniste") van de goddelijke Boodschap verzwakte in even
sterke mate de bevestiging van de transcendentie van God en Zijn Woord.
Sociologisch, daarom, consacreerde het muctazilitische
discours, net als dat van de falâsifa, de
tegenstelling tussen elite en massa. Die massa vond daarom haar
woordvoerders in meesters als Ibn Hanbal, die gefolterd werd omdat hij
weigerde de muctazilitische stelling te
onderschrijven van de "geschapen
Qur'ân". Daarmee begon dan
een langdurige wedijver tussen de rationaliserende houding en het
traditionalisme(199).
Maar het impact van de ommezwaai in
Baghdâd op de muctazila moet
gerelativeerd worden: tijdens de voorbije halve eeuw had de school zich
immers weten in te planten in zowat alle regio's van het rijk, van de
Maghreb tot de Indus, maar meest van al nog in (westelijk) Iran, en
vooral in de steden gelegen op de grote handelsroutes. Maatregelen die
in Baghdâd werden genomen, hadden daar niet noodzakelijk een
groot effect. Onder de (shi'îtische) Buyieden, bovendien, 10de eeuw, was de muctazila
weerom dominant in Baghâd, weliswaar verdeeld in drie onderling
vijandige scholen. Het muctazilisme zou trouwens bij de
shi'ieten op bijval kunnen blijven rekenen. Het gaf ook
"een beslissende impuls aan de ontwikkeling van de joodse
kalam, die ook algemener veel te danken heeft aan het vertrouwen in
de rede en de dialectische stijl van redeneren die voor de
islamitische theologie kenmerkend zijn. De vroege joodse denker
Saadya Gaon (gest. 942/330) toont duidelijke affiniteit met de Moectazila..."
(Leezenberg, 2008:82).
Wanneer we afzien, daarom, van de (al met al erg
duistere) ontstaansperiode, kunnen in de intellectuele geschiedenis van
de muctazila twéé belangrijke
periodes worden onderscheiden:
(1) de
"hegemonische"
muctazila: i.e. vanaf het einde van de 8ste eeuw tot het midden van de 9de eeuw.
Na
de duistere periode, inderdaad, van ca 30 jaar, treden er tegen het
einde van de 8ste eeuw opnieuw een aantal opmerkelijke persoonlijkheden
op het voorplan, zoals Abû Bakr al-Asamm
(gest. 816?), en vooral Dirâr ibn cAmr
(ca 728-815), één van de meest oorspronkelijke
denkers van zijn tijd;
(2) de "klassieke"(200) of "scholastische"
(201) muctazila:
vanaf ongeveer het laatste kwart van de 9de eeuw tot het midden van de
11de eeuw(202). Terwijl de
eerste periode gekenmerkt was door "the extreme diversity of
people and of doctrines"(203),
was de tweede die van de systematisering van de doctrine, met de
uitbouw van echte "scholen" rond een min of meer coherent doctrinaal corpus dat met recht een "systeem" kon worden genoemd(204). De
belangrijkste twee scholen
werden respectievelijk genoemd: (a) "die van Basra"
(al-bạsriyyîn) en (b) "die van
Baghdâd" (al-baghdâdiyyîn).
Maar dat werden na verloop van tijd puur conventionele namen, die elke
associatie met een specifieke locatie verloren(205).
Volgens Gimaret, was niet zozeer de eerste, wat
hij noemt "heroïsche", als wel de tweede,
"klassieke" periode "the
Golden Age" van de muctazila. De
verhouding van de vertegenwoordigers van de eerste periode tot de meest
vooraanstaande denkers van de tweede, zoals de twee Jubbâ'î-s, laat zich z.i.
zelfs vergelijken met die van de zogenaamde Voorsokratici, in de
oudheid, tot Platoon en Aristoteles(206).
In de latere historiografie en heresiografie is
men de geschiedenis van de muctazila, volgens
een typisch procédé van de moslimhistoriografen,
gaan indelen in (een 12-tal) chronologische klassen of "generaties"
(̣tabaqâtc)(207).
Ten einde mijn bespreking toch minimaal overzichtelijk te houden,
beperk ik me, in wat volgt, tot de namen van althans de meest markante
figuren, die ook aan bod zullen komen bij de meer inhoudelijke
bespreking.
2.4.1. Eerste Periode:
(a) de al vermelde Dirâr
ibn cAmr (ca 728-815): was, in
tegenstelling tot de meeste vroege muctazilieten,
van zuiver Arabische "stock"; afkomstig uit
Kûfa en van beroep qậdî,
werd hij leerling van Wâsil en won hij prestige met zijn
onderwijs in Basra; na 786 trok hij naar Baghdâd en trad toe
tot de intellectuelenkring van de Barmakieden; was een zeer productief
schrijver; in de latere muctazila werd hij,
wegens zijn eigenzinnige opvattingen (o.m. inzake de vrije wil), het
slachtoffer van een damnatio memoriae(208).
(b) Abû'l-Hudhayl
al-cAllâf (i.e. "de
veevoederhandelaar"), ca 752 - 841(?): van
Perzische afkomst,
bracht hij het grootste deel van zijn leven door in de havenstad Basra; pas in 820,
wanneer hij al een 70 jaar oud was, kwam hij, op uitnodiging van al-Ma'mûn,
naar Baghdâd. Hij was één van de grote
oorspronkelijke denkers van de vroege islam en werd door de latere muctazila
(vooral de Basrische), als de stichter van de kalâm
beschouwd; hij formuleerde de zogenaamde Vijf Principes (al-ụsûl
al-hamsa) waarmee de muctazila
zich,
als school, vereenzelvigde en legde ook de grondslagen van het
atomisme dat door alle latere kalâm werd
overgenomen.
(c) Abû
Ishâq Ibrâhîm al-Nazzâm
(ca 782-836): neef, langs moederszijde, van Abû'l-Hudhayl,
maar van lage afkomst. Leefde tijdens zijn jeugd in armoede en volgde
de lessen van zijn oom; dank zij zijn vroegrijpe intellectuele en
literaire beslagenheid, nochtans, kreeg hij, en niét zijn
oom, toegang tot de Basrische bourgeoisie. Zijn reputatie was evenzeer
gebaseerd op zijn poëzie(209)
en geestigheid als op zijn originele theologische opvattingen (hij wees
het atomisme van zijn oom af): hij schreef gedichten waarin de
geneugtes van de wijn werden bezongen, maar ook de etherische
schoonheid van jonge knapen (zodat hijzelf al vlug de reputatie
verwierf én van dronkaard én van homofiel).
Verhuisde later naar Baghdâd, aan het hof van
al-Ma'mûn: hij schitterde daar als participant aan
disputaties over eender welk onderwerp (bijvoorbeeld een vergelijking
tussen... de haan en de hond). Geïnteresseerd zowel in de
Griekse filosofie als in de Iraanse religieuze tradities, droeg hij, in
nog sterkere mate dan zijn oom, bij tot het verbreden van de
epistemologische en wetenschappelijke basis van de
kalâm(210).
Maar zijn intellectuele energie ging vooral naar het bekampen van de
zogenaamde "dualisten" (tanawiyya)
-
manicheërs, ̣daỵsâniyya,
enz. -
en "atheïsten" (dahriyya)(211). Hij had een uitzonderlijk
groot aantal leerlingen: de zogenaamde nạẓzâmiyya,
zoals al-Shahrastânî ze noemt. Eén van de bekendste en
belangrijkste was cAmr b. Bahr al-Jâhiz (gest.
869); we zullen hem ook nog ontmoeten i.v.m. Ibn al-Râwandî (hfst.
4) (voor een inhoudelijke bespreking, zie Van Ess, 1997:96-118).
2.4.2. Tweede Periode:
Wordt intellectueel gedomineerd door de twee
Jubbâ'î-s,
i.e.
(a) Abû
cAlî
al-Jubbâ'î (i.e. geboren in
Jubbâ, in Khuzistân), gest. 915/6, en zijn zoon
(b) Abû
Hâshim al-Jubbâ'î, gest.
933.
Zij gelden als de "twee shayhs"
van de school van Basra; Abû Hâshim bracht de school over naar Baghdâd. Bij hun constructie van een coherent
theologisch systeem dienden zij, méér dan hun
voorgangers, zorg te besteden aan epistemologische en terminologische
problemen - wat hun toenemende belangstelling verklaart voor precieze
definities en voor grammatica en logica(212).
Abû Hâshim was een van de laatste muctazila,
die nog een directe invloed uitoefende op het Sunnî-denken.
Vermeld moet worden dat Abû cAlî,
behalve zijn zoon, nog een àndere leerling had die beroemd
zou worden, namelijk Abû'l-Hasan al-Ashcarî
(874-935). Maar deze laatste brak met zijn meester, n.a.v. de rationele
justificatie van het zogenaamde Goddelijke Decreet(213).
Voortaan zou hij de muctazila energiek
bestrijden en aldus de grondlegger worden van een àndere
theologische richting: de zogenaamde ashcariyya,
die, dank zij haar compromispositie tussen traditionalisme en
rationalisme, de orthodoxe theologische school zou worden, binnen het
Soennisme.
(c) Tenslotte moet
hier natuurlijk ook nog de latere cAbd
al-Jabbâr (gest. 1025) worden vermeld, die
eveneens tot de zogenaamde "Basra-school" behoorde en een 'brache' ervan
vestigde in Rayy.
Aangesteld als opper-qâdî in die stad, zou
hij de
meest prominente theoloog worden - de "Thomas van Aquino", zo je wil - van de
late muctazila, met zijn
al vermelde "Mughnî" als z'n "Summa
theologiae".
In de geschiedenis van deze school, nochtans, verschijnt hij minder als
een vernieuwer, dan als een uitwerker en systematiseerder van de
vroegere doctrines; hij streefde daarbij naar een soort van compromis
tussen de opvattingen van Abû Hâshim en diens vader(214).
3.
Doctrines
3.1.
Inleiding.
Het hoeft geen betoog dat het muctazilitische
"filosofische systeem"(215)
in de loop van de eeuwen tal
van ontwikkelingen en veranderingen heeft gekend. Maar wat misschien
nog belangrijker is, zo merkt Van Ess op(216),
"is dat
ook de functie ervan veranderde.
Tijdens de incubatiefase was doctrine minder belangrijk dan de
groepssolidariteit; aan het cAbbâsidenhof
vormde de muctazilî-theologie de
eerste poging tot een rationele en universele beschrijving van de
soennitische islam; en in latere eeuwen dienen een aantal
basisdoctrines, in het bijzonder de doctrine van de vrije wil, als een
'label' dat aangaf dat iemand tot de muctazilî-school
behoorde".
Wat de grote krachtlijnen betreft van dat muctazilitische
systeem, ook in de recente literatuur geldt Abû'l-Hudhayl
(ca 752-841) als de geestelijke ontwerper ervan - of alleszins als de
eerste mutakallim bij wie die krachtlijnen duidelijk zichtbaar zijn.
Hij was het,
klaarblijkelijk, die de zogenaamde "vijf principes"
(al-ụsûl al-hamsa)
formuleerde, die
later
a.h.w. de "identiteitskaart" zouden vormen van de muctazilieten(217); maar bovenal was hij de
schepper van een atomistische metafysica of zijnsleer, die later de
gemeenschappelijke leer zou worden van àlle mutakallimûn - ashcaritische zowel als
muctazilitische, en die we dus mogen beschouwen
als dé filosofische uitdrukking par excellence van
de nieuwe en unieke zijnservaring die in de Qur'ân symbolisch
besloten lag.
De
"vijf
principes" die sedert Abû'l-Hudhayl de
eigenheid van de muctazila
definieerden, luiden:
(1) de absolute
eenheid (taẉhîd)
van God;
(2) de
rechtvaardigheid (cadl)
van God;
(3) "de
belofte en de dreiging": d.w.z. elke moslim die een
zwaar vergrijp heeft gepleegd en sterft
zonder berouw, zal eeuwig gestraft worden in de Hel; van enige
goddelijke genade of tussenkomst kan geen sprake zijn;
(4) de theorie
van de "intermediaire
status", zoals geformuleerd door Wâsil
(tussenpositie tussen de khârijieten en de murji'ieten);
(5) de
verplichting, voor elke gelovige, om
daadwerkelijk "het goede te bevelen en het kwade te
verbieden", d.w.z. de vereiste van religieus-ethisch
activisme.
Het schema werd ook nog in de volgende eeuwen als
toepasselijk beschouwd en het bleef als zodanig de structuur bepalen
van de muctazilitische geschriften en handboeken(218). Het relatieve gewicht
nochtans van elk afzonderlijk punt binnen het schema is vrij ongelijk (219). Zo waren (4) en (5) in feite
enkel historisch van belang (zij moesten de aanspraken ondersteunen van
de muctazila op oude, "wâsilitische"
wortels, in de eerste helft van de 8ste eeuw)(220).
En (3) en (4) zijn in feite meer particuliere toepassingen van (1) en
(2). Deze laatste twee moeten dan ook als dé twee
hoofdstellingen van de muctazila beschouwd
worden. Zoals al-Jabbâr later zou argumenteren, kan de gehele
muctazilitische dogmatiek logisch worden
afgeleid uit die twee basisprincipes. De muctazilieten
beschouwden zichzelf daarom bovenal als "de Mensen van de
Eenheid en Rechtvaardigheid (sc. van God)" (ahl al-taẉhîd wa'l-cadl).
Wel moet worden opgemerkt dat de twee centrale termen niet volledig adequaat zijn. Wat vooreerst "taẉhîd"
betreft, het woord betekent in eerste instantie (de bevestiging van de)
"uniciteit",
of "enigheid", sc. van God, zoals geformuleerd in
de eerste helft van de shahâda(221), en beklemtoont dus het
absolute monotheïsme van de islam. De mutakallimûn
echter ging onder de term een aantal concepties samenvatten over de
natuur van God, die eerder voortvloeiden uit diens
(absolute) transcendentie dan uit diens uniciteit(222).
En ook "cadl" werd door hen
in een ruimere zin opgevat: het was er de muctazila
niet enkel (triviaal) om te doen dat God niet "onrechtvaardig" was, in
de enge zin van het woord, maar ook dat hij altijd en noodzakelijk
datgene deed wat (objectief) goed was, en dat hij
zich evenzo onthield van elke handeling die moreel slecht was(223).
Maar of we de "vijf principes"
nu al dan niet herleiden tot de eerste twee ervan, de filosofische
relevantie van het schema is hoe dan ook beperkt. Het was vooral
functioneel vanuit het oogpunt van de heresiografie, die nu eenmaal
criteria nodig had om de "sekten" te definiëren. De
gemeenschappelijke vlag van "de vijf",
anders
gezegd, dekte niet noodzakelijke een gemeenschappelijke "lading" op het
filosofische vlak van de "basic outlook and understanding of
the world"(224), bij
de vele muctazila-denkers - zeker in het geval
van de muctazilî-s van de eerste
periode.
Vanuit filosofisch-systematisch oogpunt kunnen de
muctazilitische doctrines onder een aantal
hoofdingen worden gepresenteerd, zoals(225):
1) metafysica,
2) antropologie,
3) God en zijn attributen,
4) epistemologie,
5) ethiek,
6) politiek (leer van het Imâmat).
In het hiernavolgende overzicht zal de aandacht
vooral gaan naar metafysica en antropologie; epistemologische en
ethische kwesties zullen eveneens, maar terloops, aan bod komen. Gelet
op de vermelde verscheidenheid tussen de vele systemen die in de
geschiedenis van de muctazila geconstrueerd
werden, moet zelfs dat overzicht onvermijdelijk uiterst selectief - en
dus ook arbitrair - blijven(226).
Ten einde althans aan enkele namen van de (kleine selectie van) denkers
die hoger summier gepresenteerd werden, toch énige,
filosofische inhoud te geven, zal ik me wat die metafysica en
antropologie betreft, toespitsen op een 3-tal vooraanstaande denkers
van de eerste,
"heroïsche" periode: namelijk Dirâr,
Abû'l-Hudhayl en diens neef al-Nazzâm. Voor het
probleem van de goddelijke attributen - a.h.w. de islamitische versie
van de christelijke "universaliënstrijd" - verwijs ik naar wat
daaromtrent al hoger (§ 1.5) gezegd werd i.v.m. de
"conceptualistische" oplossing van Abû Hâshim
al-Jubbâ'î, één van de
leidinggevende persoonlijkheden uit de tweede periode.
3.2.
Metafysica/Zijnsleer:
3.2.1. Inleiding.
De
historische verdienste van de muctazila bestond
niet enkel in het definiëren en argumenteren van een aantal
doctrinale leerstellingen waardoor ze zichzelf onderscheidden van
andere scholen. Zij construeerden ook een omvattend conceptueel kader,
een systematische beschrijving van de structuur van het universum,
kortom: een filosofisch-theologisch wereldbeeld, binnen
en middels
hetwelke die doctrinale leerstellingen rationeel konden worden
uitgedrukt.
Deze "moslimmetafysica"(227)
verschilt in een aantal opzichten sterk van de Griekse metafysica
- waaraan wij, westerlingen, dan toch een paradigmatische betekenis
plegen toe te kennen.
Ook de kalâm is,
als speculatieve, filosofische wetenschap, weliswaar gericht op de
waarheid. Maar, zoals Frank opmerkt(228):
de vraag is, wat de natuur
is van de gezochte
waarheid. Voor de moslimdenker gaat het, kort gezegd, niet om waarheid
als "alètheia" - in de Griekse
zin
van onthulling van de
"verborgen" en onveranderlijke "ware natuur"
(phúsis) der dingen (cf. Herakleitos, fr.
123: "natuur houdt
ervan zich te verbergen") -, maar integendeel om "al-̣haqq"
- d.w.z. om de "waarheid" van de schepping àls
"schepping" (halq).
De
paradigmatische, religieuze formulering ervan - die als zodanig ten
grondslag ligt aan de islamitische metafysica - vinden we in de
Qur'ân-verzen, volgens dewelke "God de hemelen en
de aarde geschapen heeft 'bi'l-̣haqq'"(229), d.w.z. "in (hun)
waarheid". Anders gezegd, al het bestaande - al wat zich
voordoet, elk wezen elke activiteit of ontwikkeling - heeft
géén andere waarheid, géén
andere werkelijkheid dan die van geschapen
te zijn in de wereld, d.w.z.
dan zijn relatie tot de Schepper (al-hâliq), die te vereenzelvigen is als al-̣haqq,
dé Waarheid/Werkelijkheid. Alles moet dus altijd
teruggevoerd worden tot de almacht van God, als "de Heer der Werelden" (rabb
al-câlamîn). Die absolute of almacht uit zich in het bijzonder in
Gods vermogen te
scheppen of te doen ontstaan "uit het niets"
(mîn lâ shay', Lat.
ex nihilo) - een connotatie die
in het Arabische (deel)woord mubdic,
voor "schepper" of "vernieuwer",
al impliciet gegeven is
(van het werkwoord abdaca, voor "radicaal
vernieuwen"; vandaar ibdâc, voor
schepping-uit-het-niets).
Vanuit deze optiek kan er, in principe,
géén sprake zijn, "à la
grecque", van een eeuwige en objectieve kosmische zijnsorde
(m.i.v. een interne, causale relatie tussen de natuurlijke fenomenen),
of, daaraan gekoppeld langs de "subjectzijde", van het "onthullen"
én assimileren - door een zelfstandige, menselijke rede -
van de (verborgen) waarheid van die dieperliggende, rationele
structuur, van de Natuur zowel als van de mens zelf(230).
De waarheid hoéft niet onthuld te worden: ze is ons gegeven
in en
door de schepping, en "sléchts" in en
door de schepping. De opdracht van de rede (caql)
moet daarom veeleer bestaan in
"het
ontdekken, in de reflectieve
contemplatie van de werkelijkheid, van de metafysische zijnsstructuur
wier waarheid de geschapen manifestatie was van de
Waarheid... De initiële assumptie is fundamenteel niet dat de
ultieme bestaansorde uit zichzelve rationeel en inzichtelijk geordend
is overeenkomstig de normen van de menselijke rede..., maar veeleer dat
zij de creatieve Waarheid van God manifesteert en dat de onderliggende
structuur en samenhang van die manifestatie analytisch kan beschreven
worden"(231).
