HOOFDSTUK
5:
KERK
EN WERELD:
'AUGUSTINISME' VERSUS 'ARISTOTELISME'
5.1. De pauselijke theocratie.
In het eerste hoofdstuk hebben wij een schets
gegeven
van de moderne controversen rond Marsilius' Defensor Pacis.
Die controversen betreffen in de eerste plaats zijn 'positieve'
oogmerken - d.w.z. datgene
waarvóór
Marsilius pleit -, niét zozeer zijn 'negatieve' - d.w.z. datgene
waartégen
hij van leer trekt. Wat die laatste betreft, zij zijn vrij duidelijk. Zoals hij zelf
samenvat in Dictio III, kap. 1, is het hem in zijn DP te doen
om de rampzalige aanspraken van de clerus en
in het bijzonder van de "bisschop
van Rome", i.e. de paus, op het "wereldlijke
principaat"
(saecularis principatus)[1]. Onder verwijzing inderdaad naar de 'plenitudo
potestatis', de "volheid der macht", die
Christus aan Petrus, en dus ook aan diens opvolgers binnen de Kerk, zou geschonken hebben, eiste de paus
het "supreme principaat" (supremus omnium principatus) op, verheven ook boven
alle eigenlijk wereldlijke machthebbers. Tegelijkertijd
daarom beoogt Marsilius eveneens dat binnen de
roomse Kerk zelf aan de geordineerde hiërarchie - de clerus - alle 'potestas
coactiva'
ontnomen wordt: het gezichtspunt m.a.w. vanuit hetwelk zijns inziens de kerk
moet beschouwd worden, is dat van de
universitas fidelium, het "gehéél der gelovigen", dus met inbegrip
van de leken - zoals zij zich manifesteert onder de vorm van een algemeen
concilie (zie o.m.
W.Kölmel,
"Universitas
civium et fidelium": Kriterien
der Sozialtheorie des Marsilius von Padua, 1979:68 e.v.).
In de allereerste plaats gaat het Marsilius om het bestrijden van de
pauselijke
theocratie. Hieronder
dient vooreerst
de leer te worden verstaan, volgens dewelke de paus de 'soevereiniteit' bezit
ook in de
'wereldlijke'
aangelegenheden, d.w.z. dat hij de opperste zeggenschap heeft niet enkel
inzake
de 'geestelijke' maar ook inzake de 'aardse' goederen, zonder dat
hijzelf, of de Kerk met hem, onderworpen is aan de controle van enigerlei wereldlijke macht
(cf. M. Pacaut, La Théocratie, 1957:7). Om die
aanspraken op een universeel
gezag te ondersteunen, gingen de pausen zichzelf vanaf het midden van de
12de eeuw
de titel geven van "vicaris van Christus" (voorheen
noemden zij zich "vicaris
van de H.Petrus", zie R.W.Southern, Western Society and the
Church in the
Middle Ages, 1970:104).
Een
wezenlijk intern aspect ervan was de uitgesproken hiërarchische, piramidale structuur die de
westerse Kerk
zich in de late oudheid was gaan aangemeten: van een oorspronkelijke 'aristocratie' (de
bisschoppen als opvolgers van de twaalf apostelen) was zij omgevormd tot een gecentraliseerde
monarchie: de paus stond niet enkel boven de regna,
maar ook boven
de 'Kerk'. Niet
toevallig ook,
"was de enige middeleeuwse monarchie die zich volledig emancipeerde van
alle representatieve of corporatieve beperkingen die kenmerkend waren voor de
feodaliteit: namelijk het pausdom, óók het eerste politieke systeem van
feodaal Europa om systematisch gebruik te maken
van het Romeins recht, namelijk met de codificatie van het canoniek recht in de 12de en 13de eeuw".
Dat Romeins recht
was hét ideale intellectuele wapen dat beschikbaar was voor een project van
territoriale integratie en bestuurlijk centralisme. Aldus P.Anderson (Lineages of the
Absolutist
State, 1974:28), die aansluitend wijst op de voorbeeldfunctie van de
pauselijke claim op de plenitudo potestatis voor de latere
absolutistische vorsten.
