Inleiding
(2):
Het Arabisch-Islamitisch Hellenisme
Inhoud:
1. Het Arabisch-Islamitisch Humanisme
2. Het Arabisch-Islamitisch
Hellenisme
3. Filosofie en Geneeskunde
4. De Vertalingsbeweging:
4.1. De
Arabische "Translatio Studii"
4.2. De Vertaalscholen.
5. Het Arabisch Hellenisme en de Oudheid
5.1. "Philosophia Perennis"
5.2. Arabisch versus Latijns Hellenisme
5.3. Taal en Wetenschap
5.4. Internationalisme & Kosmopolitisme
6. De Arabische
Wetenschap:
6.1. De "Oude Wetenschappen"
6.2. Theorie en Praktijk
6.3.
Arabische en Moderne Wetenschap.
7. De
Falsafa:
7.1.
Inleiding
7.2. Bronnen
7.3. Methode
7.4. Het Maatschappelijk
Statuut van de Faylasûf :
7.4.1. Islam
versus Christendom
7.4.2. Maatschappelijk Nut
7.4.3. Falsafa en Hofcultuur.
8.
Beknopt Historisch Overzicht.
1. Het Arabisch-Islamitisch Humanisme
1.1. Tussen de 7de en de 9de
eeuw zette de Latijnse christenheid haar eerste, schuchtere stappen op
het moeizame pad van een nieuw civilisatie- en rationalisatieproces,
vanuit de "barbarij" teweeggebracht door de Germaanse invallen. Daarmee
in fel contrast, werd in diezelfde periode het Arabische moslimrijk
drager van de hoogste, menselijke cultuur en civilisatie, in het
uitgestrekte gebied van de mediterrane oikouménè,
gaande van de Atlantische tot de Indische Oceaan.
Bijna alle prestigieuze centra van (oudere en
jongere) geleerdheid en beschaving maakten er deel van uit (de
belangrijkste uitzondering, vanzelfsprekend, was Byzantium of
Constantinopel).
Om die algemene uitspraak toch even te concretiseren, wat
civilisatie in de zin van "materiële" cultuur betreft: de nieuwe
wereldhoofdstad Baghdâd,
"Stad van de Vrede", telde op haar hoogtepunt ca 0,5 miljoen inwoners (een
alternatieve schatting spreekt van 1,5 miljoen); ze beschikte over
vele honderden moskeeën (met een 6-tal "kathedraalmoskeeën") en badhuizen, honderden bibliotheken, talrijke
scholen, hospitalen, en, als manifestatie van een bloeiend literair
leven, een plethora aan boekhandels ("alleen al in de bazaar bij
de poort van Basra bevonden zich naar verluidt meer dan honderd
boekhandels", Leezenberg, 2008:85). Het westerse Qurtuba of Cordoba in al-Andalus,
anderzijds, zelfs door christelijke auteurs verheerlijkt als het "Sieraad
van de Wereld" [1], telde ca 300.000
inwoners en beschikte eveneens over ontelbare moskeeën en badhuizen,
tientallen bibliotheken, hospitalen, enz. [2];
het bezat waterleiding, straatverlichting, geplaveide straten, enz. Op
het hoogtepunt van het Andalusische kalifaat, onder cAbd al-Rahmân
III en al-Hakam II (10de eeuw), was Cordoba de belangrijkste
politieke hoofdstad van de islam en tegelijkertijd de meest
geciviliseerde stad van Europa[3].
Maar ook wat de geestescultuur
betreft (die uiteraard samenhangt
met de materiële cultuur), toonde de islam zich een (méér dan)
waardige erfgenaam van de vele, oude cultuurtradities in de
verschillende regio's die nu deel uitmaakten van de dâr al-islâm.
Zoals W. Montgomery Watt hierover schrijft
[4]:
"er is iets bijna ongelofelijks en,
daarom, fascinerend in het verhaal van hoe de antieke culturen van het
Nabije Oosten getransformeerd werden in een islamitische cultuur".
In dat verband moet op een belangrijk onderscheid worden gewezen
met de historische voorgangers-imperiumbouwers van de Arabische
veroveraars: de Romeinen. Hoewel deze laatste, bij de creatie van
hun imperium, de gehele Griekse of hellenistische wereld veroverd
hadden, blééf het Grieks de cultuurtaal - ook in Rome. Gans anders
was het met de Arabieren: hoewel het algemene culturele peil van de
bedoeïenenlegers onvermijdelijk oorspronkelijk erg laag was; en
hoewel zij, in enkele jaren tijd, gebieden hadden veroverd waar een
stedelijke beschaving bestond die millennia jaren oud was, hebben
zij na verloop van jaren, met Iran of Perzië als belangrijkste
uitzondering, aan die oude
cultuurvolkeren hun Arabische taal opgelegd. Het prestigieuze erfgoed van eeuwenoude culturen
werd voortaan in het Arabisch uitgedrukt. De historische verklaring daarvoor moet
ongetwijfeld voornamelijk gezocht worden in de
Qur'ân,
als een Arabische tekst die de
culturele kerntekst werd van deze civilisatie.[5]
In de Qur'ân was God als het ware (!)
"Boek" (kitâb) geworden, ter lering van de mens[6];
en in de Qur'ân zelf wordt de Arabische taal (al-carabiyya)
gevaloriseerd als een voorwaarde voor het menselijke
begripsvermogen als zodanig: "Wij hebben (het Boek) neergezonden als een
Arabische Koran; opdat jullie verstandig mogen worden". [7].
De Qur'ân gold daarom als onvertaalbaar en wanneer
niet-Arabische gemeenschappen (in toenemende mate) moslim werden,
dienden zij zich ook het Arabisch eigen te maken, d.w.z.
islamisering en arabisering gingen grotendeels te samen. Anderzijds
zouden niet-moslims: christenen en joden, die het maatschappelijke
belang inzagen van een goede kennis van het Arabisch, hun kinderen
naar... de Koranschool sturen, aangezien het aanleren van het
Arabisch gebeurde op basis van het leren lezen van de Koran (het
bestaan van die praktijk blijkt uit kerkelijke verbodsbepalingen
ter zake, zie Cook, 2006).
De Arabieren hebben het diverse culturele erfgoed
van de veroverde gebieden quasi probleemloos geassimileerd - en dat
niet louter oppervlakkig maar in de diepte. Samen met de gearabiseerde
bekeerlingen, hebben zij aldus een nieuwe, Arabisch-islamitische
wereldcultuur geschapen. Die toeëigening, meer in het
bijzonder van de zogenaamde "vreemde", of "Griekse"
rationaliteit, kwam tot stand, niet ondanks, maar juist dank
zij de islam: d.w.z. dank zij de ontwikkeling - in
een bestendige, intellectuele confrontatie met de oudere, meer gesofistikeerde
religieuze tradities - van eigen, "religieuze" of
"traditionele" wetenschappen. De
receptie, m.a.w., van (naast het Perzische en het Indische, vooral) het antieke
erfgoed was intellectueel slechts mogelijk omdat gelijktijdig
en natuurlijkerwijze vanuit de eigen, onder meer religieuze
bekommernissen van de moslims een centrale, islamitische "kern" tot
stand kwam voor de nieuwe cultuur.
1.2. Laat ik eraan herinneren
dat bij Muhammads dood (632) de moslims 'verweesd' zijn achtergebleven[8].
Onvoorbereid en zonder duidelijke maatschappelijke directieven, werden
ze geconfronteerd met de zware taak, de "gemeenschap
van Muhammad" (de umma al-mụhammadiyya) verder te organiseren en uit te bouwen - of misschien nog eerder: te
realiseren binnen een 'imperiale' context. De enige, tastbare aanwijzingen waarover de komende
generaties daartoe beschikten, waren de (weinige) richtlijnen
vervat in de Qur'ânrecieten, neergezonden in de context van particuliere omstandigheden, eerst in Mekka en, nadien, in Medina.
In zoverre het om profetische, en dus goddelijke richtlijnen ging,
kan gezegd worden dat de grondslagen voor de nieuwe, islamitische
samenleving autoritair en onveranderlijk "gegeven" waren; maar in
zoverre die richtlijnen - eerder impliciet dan expliciet - vervat
lagen in een religieus, en dat wil dus zeggen: symbolisch
taalgebruik, dienden zij geïnterpreteerd
en, binnen de
concrete, maatschappelijke praxis, ge(re)produceerd
te worden [9].
Als Woord Gods (Kalâm Allâh), is de Qur'ân voor alle gelovigen de ultieme bron of
wortel (asl) voor alle normen van menselijk handelen en
denken: geestelijk, ethisch, politiek, economisch, militair, enz. Dat
veronderstelt echter dat de gelovige capabel is, niet alleen de erin
vervatte voorschriften, waarschuwingen, enz. te reciteren en te
memoriseren, maar óók en vooral ze "in hun waarheid" (bi'l-̣haqq) te begrijpen
ten einde
er "in zijn/haar hart" (bi'l-qalb) mee in te
stemmen en dus toe te passen in zijn/haar leven, individueel en
maatschappelijk.
Vanaf de 2de helft, daarom, van de (1ste) 7de eeuw,
toen er al sprake was van een rijk van enige grootte, kwam er in de
regionale stedelijke centra een hermeneutische
arbeid op gang,
namelijk van interpretatie en toepassing van de bewaarde
richtlijnen op de nieuwe, eigentijdse problemen. Die hermeneutiek vond
typisch plaats onder de vorm van al dan niet georganiseerde discussies,
of "disputaties" (munậzarât) - in de moskeeën
en andere ontmoetingsruimten, en later, onder de abbâsidische kaliefen, ook in de kringen van het hof.
Uit die intense discussies (vaak ook twistgesprekken) én de problemen van
elke dag heeft zich het omvangrijke en gediversifieerde corpus ontwikkeld van het
islamitische of moslimrecht (cilm al-fiqh,
kortweg: fiqh)
(10]. Ook de vele tradities die nadien circuleerden over het
leven van de Profeet en de Gezellen, gingen het voorwerp uitmaken van
een systematisch onderzoek - wat resulteerde in de wetenschap-van-de-Traditie (cilm al-hadîth), die,
met de vestiging van een islamitisch geloofssysteem, één van de
hoofdwetenschappen zou worden in het hoger onderwijs,
samen met de verschillende hulpwetenschappen eraan verbonden: bv. de
studie van de biografieën van de autoriteiten die een rol speelden
in de (orale) overleveringsketen (isnâd). Maar dergelijke
discussies en confrontaties werden ook met niet-moslims
gevoerd (de islam was de
eerste eeuwen een minderheidsgodsdienst binnen het uitgestrekte rijk): met
christenen (in hun vele varianten), joden, manicheërs, mazdeërs,
gnostici, boeddhisten, enz. Dank zij die confrontaties verwierven de
jonge moslimintellectuelen niet enkel een dialectische
vakbekwaamheid maar kwamen ze ook tot de constructie van een islamitische wereldbeschouwing en theologie,
in het kader van de zogenaamde cilm
al-kalâm, kortweg: de kalâm [11].
Het spreekt vanzelf, tenslotte, dat bovenal de lectuur en exegese
van de Qur'ân, met de grote commentaren die eruit voortkwamen (de
tafsîr-s),
een bijzonder stimulerende rol speelde, o.m. in de ontwikkeling van
grammatica en lexicografie [12], van historisch en etnografisch
onderzoek [13], en van literatuur- en
stijlstudies. Belangrijk hierin was niet enkel het geloof in de
onvertaalbaarheid van de Qur'ân - wat impliceerde dat de Arabische
taal ook wetenschappelijk moest beschermd worden -, maar ook het
'dogma' van de
literaire onnavolgbaarheid ervan [14].
Ten einde beter de precieze betekenis van woorden en beeldspraak te
kennen, bestudeerde men ook de Arabische, pre-islamitische, orale poëzie (en om
die te begrijpen, had men dan weer kennis nodig van de legendes en
overleveringen van de bedoeïenen)
[15]. Naarmate het aantal ontwikkelde Arabisch-sprekenden toenam,
trouwens, kwam de beoefening van die Arabische poëzie in een
stroomversnelling, waarbij de thematiek ervan zich ging uitbreiden.
Tenslotte ging ook het Arabische literaire proza gecultiveerd worden
[16], voornamelijk in de vorm van mengelwerken [17].
Al deze "belles-lettres" zouden dan, samen met de
hoger vermelde, "Arabische" of "religieuze wetenschappen", de vaste ingrediënten vormen
van de stedelijke "adab", d.w.z. van
een Arabisch-islamitische
urbaniteit of humanitas
[18] (het woord "adab", zo schrijft J.L.Kraemer in de
Preface van zijn "Humanism in the Renaissance of Islam",
van 1986, "is in tal van zijn nuances het equivalent van het
Griekse 'paideia'"). De maatschappelijke draagster
ervan was een begoede en invloedrijke middenklasse van handelaars,
secretarissen, scribenten, functionarissen, hovelingen, littérateurs...
Vrij vroeg reeds, vanaf de 9de eeuw, werd daarrond een vorm van hoger onderwijs georganiseerd. Het werd gebaseerd
op een volwaardige scholastische methodologie, die
vermoedelijk mede model heeft gestaan voor
de latere, christelijke scholastiek
(19]. Ze stoelde op 3 "peilers":
1) de "khilâf",
of de kunst van het formuleren van antithetische vragen (bv. "is
de ziel onsterfelijk of sterfelijk?") - i.e. de zogenaamde quaestio,
in onze middeleeuwse scholastiek;
2) de "jadal", d.w.z. de kunst van de dialectiek-
of disputeerkunst, m.i.v. technieken, procedures en hoffelijkheidsregels (samen
vormen zij de adab al-jadal);
3) de "munậzara", of majlis, als een
quasi geïnstitutionaliseerde discussie: ze
zou model staan voor de "disputatio" en de zogenaamde "quaestiones
disputatae" aan de Latijns-christelijke universiteiten.
Tegen het einde van de 10de eeuw kwamen er in de
belangrijkste centra instellingen van hoger onderwijs tot
stand, de zogenaamde madrasa-s,
of colleges (eerste vermoedelijk in Nishapur, voor 960).
De infrastructuur ervan bevatte studentenverblijven en er
werden ook "studiebeurzen" verstrekt aan studenten. Een zeer actieve
rol in oprichting en verspreiding speelde de Seljuqiedenvizier,
Nizâm al-Mulk (gest. 1092); hij stichtte minstens negen zgn.
Nizâmiyya-colleges.
De madrasas werden zeer actieve, religieus-intellectuele centra.
Langs shi'itische (ismâcîlitische) zijde dient de stichting
vermeld van de al-Azhar
universiteit, in Caïro (Fustât, in 969), door de Fâtimieden,
onmiddellijk na hun verovering van Egypte. Terwijl zij zelf mogelijk geïnspireerd waren door de joodse
academies in Babylon en nadien Baghdâd (geleid door de zgn.
Geonim, enkv. Gaon), hebben de madrasas wellicht als model gefungeerd voor de middeleeuwse universiteiten bij ons.[20]
Ten einde dit dynamische, intellectuele proces, met
zijn grote openheid naar andere, niet-islamitische tradities toe, in de
juiste context te plaatsen moet gewezen worden op de grote waarde die
vanuit de koranieke openbaring zelf gehecht wordt aan kennis en
kennisverwerving. De schepping, immers, is een reservoir van
"tekens", die alle terugverwijzen naar God, als "de
Waarheid" (al-̣haqq). Veel meer dan andere openbaringsteksten, doet de Qur'ân
een beroep op het menselijke redeneer- en kenvermogen, en in de
verzen ervan komen dan ook stelselmatig woorden en uitdrukkingen voor die wetenschap
en studie - van het universum, de sterren, de aarde, de schepselen, enz. -
positief valoriseren (afgeleid van werkwoordelijke stammen als faqaha,
"leren", calima, "weten", caqala, "redeneren", enz.). De koranieke oproep, "zeg: mijn Heer, geef mij meer
kennis" (20.114), vinden we hernomen in de bekende hadîth-s waarin de
Profeet beveelt kennis te zoeken "van
de wieg tot het graf" en "als het moet, tot in
China". In andere gezegdes, wordt de inkt van geleerden
verkozen boven het bloed van martelaren; wordt van geleerden gezegd dat
ze de erfgenamen van de profeten zijn, enz. Tenslotte, tot die algemene
kennisverplichting (voor vrouwen zowel als mannen) behoort
uitdrukkelijk ook de kennis omtrent andere culturen, s. 49.13:
"O mensen, Wij hebben jullie uit een
man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen
gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen". [20bis]
Dat alles mag ons er natuurlijk niet toe verleiden de praktijk
van die kennisverwerving, zoals in de debatten, te romantiseren.
Die intellectuele confrontaties verliepen vaak alles behalve
sereen of volgens de hoffelijkheidsregels van de adab
al-mujâdal (zie Stroumsa 1999:176-179). Vaak, maar niet
uitsluitend, wanneer de opponent een niet-moslim was, liet men
zich verleiden tot scheldpartijen. Stroumsa (1999:177) geeft o.m.
het voorbeeld van een discussie tussen een moslim en een jood,
waarin deze laatste uitgescholden wordt met "Jij hond!" (yâ
kalbu).
2. Het Arabisch-Islamitisch
Hellenisme.
Het is dus binnen die algemene, culturele context
van het Arabisch-islamitische "humanisme",
dat we de hernieuwde belangstelling moeten situeren voor (en de receptie én verdere uitbouw van)
de antieke, filosofisch-wetenschappelijke traditie - dus van
een "renaissance" in de traditionele zin van het woord
.[21] De falâsifa, of moslimfilosofen,
konden daarbij ter rechtvaardiging terugvallen op de legendes in de
latere oudheid zelf, als hadden de Griekse filosofen (Puthagoras,
Empedokles, Platoon...) hun wijsheid gehaald in het Oosten: de
filosofie was er bijgevolg wel degelijk oorspronkelijk inheems (zie
de syllabus over de antieke wijsbegeerte,
op deze site).
Voorafgaandelijk, nochtans, past een algemene opmerking. Bij de studie van de inwerking op de islam van wat
we, gemakshalve, het Griekse denken noemen, gaat de aandacht
traditioneel quasi uitsluitend naar de literaire
transmissie van de antieke erfenis via de zogenaamde "vertalingsbeweging",
vanaf de 9de eeuw. De Arabisch-islamitische cultuur, echter, heeft
dat hellenisme niet langs één, maar langs twéé "wegen" ontvangen:
d.w.z. naast de "geleerde", of directe weg, inderdaad, moet ook een oudere,
"diffuse" of indirecte weg van hellenisering
in rekening worden gebracht. Die laatste ging terug tot het helleniseringsproces dat het
Nabije Oosten al sedert de veroveringen van Alexander de Grote was
gaan kennen. Van doorslaggevende betekenis daarbij was niét zozeer
de "zuivere", filosofische en wetenschappelijke cultuur in
se, als wel de religieuze en theologische assimilatie ervan, met name in het
oostelijke, Griekse en Syrische christendom
in zijn verschillende denominaties.
Vanuit de
belangrijke centra ervan - Alexandrië, Antiochië, Damascus, Edessa,
Nisibe, Harrân, Seleucia-Ctesiphon, Gundêshâpûr, e.a. -, maar ook
vanuit de vele kloosters in Syrië en Opper-Irak, werd de
christelijke lering, en dus ook haar intellectuele (aristotelische)
onderbouw (bv. logica en grammatica), verspreid in de brede lagen van
de bevolking. Zij heeft aldus een essentiële bijdrage geleverd tot
de creatie van een gemeenschappelijke cultuur en mentaliteit bij de
mediterrane en klein-aziatische volkeren
[22].
Ook tijdens de eerste twee eeuwen van de islam was dat
christelijke onderwijs nog hét uitgelezen kanaal langs waar een
elementaire (want religieus geïnstrumentaliseerde) vorm van Grieks
denken voor de moslims toegankelijk werd. De 9de-eeuwse introductie,
vervolgens, van de Griekse wetenschappelijke teksten als zodanig,
eerst nog in Syrische, nadien in Arabische vertalingen, dient gezien
te worden als de "bekroning" van dat eeuwenlange
acculturatieproces - waarvan de islam ook zélf een "product" was
[23]. Die
introductie vond dus plaats, zoals Arkoun schrijft [24],
"op een terrein dat in mindere of
meerdere mate reeds doordrongen was van wat men de Grieks-Semitische
épistèmè zou kunnen noemen. Deze laatste is een complex waarin
zich de bijdragen vermengen van het platonisme, aristotelisme,
plotinisme, stoïcisme, epicureïsme, pythagorisme, de hermetica,
het zoroastrisme, het manicheïsme, het oude Semitisme, de
joods-christelijke openbaringen, enz."
Met de rechtstreekse ontdekking, weliswaar, van de
Griekse teksten kwam een volledig nieuwe, "rationele"
attitude tot
ontwikkeling, namelijk die van de "filosofie" (in
Arabische transcriptie: falsafa).
Zij was niet zozeer gericht op Gods schepping (halq)
als een verzameling van "tekens", maar op de
fysische wereld en de
mens-in-de-wereld. Vanuit die filosofische attitude was àlles voorwerp van
kennis en wetenschap (cilm,
macrifa), met inbegrip van God zelf,
middels een bijzonder, menselijk kenvermogen dat natuurlijkerwijze op
de waarheid gericht was: het intellect (caql). De notie van
een geopenbaarde belering, ontvangen als een genade, in een geest
van deemoed en onderwerping, werd hier vervangen door het begrip van
een (bijna) seculier, rationeel weten. Op een methodische en
systematische wijze werd dat weten geconstrueerd (beter:
gededuceerd) door een menselijke geest die zowel zijn beweegredenen
als zijn waarheidscriteria althans in eerste instantie in zichzelve
vond. Het weze dan dat het object ervan objectief, d.w.z. buiten de
menselijke geest, als "de Waarheid", gegeven was. De échte spanning,
in de islam, tussen caql en naql,
d.w.z. tussen rede en geloof, moet op dàt fundamentele niveau
gesitueerd worden. Zij bereikte haar culminatiepunt, en kreeg
tegelijk ook haar rijkste formulering, in de polemische werken van,
enerzijds, de mutakallim, of theoloog, al-Ghazâlî (gest.
1111) en, anderzijds, de Andalusische faylasûf Ibn Rushd (gest.
1198).[25]
De geschiedenis van die receptie van de "Griekse
wetenschap" in de islam, aldus Christopher Toll,
"is nog niet geschreven, net zomin als die van de
wetenschappen in de islam. Het is ook niet mógelijk deze
geschiedenis te schrijven, zolang de bronnen ervan onvoldoende
ontsloten zijn, en men mag betwijfelen, of ooit een enkeling in
staat zal zijn haar te schrijven, aangezien zoiets de kennis zou
vereisen van een hellenist, een arabist, een iranist, een ideeën-
en wetenschapshistoricus, een medicus, een fysicus -
kennisgebieden die een enkeling nog nauwelijks in zich zou kunnen
verenigen" [26].
In het kader van deze bespreking, hoe dan ook, kan
enkel een wat impressionistisch beeld worden geschetst van de
uitzonderlijke rijkdom van dit Arabisch-islamitisch hellenisme. Ik
beperk me bijgevolg, wat willekeurig, tot enkele aandachtspunten.