De typische, atomistische metafysica die door de
mutakallimûn werd ontwikkeld, kunnen we van hieruit in de
eerste plaats begrijpen als een vorm van (poging tot) rationalisering
van die fundamentele relatie tussen God, als de almachtige schepper, en
zijn schepping - waarin élke entiteit of gebeurtenis
ontstaat en vergaat door Gods wil. Specifiek ervoor is o.m. dat dit
atomistisch model niet beperkt bleef tot het domein van de "kosmologie"
maar ook uitgebreid werd tot dat van het menselijke handelen.
Vooral in de latere, soennitische ashcariyya
zou het atomisme ontwikkeld worden tot een extreme vorm van "occasionalisme"
(232): ook de
zogenaamde accidentia,
de ziel en de tijd gingen atomistisch begrepen worden.
Vandaar de leer van de "continue
nieuwschepping" (233):
d.w.z. àlles wat bestaat - alle "atomen" en al hun
accidentia - bestaat slechts één tijdsmoment,
en wordt constant op elk nieuw moment door God hérschapen.
De leer zou "goedbeschouwd elke gebeurtenis en elk object tot een
wonder (maken) dat zich slechts voordoet bij de gratie Gods" (Leezenberg,
2008:83). Aangezien én alle lichamelijke én alle
kwalitatieve én alle tijdsatomen, of momenten, volkomen
gescheiden en onafhankelijk van elkaar zijn, wordt hierbij
élke vorm van immanente natuurwetmatigheid geloochend(234). De wereld wordt integendeel
gekenmerkt door een principiële en absolute
discontinuïteit, volkomen afhankelijk van het goddelijk
voluntarisme.
Die verregaande consequenties, evenwel, werden
door de muctazila niét getrokken,
allicht omdat zij strijdig waren met één van de
basisprincipes van hun systeem: de vrijheid van het menselijke handelen.
3.2.2.
Dirâr ibn cAmr.
Traditioneel wordt de introductie (constructie)
van het atomisme in de moslimtheologie als het werk beschouwd van
Abû'l-Hudhayl. En ongetwijfeld is hij, in de huidige stand
van de kennis, de eerste auteur bij wie we een atomistisch systeem
uitgewerkt vinden. Maar, zoals Frank opmerkt(235),
precies omdàt we het in zijn werk al zo grondig
gearticuleerd vinden, en met zulke expertise wat de basisproblemen
ervan betreft, lijkt het onwaarschijnlijk dat hij echt de allereerste
ontwerper ervan zou geweest zijn.
Hoe dan ook, een eerste, weliswaar erg
partiële aanzet ertoe kan al gevonden worden in de 8ste eeuw,
bij Dirâr ibn cAmr. Deze originele
denker(236) was, merkwaardig
vroeg, al goed vertrouwd met de principes van de aristotelische
zijnsleer. In oppositie ermee, ontwierp hij een metafysica vanuit het
perspectief van de goddelijke almacht. Daarin verwierp hij
uitdrukkelijk de aristotelische differentiatie tussen (1)
"substantie/wezenheid"(237)
en (2) "accidens"(238),
alsook het begrip van de zelfstandige, innerlijke "natuur"
(̣tabîca) der dingen. In
plaats daarvan diende, z.i., al het bestaande, en dat betekende dus: al
het geschapene, begrepen te worden als
"een aggregaat van accidentia, dat,
eens geconstitueerd, de drager (het substraat) wordt van andere
accidentia"(239).
Elk lichaam bestaat m.a.w. louter uit een
"netwerk" van kwaliteiten - kwaliteiten zonder dewelke het niet zou
kunnen bestaan (als zodanig zijn zij onmisbaar), maar die kunnen
gerealiseerd worden in een breed spectrum van variaties. Zij kunnen
daarom nog het best beschreven worden door hun extremen, bijvoorbeeld:
- temperatuur: "heet of koud",
- uitgebreidheid: "lang of kort",
- gewicht: "licht of zwaar",
- consistentie: "vochtig of droog",
en evenzo voor kleuren, smaken, geuren, enz. Die
kwaliteiten bestaan nochtans niet op zich: geïsoleerd van de
andere, zijn zij louter abstracties. Tenslotte bestaan er naast
deze onmisbare kwaliteiten, nog andere accidentia, die
géén "deel" zijn van het lichaam: beweging, pijn,
kunnen/vermogen, e.a. Zij bezitten géén
duurzaamheid of "permanentie" (baqâ');
d.w.z. ze bestaan slechts één ogenblik - en dan
volgt hun "vernietiging" (fanâ') -, en
ze moeten dus telkens opnieuw geschapen worden (sc. door God).
De consequenties van deze theorie zijn bijzonder
duidelijk in Dirârs definitie van de mens: voor
Dirâr is ook de mens, als natuurlijk schepsel, (louter) een
combinatie (ta'lîf) van accidentia,
d.w.z.
van "kleur, smaak, geur, vermogen, enz.". En
hetzelfde geldt voor zijn ziel of geest: van het bestaan van een
zelfstandige, onsterfelijke ziel is er geen sprake.
In hoeverre dit soort van "ontologische"
definities bijdroeg tot het oplossen van het ethische probleem van de
menselijke verantwoordelijkheid, is verre van duidelijk. Toch nam
Dirâr ook op het gebied van het menselijke handelen een
gesofistikeerde positie in - die weliswaar door de latere muctazilieten
(cf. Al-Jabbâr) als deterministisch, dus niet-muctazilitisch,
zou worden veroordeeld.
Volgens Dirâr schiep God
óók de menselijke handelingen (wat de muctazila
juist uitdrukkelijk ontkende). Tegelijkertijd, echter, wees hij de "uitvoering"
van de handeling (kasaba, kasb) toe aan de mens.
Deze laatste werd daarmee daadwerkelijk de co-auteur van de handeling:
hij/zij beschikte over een "vermogen" (istịtâca,
qudra) daartoe, nog vóór de handeling,
en dús over een vrijheid van keuze
(ihtiyâr).
Zoals Van Ess hierbij als commentaar geeft(240):
"the
concept
[sc. van de kasb] is clearly synergistic;
Dirâr openly talked about two 'agents', God and man".
De kasb-notie zou nadien
worden overgenomen door al-Ashcarî,
maar dan wel in een erg aangepaste betekenis, namelijk van "verwerving",
sc. van de handeling: terwijl volgens
Dirâr de mens, hoewel geen schepper, toch een daadwerkelijk "co-auteur"
was,
zou al-Ashcarî aan de mens elk
reëel vermogen tot handelen ontzeggen: God was de
énige "agent". De rol van de mens beperkte zich tot het
"verwerven" van de (door God geschapen) daad - wat voor al-Ashcarî
nochtans volstond opdat de mens voldoende aansprakelijk zou zijn voor
zijn/haar daden om nadien "te recht" door God beloond, of gestraft te
worden.
3.2.3.
Abû'l-Hudhayl (241).
Zoals gezegd, de eerste,
volwaardige atomistische metafysica die ons in de kalâm
bekend is, staat op naam van Abû'l-Hudhayl. Zij behelst dat
de geschapen wereld een verzameling is van "lichamen"(242) die zelf, wat hun
zijnsstructuur betreft, samengesteld zijn uit
"atomen"(243) en hun
"accidentia"(244).
Het bestaan van lichamen als zodanig, d.w.z. in
hun
3-dimensionale verschijningsvorm, is in de eerste plaats te danken
aan Gods creatie, "in" de (natuurlijk
óók door hem geschapen) atomen, van de bijzondere
accidentia van compositie (ta'lîf),
juxtapositie, contiguïteit en conjunctie - zodanig dat de
atomen met elkaar specifieke configuraties aangaan. Wat de (door God
geschapen) gewone accidentia betreft, die aan de lichamen hun
empirische hoedanigheden geven: zoals kleur, smaak, warmte, enz., zij
hechten zich eveneens aan de individuele atomen, maar
sléchts in zoverre die atomen daadwerkelijke combinaties met
elkaar vormen(245).
Die relatie tussen atoom en accidens wordt aangeduid als "inherentie"
(̣hulûl)(246).
De formele werkelijkheid, dus, van elk "ding"
(shay'), in
zoverre het is wat het is, bestaat in de
aanwezigheid (wujûd) van het totale
complex van
zijn afzonderlijke accidentia - waarbij de atomen het substraat vormen
waarin die accidentia inhereren. In zoverre is elk
ding zijn (complex van) accidentia; is de werkelijkheid van zijn zijn
(niets anders dan) de werkelijkheid van de specifieke accidentia in het
lichaam. Het accidens kleur, bijvoorbeeld, is "het
gekleurd-geschapen-zijn van iets".
De
eenheid, anderzijds, van het ding is die van
een "lichaam",
en dàt wil zeggen: de eenheid van een verzameling,
van een aggregaat. Het is m.a.w. slechts in zoverre de constitutieve
eenheden ervan, de atomen, elk met hun accidentia, met elkaar een
verbinding vormen (dank zij de accidentia van compositie, enz.), in
ruimtelijke afzondering van en met uitsluiting van de atomen die
niét tot dit specifieke compositum behoren, dat het ding
zelf als een eenheid bestaat. Die eenheid, bijgevolg, is vanuit een
bepaald opzicht een louter ruimtelijke
eenheid. Vanuit een ander opzicht, natuurlijk, is zij gefundeerd in een
unieke en afzonderlijke scheppingsact vanwege God, namelijk die van de
accidentia van compositie, enz., enz. Van een "essentiële"
eenheid, nochtans, van het ding, of een intrinsieke "natuur" of
wezenheid die zou bepalen wélke particuliere accidentia of
kwaliteiten in een specifiek lichaam kùnnen bestaan (ook:
welke niét)(247) en
die in hun totaliteit de empirische verschijningsvorm ervan zouden
bepalen, daarvan ís er, daarvan kàn er geen
sprake zijn(248).
M.a.w. dat een ding überhaupt
bestààt, betekent voor Abû'l-Hudhayl
énkel dat het bestaat in de ruimte, of beter: in een "plaats"
(makân); het "is" slechts in zoverre
het in-de-wereld-is: van enig ànder "zijn", van het ding in
se, is geen sprake.
"There is, therefore, no question of an
'essential' unity of the thing in being that which it is, apart from
its actual existence in the world in the spatial unity of its substrate"(249).
Elk schepsel bestaat dus louter als een composiet
geheel (jumla) van een eindig aantal
afzonderlijke
elementen (atomen en hun accidentia), geheel waaraan dan een bepaalde
naam
wordt gegeven(250). De
specifieke attributen en hoedanigheden ervan, die het volledige wezen
uitmaken en waardoor het is wat het is, hebben
géén ander gemeenschappelijk principe voor hun
verenigd samen-zijn in het ding dan het scheppingsact van de goddelijke
wil; die goddelijke wil heeft het lichaam tot een lichaam gemaakt en
heeft de verschillende accidentia erin doen "neerdalen"(251).
De ontkenning van elke 'essentie' houdt ook in dat
er geen sprake kan zijn van énig bestaan van het "ding"
vóór het actueel, hic et nunc
bestaan-in-de-wereld ervan.
Anders gezegd: ook voor de (aristotelische) notie van het "in-aanleg-zijn"
is er geen plaats - behalve dan dat het door God reeds vooraf gekend
was als een voorwerp van zijn almachtige wil. Hoe dan ook mogen we niet
zeggen dat "het" potentieel bestaat, maar enkel dat
Gods potentialiteit bestaat, als zijn macht-tot-scheppen.
Zoals gezegd, het geschapene vormt, per definitie,
een verzameling van een eindig aantal
elementen: Gods alwetendheid,
inderdaad, vereist dat hij het juiste aantal kent van de
"delen"(252) van de
lichamen, van àlle lichamen; dat is enkel mogelijk als er
een grens is aan de deelbaarheid, en dat veronderstelt dus atomisme.
Ook alle schepselen sàmen moeten een dergelijke, begrensde
en eindige verzameling vormen. Abû'l-Hudhayl hanteerde in dat
verband het belangrijke begrip van het "geheel"
(kull) (253),
sc. van alle atomen en accidentia. Op basis daarvan argumenteerde hij dat de
wereld niet enkel een absoluut begin had, maar noodzakelijk ook eens
een einde zou hebben; aan het einde van de tijden, m.a.w., zal elke
beweging ophouden(254).
Uit bovenstaande, summiere en onvolledige schets zal duidelijk
zijn dat, ook al staat de concreetheid of materialiteit
van de "atomen" buiten kijf, zij toch geen rol spelen in het verklaren
van de fysische hoedanigheden der objecten: in en op zichzelf, zijn ze
volledig kwaliteitsloos en absoluut inert. Het "atoom", in deze vroege kalâm,
is het constitutieve principe in de zijnsstructuur van
de geschapen wezens; het is echter niét bedoeld om enige
verklaring te geven voor de fysische kenmerken van de fenomenale
werkelijkheid.
Het verschil met het antieke, Griekse atomisme
kon niet groter zijn. Zoals Van Ess het formuleert(255):
"This is Greek atomism turned upside
down. Democritus and Epicurus intended to explain nature by the
principle of chance (therefore the church fathers abhorred their
philosophy). For the muctazila, on the contrary,
atomism served as an accomplice of divine omnipotence. As mere
conglomerates, things do not possess any essence of their own; this
demonstrates their dependence on God. However, although objects are
reduced to purely material composites, this was not a materialistic
theory. The Greek atomists were searching for the monad: they wanted to
explain nature. The muctazilî atomists
were searching a pivot of God's will and power: they wanted to explain
creation".
Dat laatste is precies de reden waarom de muctazila,
in contrast met de Grieken, het atomisme uitbreidde tot het domein van
het menselijke handelen.
In alle geval, zoals Frank constateert: creatie,
"canonisering" en voortbestaan van het atomisme in het moslimdenken
waren gefundeerd in het feit dat het daadwerkelijk een coherente en
inzichtelijke verklaring gaf voor de ontologische of metafysische
structuur van het zijn, "zoals dat (zijn) gegeven was aan een
ervaring die paradigmatisch door de islam gevormd was"(256).
3.2.4.
Abû Ishâq al-Nazzâm.
Het atomisme mocht dan al de
(theologische) toekomst voor zich hebben, dat betekent nog niet dat het
onmiddellijk algemeen aanvaard werd binnen de muctazila.
Niemand minder dan Abû'l-Hudhayls eigen neef,
al-Nazzâm, toonde er zich een fervent tegenstander van. Zijn
onderbouwde kritieken(257)
zouden de atomisten dwingen zich ernstig te bezinnen over de
fundamenten van hun theorie en op zoek te gaan naar meer steekhoudende
argumenten. Al-Nazzâm wees zelf het atomisme af ten gunste
van een veel meer geavanceerde en gesofistikeerde natuurfilosofie,
gebaseerd, net omgekeerd, op de oneindige deelbaarheid
van de lichamen en met als
belangrijke noties: kumûn
("latentie") en ̣tafra
("sprong"). Hoewel fel verdedigd door zijn leerlingen, de
zogenaamde nạẓzâmiyya, zou
zijn theorie
in de 2de helft van de 9de eeuw volledig verlaten worden(258).
Voor al-Nazzâm, zoals voor de andere mutakallimûn,
vormde natuurfilosofie geen doel op zich; ze stond integendeel ten
dienste van de theologie, en dat wil dus ook zeggen: ten dienste van de
strijd tegen o.m. de zogenaamde dualisten. Met de bedoeling, juist, hen
des te beter te kunnen weerleggen, heeft al-Nazzâm van zijn
dualistische opponenten: in het bijzonder van de manicheërs
maar ook van bv. de shîcitische
theoloog Hishâm b. Al-Hakam(259),
zo veel als
mogelijk was, de visie op de wereld overgenomen als een
"totaalmengsel" (mudâhala)(260)
van tegengestelden,
in de eerste plaats van licht en duister(261).
Al-Nazzâm weigerde dus om, zoals zijn
oom, de natuurlijke lichamen als aggregaten te zien van
gejuxtaposeerde, atomische partikeltjes, die enkel werden samengehouden
door Gods almacht; en, daarmee overeenkomstig, hun kwaliteiten als
zovele accidentia die, bij elke verandering, door God vervangen werden
door hun tegengestelden(262).
Z.i. had God de natuurlijke fenomenen en entiteiten allemaal
tegelijkertijd, in
éénmaal, geschapen, samen met
hun (blijvende) fysische kwaliteiten
en, dus, hun voorspelbare,
fysische actie- en reactiemogelijkheden(263).
Een constante, "creatieve" interventie vanwege God in de natuur hoefde
bijgevolg niet; het fysische "karakter" (hilqa),
of
de "natuur" (̣tabîca),
der dingen - bijvoorbeeld de zwaarte van een steen -, was de "noodzakelijke
oorzaak" (mûjib) van de fenomenen. In zoverre,
nochtans, dat "karakter" wel degelijk geschapen was
door God, konden de natuurlijke processen toch als "acten van
God" worden bestempeld(264).
Wat die (blijvende) natuurlijke kwaliteiten
betreft - kleuren, smaken, warmte en koude, zwaarte en lichtheid,
duisternis en helderheid, enz., maar ook goed en kwaad -, zij zijn geen
accidentia, maar moeten integendeel beschouwd worden als
"(subtiele) lichamen"(265)
of "substanties"(266).
Die subtiele lichamen zijn bovendien "compleet vermengd"
(mudâhala) met
àndere lichamen.
Elkaar volkomen penetrerend, vormen hun verbindingen de zogenaamde
elementen: water, vuur, enz.(267).
Maar ook die elementen "compenetreren" elkaar:
water bijvoorbeeld bevat altijd vuur(268).
Als ingrediënten(269)
van de meer complexe, "dikke lichamen"(270), hoeven ze niet per se "manifest"
te zijn aan de oppervlakte: ze kunnen ook aanwezig zijn in een staat
van "latentie" of "verborgenheid
(kumûn): zoals bijvoorbeeld olijfolie in de olijf,
of vuur
in hout.
Dat vuur wordt dan pas "manifest" wanneer het hout
met ander vuur in brand wordt gestoken.
Dit is al-Nazzâms bekende theorie van "de latentie en de
manifestatie" (al-kumûn wa 'l-̣zuhûr),
die hij volgens al-Shahrastânî ontleend heeft "aan
de (Griekse) filosofen"(271).
Het feit dat, in natuurlijke lichamen,
tegengestelde elementen zoals water en vuur elkaar perfect
compenetreren, zónder met elkaar in conflict te komen, is te
verklaren door het onderlinge "evenwicht",
dat God in zijn wijsheid voorzien én opgelegd heeft: in het
hout, bijvoorbeeld, houden vuur en water - allebei "latent"
aanwezig -
elkaar, "noodgedwongen" (272),
samen in evenwicht(273).
Verandering, of desintegratie, is niét te wijten aan een
directe ingreep van God, waardoor er abrupt een accidens verdwijnt, sc.
verwijderd wordt, en een nieuw accidens geschapen/toegevoegd wordt;
"verandering" (qalb) betekent niet
méér dan dat een ingrediënt, dat al
aanwezig wàs, maar "latent", nu manifest
wordt; ofwel dat een bepaald "mengsel" van
"subtiele lichamen" ontbonden wordt. Die verandering,
eventueel desintegratie, kan dan het gevolg zijn van een externe
invloed, waardoor het interne evenwicht verstoord wordt, ten gunste van
één van de tegengestelden. Wanneer je
bijvoorbeeld gebeten wordt door een gifslang, dan sterf je niet door
het gif van de slang, maar door het gif in je eigen lichaam: dat
"eigen" gif wordt versterkt door dat van de slang en krijgt aldus de
overhand (cf. de slang zelf sterft niet aan haar eigen gif!).
Verandering is daarom niet noodzakelijk abrupt, maar kan ook traag en
geleidelijk gebeuren. Denken we bijvoorbeeld aan een brandende
olielamp: hoewel de wiek en de olie in werkelijkheid op elk ogenblik
veranderen, merken we de verandering pas de volgende morgen, als de
olie op is en de wiek zwart geworden.
Op al-Nazzâms algemene stelling dat er
géén accidentia zijn, is er
één belangrijke uitzondering: de "beweging"
(̣haraka). Maar "beweging"
werd door hem (zoals ook reeds door
Aristoteles) in een heel brede zin
begrepen: namelijk niet enkel in die van verandering-van-plaats, maar
als
"principe van gelijk welke verandering,
zoals de filosofen het stellen, wanneer zij bewegingen erkennen in de
kwaliteit, de kwantiteit, de situatie, de plaats, de tijd, en de andere
categorieën"(274).
Meer in het bijzonder kwalificeerde
al-Nazzâm als "bewegingen" (̣harakât),
en dat wil dus zeggen: als accidentia (acrậd),
"alle handelingen die afhangen van de
menselijke wil: bidden en vasten, wilsakten, kennis en onwetendheid,
spraak en stilzwijgen, enz."(275).
M.a.w., terwijl alleen God het vermogen heeft "lichamen" te
creëren - en "lichaam" is alles wat
géén "beweging"
is (de
kleuren, de
smaken, de geluiden, enz.) -, zijn de
daden van de mensen, m.i.v. hun
psychische activiteiten, "bewegingen",
en dus (slechts) accidentia(276).
Aldus lijkt een scherpe, 'ontologische'
differentiatie gemaakt tussen het domein van de mens, dat het domein is
van de accidentia en gedomineerd wordt door 's mensen vrije wil(277), en het domein van de natuur,
als het domein van de "lichamen", waar de fenomenen het "mechanisch"
gevolg zijn van de inherente, fysische impulsen die de dingen ontvangen
hebben bij hun schepping door God. Deze natuurdingen worden pas behept
met accidentia wanneer ze in aanraking komen met de mens.
Wat daartegenover het fenomeen betreft van de
verandering-van-plaats, of 'locomotie'(278),
al-Nazzâms visie daaromtrent werd vanzelfsprekend bepaald
door zijn afwijzing van het atomisme. In de atomistische visie,
inderdaad, kwam verplaatsing erop neer dat het bewegende lichaam,
onafgezien van zijn snelheid, gedurende een eindig aantal ogenblikken
in onmiddellijk contact was met een overeenkomstig, eindig aantal
punten, of "plaatsen" (die identiek waren aan de
atomen van het onderliggende lichaam). Wanneer evenwel wordt uitgegaan
van de oneindige deelbaarheid(279)
van het onderliggende lichaam, leek daarmee noodzakelijk een oneindige
duur van de beweging geïmpliceerd. Zoals
Abû'l-Hudhayl het, wat demagogisch, placht te illustreren(280): een
mier zou niet eens het einde van een sandaal kunnen
bereiken! Al-Nazzâm redde zich hieruit b.m.v. zijn beruchte
theorie van "de sprong" (̣tafra):
"hij antwoordde: 'de mier doorloopt een
deel (van de afstand) al stappend, (maar) een ander deel met sprongen'"(281).
Anders gezegd: aangezien de mier
ónmogelijk àlle (denkbare) punten kan overlopen
hebben op het oppervlak waarover ze zich voortbewoog, moeten sommige
ervan noodzakelijk "overgesprongen" zijn(282). De paradox die hierin
besloten ligt(283), is
vergelijkbaar met zijn hoger geciteerde stelling(284),
nl.
"dat de wereld oneindig is wat haar
deelbaarheid betreft, maar eindig wat haar maat en uitgebreidheid
betreft".
3.3. Antropologie.
Kennis van de antropologie, of de mensvisie, van
de muctazilî-s is een voorwaarde voor
een beter begrip van de muctazilitische ethische
theorie. Onze informatie daaromtrent is spijtig genoeg erg schaars en
bovendien vaak regelrecht inconsistent. Bij de zogenaamde heresiografen
is er een soort van tegenzin vaststelbaar om daarover uit te weiden, en
dat wellicht vanuit
"het
vermoeden dat de abstracte antropologische theorieën die door
sommige moslimgeleerden ontwikkeld werden, in laatste instantie
afkomstig waren van de Griekse filosofie"(285).
Hoewel de opvattingen van de belangrijke muctazilitische
doctores een grote mate van complexiteit
lijken te vertonen, aldus Fakhry, vertonen ze de volgende twee
gemeenschappelijke trekken:
(a) een centrale
bekommernis met de ethische
problemen van de autonomie van de mens en zijn/haar onderworpen-zijn
aan morele en religieuze verplichtingen (taklîf);
(b) de
betrachting om
deze antropologie te doen
kaderen in een algemeen aanvaarde, ontologische theorie over substantie
en accidens.
In wat volgt, beperk ik me tot een korte
presentatie van de opvattingen van Abû'l-Hudhayl en
al-Nazzâm(286).
3.3.1.
Abû'l-Hudhayl.
Zoals alle andere schepselen, in
Abû'l-Hudhayls atomistisch perspectief, is ook de mens (al-insân)
in éérste instantie niets meer dan een complex
van geschapen, zelfstandige accidentia, gedragen door het
(atomen)lichaam waardoor het individu gedefinieerd wordt(287). In die optiek kon
Abû'l-Hudhayl de mens definiëren als zijnde (niet
méér dan) "dit
manifeste en zichtbare, etende en drinkende lichaam".
In onderscheid met sommige andere lichamen, hebben
we in het geval van de mens weliswaar te doen met een "levend"
(̣hayy) lichaam, maar ook "leven"
is hier als een accidens te
beschouwen, en dus als verschillend van de mens(288).
Evenzo is de mens in het bezit van een "ziel" (nafs)
en een "geest" (rụ̂h), maar beider
plaats in
zijn systeem is duister, aangezien ze in de bewaarde fragmenten
nauwelijks ter sprake komen. Alleszins wordt de nafs
als een accidens beschouwd - en dus als verschillend van het lichaam en
van de rụ̂h (289).
Noch "leven", noch "ziel",
noch "geest", noch de "wil"
(irâda) - die dus alle
vier van elkaar te
onderscheiden zijn - mogen, als accidentia, vereenzelvigd worden met de
menselijke persoon als zodanig (ġayruhu).
Op het vlak van de kenactiviteiten, kan iets
analoogs worden vastgesteld: de vijf zintuigen, d.w.z. hun percepties,
zijn eveneens accidentia, en als zodanig te onderscheiden van het
lichaam en de ziel. De intelligentie of het verstand, anderzijds,
d.w.z. de caql, is een soort
van "zintuig" (̣hiss)
in zoverre de betreffende
perceptie "intelligibel" (macqûl)
is; de caql is
ter zelfdertijd zijn (kennis)inhoud én "het
vermogen tot kennisverwerving"(290).
Zintuiglijke perceptie (idrâk), als akt, is een "innerlijke" kenakt(291): zij is volledig
onafhankelijk van de fysische staat van het lichaam en van de operaties
van de zintuiglijke organen(292).
Het is een akt die door God rechtstreeks in het hart wordt geschapen -
wat dus betekent dat de mens, aangezien hij/zij de inhoud van zijn perceptie-act niet overeenkomstig zijn/haar eigen vrije keuze bepaalt,
niet de "agent" (fâcil),
of "maker"
van de akt kan worden genoemd(293). Datzelfde geldt echter
niét wat de eigenlijke kennis betreft, met name van 'goed' en
'kwaad'. Anders gezegd, in tegenstelling tot wat geloofd werd door
zowel shi'itische illuminatie-aanhangers als door
anti-intellectualistische sunnieten, is er geen sprake van dat
kennisinhouden door God direct in het hart van de mensen worden 'neergezonden'
of 'geïnspireerd' (de zgn. ilhâm notie). Kennis, voor Abû'l-Hudhayl
(en voor de meeste muctazilî-s, met uitzondering
van al-Jâhiz, zie verder), resulteert uit het menselijke
nadenken, sc. over onder meer percepties.
Vanuit strikt atomistisch perspectief, bijgevolg -
waarin de basis van 's mensen eenheid en cohesie geleverd wordt door de
spatio-temporele cohesie van de "atomen",
als een geünifieerd lichaam waarin al die verschillende en
zelfstandige accidentia
vóórkomen door de wil van de Schepper -,
verschijnt de mens, net zoals de andere schepselen, als slechts
"een
hol, materieel aggregaat dat niét beschikt over een
existentiële eenheid van interioriteit en (dat)
géén individueel, op-zichzelf-centrerend centrum
vormt van bewust in de wereld zijn"(294).
Mààr
in tégenstelling
tot elk ander levend schepsel, bezit de mens het vermogen om in "vrije
keuze" (295) en op basis van kennis eigen handelingen
voort
te brengen (tawallûd, "voortbrenging"). Het is dàt "(handelings)vermogen"(296) dat nog het meest van al
bijdraagt tot de eenheid van het menselijke bestaan; en dat de mens pas tot
'mens' maakt, terwijl hij/zij zich in zijn/haar natuurlijke
reacties gedraagt als een dier. Het betreft derhalve een permanent "accidens"
(297)
en het karakteriseert de mens fundamenteel als een moreel
wezen: d.w.z. een wezen waarvan het het "wezen" is,
zijn of haar eigen
handelingen te produceren om, finaal (d.w.z. op het Eindgericht),
beoordeeld te zullen worden in
zijn of haar individuele en persoonlijke verantwoordelijkheid ervoor.
Vanuit ontologisch perspectief, zo merkt Frank op(298), heeft dat belangrijke
implicaties. Van alle àndere geschapen "dingen",
immers, kan gezegd worden dat zij in geen enkel opzicht
méér zijn dan ze zijn: ze zijn compleet, in de
eindigheid van hun zijn, op elk ogenblik van hun bestaan. De mens,
daarentegen, doordat hij een "willend agent"(299) is
en over "wils-" of keuzevrijheid (ihtiyâr) beschikt, heeft ín zich,
als een (quasi) permanent attribuut van zijn zijn, een principe van
transcendentie:
"z'n
zijn, in
zover hij qâdir,
mustạtîc is, is
vanuit het heden georiënteerd naar de toekomst, in de
potentialiteit (qudra)
van zijn eigen handelen naar de toekomst toe"(300).
Frank verduidelijkt dit door nader in te gaan op
Abû'l-Hudhayls visie op de structuur van de menselijke
handeling(301).
Het menselijke vermogen om een handeling te
realiseren is volgens Abû'l-Hudhayl niét te
herleiden tot gewoon een kwestie van het beschikbaar-zijn van fysieke
kracht of energie om een of andere handeling te effectueren. Het gaat
integendeel om het vermogen, of de potentialiteit, om een bewust
gekozen doelstelling teweeg te brengen.
Inderdaad, dat "vermogen"
(al-istịtâca)
bestààt slechts wanneer er, van de zijde van de
vrije "agent", de reële mogelijkheid is van een dwangloze "keuze"
(ihtiyâr); en omgekeerd, er kan
géén wilsdaad zijn, behalve wanneer de
reële potentialiteit gegeven is om het voorwerp ervan teweeg
te brengen. Als zodanig impliceert al-istịtâca
altijd het gegeven-zijn - als "idee" (hậtir, mv. hawậtir)
in zijn geest - van tegengestelden(302)
en van de mogelijkheid een concrete handeling ofwel te stellen ofwel
niét te stellen. Zoals Abû'l-Hudhayl het
formuleert in het
K. al-Intisâr(303):
"om
werkelijk capabel te zijn een handeling te stellen, moet men ook
capabel zijn ze niét te stellen. Als het vermogen betrekking
heeft op de verwezenlijking van een daad, moet het ook betrekking
hebben op het nàlaten van diezelfde daad, net zoals, waar
het (vermogen) om ze na te laten ontbreekt, ook het (vermogen)
ontbreekt om ze te stellen... En de potentialiteit moet aldus opgevat
worden: als ze waar is m.b.t. een handeling of een daad, is ze ook waar
m.b.t. het tegendeel van die handeling of daad, en omgekeerd".
Die capaciteit, om te handelen of niét
te handelen, correspondeert volgens Abû'l-Hudhayl met de
fysieke gezondheid en de integriteit van onze organen: noch de zieke,
noch de blinde, noch de kreupele beschikken over het (volle) vermogen
om te handelen(304).
Een handeling, daarom, die niét
vrijelijk bepaald is door 's mensen wilsakt, zoals het geval is bij een
"onvrijwillige"(305)
handeling (of niet-handeling), ís niet
zijn of haar handeling; ze moet integendeel de handeling van God worden
genoemd. Dat geldt óók voor een actie of
gebeurtenis waarvan de mens de natuur (kayfîya)
of het karakter niet kent of begrijpt: een handeling, immers, die niet
gesteld is "met kennis van zaken", kan per definitie niet als zodanig gewild
of bedoeld zijn(306). Een
gedwongen handeling, daarentegen, zoals bijvoorbeeld het eten van
varkensvlees om niet van honger om te komen, is niét
afkomstig van God, maar is te wijten aan een externe dwang. Het model dat door
de muctazila dus ontwikkeld werd om het statuut van
menselijke activiteiten te bepalen, wordt dat van de "tawallud",
d.w.z. dat van de "verwekking", genoemd.
De mens, m.a.w., transcendeert zijn momentane
staat énkel wanneer zijn of haar handeling een bewuste en
dwangloze projectie is van zijn potentialiteit, vanuit een actuele
situatie naar de toekomst. Wanneer dat niét het
geval is, wordt de mens bewogen door externe krachten, middels een
reeks van discrete momenten waarin z'n zijn, net zoals dat van de
niet-menselijke, materiële schepping, exhaustief
gedetermineerd wordt; van een participatie in de handeling als een
moreel wezen is dan geen sprake. Bijgevolg, vormen wil (irâda)
en vermogen (qudra) wat we de basisfaculteiten
zouden kunnen noemen van elk moreel - i.e. éigenlijk menselijk
- handelen; en dienovereenkomstig zijn zij georiënteerd naar
de toekomst(307).
De nexus tussen de menselijke wil en de menselijke
handeling wordt dus gevormd door de menselijke qudra.
In tegenstelling tot God, gaan de menselijke wilsakt en intentie altijd
vooraf aan de uitwendige verwezenlijking van hun object(308). Maar ook de qudra
gaat - noodzakelijk - vooraf aan de akt, want anders kan er geen sprake
zijn van vrijheid van keuze(309).
Daar dient nochtans aan toegevoegd dat, strikt genomen, de mens
énkel het vermogen heeft beweging of rust te
initiëren: bijvoorbeeld een pijl af te schieten -
niét om bijvoorbeeld lichaamskracht, leven of een lichaam te
produceren. Ook wat op de akt volgt, maar niét resulteert
uit beweging, rust, enz., zoals bijvoorbeeld de perceptie en het
begrijpen van je handeling, en kennis in het algemeen, worden
geproduceerd door God.
3.3.2.
Abû Ishâq al-Nazzâm.
In overeenstemming met zijn meer
gesofistikeerde zijnsleer(311),
gaf al-Nazzâm een meer abstracte definitie van de mens,
namelijk als "geest" (rụ̂h) en/of "ziel"
(nafs)(312). De
geest is immers geen accidens, maar een "(subtiel) lichaam"
en hij doordringt als zodanig het menselijke ("dikke")
lichaam volledig; de mens is derhalve identisch met de geest/ziel(313):
"Al-Nazzâm
zei: De mens is de geest, maar (die geest) interpenetreert het lichaam
en is ermee vermengd, zodanig dat alles van het ene in het andere is;
en dat het lichaam een infirmiteit [âfa] is, een belemmering
en onderdrukker van (de geest)".
De menselijke geest is als zodanig een
"enkelvoudige
substantie"(314),
die noch
differentie noch tegenstelling toelaat, maar die in zichzelf beschikt
over vermogen, leven en kennis"(315).
Hij is, verder, niet geconcentreerd op een enkel
plaats - bijvoorbeeld het hart -, maar is "verweven"(316) met alle ledematen: wanneer
een lid wordt afgehakt - bijvoorbeeld de hand, als straf voor diefstal
-, trekt
de geest/ziel zich terug in een ander deel(317).
Als zelf een (subtiel) lichaam, kan de geest/ziel doordrongen worden
door andere "lichamen",
zoals bijvoorbeeld de zintuiglijke percepties:
kleuren,
smaken, geuren, enz. Net zoals het (menselijke) lichaam (cf. supra),
worden ook deze zintuiglijke ervaringen als "belemmeringen"
voor de geest/ziel bestempeld - althans in dit aardse tranendal, waar
de mens door God onderworpen wordt aan verplichtingen en beproevingen
(taklîf):
in het Hiernamaals, daarentegen, zullen ze de mens juist in staat
stellen te genieten van de geneugtes van het Paradijs(318).
Als een "mengsel" van alle
zintuigen, is de geest/ziel de zetel van de sensus communis.
De noodzakelijkheid van een dergelijke sensus communis
werd door al-Nazzâm als een argument gebruikt tegen o.m.
Dirâr ibn cAmr, die van mening was
dat de ziel op zichzelf niets was, tenzij het resultaat van de
combinatie (ta'lîf) van de accidentia die
een levend lichaam vormen(319).
Ook andere psycho-somatische fenomenen werden door al-Nazzâm
op een dergelijke manier verklaard: het zogenaamde "boze oog",
bijvoorbeeld, is het gevolg van "subtiele lichamen"
die uit
iemands ogen emaneren en binnendringen in iemand anders(320). Ook de spraak is een
dergelijk subtiel lichaam dat zich vermengt met de lucht: door dat
mengsel wordt het vermenigvuldigd en, in verschillende deeltjes,
bereikt het het gehoor, en bijgevolg de ziel van de luisteraar(321).
Het "leven",
waarmee, dank zij de geest/ziel, het
menselijke lichaam doordrongen is, staat ook borg voor het typisch
menselijke, algemene handelingsvermogen (istịtâca).
Net zomin als dat leven, dus, is dat vermogen een accidens, dat los zou
staan van de mens; het vormt integendeel een deel van zijn "zelf": "de
mens is capabel (musta ̣tîc) door
zichzelf"(322). De
handelingen zelf, nochtans, zijn wél accidentia, want "bewegingen"
(̣harakât), die plaats vinden in 's mensen eigen
sfeer (̣hayyiz)(323).
Tijdens de actuele uitvoering ervan moet de mens vanzelfsprekend
rekening houden met het gegeven "karakter" (hilqa)(324) van het voorwerp waarop de
beweging betrekking heeft: bijvoorbeeld door zijn profijt te doen met
het
gewicht van de steen, bij het gooien ervan. Wanneer de handelingen
secundaire effecten hebben, die de eigen sfeer van de mens te buiten
gaan - zoals in het geval van de "gegenereerde handelingen"
(mutawalladât)(325) -, dan worden die effecten
gecreëerd door God, mààr in
overeenstemming met de inherente (door God zelf geschapen)
wetmatigheden van het "karakter"
van het betreffende voorwerp(326).
De algemene, natuurlijke "bekwaamheid"
(istịtâca) van de mens tot
het stellen van handelingen, bekwaamheid die zelf o.m. een
goede lichamelijke conditie -d.w.z. een fysiek én moreel
evenwicht - als voorwaarde heeft, moet onderscheiden worden van een
concrete toepassing ervan: d.w.z. van het "vermogen" (qudra)
om - op basis van een
alternatief waarvoor men op een bepaald ogenblik
geplaatst wordt - een particuliere handeling te stellen. Dit laatste
vermogen is enkel gegeven vóór de handeling: eens
de keuze gemaakt en de handeling (of: niet-handeling) in uitvoering, is
dat vermogen (dus: die vrijheid) verdwenen, want gerealiseerd.
"Alternatief":
inderdaad, opdàt er vrijheid van keuze (ihtiyâr)
zou zijn - en dus menselijk, moreel handelen -, is het (ook) voor
al-Nazzâm noodzakelijk dat ons twee tegengestelde "ideeën" (hậtirayn)
of "beweegredenen" (dawâcî) voor de geest staan: de ene die àànzet tot een bepaalde handeling, de andere die
ze ons ontraadt of tot de tegenovergestelde handeling aanzet. Dergelijke
aanvangssituatie is er daarom noodzakelijk een van
twijfel - waarbij de twee motivaties elkaar in evenwicht
houden. Aangezien zij het pas is, als bewustzijnsstadium, die een
mens effectief in staat stelt "vrij" te zijn, dient twijfel volgens
al-Nazzâm als iets positief te
worden gewaardeerd ("simpele mensen twijfelen minder dan
"ontwikkelde").