3. Filosofie en Geneeskunde
Een bijzonder opvallend kenmerk van de Arabische
(en daarom ook van de latere, westerse) filosofische traditie, is de
nauwe verbondenheid tussen filosofie en geneeskunde. In de ogen van de
christelijke scholastici zou het "huwelijk" tussen die twee disciplines
bovenal exemplarisch belichaamd worden in het encyclopedische oeuvre
van Ibn Sînâ (ca 980 - 1037; zijn naam werd door de Latijnen
verbasterd tot "Avicenna"). Diens
Canon der Geneeskunde was lange tijd
het meest gezaghebbende handboek voor het medische onderwijs in de
West-Europese universiteiten (in 1528 werd het te Basel door Paracelsus
symbolisch verbrand).
De historische verklaring voor die verbondenheid moet gezocht te
worden in de laat-antieke traditie. Reeds in Alexandrië, en allicht
ook in andere grote centra toendertijd, was er een soort van institutionele koppeling tot stand
gekomen tussen beide disciplines. Het medisch-filosofische
schoolbedrijf dat aldus tot bloei kwam, was vooral gebaseerd op het
oeuvre van de Griekse arts-filosoof Galenos
[28].
Samen met de aristotelische logica, werd ook het
medisch-filosofische curriculum (overwegend gebaseerd op een
selectie van Galenostraktaten) in de 6de eeuw overgenomen door de
Syriërs en in het Syrisch vertaald en becommentarieerd. Aldus kwamen
overal scholen tot bloei waarin - behalve de christelijke
(nestoriaanse of monophysitische) theologie
- zowel geneeskunde (Galenos) als logica (Aristoteles) werden
onderwezen en beoefend. Een bijzondere vermelding als centrum van
hellenisme verdient hier allereerst
Harrân
[29]. Deze
stad, gelegen in Opper-Irak tussen Tigris en Eufraat, stond bekend als
de "stad der Grieken". Behalve door christenen,
werd ze bewoond door 'heidense' sterrenaanbidders [30]. Het was een centrum voor
astrologie-astronomie, wiskunde en geneeskunde; de
religieus-filosofische strekking was neoplatonisch, maar met gnostische
en hermetische accenten [31]. De stad zou het moslimrijk
een aantal belangrijke geleerden schenken (o.m. de wiskundige Thâbit
b. Qurra, gest. 901); en, volgens de traditie, een tijdje onderdak
bieden aan Griekse geleerden die via Antiochië vanuit Alexandrië
afkomstig waren en in het begin van de 10de eeuw naar Baghdâd zouden
verhuizen.
De grootste faam, evenwel, genoot de
nestoriaanse school in het Perzische Gundêshâpûr,
stad die in 638 veroverd werd door de Arabieren. De stad - de naam
ervan betekent "Shâpûrs kamp" - was in de 3de eeuw, na
een
overwinning op de Romeinse keizer Valerianus (in 259/60), opgericht
nabij Sûsa (in Khûzistan, ZW-Iran) door de Sassanide Shâpûr I. Hij bevolkte
haar met Griekse, Syrische en Romeinse krijgsgevangenen, die luidens
de traditie hun
eigen wetten, taal en religie mochten behouden [32]. De bevolking ervan was in de loop der jaren nog verrijkt met
andere geleerden, filosofen en theologen die om religieuze redenen het Romeins-Byzantijnse
rijk hadden moeten ontvluchten: zo na 489, met de repressieve sluiting van de
nestoriaanse school van Edessa. En na 529, met de sluiting van de Atheense platonische school door keizer Joustinianos: de Atheense 'heidense' neoplatonici - Damaskios, Simplikios, e.a. -
zouden aldus een aantal jaren doceren en filosoferen in Gundêshâpûr.
Onder Khusrau I Anûshirwân (530-579), die een groot bewonderaar was
van de Griekse cultuur, zou de school van Gundêshâpûr haar
hoogtepunt bereiken (in de 12de eeuw, luidens een reiziger, zouden
er nog slechts enkele ruïnes overgebleven zijn). Deze filosofisch-wetenschappelijke academie kon rivaliseren met die van
Alexandrië, en er floreerde tevens een belangrijke vertaalnijverheid
(naar het Pehlevi en het Syrisch). [33]
De Syrische geneeskunde-cum-filosofiescholen, vooral die van
Gundêshâpûr
en Harrân, stonden aan de wieg van de instellingen in de
islam, en meer bepaald van de medische en filosofische school van Baghdâd
(gesticht in 762, niet ver van Gundêshâpûr).
Reeds in 765 werd de nestoriaan
Jirjîs ([Jirdjîs], Grieks: Georgios)
ibn
Jibrîl ibn Bakhtîshûc door kalief al-Mansûr naar Baghdâd
geroepen om diens spijsverteringsproblemen te behandelen. Hij
zou de eerste geweest zijn om, op verzoek van de kalief, Griekse
medische werken in het Arabisch te vertalen. Vanaf al-Mansûrs
kalifaat werden de moslimsteden centra van medische
opleiding en verzorging, namelijk met de (overname en) oprichting van zogenaamde
bîmâristân-s [34]:
hooggespecialiseerde instituten waar, in tegenstelling tot de Romeinse
of Byzantijnse "gasthuizen", de geneeskundige verzorging op een
wetenschappelijke basis gebeurde, want gekoppeld aan een medische faculteit, en waaraan ook systematisch apotheken
verbonden waren.
Toch was de geneeskunde ook bij de Arabieren nog
altijd in de eerste plaats een kwestie van boekenkennis, d.w.z. een "medicina
doctrinalis", of geleerdengeneeskunde. Anderzijds was zij, zoals de
andere wetenschappen, niet immuun voor de aantrekkingskracht van magische
opvattingen - kón dat ook niet zijn, in het kader van het heersende filosofisch-wetenschappelijke wereldbeeld. De afstand tot de
zogenaamde "occulte" wetenschappen, zoals astrologie en vooral
alchemie, was daarbij héél klein, zoniet onbestaande [35].
Wanneer de Arabische geneeskundige literatuur, alle verhoudingen in
acht genomen, daar toch opvallend wéinig blijk van geeft, ligt dat
aan het feit dat ze bovenal geïnspireerd was door het rationalisme
van de geschriften van Hippokrates en Galenos, en in mindere mate
door laat-antieke artsen als Alexander van Tralleis (6de eeuw).
De Griekse theoretische invloed op de Arabische
geneeskunde, inderdaad, is "uitzonderlijk groot"
geweest [36].
Via de vertalingen hebben de Arabieren het Griekse medische systeem in
zijn totaliteit overgenomen. Het belangrijkste ervan was de zogenaamde "humorale
fysiologie", d.w.z. de leer van de vier lichaamssappen (Lat. humores).
Ontworpen door de hippokratische artsen, was zij vooral door Galenos
uitgewerkt tot "een speculatief, tot in zijn details
doordacht systeem". In die vorm is zij toonaangevend geweest
voor de gehele Arabische geneeskunde [37].
Na hun opleiding aan een bîmâristân
- behalve uit schools onderricht, bestond zij ook uit een stageperiode
bij de Meester-Directeur -, legden de studenten de eed van Hippokrates
af [38].
Vermoedelijk ontvingen ze van de autoriteiten een certificaat om hun
beroep uit te oefenen; de reële controle echter over hun beroepspraktijk
behoorde tot de verantwoordelijkheden van... de marktprovoost of mụhtasib.
Het aantal artsen in alle moslimsteden, maar vooral in Baghdâd, was
aanzienlijk. Veruit de meeste ervan waren christen, anderen jood of
Pers; de artsen nochtans die de grootste faam hebben verworven (ook
in het Westen), waren moslim.
4. De Vertalingsbeweging.
4.1. De Arabische
"Translatio Studii".
Wat hoger de "directe"
of "geleerde" weg werd genoemd voor de Arabische
receptie van de Griekse filosofie en wetenschap, lijkt op het eerste
gezicht een combinatie van drie
"routes" te zijn
geweest: een alexandrijnse, een Syrische en een Indische.
Met de "alexandrijnse" route wordt in de
overlevering een quasi "fysieke" en materiële transfert bedoeld van
de geleerdheid uit Alexandrië, na de Arabische verovering van Egypte
in 639 [39].
Volgens een Arabische traditie [40], was de "synode" van
alexandrijnse professoren en artsen
rond 718 mét hun boeken verhuisd naar Antiochië, en vandaar,
rond 850, naar Harrân; tenslotte migreerden ca 900 een aantal
professoren uit Harrân naar Baghdâd. Om historische redenen,
nochtans, roept dit verhaal van een - fysieke - translatio
studiorum tal van bedenkingen op. Het onderscheid met de "Syrische" route
lijkt daarom nogal artificieel; anderzijds was het filosofische en
wetenschappelijke materiaal dat het Arabische hellenisme zich finaal eigen
maakte, hoe dan ook veel rijker dan wat de gereduceerde, 6de-eeuwse
schooltraditie van Alexandrië nog kon aanbieden [41].
De "Indische" route, anderzijds, betrof hoofdzakelijk de
positieve wetenschappen (wiskunde en astronomie). Zij waren door
Indische geleerden ontwikkeld op basis van in oorsprong Grieks
materiaal dat hen, behalve via Iran (Khurâsân) en Bactrië
(koninkrijk gesticht door Alexander de Grote), bereikt had langs de
zeeroute die Alexandrië verbond met Noordwest-Indië
[42].
De betekenis van de Indische wetenschap voor de Arabische, hoe reëel
ook, mag in elk geval niet overdreven worden: "l'armature de la
pensée scientifique des Arabes est entièrement grecque"
[43].
Het belang van het Syrische christendom is
hierboven al ter sprake gekomen. Wat daarbij onvermeld bleef, is de
sleutelrol die geleerden van Syrisch(-christelijk)e origine gespeeld hebben in de "vertalingsbeweging",
i.e. de grootschalige en eeuwenlang aangehouden operatie van omzetting
van een omvangrijk deel van het Griekse erfgoed in het Arabisch. In
veel sterkere mate dan gelijk welke fysieke translatio,
is die vertalingsbeweging een conditio sine qua non
geweest voor de creatie van een Arabische filosofie en wetenschap - net
zoals, later, de Latijnse vertalingen (in de eerste plaats vanuit het Arabisch)
dat zouden zijn voor de Scholastiek in het Westen.
Die vertalingsbeweging werd
dus hoofdzakelijk gedragen door christelijke geleerden: zij
zouden de meeste vertalingen leveren van antieke teksten in het
Arabisch, eerst nog via het Syrisch [44], maar
vervolgens ook rechtstreeks uit het Grieks. Als zodanig liggen deze
(overwegend nestoriaanse) christenen mee aan de oorsprong van het
Arabisch-islamitische hellenisme. Toch zijn er tussen het
Syrisch-christelijke en het Arabisch-islamitische aristotelisme
belangrijke verschillen vast te stellen. De vertalingen die tot stand
waren gekomen in de pre-islamitische, Syrische centra, stonden volledig
ten dienste van de noden van de christelijke apologetica en theologie, en waren
bijgevolg selectief en beperkt. Van een filosofisch curriculum als
zodanig was er daar geen sprake. De vertalingsbeweging in de
islam, daartegenover, werd helemaal niét georganiseerd vanuit de kalâm,
of theologie - ook al zou die er nadien haar profijt mee doen -, en ze
stond zeker niet onder de auspiciën van de zogenaamde traditionisten.
Deze laatste bestreden juist
alle profane wetenschappen, in de eerste plaats de logica, met de
strijdleuze: "wie zich met logica bezighoudt, wordt een
ketter". De culamâ'
en andere religieuze woordvoerders, in de belangrijke centra, zouden
integendeel voor lange tijd niet bij machte zijn om tussen te komen in
de betrekkelijk vrije, door de kaliefen en hun ministers gestimuleerde
circulatie en beoefening van de "vreemde"
wetenschappen van "de Grieken" [45].
4.2.
Vertaalscholen.
In de geschiedenis van de Arabische vertalingsbeweging worden drie
opeenvolgende "golven" of "scholen" onderscheiden
worden:
a. De "Veteres", of "de Ouden".
Kalief al-Mansûr (754-755) was, zoals gezegd, klaarblijkelijk de eerste om actieve interesse te
betonen voor de "oude" of Griekse boeken, meer bepaald
m.b.t. geneeskunde, filosofie en astronomie. Op zijn instigatie
vertaalde de christen Yạhyâ [46] ibn
al-Bitrîq de Tetrabiblos, het klassieke
werk over astrologie van Ptolemaios (2de eeuw vK) en vijf medische
traktaten [47];
diens gelijknamige zoon zou nadien Platoons Timaeus
vertalen evenals verschillende teksten van Aristoteles (o.m. het De
caelo). Vooral onder kalief Hârûn ar-Rashîd (786-809) en zijn wazir Jacfar
ibn Barmak, kwam het vertalen van wetenschappelijk materiaal echt op
gang, met de actieve medewerking van Jibrîl II ibn Bakhtîshûc
(gest. 827/8), die Hârûns hofarts was. De vertalingen door deze zgn. veteres
(Latijn, betekent: "ouderen")
waren erg letterlijk en gebeurden woord voor woord (eerst van het
Grieks in het Syrisch, daarna van het Syrisch in het Arabisch); ze vertoonden
dus nog veel mankementen, qua leesbaarheid en correctheid.
b. Het Bayt al-̣hikma
["Huis
van de Wijsheid").
Deze zogenaamde vertaalacademie zou in 830 door
kalief al-Macmûn opgericht zijn [48]. Deze
kalief, aan wie volgens de traditie [49] Aristoteles zelf in een droom verschenen
was, bracht een complete staf bijeen van geleerden-vertalers. Ze hadden
de opdracht, overal zoveel mogelijk Griekse filosofische en
wetenschappelijke handschriften te verzamelen [50] en vervolgens te vertalen. De leiding over
het instituut (waaraan ook een sterrenobservatorium gehecht was)
[51]
werd toevertrouwd aan de nestoriaanse arts Yuhannâ
ibn Mâsawayh
(gest. 857/8) [52]. Tot de medewerkers van het
instituut behoorde o.m. al-Bitrîq "junior". Onder de volgende
"directeurs" kwam ook de sabiër Thâbit ibn
Qurra (geb. 826/7 of 835/6, gest. 900/1) uit Harrân voor. Hij was één
van de meest representatieve, encyclopedische geesten en leverde
vooral werk als astronoom, mathematicus, fysicus, logicus en arts
[53]. (Ps-)Apollonios van Tyana, Archimedes,
Eukleides, Ptolemaios, Galenos e.a. werden door hem, of onder zijn
leiding, vertaald of gereviseerd.
Maar de "prins van de vertalers" was
ontegensprekelijk Hunayn ibn Ishâq
(809-873) [54],
schoolhoofd onder al-Mutawakkil. Zijn avontuurlijk leven is door enkele
Arabische biografen beschreven. Een nestoriaanse arts - hij werd vooral
als oogarts gewaardeerd [55] -, was hij in
Alexandrië Grieks gaan leren (hij kende Homeros uit het hoofd)
[56]
en was er ingewijd in de principes van de antieke filologie; hij studeerde ook
in Harrân. Op nog
geen 20-jarige leeftijd werd hij met twee andere geleerden door al-Ma'mûn
belast met het bijeenbrengen van een bibliotheek van Griekse boeken
en handschriften. Voor zijn vertaalwerk aarzelde hij niet om
verschillende handschriften van éénzelfde tekst te collationeren, om
vooreerst tot een zo betrouwbaar mogelijke Griekse tekst te komen. De
omvang van zijn eigen vertaalwerk "tart alle
verbeelding" [57].
Onder de vertalingen die hem in de boekencataloog al-Fihrist
worden toegeschreven, treft men o.m. 34 traktaten van Galenos aan;
naast de werken van andere antieke artsen (bv. Hippokrates, Oreibasios,
Dioskorides, e.a.), vertaalde hij ook Platoon, Aristoteles, Eukleides,
Ptolemaios, Archimedes, Alexander van Aphrodisias, Porphurios, e.a.
Vermeldenswaard echter is ook een Arabische versie van de Septuagint
[58]. Onder
al-Muttawakkil viel hij een tijdje in ongenade (hij zou geweigerd
hebben, de kalief gif ter hand te stellen).
Hunayn ibn Ishâq en zijn zoon, alsook Thâbit ibn Qurrah (uit
Harrân) en een
ander schoolhoofd, Qustâ ibn Luqâ
(eveneens een christen, afkomstig van Baalbek), stapten af van de
woord-voor-woord vertaling van de veteres, ten gunste van de
zinsinterpretatie. Naast het collationeren van zoveel mogelijk
handschriften van éénzelfde Griekse tekst, vergeleken ze ook bestaande
Syrische en Arabische vertalingen [59]. Het
vertaalwerk van deze periode stond dan ook op een veel hoger peil en
legde de definitieve tekstuele basis voor het Arabische hellenisme
[60].
Het oplossen van de talrijke linguïstische problemen waarmee ze
geconfronteerd werden, leidde tevens tot creatie van een
gezaghebbende Arabische terminologie
[61].
Deze vertaalacademie zou in totaal 230 jaar blijven bestaan. Behalve de
opeenvolgende kaliefen waren er ook andere prominenten die als
"sponsor" van de wetenschap optraden. De bekendste zijn de
Banû Mûsâ, i.e. de (drie) "Zonen van Mûsa", ook de "Drie Broers"
genoemd: Abû Jacfar Muhammad (gest. 872/3), al-Hasan en
Ahmad (onder de regering van al-Macmûn)
[62].
Zelf vooraanstaande mathematici, mechanici en astronomen, besteedden
zij hun fortuin aan het verzamelen en laten vertalen van Griekse
manuscripten. O.m. Hunayn ibn Ishâq en Thâbit ibn Qurra werkten voor
hen. Eveneens een "privé" instituut was het Dâr al-kutûb, "Huis
van de Boeken", in Basra.
c. De "Recentiores",
of "jongeren"
(900-1050):
Zij behoorden tot de 10de-eeuwse, zogenaamde "peripatetische
school" van Baghdâd, die (wellicht) het resultaat was van de verhuis (mét bibliotheek)
van een aantal filosofen uit Harrân (zie hoger), maar ook uit Merw.
Het intellectuele leven in Baghdâd werd bevorderd door het
kosmopolitisch klimaat dat er heerste onder de (shîcitische)
dynastie van de Bûyyieden. Regelmatig werden er
publieke disputaties (munậzarât)
georganiseerd onder de leden van de elkaar bekampende, theologische en
filosofische richtingen
[63]. Het
vertaalwerk uit deze periode bestond vooral uit revisies en
"schooluitgaven" van de oudere versies. Zij leverden de literaire basis
voor wat "the second wave of Hellenism" in de
Islam wordt genoemd [64].
Onder de leden van deze school treffen we de grote
filosoof al-Fârâbî
aan (ca 870-950), de zogenaamde "Tweede
Meester", sc. na Aristoteles [65]. Zijn leermeester, de nestoriaan Abû
Bishr Mattâ ben Yûnus (gest.
940), vertaalde o.m. Aristoteles' Poetica en het commentaar van
Themistios (2de helft 4de eeuw vK) op Aristoteles' De caelo. In 932
kruiste Abû Bishr de degens in een geruchtmakend publiek debat
georganiseerd door de vizier, met de moslimgeleerde Abû Sacîd
as-Sîrâfî (jurist, theoloog en filoloog); onderwerp van de
disputatie waren de respectievelijke verdiensten van de "Griekse" logica en de Arabische grammatica,
d.w.z. van de "vreemde" of Griekse wetenschap en
filosofie, enerzijds, en de traditionele moslimwetenschap, anderzijds
[66]. De
monophysiet Yahya ibn cAdî, bijgenaamd
al-Mantiqî,
i.e. "de logicus" (893-974) [67], studeerde bij beide vorigen
en legde de grondslagen voor een oosterse christelijke scholastiek. Mattâ's Themistiosvertaling werd
door hem gereviseerd; zelf leverde hij een vertaling van o.m. het
commentaar van Alexander van Aphrodisias (1e helft 3de eeuw nK) op
Aristoteles' meteorologie. Naast zijn filologische activiteiten als
kopiist en tekstuitgever, genoot Ibn cAdî grote
bekendheid met zijn filosofisch "salon" (majlis)
. Abû
Sulaymân al-Sijistânî, eveneens bijgenaamd "al-Mantiqî"
(gest. na 1001), volgde ibn cAdî op als leider (shaykh) van
"de peripatetici van Baghdâd" (die in zijn huis
bijeenkwamen) [68].
Hij legde zich vooral toe op het introduceren van de filosofie in de
wijdere kring van theologen, grammatici, rechtsgeleerden,
geschiedschrijvers, e.a., als een onderdeel van de adab,
of urbane cultuur [69].
Dankzij die eeuwenlang aangehouden arbeid kwam
tussen 750 en 1050 de vertaling tot stand van het gehele zogenaamde
"aristotelische
conglomeraat": d.w.z. Aristoteles' eigen werken (met
uitzondering van de Politica), pseudepigrafen en
laat-antieke inleidingen, parafrasen, samenvattingen en commentaren. In
het geval van Platoon, daarentegen, gebeurde dat veel selectiever.
Vertaald werden de Timaeus, de Staat,
De Wetten, de Sofist; voor de rest stelde men
zich tevreden met parafrasen en samenvattingen: vooral Galenos'
overzichten van de platoonse dialogen waren een geliefde bron. Het
aantal apocriefe teksten, daarentegen, die aan Platoon werden
toegeschreven, is enorm (o.m. op het gebied van de alchemie en de
magie). Onder de laat-antieke filosofen die een groot gezag genoten
en wier werken op eigen naam vertaald werden, moet vooral Porphurios
vermeld worden. Naast de filosofische, werd ook een zéér aanzienlijk
deel van de Griekse wetenschappelijke literatuur vertaald in het
Arabisch: op het gebied van de geneeskunde (Hippokrates, Galenos,
Dioskorides en vele anderen), maar ook inzake wiskunde
[70], astronomie, astrologie, geografie,
alchemie, fysica, optica, mechanica, enz. Tenslotte werd ook antieke
wijsheids- en spreukenliteratuur [71] de moeite waard geacht om, eventueel in
nieuwe, pseudo-epigrafische compilaties, in het Arabisch verspreid te
worden [72].
Het eindresultaat was een, ondanks alle
beperkingen en tekortkomingen, unieke, grootschalige poging tot
integratie in de Arabische cultuur van de Griekse filosofische en
wetenschappelijke literatuur. Hierbij dienen nog twee punten te worden
opgemerkt. Vooreerst dat deze ontzagwekkende, literaire prestatie
vanuit materieel oogpunt slechts mogelijk was door de algemene beschikbaarheid, vanaf
het einde van de 8ste eeuw, van papier
[73]. Die technische vooruitgang, die pas de materiële mogelijkheid
gaf voor de transformatie van de overwegend orale
Arabisch-islamitische cultuur in een rijke schriftcultuur, was meer
bepaald ook een conditio sine qua
non voor de vertalingsbeweging. Zoals Stock schrijft:
"With paper cheap and plentiful, the translation of Greek,
Indian, and Persian scientific and philosophical texts underwent a
renaissance between 800 and 1000, after which the Muslim world
possessed an incomparably finer library of the ancients than was
available in Latin". [74]
Tweedens, en analoog aan wat
elders al werd opgemerkt i.m.v. de joodse en christelijke "wortels" van
de islam (zie de syllabus "Wortels van Islam"),
mogen we niet in de "val" lopen van Renan e.a., namelijk door de Arabisch-islamitische rationele en wetenschappelijke cultuur te herleiden
tot (een imitatie van) de helleense wortels ervan. Dat zou al even fout zijn (maar
tegelijkertijd even juist: zoals de Engelse romantische dichter
Shelley, geb. 1792, het al formuleerde: "We zijn allemaal
Grieken!"), als wanneer we dat zouden doen m.b.t. het
Latijns-christelijke hellenisme.