Onze rede, weliswaar, stelt ons vervolgens in staat uit te maken
welke de "goede", en welke de "verkeerde" keuze is:
"(al-Nazzâm) argumenteerde
(ook) dat de rede bij machte is te bepalen wat (moreel) goed of slecht
is voor het geheel van de handelingen die vrij gesteld worden door (de
mens). Hij zei (ook) dat, opdat de (vrije) keuze (van de handeling)
mogelijk zou zijn, noodzakelijk vereist is dat (in de agent) twee
(tegengestelde) suggesties (hậtirayn)
bestaan, waarvan de
ene beveelt de daad te stellen, de andere er zich van te onthouden"(327).
Daarmee sloot al-Nazzâm zich
aan bij de visie van de overgrote meerderheid van de muctazila.
In tegenstelling echter tot de communis opinio, die
het "goede" en het "kwade" alternatief respectievelijk aan God en aan
Satan toeschreef, argumenteerde al-Nazzâm dat zij allebei afkomstig
waren van God. Niét opdat de mens het kwade zou doen, maar
opdat hij/zij bij machte zou zijn te
kiezen - en hij of zij aldus op de proef zou kunnen worden
gesteld: cf. de
notie van taklîf, "(religieuze) verplichting"(328).
'Fysisch' ten grondslag, tenslotte, aan
's mensen bekwaamheid tot keuze ligt volgens al-Nazzâm de door God gecreëerde "vermenging"
(mudâhala) van lichaam en
ziel/geest. Inderdaad, mocht de geest/ziel op zichzelve zijn, dan zou
een persoon uitsluitend het "goede" doen. Het is maar door de integratie in
het ("dikke") lichaam - lichaam dat, zoals gezegd, fungeert
als een "infirmiteit" (âfa) ervoor - dat
de ziel/geest de mogelijkheid ontdekt het kwade te doen, en ook
metterdaad capabel is het te doen(329).
Laat ik het tenslotte nog over de
kennis(verwerving) hebben. Wat hoger gezegd is i.v.m. de zogenaamde "gegenereerde
handelingen", is ook toepasselijk op de zintuiglijke
perceptie (idrâk): d.w.z. het is de
méns die zijn zintuigen gebruikt, maar de perceptie als
zodanig, waarover de mens geen rationele controle bezit(330), wordt geschapen door God, in
overeenstemming met de natuur of aard van de zintuigen(331).
Wat de kenakte betreft en de kennis die eruit resulteert: het gaat om
een "beweging", en dus een accidens. Als zodanig
heeft kennis géén permanent karakter: je moet ze
op elk ogenblik hernieuwen door je het bewijs weerom in herinnering te
brengen. De mens kan kennis verwerven door na te denken. Ofwel komt ze
door "noodzaak" (ịḍtirâr):
hetzij via
de vijf zintuigen; hetzij door het inzicht dat de informatie die
hij/zij ontvangt, "waar" is - en die informatie is,
op zich, enkel spraak die de lucht doordringt; hetzij doordat hij/zij
toegesproken wordt door iemand en daarvan intuïtief de betekenis
vat(332). In verband met deze
laatste twee gevallen, definieerde al-Nazzâm "waarheid" als "innerlijke
rust"(333).
Al-Nazzâms
waarheidscriterium is in zoverre dus subjectief: "waarheid" wordt
psychologisch vereenzelvigd met innerlijke zekerheid. Nadien zou zij hiervoor bekritiseerd
worden door zijn leerling, cAmr b. Bahr al-Jâhiz (gest.
869), vanuit de overweging dat een
foute overtuiging, die dus op ónwaarheid berust, even goed
dergelijke "innerlijke" of "zielerust" kan geven (Van
Ess, 1997:97-8, die, ter verklaring van al-Nazzâms visie wijst op de
dubbelzinnigheid van het Arabische woord kadib: het
wordt zowel gebruikt voor 'onware uitspraak' als voor 'bewuste
leugen'). Al-Jâhiz zelf gaf in zijn kennisleer blijk van
vertrouwdheid met de positie van de antieke Skepsis (in het
Arabisch: ạṣhâb at-tajâhul). Nadenken
leidde volgens hem niét automatisch tot kennis en zekerheid; hij
legde daartegenover de nadruk op de
"ervaring" (tajriba) die mensen via een lang leerproces,
van kindsaf, a.h.w. onbewust opbouwen. Zulke ervaring was
slechts mogelijk in een wereld waarin zich goed én kwaad
manifesteren. Ook al-Jâhiz beoordeelde twijfel als iets positief (zelfs i.v.m. de geloofswaarheden mocht zij, zolang zij eerlijk gemeend
was, niet als 'ongeloof' veroordeeld worden); maar zij ging z.i.
wel
gepaard met de verplichting
om te beslissen (Van Ess, 1979:101-102, en p. 105).
Om terug te keren naar al-Nazzâm: dé waarheid (al-̣haqq),
desondanks, zoals zij bv. in de Openbaring is gegeven, is compleet onafhankelijk van de persoon die
ze uitspreekt(334).
Al-Nazzâm aarzelde hierbij niet om dit principe ook kritisch
toe te passen op de hadît,
of
Tradities, en op
de "principes van het recht"
(ụsûl al-fiqh):
een unieke, geïsoleerde traditie(335)
bijvoorbeeld kon gerust 'waar' zijn, terwijl een overlevering die
berustte op een veelheid aan getuigenissen, heel goed 'ónwaar'
kon zijn, indien externe criteria dat aantoonden. Zelfs de zogenaamde ijmâc,
of consensus, tussen de Gezellen van de Profeet alsook de
fatwâ-s die daarop gebaseerd waren, waren meestal
fout: dat kon effectief aangetoond worden door de tegenstrijdigheden
tussen hun uitspraken over specifieke, juridische problemen. Die
fatwâ-s waren bijgevolg niet gebaseerd op logische
deducties, maar enkel op subjectieve argumenten; in sommige gevallen
waren ze wellicht zelfs gemotiveerd door het verlangen persoonlijk
prestige te verwerven. Door ze na te volgen, bijgevolg, d.w.z. door ze
gewoon passief te aanvaarden (taqlîd),
riskeerde de gehele moslimgemeenschap fout te gaan(336).
Met controleerbare kennis, daarentegen, zoals in het geval van onze
zintuiglijke percepties, was zoiets compleet uitgesloten.
Al-Nazzâms 'rationalistische' conclusie luidde dan ook dat de
mens zich nog het best kon baseren op een vrije ijtihâd,
d.w.z. op persoonlijke reflectie, volgens de regels van de logica(337).
Laat ik eindigen met Van Ess' slotbeschouwing over
al-Nazzâm, in de Encyclopaedia
Iranica(338):
"Because of its rational simplicity and
its strong philosophical and scientific basis, Nazzâm's
system proved attractive far beyond the circles of the Moctazela...
On the other hand, criticism from inside and outside the Moctazela
was already violent during the lifetime of his pupil (Ğâhiz).
The strength of the reactions reflects his undeniable
originality".
Epiloog.
Plaats- en tijdsgebrek dwingen ons de bespreking
hier af
te breken. Voor de ethische en cognitieve problematiek die met het
voorgaande samengaat - zoals de perceptie van het moreel goede en het
moreel kwade, als
objectieve hoedanigheden van de dingen, en de vraag of die perceptie
(die, als een 'accidens', een onmiddellijke creatie is
van God) al dan niet (en het is: niét) motiverend werkt naar
een of andere handeling, met een vorm van determinisme als onvermijdelijk
gevolg, enz. -, verwijs ik naar de gespecialiseerde
literatuur.
Uit het bovenstaande zal ondertussen wel duidelijk
zijn
geworden, dat
de optiek van waaruit de muctazilieten het
menselijke
handelen beschouwden, bovenal een
"juridische" optiek moet genoemd worden - wat
overeenstemt met één van basisgegevens van de
islamitische mensvisie (het model, daarentegen, van al-Jâhiz wijkt daarvan af:
het moet eerder 'psychologisch' dan 'juridisch' worden genoemd, cf. supra; Van Ess, 1997:104). Wat hen in de eerste plaats interesseerde, was
te weten welke de voldoende en noodzakelijke voorwaarden waren ten einde in
het kader van de
taklîf ("obligatie")
de mens
verantwoordelijk te kunnen stellen - zodat beloningen en
straffen vanwege God 'rechtvaardig' konden worden genoemd.
Een beruchte crux, bv., in de discussies tussen de
theologische scholen, was het theoretische geval van de man die een
pijl afschiet maar zelf gedood wordt nog vóórdat
die pijl zelf een slachtoffer maakt: wie of wat is aansprakelijk voor
deze (laatste) doodslag? De schutter? Maar hoe kan iemand die
dood is op het ogenblik van de doodslag, schuldig zijn? God? De pijl?
De muctazilî-s ontwikkelden daartoe, zoals hoger al aangegeven, de
theorie van de tawallud
("verwekking"), of de "gegenereerde handeling".
Voor Abû'l-Hudhayl is de mens enkel verantwoordelijk voor
gegenereerde handelingen waarvan hij of zij (vooraf)
wéét heeft: in het geval van de boogschutter,
indien hij op voorhand gemikt heeft, is hij, óók
als dode, verantwoordelijk voor de dood van het slachtoffer; heeft hij echter 'per ongeluk'
- bijvoorbeeld omdat hij juist zélf getroffen werd - de
dodende pijl gelost, dan
is hij niét aansprakelijk.(339)
___________________________________


NOTEN:
*
Voor een
korte, algemene inleiding (o.m. over de
term "kalâm"),
zie de tekst, "Islamitische
Theologie: Een beknopte inleiding", op deze site [afkorting:
"IsT"].
1. De naam
betekent letterlijk: "zij die de ictizâl
(scheiding) beoefenen". Zie verder, onder § 2.2.
2. Cf. de
zogenaamde Nahda, of "renaissance",
tijdens de laatste decennia van de 19de eeuw, met figuren als de
Egyptenaar Muhammad cAbduh (gest. 1905) en de
Indische moslim Muhammad Iqbâl (gest. 1938). Zie bijvoorbeeld
het "Kalâm"-artikel
van Anawati, in ER,
vol. 8, pp. 241-2; Ch.Bouamrane (1978), "section 4: Le
renouveau du Mu'tazilisme", pp. 330-338. Maar de overtuiging
dat de hernieuwde belangstelling voor de muctazila
een dergelijke renaissance op gang zou brengen, moet vandaag, met de
opkomst van het moderne, zogenaamde "fundamentalisme" in de meeste
moslimlanden, misschien als voorbarig worden beoordeeld. Aldus Van Ess
(1987), p. 224, die erbij opmerkt: "muctazilî
ideas are again pushed back into the corner of heresy".
3. Zo Amad
Amîn (1887-1954), auteur van een geschiedenis van de
klassieke kalâm, die in de Arabische
universiteiten als standaardhandboek ging gelden en waarin een
hoofdstuk van ca 200 blz. gewijd is aan de muctazila.
Geciteerd in Gimaret (1992), p. 786.
4. Zuhdî
Hasan Djâr Allâh, in zijn Al-muctazila
(Kaïro 1947). Zie Gimaret, l.c., met andere verwijzingen.
5. Aldus
Gimaret, l.c. Een interessant voorbeeld van deze revival
is de studie van Chikh Bouamrane: Le problème
de la liberté humaine dans la pensée humaine
(1978). Voor een meer kritische verhouding zie bijvoorbeeld de bekende
Egyptische geleerde, Nasr Abû Zayd, die in een interview
verklaarde: "I started my academic career provoking the
rational trend of Classical Islamic thought as expressed in the
Mu'tazila writing as well as in Ibn Rushd and others, but gradually I
applied my critical methodology realizing that neither the Mu`tazila
nor Ibn Rushd's discourse will sufficiently be able to address our
present issues.", zie:
http://www.anis-online.de/pages/_orient-online/Nasr-Abu-Zayd.htm#engl1
.
6. Een
belangrijke herontdekking, nochtans, van een oorspronkelijk muctazilitisch
werk dateert al van 1920: het "Kitâb
al-intisâr", van al-Khayyât, dat, bedoeld
als een weerlegging van Ibn al-Râwandî's kritiek,
het oudste bewaarde, muctazilitische geschrift
vormt (het dateert van 958). Het is in 1925 uitgegeven door H.S.Nyberg;
zie de vertaling van Nader (1957).
7.
Letterlijk: "[Het Boek] Dat [Andere Boeken] Overbodig maakt".
De volledige titel luidt: "al-Mughnî fî
abwâb al-taẉhîd wa 'l-cadl".
8. De
belangrijkste daarvan is het - al met al vrij objectieve - "Maqâlât
al-Islâmiyyîn" ("Theologische
Opvattingen van de Moslims") van de "afvallige" muctaziliet:
al-Ashcarî (gest. 935). Voor een
bondig overzicht van de beschikbare basisteksten (muctazilitische
en niet-muctazilitische), zie Bouamrane (1978),
pp. 87-103.
9. Dat geldt
bijvoorbeeld gedeeltelijk voor Nader (1956).
10. Josef
Van Ess is, naast Richard M.Frank, dé belangrijkste
hedendaagse autoriteit op het gebied van de "vroege"
kalâm.
Zijn 6-delig magnum opus draagt als titel: Theologie und
Gesellschaft im 2. und 3. Jahrhundert Hidschra. Eine Geschichte des
religiösen Denkens im frühen Islam
(Berlin 1990-97). Voor een omvattende bespreking, op basis van de
eerste twee banden, zie Gilliot (1993).
10bis.
Een "mutakallim" is iemand "die aan
kalâm doet" (cf. het prefix mu-
duidt op een deelwoord); zie over de terminologie verder de inleiding
over "Islamitische Theologie"
[hierna afgekort als: "IsT"], in deze syllabus.
11. Voor
een
(Franse) vertaling, Zie
D.Gimaret & G.Monnot (1986), pp. 142-143.
12. "Dalâlat
al-̣ha'irîn",
I, § 71; vertaald door S.Pines (1963), vol. 1, p. 177.
13. Watt
(1973), p. 180.
14. Zie
Deel 1, p. 73. Vergelijk met de historische samenhang, in het
christelijke Westen, tussen de ontwikkelingen in het canonieke recht en
de vroege scholastiek van de 12de eeuw.
15. Van Ess
(1987), p. 228.
16. Zie
Deel 1, p. 108, over de eerste periode, de zogenaamde "Veteres",
van de vertaalbeweging.
17. Zie het
volgende hoofdstuk.
18. Frank
(1966), p. 9: "One does not choose a philosophical or
theological terminology as might a pair of socks. It is formed and
taken up in the akt of reflective consciousness which poses the
question, in the akt of posing the question...".
19. De
klemtoon, in deze werkelijkheidservaring, wordt gelegd op het concrete,
geschapen "ding" (shay) en de
ontologische structuur ervan binnen de orde van de schepping - en
niét op de logische zijnsstructuur, zoals in de Griekse
metafysica (cf. het aristotelische onderscheid tussen "wàt
(iets) is" en "dàt (iets) is").
Zie Frank, o.c., p. 46 n. 5. Ook G.Hourani (1985), in de bijdrage, "Islamic
and Non-Islamic Origins of muctazilite Ethical
Rationalism", p. 92, concludeert op het gebied van de ethiek:
"muctazilite theologians
from Abû al-Hudhayl onward either knew something of Greek
philosophy or had it available if they wished to study it. Since they
did not make use of it in their ethics, this must have been a
deliberate choice".
20.
Nogmaals Frank - die in zijn studie een filosofische interpretatie
beoogt van de filosofische inhoud van de kalâm
(maar toegespitst op Abû'l-Hudhayl) -, o.c., p. 9 n. 19,
wijst terloops op de implicaties van deze specificiteit ook voor de
falsafa, die haar volwaardige vorm later dan de kalâm
bereikte: "as (the falsafa) developed, its real debt to
earlier islamic thought was enormous, much more so than is often
allowed. For all its appearances, the lógos of the system of
Avicenna, i.e., its most basic orientation in what makes it unique, can
only be understood from within the islamic tradition which preceded it,
not that of classical antiquity".
21. Maar
die kwalificatie wordt hier in feite in een wat oneigenlijke betekenis
gebruikt: ongetwijfeld gold de Qur'ân van in den beginne als
het verstaanbaar paradigma dat de gehele werkelijkheid voor de gelovige
begrijpelijk, zinvol en kenbaar maakte. In deze eerste eeuwen,
nochtans, moest de betekenis zelf van dat
paradigma nog worden "uitgewerkt" (namelijk in een
algemene "hermeneutische situatie": zie de Algemene Inleiding, in Deel
1). Binnen die culturele "self-elaboration" van de
islam (islam die, omzeggens vanaf het begin, een extreem
gediversifieerd socio-cultureel complex vormde) zou de specifieke
bijdrage van de kalâm precies bestaan in
de elaboratie van "a uniquely islamic metaphysics"
- aldus nogmaals Frank, o.c., p. 2 en n. 2.
22. Zie "Het
Arabisch-Islamitisch Hellenisme", kap. 2, op deze
site.
23. Zie
verder, onder § 3.2.4, n. 260.
24. Van een
rechtstreekse invloed vanwege de antieke stoïcijnen op de
Arabische theoretici was vermoedelijk geen sprake, aangezien hun
teksten niet in het Arabisch vertaald zijn. Maar de belangrijkste
opvattingen van al-riwâqiyyûn,
of Stoïcijnen (ook "ạṣhâb
al-mịzalla", "die
van de Stoa",
genoemd), werden wel langs meer indirecte weg (antieke
doxografieën, Aristotelescommentaren, Galenos, enz.) in de
Arabische wereld gerecipieerd. Zie Jadaane, L'influence du
stoïcisme sur la pensée musulmane
(1968): ch. II, "Le problème de transmission".
25. Zonder
daarom "deterministisch" te werken, in de zin dat zij de receptie en
assimilatie van een filosofisch-logisch denken, een filosofisch
begrippenapparaat, enz. zouden beletten: vgl. bijvoorbeeld het Latijn
t.o.v. het
Grieks.
26. IsT,
kap. 2:
http://www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley24.htm#2 .
27. "pre-rationele",
dixit de syllabus De
Ioniërs.
28. Cf. de Analytica Priora.
29. Vgl.
"alle mensen zijn sterfelijk; Sokrates is een mens;
dus is Sokrates sterfelijk".
30. Zie de
syllabus, Wortels van Islam, kap. 9.4:
http://www.flwi.ugent.be/cie/hdeley/islam_syl7.htm#9.4
.
31. Bijvoorbeeld mag
een moslim rhum (geproduceerd van rietsuiker), of alcohol in het
algemeen, drinken? De
Qur'ân verbiedt het drinken van wijn (geproduceerd van
druiven). Het "motief" voor het
wijnverbod: omdat wijn "bedwelmend" werkt (s.
16.67), is vanzelfsprekend ook toepasselijk op rhum en op alcohol in
het algemeen. Dus: omwille van hetzelfde "motief" moet ook drinken van
alle alcohol als "verboden" gelden (maar niet alle rechtsgeleerden
waren het eens met dergelijke veralgemening).
32. Zie
hierover Gardet & Anawati (1948), pp. 365-366; Bouamrane
& Gardet (1984), p. 75; Arnaldez (1991), pp. 447-448.
33. Vanaf
de 11de eeuw werd deze 2-termenlogica verdrongen, in kalâm
en fiqh, door de aristotelische 3-termenlogica.
Maar de oude verdween toch niet volledig: ze duikt voortdurend weer op
in de kalâmtraktaten, "méér
nog, ze kleurt zelfs de meest aristoteliserende uiteenzettingen"
(Bouamrane & Gardet, o.c., p. 74). De oude, dialectische logica
vinden we trouwens ook werkzaam bij de "echte" aristotelici, de falâsifa:
bijvoorbeeld Al-Fârâbî, in zijn korte
commentaar op Aristoteles' Analytica
Priora, geeft een analyse van de analogie die, in
vergelijking met Aristoteles, origineel moet genoemd worden, namelijk
op basis van het hoger vermelde principe van shâhid-ghâ'ib.
Zie Arnaldez, o.c., p. 449, met verwijzingen.
34. Réflexions
sur la structure primitive de l'analyse grammaticale en Arabe
(1954).
35. In:
Bouamrane & Gardet (1984), ch. 3: "Logique
grammaticale", p. 58v.
36. Ibid.,
p. 59.
37. Zie
Bouamrane & Gardet (1984), pp. 58-73.
38.
Voorbeeld bij Walzer (1962c), p. 198.
39.