5.
Het Arabische Hellenisme en de Oudheid.
5.1. "Philosophia
Perennis".
In zoverre het Arabische hellenisme een 'kunstmatig' product was, nl. van de vertalingsbeweging, en de Arabische cultuur zich a.h.w. van
'buitenaf' moest inschakelen in het filosofisch-wetenschappelijk
hellenisme, bracht zij uit zichzelf geen of weinig historisch besef
mee omtrent de diversiteit aan antieke filosofische stromingen. De geschiedenis
ervan, zeg maar: van de zgn. voorsokratici tot Johannes Philoponos,
vormde voor de Arabieren quasi een afgesloten, aparte cultuur, zonder een eigenlijk
historische dimensie. Gehéél onbewust, weliswaar, van het feit
dat denken een geschiedenis had, waren ze niet, maar die kennis dankten ze bijna
uitsluitend aan Aristoteles (cf. de vele doxografische inleidingen
in diens teksten). Nà Aristoteles kwamen er voor hen in feite nog enkel commentatoren.
De doxografische overzichtswerken uit de latere oudheid die ze konden
lezen, stopten ergens bij het zgn. midden-platonisme. Het neoplatonisme,
bijgevolg, werd door de Arabieren niet erkend als een oorspronkelijk
systeem, maar werd slechts gewaardeerd in het licht van een
veralgemeende werking van Aristoteles.[75]
De motivatie, tevens justificatie, van de moslimfilosofen, bij
het aanleren en onderwijzen van de Griekse of "vreemde"
wetenschappen, was hoe dan ook niet zozeer historisch-wetenschappelijk,
als veeleer "pragmatisch" van aard. Naast de zeer concrete
voordelen (voor henzelf en, vooral, hun patroons) die werden geboden door de Griekse
wetenschappen en technieken (geneeskunde, astronomie, astrologie,
alchemie, enz.), was het hen m.a.w. niet te doen om een zuiver
intellectueel ideaal van het "weten om het weten". Gedreven door een
analoge religieuze ijver als de culamâ', en gehoor gevend aan de
vele oproepen in Qur'ân en Tradities,[76] zochten zij net zo goed
(in Augustinus' beeldspraak) "de
haven" van de "Wijsheid" (̣hikma), met het oog op de verwerving
van de gelukzaligheid (tạḥsîl al-sacâda). Die ethisch-religieuze
doelstelling vereiste twee voorwaarden: (a) de eenheid en (b) de beschikbaarheid van die Wijsheid of Waarheid - wat, in hun ogen,
exemplarisch het geval was met de Griekse falsafa. Deze
laatste fungeerde daarom als een "philosophia perennis", of "eeuwige
filosofie", en bezat derhalve een onbetwistbare
autoriteit. Zoals Arkoun (1975), p. 39, daarbij opmerkt,
"maakte de bekommernis, een Wijsheid te verwerven en te
beleven (theoretische wijsheid die het mogelijk maakt de harmonie
van het universum te contempleren, en praktische wijsheid die de
middelen aanleert waardoor men zich daadwerkelijk in die harmonie
kan inschakelen), de exacte historische restitutie van de
doctrines secundair, en zelfs nutteloos. Deze doctrines werden
gekozen in functie van de conceptuele en logische mogelijkheden
die ze bieden voor het ontwikkelen en verdedigen van het credo dat
eigen is aan elk van de nieuwe 'sekten' die zich affirmeren in het Arabisch-islamitisch kader. Het intellectualistische mysticisme
van Plotinos, de alexandrijnse wetenschap, de theologie van
Proklos, de hellenistische en Iraanse vormen van gnosis, de
sabeïsche astrologie, het hermetisme, het neopythagorisme, de
stoïcijnse ideeën hervinden aldus een actualiteit in een
kosmopolitische moslimstad".
De maatschappelijke behoefte van de falâsifa, zich binnen de
religieuze context van de islam te kunnen vestigen als een erkende
"sekte" naast alle andere, met haar eigen "imâms", kon slechts vervuld worden in de mate
dat hun falsafa aan de Griekse filosofie en wetenschap inderdaad, zoals Arnaldez schrijft,
"een gemeenschappelijke vorm ontleende, een algemeen concept
van de wereld, een alomvattende theorie van de ziel, de geest, de
mens en de menselijke kennis, met een technisch vocabularium dat
het vertrouwd jargon werd van de scholen".
In zijn confrontatie met de godsdienst gaf dat aan de filosoof
bovendien de mogelijkheid, de éne, in wezen rationele Waarheid te
opponeren aan de menigvuldige, elkaar tegensprekende (en
bestrijdende) religieuze
openbaringen. Aan de 'objectieve' pool, werd die vanzelfsprekende
eenheid van het weten voor de Arabische filosofen - net zoals voor
de antieken en de middeleeuwers, in het algemeen - even
vanzelfsprekend beantwoord door de (hiërarchische) eenheid en
ordening van het universum (zie verder). Tussen wetenschap en wereld, m.a.w., bestond er een isomorfe relatie, waarbij de eerste een
afspiegeling was van de tweede; beide waren één en voltooid, en
waarborgden dus de mogelijkheid voor de individuele mens om de
Wijsheid daadwerkelijk te realiseren. Zoals Arkoun nogmaals schrijft (l.c.):
"Op die manier kon de falsafa functioneren als een
coherent systeem
dat (de mens) toestaat de Waarheid te bereiken en het volmaakte
Geluk te veroveren".
Het meer bijzondere, regulerende postulaat, dat het mogelijk maakte inderdààd een
zekere unificatie tot stand te brengen onder de diverse Griekse
stromingen, was de "verzoening" van Platoon en Aristoteles,
een doelstelling die al was
nagestreefd in het laat-antieke neoplatonisme (cf. Porphurios). Materieel werd zij
voor de Arabieren bevestigd in tal van pseudo-epigrafische teksten
die toen circuleerden.
De twee belangrijkste hiervan zijn ongetwijfeld: [77]
(1) de zgn. Theologia Aristotelis,
of "Theologie van Aristoteles",
een Arabisch traktaatje, in verschillende versies (de naam van
al-Kindî is verbonden met één ervan). Met zijn verzameling van
platonische, aristotelische en neoplatonische noties, heeft het een
bijzonder grote werking heeft gehad onder de
Arabische filosofen en mystici. In werkelijkheid, echter, is het
niét van de hand van Aristoteles (het blijft 'een raadsel' waarom de
Arabische filosofen, met hun grote kennis van het aristotelische
corpus, dat niet hebben beseft), maar is een min of
meer getrouwe parafrase van boeken IV-VI van de
Enneaden van... Plotinos. Het centrale thema ervan is
de neoplatonische zgn. emanatieleer, en de centrale vraagstelling is die van
de nederdaling van de (menselijke) ziel, vanuit de intelligibele wereld in de
zintuiglijke, en finaal in het lichaam. [78]
(2) het zgn. Liber de causis,
ook bekend als Liber Aristotelis de
expositione bonitatis purae ("Aristoteles' Boek over de expositie
van het reine Goede"), of gewoon Liber bonitatis purae - in het
Arabisch o.m. Kitâb al-hayr al-mạḥd -, dat door Gerhard van Cremona
(tussen 1167 en 1187) in het Latijn werd vertaald en een erg
belangrijke rol heeft gespeeld in de Latijnse scholastiek. Aan Aristoteles toegeschreven, bevat het traktaat (wellicht geschreven
in de 9de eeuw) in werkelijkheid[79] een uittreksel uit, of bewerking
van de Elementen van de Theologie (Theologikè Stoicheíosis), een
scholastisch werk
van de late neoplatonicus Proklos (ca 410-485), werk geconcipieerd
naar het model van de bekende Elementen van de meetkundige Eukleides
(de oorspronkelijke 211 'stellingen' van Proklos werden herleid tot
31). De
"oorzaken" in de apocriefe titel betreffen de neoplatonische hypostasen:
God, Intellect en Ziel, waaraan Proklos als vierde Existentie of
Zijn had toegevoegd. Proklos is dus min of meer hetzelfde lot te beurt
gevallen als Plotinos: grote stukken van zijn teksten werden
vertaald of samengevat, maar bijna altijd op naam van iemand anders
("bijna altijd" want er is ook een Arabische selectie en
parafrase van 20 stellingen op zijn naam overgeleverd) .
Filosofisch, anderzijds, zou de "verzoening" vooral het werk zijn
van al-Fârâbî, a.h.w. programmatorisch in diens traktaat De
Harmonisering van de Opinies van Platoon en Aristoteles. [80]
5.2. Arabisch versus Latijns Hellenisme.
Het westerse, Latijnse hellenisme heeft zich, zoals bekend, vooral gevoed aan het
antieke humanitas-ideaal, [81] dat het individu op de voorgrond
plaatste en overwegend tot uitdrukking kwam in poëzie en
historische, retorische, moraliserende en politieke teksten (Vergilius,
Ovidius, Livius, Cicero, Seneca, e.a. bij de Romeinen; Homeros, de
tragici, Thoukudides, de redenaars, e.a. bij de Grieken). Daarmee
vergeleken heeft het Arabische hellenisme een uitgesproken
wetenschappelijke oriëntatie: behalve op de filosofie, valt de
klemtoon op wiskunde, astronomie (en astrologie), geografie,
alchemie, fysica en, natuurlijk, de geneeskunde; voor de Griekse
literatuur als zodanig: epos, lyriek en drama, geschiedschrijving en
welsprekendheid, bestond er geen belangstelling. Het spiegelt
zich aan "helden van de geest" zoals Eukleides, Ptolemaios, Archimedes
en, vóór alles: Galenos (Jâlînûs) - "die aan de falsafa het kader
verschaft heeft van een medisch onderzoek dat niet te scheiden is
van een eclectische filosofie" (Arkoun, 1975:39; ook hoger - en Aristoteles (Ariṣtụtâlîs).
Op het vlak van de politieke filosofie
staan we voor een ander
merkwaardig onderscheid tussen beide hellenismen:
- de Arabische filosofische politiek (cilm al-madanî) is gebaseerd,
niet op Aristoteles' Politica [82], maar op de Staat (Politeia) en de
Wetten van Platoon (Aflâtûn); ze heeft aldus een platonisch
karakter; [83]
- voor de Latijnse Scholastiek, daarentegen, zou juist Aristoteles'
tekst het basiswerk vormen (vgl. Thomas' commentaar erop).
Dit contrast is des te frappanter omdat de falâsifa voor de
overige takken van de filosofie overwegend een beroep deden op (een
weliswaar vaak neoplatonisch geïnterpreteerde) Aristoteles, terwijl de
christelijke traditie, omgekeerd, onder invloed van Augustinus juist
sterk platonisch georiënteerd was. Het houdt ongetwijfeld mee
verband met de typische versmelting van religieuze en seculiere wet
in de islam, enerzijds, en het bestaan van een burgerlijk recht, als
een zelfstandig domein naast het canonieke, in het christendom,
anderzijds. Die uitgangssituatie, immers, creëerde een reële
affiniteit, enerzijds tussen Platoons "Aziatische" ideaalstaat,
waarin het politieke, via een herverzoening tussen 'wet' en 'natuur',
een sterk religieus karakter had gekregen, en de situatie in de
islamitische samenleving; anderzijds tussen Aristoteles - wiens
ethische en politieke teksten opvallen door de quasi volledige
afwezigheid van religieuze referenties - en de situatie in het
middeleeuwse christenheid (cf. de oppositie tussen keizer en paus).
Ook op het verwante vlak van de ethiek (ahlâq)[84], in de islam, is
de aangestipte 'paradox' aanwezig, zij het minder uitgesproken. De
falâsifa waren wel degelijk vertrouwd met Aristoteles' Nikomachische
Ethiek (bv. via de vertaling ervan door Ishâq ibn Hunayn), maar desalniettemin waren hun ethische opvattingen
grotendeels gebaseerd op Platoon - zij het dat deze laatste vaak
geïnterpreteerd werd vanuit Galenos' eclecticisme, of geïntegreerd was
in een combinatie van platonische, peripatetische en stoïcijnse
elementen, zoals ze in de laat-antieke traditie courant was. Zo
is het meest invloedrijke, ethische werk, nl. het Kitâb Tahdîb
al-Ahlâq ("Boek over de Verbetering van de Zeden") van de humanist
Miskawayh (gest. 1030)[85], weliswaar gebaseerd op Porphurios'
commentaar op de Nikomachische Ethiek (die commentaar is ons enkel
bekend dank zij de Arabieren). Afgezien echter van de
aristotelische definitie van de deugd als een "midden" en het
beklemtonen van de eenheid van lichaam en ziel, wordt door Miskawayh,
in navolging vermoedelijk van al-Kindî, toch vooral uitgegaan van
Platoons driedeling van de ziel en de eraan gekoppelde vier zgn.
kardinale deugden - waaraan een aanzienlijk aantal
ondergeschikte deugden worden verbonden, aansluitend dan weer bij de
stoïcijnse opvattingen.[86]
5.3. Taal & Wetenschap.
Zoals gezegd, waren veruit de meeste vertalingen het werk van
christelijke, niet-Arabische geleerden. Studie en kennis van het Grieks zou
inderdaad nooit geïntegreerd worden in het Arabisch-islamitische
curriculum - allicht mede omwille van het religieus of "metafysisch
statuut" van het Arabisch. Vertalingen waren bijgevolg, zoals reeds
gezegd, de conditio
sine qua non voor de beoefening van filosofie en wetenschap. Ook de
falâsifa zelf (met al-Râzî, weliswaar, als een gelukkige
uitzondering) kenden geen Grieks en ze zouden ook zelden of nooit een poging
doen om het te leren.
Dat dergelijke "arabisering" van de Griekse epistèmè -
want dat was wat er zich afspeelde - onvermijdelijk
een eigen karakter hielp geven aan de Arabische wetenschap, behoeft
misschien geen lang betoog. Het Arabisch, immers, als een Semitische taal,
is sterk verschillend van het Grieks. Lexicografisch
wierp dat, mede omwille van de grote rijkdom van het Arabisch, geen
onoverkomelijke hinderpalen op voor de creatie van een
filosofisch-wetenschappelijk vocabularium dat als equivalent kon
dienen voor het aristotelische, conceptuele apparaat: bv. de abstracte noties van "zijn(de)" of
"identiteit" (huwiyya),
"essentie" (dât), "quidditeit"
(mâhîya),
"existentie" (mawjûd), e.a. Inventarissen van
technische termen in de verschillende disciplines zouden zelfs een
apart literair genre gaan vormen. De assimilatie, evenwel, van
Griekse filosofie en wetenschap in een taal met een Semitische grammaticale
structuur ging gepaard met een belangrijke "ombuiging" van de
uitgedrukte kennis, nl. in de richting van een "analytisch,
atomistisch, occasionalistisch en apophtegmatisch denken".
Tegelijkertijd werd vanuit de taal een voorkeur meegebracht voor
afgekorte, abstracte, "algebraïsche" formuleringen - leidend tot een
soort van "verinwendiging" van het concept -, in
contrast met het "geometriserende",
dus veruitwendigende denken van het Grieks. Aldus althans Arnaldez,
Massignon en Youschkevitch, in hun bekend overzichtsartikel over de
Arabische wetenschap.[87]
Deze auteurs beklemtonen daarbij dat dit
fenomeen vanuit exact-wetenschappelijk, meer bepaald mathematisch
oogpunt geen nadeel, maar juist een voordeel was:
"La langue arabe, qui favorise cette intériorisation de la pensée,
était particulièrement apte à exprimer les sciences exactes et à les
développer dans le sens qui a été historiquement celui du progrès
des mathématiques: passage d' une arithmétique et d'une géométrie
intuitives, presque contemplatives, qui préfigurent, chez Platon, la
contemplation des natures et des essences intelligibles, à une
science de constructions algébriques, où finissent par s'unifier
arithmétique et géométrie".[88]
Hoe dan ook kwam geleidelijk aan een Arabische wetenschappelijke taal
tot stand. Gehanteerd door de leden van alle "etnieën" die deel
uitmaakten van de islamwereld, niet enkel door moslims maar ook door
christenen, joden, mazdeërs, sabiërs, enz., rechtvaardigt die
ontwikkelling ten volle het
gebruik van de uitdrukkingen als "Arabische wetenschap" en
"Arabische
filosofie" (cf. Mieli, 1938:77-78).
5.4. Internationalisme
& Kosmopolitisme
Een opvallend gegeven van deze wetenschappelijke en filosofische
bedrijvigheid was inderdaad haar uitgesproken
internationalistisch karakter. De vele honderden, zoniet duizenden, geleerden en
filosofen
kwamen uit alle windstreken van de dâr al-islâm, d.w.z. het uitgestrekte
moslimrijk of (latere) commonwealth - ook na het de facto uiteenvallen
van het cabbasidisch kalifaat (rond 935) bleef het
idee(aal) bestaan van het mamlakat al-islâm, of "rijk van
de islam". Zij
vertegenwoordigden alle etnieën en culturele tradities die erin
waren opgenomen. Dat "komen uit" moet daarbij ook letterlijk worden
begrepen: anders gezegd, vergelijkbaar met het fenomeen van
de "vaganten", in de (latere) westeuropese, 12-de eeuwse renaissance,
werd ook de klassieke moslimperiode gekenmerkt door een opvallende
"Wanderlust". Geleerden en studenten, maar ook
kunstenaars en ambachtslui, soldaten, boeren, (soefi) bedelaars en... vagebonden (rondtrekkende groepen of bendes
van zulke vagebonden werden in het Arabisch de Banû Sâsân genoemd)
waren voortdurend op reis of 'onderweg': tussen de steden,
tussen de rijkjes, tussen het Oosten en al-Andalus... Ondanks de grote risico's die
onvermijdelijk verbonden waren met die tochten, te land en ter zee,
konden zij overal, van de Atlantische Oceaan tot Indië, een beroep
doen op een gemeenschappelijk 'burgerdom'. De aantrekkingskracht van
vorstelijke maecenassen en lokale hoven, de zoektocht naar betere
levensomstandigheden, maar ook intellectuele nieuwsgierigheid en
kennisdrang,
onrust en ontworteling (en daarom ook: 'heimwee naar het moederland', ̣hanîn ila 'l-wạtan) zijn o.m.
verklarende factoren voor een "nomadisme"
dat een way of life
was en aanspraken maakte op "de gehele wereld".
[88bis]
Wat de grote geleerden betreft, beperk ik me, ter illustratie, tot énkele namen.
Abû Raihân
al-Bîrûnî (973-1048) was Pers van geboorte (uit Khwârizm, Z. van het Aralmeer) en verbleef lange tijd in Indië.
Filosoof, wiskundige, astronoom, astroloog, geograaf, farmacoloog,
historicus en encyclopedist, was hij één van de allergrootste
wetenschappers van de islam, en één van de grootste aller tijden:
"zijn kritische geest, tolerantie,
waarheidsliefde en intellectuele moed waren bijna zonder parallel in de
middeleeuwen",
aldus Georges Sarton[89].
Ook de bekende cUmar Khayyâm (ca 1038/48 -1123/24;
d.w.z. "al-hayyâmî", i.e. "Tentenmaker"; zie
Sarton, 1927:761-762)
was een Pers (Nîshâpur, in Khurâsân). Hij was vooral beroemd als
wiskundige en astronoom: op basis van Ptolemaios' geocentrisch
wereldmodel ontwierp hij, voor de Seldjukidensultan, een kalender
die nauwkeuriger wordt genoemd dan de Gregoriaanse. Sedert de vorige
eeuw, echter, is hij in het Westen vooral bekend als de dichter van
de Rubâcîyât,
i.e. een verzameling van "kwatrijnen" die o.m.
ook in het Nederlands talrijke vertalingen heeft gekend.
De bekende filosoof al-Fârâbî (ca 870-950) was dan weer van
Turkse afkomst. Ibn Sînâ (ca 980-1037) kwam van Bukhâra (het huidige
Uzbekistan). De bekende alchemist Jâbir ibn Hayyân (2de helft 8e
eeuw?), bekend in de westerse middeleeuwen als "Geber Rex Maurorum",
was mogelijk een Sabiër van Harrân. Mâshâllâh (gest. ca 815/20), één
van de eerste astronomen en astrologen in de islam, was een
(Egyptische?) jood; Ibn Yûnus (gest. 1009), "perhaps
the greatest Muslim astronomer" (Sarton, 1927:716-717), was een Egyptenaar; de
Bakhtîshûc artsen waren, zoals gezegd,
nestoriaanse Perzen; de beroemde chirurg, Abû l-Qâsim was een
Andaloesiër, enz., enz. [90]
Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn met het
gebruik van de moderne notie van "nationaliteit".
Het multiculturalisme van de islam lag in het verlengde van dat van het
Romeinse Rijk, waar het principe van het toekennen van het "burgerschap"
aan mensen van verschillende achtergrond maar die eenzelfde culturele
en politieke loyaliteit deelden, algemene gelding had gehad. Toch mag de
vernieuwende inbreng van de islam t.a.v. de al bestaande Griekse,
Perzische, Indische e.a. wetenschappen ook in dit opzicht niet
geminimaliseerd worden. Zoals gezegd, bij de aanvang: in veel hogere
mate dan het Byzantijnse of het Duitse H.Roomse Rijk, betekende het cabbâsidische
kalifaat van Baghdâd de historische bekroning van de "alliantie"
tussen wereldrijk en monotheïsme, die aangegaan was onder
Constantijn de Grote (begin 4de eeuw). De pogingen vanuit de (veelal
kunstmatig gecreëerde) hedendaagse nationaalstaten om de grote
Arabische filosofen en geleerden uit het verleden voor de eigen,
nationalistische kar te spannen, lijken van hieruit, zacht gezegd,
wat misplaatst (zie al Mieli, 1938:78).
Met zijn "pax islamica"
heeft de islam omzeggens op wereldschaal de religieuze en culturele
voorwaarden geschapen, die geleerden en intellectuelen van alle confessies en alle rassen
daadwerkelijk hebben gemobiliseerd "pour une oeuvre commune
en langue arabe" - aldus Arnaldez e.a. (1966:447), waar vervolgd wordt met:
"la science est effectivement une des institutions de la cité
musulmane". Precies omdàt de grote geloofsijver van de moslims zo intens
verbonden was met de verbreiding en cultivering van het Arabisch,
als taal van de Qur'ân, hebben de Arabieren meer dan wie ook aan de
wetenschap dat internationaal en kosmopolitisch karakter helpen verlenen, dat vandaag
zo algemeen vanzelfsprekend lijkt. Om nogmaals Arnaldez, Massignon
en Youschkevitch te citeren (1966:462):
"Ni les conquêtes d'Alexandre, ni même la conquête romaine,
n'avaient pénétré les peuples aussi profondément que les invasions
arabes. C'est que les guerriers du désert apportaient avec eux une
foi religieuse vivace; leur langue, langue de la révélation
coranique, fut l'agent principal de la renaissance et de la
révolution scientifiques. Bientôt, tout écrit qui voulait avoir
valeur et portée dans les sciences, dut être composé en arabe".
6. De Arabische Wetenschap
6.1. De "Oude Wetenschappen".
De Griekse wetenschappen waren
in de oudheid zelf tot ontwikkeling gekomen vanuit het
oorspronkelijke curriculum van de
"enkúklios paideía". [91]
In het Arabisch gingen ze aangeduid worden als "de vroege"
of "de oude
wetenschappen" (culûm al-awâ'il,
letterlijk: 'wetenschappen van de ouden', of
culûm al-qudamâ'), ook wel
"de vreemde" (al-cajam) of "de Griekse wetenschappen". Binnen
de alomvattende filosofieconceptie van diezelfde, antieke
traditie konden ze tevens samengevat worden onder de term
"falsafa"
(of "filosofie"). [92]
Zij vonden, vandaar, hun plaats in een filosofisch-wetenschappelijk
totaalprogramma dat, zoals
reeds in de oudheid zelf (cf. Aristoteles, natuurlijk, en later een Galenos, een Eratosthenes, een Ptolemaios,
e.a.), het type van de Arabische, universele geleerde
voortbracht: d.w.z. tegelijk filosoof, wiskundige, astronoom, fysicus, (al)chemist
en geneesheer, en dikwijls ook historicus, etnograaf, geograaf,
jurist en dichter.
Het dient beklemtoond dat het wetenschapsbegrip van de
middeleeuwen (net zoals dat van de oudheid)
fundamenteel verschilt van het onze, zowel in haar methodologische
vooropstellingen als materiëel, d.w.z. in haar extensie (cf. Ullmann,
1970:2). Binnen
het project van de "Wijsheid" (̣hikma) en de
tạḥsîl al-sacâda (cf. supra,
kap. 5.1.), en overeenkomstig het van de Grieken overgeërfde,
hiërarchische wereldbeeld (zie ook verder, hfst. 3, kap. 1), werden de wetenschappen in laatste
instantie beschouwd als een "(kant-en- klaar) gegeven, statisch
systeem van formele en materiële waarheden, dat de mens zich eigen
dient te maken" (Ullmann, l.c.). Voor nieuwigheden, d.w.z. het vervangen van
vroegere inzichten, als obsoleet, door nieuwe, eigen hypothesen,
was hier, in principe, geen plaats. Waar het op aankwam,
zo meende men, was het
bewaren, verklaren en ontvouwen van het overgeleverde, geleid
door de eerbied voor de "autoriteiten", in casu de antieke
Meesters.[93] Op het vlak van de methode, noodzakelijkerwijs, overwegend
deductief, bood het middeleeuwse wetenschapsbegrip ook plaats aan
astrologie, magie en alchemie: zij waren net zo goed
"wetenschappen" als de andere.
Dienovereenkomstig was ook het filosofisch-wetenschappelijk
curriculum hiërarchisch georganiseerd. Het werd, 'anagogisch',
onderverdeeld in: (1) de exacte en instrumentele
wetenschappen (âliyya), (2) de fysische en natuurlijke
wetenschappen (̣tabîciyya), en, als bekroning, (3) de eigenlijk
filosofische wetenschappen. De "Wijze" (̣hakîm) was bijgevolg
degene die (bijvoorbeeld) de hierna volgende - tegelijkertijd intellectuele én
ontologische - "ladder"
had beklommen (de lijst van vermelde
wetenschappen is verre van exhaustief): [94]
A) Propedeutische wetenschappen (culûm al-riyậdiyya):
a) de taalkundige wetenschappen (cf. het trivium): grammatica,
schrift, lectuur, poëzie, prosodie...;
b) de logica (cilm al-mantiq): hoofdzakelijk Aristoteles'
Organon;
c) de mathematische (cilm al-taclîm, cf. het quadrivium):
arithmetica, geometrie, muziek en astronomie (m.i.v. mathematische
geografie); maar ook de optica, de wetenschap van de gewichten,
hydraulica en mechanica.
B) Natuurlijke wetenschappen (al-̣tabîciyya):
a) de fysica (cilm al-̣tabîca);
b) kosmologie (al-samâ' wa 'l-câlam, "de hemel en de wereld") en
meteorologie (al-̣hawâdith al-jaww);
c) wetenschap van de ondermaanse lichamen: "mineralogie" (al-macâdin),
landbouw (al-̣hart), "botanica" (al-nabât), "zoölogie" (al-̣hayawân); [95]
d) "farmacologie" en farmacopee (medicamentenbereiding);
e) geneeskunde (al-̣tibb);
f) alchemie (al-kîmiyâ').
C) Filosofische wetenschappen (al-falsafîyya al-̣haqîqiyya):
a) theoretische wijsheid: psychologie, metafysica en theologie (al-ilâhî);
b) praktische wijsheid: politiek (cilm al-madanî of
cilm al-siyâsa),
huishoudkunde, ethiek (al-ahlâq).
6.2. Theorie en Praktijk.
Zoals uit dit overzicht al gedeeltelijk duidelijk wordt, trad er in
de Arabische wetenschap, in vergelijking met de antieke, wel
degelijk een accentverschuiving
op, nl. in de richting van de
praktijk.[96]
Zo vinden we in de classificaties van de wetenschappen
"theoretische" wetenschappen en "poietische" technieken nauw
aan elkaar gekoppeld: bv. arithmetica en rekenkunde, geometrie
en landmeetkunde, fysica en geneeskunde, enz.[97] Vooral de zgn.
natuurwetenschappen waren in feite weinig meer dan
"hulpwetenschappen" voor technische wetenschappen als landbouw,
alchemie en geneeskunde. Ibn Sînâ,[98] bv. in zijn
filosofische encyclopedie Kitâb al-Sifâ' al-Nafs ("Boek der
Genezing van de Ziel", geschreven in 1014-1020), deelt de
"rationele
wetenschappen" (al-culûm al-caqliyya) weliswaar in, à la Aristoteles, in
"speculatieve", of theoretische, en "praktische"
wetenschappen. Binnen de eerstgenoemde groep, evenwel, worden in de
subgroep van de wetenschappen van de ondermaanse natuur, de
acht wetenschappen van de aristotelische fysica gekoppeld aan
zeven "afgeleide wetenschappen", nl. geneeskunde, astrologie
(nujûm), fysiognomie (firâsah), oniromantie (tacbîr,
dromeninterpretatie), natuurlijke magie (̣talismât, i.e. het
betrekken van hemelse krachten op aardse), theürgie (nairanjîyât,
i.e. het aanwenden van aardse krachten om effecten te bekomen,
die bovennatuurlijk lijken) en alchemie.[99] De vier
mathematische wetenschappen krijgen evenzo een 10-tal afgeleide disciplines mee; de vijf metafysische
krijgen er twee
(profetische inspiratie en eschatologie). Onder de "praktische"
wetenschap, anderzijds, die haar naam heeft van het Griekse woord
"prâxis" (menselijk, moreel-maatschappelijk handelen), begrijpt Ibn
Sînâ de individuele ethiek, de huishoudkunde (Grieks: oikonomía)
en de politiek, aangevuld met de profetologie.
Belangrijke geleerden, anderzijds - bv. de astronomen Ibrâhîm
al-Fazârî (gest. ca 777)[100] en al-Battânî (gest.
929) [101] -, waren
ook artisanale experten in het vervaardigen van instrumenten
(bv. de
astrolabe)[102]
die hun observatie- en berekeningsvermogens vergrootten. Het
fenomeen van de 'ambachtsman-wetenschapper',
in de oudheid nog een hoge uitzondering, werd in de islam de
algemene regel (zie bv. ook de bouw van sterrenobservatoria, wat een
vast onderdeel werd van de wetenschappelijke traditie; cf. Arnaldez
e.a., 1966:489-494). Het aantal traktaten gewijd aan de fabricatie,
de theorie en het gebruik van draagbare observatietoestellen was
enorm. Zoals Stock opmerkt (o.c., p. 21), betekende die afhankelijkheid
van goed vervaardigde apparaten dat theorie en praktijk dichter
bij elkaar kwamen. Wat de geneeskunde betreft, stelde zich het
probleem van de relatie tussen "galenische" theorie en klinische
praktijk. Mede door het introduceren van nieuwe disciplines, bv.
de ophthalmologie, "maakten de Arabieren de praktijk tot een
meer natuurlijk deel van de wetenschap zelf" [103].
Die grotere verbondenheid met de praktijk manifesteerde zich, zoals
gezegd, ook in de wiskunde. Zo was de verbreiding van de Indisch-Arabische cijfers en het decimaal positioneel systeem het
werk van de handel. Maar ook bij de mathematici zelf treft men een
grotere aandacht aan voor praktische problemen: zo was de al
vermelde Mâsâllâh de auteur van een traktaat over de
warenprijzen; combineerde Abû 'l-Wafâ' (gest. 997/8) - "one of the
greatest Muslim mathematicians" (Sarton, 1927:666-7) - oorspronkelijk werk over Eukleides, Diophantos, driehoeksmeetkunde,[104] enz., met geschriften
als "Wat van de arithmetische wetenschap noodzakelijk is voor
secretarissen en zakenlui" en "Wat van de geometrische
constructie
noodzakelijk is voor de ambachtsman".
6.3. Arabische en Moderne
Wetenschap.
Vanuit het oogpunt van de moderne wetenschap, situeert Stock (ibid.) de
Arabische bijdrage op het gebied van het quadrivium o.m. in de
volgende twee punten:
(1) het vergroten van "the range of mathematization", niet enkel
door de ontwikkeling van algebra [105] en trigonometrie, maar ook
door tot dan toe onoplosbare problemen aan te pakken m.b.v. een
kwantitatieve benadering;
(2) "Een frequent beroep op een prototype van experimentele
methode".[106] De belangrijkste stap voorwaarts na de Grieken
werd gezet door Ibn al-Haytham,[107] met de nieuwe oriëntatie
die hij gaf aan al-Kindî's concept van het zicht. Middels een
combinatie van meetkunde en fysica kwam hij tot de bevinding dat
lichtstralen vàn de voorwerpen nààr het oog toegaan, en niet
omgekeerd. Hij construeerde het oog als een dioptrisch systeem, m.b.v.
de geometrie van de stralingsbreking.[108]
Als 'zwakke' punten van de Arabische wetenschap, tenslotte, die haar
verval mee helpen verklaren (vanaf de 12de-13de eeuw),
somt Stock nog volgende kenmerken op (o.c., pp. 22-23):
-- de bijzondere wijze van institutionalisering ervan, waardoor haar
spectaculaire vooruitgang door een aantal factoren kon worden
afgebroken (zie ook verder);
-- de terughoudendheid om te innoveren in de basistechnologie, of
uitvindingen toe te passen op activiteiten uitgevoerd door slaven
(altijd zeer talrijk aanwezig); in plaats daarvan was de
technische aandacht toegespitst op de creatie van
wetenschappelijke instrumenten waarvan het gebruik eerder
gespecialiseerd was;
-- algemene politieke factoren (het uiteenvallen van het rijk;
invallen, enz.);
-- een aantal interne beperkingen: de wetenschapsman was een
universeel geleerde, geen professionele specialist; wetenschap was
dikwijls niet gescheiden van de filosofie; het onderwijssysteem,
waar de persoonlijke band meester-leerling overbenadrukt werd
(geen klaslokalen); de afhankelijkheid van de instituten van de
gunst en de sponsoring van de machtigen; tenslotte ook de
dubbelzinnige rol van het "bolwerk" van de moslimmaatschappij: de
familie. De meest praktische disciplines, inderdaad, bleven
beoefend worden binnen familiedynastieën (vgl. de Bakhtîshûc)
- wat informatie en kennis tot jaloers bewaarde familiegeheimen
maakte. Samen met de afhankelijkheid van vorstelijke patronage,
maakte vooral dat laatste de Arabische wetenschap tot een "reus op
lemen voeten". Zoals Stock (p. 23) het formuleert:
"The strong family tradition suggests that science was often
caught between vertically operating genealogies and horizontally
designed institutions. It rarely separated itself from kinship and
official patronage at once".
7.1. Inleiding.
Net zoals in de westerse talen (te beginnen met het
Latijn), zijn de
oorspronkelijke, Griekse uitdrukkingen: "φιλoσoφία" en "φιλόσoφoς" -
die vanaf Platoon en Aristoteles gebruikt werden ter benoeming van de levenswijze (βίoς) van
intellectuele en morele reflectie en filosofisch-wetenschappelijk
onderzoek -, ook in het Arabisch gewoon getranscribeerd, samen
met de inhoudelijke overname ervan. Zo vinden we in de Mafâtị̂h
al-culûm, d.w.z. "Sleutels van de Wetenschappen", van de encyclopedist
Muhammad bn. Ahmad al-Kh(a)wârizmî (fl. ca
975-987), [109] bij het begin van de beschrijving van de "vreemde
wetenschappen", de bekende etymologie:
"Over de delen van de filosofie. Falsafah is afgeleid van een Grieks
woord, nl. filasufiya, dat betekent 'wijsheidsminnaar'. Als het
vertaald wordt in het Arabisch, wordt het faylasûf, en daarvan
wordt dan falsafah afgeleid. De zin van filosofie is de wetenschap
van de waarheid der dingen en de wetenschap van het betere"
(gecit. bij Peters, 1968:82).
In zijn algemene betekenis van "wijsheid(sbegeerte)" fungeerde
"falsafa" als een synoniem voor het goed Arabische
"̣hikma", dat ook al
in de Qur'ân voorkomt, vgl. bv. s. 16, 125:
"Roep op tot de weg van uw Heer door wijsheid (̣hikma) en welwillende
vermaningen...".
In deze algemene betekenis kon de benaming "falâsifa" (het meervoud
van faylasûf) - maar ook het participium "mutafalsifûn",
daarom ook gebruikt worden voor de scholastische of
filosofische mutakallimûn, zoals de muctazilieten, die het belang
voor de kalâm van de rede en de argumentatiekunst erkenden. Zodra
de aristotelische logica, dankzij de vertalingen, rechtstreeks
gekend was, zouden de mutakallimûn haar integreren, zij het
overwegend met dialectisch-apologetische oogmerken (waarvan de
aristotelische logica zelf, trouwens, het product was), d.w.z. ter
weerlegging van de opvattingen van hun opponenten - en niet, zoals
de eigenlijke falâsifa, analytisch en constructief, met het oog op
het blootleggen van de conceptuele structuur van de werkelijkheid.
Voor die klassieke kalâm (cf. hoofdstuk 1), anders
gezegd, gold het bekende "philosophia ancilla theologiae",
dat in de christelijke middeleeuwen geproclameerd werd (bv. door
Petrus Damiani).
Maar "falsafa" had in de eerste plaats zijn technische
(vanuit orthodox oogpunt ook: zijn sektarische) gebruikswijze: de Arabische
falâsifa zijn de voortzetters van de
laat-antieke, filosofisch-wetenschappelijke traditie, waarin de notie
"filosofie" in haar omvattende, aristotelische betekenis gehanteerd werd - nl. van
"de synthese van het weten, het algemeen systeem van de
wetenschappen" (cf. n. 92). Dat laat-antieke aristotelisme
(eventueel geïntegreerd in een neoplatonische metafysica) vormde dus
de gerecipieerde traditie en doctrine van de falâsifa stricto
sensu (in deze strikte zin zou al-Râzî niét tot de hoofdstroming
van de falsafa behoren, in onderscheid met al-Kindî,
al-Fârâbî en Ibn Sînâ). Vanuit dit oogpunt was de Arabische falsafa,
zoals gezegd, het
product van de "vertalingsbeweging". Zónder die vertalingen had zij niet kunnen ontstaan in haar specifieke,
filosofische vorm: de Arabieren, immers, hebben geen "Thales" of, misschien
beter, geen "Sokrates" gehad, maar Muhammad.
Net zo min, dus, als bij de Romeinen en bij ons, is de filosofie er "organisch"
gegroeid, d.w.z. ontstaan uit min of meer endogene, pre- of niet-filosofische maatschappelijke en
culturele ontwikkelingen - ook al was ze dan, zoals Ernst Bloch
beklemtoont, "géén exotische serreplant op islamitische bodem, want
precies daar immers had ze haar Grieks-Syrische traditie" (E.Bloch,
1963:15). Wel
zou ze door de orthodoxen altijd als een "vreemde", en dus
min of meer ketterse, "sekte" worden gewantrouwd.
Dat laatste moet mee in verband worden gebracht met de
prestigestrijd (die ook een politiek-sociale strijd was), onder de
cAbbâsieden, tussen de
zich geleidelijk constituerende laag van "organische"
moslimintellectuelen (cf. Gramsci), de culamâ', en de pre-islamitische, zgn.
bestuurlijke of secretarissenkaste van de kuttâb, die het product
was van de in hoofdzaak hellenistische onderwijstraditie onder de
Perzische Sassanieden. Terwijl de kuttâb zich in deze "Kulturkampf"
rechtstreeks tot de Griekse filosofie en wetenschap zouden wenden,
kwam het, in het kader van de "algemene religieuze beweging", tot
de uitbouw van een specifiek islamitisch onderwijs, gebaseerd op
de "traditionele wetenschappen" (cf. de
madrasa-s). Beide bewegingen waren hoe dan ook
in verregaande mate autarkisch en zouden lange tijd nààst elkaar
blijven bestaan (Sourdel, 1979:175v.). Zoals Watt schrijft
(1979:39):
"This system of Hellenistic education was thus complete in itself,
and spread over a number of institutions. When a new system of
Islamic education arose out of the 'general religious movement', it
was completely separate, and until after 1100 did not contain any of
the disciplines of the Hellenistic system".
7.2. Bronnen.
Wat de bronnen betreft, meer in het bijzonder van de "oostelijke"
falsafa, moet behalve op het eigenlijke "aristotelische
conglomeraat" (m.i.v. commentatoren als Alexander van Aphrodisias
en Themistios) en de belangrijke inbreng van Galenos en andere,
wetenschappelijke auteurs, ook gewezen worden op de sterke
aanwezigheid van het intellectuele mysticisme van neoplatonisme (Plotinos,
Proklos), gnosticisme en hermetica. De Sabiërs (of: Sabeërs), met hun astrale
religie en hun geloof aan een tussenwereld van geesten, oefenden
eveneens invloed uit; en ook een Perzisch geïnspireerd dualisme,
al dan niet in combinatie met de oude, Iraanse
"lichtreligie"
(Bloch, 1963:14),
kon, hetzij direct, hetzij via de shîcitische stromingen (vooral de
ismâcîlî), gemakkelijk infiltreren. Wat een mogelijke Indische
invloed betreft, die lijkt zich, zoals hoger aangestipt, bijna
uitsluitend op het vlak van de positieve wetenschappen te situeren.
Het denken van de falâsifa mag doctrinaal dus als zeer
complex
worden bestempeld. De meest geroemde synthese
ervan leverde Ibn
Sînâ. Nochtans geldt die combinatie van rationalisme en mystiek (de
religieuze mystiek, zoals bekend, is in de islam vertegenwoordigd
door het soefisme)
enkel ten volle voor de falâsifa van de
oostelijke islam, zoals al-Kindî, al-Fârâbî, Ibn Sînâ e.a., wier filosofisch systeem
beheerst werd door het postulaat van de "harmonie" tussen Platoon en
Aristoteles, postulaat gebaseerd op de overtuiging dat de rede, als
hét instrument bij uitstek van de Waarheid, slechts één enkel
systeem kon produceren. De mutakallim Al-Ghazâlî (gest. 1111) zou o.m. op dit uitgangspunt
scherpe kritiek leveren. [110] Z.i. kón de rede niet de supreme arbiter
zijn, want tussen de filosofen bestonden er evenveel divergenties
als tussen de theologen. Al-Ghazâlî's (filosofische) kritiek zou tot de "tweede periode" van de
falsafa leiden: die van het Westen, met vooral Ibn Rushd (Averroës),
die zich tegen het neoplatonisme van al-Fârâbî en Ibn Sînâ keerde,
om terug te grijpen naar de "zuivere" Aristoteles.
Naast die twee hoofdstromen kan er ook nog een platonisch-neopythagoreïsche
stroming onderscheiden worden, o.m.
bij de esoterische
Ihwân
al-̣safâ', d.w.z. de
"Broeders der
Zuiverheid" (of: "der Oprechtheid"), die in hun epistolaire
encyclopedie (de 52 Rasâ'il) o.m. teruggrepen naar de pythagoreïsche arithmetiek, arithmologie, muziek en astronomie. [111]
7.3. Methode.
Wat de relatie tot de "traditionele wetenschappen" betreft, leidde
alleen al het feit dat de falsafa afhankelijk was van vertalingen,
d.w.z. van geschreven teksten, tot een belangrijke verandering in
intellectuele attitude. De methodologie van de traditionele
wetenschappen was - en in zekere zin is ze dat altijd gebleven -
gebaseerd op het orale en verhalende. Ze waren bijgevolg
wezenlijk compilatorisch: de ̣hadîth was/is anekdotisch, de
fiqh casuïstisch. 'Compositie' betekende er in de eerste plaats, zoniet
uitsluitend, het aaneenrijgen van (orale) getuigenissen, met de
verplichte vermelding van de opeenvolgende berichtgevers (de isnâd).
Het basisprincipe is de notie van de (sacrale) autoriteit, de
doelstelling ervan de transmissie; het begrijpen is eigenlijk secundair
(het gaat in eerste instantie om het memoriseren).
Filosofie, daarentegen, is in de éérste plaats gericht op het
begrijpen. Basisprincipes zijn er: coherentie en systeem, d.w.z.
het gaat essentieel om het coördineren
en organiseren van kennis,
waarden, enz. Terwijl in de Griekse oudheid filosofie haar
(organische) oorsprong had in mondelinge discussies (cf. de
sokratische dialectiek), waarvan de geschreven teksten
aanvankelijk een (artistieke) weergave waren (cf. Platoons
dialogen), gebeurde de filosofiebeoefening in de islam (net zoals in
christelijke middeleeuwen) onmiddellijk
in de vorm van studie van geschreven teksten of boeken. Dit
soort van "gegevens" gaf aanleiding, niet tot een keten van
berichtgevers, maar tot een reeks van uitgevers, die quasi
uitsluitend te maken hadden met interne criteria (en niet met de
plaats van oorsprong van het manuscript, het leven en de moraliteit
van de vorige uitgever, enz.).
Dat was precies één van de aspecten van het niet-organisch gegroeid
zijn van de Arabische filosofie, en het versterkte onvermijdelijk
haar algemeen scholastisch
karakter. Op het vlak van de methodes
kan de falsafa inderdaad bestempeld worden als een scholastiek. De
historische oorsprong daarvan lag natuurlijk in de laat-antieke traditie waarbij zij, via de vertalingen, aansluiting
had gevonden: alle didactische technieken en genres die in de
scholen van de late oudheid op punt waren gesteld ten behoeve van
het filosofisch onderwijs, bléven gecultiveerd worden in de falsafa,
ondanks het feit dat filosofie als zodanig, in de islam, nooit deel zou uitmaken van
de officiële (religieuze) onderwijscurricula. Wat bijgevolg
ontstaan was als een pedagogiek, ging nu tot de methode zelf
worden
van de filosofie (Peters, 1968:79v.)
Het betrof hier bovenal het zgn. "Eisagoge-complex"
(cf. Plotinos' leerling Porphurios), d.w.z. het
didactische genre van de "inleiding" tot de studie van een
filosofisch auteur (Aristoteles) door het uitwerken van een reeks
van typehoofdstukken (zie Inleiding 1, kap.
3.2.2.). Dit propedeutische schêma vormde de armatuur
zelf van de filosofisch-"artisanale" uitrusting van de
faylasûf.
Een onderdeel ervan, dat een zeer groot succes kende bij de
Arabische (maar ook bij de latere christelijke) filosofen, was dat
van de classificaties van de "delen van de wetenschappen". Het
zou, samen met de "encyclopedieën", die er een verdere elaboratie
van zijn, een zelfstandig genre vormen.