Bouamrane & Gardet, o.c., p. 63; met verwijzing naar
J.-P.Charnay (ed.), L'ambivalence
de la culture Arabe (Paris 1968). Vergelijk met wat in de
syllabus De
Ioniërs, p. 98, gezegd wordt over de zogenaamde "mythische
relatievorm".
40. Cf.
Bouamrane & Gardet, o.c., p. 63.
41. In
plaats van door "expansie", zoals in de Indo-Europese talen.
42. Vgl. de
veelheid aan substantieven vanuit wortels als bijvoorbeeld ẈhD:
wạhid,
wạhîd, muwạḥhad, taẉhîd, tawạḥhud,
wạhdâniyya, ạhad, ậhâd, ittịhâd,
enz.
43. Zie
over "majâz", Reinert (1986).
44. De
metafoor als zodanig verenigt concreet en abstract in zich. Vgl.
nogmaals de syllabus De
Ioniërs, hfst. 5, § 2.2, p. 185v., en
§ 2.3, p. 201, met het voorbeeld van Herakleitos, fr. 79: "Vergeleken
met de daimoon (i.e. de godheid) heet een man
dwaas, zoals een kind <dwaas heet> vergeleken met een man",
i.e. het schema: "god:man = man:kind", of de metafoor: "een
volwassen man is een dwaas", met de goddelijke wijsheid als
"pre-abstract idee".
45. In:
Bouamrane & Gardet (1984), p. 66.
46. Zie
H.Rousseaux (1993), pp. 137-138. Vgl. ook aan de "vrijdenker"
Ibn al-Râwandî (zie hfst. 3) wordt een werk wordt
toegeschreven met de titel "Kitâb al-Baqâ' wal-Fanâ'" - maar dat heeft
betrekking op het
atomisme van de muctazila (zie verder,
§ 3.2).
47.
Rousseaux, o.c., p. 109.
48. Zie
Gardet & Anawati (1948), p. 359; Gardet (1971), p. 1147, waar
hij ook verwijst naar zijn artikel, La dialectique en
morphologie et logique arabes, in: J.Berque, J.-P.
Charnay, e.a. (edd.),
L'ambivalence dans la culture arabe (Paris 1967), pp.
125-130.
49. In:
Bouamrane & Gardet (1984), p. 67.
50. Voor
wat volgt, zie Arnaldez (1991), p. 448; Shehadi (1975).
51.
bijvoorbeeld "Sokrates
is (een) mens".
52.
bijvoorbeeld "Sokrates
is wit".
53. In het
Grieks: "Sokrates ànthropos esti". Maar
het koppelwerkwoordje kan ook "verzwegen" worden.
54. Het
Griekse, metafysische zijnsbegrip ( cf. to
on: "het zijnde", "wat is") was het resultaat van de
combinatie van deze functies in één werkwoord.
Zie Ch.Kahn, The
Greek Verb 'To Be' and the Concept of Being, in: Foundations
of Language, 2 (1966), pp. 245-266.
55.
Betekent letterlijk: "begin, aanvang".
56.
Betekent strikt genomen: "informatie, bericht, verhaal,
geschiedenis".
57. Het
Arabische werkwoordelijke systeem heeft strikt genomen geen "tijden",
maar enkel twee
"aspecten", namelijk het "perfectief": de handeling is
voltooid, op het ogenblik van spreken, en het "imperfectief": de
handeling is nog niet voltooid, maar duurt voort. NB ook in het Grieks
zijn deze "aspecten" van belang, naast de tijden.
58. Het kan
niet onpersoonlijk gebruikt worden ("er is...").
Eén van zijn vormen, "kawn", betekent: "wording,
totstandkoming".
59. Over kâna
zie bijvoorbeeld J.A.Haywood & H.M.Nahmad, A New Arabic Grammar of
the Written Language (London 1982), pp. 103-105.
60. Haywood
& Nahmad (1982), pp. 394-395: bijvoorbeeld "Hasan
arriveerde
rijdend".
61. In de
verbale of werkwoordelijke zin is de normale volgorde: werkwoord -
onderwerp - voorwerp, of ̣hâl.
62. Als
zodanig geldt elk naamwoord waarmee de spreker begint,
ten einde daaromtrent een kalâm, of
"statement" te formuleren.
63. Zie
Arnaldez, l.c. Cf. ook - in plaats van het aristotelische onderscheid,
tussen de denoterende "klank" (phonè)
en het gedenoteerde begrip/werkelijkheid - het stoïcijnse
onderscheid tussen signifiërende "klank" (laf̣z)
en gesignifieerde "betekenis" (macnâ):
zie Versteegh (1977), pp. 178-190 (ch. 10: "The Stoic
component in the theory of meaning"). - Of het biografisch
gegeven, dat een aantal grote stoïci in de oudheid, zoals
Zenoon en Chrusippos, van Semitische afkomst waren, relevant was voor
de stoïcijnse filosofie, moge hier in het midden blijven.
64. Sommige
moderne commentatoren gaan zo ver, hieruit te concluderen dat het
Arabisch structureel niet bij machte was, het Griekse, metafysische
zijnsconcept (in onderscheid met existentie en essentie) adequaat uit
te drukken. bijvoorbeeld A.Graham, 'Being'
in Linguistics and Philosophy, in: Foundations
of Language, 1 (1965), p. 226: "because of the
structure of the language, they (the Arabic translations of Aristotle)
transform him at one stroke into a philosopher who talks sometimes
about existence, sometimes about quiddity, never about being"
(onderstreping in het origineel), gecit. bij Shehadi (1975), p. 147,
die in zijn bijdrage, m.i. terecht, bezwaar aantekent tegen deze
verregaande conclusie.
65. Ibn
Rushd, dan weer, in zijn commentaar, zou de voorkeur geven aan "al-majjûd",
een term die is afgeleid van het "existentiële zijn". Zie
Shehadi (1975), p. 155: "Between Ishâq the
translator, and Ibn Rushd the philosopher-commentator we have two
candidates for to
on, reflecting the predicative-existential split".
- Een creatie als het Arabische "huwiyya", ten
einde een abstract, metafysisch begrip te construeren, is goed
vergelijkbaar met de wijze waarop de Latijnse scholastici op basis van
het Latijnse aanwijzende voornaamwoord, "haec", "deze (hier)",
het abstracte begrip "haecceïtas"
creëerden.
66. ̣sifa,
meervoud: ̣sifât. Voor een algemeen
overzichtsartikel, zie Anawati (1987).
67. De
primaire motivatie, inderdaad, van deze grammatici was
religieus-praktisch: namelijk, met de bekering van niet-Arabieren tot
de islam, de verloedering van het Arabisch te vermijden, bovenal waar
het de tekst van de Qur'ân betrof. Als equivalent voor het
Griekse woord "grammatikè"
(jarmâtîqî) werd ook het
Arabische woord "al-nạhw"
gebruikt, dat oorspronkelijk "weg, pad" betekende
(mogelijk in de zin van "wijze van spreken", cf.
M.G.Carter). Wat de oorsprong betreft van de Arabische grammatica, gold
in de oriëntalistiek lange tijd de "Griekse
hypothese" van A. Merx (1889), namelijk als zouden de
belangrijke concepten ervan rechtstreeks ontleend zijn aan Aristoteles'
logische taalanalyse (cf. diens De Interpretatione).
In de meer recente literatuur is daarvan afstand genomen en is gewezen
op de nauwe banden tussen grammatica en fiqh, op
het vlak van methode en terminologie, cf. M.G.Carter, Les origines de la
grammaire arabe, in: Revue d'Ét.Isl., 40
(1972), pp. 69-97; A.Elamrani-Jamal, Logique
aristotélicienne et grammaire arabe (Paris
1983) heeft de relatie onderzocht tussen logica en grammatica in de
werken van de filosofen van de 10de en 11de eeuw. Troupeau (1992), p.
913, schrijft: "Without denying the influence which
Aristotelian logic might have exercised on the grammarians of
Baghdâd from the 4th/10th century onward, it may be supposed
that the grammar took shape, unaffected by any foreign influence,
simultaneously with other Islamic sciences such as exegesis and law,
which originated during the first half of the 2nd/8th century in the
two great intellectual centres of southern cIrâq,
Basra and Kûfa". Een meer genuanceerde visie
nochtans is al in 1977 verdedigd door Versteegh (1977): z.i. heeft er
wel degelijke een "Griekse" invloed gespeeld, bij de creatie van een
Arabische grammatica; niét echter door de Griekse logica
(tenzij veel later, in Baghdâd), maar door de Griekse grammatica,
zoals zij, via de "diffuse" weg van hellenisering
en met de Syriërs als bemiddelaars, al eeuwenlang in het
Midden-Oosten beoefend en onderwezen werd (zie pp. 1-9, en p. 15: "We
do not assert that Arabic linguistic thinking was a copy of Greek
grammar, but we do believe that the instruction of Greek grammar was
the model and the starting point for Arabic grammar"). Hoe
dan ook, in Basra en Kûfa kwamen er twee grammaticale scholen
tot ontwikkeling, die zich van elkaar onderscheidden door een eigen
terminologie. Al het grammaticale materiaal uit de pre-islamitische
poëzie en de Qur'ân werd aldus op het einde van de
8ste eeuw "gecodificeerd". In Basra gebeurde dat in het (bewaarde)
basiswerk van Sîbawayhi (gest.
793): het "Kitâb fi 'l-naw", kortweg "al-Kitâb"
genoemd (het ermee corresponderende werk van al-Farrâ', gest. 822, van Kûfa,
ging verloren). Door het onderwijzen van Sîbawayhi's werk in
Baghdâd door al-Mubarrad (gest. 898), werd de Basrische
aanpak in Baghdâd gezaghebbend. Voor een verder overzicht,
met verwijzingen, zie Troupeau (1992).
68. Cf.
Versteegh (1977), p. 15 en n. 69.
69. De aqsâm
al-kalâm. Volgens Versteegh (1977), p. 38v., is er "een
onmiskenbaar oppervlakkig parallellisme" met Aristoteles'
driedeling van de zin in naamwoord (onoma),
werkwoord (rhèma) en verbindingswoord (sùndesmos),
zoals ook al door Arabische auteurs is opgemerkt. Er is nochtans een
groot verschil tussen de aristotelische, logische en
de Arabische, grammaticale indeling - "especially
when we consider the fact that the Aristotelian terms did not denote
parts of speech, but rather constituent parts of sentences".
Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat Aristoteles in het De Interpretatione,
16a2v., slechts twéé elementen noemt: onoma
en rhèma; en dat hij anderzijds, in Poetica,
XX, 1456b20v., behalve het sùndesmos,
als viérde woordsoort ook het lidwoord/voornaamwoord (àrthron)
vermeldt, dat weliswaar in vrij gelijkluidende zin gedefinieerd wordt
(zie de Aantekeningen in N.van der Ben &
J.M.Bremer, Aristoteles,
Poetica, A'dam 1986, pp. 138-143).
70.
Sîbawayhi begint zijn Kitâb met
de zin: "Woorden zijn naamwoord, werkwoord of partikel met
een betekenis die noch naamwoord noch werkwoord is" (gecit.
Versteegh, o.c., p. 39).
71. D.w.z.
niet de gewone infinitief (onbepaalde wijze) maar de zogenaamde
gesubstantiveerde infinitief, m.a.w.: bijvoorbeeld "(het)
lopen",
en niet: "(te) lopen".
72.
Anawati, o.c., pp. 512-513.
73.
Eén van de vijf die geacht werden de identiteit van de muctazila
te funderen. Zie verder.
74. D.w.z.
bij middel van de tanzîh (Latijn: via
remotionis).
75. De
tegenovergestelde positie werd verdedigd door de strikt
traditionalistische ashwiyya, voor wie Gods
attributen letterlijk, d.w.z. zoals menselijke attributen, moesten
begrepen worden. Ook Ibn Hanbal en zijn volgelingen namen deze positie
in. Zie Anawati, o.c., p. 513.
76. ̣sifât
ad-dât. Zeven attributen werden als essentieel
beschouwd: leven, kennis (alwetendheid), macht (almacht), wil,
gehoor, zicht en spraak.
77. ̣sifât
al-ficil.
78. Meer
bepaald de zogenaamde asmâ' al-̣husnâ,
de "goede" of
"schone namen", sc.
van God (het later klassieke lijstje ervan zou er
99 tellen, zie op
deze site, kap. 5.2., noot 7).
79. Om die
reden
wéigerden de meeste muctazilî
dergelijke substantivering. Vgl. Al-Shahrastânî, K. Al-Milal,
p. 178 G&M: "Ils nient radicalement les attributs
éternels, et disent: (Dieu) est savant du fait de Son
essence (li-dâtihi),
puissant du fait de Son essence, vivant du fait de Son essence, et non
en vertu d'une Science, d'une Puissance, d'une Vie, qui seraient des
attributs éternels...".
Abû'l-Hudhayl, daarentegen, als énige,
verzelfstandigde de attributen - ze vormden, als "entiteit"
(macnâ), de
"reden" (cilla) voor Gods
essentiële eigenschappen -; maar hij vereenzelvigde ze
onmiddellijk met de goddelijke essentie. Zie ibid., pp. 190-191: "(Abû
l-Hudhayl) s'est distingué de ses compagnons sur dix points
fondamentaux. (1) Dieu est savant par une Science, mais Sa Science est
(identique à) Son essence; puissant par une Puissance, mais
Sa Puissance est (identique à) Son essence. (Abû
l-Hudhayl) n'a fait qu'emprunter cette théorie aux
philosophes... (Il y a) une différence entre dire que (Dieu)
est savant du fait de Son essence et non du fait d'une Science, et dire
qu'Il est savant du fait d'une Science identique à Son
essence: dans le premier cas, on nie l'attribut, alors que, dans le
second cas, on affirme une essence identique à un attribut,
ou bien on affirme un attribut identique à une essence"
(alleen deze tweede betekenis was geldig voor Abû'l-Hudhayl).
80. Van Ess
(1987), pp. 225-226.
81. Zie ook
verder, onder § 2, "Historiek". Ik baseer
me voor wat volgt, op Frank (1982), pp. 344-346; en op Van Ess (1987),
p. 226; zie ook Gardet (1965a), p. 570.
82. Vgl.
Al-Shahrastânî, K. Al-Milal,
p. 273 G&M: "Dieu est savant 'du fait de Son essence'
(li-dâtihi),
puissant, vivant 'du fait de Son essence'...".
83. Zie de
lange n. 40 van Gimaret, in: Gimaret & Monnot (1986), pp.
273-276.
84.
Meervoud: ạhwâl. Cf. supra, §
1.4.
85. ̣hâl
werd door grammatici gewoonlijk gedefinieerd als "toestand,
verschijning van de actieve en de passieve persoon", zie
Versteegh (1977), p. 9.
86. Vgl.
Al-Shahrastânî, o.c., pp. 277-278 G&M:
"le fait pour le savant d'être savant est un
'état', c'est-à-dire un attribut (̣sifa) au
delà de son fait d'être essence. Autrement dit, ce
qu'on entend par (l' 'état') est autre que ce qu'on entend
par l'essence".
87. macnâ
of shay' ("ding").
88. Frank
(1982), p. 345.
89.
Geciteerd in Van Ess, o.c., p. 226.
90. Vgl.
het Intellect, als tweede principe, bij Plotinos; de Wijsheid, in de
Wijsheidsboeken van de Bijbel; of de H.Geest, in de christelijke
Drievuldigheid.
91. kawnuhû
̣hayyan.
92. kawnuhû
câliman.
93. Cf.
Gardet, o.c., p. 570 ("a sort of conceptualism"). Het
vertoont alleszins opvallende gelijkenissen met de conceptualistische
oplossing voor de zogenaamde "universaliënstrijd" in de Vroege
Scholastiek, door Petrus Abaelardus,
namelijk met diens theorie van de... "status" (cf.
ook zijn concept van het "dictum", als denotatum
van proposities): proposities waarin eenzelfde predikaat, bijvoorbeeld "mens",
geprediceerd wordt van verschillende entiteiten, zijn noch louter
conventioneel (nominalistisch) noch berusten zij op een "res"
(realistisch); zij berusten integendeel op de "status",
hier van "mens", die ze gemeenschappelijk hebben:
"daarmee bedoelen we niets anders dan dat ze mensen zijn en in dat
opzicht helemaal niet verschillen, d.w.z. in zoverre ze mensen zijn,
ook al doen we geen beroep op enigerlei entiteit. Statum autem hominis
ipsum esse hominem, quod non est res (met de status van
mens bedoelen we zijn mens-zijn, wat géén ding
is)". Cf. M.M. Tweedale, "Abelard and the
culmination of the old logic", in: The Cambridge History of
Later Medieval Philosophy (1982), p. 154 en n. 42. De
latere, scholastische formulering voor deze tussenpositie (van de
zogenaamde "conceptistae", zoals Ockham) luidde: "universale
est conceptus mentis". Zie het artikel "Konzeptualismus"
van W.Hübener, in: Historisches
Wörterbuch der Philosophie, Bd 4 (1976), p. 1086
(waarin Abaelardus nochtans niet ter sprake komt).
94. Gardet
(1965), p. 570, onder verwijzing naar de definitie van ̣hâl
door Fakhr al-Din al-Râzî.
"̣hâl" behoorde ook tot het technisch vocabularium
van juristen en artsen. In de geneeskunde verwees het woord naar
"het actueel functioneel (fysiologisch) evenwicht" van een
bezield wezen. Zie Id., in EI,
III (1971), p. 83. De toepassing ervan in de soefi-mystiek - de ạhwâl
zijn "spirituele staten", als (tijdelijke)
evenwichtsmomenten, in de mystieke opklimming van de ziel - berustte
vermoedelijk op een ontlening van de term uit de geneeskunde. Zo
L.Massignon, La
Passion d'al-allâj (Paris 1922), p. 554.
95. Cf. ook
het zogenaamde semi-conceptualisme van Ibn Sînâ.
96. Het
werd geadopteerd, binnen hun eigen perspectieven, door al-Ashcarî,
diens leerling al-Bâqillânî en door
al-Juwaynî, leermeester van al-Ghazâlî.
97. Zelf
ongeveer 60 j. oud, op dat ogenblik.
98. âla,
in het Grieks: órganon.
99. Hij
verwierf vermaardheid met zijn commentaar op al-Kitâb
van Sîbawayhi (cf. supra, n. 67). Zie
ook kort bij Gardet & Anawati (1948), p. 42.
100.
101.
Uitgegeven en vertaald door D.S.Margoliouth, The discussion between
Abu Bishr Matta and Abu Sacid al-Sirafi on the
merits of logic and grammar, in: Journal of the Royal
Asiatic Society (1905), pp. 79-129. Een uitvoerige parafrase (met tal
van correcties bij Margoliouth) en historische bespreking is te vinden
bij M.Mahdi, Language
and logic in classical Islam, in: G.E.von Grunebaum (ed.),
Logic
in Classical Islamic Culture (Wiesbaden 1970), pp. 51-83.
Ik baseer me op Zimmermann (1981), pp. cxxii-cxxxix; Arnaldez (1991),
pp. 443-444.
102.
Netton (1992) bespreekt hem integendeel als één
van de leden van de zogenaamde "school van
al-Fârâbî".
103. In
navolging van de laat-antieke classificaties werden Aristoteles' Rhetorica
en Poetica,
en dus ook die wetenschappen als zodanig, ondergebracht onder de logische werken/wetenschappen.
Zie Lameer (1993).
104. Vgl.
Aristoteles, De
interpretatione, 16a6-7: (de gesproken woorden, die in
alle talen verschillend zijn, zijn "tekens" voor
onze denkinhouden (noèmata) of
"aandoeningen van de ziel" (en) "deze geestelijke
aandoeningen zijn dezelfde bij alle mensen".
105. Cf.
Arnaldez, o.c., p. 444.
106. Maar
er is natuurlijk een onderscheid tussen kennis van de grammatica en
taalvaardigheid; net zoals er, naar
Sîrâfî's eigen zeggen, een onderscheid is
tussen kennis van de logica en de bekwaamheid om correct te redeneren.
107. Cf.
Zimmermann (1981), p. cxxviii: "In tenth-century
Baghdâd the idea was a novelty".
108. Voor
de aristotelicus, Mattâ', is "betekenis"
een logische categorie,
d.w.z. een denotatum (begrip=werkelijkheid, cf.