Een zoveelste erfenis van de oudheid,[112] moet de aanleiding ertoe
gezocht worden in een veelheid van omstandigheden: zo de behoefte
om de geschriften van de grote denkers ten behoeve van het onderwijs
te coördineren, uit te leggen en te vulgariseren; ook de
problemen van de bibliotheconomie:
vele honderden zoniet duizenden
geschriften moesten materieel geklasseerd worden; men diende het
onderwerp ervan te bepalen, evenals hun plaats in het geheel van
de kennis, enz. [113]; bekommernissen om de pedagogische volgorde,
zowel inzake de methodes die in het onderwijzen van de
verschillende wetenschappen moesten gebruikt worden, als inzake de chronologische opeenvolging van de onderdelen van het
curriculum; tenslotte was er ook de wetenschappelijke vooruitgang
zelf: door meer en meer de complexiteit te beklemtonen van
het menselijk kennen, vroeg zij dat een aantal algemene problemen
opgelost werden i.v.m. het onderwerp, de indeling en de methodes
van de wetenschap (ik parafraseer Van Steenberghen, 1991:112).
Hoewel een essentiële pijler van de "ambachtelijkheid"
van de premoderne filosofie[114], kon deze
classificatiezucht remmend werken voor intellectuele vooruitgang,
want ze
"creëerde de illusie - illusie waaraan de geleerden dikwijls ten
prooi vielen -, dat wat geclassificeerd was, ook gekénd en begrepen
was" (Rosenthal, 1975:52).
Voor de moslimgeleerden was de verdeling van de wetenschappen in
"Arabische", of "religieuze, traditionele", en
"vreemde/ Griekse/rationele/oude" een algemeen aanvaard
préalable.
Hét "brandend probleem" voor hen daarbij was bovenal
"hoe een aanvaardbare verhouding te vestigen tussen de andere dan
oorspronkelijk islamitische religieuze wetenschappen en de islam,
als een religie die er aanspraak op maakte dat alle waardevolle
kennis vervat was in haar religieuze geschriften" (ibid.).
Eén van de bekendste voorbeelden van het genre is het al enkele
keren vermelde Ịḥsâ' al-culûm,
"Opsomming van de Wetenschappen", van al-Fârâbî (in
het Latijn vertaald onder de titel De scientiis). De auteur begint met duidelijk zijn bedoelingen aan
te geven, nl.
"de algemeen gekende wetenschappen één voor één op te sommen
en een algemeen overzicht te geven van iedere individuele
wetenschap, alsook eventuele onderverdelingen aan te stippen en een
algemeen overzicht te geven van elke onderverdeling".[115]
Al-Fârâbî groepeert de wetenschappen vervolgens in 5 hoofdstukken:
(1) linguïstiek (met onderverdelingen), (2) logica (met
onderverdelingen, en m.i.v. retorica en poëtica), (3) mathematica
(met indelingen, en m.i.v. optica, de zgn. wetenschap van de
gewichten en mechanica), (4) fysica en metafysica (beide met
onderverdelingen) en (5) politiek (met onderverdelingen), fiqh en
kalâm.[116]
Voegen we er nog aan toe dat de Arabische filosofen ook in dit
onderdeel een belangrijke invloed hebben uitgeoefend op de christelijke scholastiek. Eén van de eerste teksten in dit opzicht,
hoofdzakelijk gebaseerd op Arabische bronnen was het De divisione
philosophiae, dat rond 1150 in Spanje werd geredigeerd door
Dominicus Gundisalvi (of Gundissalinus). [117]
Ook de Arabische commentarenliteratuur
vertoont alle sporen van
beïnvloeding door de Griekse commentaren (maar ook de
Qur'ân tafsîr lijkt enige invloed te hebben uitgeoefend). Bij al-Fârâbî ontmoeten we voor het eerst het onderscheid tussen
"kleine", "middelgrote" en "grote"
commentaren. Maar het zou vooral
Ibn Rushd zijn die deze varianten 'bespeelde': zijn "grote
commentaren" (die óók "tafsîr" werden genoemd) op Aristoteles
vormen de bekroning van de Arabische Aristotelescommentariëring;
zij zijn ware "monuments to Islamic learning and to the man who
composed them" (Peters, 1968:93). Door onze scholastici zal Ibn Rushd trouwens
kortweg "de Commentator" worden genoemd. De "kleine"
commentaar
(jawâmicah) en de "middelgrote" (talkhị̂s) zijn eigenlijk weinig
meer dan parafrases. Die techniek van parafrases en
samenvattingen (in het Grieks epitomè) was eveneens overgenomen
uit de Griekse traditie (cf. vooral Themistios). Het vrije gebruik
ervan en het teloorgaan van de zin voor het letterlijke citaat,
dat eruit voortvloeide, bevorderden onvermijdelijk de syncretistische trend. Tenslotte dienen ook nog de zgn.
glossencommentaren vermeld te worden (al-hasîyah), d.w.z.
verzamelingen van explicatieve noten, gaande van filologische
notities bij een tekst tot filosofische marginalia. Zo heeft Ibn
Sînâ het ganse aristotelische corpus op een systematische wijze van
verklarende noten voorzien: namelijk in het Kitâb al-iṇsaf,
een werk dat eerst vernield is en vervolgens werd overgedaan
(vandaag zijn slechts enkele onderdelen bewaard; zie Peters,
1968:94).
7.4. Het Maatschappelijk Statuut van de
Faylasûf.
7.4.1. Islam versus Christendom.
In tegenstelling tot de
philosophi
in de christelijke middeleeuwen, waren de Arabische filosofen geen
clerici, maar, meestal, praktiserende artsen.
Hoewel in de islam
wel degelijk instituten voor hoger onderwijs werden opgericht, nl.
de zgn. madrasa-s, die zelfs model zouden staan voor de West-Europese universiteit, kende men er niet het fenomeen dat de
Griekse filosofie beoefend en geïntegreerd werd binnen een door
een kerkelijk leergezag geconsacreerde doctrine (ook in negatieve
zin: cf. de kerkelijke veroordeling van 219, zgn. "averroïstische"
proposities, in 1277, in Parijs). Dat gaf de
Arabische falâsifa de gelegenheid, voor een lange tijd te
ontsnappen (zij het niet altijd zonder enige dubbelzinnigheid)
aan het "op-maat-knippen" van hun theorieën door de religie,
d.w.z. de professionele woordvoerders ervan. Het gaf
aan hun denken uiteraard een gans andere klemtoon dan degene die
men aantreft bij de christelijke scholastici, ook al waren de falâsifa doorgaans wel degelijk overtuigde moslims.
In middeleeuws Europa, zoals Bloch opmerkt (1963:15), waren filosofen met
natuurwetenschappelijke neigingen "even zeldzaam als anomaal (Roger
Bacon en Albertus Magnus zijn bijna de enigen)"; bij de Arabische
scholastici, daarentegen, was de verhouding net omgekeerd: bij hen
overwoog de natuurwetenschap, niét de theologie, "óók wanneer ze de
soera's van de Koran interpreteren". Dat gaat gepaard met een
algemene 'rationalistische' opstelling t.o.v. het zgn. "scholastisch probleem", d.w.z. de verhouding tussen rede en
geloof: de rede, d.w.z. de filosofie, is voor de falâsifa niét
louter een dialectisch instrument in dienst van de verdediging van
het ware geloof; zij is integendeel een onvervangbare, niet te
overtreffen discipline van het natuurlijke, menselijke verstand, in
zijn zoektocht naar de Waarheid. De Profeet en de andere stichters
van het geloof hebben weliswaar diezelfde Waarheid verkondigd, maar
hun openbaring was gericht tot de massa's, tot iedereen, en ze
gebeurde daarom onder de (vulgariserende) vorm van aanschouwelijke beelden,
gelijkenissen en symbolen, die een beroep doen op het
verbeeldingsvermogen. Daartegenover is het de taak van de
filosofie, de religie rationeel te verifiëren, met het oog op de intellectuele élite; d.w.z. in plaats van de ingeving en de
verbeelding, het rationele bewijs
te laten spreken.[118] Zoals Bloch nog aanstipt
(1963:17), was het geloof aan de Qur'ân als het Woord
van God daarmee omgevormd tot het gans àndersoortig geloof aan de
macht van het menselijke verstand. Wat meer is: binnen de context van de islam, bleef in dat geloof géén geopenbaard, supra-rationeel
restant over, waarvoor het verstand a.h.w. agnostisch moest
capituleren:
"de beeldspraak is oplosbaar gelijk een rebus, en in de omhulling
die zij creëert, is er geen mysterie".
In tegenstelling tot de christelijke Scholastiek - waar hij pas kon
hooggeschat worden in zoverre hij erkend werd als een "praecursor
Christi" -, gold Aristoteles voor Ibn Rushd geenszins als een louter
"voorloper" van Muhammad: hijzélf was de perfecte belichaming van
het menselijke verstand überhaupt. De verdiensten van
Muhammad,
daartegenover, lagen op het vlak van de elementaire opvoeding, van
mythen en parabels. Bij de christenen lag de verhouding rede-geloof, zoals bekend, net omgekeerd:
"niet de positieve religie is er volkse voorfase van de filosofie,
maar deze laatste, het natuurlijke licht, is mogelijke voorfase van
de openbaring... Ook bij Thomas, de grote, de meest gedecideerde
aristotelicus van het christendom, is het geloof in al zijn
kernpunten, zo al niet contra-, dan toch suprarationeel. En juist
daarom, als finaal niet doordringbaar door natuurlijke kennis, is
het verdienstelijk" (Bloch, 1963:18-19).
Dat onderscheid tussen de positie van de filosofie in de islam en
die in onze feodaliteit moet "in laatste instantie" (zoals F.Engels het zou geformuleerd hebben) teruggevoerd worden op het
verschil in maatschappijformatie:
christelijk West-Europa was
fundamenteel een agrarische samenleving (ook al dankten de steden,
waarin de universiteiten ontstonden, hun bloei aan de lange-afstandshandel);
de moslimwereld, daarentegen,
was fundamenteel een "handelaarsformatie" [119].
De vorsten in de islam, al waren ze dan "khalîfa", d.w.z.
stedehouder van God, tooiden hun macht in de eerste plaats met de
glans van de wereldlijke wetenschap van filosofen en geleerden.
Vooral in de 10de eeuw, met de versplintering van het rijk en de
vermenigvuldiging van de hoofdsteden (en dus van de machtscentra:
vergelijk met al-Andalus, na de val van het kalifaat, in de
11de eeuw), kwamen de falâsifa, zoals ook
de andere moslimintellectuelen, "goed aan hun trekken". Zoals Arkoun
schrijft (1975:50):
"La multiplication des capitales princières, la formation de cercles
scientifiques..., favorisent l'amélioration du statut
socio-économique des intellectuels. Certes, on ne peut parler d'une
classe homogène, unie par les mêmes besoins et une idéologie
commune. Mais tous les dirigeants recherchent leurs enseignements,
leur savoir-faire (surtout les médecins) et leur soutien. Ils
arrivent à concurrencer les poètes dont les éloges et les satires
ont longtemps rempli la fonction d'une presse d'opinion
d'aujourd'hui. Ils deviennent conseillers comme Miskawayh, vizirs
comme Ibn Sînâ, grands cadis comme cAbd al-Jabbâr, Ibn Ruchd, etc.".
7.4.2. Maatschappelijk Nut. Vanzelfsprekend waren de falâsifa
of "mensen van de contemplatie" ("ahl al-nạzar") niet alleenlijk uit "roeping" (of traditie) tevens geneesheer, astronoom-astroloog, ingenieur, enz. Het feit dat deze vertalers,
filosofen en geleerden minstens evenveel aandacht schonken aan de
praktische, d.w.z. 'toegepaste' wetenschappen als aan de louter
theoretische, geeft integendeel voldoende aan
"dat de hoop, te kunnen genieten van het voordeel van een kennis van
de toekomst, of een onbeperkte rijkdom te bezitten en de macht over
mensen en natuur, beloofd door de alchemisten, evenals het
verlangen naar wetenschappelijke medische verzorging, een hoofdfactor geweest zijn in de bescherming die door de machthebbers
verleend werd aan de Griekse filosofie" (Pines, 1970:784).
Van alle wetenschappen werden de geneeskunde
en de astronomie nog
het meest van al geapprecieerd door de heersers. Voor de geneeskunde
behoeft dat weinig uitleg[120]. Wat de astronomie betreft (cilm
al-nujûm of aṣtrunûmiyâ), volgens al-Battânî werd zij in de
moslimwereld als de edelste, hoogste en schoonste wetenschap
beschouwd[121]. Dat hield in de allereerste
plaats verband met een aantal
praktische vereisten van de islamitische cultus:
nl. de noodzaak
om elk jaar de start en het einde van de maand ramạdân vast te
leggen (d.w.z. het precieze tijdstip van de nieuwe maan, in een
steeds verschuivende, religieuze maankalender), alsook de precieze uren van de vijf dagelijkse gebeden en,
even belangrijk, de gebedsrichting (de qibla), namelijk Mekka [122]. Bovendien roept de Qur'ân de gelovigen ook
uitdrukkelijk op, de "heerlijkheid" van God te contempleren in de
organisatie van het universum. Bv. s. 6, 97:
"En Hij is het, die de sterren voor u heeft
gesteld, opdat gijlieden u daardoor zoudt laten leiden in de
duisternissen van het land en de zee. Wij hebben de tekenen
duidelijk uiteengezet voor lieden, die kennis nemen";
s. 2, 164: "In de
schepping der hemelen en der aarde, en in het opeenvolgen van de
dag en de nacht, en in de schepen..., en in het water..., daarin
zijn waarlijk tekenen voor die lieden, die verstandig zijn", enz.
Die nauwe relatie tussen
astronomische waarnemingen en religieuze praktijk verklaart
mede (laten we ook de behoeftes van de o.m. maritieme handel niet
vergeten!) het grote aantal traktaten dat gewijd is aan de fabricatie
en het gebruik van draagbare
waarnemingsinstrumenten, zoals astrolabe en kwadrant [123]. Maar er werden, om dezelfde reden,
overal ook observatieposten opgericht, gespecialiseerd in het
bestuderen van de bewegingen van zon en maan.
De grote sterrenobservatoria, daarentegen, die de vorsten lieten
bouwen en uitrusten met een veelheid aan omvangrijke toestellen
en met hooggekwalificeerd personeel [124], hadden hun ontstaan
evenzeer te danken aan de "verlokkingen" van de astrologie.
Al
sedert de oudheid nauw gekoppeld aan de astronomie (ook voor de
Arabieren was Ptolemaios' Tetrabiblos, 1e helft 2de eeuw nK,
hét astrologische basiswerk) en gebaseerd
op het geloof in de fundamentele eenheid en samenhang ("sympathie")
tussen de onderdelen van het universum (het "bovenmaanse" en het
"ondermaanse"), bestudeerde zij de zgn. "dekreten van de
sterren" (ạhkâm al-nujûm). De astrologie gaf concrete antwoorden omtrent
problemen die, om een of andere reden, ontsnapten aan het
menselijk kenvermogen: zo
1) allerlei praktische "vragen" (masâ'il) - wie heeft x gestolen?
waar kan een verloren voorwerp teruggevonden worden? enz.;
2) het berekenen van het gunstige ogenblik om een of andere
belangrijke handeling te stellen (de zgn. ikhtiyârât, of "electiones"); [125]
3) het voorspellen van de toekomst van een persoon, een regering,
sekte, enz., op basis van het "geboorteuur" ervan (cf. de
horoscoop) - wat uiteraard gebaseerd was op de overtuiging dat
iemands toekomstig lot eens en voor goed gedetermineerd was door de
sterren- en planetenconfiguratie op het ogenblik van zijn of haar
geboorte. Een gans bijzondere tak van de astrologie, die misschien
nog het meest van al verantwoordelijk was voor de grote
populariteit ervan - ondanks het sterke verzet ertegen vanuit
orthodoxe kringen, maar ook vanwege filosofen (al-Fârâbî, Ibn Sînâ
en Ibn Rushd, bv.) -, was de zgn. medische astrologie.
7.4.3. Falsafa en Hofcultuur. De keerzijde van het feit dat er in de
moslimsamenleving geen "officiële", d.w.z. religieuze instellingen waren, binnen
dewelke filosofiebeoefening en -onderwijs geïnstitutionaliseerd
waren, was dat de filosoof àls filosoof in deze samenleving geen
erkende - d.w.z. tegelijkertijd beschermde en gecontroleerde -
sociale status en functie genoot. De falsafa was voor haar
voortbestaan - de falâsifa voor hun welzijn en veiligheid -
afhankelijk van de belangstelling en bescherming van machthebbers en
gezagdragers (viziers). Zij behoorde als zodanig tot de algemene
'hofcultuur'.[126] Die situatie,
met de persoonlijke band tussen patroon en kliënt, was een bron van
creativiteit maar was voor individuele filosofen en kunstenaars
tegelijkertijd niet
zonder risico's. Niet alleen omwille van enige karakteriële onstandvastigheid bij de despotische heersers in
kwestie[127]: ook de meest "verlichte" heerser was verplicht
rekening te houden met de regelmatig terugkerende,
sociaal-religieuze hervormingsbewegingen of regelrechte opstanden onder het volk (waar de traditionisten over een sterke basis
beschikten). Wanneer dat politiek noodzakelijk leek, aarzelde de
bedreigde vorst of machthebber zelden of nooit om "zijn" filosofen en geleerden
(al was het maar tijdelijk) op te offeren
aan die politieke belangen.[128] Hoe dan ook bracht elke verbreking
van de "patronage"-relatie het leven zelf van de geleerde in gevaar.
Dat een dergelijke afhankelijkheidspositie doorgaans óók - via een
vorm van zelfcensuur - de
vrijheid van conceptie en kritiek van de filosoof beperkte, ligt voor de hand. [129]
Die algemene, maatschappelijke situatie verklaart wellicht het relatief
gemakkelijke "verdwijnen" van de falsafa in de
moslimwereld. Ibn Rushd wordt traditioneel als de
"laatste" Arabische
filosoof beschouwd. Daartoe moeten we dan wel abstractie maken (a)
van de opname van de meer technische aspecten van de filosofie (logica,
kennisleer, methodologie) in de filosofische préambules van de
klassieke kalâm; (b) van de zgn. "profetische filosofie" (in feite
theosofie) in de imâmitische en ismâcîlitische shîca en,
aansluitend, (c) de zgn.
"verlichtingsfilosofie" (al-ishrâq), ontwikkeld door
al-Suhrawardî
(1155-1191), in aansluiting bij Ibn Sînâ en de oude Perzische
lichtreligie, en verder gezet door een ganse school van zgn. ishrâqîûn. Corbin
, die, vanuit een vereenzelviging van filosofie met spiritualiteit,
uitdrukkelijk weigert deze abstractie te maken, schrijft daarom
(1964:7): "Il est radicalement
faux que (la méditation philosophique) ait été close avec la mort
d'Averroès (1198)".
Hoe dan ook, het feit dat zij in haar bloeiperiode, van de
9de tot de 14de eeuw, niet vertegenwoordigd was in de curricula van
het islamitisch onderwijs, heeft belet dat er een daadwerkelijke brug werd
geslagen tussen de falsafa en de "religieuze wetenschappen",
zodanig dat
ze een integraal bestanddeel had kunnen (blijven) vormen van de
geïnstitutionaliseerde, algemene vorming, ook tijdens de periode van
algemene stagnatie van de islamcultuur, tussen ca 1250 en 1850.[130]
Het resultaat was niet enkel dat de falsafa door de
kalâm beschuldigd werd van ketterij, wat sommige van haar
basisstellingen betrof (bv. de eeuwigheid van de wereld), maar ook
dat ze volledig afgesneden bleef van de scholen en daardoor, eens
de algemene hofcultuur grotendeels verdwenen was, van de middelen van
bestaan en verspreiding: altijd 'privaat' beoefend, zouden we kunnen
zeggen, stiérf de
falsafa ook 'privaat'.
Met het voorgaande hebben we indirect ook het bekende probleem
aangeraakt van het benoemen van gans deze filosofische
ontwikkeling, beginnend, grosso modo, met de cAbbâsidische dynastie:
spreken we van "Moslimfilosofie" of "Islamitische
filosofie" - vergelijkbaar met de wijze waarop we van een
"christelijke filosofie" spreken?[131] Of
van "Arabische filosofie"? "Arabisch-islamitische filosofie"?
"Filosofie in de Islam"?... Alle formuleringen hebben hun
voorstanders gehad, en hebben tevens (evidente) bezwaren uitgelokt.
Zoals de lezer(es) al heeft kunnen vaststellen, opteer ik, naar
analogie met het woordgebruik inzake de "Griekse filosofie"
waar "Grieks" verwijst naar de gebruikelijke voertaal,
voor de term "Arabisch"
-ook al waren de meeste, bekende filosofen inderdaad géén
'Arabieren' en schreven enkelen ook in het Perzisch (Ibn Sînâ), of
zelfs uitsluitend in het Perzisch (al-Suhrawardî). Klemtoon op de
voertaal biedt de mogelijkheid om abstractie te maken van de
particuliere relatie tot de gevestigde islam, en dus (1) zowel
theologen, moslimfilosofen als 'vrijdenkers' in de bespreking op te
nemen, en (2) ook recht
te doen aan niet-moslimse, d.w.z. christelijke en joodse geleerden en
denkers voor wie het Arabisch inderdaad de gebruikelijke voertaal
was.
Tenslotte wil ik nog op wijzen dat de dubbelzinnigheid of 'precariteit' van de
sociale positie van de falâsifa sommigen onder hen ertoe
aangezet
heeft, zich extra bezig te houden met het probleem van de "échte"
politieke en maatschappelijke functie van de filosoof. Die
problematiek vormde algemeen zelfs het voornaamste discussiethema, vanaf al-Fârâbî tot het einde van de 12de
eeuw (al-Andalus).
8. Summier Overzicht van het Klassieke Arabische Denken
[132].
We zouden er verkeerd aan doen, zelfs bij een
summier overzicht van het klassieke Arabische denken, enkel aandacht te
schenken aan de figuren die traditioneel als "filosoof" (faylasûf, mv.
falâsifa) gecatalogeerd staan: ook
tal van zogenaamde theologen (mutakallimûn)
verdienen vanuit speculatief-rationeel en filosofisch oogpunt onze volle
belangstelling.
8.1. De "heroïsche" periode van het Arabische denken viel
samen met de bloeiperiode van het cabbâsidische kalifaat, van de 2de
helft van de 8ste tot het begin van de 10de eeuw. Als een periode
waarin de latere - theologische én filosofische - orthodoxieën nog
niet echt van kracht waren, biedt ze ons een bijzonder rijk spectrum van
"vrijzinnige" ontwerpen van een rationeel Arabisch-islamitisch
wereldbeeld.
8.1.1. Vermelding
verdient hier in de eerste plaats de zogenaamde Muctazila,
een groep van denkers die, na tal van uiteenlopende aanzetten, de eerste theologische "school" creëerden
(zie daarover hfst. 1, op
deze site). Zij waren het product van een rijke debatcultuur waarvan het hof
te Baghdâd het actieve centrum vormde. Via een creatieve diversiteit
hielpen ze aan het nog jonge
moslimgeloof de rationele ideologische bovenbouw geven, nodig om de
islam een
wereldreligie te doen worden. Onder de leerstellingen waarmee ze later
vereenzelvigd werden, vermeld ik vooral het principe van de eenheid
en rechtvaardigheid van God en, inzake antropologie en ethiek, dat
van de menselijke keuze- en handelingsvrijheid. Voorts dient de
atomistische metafysica aangestipt: zij theoretiseerde de nieuwe
werkelijkheidservaring die symbolisch besloten lag in de Qur'ân (en
aldus grondig verschilde grondig van het Griekse atomisme).