Aristoteles, De
Interpretatione, aanvang); voor
Sîrâfî, daarentegen, is het een grammaticale categorie,
namelijk een significatum. Zie hoger, n. 63.
109. Voor
een confrontatie tussen deze kritieken en de bewaarde logische
geschriften van al-Fârâbî, zie Zimmermann
(1981), pp. cxxix-cxxxix.
110.
Geciteerd bij Arnaldez, o.c., p. 444.
111. The Logic of Religion
(New York 1965), p. 14: "a study in which, along with other
axioms, at least one sentence is assumed which belongs to a given creed
and which is not sustained by persons other than believers in a given
religion", geciteerd bij Frank (1992), p. 16 n. 18. Voor wat
volgt, baseer ik me hoofdzakelijk op Franks artikel.
112. Een
belangrijke uitzondering hierop vormden sommige "zanâdiqa"
of "vrijdenkers", waaronder vooral
al-Râzî: zie hoofdstuk 3.
113. Cf.
Frank, o.c., p. 20 n. 26.
114. Cf.
de grote "mysteries": de Incarnatie, de Drievuldigheid, enz.
115.
Frank, o.c., p. 18. PS: Deze (voormoderne) "rationaliteit" is dus deductief: zij
vertrekt vanuit (intuïtief gevatte en) algemeen aanvaarde,
"ware" premissen - zoals dat ook reeds voor Aristoteles het geval was.
116. Om
het wat schematisch te zeggen: hier geen (Latijn) "fides"
op zoek naar "intellectus", maar net omgekeerd: "intellectus"
op zoek naar "fides". Cf. de vele oproepen en
aansporingen, in de Qur'ân, om kennis op te doen omtrent de
geschapen werkelijkheid en aldus tot inzicht te komen, als een voorwaarde om
tot "overgave" aan de éne God te komen
117. Over
het "creationistisch" waarheidsbegrip, al-̣haqq,
zie verder, onder § 3.
118.
Anawati (1987b), p. 232.
119. Zie
Frank, o.c., pp. 9-11.
120. cf.
het werkwoord "nạzara, yaṇzuru" betekent "beschouwen,
contempleren", en kon als vertaling worden gebruikt voor het
Griekse "theoreîn".
121.
Volgens H.A.Wolfson, The
Philosophy of the Kalam (Cambridge, Mass., 1976), kon kalâm
gebruikt worden om de verschillende betekenissen van de Griekse term ,
als "woord, rede, argumentatie", te vertalen in het
Arabisch. Vgl. hoger, p. 4, al-Shahrastânî: "maṇ̣tiq
en kalâm zijn synoniemen".
122.
Ibid., pp. 11-12.
123. Cf.
Frank, o.c., pp. 12-13.
124. In de
Arabische maṇtiq-traktaten wordt "kennis"
(cilm) traditioneel gedefinieerd als
gebaseerd op twee cognitieve momenten: 1) dat van de "conceptie"
(tạsawwur), op
basis van de ("reële) definitie; 2) dat van de "instemming"
(tạsdîq),
als
resultante van het syllogisme.
125. Cf.
vormt ook bij al-Fârâbî het "derde deel"
van de metafysica; bij Ibn Sînâ is het het laatste
deel van de metafysica.
126.
Frank, o.c., p. 13v., die zich daarmee afzet van de minimalistische
appreciatie van de kalâm door Gardet en
Anawati, namelijk als "louter defensieve apologetica".
127.
Ibid., p. 22.
128.
Frank, o.c., p. 33.
129. Zie
IsT, noot 54. Zoals reeds opgemerkt, hoger, in n. 10, is de
belangrijkste bron, voortaan, voor een studie van de vroege en
vroeg-klassieke kalâm het groots
opgezette Theologie
und Gesellschaft im 2. und 3. Jhrt. H.
(1990-97), in 6 banden, van Josef Van Ess. In afwachting dat ik dat
werk zelf ter hand kan nemen, baseer ik me op de uitvoerige bespreking
ervan door Gilliot (1993). Verwijzingen naar Van Ess zullen gebeuren
met de afkorting Th&G.
130. "'Théologie'
s'entend ici dans l'acceptation la plus large et donc d'un discours sur
la réalité marqué religieusement, et
qui reçoit son orientation d'une
révélation encore jeune", aldus Van
Ess, Th&G,
in zijn Woord Vooraf (vertaald door Gilliot, o.c., p. 347).
131. "En
effet, seul un fondamentaliste peut se laisser abuser par l'image que
nos sources dessinent à partir d'une perspective plus
tardive selon laquelle l'islam a toujours été ce
qu'il fut plus tard. On s'y retrouvait en choisissant entre plusieurs
modèles et stimulations contenus dans la
révélation et dans la tradition", Van
Ess, Th&G
(Gilliot, l.c.).
132. Ik
parafraseer hier nog altijd het Woord Vooraf van Van Ess, Th&G
(Gilliot, pp. 347-348).
133. Voor
een overzichtelijke bespreking en situering van het begrip, zie
U.Vermeulen, Umma
en kalifaat: enkele aspecten van de klassieke soennistische islam,
in: R.Pinxten (ed.), Geef
aan de Keizer... Omtrent religie en politiek (Leuven
1993), pp. 169-178.
134. De
stammen hadden hun eigen moskee, bijvoorbeeld Zie Gilliot (1993), p.
354.
135. Of
misschien beter: orthodoxieën, namelijk telkens
één van de concurrerende groepen erin zou slagen,
haar macht, eventueel tijdelijk, binnen een bepaalde politieke ruimte
te vestigen. Cf. Deel 1, pp. 57-58, met verwijzing naar M.Arkoun.
136. "C'est
seulement avec les querres de conquête que le
kérygme montra sa force; le critère qui donna
raison à la nouvelle religion fut la succès.
C'est seulement avec lui que les tentatives de
répéter l'événement
prophétique perdirent de leur force d'attraction",
Van Ess, Th&G,
p. 4 (Gilliot, p. 354).
137. Cf.
de moord op cUthmân (656), de Slag
van de Kameel (656), de Slag van Siffîn
(657) en de machtsgreep van cOthmâns
verwante, Mucâwiya, met vestiging van
de dynastie van de Umayyaden.
138. Zie
IsT, kap. 5.
139.
Eén van de methodologische vernieuwingen die Van Ess brengt,
met zijn Th&G,
is dat hij, in een eerste onderdeel, de 2de-eeuwse ontwikkelingen in de
verschillende provincies afzonderlijk tracht te reconstrueren: vol. I:
1. Syrië; 2. Irak: 2.1. Kûfa; vol. II: 2.2. Basra;
2.3. Wâsit; 2.4. de Jazîra (Noord-Irak:
bijvoorbeeld Harrân); 3. Iran; 4. het Arabisch Schiereiland;
5. Egypte.
140. Cf.
de ondertitel van Nader (1956): "premiers penseurs de
l'islam". Zie reeds Maimonides, Gids vd Verdwaalden,
I.71 (p. 176 Pines); geciteerd en gevolgd door Hegel, Vorl. über die
Geschichte d. Philosophie, II, p. 515 in: Theorie
Werkausgabe (NB de "sekte" van de "Medabberim",
of "die Redenden", waarover Hegel het verder heeft,
op basis van de Hebreeuwse terminologie van Maimonides, slaat uiteraard
gewoon op de "mutakallimûn", Latijn: "Loquentes").
141. Cf.
Gilliot, o.c., p. 355: "il faut ajouter le type du
commerçant qui se développe facilement dans les
régions qui n'ont pas de clergé (cela
était déjà le cas dans le
judaïsme). Le lien entre commerce, voyage, recherche de la
science et l'esprit missionnaire est ici évident".
142. Cf.
http://www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley24.htm#5.2 .
143. Zie
Gilliot, o.c., p. 362 en pp. 364-373.
144. De
benaming stamt, zoals vele andere, oorspronkelijk van hun
tegenstanders. Zie ook M.Momen (1985), p. 73: "This...
rejection was of fundamental importance since it implied a rejection of
the whole body of hadîth, transmitted by these companions, on
which the structure of what was gradually evolving to be Sunni Islam
was based. It was probably this point which was decisive in causing the
Twelver Shicis to separate into a distinct sect
set apart from what was evolving into the Sunni community".
145. Cf.
http://www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley24.htm#5.2 .
146.
Gilliot, o.c., p. 363. Zie Deel 1, p. 73. Abû
Hanîfa's afwijzing van het label van "murji'iet"
slaat op het pejoratieve gebruik ervan door de tegenstanders (in de
eerste plaats de khârijieten), namelijk in de zin van een
onverantwoord lakse houding t.a.v. de zonden en een ontkenning van het
belang van de werken. Hij benadrukte wél dat wie een zware
zonde beging, niet ophield 'moslim' te zijn. Opmerkelijk hierbij is dat
Abû Hanîfa dit theologisch standpunt combineerde
met een radicaal politiek activisme, waarin hij het gevestigd gezag van
zijn tijd bestreed. Zoals Abd-Allâh (1983), p. 298, hierbij
opmerkt: "there was a conspicuously militant dimension to the
so-called Murjiite movement. A number of the Kufan Murjiites, for
example, took active part in rebellions against the Umayyads".
Vermelden we nog dat Abû Hanîfa, wiens theologische
activiteiten vooral toegespitst waren op het weerleggen van de
khârijiten, nadien gedesillusioneerd werd over de kalâm,
en zichzelf ging wijden aan de studie van de figh.
Zie het artikel van Abd-Allâh.
147.
Gilliot, o.c., p. 383.
148.
Gilliot, o.c., p. 397.
149. Cf.
http://www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley24.htm#5.2 . Zie
Williams (1987).
150. Cf.
vandaag in Oman en, vooral, onder de Berbers van Noord-Africa en
Lybië, diep in de Sahara. bijvoorbeeld in de oases van de
Mzâb (Algerijnse Sahara), in de zogenaamde Heptapolis, vindt
men vandaag nog "un bel exemple de théocratie
populaire", Bouamrane & Gardet (1984), pp. 153-155.
151.
Vandaar dat ze ook "Wâsiliyya" werden
genoemd. Hun traditionele naam hebben ze te danken aan Ibn
Ibâd, die vermoedelijk een historische figuur is. Zelf
noemden ze zich gewoon "muslimûn". Zie
ook Gilliot, o.c., pp. 384-385. Verder het artikel "al-Ibậdiyya"
van T.Lewicki, in EI,
III (1971), pp. 669-682.
152. Zie
http://www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley24.htm#5.1 .
153.
Vandaar ook "mujbira", of "deterministen"
genoemd. Vgl. bij al-Shahrastânî, K. Al-Milal,
p. 290 Gimaret & Monnot (1986): "Le
ğabr consiste à nier à
l'homme la (faculté d') agir (al-ficl)
au sens propre, et à l'imputer (exclusivement) à
Dieu".
154.
Namelijk als het geloof van de nomade, dat iemands stervensuur evenals
diens rizq ("provisie") vooraf beschikt waren.
Algemeen gold als gedetermineerd: de uitkomst van
iemands daden, niét de daden zelf. Zie Watt (1987), p. 429.
155.
Waarbij nochtans twee niveau's kunnen onderscheiden worden: 1) het
geloof dat wat iemand overkomt, gepredestineerd is,
maar niét zijn daden; 2) het geloof dat zowel wat iemand
overkomt als zijn daden voorbeschikt zijn.
156. Zie
Watt (1965a), p. 388; ook Bouamrane (1978), pp. 33-35; voor de
verhouding tussen Jahm en de muctazila, zie
Pines (1936), Anhang, pp. 124-13. Zie verder vooral
R.M.Frank, The
neoplatonism of Ğahm b.
Safwân, in: le Muséon, 78 (1965), pp.
395; Van Ess, Th&G,
II, pp. 493-508.
157. Zie
Watt (1965b), p. 388.
158. Cf.
http://www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley24.htm#5.1 .
159.
Gilliot, o.c., p. 358: "le premier mouvement
politico-religieux qui ait agité les esprits en Syrie fut le
qadarisme". Zie Van Ess (1978).
160.
Waarin o.m. de exclusiviteitsclaim van de Quraysh-stam op het kalifaat
verworpen werd: iedereen die leeft naar het voorbeeld van de
Qur'ân en de Sunna kon tot kalief worden verkozen.
161. Zie
Van Ess (1978), p. 370; ook Bouamrane (1978), p. 23.
162. Cf.
Gilliot, o.c., p. 379: "Tout comme les muriğites à Coufa, les
qadarites à Basra n'étaient pas une secte".
163. Van
Ess (1978), p. 369.
164. Zie
Deel 1, p. 88.
165. Zie
Van Ess, l.c.; Watt (1987), pp. 430-431; Gilliot, o.c., p. 378.
166. Van
Ess (1978), p. 368: "the word was always derogatory, never
applied to oneself"; zie over het woordgebruik ook Van Ess,
in: Oriens, 18-19 (1965-6), p. 127v.
167.
Naarmate bijvoorbeeld de Qadarî-opvattingen als "ketters"
gingen beschouwd worden, kwam er een proces van "herschrijven van de
geschiedenis" op gang: enerzijds wou men een aantal beroemde geleerden
die ook aan de wieg stonden van de eigen traditie (bijvoorbeeld Hasan
al-Basrî, t.o.v. het latere Hanbalisme), 'zuiveren' van
ketterse smet; anderzijds ging men de rol van andere, dissidente
figuren overbeklemtonen (bijvoorbeeld Ghaylân, e.a.). Cf.
Watt (1987), p. 432. Cf. Van Ess, Th&G,
Woord Vooraf (Gilliot, o.c., p. 348): "Tout ce que nous
apprenons des textes musulmans... est soupçonné
de projection".
168.
Evengoed als de muctazilî-s, werden ook
de Jahmiten "muwạḥhidûn",
i.e.
verdedigers van de taẉhîd, of Eenheid
van
God, genoemd.
169.
Anawati (1987), p. 235.
170. Cf.
Fakhry (1970), p. 62: "What set the muctazilah
apart from the outset, was their revolutionary vindication of what
might be called the rationality of God's ways, which they sought to
substantiate intellectually without necessarily repudiating the
authority of Scripture".
171.
Bouamrane (1978), pp. 67-68.
172. Cf.
Fowden (1993), pp. 149-160 (p. 149: "it was only when the
Umayyad dynasty fell in 750 and the Abbasids replaced Damascus, one of
the world's oldest inhabited places, with a completely new capital
called Baghdâd, that this process of domination but also
acceptance and transformation of the Old World by Islam attained its
most forcible expression".
173. "Lorsque
la capitale nouvellement fondée eut attiré de
plus en plus de forces intellectuelles venant des anciens centres et
qu'elles s'y retrouvèrent ensemble, alors seulement naquit
avec le muctazilisme une théologie
qui revendiqua un caractère obligatoire et
général", Van Ess, Th&G,
Woord Vooraf (Gilliot, o.c., p. 348).
174.
Gewantrouwd omwille van de grote macht die hij had weten op te bouwen,
viel Yahyâ in 803 in ongenade en werd terechtgesteld.
175. Een
alternatieve benaming voor de muctazilî
was ook: "al-Jadaliyûn", "dialectici".
176. Zie
verder onder § 3.
177. Meer
dan drieduizend niet-moslims, voor het merendeel mazdeërs en
manicheërs, zo wordt verteld, zouden zich dank zij
Abû'l-Hudhayls dialectische capaciteiten - dus op rationele
gronden - bekeerd hebben tot de islam.
178. Cf.
Bouamrane (1978), p. 74, met bronvermeldingen.
179.
Bouamrane, l.c.
180.
Ibid., p. 75.
181. Cf.
Hourani (1985), p. 77.
182. Vgl.
met de analoge rol van het theologisch rationalisme van Eriugena in het
kader van de godsdienstpolitiek van het Karolingische rijk. Zie de
syllabus, De
Vroege Middeleeuwen, p. 76. Volledigheidshalve moet hier
worden aan toegevoegd dat precies het rationalisme het mogelijk maakt
tot het vastleggen van een "orthodoxie" te komen, die vervolgens kan
worden afgedwongen. Zoals Auguste Comte al heeft aangetoond, heeft
juist de intolerantie een "rationele" oorsprong (vgl. met de
diversiteit van het christendom in zijn beginperiode, en de evolutie
ervan naar de orthodoxie, naarmate de eschatologische verwachting afnam
en, integendeel, dank zij de kerkvaders, de religieuze ervaring ervan
"gerationaliseerd" werd). Cf. M.A.Sinaceur, Avant-Propos,
in: Gimaret & Monnot (1986), p. ix.
183. "Les
muctazilites, qui avaient combattu l'influence
du hadîth à l'époque où ils
étaient très influents, cherchèrent
à montrer que leur enracinement était ancien",
Gilliot, o.c., p. 356.
184. Van
Ess (1987), p. 220.
185. Van
Ess, l.c., die er nog op wijst dat de overgeleverde gegevens pas later,
d.w.z. vanaf het midden van de 2de helft van de 9de eeuw, opgeschreven
werden. Cf. Gilliot (1993), p. 385: "Les muctazilites,
de façon caractéristique, ne savaient plus
à une époque plus tardive d'où ils
tiraient leur nom; le souvenir du passé était
rompu".
186. Van
Ess, l.c.
187. Zo
nog Van Ess (1987), p. 221; Gimaret (1992), p. 783, daarentegen, staat
sceptisch t.a.v. de thesis van een oorspronkelijk "politieke muctazila".
Gilliot (1993), p. 391, merkt op dat Van Ess, Th&G,
pp. 335-342, omtrent de oorsprong van de naam, "apporte sinon
une solution définitive, du moins des
éclaircissements argumentés". Zie ook
verder.
188. Cf.
supra.
189. Van
Ess (1987), p. 221.
190. Van
Ess, l.c.: "he sent his disciples, as 'propagandists', to the
most remote regions of the Islamic empire - the Arabian Peninsula,
Armenia, Iran, India (the Pundjab) and the Maghreb". De
mogelijkheid dat Wâsil "politieke" oogmerken had, kan z.i.
niet worden uitgesloten, te meer omdat hij het organisatorische model
kopieerde van de Ibâdiyya, met hun
netwerk van agenten. Stippen we nog aan dat Wâsil reeds op
30-jarige leeftijd een polemisch werk zou hebben opgesteld, "Duizend
Vragen ter Weerlegging van de Manicheërs". Zie Deel
1, p. 82.
191.
Gilliot (1993), p. 387.
192. Van
Ess, Th&G
(bij Gilliot, o.c., p. 390). Ook politiek lijkt er onder cAmr
een zekere radicalisering te hebben plaats gevonden: cf. de
participatie van zijn leerlingen, na zijn dood, aan een opstand tegen
al-Mansûr. Cf. ibid., p. 388: "ces
récits suggèrent donc que les muctazilites
n'étaient pas seulement une organisation religieuse, mais
aussi une organisation politique de combat".
193. Zie
http://www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley24.htm#5.1 .
194. O.m.
de passus in al-Khayyât, K. Al-Intisâr,
§ 107, pp. 150-153 Nader (1957), over de beschuldiging van Ibn
al-Râwandî, dat de muctazila
zich zou hebben "afgekeerd" van de algemene
consensus onder de moslims.
195. Van
Ess, Th&G,
bij Gilliot, o.c., pp. 386-387.
196.
Gilliot, o.c., p. 391.
197.
Gimaret (1992), p. 784.
198.
Arkoun (1975), p. 41.
199.
Arkoun, o.c., pp. 41-42, die afsluit met: "Il illustre une
tension entre deux façons de comprendre et de vivre le fait
coranique, entraînant deux pratiques du discours,
elles-mêmes liées dialectiquement à des
groupes sociaux nettement différenciés".
200.
Gimaret (1992), p. 784.
201. Van
Ess (1987), p. 223.
202. Met
de komst van de Turkmeense Seldjukiden, maar tussen beide is er niet
noodzakelijk enig verband.
203.
Gimaret, l.c.
204. De
aanzet daartoe was in belangrijke mate geleverd door de vlijmscherpe
kritieken vanwege de ex-muctaziliet, Ibn
al-Râwandî (zie verder, hoofdstuk 3, §
1.4).