Laat ik me beperken, bij het namen noemen, tot
drie denkers "van het eerste uur": (1) Dirâr ibn cAmr (ca 728-815), die
onvervaard Aristoteles bekritiseerde; (2) Abû 'l-Hudhayl (ca 752-841), die de
zogenaamde "vijf
principes" van de school formuleerde, maar bovenal de
schepper was van de atomistische metafysica die ook latere scholen
zouden overnemen; en (3) diens kleurrijke neef, al-Nazzâm (ca 782-836).
Deze laatste schitterde evenzeer met zijn libertaire poëzie als met zijn filosofische gaven: hij was een
tegenstander van het atomisme van zijn oom, en tegelijkertijd ook
een fervent en succesvol bestrijder van het manicheïsme. Een tijdgenoot, en op
tal van punten ook een denkgenoot van de muctazilieten, maar iemand die
gewoonlijk als de "eerste filosoof"
wordt gecatalogeerd, was al-Kindî
(ca 800-870). In onderscheid met de meeste andere filosofen was hij van
Arabische afkomst en gold daarom als "de filosoof van de
Arabieren" (faylasûf al-carab).
Met zijn omvangrijk encyclopedisch oeuvre gaf hij blijk van een
indrukwekkende ontvankelijkheid voor de Griekse filosofie en
wetenschappen; hij was de eerste om een plaats op te eisen, binnen het
islamitische denken, voor het (geplatoniseerde) aristotelisme. Ook
onze middeleeuwers wisten hem te waarderen.
8.1.2. Maar deze
periode kende ook een hele reeks van zogenaamde "vrijdenkers" (zanâdiqa, enkv.:
zindîq).
Hoewel sommigen ervan vervolgd werden door de politieke machthebbers,
leveren zij een treffende illustratie van het pluralisme (ook t.a.v.
andere religies) dat de islam doorgaans, en zeker in haar klassieke
periode, heeft weten te respecteren. De (van oorsprong Perzische) term
van zandaqa ("vrijgeesterij")
is een vlag die een erg heterogene "lading" dekt (zie hfst. 4, op deze site). Namen die hier althans
eventjes vermelding verdienen
zijn die van Ibn al-Muqaffac (één van de briljantste
Arabische literatoren die is voortgekomen uit de Perzische,
zogenaamde secretarissenkaste, of kuttâb); Abû
cIsâ al-Warrâq (aanvankelijk
een muctaziliet en nadien één van islams aartsketters; leverde ook een
zeer omstandige theologische kritiek op het christendom) en zijn
goede vriend Ibn al-Râwandî
(aanvankelijk eveneens een gerespecteerd muctaziliet
maar evolueerde tot een extreme zindîq die de grondslagen zelf van de
islam radicaal verwierp). De indrukwekkendste verschijning,
evenwel, zowel vanuit filosofisch als vanuit wetenschappelijk
oogpunt, is hier zonder de minste twijfel Abû Bakr Muhammad ibn
Zakariyyâ'
al-Râzî
(ca 865-925). [133]
8.2. De
hoofdstroming van de Arabische filosofie kwam pas tot volle bloei in de
periode dat de cAbbâsieden de reële politieke macht moesten afstaan
aan regionale dynastieën. Het verlies van de politieke eenheid,
evenwel, betekende geen achteruitgang op het vlak van de materiële
of de intellectuele cultuur, wel integendeel: in de 10de- en
11de-eeuwse
"Renaissance" kreeg het Arabisch-islamitisch humanisme juist
zijn klassieke gestalte.
De grondlegger van die hoofdstroming was Abû Nasr
al-Fârâbî
(ca 870-950). Zelf de leerling van een christelijke aristotelicus, werd
hij de woordvoerder van de zogenaamde "peripatetische school van Baghdâd": hij gold als de "Tweede
meester" van de filosofie (de "Eerste" was natuurlijk Aristoteles).
De basisgedachte van al-Fârâbî's aanzienlijk oeuvre (meer dan 100
werken) was die van de "harmonie" tussen Platoon en
Aristoteles. Zijn politieke filosofie probeerde als eerste de islam
(en andere openbaringsgodsdiensten) kritisch te integreren in de
filosofie; Platoons theorie van de koning-filosoof werd a.h.w.
geacclimatiseerd binnen de moslimprofetologie. In zijn metafysica
werkte al-Fârâbî de emanatietheorie van Plotinos (3de eeuw nK), in
combinatie met Aristoteles, uit tot een omvattende systeem van
metafysische theologie, kosmologie en psychologie, dat ook voor de
joodse en christelijke filosofen en theologen paradigmatisch werd.
Al-Fârâbî's metafysisch systeem werd - met uitzondering van het
politieke verlengstuk ervan - grotendeels overgenomen door de al
vermelde Abû cAlî Ibn Sînâ (ca
980-1037). Arts en filosoof, maar ook mysticus, kende Ibn Sînâ een
erg bewogen bestaan. Dat belette hem echter niet omzeggens het
gehele oeuvre van Aristoteles te bespreken en uit te werken tot een
encyclopedie van alle Griekse wetenschappen: zijn "Boek der
Genezing van de Ziel" (de Arabische titel werd in het
Latijn verbasterd tot "Sufficientia"). Ondanks een zeker gebrek aan
originaliteit, zou Ibn Sînâ zowel in het Oosten als in het
christelijke Westen al-Fârâbî in reputatie overvleugelen. Voor
vriend zowel als vijand (cf. al-Ghazâlî), ging hij gelden als de
belichaming van de falsafa
zonder meer.
8.3. Hierna moeten we
onze blik verplaatsen, van de oostelijke naar de westelijke
islamwereld, d.w.z. naar al-Andalus.
Het is hier
niet de plaats om nader in te gaan op de geschiedenis van deze Europese
islam (zie daarover op deze site).
Arabieren, Berbers, bekeerde autochtonen, gearabiseerde joden en
christenen (de zogenaamde Mozaraben), Slaven, enz.: o.m. via gemengde
huwelijken gingen ze allen op in de smeltkroes van de islam. De steden
van al-Andalus vormden ware kolonies van wetenschapsmensen, juristen,
artsen, geleerden en dichters. Uit heel christelijk Europa kwamen leken
en clerici naar Cordoba, Toledo en Sevilla om er colleges te volgen aan de
moslimuniversiteiten en zich Hebreeuwse of Latijnse vertalingen aan
te schaffen. Na de val, weliswaar, van Toledo (in 1085) kwam al-Andalus onder toenemende druk te staan van
de zogenaamde reconquista en moest de steun worden ingeroepen van
Noord-Afrikaanse Berberdynastieën.
Het leven van de grootste Andalusische filosoof
speelde zich af in deze roerige periode: Ibn Rushd
(geb. te Cordoba in 1126; gest. in 1198, in Marrakech) stamde uit een
juristenfamilie en kreeg een zeer
verzorgde opleiding in de religieuze zowel als profane wetenschappen;
behalve (opper)rechter, zou hij ook lijfarts worden van de Almohadenheersers. Zijn oeuvre was even volumineus en veelzijdig als
dat van de grote falâsifa uit het
Oosten, maar het is slechts gedeeltelijk bewaard in het Arabisch; het
merendeel kwam tot ons in een Hebreeuwse en/of Latijnse vertaling. De
hoofdbrok ervan vormen zijn Aristotelescommentaren. Zijn latere bekendheid in
het christelijke Westen was vooral daarop gebaseerd. Ibn Rushds filosofisch project was in de allereerste plaats de
restauratie van de "zuivere" Aristoteles (althans zoals hij die
begreep), bevrijd van de aanwassen en vervormingen die "de Wijze" (al-hakîm)
o.m. vanwege al-Fârâbî en Ibn Sînâ had moeten ondergaan.
Wellicht géén andere filosoof is meer misbegrepen of meer
belasterd dan Ibn Rushd. Maar geen andere moslimdenker ook heeft een
grotere invloed uitgeoefend op de... Europese cultuur. Want de ironie
van de geschiedenis heeft gewild dat Ibn Rushd, die zich méér dan
wie ook inzette om het "akkoord" te bewijzen tussen religie en
filosofie, in de eigen moslimwereld nauwelijks weerklank heeft
gevonden (hij viel zelfs, weliswaar een korte tijd, in ongenade). Ook
voor de Roomse kerk gold hij als de exemplarische vijand van alle
godsdienst, maar vanaf de 13de eeuw was er ook een "heterodoxe"
stroming die (al dan niet terecht) met zijn opvattingen in verband
werd gebracht: het zogenaamde "Latijnse averroïsme". Ook al
berustte het vooral op een reeks misverstanden (zoals Ernest Renan
voor het eerst heeft aangetoond), dit "averroïsme" heeft een
belangrijke rol gespeeld in de Europese filosofische en
wetenschappelijke ontwikkeling; in Italië, meer in het bijzonder in Padua, zou men nog "averroïsten" vinden tot in de 17de eeuw.
_______________________


NOTEN:
1. Zoals
het genoemd werd door de Saksische benediktijnerzuster, Hroswitha (ca
932-1002).
2. Volgens
de overlevering telde de bibliotheek van de kalief niet minder dan
400.000 "boeken". In werkelijkheid ging het allicht om even zovele cahiers
of katernen (vermoedelijk van 20 bladen elk), overeenkomstig het
toenmalige gebruik om manuscripten uit te geven in een aantal
zelfstandige deeltjes (Arabisch: juz') die apart
bewaard werden. Zie hierover P.S. van Koningsveld, The Latin-Arabic
Glossary of the Leiden University Library. A contribution to the study
of Mozarabic manuscripts and literature (Leiden 1977), n.
89, pp. 68-70.
3. West-Europa zou voor de meeste van die
realisaties moeten wachten tot de 18de, zoniet 19de eeuw. Openbare
badhuizen en waterleidingen, meer in het bijzonder, vormen één van
de meest in het oog springende, civilisatorische effecten van de
islam als cultus (een moslim moet zich voorafgaand aan de
dagelijkse gebedsstonden, vijfmaal daags, het hoofd, de handen en de
voeten wassen, en eenmaal per week het badhuis bezoeken; de toevoer
van zuiver water, binnen de infrastructuur van de moskee, is
noodzakelijk). Pikant is het dan dat, na de voltooiing van de
zogenaamde "reconquista", de uitroeiing van de islamcultuur in Spanje
gepaard ging met de systematische vernieling van de
publieke badhuizen. Voor een rijkelijk geïllustreerde presentatie
van de materiële cultuur en kunst van al-Andalus, zie bv. J.D.Dodds
(ed.), Al-Andalus. The Art of
Islamic Spain (The Metropolitan Museum of Art, New York,
1992).
4. In zijn
boek, The
Influence of Islam on Medieval Europe (1972), p. 10.
5. Zie over de Qur'ân onze syllabus, "Wortels van Islam",
kap. 4, op
deze site.
6.
Vergelijk met de rol van de Latijnse Vulgaat (vertaald door
Hiëronymus) in de romanisering van bijvoorbeeld Gallië en Hispania.
7. Zoals
dat uitgedrukt wordt in s. 12, 2.
8. De
situatie is op het eerste gezicht vergelijkbaar met die van de
Apostelen, na de kruisiging van Jezus. Maar, als onbetekenende joodse
sekte binnen het gevestigde, Romeinse rijk, werden zij geenszins voor
dezelfde immense, maatschappelijke en politieke problemen geplaatst als
Muhammads Gezellen.
9. Cf.
Catherine Cornille, Vrouwen
in wereldgodsdiensten (Rotterdam 1994), p. 14: "Een
religieuze tekst bestaat... grotendeels uit symbolische en metaforische
taal, die op verschillende manieren kan worden geduid en in praktijk
omgezet. De geschiedenis van een wereldgodsdienst kan dan ook beschouwd
worden als de geschiedenis van de interpretatie van het heilige boek".
Sedert Bourdieu's "theorie van de praktijk" weten
we bovendien dat normen en waarden gevat zitten in een dialectische
wisselwerking met de (historische) maatschappelijke praktijken waarin
ze voortdurend gereproduceerd (en dus ook geconstrueerd) worden. Zie
hierover bv. D.Cohen,
Law, Sexuality, and Society. The enforcement of morals in classical
Athens (Cambridge 1991), ch. 2, met een omstandige kritiek op de
traditionele positivistische en filologische benadering (die met
name ook in de Oriëntalistiek en t.a.v. de islam nog vaak gehuldigd
wordt).
10. Zie
onze syllabus, "Wortels van Islam", kap.
8, op deze
site.
11. Zie daarover de derde inleiding en
hoofdstuk 1.
12. Voor
het Griekse woord "grammatica" ging men het Arabische woord "al-nạhw",
letterlijk: "weg, pad", gebruiken.
13. Ten behoeve van het beter begrip van de
Qur'ântekst, werd o.m. een grootschalig onderzoek gevoerd naar de
taal, de leefgewoontes, de stammen, enz. van de bedoeïenen in Arabië:
wat na verloop van tijd en in een gans verschillende culturele
omgeving vooral nood had aan toelichting, waren de zogenaamde
"omstandigheden" of "oorzaken van de openbaring",
d.w.z. vragen als: op welke plaats? op welk tijdstip? in welke concrete
context is de openbaring neergezonden? Aan welke gebeurtenis was ze
gekoppeld? enz. Dat alles samen vormde de wetenschap van de "asbâb an-nuzûl".
14. Zie over de Qur'ân de syllabus, "Wortels van Islam",
kap. 4, op
deze site.
15. Het zou een normale praktijk worden dat
jonge mensen met poëtische ambities een soort van 'stage' zouden
lopen bij Arabische nomaden, in de eerste plaats om er de zogenaamde
zuivere carabiyya
te leren.
16. De
pionier hiervan was Ibn al-Muqaffac, van
Perzische afkomst (zie verder, hoofdstuk 4, § 1.2.).
17. Bv.
het gesofistikeerde literaire genre van de "maqâma"
(letterlijk: "vergadering").
18. Voor een systematische bespreking van de
literatuur ervan, in haar vele onderdelen, zie Helmut Gätje (ed.),
Grundriß der Arabischen Philologie, Band II: Literaturwissenschaft,
Wiesbaden 1987.
19. Zie
G.Makdisi, The Rise of Humanism in Classical Islam and the
Christian West. With special reference to Scholasticism,
Edinburgh 1990. Over de scholastische methode in de (latere)
christelijke filosofie, zie De Ley, Filosofie als "Ambacht".
Thomas van Aquino en de Scholastische Methode (1993) - ook
op deze site.
20. Zie G.Makdisi, The
Rise of Colleges: Institutions of Learning in Islam and the West,
Edinburgh 1981.
20bis. Zie
Abdelali Elamrani-Jamal, "Le Coran: l'invitation au savoir: une base
éducative de l'Islam", in: la Medina, n° 11 (2001), pp. 28-30.
21. Voor de term "humanisme" cf. de
studie van M.Arkoun, Contribution à
l'étude de l'humanisme arabe au IVe/Xe siècle: Miskawayh
320/325-421) = (932/936-1030), Philosophe et Historien. Paris 1977.
Het Arabisch voor 'mens(elijk)heid, humaniteit' is "al-insâniyya"
(het woord wordt vandaag ook gebruikt voor 'humanisme', maar is
als zodanig een neologisme - aldus J.L.Kraemer, 1986:10 n.14). Voor het gebruik van de notie "renaissance",
in de traditionele zin van: "wedergeboorte" van het antieke
erfgoed (cf. ook de "Karolingische renaissance", in de 9de
eeuw, de "Ottoonse" en de "12de-eeuwse renaissance",
in de Westeuropese cultuurgeschiedenis), zie J.L.Kraemer, 1986:1
(met verwijzingen).
22. Zie de inleiding (1), "Islam en Oudheid",
kap. 3.
23. M.Arkoun
(1975), p. 36, geeft als voorbeeld de aristotelische notie van het "juiste
midden" (wasat), reeds aanwezig in de Qur'ân, hadîth-s
en volksgezegden, en nadien door de Arabische moralisten hernomen "dans la
même perspective qu' Aristote".
24. Arkoun,
l.c.
25. De "heidense" oorsprong en aard van deze
kennis vormden voor de moslimfilosofen geen beletsel. Vergelijk
daarmee in contrast, in de hedendaagse periode, de afwijzing van het
moderne, "seculiere" (en constructivistische) wetenschapsbegrip en
de promotie van een "islamitische wetenschap" door een aantal
islami(s)tische en mystieke stromingen (met overname weliswaar van de
westerse technologie maar met afwijzing van bv. darwinistische
theorieën over de evolutie). Een vertegenwoordiger hiervan is het
Americaans(-Turks)e magazine,
The Fountain, A Magazine of critical, scientific, and spiritual thought
(hyperlink:
http://www.fountainlink.com). Zie
ook de bundel, The History and Philosophy of Islamic Science,
van Osman Bakar, 1999: "Being based on the metaphysical,
cosmological, epistemological, ethical and moral principles of Islam,
Islamic science adopts goals and methodological principles that are
different in several respects from those of modern science" (tekst
op de achterflap). Voor een kritische bespreking ervan, in het kader
van het politieke, islamistische project, zie Bassam Tibi,
Islam between Culture and Politics (2001), pp. 4-7.
26. C.Toll,
Arabische
Wissenschaft und Hellenistisches Erbe (1976), p. 31.
28. ca 129 - ca 199 nK. Galenos wou aan de
geneeskunde, tegen de "empirische" richting in, opnieuw een filosofisch-wetenschappelijke basis geven. Hij hechtte, vandaar,
groot belang aan de aristotelische logica, als fundament voor de
bewijsleer en de wetenschapstheorie. In zijn teksten beroept hij
zich vooral op Hippokrates en Platoon, maar het algemeen kader van
zijn medische filosofie/filosofische geneeskunde is aristotelisch (cf.
ook de overname van Aristoteles' teleologische natuurvisie, bv. voor
de studie van de organen), met weliswaar ook stoïsche invloed. Van
zijn immens oeuvre is een aanzienlijk deel verloren gegaan (o.m.
door een brand in 192), maar toch zijn, in de eerste plaats dank zij
de Arabische receptie ervan, nog meer dan 120 medische en
filosofische werken op zijn naam bewaard. [Zie hierover ook in
Inleiding 1, kap. 3.2.4.]
29. Vandaag is Harrân weinig meer dan een
dorp met erg typisch gevormde, lemen huizen, omringd door enkele
povere ruïnes (gelegen op Turks
grondgebied). Voor enkele foto's, zie op de website van Dick Osseman,
URL:
http://www.pbase.com/dosseman/harran .
30. Ten einde de vervolgingen vanwege
al-Ma'mûn te vermijden, zo luidt het, vereenzelvigden de
Harranieten zich heel
"clever" met de zogenaamde 'Sâbiërs' of 'Sâbeërs'
(̣Sâbi'ûn) die in de Qur'ân (s.
2:62; 5:69; 22:17) tot de "volkeren-van-het-Boek"
worden gerekend. Mits zij de voor dhimmî-s voorziene taks betaalden,
werden zij dus ongemoeid gelaten. PS De traditionele vereenzelviging
van Harrân met de (beschrijvingen van de) 'Sabeëers' wordt in de
moderne literatuur in vraag gesteld, cf. Stroumsa 1999:148: "But
if the mythical Sabeans ever corresponded to a real, specific people
of religion, the identification of this people escapes us: their
descriptions in Muslim literature, like those of mythical winged
animals, contain too many contradictory elements".
31. De
Harranieten voerden hun religie terug op "Hermes".
32. "The city was clearly a clone or
outpost of Byzantine culture rather than a reflection of the Persian
of which it was nominally a part", Netton, 1994:14. De religieuze vrijheid, met name voor de
christelijke minderheden, zou in het Sassanidenrijk vaak groter zijn dan in het
Bijzantijnse Imperium.
Desalniettemin werd de Pers Mani, stichter van de manicheïsche kerk,
omwille van zijn afvalligheid van de mazdeïsche staatsreligie in
277 precies in Gundêshâpûr ter dood gebracht. Zie D.D. De Lacy
O'Leary,
How Greek Science Passed to the Arabs (1980), p. 16.
33. De academie die de koning er oprichtte,
volgde het 'alexandrijnse' curriculum. Behalve een astronomische
faculteit, met observatorium, en een theologische school, bezat ze
ook een medische faculteit, met eraan verbonden hospitalen. Zij
beschikten, behalve voor het verzorgen van de zieken, ook over
voorzieningen voor het theoretisch en praktisch onderwijs in de
geneeskunde. De stad huisvestte ware dynastieën van medische
families, waarvan de nestoriaanse Bakhtîshûc de bekendste was.
34. Zoals de instelling, zo is ook het
woord zelf van Perzische oorsprong.
35. Over
de Arabische alchemie, en het aristotelisch-platonische wereldbeeld dat eraan
ten grondslag ligt, zie hoofdstuk 3, in deze syllabus.
36. Zo
M.Ullmann, Die
Medizin im Islam (Leiden 1970), p. 97.
37. Zo
Ullmann, l.c.
38. Over
de beroepsethiek van de Arabische artsen en de ermee samenhangende
literatuur, zie Ullmann (1970), pp. 223-227.
39. Of bij de inname van Alexandrië (in
642)de Alexandrijnse
bibliotheek door de Arabische troepen in brand werd gestoken, zoals de
christelijke traditie het wil, is twijfelachtig. I.Opelt, Griechische
Philosophie bei den Arabern (1970), p. 11, merkt hierbij
op: "Die Hauptgegner der griechischen Philosophie waren die christlichen
Bischöfe".
40. Bewaard in drie versies, waarvan er één
teruggaat op de filosoof al-Fârâbî.
41. Eén van de meer recente auteurs die de
traditie bespreken, G.Strohmaier, "Von Alexandrien nach
Baghdâd" - eine fiktive Schultradition, in: J.Wiesner
(ed.), Aristoteles,
Werk und Wirkung, P.Moraux gewidmet, 2.Bd (Berlin/New York 1987), pp.
380-389, komt tot de conclusie dat er weliswaar geen reden bestaat
om te twijfelen aan de verhuis van (eventueel een deel van) de
alexandrijnse school naar Antiochië, maar dat de betekenis ervan
voor de Syrisch-Arabische Aristotelesreceptie als verwaarloosbaar
moet beschouwd worden.
42. Voor Indië's rol zie D.D.De Lacy O'Leary,
o.c. (1980), ch. VII-VIII ("Indian Influence") en ch. IX ("Buddhism
as a Possible Medium").
43. R.Arnaldez,
L.Massignon & A.P.Youschkevitch, La science arabe,
in: La science antique et médiévale
(des origines 1450), ed. R.Taton (Paris 1966²) p. 445.
44. Het Syrisch is een christelijk literair
dialect van het (Oost-)Aramees, dat tot de groep van noord- of
noordwestelijke Semitische talen behoort; het (Noord-)Arabisch
behoort tot het zuid- of zuidwestelijk Semitisch, maar deelt een
aantal kenmerken met het noordwestelijk Semitisch (de Arameërs waren
een soort van noordelijke tak van de Arabieren). Zie H.Gibb (1963),
p.3; art. cArabiyya
in EoI, pp. 561-562; De Lacy O'Leary (1980), p.