205. Op
basis van de classificaties in de latere bronnen, maakt Gimaret, l.c.,
ook al in de eerste periode een differentiatie tussen "bạsriyyîn"
en "baghdâdiyyîn" - wat dus tot
een 4-deling leidt: telkens in "vroege" en "late"
-, maar gelet op de grote heterogeneïteit in de eerste
periode, lijkt dergelijke indeling niet echt functioneel.
206.
Gimaret, l.c.
207. Zie
het overzicht van de betreffende werk van de zayditische auteur Ibn
al-Murtadâ (gest. 1437), bij Badawi (1972), I, pp. 19-22,
waar men vele tientallen namen opgesomd vindt.
208. Zie
Van Ess (1981). Voor zijn opvattingen, zie verder, onder §
3.2.2.
209. Zijn
bijnaam, "al-Nazzâm", zou daaraan te
danken zijn: cf. "nạzama"
betekent
"ordenen",
en vandaar ook: "verzen componeren". Zie Gimaret,
in: Gimaret & Monnot (1986), p. 200 n. 1.
210. Cf.
J.Van Ess, Theology
and science. The case of Abû Ishâq
an-Nazzâm, Ann Arbor 1979.
211.
Nyberg (1957), p. xliii: "je suis enclin à dire
que nul, dans l'histoire, n'a réussi mieux
qu'al-Nazzâm à réfuter les dualistes et
à leur asséner le coup fatal au Moyen Orient".
Al-Nazzâm werd, tijdens zijn leven, nog het meest aangevallen
door... zijn oom. Later werd hij een geliefd mikpunt van Ibn
al-Râwandî, zoals blijkt uit het K. Al-Intisâr
van al-Khayyâ. Cf. Van Ess (1983a), p. 277.
Al-Nazzâms werken zijn verloren gegaan, op enkele luttele
fragmenten na.
212. Zie
reeds hoger, § 1.5.
213.
Volgens de overlevering legde al-Ashcarî
zijn leermeester het dilemma voor van de zogenaamde "drie broers": de
ene stierf als een vroom moslim, de tweede als een ongelovige en de
derde als een klein kind. Wanneer God de derde had laten sterven omdat
hij voorzag dat hij zou zondigen, waarom had hij dan de tweede laten
leven tot hij gezondigd had, en dus eeuwig moest "branden"? - Voor het
geloofspunt van het goddelijk Decreet of de Voorbeschikking (al-qada wa 'l-qadar),
- letterlijk: wat, "zoals
het God behaagt" (in shâ' Allâh!), aan
elk mens of schepsel is "toegemeten",
namelijk van het goede en het kwade, zie de syllabus, Wortels van Islam,
kap.
5.2.
214. Zie
Madelung (1982).
215. Cf.
de titel van de monografie van Nader (1956).
216. Van
Ess (1987), p. 224 (mijn vertaling).
217. In
zijn hoofdwerk, "Kitâb al-̣hujja",
"Boek van het Bewijs".
218. Vgl.
het polemisch gebruik ervan door al-Khayyât, in zijn K. Al-Intisâr,
§ 83 (p. 115 Nader), ter weerlegging van Ibn
al-Râwandî's poging om een aantal ketters, zoals
al-Jahm b. Safwân (zie hoger, p. ?) met de muctazila
te associëren: "Nul d'entre eux ne
mérite le nom de muctazil s'il ne
défend ensemble les cinq principes: le
monothéisme, la justice, la promesse et la menace, la
situation intermédiaire, le commandement du bien et
l'interdiction du mal. Si un homme réunit en lui ces cinq
principes il est alors muctazil".
219. Zie
Van Ess (1987), p. 224, en Gimaret (1992), p. 787.
220. Nr. 5
geeft uitdrukking aan een nogal khârijitisch aandoend
"activisme". Het was wellicht gebruikt als slogan in de opstand tegen
al-Mansûr, in 762. In het 9de-eeuwse Baghdâd, in
elk geval, was het niet meer relevant: de "activisten" toen waren
veeleer de Hanbaliten, de "aartsvijanden" van de muctazila.
221. Het
zogenaamde kallima: "Er is geen God
buiten God" (la ilâha illa allah),
waarmee wil uitgedrukt worden dat God met niets of niemand
vergelijkbaar is; vgl. s. 42.11: "Niets is aan Hem gelijk".
Dé doodzonde in de islam is daarom shirk,
letterlijk het "associëren", sc. van
andere wezens aan God: zoals bijvoorbeeld in het polytheïsme,
het mazdeïsche en manicheïsche dualisme, maar ook in
de christelijke leer over Jezus als "(Zoon van) God". Ook de
vergoddelijking van Muhammad is van hieruit in principe uitgesloten.
222. Bijvoorbeeld dat hij niet kan gezien worden; dat alle antropomorfische
beschrijvingen in de Qur'ân metaforisch te begrijpen zijn;
dat zijn attributen identiek zijn aan zijn essentie, enz. Zie ook Netton,
1994:57, i.v.m. al-Kindî.
223.
Hoewel met vergelijkingen voorzichtig moet worden omgesprongen, ligt
het voor de hand om de muctazila in dit opzicht
te vergelijken met de theologische tegenstanders van de Latijnse
kerkvader Augustinus (rond 400 nK): namelijk Pelagius
en de zogenaamde Pelagianen. Ook zij werden, in hun rationalistische
ethiek, in sterke mate gemotiveerd door de bekommernis om de
rechtvaardigheid van God te funderen en ze golden in die context
uitdrukkelijk als zogenaamde "inimici Gratiae",
i.e. vijanden van de goddelijke genade of willekeur (Augustinus,
daarentegen, stelde zich op als "kampioen van de Gratia").
Zie de syllabus, De
Late Oudheid, p. 122.
224. Frank
(1966), p. 4.
225. Ik
laat me hierbij inspireren door het artikel van Van Ess over
Abû'l-Hudhayl, in EIr (1983),
p. 320v. Van Ess beroept zich op de filosofische reconstructie van
diens denken door R.M.Frank, o.m. in (1966).
226. Cf.
Frank (1966), p. 10: "Whatever may have been their verbal
agreement on the five theses, we can no more validly describe a single
and unified concensus (sic) about the fundamental and detailed
structure of being in the varied systems of the muctazila
than we can lump together the Dominicans, Augustinians, and Franciscans
of the middle ages and say simply that 'the scholastics say...', for
there are between diverse authors basic and fundamental differences of
view which are nigh absolutely incompatible and great cataclysms of
speculative thought hang often on a split hair".
227. Vgl.
Frank (1992), p. 21: "If, following the conception of its
masters and practitioners, we will take kalâm
to be philosophy, it will have, in any case, to be understood as a
'Muslim philosophy' somewhat after the manner of Gilson's conception of
'Christian philosophy'" (zie de Algemene Inleiding, in Deel
1, p. xxi). Frank bedoelt daarmee dat we in beide gevallen te doen
hebben met "theologie" in de formele betekenis (cf. Bochenski's
definitie, supra). Cf. ibid., n. 28: "Like al-Ašcarî
and al-Ghazâlî, Gilson makes explicit his
philosophy's ultimate subordination to religious doctrine, whence his
'Christian philosophy' is really theology".
228. Frank
(1966), p. 6.
229. O.m.
Qur'ân 14.19; 15.85, et alibi. Voor deze
vergelijking, zie ook onze tekst, "Grieks en Arabisch Atomisme: de
rede tussen de waarheid van het zijn en de waarheid van de
schepping", op deze
site.
230. Zie
ook de syllabus De
Late Oudheid, pp. 22-24, waar de typische Griekse visie op
de natuur (en op de ethiek) gecontrasteerd wordt met de
joods-christelijke.
231. Frank
(1966), p. 7, die vervolgt (in een wat "onengels" Engels): "This
is important, for the kalâm's initial and
unreflected attitude towards the kind of truth to be attained and the
place of reason in its attainment determined its method as well as its
form and content. The place of reason is to bring to rational,
systematic expression the truth of the paradigm as transcendent it
underlies the multiple variety of discrete and individual events which
make up the world".
232. Met
de benaming "occasionalismus" (die pas laat, o.m.
bij Kant, 1790, wordt aangetroffen) wordt, strikt genomen, een late
richting van het Cartesianisme aangeduid: i.v.m. de problemen bij de
verhouding tussen geest en lichaam, leerde zij de passiviteit van alle
natuurlijke schepselen (óók - in onderscheid met
Descartes - van de menselijke geest) en de 'alleenwerkzaamheid' van
God. Zie het artikel, "Occasionalismus", van
R.Specht, in: Historisches Wörterbuch der Phil., Bd VI (1984),
pp. 1090-91. Vgl. bijvoorbeeld Malebranche (1638-1715), in zijn Entretiens sur la
métaphysique, VII, 11 en 13: "Donc
les corps ne peuvent se mouvoir les uns les autres, et leur rencontre
ou choc est seulement une cause
occasionelle de la distribution de leur mouvement...
Toutes les créatures ne sont unies qu'à Dieu
d'une union immédiate..." (gecit. in de "Lalande",
1962, p. 712). Specht voert deze opvatting, via de school van Ockham,
o.m. terug op de receptie, via de polemiek ertegen van Ibn Rushd
(Averroës), van al-Ghazâlî's thesis van de
"Alleinwirksamkeit Gottes".
233. "halq
fî kull waqt".
234. Zie
o.m. Pines (1936), pp. 26-27: "Die
spät-ašcaritische
Kausalitätslehre leugnet jede naturgemäße
Gesetzmäßigkeit sowie jede Freiheit des menschlichen
Tuns. Die Regelmäßigkeit der Naturvorgänge
wird durch eine Gewohnheit (câda)
erklärt, die auch von Zeit zu Zeit durchbrochen werden kann.
Auf Grund des Satzes von der Momentaneität der acrậdd
[sc. accidenten] und der darauf
begründete Lehre von der dauernden Neuschöpfung...
wird jedes Geschehen wie jede menschliche Tat in eine Anzahl von
diskreten, voneinander völlig unabhängige Momenten
zerlegt". Zie ook het korte artikel van Fakhry (1987). Een
belangrijke, zij het niet objectieve, bron voor dit ashcaritisch
atomisme is Maimonides: zie zijn Gids voor de Verdwaalden,
I, 73 (over de twaalf algemene "premissen" van de
mutakallimûn): dl. 1, pp. 194-214 Pines (1963).
235. O.c.,
p. 11 n. 23.
236. Zie
Van Ess (1981), met bibliografie.
237. Ousía.
238. Sumbebèkós.
Dirâr schreef een apart traktaat waarin hij kritiek leverde
op deze aristotelische concepten.
239.
Fakhry (1970), p. 68. Dirârs tijdgenoot, al-Asamm
(gest. 816?), daarentegen, zou, volgens de latere doxografen, in het
aristotelische "koppel" net, omgekeerd, de accidentia ontkend hebben.
Zie
Van Ess, Th&G,
II, pp. 398-9: "il ne reconnaissait que le corps spatial
tridimensionel. C'est lui que nous avons sous les yeux et c'est lui que
nous pouvons saisir avec l'intelligence. Nous pouvons bien le voir
différent selon les moments, mais cela ne tient pas au fait
que quelque chose se serait séparé de lui et
aurait été remplacé par autre chose,
comme on peut le dire d'un accident. Pas plus que rien n'est issu du
corps qui n'ait été déjà
présent en lui de façon latente. Naturellement,
il y a du changement, mais il est accompli directement par Dieu, comme
une transformation, laquelle peut s'opérer
instantanément: Dieu peut à tout instant
transformer un grain de sénevé en montagne. Nous
constatons le phénomène en ayant à
deux reprises et successivement l'impression sensitive d'un corps. Il
reconnaissait des phénomènes comme le changement
ou des qualités comme la couleur; mais ils ne sont pas
spéculativement isolables du corps avec lequel ils
apparaissent" (in vertaling geciteerd bij Gilliot, o.c., p.
393).
240. Van
Ess (1981), p. 226. Zie ook Bouamrane (1978), pp. 124-125.
241. Ik
volg hier in de eerste plaats de reconstructie van
Abû'l-Hudhayls metafysica door Frank (1966).
242. ajsâm;
enkelvoud: al-jism.
243. Jawâhir
of ajzâ; enkv.: al-jawhar
of al-juz [uitspraak: djoez]. In werkelijkheid zijn
deze gebruikelijke
termen voor "atoom" de afkortingen van
omschrijvingen voor o.m. "ondeelbare substantie" (al-jawhar
betekent op zich "substantie, stof") of "deeltje
dat niet kan gedeeld worden" (al-juz
betekent op zich "deelt(je), partikel"). Zie Pines
(1936); Gardet (1965b); Frank (1966), e.a.
244. acrậd;
enkv.: carad. Frank
(1966),
p. 13 n. 1, waarschuwt dat de technische term "accidens"
niet
mag begrepen worden in de gebruikelijke, aristotelische betekenis: "rather
it is a quite distinct concept which is to be understood and defined
from within the system".
245. In de
verdere kalâmliteratuur
zouden zeer
spitsvondige discussies gevoerd worden over de vraag, wat het
minimale aantal atomen was, nodig om een "lichaam" te
vormen:
sommigen hielden het bij 2, anderen bij 4 of bij 6. Maar ze waren het
erover eens dat een combinatie van acht
atomen hoe dan ook een
drie-dimensionaal lichaam vormde.
246. De
term "̣hulûl" werd in de mystieke taal van
shîca en soefisme gebruikt voor de "neerdaling"
van de goddelijke geest op de mens; maar hij was ook gebruikt voor de
christelijke leer van de Incarnatie. Zie Pines (1936), p. 21 en n. 1.
247. Zoals
in de aristotelische ousía-leer: bv. het
is de natuur van gras om groen te zijn (en niet blauw, bv.);
taalvaardigheid (het "grammatikós"-zijn)
is een specifieke hoedanigheid van de menselijke natuur, enz.
248. Cf.
Frank (1966), p. 14: "There can, thus, be no question of
'essences', for there is no intrinsic principle according to which
there must exist in a given material body one or another single
'accident' or specific complex of 'accidents', which, in their total,
common inherence in the unified substrate, constitute the total
character or nature of a particular existent thing".
249.
Frank, o.c., p. 14 n. 4.
250. In de
literatuur wordt er in dit verband vaak van een islamitisch nominalisme
gesproken, naar analogie met de confrontatie tussen de "reales"
en de "nominales", in de christelijke scholastiek.
251. Ook
de (betrekkelijke) permanentie van een lichaam is te danken aan een
"accidens", namelijk dat van "duur" (mudda).
252. abcậd,
enkelvoud: bac̣d.
253. Vgl. K. Al-Intisâr,
§ 4 (p. 9 Nader): "Sache - que Dieu te fasse
connaître le bien et te rendre bon - que la question qu'
A.Hudhayl discutait était que les êtres
contingents forment un tout et un ensemble [kull wa-jamîc]
et ont une fin et une limite à laquelle se termine l'objet
de la connaissance (que Dieu en a) et de la puissance de les
réaliser. Et cela à cause que
l'éternel est différent du temporel".
254. Pines
(1936), pp. 14-15, en p. 25, waar op de eschatologische
consequenties gewezen wordt: cf. het uit de Qur'ân afgeleide
dogma van de eeuwigheid van het Paradijs, dat Abû'l-Hudhayl
verplichtte te stellen dat de paradijsbewoners, wanneer alle beweging
zou ophouden, eeuwig gefixeerd zouden blijven in de toestand waarin ze
zich net op dat ogenblik zouden bevinden.
255. Van
Ess (1987), p. 227. Voor een beknopte,
vergelijkende bespreking van respectievelijk Demokritos' en
Abû 'l-Hudhayls atomisme, vanuit hun verschillende, algemene
principes, zie mijn tekst, "Grieks en Arabisch Atomisme: de
rede tussen de waarheid van het zijn en de waarheid van de schepping",
op
deze site. Zie ook over al-Râzî's 'Grieks' atomisme, verder, hoofdstuk 4,
kap. 2.3.2.
256. "as
it was given to an experience paradigmatically moulded in Islam",
Frank, o.c., p. 41.
257. Cf.
zijn werk, "Kitâb al-Juz". Zie Pines
(1936), p. 9v.
258.
Al-Nazzâms systeem wacht nog altijd op een reconstructie ervan. Ik
baseer me voor wat volgt, behalve op Pines (1936), vooral op de
encyclopedische artikels van Van Ess (1983a), (1986) en (1992); als
doxografische bronnen, op al-Khayyât, K. Al-Intisâr
(= Nader, 1957) en al-Shahrastânî, K. Al-Milal wa'l-Nịhal
(= Gimaret & Monnot, 1986).
259.
Gestorven onder al-Ma'mûn; zou de invloed hebben ondergaan
van de gnostische Daỵsâniyya
(die terugging
op Bardesanes).
260. Het
begrip gaat uiteindelijk terug op de stoïcijnse noties
van krâsis
en mixis
di' holou, waarbij twee ingrediënten (vloeistoffen
in het geval van "krâsis", droge stoffen
in het geval van "mixis") elkaar volledig
interpenetreren, zonder nochtans hun eigen hoedanigheden te verliezen.
Ook het begrip "lichaam" gaat op die manier terug
op het stoïcijnse begrip van sôma.
261. Maar,
zoals gezegd, met de bedoeling zijn opponenten op hun eigen terrein te
weerleggen: wanneer Licht en Duister inderdaad tegengestelden zijn en
zij noodzakelijk moeten ageren vanuit hun specifieke, fysische natuur,
kan hun concrete vermenging, in de wereld, enkel verklaard worden door
het optreden van een hogere God die zowel de tegengestelden als hun
vermenging heeft geschapen, cf. K. Al-Intisâr,
o.m. § 18, p. 29 Nader: "(al-Nazzâm) leur
dit: Si elles sont telles que vous dites, comment se seraient-elles
mélangées,
compénétrées et unies d'elles
mêmes, alors qu'au-dessus d'elles il n'y a aucun
être qui les contraigne (à s'unir)...?"
262. K. Al-Intisâr,
§ 19, p. 30 Nader: "(al-Nazzâm) a
nié que les corps fussent un agrégat d'atomes. Il
a prétendu qu'il n'y a pas une partie d'un corps qui ne soit
divisible en deux, par l'imagination".
263. K. Al-Intisâr,
§ 31, p. 47 Nader: "Puis
(Ibn al-Râwandî) dit: (al-Nazzâm)
prétendait
que Dieu a créé les hommes, les bêtes,
les animaux,
les minéraux et les végétaux en
même temps,
et que la création d'Adam n'a pas
précédé
celle de sa progéniture, ni la création des
mères
n'a précédé celle de leurs enfants.
Mais Dieu a
recelé certaines choses dans d'autres.
L'antériorité et la
postériorité n'ont lieu
qu'avec l'apparition (de ces choses) de leurs lieux et non en vertu de
leur création et de leur production. Il est impossible, pour
lui, que la puissance de Dieu ajoute à la
création ou en
retranche quelque chose". Al-Khayyât protesteert
tegen deze voorstelling van zaken, die de absurditeit van de theorie
wil in het licht stellen. Maar als concreet tegenargument verwijst hij
enkel naar de (buitennatuurlijke) mirakels van de profeten, die door
God slechts geschapen worden op het moment dat ze gebeuren. Ongeveer in
dezelfde bewoordingen, maar sterk ingekort, wordt de leer ook door
al-Shahrastânî aan al-Nazzâm toegewezen,
zie: K. Al-Milal,
p. 207 G&M. Als precedent voor de theorie kan natuurlijk
verwezen worden naar de stoïcijnse logoi spermatikoi
en, in aansluiting daarbij, naar Augustinus' "rationes
seminales": ook voor Augustinus heeft God alles ineens
geschapen, zij het niet alles direct in zijn perfecte staat, maar
eventueel als "zaden" van wat nog moet komen (zie
diens De Gen.
ad Litt., VI, 6, 10; IX, 17, 32).
264. Vgl.
Al-Shahrastânî, K. Al-Milal,
pp. 204-205 G&M: "Au rapport d'al-Kacbî,
(al-Nazzâm) soutenait que tout acte extérieur au
lieu d'inhérence de la puissance est acte de Dieu par un
effet nécessaire du caractère (de la chose);
autrement dit, Dieu a doté la pierre d'une nature telle, Il
l'a créée avec un caractère tel, que,
quand on la lance, elle s'élance, et que, quand la force de
lancement atteint sa limite, la pierre, par nature, revient
à son lieu (initial)". Cf. het commentaar hierbij
van Gimaret, in Gimaret en Monnot (1986), p. 205 n. 30: "Comme
nombre de ses contemporains (Dirâr, Mucammar,
Thumâma, Jâhiz), N. admet l'idée d'une
'nature' propre à chaque chose, et par quoi s'expliquent la
constance, la 'nécessité des
phénomènes... Par conséquent, lorsque
N. dit que l'acte engendré est acte de Dieu, ce n'est pas
dans le sens du pur 'occasionalisme' qui sera la position sunnite...
Mais il n'admet pas non plus, comme le fait Mucamar,
une sorte d'autonomie des natures: les processus sont, en chaque
circonstance, l'expression de l'action divine, qui les a faits tels".
265. ajsâm,
of ajsâm litâf, "subtiele lichamen".
Cf. Van Ess (1983, p. 277: "'body' is everything which is
created by God and which cannot be reproduced by man". Zoals
hoger gezien (zie n. 239), werden de accidentia reeds geloochend door
al-Asamm, maar die vatte de kwaliteiten niet op als lichamen.
266. Jawâhir.
267. Vuur
bijvoorbeeld is niet "warm" en "lichtgevend", maar is samengesteld uit,
o.m.,
hitte en licht (maar ook uit asse, namelijk smaak, kleur en droogte).
Vgl. K.
Al-Intisâr, § 23, p. 36 Nader: "pour
(al-Nazzâm), le feu est chaleur et lumière, et la
chaleur et la lumière, d'après lui, sont deux
corps susceptibles de durer. Telle est la thèse
célèbre d'Ibrâhîm [sc.
Al-Nazzâm] relative au feu".
268. Dat
wordt geactiveerd door het water op te warmen: cf. het borrelen van het
kokend water.
269. hiḷt,
mv. ahlật.
270. ajsâm
kịtâf.
271. K. Al-Milal,
p. 209 G&M, vol. I. De auteur voegt eraan toe: "Toujours
il a été enclin à soutenir, parme (les
philosophes) les théories des naturalistes
[al-̣tabîciyyûn]
plutôt que (celles) des métaphysiciens
[al-ilâhiyyûn]". Zie ibid., de lange
verklarende n. 42 van Gimaret. In het tweede deel van het K. Al-Milal
(vertaald door J.Jolivet & G.Monnot, 1993, p. 186), bij zijn
bespreking van de Griekse filosofen, schrijft
al-Shahrastânî dat Anaxagoras de
eerste filosoof was om de
thesis van "al-kumûn wa l-̣zuhûr"
te verdedigen. Al-Nazzâms verklaring voor fysische processen
vertoont inderdaad een opvallende gelijkenis met de theorieën
van die belangrijke, Griekse natuurdenker uit de 5de eeuw vK: behalve
de oneindige deelbaarheid van de lichamen, huldigde hij ook het
principe dat "in alles een deel is van alles" (frr.
B 11 en 12 D-K); dat "hetgene waarvan er het meeste aanwezig
is in iets, ook het meest manifeste is" (fr. 12); en dat "geen
ding ontstaat of vergaat, maar dat het gemengd wordt uit de aanwezige
dingen en dan weer ontbonden wordt" (fr. B 17). Wanneer ons
lichaam in allerlei opzichten aangroeit door het eten van bijvoorbeeld
brood, impliceert zulks
dat
stoffen als haar, nagel, vlees, been, enz. reeds vooraf "latent" aanwezig
waren in het brood, "want hoe zou uit wat geen haar is, haar
kunnen ontstaan, en uit wat geen vlees is, vlees?" (fr. B
10). Ook door andere commentatoren werden al-Nazzâms
opvattingen in verband gebracht met
"Anaksafrâtîs"=
Anaxagoras, cf. Pines (1936), p. 12 n.
272.
Vandaar dat al-Nazzâm dus, zoals gezegd, die eenheid niet
enkel ̣tabîca, "natuur",
noemde, maar ook hilqa, "karakter".
273.
Al-Nazzâm kon die "tegennatuurlijke" natuurlijke eenheid
tussen tegengestelden als een soort van godsbewijs hanteren, zie K. Al-Intisâr,
§ 26, p. 42 Nader: "J'ai vu le chaud
opposé au froid et j'ai constaté que les deux
contraires ne s'unissent pas en un même lieu de par
eux-mêmes. J'ai compris alors, en les voyant unis, qu'il y a
un être qui les a unis et qui les a contraints au contraire
de leur nature. Or, ce qui subit la contrainte ou
l'empêchement est faible; et sa faiblesse et
l'efficacité de l'influence de celui qui le contraint,
prouvent qu'il est contingent et qu'un agent l'a produit et qu'un
auteur l'a créé sans lui ressembler; autrement,
s'il lui ressemblait, il serait contingent comme lui. Cet agent c'est
Dieu, le maître de toutes choses".
274. K. Al-Milal,
p. 203 G&M. Al-Shahrastânî alludeert hier
natuurlijk op Aristoteles voor wie het begrip "kinèsis"
inderdaad een dergelijke brede betekenis had. Maar in de optiek van
Aristoteles was "beweging" geen "principe
van een verandering", maar de verandering zélf, in
al haar vormen. Cf. Gimaret, ibid., n. 17.
275.
Geciteerd bij Van Ess (1983), p. 277, en (1992), p. 1057.
276. Cf. K. Al-Milal,
l.c.: "Sa thèse que les actes des hommes sont tous
uniquement des mouvements".
277. Zie
verder, onder § 3.3.
278. Ook
"rust" beschouwde hij als een vorm van "beweging": niet van "verplaatsing"
(̣haraka nuqla of ̣haraka zawâl),
maar van "druk" (̣haraka ictimâd),
die verkeerdelijk als "onbeweeglijkheid" (sukûn)
wordt bestempeld: er is "onbeweeglijkheid" wanneer de natuurlijke
beweging van de lichamen, namelijk naar omlaag, door een obstakel
gestopt wordt. Zie Gimaret, ibid., n. 16.
279. Vgl. K. Al-Intisâr,
§ 34, p. 51 Nader: "(al-Nazzâm) a soutenu
comme impossible qu'il y ait un atome sans qu'il ne soit divisible par
l'imagination [wahm], et sans qu'on ne puisse se représenter
sa moitié". Op het traditionele atomistische
bezwaar, o.m. van Abû'l-Hudhayl, dat zulke oneindige
deelbaarheid zou impliceren dat een mosterdzaad en een berg allebei
evenveel (want een oneindig aantal) deeltjes zouden bevatten,
riposteerde al-Nazzâm dat op elk ogenblik van de deling van
beide, de deeltjes van de berg groter zouden zijn dan die van het
mosterdzaadje, zie ibid., § 20, p. 33 N. Uit de bewaarde
berichten wordt niet echt duidelijk of al-Nazzâm het
actuele bestaan van een oneindig aantal deeltjes aanvaard
heeft. Al-Khayyât, hierboven, heeft het enkel over een deling
"in de verbeelding" (bi'l-wahm). Bij de
latere falâsifa zou de uitdrukking "bi'l-wahm"
vaak gebruikt worden voor een deelbaarheid "in aanleg",
in onderscheid met: "in act" (cf. reeds
Aristoteles). Maar deze filosofische uitweg stond al-Nazzâm
vermoedelijk niet ter beschikking. Zie Pines (1936), p. 11 n. 3, die
vermoedt "daß Nazzâm sich mit dieser
Fragestellung nicht auseinandergesetzt hat". Merken we nog
op, tenslotte, dat al-Nazzâm enkel de oneindigheid van de
(lichamelijke) deling verdedigde; de oneindigheid, daarentegen, van de
tijd en de ruimte werd door hem, in zijn polemiek met de
manicheërs en de dahrieten ("atheïsten"),
uitdrukkelijk geloochend, vgl. bijvoorbeeld K. Al-Intisâr,
§ 19, p. 31, waar hij stelt: "que le monde est
infini quant à sa divisibilité, mais fini quant
à sa mesure et à son étendue";
en § 20, pp. 32-33, i.v.m. de bewegingen van de hemellichamen,
met als commentaar van al-Khayyât: "Sache que cette
question d'(al-Nazzâm) que rapporte l'auteur du livre est ce
qu'il y de mieux (dans le kalâm) contre
les athées qui soutiennent que les astres parcourent leurs
sphères de toute éternité".
280. Cf.
Van Ess (1983b), p. 319: "(Abû'l-Hudhayl's) forte
was his irony; he was a true dialectician in trying always to have the
laugh on his side".
281. K. Al-Milal,
pp. 205-206 G&M.
282. Als
"bewijs" wees al-Nazzâm op het "feit" dat een mier die de
diagonaal volgt van een vierkant, vlugger aankomt dan de mier die de
twee zijden afloopt - waarmee geïmpliceerd wordt dat volgens
de atomisten de diagonaal hetzélfde aantal "plaatsen" telde
als twee zijden samen. Zie Pines (1936), p. 11; Van Ess (1983), p. 278,
die eraan toevoegt: "the ̣tafra theory needs further research"
(met verwijzingen naar "comparable ideas in Greek
philosophy"). Al-Khayyât, in zijn K. Al-Intisâr,
zwijgt (opzettelijk?) over al-Nazzâms ̣tafra-theorie.
283. Cf.
Gimaret, o.c., p. 206 n. 33, waar hij o.m. opmerkt: "Cet
argument... rappelle évidemment les paradoxes de
Zénon d'Elée".
284. Zie
n. 279.
285. Cf.
Fakhry (1977), p. 107, met verwijzing naar al-Shahrastânî's
K.
Al-Milal. Deze laatste hamert met name steeds weer op het
idee dat de muctazilî hun inspiratie
hebben gevonden bij de Griekse filosofen: cf. bijvoorbeeld p. 142
G&M.
286. Voor
Dirâr, zie hoger, § 3.2.2.
287. Frank
(1966), p. 27; zie ook Fakhry (1977), p. 108v.; Van Ess (1983b).
288. Zo
Frank, l.c., op basis van al-Ashcarî
en Ibn Hazm. Volgens cAbd al-Jabbâr,
kon het, in de mening van Abû'l-Hudhayl, hetzij als een
accidens hetzij als een lichaam worden geclassificeerd, zie Fakhry,
o.c., p. 108 en n. 5.
289. Zo
Frank (1966), p. 27 n. 2.
290.
Geciteerd, uit al-Ashcarî's
Maqâlât,
door Frank, ibid., n. 9.
291. cilm
al-qalb, "kennis van-het-hart", of ficl
al-qalb, "act van-het-hart", in contrast met de afcâl
al-jawâri, "akten van de ledematen". Dit
onderscheid tussen "psychische" (al-qulûb)
handelingen (kennis, raisonnement, wil, spijt, enz.) en "fysieke"
handelingen (beweging, drukking, geluid, pijn, enz.) was klassiek in de
muctazila.
292. Dit
laat zich, op het eerste gezicht, vergelijken, met de (platonische)
visie van Augustinus, volgens dewelke de "visio spiritualis",
als een finaal door God geïnduceerde akt, onafhankelijk is van
de lichamelijke processen van de "visio corporalis".
Zie de syllabus De
Late Oudheid, pp. 173-174.
293. Zo
Frank, o.c., p. 28 n. 13.
294.
Frank, o.c., p. 28.
295. qâdir,
mustạtîc.
296. qudra
of istịtâca,
maar
terwijl het eerste woord ook toepasselijk is op God, wordt het tweede
gereserveerd voor het specifiek menselijk vermogen.
297. Maar
dat wil niét zeggen: "essentieel", want als een vermogen tot
keuze tussen goed en kwaad verdwijnt het in het Hiernamaals.
298.
Frank, l.c.
299. muhtâr
("kiezend"), mustạtîc
("vermogend"), ook: al-murîd ("willende",
cf. irâda).
300.
Frank, l.c.
301.
Ibid., p. 29v.
302. diddân.
303.
§ 4, p. 10 Nader.
304.
Bouamrane (1978), p. 174.
305. ġayr
ihtiâriyya.
306. "This
notion of a specific, knowing intentionality underlying all events and
things is a basic assumption of the kalâm
from abû l-Hudhayl through al-Râzî and
Šahrastânî, etc., and forms the basis of
most of the traditional proofs for the existence of God", Frank,
o.c., p. 29 n. 19.
307. Zo
Frank, o.c., p. 29.
308. 's
Mensen innerlijke handelingen, daarentegen, zijn gelijktijdig met de
wilsakt.
309. Voor
de jabrieten, daarentegen, voor wie de mens niét de auteur
was van zijn daden, vielen qudra en akt samen; dat
gold later ook voor de ashcarieten. Zie
Bouamrane
(1978), p. 177v.
311. Van
Ess (1983), p. 278, geeft er de naam aan van "corporeïsme".
312.
Volgens al-Ashcarî, vereenzelvigde
al-Nazzâm rụ̂h en nafs;
zie Gimaret, in G&M, p. 203 n. 19.
313. Al-Ashcarî,
Maqâlât
(gecit. Fakhry, 1977, p. 109 n. 10); enigzins anders
al-Shahrastânî, K. Al-Milal,
p. 109 G&M: "(Al-Nazzâm) partageait
également l'opinion des (philosophes) quand ils disent que
l'homme, en réalité, c'est l'âme et
l'esprit, dont le corps constitue (uniquement) l'instrument
[âla] et l'enveloppe. Seulement, étant incapable
de saisir (correctement) leur théorie, il pencha pour la
thèse des (philosophes) naturalistes, à savoir
que l'esprit est un corps subtil entrelacé au corps,
compénétrant le corps de ses particules, comme
l'aquosité compénètre la rose,
l'oléité le sésame, la
lipidité le lait. C'est l'esprit, disait-il, qui a force,
capacité, vie, volonté. Il est capable
(mustạtîc) par
lui-même, et
la capacité est antérieure à l'acte".
cAbd al-Jabbâr,
anderzijds, in zijn
Mughnî, identificeert al-Nazzâms "geest"
als het "leven dat met het lichaam vermengd is en erin
subsisteert op de wijze van interpenetratie (mudâhala)"
(gecit. Fakhry, o.c., p. 109).
314. Jawhar
wậhid.
315. cAbd
al-Jabbâr,
Mughnî,
gecit. bij Fakhry, l.c. Al-Ashcarî's
bewering dat de geest "een enkele atoom" (juz wậhid) zou zijn, miskent
vanzelfsprekend al-Nazzâms algemene afwijzing van het
atomisme.
316. musâbik,
cf. het citaat, hoger, uit al-Shahrastânî.
317. De
arm of de hand kan, bijgevolg, branden in de hel, terwijl de rest van
het lichaam in het paradijs verblijft. Cf. Van Ess (1983a), p. 278.
318. Cf.
Al-Khayyât,
K. Al-Intisâr, § 21, p. 34 Nader: "Ibrâhîm
disait que les corps sont un obstacle pour les âmes dans ce
monde qui est un monde de malheurs, d'épreuve et
d'affliction. Les âmes sont entachées de ces
obstacles afin que l'épreuve puisse se faire et soit valide.
Quant au ciel, il n'est pas, pour Ibrâhîm, un lieu
d'épreuve et de tentation; mais un lieu de bonheur et de
récompense, et non un lieu d'obstacles.
Ibrâhîm soutient que si Dieu veut accorder une
juste récompense aux âmes dans l'autre monde, il
faut que les âmes soient revêtues de ces corps,
comme les couleurs, les saveurs et les odeurs, parce que le boire, le
manger, l'union sexuelle et les différentes
espèces de plaisirs ne peuvent être
goûtées par ces âmes que
revêtues de leurs corps".
319. Zie
hoger, § 3.2.2.
320. Van
Ess, l.c., met verwijzing naar R.Köbert, in: Der Islam, 28
(1948), p. 118v. Arabische uitdrukkingen voor het boze oog zijn: cayn
("oog"), nạzar ("blik"), eventueel nafs ("ziel");
maar, zoals in andere culturen, kan men het ook, eufemistisch, hebben
over "cayn al-jamâl", "het
goede oog". Zie S.Seligmann, Die Zauberkraft des
Auges und das Berufen. Ein Kapitel aus der Geschichte des Aberglaubens
(1921), pp. 21-22.
321. Vgl.
met de zogenaamde "aporroaí", bij de
Griek
Empedokles (zie Diels-Kranz, 31 A 86, 93 en 94).
322. Cf.
het citaat van al-Shahrastânî, hoger, n. 313. Voor
de latere kritiek van cAbd al-Jabbâr
op de wijze waarop al-Nazzâm omspringt met zijn begrippen
"mens", "geest", "ziel" en "lichaam" (bijvoorbeeld nu eens is het de
mens die "door
zichzelf" leeft, vermag, enz.; dan weer de geest), zie Fakhry
(1977), pp. 115-116.
323. Cf.
supra, § 3.2.4.
324. Cf.
supra, § 3.2.4.
325. Cf.
supra, n. 310.
326. "Thus
a stone thrown by man moves according to its nature, the throwing being
man's action and the motion God's action", Van Ess, o.c., p.
278, met verwijzing naar al-Ashcarî's
Maqâlât,
p. 404.4v.
327.
Al-Shahrastânî, K. Al-Milal,
p. 216 G&M. Zie ook Bouamrane (1978), p. 214.
328.
Gimaret, in: G&M, ibid., n. 74.
329. Van
Ess (1992), p. 1057. Het hoeft niet gezegd, dat de afstand tot het
manicheïsme -voor wie de vermenging van lichaam en geest ook
gelijk stond aan een vermenging van het "goede " en het "kwade" - hier
erg klein lijkt. In onderscheid, echter, met de manicheërs, en analoog aan het
fysische evenwicht dat hij erkende tussen tegengestelden in de natuurdingen
(bijvoorbeeld tussen vuur en water, in het hout), werd door al-Nazzâm ook wat 's mensen
tegengestelde "beweegredenen" betreft de
mogelijkheid voorzien dat zij elkaar in "evenwicht" bléven houden. In
dat geval kon de mens zich onthouden van elke handeling: "Il
n'est jamais forcé de céder à tel ou
tel mobile: rien ne le contraint d'agir dans tel sens ou dans tel
autre. S'il ne le veut pas, il ne cède à aucun
mobile et suspend tout choix. En effet, les mobiles n'ont de sens que
si l'agent a la possibilité d'opter entre un acte et son
contraire. C'est justement cette possibilité qui distingue
l'acte libre de l'acte contraint. L'existence du mobile, à
elle seule, est insuffisante; il faut encore que le choix soit
réel", Bouamrane (1978), pp. 214-215.
330. Je
kiést niet dat het water heet of koud is (d.w.z. aanvoelt);
een voorwerp glad of ruw is, enz. Zintuiglijke gewaarwording is "noodzakelijk".
331. Van
Ess (1983a), p. 277, onder verwijzing naar zijn studie Die Erkenntnislehre des cAdudaddîn
al-Îcî
(Wiesbaden 1965), p. 169.
332. Ik
omschrijf hier een passus in Van Ess (1983a), pp. 278-279.
333. sukûn
al-qalb, letterlijk: "rust van het hart".
Cf. het hoger, n. 291, i.v.m. Abû'l-Hudhayl, aangestipte
onderscheid tussen (a) handelingen "van het hart",
d.w.z. innerlijke, of psychische, en (b) handelingen "van de
ledematen", i.e. externe, of fysieke.
334. Met
uitzondering van de shahâda, of
geloofsbelijdenis: die kan enkel subjectief 'waar' zijn als de
persoon inderdaad een
gelovige is - d.w.z. "er met het hart bij is"
(hụdûr al-qalb).
335. habar
al-wậhid.
336. Deze
voor soennieten
shockerende kritiek op de Gezellen, werd fel gewaardeerd door de
shîcieten. Al-Nazzâm,
nochtans, maakte helemaal geen uitzondering voor cAlî.
Zie Van Ess, o.c., p. 279, met verwijzing naar zijn studie Das Kitâb
an-Nakth des Nazzâm und seine Rezeption im Kitâb
al-Futyâ des Ğâhiz
(Göttingen 1972), p. 111v., p. 131v.
337. Vgl.
de rol van "ijtihâd",
als vrij onderzoek, bij een rationalist als
al-Râzî: zie in deze syllabus,hfst. 3, § 4.2.
338. Van
Ess (1983a), p. 280.
339. Zie
Bouamrane (1978), pp.
225-226.