182.
45. "al-Yunâniyyûn",
i.e. "de Ioniërs", of "Yunân",
naar hun veronderstelde stamvader (ook vandaag nog in het Arabisch en
het Turks gebruikt voor Griekenland, Grieken, enz.)..
46. Yahyâ is het Arabisch equivalent voor het
Syrische Yuhannâ (Johannes).
47. Het
Arabische al-Bitrîq (of batrîq)
staat voor het Griekse patriarchès. Al-Bitrîq was vermoedelijk een
(Oost-)Romein.
48. Al-Ma'mûn had drie jaar eerder
de muctazilitische doctrine van de "geschapen Qur'ân" tot orthodoxie uitgeroepen
(zie Inleiding 3, kap. 5.3.; mogelijk was
hij op zoek naar nieuwe intellectuele wapens voor de theologische
strijd.
49. Cf.
het verhaal in de boekencatalogus,
al-Fihrist,
van Ibn al-Nadîm (voltooid in 987), "the single
most important document on philosophy among the Arabs",
Peters (1968), p. 277.
50. Zij werden ook naar het buitenland
gestuurd, zo naar Sicilië, Constantinopel en andere steden in het
Byzantijnse rijk. Anderzijds werd bv. ook een vredesverdrag met
keizer Michael II door al-Macmûn voor dit opzet gebruikt:
de keizer moest volgens de termen van het verdrag de bibliotheek van
Constantinopel (voor een totaal van 100.000 boeken) afstaan aan de
kalief.
51. "This
was the most ambitious undertaking of its kind since the foundation of
the Alexandrian Museum (first half of third century B.C.)",
Sarton (1927), p. 558.
52. Zijn
eigen medische traktaten (o.m. het oudste bewaarde, gespecialiseerde
traktaat over oogziektes: het Kitâb
Dajal al-cain, "B. van de Deficiëntie van het Oog", zie Ullmann, 1970, p. 205) waren in het Arabisch
geschreven, maar hij vertaalde verschillende Griekse medische traktaten
in het Syrisch. Grote bekendheid (ook bij ons, in een Latijnse
vertaling, op naam van "Mesu") verwierven zijn Medische Aforismen.
Vgl. bv. afor. 68: "Als ze zieken genezen, moeten
geneesheren ernaar streven dat hun lichaam de toestand hervindt waarin
het verkeerde toen het gezond was, en niet het evenwicht in de
totaliteit van zijn substantie". Arnaldez e.a. (1966), p.
517, die een kleine selectie afdrukken, noemen nr. 68 "l'aphorisme
le plus profond".
53. Zie bv. de publicatie met commentaar van
één van zijn verhandelingen over een probleem in de statica: Khalil
Jaouiche, Le Livre du
Qarastûn
de Tâbit Ibn Qurra. Etude sur l'origine de la notion de travail et
du calcul du moment statique d'une barre homogène (Leiden
1976). Sarton (1927), pp. 599-600.
54. Geboren in al-Hîra, nadien werkzaam in
Gundêshâpûr.
55. Hij
schreef een groot ophthalmologisch traktaat (in 1928 door M.Meyerhof
uitgegeven samen met een Engelse vertaling: "The book of the ten treatises
on the eye ascribed to Hunain ibn Ishâq. The earliest existing
systematic text-book of ophthalmology").
Het is het eerste ophthalmologisch overzichtswerk dat tot ons is gekomen,
niet alleen van de islam, maar ook van de klassieke oudheid (het biedt
een compilatie van Griekse artsen, vooral Galenos, maar ook Oreibasios,
Paulos van Aigina, e.a.); het bevatte ook tal van diagrammen, waarin
voor het eerst de anatomie van het oog getoond werd. Zie
Ullmann (1970), pp. 205-206. Over Hunayn in het algemeen, zie De Lacy
O'Leary (1980), pp. 164-170.
56.
Hunayn beheerste daarmee de vier cultuurtalen van zijn tijd: Arabisch,
Grieks, Perzisch en Syrisch.
57. G.Anawati
(1977), "Science", in: The Cambridge
History of Islam (1970), vol. 2B, p. 768.
58.
Hunayn schreef daarnaast ook nog eens een 100-tal eigen boeken, meestal
i.v.m. de geneeskunde. In de Latijnse middeleeuwen was hij vooral
beroemd om zijn Ars
parva Galeni, ook bekend als de Isagoge Johannitii.
59. Voor
een omstandige bespreking van de vertaaltechniek zie o.m. A.Badawi,
La transmission de la philosophie
grecque au monde arabe (1968), pp. 15-34.
60. "The
importance of this activity can be measured... by stating that the
translations prepared by Hunain and his school were the foundation of
that Muslim canon of knowledge which dominated medical thought almost
to modern times", G.Sarton, Introduction to the
History of Science, vol.I: From
Homer to Omar Khayyam (1927), p. 611. Eén vb.: de nieuwe vertaling door
Hunayn, gereviseerd door Thâbit ibn Qurra, van Ptolemaios'
astronomisch hoofdwerk waarvan de titel verarabiseerd werd tot
al-Majistî (in het
Latijn tot: Almagest). Eens bekend, verdrong dit werk de Indische en
Perzische astronomische teksten waarop de eerste Arabische
astronomen zich hadden gesteund. In het christelijke Westen zou het
dé absolute autoriteit zijn tot aan Copernicus. Zie Anawati (1977),
p. 759.
61.
Hunayn schreef zelf o.m. een Syrische grammatica en het vroegste
Syrisch lexicon, "Verklaring van Griekse termen in het
Syrisch".
62. Zie
G.Sarton
(1927), pp. 560-561.
63. Cf.
M.Galston (1990), Politics and Excellence. The Political
Philosophy of Alfarabi, pp. 18-19.
64. Zo bv.
W.M.Watt, Islamic Philosophy and Theology (1979),
p. 91v.
65. Zie
bv. bijdragen in R.Walzer, Greek into Arabic. Essays on
Islamic Philosophy (1962). Onder de recente al-Fârâbî studies kunnen vermeld
worden: M.Galston, Politics
and Excellence. The Political Philosophy of Alfarabi,
Princeton 1990; I.R.Netton, Al-Fârâbî
and His School, London 1992.
66. Het verslag van de disputatie is bewaard
gebleven, in een tekst van de essayist Abû Hayyân al-Tawhîdî (gest.
1023). De Grieken worden er misschien niet toevallig systematisch
"Yunân" genoemd: cf. Bishr Mattâ's alternatief patroniem (zie
hoger). Opgesteld door al-Tawhîdî, een voorstander van de
"traditionele wetenschappen", wijst het de zegepalm toe aan as-Sîrâfî (die overtuigend argumenteerde dat de aristotelische
logica, als een product van de Griekse taal, enkel geldig kon zijn
voor Griekse geesten). Voor een bespreking zie M. Mahdi,
Language
and logic in classical Islam, in:
Logic in
Classical Islamic Culture, ed. G.E. von Grunebaum (Wiesbaden 1970), pp.
51-83. Een samenvatting ervan wordt gegeven in hoofdstuk 1, kap.
1.6., van deze syllabus.
67. Zie
Netton (1992), pp. 8-11.
68. Zie over al-Sijistânî: M.Arkoun,
Essais sur la pensée islamique (1977), p. 102 ("que nous
devons retenir comme le maître à penser de toute la génération qui
relie celle de Fârâbî à celle d'Avicenne"); Netton (1992), pp.
11-13. In tegenstelling tot Ibn Sînâ en Ibn Rushd, heeft
al-Sijistânî's werk geen Latijnse vertaler gevonden, "and so the scholastic Middle Ages in the West
remained in ignorance of what he had written".
69. Zie
vooral zijn anthologie Siwân al-̣hikma, "Kast van Wijsheid", dat
een ontzaglijk aantal gezegdes bevat - dikwijls in de vorm van citaten
- van de "wijzen" (̣hukamâ'), moslim
zowel als niet-moslim, voornamelijk maar niet uitsluitend over ethische
en metafysische onderwerpen. "The form of the book thus
presupposes a considerable period during which the translations of
philosophical texts were in the hands of the Arabic reading public"
(geciteerd in Netton, o.c., p. 12). Over "adab"
zie het gelijknamig artikel in EoI, van
F.Gabrieli.
70. Archimedes, Eratosthenes, Apollonios van
Perge, Menelaos, Heroon van Alexandrië, Diophantos van Alexandrië,
Pappos en vele andere.
71. Homeros,
Soloon, Hippokrates, Puthagoras, Sokrates, Platoon, Aristoteles en
Alexander de Grote zijn slechts enkele van de Griekse "wijzen" die
(reeds in de late oudheid) maximes en stichtende zegswijzen in de mond
gelegd kregen.
72. Bv.
het schrift "Over de appel", dat de dood van
Aristoteles schildert naar het model van de platoonse
Phaedo, en gecompileerd is uit Griekse sententiën.
73. In 704 reeds was Samarkand, waar de
Chinezen kort tevoren een papiermanufactuur hadden gevestigd, door
de moslims veroverd. Pas in 794 startte de papierfabricatie in
Baghdâd, maar het papier zou van daaruit zeer snel de rest van de
Mediterrane wereld veroveren, ten koste zowel van het minder
praktische (en duurdere) papyrus als van het kostelijke perkament.
74. Stock (1978), p. 13. Ter illustratie haalt
hij het voorbeeld aan van Cassiodorus (ca 480-575), die in zijn Institutiones
slechts één werk van de arts-filosoof Galenos vermeldt, terwijl de
Arabieren, rond 900, er ruim 129 actief bestudeerden. Ondanks de
vele verliezen zijn er op dit ogenblik nog altijd bijna een kwart
miljoen Arabische handschriften bewaard. Een groot deel ervan
betreft de Arabische wetenschap en filosofie, zowel vertalingen uit
het Grieks als oorspronkelijke werken. Alle
belangrijke steden in de islam hadden grote bibliotheken, zowel in
de paleizen als bij private burgers. De allerrijkste, evenwel,
bevonden zich niet in Baghdâd maar in het Caïro van de Fatimieden. De
belangrijkste ervan was het Dâr al-̣hikma ("Huis van de Wijsheid"),
gesticht door kalief al-Hâkim, in 1005. In 1043 zag een reiziger een
bibliotheek in Caïro met 6.500 boeken over astronomie, geometrie
en filosofie. Zie Anawati (1970), pp. 748-749.
75. Zo Arnaldez, art. "falsafa", in EoI, pp. 769-770.
76. Bv.: "Wie op weg gaat om kennis te zoeken, de Heer gaat met hem op
de weg van het Paradijs"; "De inkt van de geleerden is waardevoller
dan het bloed van de martelaren". Zie ook al hoger (slot kap.
1). Cf. Anawati (1970): "The original
religious fervour still remained, for Muslim scientists, whether
astronomers, mathematicians or physicians, were not seeking any the
less to work for the glory of God and the service of religion when
they devoted themselves to the sciences derived from Greece, from
Persia or form India".
77. Zie o.m. Opelt (1970), pp. 74-79.
78. Onder zijn ware naam was Plotinos de
Arabieren onbekend, maar er werd wel naar hem verwezen met de titel
van "de Griekse meester" (as-shayh al-yûnânî).
Desondanks evenaarde zijn filosofische invloed die van Aristoteles.
Enkele Arabische filosofen - o.m. al-Râzî en Ibn Sînâ - lijken enige
twijfel te hebben gehad over Aristoteles' auteurschap i.m.v. de
"Theologie". Zie Badawi (1968), pp. 46-59; Netton,
1994:12. Voor Plotinos, zie de syllabus, "Geschiedenis van de Antieke
Wijsbegeerte",
op deze site.
79. Zoals voor het eerst erkend is door
Thomas, dankzij de Latijnse vertaling van Proklos' tekst door Willem
van Moerbeke. Zie ook F.Van Steenberghen, La Philosophie au XIIIe
siècle, Leuven-Paris 1991², pp. 78-79.
80. De volledige titel ervan luidt:
"Harmonisering van de Opinies van de Twee Wijze Mannen: Platoon, de
Goddelijke, en Aristoteles" (Kitâb al-Jamc bayn
Ra'yay al-̣hakîmayn Aflậtûn al-Ilâhî wa-Ariṣtụtâlîs).
Walzer (1985), p. 428, verwijst naar Porphurios' verloren werk
"Over het één-zijn van Platoons en Aristoteles' filosofieën" ,
dat mogelijk een soort van concordantielijst bevatte. Galston (1990)
stipt nochtans aan dat al-Fârâbî's opzet met dit werk overwegend
defensief lijkt geweest te zijn, dwz. "to counter the distrust of
philosophy voiced by non-philosophers on the basis of their belief
that the two greatest philosophers were unable to reach agreement on
fundamental issues... Alfarabi's avowed purpose... is, then, to
restore philosophy's credibility as the purveyor of truth".
Aangezien in het traktaat doctrines worden toegeschreven aan Platoon
en Aristoteles, die in geen andere bespreking van de twee bij
al-Fârâbî voorkomen, is door sommige moderne commentatoren
geconcludeerd "that the explicit thesis of the Harmonization
is in large measure rhetorical or that it does not represent
Alfarabi's deepest understanding of the character of Plato's and
Aristotle's philosophies".
81. Voor het eerst door de Romeinse redenaar
en politicus Cicero gehanteerd als selectiecriterium voor het
opvoedingsprogramma. De klemtoon viel daarbij op de morele en
literair-retorische vorming van de toekomstige burger. De studie van
de mathematische wetenschappen zoals meetkunde en astronomie werd
door hem als "vitiosum", d.w.z. niet passend voor een
"gentleman" geacht (cf. De Officiis, I, 6, 19). Mede door
het bijzonder onhandige, Romeinse notatiesysteem voor cijfers, was
de Latijnse cultuur te allen tijde weinig mathematisch gericht. De
klemtoon in het Romeins onderwijs in de keizertijd ging daarom zo
goed als uitsluitend op het literaire liggen, met bijna volledige
verwaarlozing van de wiskundige studies.
82. De zogehéten "Politiek" van
Aristoteles, die wél circuleerde, nl. het Secretum Secretorum
(Arabisch: Sirr al-asrâr), is een pseudo-epigraaf (niet te
verwarren met een gelijknamig, alchemistisch werk van al-Râzî).
Hoewel gebaseerd op Griekse bronnen, gaat het vermoedelijk om een
Arabische of Syrische, erg verwarde compilatie van folkore,
spreukenwijsheid en bijgeloof op het vlak van fysiognomie, diëetkunde,
enz. Yahyâ ibn Bitrîq werd verondersteld de tekst uit het Grieks
vertaald te hebben (hij pretendeert de tekst gevonden te hebben
in... de tempel van Hermes). De tekst was spoedig nadien bekend in
Spanje, waar hij vertaald werd in het Latijn, het Castiliaans, en
andere talen waaronder het Vlaams, door Jacob van Maerlant (1235 -
ca 1291). Zie Sarton (1927), pp. 556-557. Het was wellicht het meest
verbreide boek in de Europese middeleeuwen en had een grote invloed
op het dagelijkse leven. Zie Badawi (1968), p. 11.
83. Vgl. de parafrase van de platoonse
Politeia door een uitgesproken aristotelicus als Ibn Rushd. Er
dient nochtans opgemerkt te worden dat deze 'verwaarlozing' van de
Politica reeds een precedent had in de late oudheid: er zijn
geen voorbeelden bekend, in de laat-antieke commentarenliteratuur, van
commentaren op dit werk (wel op de Politeia). Zie Walzer
(1985), pp. 427-428, volgens wie het "niet onmogelijk" is dat
Porphurios verantwoordelijk was voor "this surprising neglect of
Aristotle's Politics". De motieven voor het gebrek aan
interesse voor dat werk in de late oudheid waren ongetwijfeld van
gelijke aard als die in de islam.
84. "Ahlâq" is het meervoud van
huluq, en heeft dezelfde betekenis als het Griekse
meervoud, "èthè", d.w.z. "karaktertrekken, disposities"
(enkv.: èthos); in het Latijn: "mores". Zie het art.
"akhlâq" van Walzer, in EoI.
85. Zie over Abû cAlî Miskawayh
natuurlijk vooral Arkoun (1970), Contribution à l'étude
de l'humanisme arabe au IVe siècle de l'hégire. Over zijn
ethische opvattingen in het bijzonder, zie Walzer (1962e).
86. Kardinale deugden: rechtvaardigheid,
moed, matigheid en wijsheid, als hoedanigheden van de ziel alléén (resp.
de verhouding tussen de drie delen ervan). Zie Walzer (1962e), pp.
221-4; (1962f), pp. 240-241. Z.i. was deze platoniserende ethiek al
zeer verspreid in de late oudheid; ook zijn bijdrage New Light on
Galen's Moral Philosophy (From a recently discovered Arabic source)
(1949), in: Walzer (1962), pp. 142-163. In deze syllabus: zie hfst.
2, kap. 4.
87. R.Arnaldez,
L.Massignon & A.P.Youschkevitch, La science arabe,
in: La science antique et médiévale (des origines à 1450
(1966), pp. 458-459, waar ze ook op de voorkeur wijzen van de
Arabische wetenschappers voor het "stoïcijnse" logische
atomisme, in onderscheid met de aristotelische logica (cf.
belangrijke stoïci, in de oudheid, waren van... Semitische afkomst).
Voor het belang van de Arabische taal voor het zich ontwikkelend
filosofisch-theologisch denken, zie hoofdstuk 1, in deze syllabus, §
1.3.
88. Ibid., p. 459. Zie ook Stock (1978), p.
13: "er is geargumenteerd dat het Arabisch inherent een goede
taal is voor het uitdrukken van wetenschappelijke constructies - een
feit van aanzienlijke betekenis voor de mathematisering".
88bis. Abû Dulaf, de auteur van twee
reisverslagen: "Van ons is de gehele wereld, en alles wat erin
is, de landen van de islam net zo goed als die van het ongeloof".
Zie Kraemer, 1986:24-25. Vergelijk ook met de zgn.
"Travellers", in het UK, vandaag.
89. G.Sarton
(1927), p. 707. Tot Bîrûnî's belangrijkste werken behoren: 1) de Chronologie
van de Oude Naties, 2) een beschrijving van Indië (Ta'rîh
al-Hind), 3) een astronomische encyclopedie, de zgn. Kanon
van Mascûd, 4) een samenvatting van de wiskunde,
astronomie en astrologie, 5) het Wetenschap der Medische Kruiden
(Kitâb al-sayala fi'l-̣tibb). Verder heeft hij
verschillende Indische teksten uit het Sanskriet in het Arabisch
vertaald, en de beste middeleeuwse beschrijving gegeven van het
Indische getallensysteem. Voor een omstandige bespreking van
al-Bîrûnî als natuurfilosoof, zie Nasr (1978), pp. 107-174.
90. Het is
vanzelfsprekend ondoenbaar om hier al was het maar een pure namenlijst te
geven van de grote Arabische geleerden en wetenschappers. Zie de drie
delen van G.Sarton (1927v.), waar de bespreking van de Arabische auteurs
chronologisch verweven is met die van de wetenschappelijke ontwikkeling
in de rest van de wereld. Een overzichtelijk "tableau"
van de grote namen, op basis van Sarton, is te vinden in R.Arnaldez,
e.a. (1966),
pp. 464-471.
91. De "enkúklios paideía", letterlijk: de "gewone, dagelijkse
opvoeding", sc. van de vrije burger (vandaar in het Latijn:
artes liberales), zoals zij in het
algemeen onderwijs (aan de begoede burgerzonen) werd aangeleerd, was gebaseerd op een
combinatie
van 'literaire' en 'wiskundige' vakken (grammatica, poëzie, proza,
muziek, arithmetica, geometrie, astronomie). De connotatie van "totaliteit"
of alomvattendheid van de kennis
was oorspronkelijk niét aanwezig in de Griekse uitdrukking (het element "cirkel" dat
erin vervat ligt, verwijst oorspronkelijk naar de koor- of
danscirkel van de musische opvoeding, in het kader van de
Griekse polis), maar ze werd alvast vanaf de hellenistische periode
in die zin begrepen. Aristoteles heeft er met zijn
Lyceum beslissend toe bijgedragen dat het "enkyklische" leerplan
algemeen verplicht werd in het onderwijs. Zie A.Dolch, Lehrplan des
Abendlandes. Zweieinhalb Jahrtausende seiner Geschichte (Ratingen
1971), p. 40.
92. Over deze Arabische transcriptie van
het Grieks, zie verder. De relatie tussen de "vrije"
kunsten (of wetenschappen) en de filosofie, in de antieke conceptie,
is enigszins ambigu, zoals Van Steenberghen (1991), pp. 50-51,
aanstipt. Op het eerste gezicht lijkt er een duidelijke scheiding
tussen beide te bestaan, enigszins analoog aan het moderne
onderscheid tussen filosofie en positieve wetenschappen. De vrije
kunsten lijken immers te fungeren als propedeutische
wetenschappen,
die een soort van algemene vorming geven, voorafgaand aan de studie
van de filosofie: cf. het oorspronkelijke onderwijscurriculum, waarin de "enkyklische"
vakken (grammatica, rekenkunde, meetkunde, enz.) de leerstof
uitmaakten van het "lager" onderwijs, terwijl de opleiding in de
filosofie plaats vond aan de "hogere" filosofiescholen (vgl. de
relatie tussen Artes en theologie, in de middeleeuwse universiteit).
Vanuit het oogpunt nochtans van de theoretische
conceptie van de
kennis moeten de "wetenschappen" beschouwd worden als
ónderdelen van
de "filosofie". Bij Aristoteles lijdt dat niet de minste twijfel. Zo
zijn de termen "filosofie" (φιλoσoφία) en
"wetenschap" (epistèmè)
bij hem gewoon synoniemen, in het kader van de uitwerking van een
systematische, theoretische en wetenschappelijke (d.w.z. gebaseerd op een
wetenschappelijke methode) kennis van de "eerste oorzaken"
van de totale werkelijkheid.
Van hieruit kunnen de particuliere "wetenschappen" of
"filosofieën"
slechts de onderdelen zijn van de filosofie, als integrale
wetenschap. Bovendien is er een mate van coïncidentie tussen de
inhoud van de "enkyklische" kunsten en die van de aristotelische
filosofie (vgl. de logica, bekroning van het 'trivium', is ook de
eerste etappe van de filosofie; het 'quadrivium' stemt overeen met
Aristoteles' visie op de mathematica, als één van de theoretische
wetenschappen; Aristoteles maakt ook een nauwe koppeling tussen de
retorica, onderdeel van het 'trivium', en de politiek, tak van de
praktische filosofie, enz.). Vandaar de conclusie van Van
Steenberghen, l.c.: "Il semble donc que les 'sciences particulières'
devaient être considérées par Aristote comme des pièces détachées de
l'édifice philosophique en vue de constituer un programme d'études
adapté aux écoles élémentaires".
93. Cf. het principe van de "auctoritas" in onze Scholastiek:
zie de syllabus
Filosofie als "Ambacht", p. 15v. Een opvallende
uitzondering op deze algemene houding vormt al-Râzî, met zijn
overtuiging dat de waarheid niét "gegeven" was, maar door de
rede middels eigen inspanning en onderzoek (ijtihâd)
progressief moest veroverd worden: zie verder, hoofdstuk 4, kap. 2. Ook bij
iemand als al-Kindî, nochtans, is dit idee aanwezig, het zij dan
veeleer als een, in vergelijking met de "goddelijke" of
"profetische" kennis, negatief gegeven (zie verder, hoofdstuk 2, kap.
2.2.).
94. Zie Arkoun (1977), pp. 36-37, maar ook de
classificatie van de
wetenschappen bij al-Fârâbî (Ịḥsâ' al-culûm), en in de
filosofisch-theosofische "Encyclopedie" (Rasâ'il,
letterlijk: Brieven)
van de Ikhwân al-̣safâ'
(of: Broeders van de Zuiverheid). Zie over deze laatste en andere
classificaties, Gardet & Anawati (1948), p. 102v.; Nasr (1978), pp.
40-43. "The trend in Islam was towards subdividing the individual
disciplines into more and more specialized fields, and eventually,
the supposedly independent disciplines were counted in the hundreds", Rosenthal (1975), p. 52.
95. Ullmann (1970), p. 4, vanuit zijn historicisering van het
Arabische wetenschapsbegrip, waarschuwt voor het gebruik van termen
als "botanica", "mineralogie", "farmacologie", enz. Deze gebieden,
die wij ook vandaag als wetenschappen beoefenen, "sind für den Islam
anders zu umgrenzen. Es gibt keine 'Botanik' im Sinne einer eigenen
wissenschaftlichen Disziplin; es gibt dagegen ein umfangreiches
pflanzenkundliches Wissen, das in den Werken der Philologie (Abû Hanîfa), der Philosophie (Ps.-Aristotels, ibn Sînâ), der
Pharmakognosie und Pharmazie, der Giftkunde, der Landwirtschaft, der
Magie (Balînâs, Sirr al-khalîqa) und in den Enzyklopädien, jeweils
unter besonderen Gesichtspunkten, dargestellt ist. Ähnliches gilt
für die Tierkunde, die Gesteinskunde und andere Fächer".
96. Voor een beknopt overzicht van de Arabische wetenschap zie ook
Anawati (1970), pp. 741-779.
97. Zie Arnaldez e.a. (1966), pp. 448-451 ("Or cette union devait
être décisive pour le progrès de l'esprit scientifique: connaître
n'est plus contempler, c'est faire", p. 448). De hoger vermelde drie
broers, bekend als de Banû Mûsâ (supra, onder kap.
4.2. b.), waren bv.
behalve vooraanstaande mathematici ook de auteurs van het eerste
handboek over mechanische constructies (Kitâb fi al-̣hiyal, geschreven
860). Tot het 100-tal beschreven toestellen behoren automatische
muziekinstrumenten (bv. de fluit) en praktische apparaten (bv. voor
warm en koud water, het machinaal optillen van zware lasten, enz.).
98. "Encyclopaedist, philosopher, physician, mathematician,
astronomer. The most famous scientist of Islâm and one of the most
famous of all races, places, and times; one may say that his thought
represents the climax of mediaeval philosophy", Sarton (1927), p.
709; voor Ibn Sînâ's natuurfilosofie, zie Nasr (1978), pp. 177-274;
voor een recente introductie tot Ibn Sînâ als filosoof, zie
L.E.Goodman, Avicenna, London & New York 1992.
99. Zie Nasr (1978), p. 215. Voor Ibn
Sînâ's visie op alchemie, zie hfst. 3, deel 2,
§ 5.
100. Op basis van een Indisch astronomisch traktaat, de
Siddhânta,
ontwierp hij voor kalief al-Mansûr de berekeningsmethodes voor het
opstellen van astronomische tafels aangepast aan de maankalender van
de islam.
101. Stelde in 880-881 de catalogus op van de vaste sterren. Cf.
zijn De motu stellarum (titel van de Latijnse vertaling), dat bij ons tot in de Renaissance
uitzonderlijk invloedrijk was. Zie Sarton (1927), pp. 602-603. In
voornoemde vertaling (van de 12de eeuw) komt voor het eerst de term
"sinus" voor, als een vertaling van het Arabische
"jayb" ("plooi,
bocht"). Zie ook verder.
102. "Het astrolabium werd door mohammedaanse en middeleeuwse zeelui
gebruikt om de stand der sterren te bepalen, oppervlakten te
berekenen en ook om de geografische breedte vast te stellen. Zij
werden nog in de 18de eeuw gemaakt", J.D.Bernal, Sociale Geschiedenis
van De Wetenschap (1969), Nijmegen 1976, vol. 1, p. 197. Al-Fazârî
was de eerste Arabische geleerde om astrolabia te construeren.
103. Stock, l.c. De Arabische artsen hebben op het vlak van de
studie en behandeling van oogziekten (bv. van staar) - die erg
verbreid waren in het Nabije Oosten - een opmerkelijke ervaring
verworven (cf. ook de grote vooruitgang op het vlak van de optica,
zie verder). Zie Arnaldez e.a. (1966), p. 519. Vooral Ullmann
(1970), pp. 204-217 ("Augenheilkunde"): "Auf dem Felde der
Augenheilkunde haben die Araber die vergleichsweise bedeutendsten
und eigenständigsten medizinischen Leistungen erbracht" (p. 204).
104. Driehoeksmeetkunde in de strikte zin van het woord was de
Grieken onbekend. Op basis van enkele aanzetten daartoe bij
Hipparchos (2de eeuw vK) en Ptolemaios (gest. ca 180 nK), hadden de
Indische mathematici sinus en cosinus geïntroduceerd. Pas de
Arabische geleerden hebben van de trigonometrie een zelfstandige
discipline gemaakt. Zie behalve Abû 'l-Wafâ' vooral al-Battânî, in
wiens De motu stellarum voor het eerst de definitie is uitgedrukt
van de cotangens als een functie van de sinus en de cosinus. Zie
Arnaldez e.a. (1966), p. 486; Anawati (1970), p. 754.
105. Ons woord "algebra" is, zoals bekend, een verbastering van de
titel van een werk van Muhammad ibn Mûsâ al-Khwârizmî (of:
al-Khuwârizmî, gest. ca 850, afkomstig van Khwârizm, ten Z. van het
Aralmeer, en werkzaam in het Bayt al-̣hikma van al-Macmûn), nl. ̣hisâb
al-jabr wal-muqâbâla (al-jabr betekent in feite "uitbreiding van
wat onvolledig is", en al-muqâbâla zoveel als "in-evenwicht-brengen").
Sarton (1927), p. 563, schrijft over hem o.m.: "One of the greatest
scientists of his race and the greatest of his time. He syncretized
Greek and Hindu knowledge. He influenced mathematical thought to a
greater extent than any other mediaeval writer. His arithmetic (...)
made known to Arabs and Europeans the Hindu system of numeration.
His algebra... is equally important...". De technische term
"algorithme"
is een verbastering van zijn naam (in het Latijn Algorismus). Zie
Arnaldez e.a. (1966), p. 479v.
106. We moeten erg voorzichtig zijn met het gebruik van begrippen
als "experiment" en "experimentele geest/methode" m.b.t. de antieke
en middeleeuwse wetenschap. Zo schrijft Ullmann (1970), p. 2: "Das
Experiment, das Behauptungen und angebliche Tatsachen zu überprüfen
gestattet, ist so gut wie unbekannt" (maar met verwijzingen naar
meer positieve literatuur). Zie in het algemeen E.Vermeersch (1970),
maar de Arabieren komen er enkel ter sprake in... een voetnoot (n. 10,
p. 469).
107. Geb. ca 965 in Basra; gest. ca 1039 in Caïro. In het Westen
bekend als Alhazen. Sarton (1927), p. 721:
"the greatest Muslim
physicist and one of the greatest students of optics of all times.
He was also an astronomer, a mathematician, a physician, and he
wrote commentaries on Aristotle and Galen".
108. PS Dioptrica bestudeert het gedrag van doorvallend licht.
Al-Haythams hoofdwerk was het Kitâb al-manậzir ("Boek over de Optiek").
De Latijnse vertaling ervan oefende grote invloed uit op de
westerse wetenschap tot in de 17de eeuw (R.Bacon, Witelo, Kepler).
Door het toepassen van de principes van de meetkunde op het licht
kwam hij tot de constructie van spiegels en lenzen (nl. uit kristal, d.w.z. beryllus, vandaar "bril"; maar het vatten van lenzen in een
montuur tot een bril was een latere ontwikkeling). Daarmee voerde
hij experimenten uit op het licht van de sterren, de regenboog,
kleuren, enz. Hij was ook de eerste om gebruik te maken van de
camera obscura (zie de webpagina,
"What is a Camera
Obscura?"). Zijn "katoptriek" handelde o.m. over het zgn.
"probleem van Alhazen" (d.w.z. object en reflectiebeeld in een
sferische spiegel gegeven zijnde, het reflectiepunt te vinden). Zie
Arnaldez e.a. (1966), pp. 499-500, waar zijn werk bestempeld wordt
als "la contribution la plus originale et la plus féconde apportée
dans le domaine de l'optique avant le XVIIe siècle"; Anawati (1970),
p. 755. Zie ook het artikel van 1999, van J J O'Connor and E F
Robertson, op het net, URL:
http://www-history.mcs.st-andrews.ac.uk/history/Mathematicians/Al-Haytham.html
(met link naar literatuurlijst).
109. Het geheel aan bekende wetenschappen
wordt erin verdeeld tussen "Arabische" (fiqh, kalâm, grammatica,
literatuur en geschiedenis) en "Vreemde wetenschappen". Het
biedt
tevens een vocabularium van technische termen. Zie Sarton (1927),
pp. 659-660; Peters (1968), pp. 110-111; Rosenthal (1975), p. 54. De
auteur mag niet verward worden met de gelijknamige mathematicus (zie
hoger).
110. Voor een goed leesbare, synthetische
presentatie van al-Ghazâlî, zie W.M.Watt, Muslim Intellectual. A
Study of al-Ghazali, Edinburgh 1963.
111. Voor een beknopte bespreking, zie
I.R.Netton, Muslim Neoplatonists: An Introduction to the Thought
of the Brethren of Purity ("Ikhwân al-Safâ"), London 1982; ook
Nasr, 1978:23-104.
112. In de oudheid waren grosso modo drie
grote classificatiesystemen ontwikkeld waren: 1) dat van de zgn.
"vrije kunsten" ("artes liberales"), i.e. de groep van
"vakken" (literaire en mathematische) die de basis vormden van de
intellectuele cultuur van de begoede burger (in onderscheid met de
zgn. "artes mechanicae" of "serviles", voorbehouden
aan de slaven); 2) de aristotelische indeling van de "filosofie":
nl. in "theoretische" (metafysica, mathematica, fysica) en
"praktische" wetenschappen (ethiek, oikonomía, politiek;
poëtica en retorica), met de logica als propedeutisch "organon";
3) de zgn. "platonische" (in werkelijkheid ontworpen door Xenokrates,
en overgenomen door stoa en neoplatonisme), nl. in logica, fysica en
ethica. Zie Van Steenberghen (1991), pp. 48-50; Weisheipl (1978),
pp. 461-468.
113. Cf. de alexandrijnse Pinakes, waarvan de bekendste die van
dichter-geleerde Kallimachos (310-240 vK) is; de volledige titel ervan luidde: "Lijsten van degenen die in het totale gebied van de cultuur uitgeblonken hebben, en van wat zij geschreven hebben". De
bekendste, Arabische tegenhanger ervan is de Kitâb al-Fihrist, van de
hand van de Baghdaadse boekhandelaar Ibn al-Nadîm. Voltooid in 987,
valt deze catalogus uiteen in twee hoofddelen: secties 1-6 handelen
over de islamitische wetenschappen; 7-10 over de
niet-islamitische: (7) filosofie en de "oude" wetenschappen; (8)
fictie; (9) geschiedenis van de niet-islamitische religies; (10)
alchemie. Sectie 7 wordt door Peters (1968), p. 277, gekwalificeerd
als "the single most important document on philosophy among the
Arabs".
114. Zie hierover o.m. A.McIntyre, Three Rival Versions of Moral
Enquiry (London 1990), en de syllabus Filosofie als "Ambacht".
115. Gecit. uit Rosenthal (1975), p. 54. Voor een algemene
bespreking zie Gardet & Anawati (1948), pp. 102-106; Anawati (1971),
pp. 204-207.
116. Andere voorbeelden bij Gardet & Anawati (1948), p. 106v.;
Peters (1968), p. 104v. ("Encyclopedias"); Rosenthal (1975), p.
54v. Cf. ook supra.
117. De uitgave ervan, door L.Baur (Münster 1903), is vergezeld van
een historische studie over de "introductie tot de
filosofie"-literatuur, bij de Grieken, Syriërs, Arabieren en
Latijnen, tot aan het einde van de Scholastiek (pp. 316-397). Zie
Van Steenberghen (1991), p. 111v.
118. Toch vinden we ook bij een aantal falâsifa, met name bij
al-Râzî, al-Fârâbî en, vooral, Ibn Sînâ, een herwaardering van de vis
imaginativa (φαvτασία), Arabisch: wahm, die veel verder gaat dan de aristotelische
psychologie.
119. Bloch, o.c., p. 12, formuleert het
als volgt: "(Die islamische Gesellschaft) war eine in ihrer Art
frühbürgerliche Gesellschaft miet restlicher Clanverfassung, doch so,
dass in ihr das Handelskapital herrschte und den wesentlichen
Antrieb gab". Samir Amin, La nationa arabe. Nationalisme
et lutte de classes (Paris 1976), p. 26, spreekt van "une
formation marchande" (met Egypte weliswaar als uitzondering).
Het lijkt alvast onmiskenbaar dat de bloeiperiodes van de
islamcivilisatie samenvielen met de ontwikkeling en uitbreiding van
de handel, en dat de eventuele expansie van de landbouw daarvan een
gevolg was, niet de oorzaak. Volgens Amin (pp. 28-29) komt
dat 'mercantiele' karakter ook duidelijk tot uiting in de
'ideologie' van de islam: "Dès l'origine, l'idéologie islamique
traduit le caractère dominant des relations marchandes pour
l'ensemble des formations sociales qui seront concernées par lui
dans le monde arabe. Non seulement le droit musulman est un droit
marchand et non paysan, mais encore il occupera dans la religion une
place importante. Si ce caractère s'est perpétué au-delà des régions
d'origine, c'est parce que l'État musulman offrait des conditions
favorables à l'épanouissement des relations marchandes. C'est aussi
ce caractère qui explique que l'Islam ait toujours été véhiculé par
des marchands dans les zones nouvelles de sa pénétration de
l'Afrique noire à l'Indonésie". Vgl. ook de bekende uitspraak
van theoloog al-Ghazâlî: "De markten zijn Gods tafelen, en al wie
ze bezoekt, zal ervan ontvangen". Weliswaar werd reeds in de
Qur'ân daarmee een uitdrukkelijk verbod verbonden op "ribât" ("woeker",
maar ook in de algemene zin te begrijpen van een verbod op elke
vorm van interesten op geleend geld), cf. sûra 2, 275-280:
"...Maar God heeft de handel toegestaan en de woeker verboden" (v.
275). Reeds in de klassieke periode was het voor handelaars moeilijk
om géén beroep te doen geldelijke rentes - zoals erkend werd door
dezelfde al-Ghazâlî, zie Sourdel, 1979:71. Door de band, nochtans,
werden geldwisselaars en bankiers gerekruteerd uit de andere
"mensen van het Boek", d.w.z. joden en christenen.
120. Stock (1978), p. 19, brengt de bijzondere aandacht in de islam
voor geneeskunde in verband met de Sharîca die zich
uitdrukkelijk bekommert om het alledaagse leven van de gelovige,
tot de meest alledaagse handelingen toe, meer bepaald op het vlak
van het dieet en de persoonlijke lichaamshygiëne, in al haar details. Er circuleerden
bovendien tal van verzamelingen van medische aforismen op naam van
Muhammad, onder de titel "De Geneeskunde van de Profeet" (al-̣tibb
al-nabawî), waarin tradities van de Profeet verwerkt waren. Zie
Anawati (1970), p. 767; vooral Ullmann (1970), pp. 185-189.
121. Arnaldez e.a. (1966), p. 489. Voor een summiere inhoudelijke
bespreking van de Arabische astronomie en de ermee samenhangende
astrologie, zie Anawati (1970), pp. 757-765.
122. Vgl. , in de christelijke
liturgische kalender, het belang van het praktische probleem van het vastleggen van Pasen voor de ontwikkeling
van een (elementaire) wiskunde in de vroege middeleeuwen (de zgn. computus,
met bv. Beda Venerabilis). Maar terwijl
de aanpak in het Westen op
berekeningen was gebaseerd, steunden de moslims zich op astronomische
waarnemingen. Cf. Anawati (1970), p. 758.
123. Toen, enkele jaren geleden, een vindingrijk fabrikant
gebedstapijtjes op de markt bracht, die waren voorzien van een
ingebouwd kompas voor het bepalen van de qibla, werd daar in de westerse pers,
vanuit het westers superioriteitsgevoel, ten onrechte wat
meewarig op gereageerd: in werkelijkheid is de koppeling tussen cultus en
wetenschappelijke technologie in de islam zo oud als de
religie zelf.
124. Bv. al-Ma'mûn (813-833) liet een groot observatorium oprichten
in Baghdâd (het Sammâsîya) en een in Damascus (het Qâsîyûn). Die
werden echter overtroffen door het observatorium dat in de 10de eeuw,
op bevel van de kalief Sharaf al-Dawla, opgericht werd in de tuinen
van het koninklijk paleis, in Baghdâd. Er dient nochtans te worden
opgemerkt dat deze observatoria, die bovenal bedoeld waren voor het
opstellen van telkens nieuwe sterrentafels (zîj), geen permanent
karakter hadden (telkens maximaal een 30-tal jaar). Zie Arnaldez
e.a. (1966), pp. 490-491.
125. Zo zou kalief al-Mansûr, vóór het starten met de bouw van
het nieuwe Baghdâd, het "juiste ogenblik" daartoe astrologisch hebben laten
bepalen, en/of een horoscoop hebben laten trekken van de
toekomstige vestiging. Dat gebeurde door de astrologen Nawbakht en
Mâshâllâh, waarvan de eerstgenoemde ook een "curieuze"
handleiding heeft nagelaten voor de astrologische interpretatie,
jaar per jaar, van de eigentijdse geschiedenis tot in 933. Zie
Arnaldez e.a. (1966), p. 490; Anawati (1970), p. 764. Zie verder
ook, hoofdstuk 2, § 3.1., bij al-Kindî, in verband met de
'bestaansduur' van
het kalifaat.
126. Zie hierover bv. Netton (1992), p. 18v.:
"there was a considerable
interaction between the general court culture and the learning of
the day".
127. Vooral wanneer de geleerde in kwestie niet "afleverde" wat de
vorst van hem verwachtte: zo zou (!) bv. al-Râzî het zicht verloren
hebben door een woedeaanval van ene kalief al-Mansûr, omdat hij er,
ondanks zware investeringen vanwege de vorst (o.m. in een zeer goed uitgerust
laboratorium), niet in slaagde, zijn beloftes waar te maken en
daadwerkelijk goud te fabriceren (maar volgens al-Bîrûnî is dat een
fabel; al-Râzî zou blind geworden zijn door teveel te lezen). Hunayn
ibn Ihsâq werd gevangen gezet omdat hij weigerde al-Muttawakkil
gif ter beschikking te stellen; al-Haytham, in de dienst getreden van
de fatimide kalief al-Hâkim, ontsnapte ter nauwer nood aan de dood,
toen hij er niet in slaagde om, zoals gevraagd, een middel te
vinden om de jaarlijkse overstromingen van de Nijl te controleren,
enz.
128. Dat ondervond bv. al-Kindî onder kalief al-Mutawakkil
(848), hoewel
deze laatste evenzeer als zijn voorgangers geïnteresseerd was in de
rationele wetenschappen (zie verder).
129. Cf. Arkoun (1975), p. 51, waar hij verwijst naar de tijdgenoot
van Miskawayh, Abû Hayyân al-Tawhîdî (gest. 1014), als 'de
uitzondering die de regel bevestigt'. Ook Al-Fârâbî zou een
uitzondering hebben gevormd, door, althans gedurende een periode
van zijn leven, het leven van een asceet en "scholar-gipsy" (bohèmien)
te leiden; hij zou ook gedurende een tijdje als tuinier zélf in
zijn broodwinning voorzien hebben. Zie Walzer (1985), p. 4. Het is
echter buitengewoon moeilijk om m.b.t. zijn leven in de overlevering
legende en feiten van elkaar te scheiden. Zie Netton (1992), pp.
4-5.
130. De verklaring daarvoor moet gezocht worden in bredere,
maatschappelijke, zelfs geopolitieke ontwikkelingen in de
mediterrane wereld, vanaf de 12de eeuw. Zie hierover Arkoun, o.m.
(1977), pp. 43-47: "A partir du VIe/XIIe siècle, il y a une
corrélation de plus en plus étroite entre la régression des
sociétés musulmanes et l'ascension de l'Europe occidentale... Il
est, en effet, remarquable que la pensée d'Ibn Rušd ait eu, en
Occident latin, une influence féconde et durable, alors qu'en
milieu islamique elle est demeurée lettre morte. En revanche, ce
même milieu islamique qui rejetait le rationalisme aristotélicien
accueillait la philosophie illuminative et en consacrait le succès
définitif". - Toch moeten we voorzichtig zijn met deze,
vooral in Arabische middens, ingeburgerde visie. Het Osmaanse rijk,
dat zijn bloeiperiode kende onder Süleyman de Prachtlievende, 16de
eeuw, wordt in de traditionele geschiedschrijving nog altijd onrecht
aangedaan, wat de culturele, artistieke en intellectuele betekenis
ervan betreft (ook voor de rest van Europa). Van "filosofie"
weliswaar was er geen sprake - maar we zijn misschien geneigd het
belang van de aan- of afwezigheid ervan te overschatten?
131. Cf. Netton, 1994:21: "In
other words, has the operation accomplished by the Scholastics in
the West its counterpart in Islam? Were the falâsifa ever 'integrated'
into Islam? The thesis would be difficult to maintain" - wat een
citaat is uit Corbin. Netton zelf beslist het te houden bij de term,
"Islamic philosophy: it is both convenient and accurate".
132. Het hierna volgende, beknopte overzicht is (met lichte aanpassing)
overgenomen uit: H.De Ley, De
Arabische Filosofie (Falsafa), in: Van algebra tot pyjama,
Arabieren in de Vlaamse Cultuur, ed. G.Dauwen, Brussel
1996, pp. 27-33. Voor verdere lectuur verwijs ik naar: M.Arkoun,
La Pensée Arabe, Paris 1975 e.v. Zie nu ook: Michiel Leezenberg, Islamitische filosofie.
Een geschiedenis, Amsterdam 2001.
132. Andere beroemde namen van 'ketters', die
niet tot de filosofische traditie behoorden, zijn (1) die van de
mysticus, al-Husayn b. Mansûr al-Hallâj, met zijn beruchte
uitspraak, "Ik ben
de (goddelijke) Waarheid"; hij werd in 922, om een combinatie wellicht van
politieke en religieuze redenen, in Baghdâd geëxecuteerd; (2) de
blinde Syrische dichter, Abû 'l-cAlâ' al-Macarrî
(973-1057): in zijn "Brief van de Vergiffenis" ondernam hij
o.m. een bezoek aan de Hel en het Paradijs, à la Dante, waarbij tal
van notoire 'vrijdenkers' in het paradijs werden geplaatst; hij
poogde ook een rivaliserende Qur'ân te schrijven, maar werd niet
vervolgd.
|