Dit
theocratisch systeem werd voor het eerst consequent uitgebouwd vanaf
het
midden van de 11de eeuw, vooral door paus Gregorius VII (1073-1085), in
het
kader van de zgn. Investituurstrijd (zelf een aspect van de
"Gregoriaanse hervormingsbeweging",
die de 'libertas Ecclesiae' wou realiseren).[2] Het
kende zijn
hoogtepunt in de 13de eeuw, met de grote juristen-pausen, zoals Innocentius III
(1198-1216), Innocentius IV (1243-1250) en Bonifatius VIII (1294-1303).
Dank zij
de gestage uitbouw van een gecentraliseerde regeringsmachine, met een
enorm
beambtenapparaat, de "Curie", konden de pausen de twee pijlers van élke
middeleeuwse heerschappij optimaal ontwikkelen: 1) het uitdelen van
"beneficiën"
(beneficia), en 2) de rechtsbedeling.
De
"volheid der macht" gaf aan de pausen het recht om
"voor alle
ambten
en beneficiën de personen onmiddellijk te benoemen (plenaria
dispositio) en
sedert de twaalfde eeuw hebben zij steeds meer van dit recht gebruik
gemaakt,
de benoeming aan zich gereserveerd (pauselijke reservatie)",
aldus Post (III:7). Denken we aan Marsilius die zelfs voor een kanunnikdij in Padua bij de paus
- in Avignon - moest
zijn. Die praktijk vergrootte niet enkel in aanzienlijke mate de
macht van
de paus over de regionale en lokale structuren (aartsbisschoppen,
bisschoppen, dekenijen, enz.), die in een directe persoonlijke afhankelijkheidsverhouding
kwamen te
staan; het deed ook aanzienlijke sommen gelds toestromen naar de Curie.
Dat gold in gelijke, zoniet in nog hogere mate voor de processen die
binnen de Kerk gevoerd werd (bv. rond een stuk grond als twistappel tussen een bisschop
en een
kloosterabt), en die door de pausen eveneens naar zich werden getrokken, cf. Southern,
1970:115:
"de allerbelangrijkste ontwikkeling inzake pauselijke macht in de gehele
middeleeuwse periode was de opkomst van het pausdom als een universele rechtbank
van eerste aanleg in een uitgestrekt gebied van betwistingen".
Zoals
dezelfde auteur nog opmerkt toont het feit dat elke belangrijke paus
van 1159 tot 1303 een (canoniek) jurist was, dat de absolute
hoofdbekommernis
van het pausdom het formuleren en toepassen van het recht betrof. Van
de grote en efficiënte organisatie die de pauselijke Curie in de 13de eeuw
was, was
het onderdeel dat het hoogst ontwikkeld was, datgene dat instond voor de
verschillende
stadia van procesvoering (Southern, p. 121). De
stroom aan rechtszaken (volgens Southern, p.110, kwam Europa in de 12de
eeuw in de greep van een "litigious thirst"), de
beneficiën, de toenemende
kerkelijke belastingen (zoals de decimae, of
tienden, uit de inkomsten der
geestelijkheid, aanvankelijk voor de kruistochten, daarna ook voor andere
gelegenheden gevorderd), de aflatenhandel, enz., enz.: het bracht de vorming mee
van een uitgebreid, klerikaal financiewezen dat onder het beheer stond van
de Camera apostolica
en, uiteraard, rechtstreeks verbonden was met het
internationale, voornamelijk Toscaanse, kapitaal, cf. Hyde, 1973:125; en Post III,
p.8:
"De
inkomsten der Camera apostolica beliepen jaarlijks onder Johannes XXII
gemiddeld 233.500 goudguldens, de uitgaven 228.000. Onder J.XXII werden
deze als volgt verdeeld: voor oorlog 63,7%, beambtensalarissen 12,7%,
aalmoezen (bouw van kerken, missies, enz.) 7,16% (!), kleding
3,35% (...).
Clemens V bezat 1.040.000 goudguldens, maar door zijn overdreven
testamentaire schikkingen kwamen er slechts 70.000 aan zijn opvolger. J. XXII
liet
750.000 goudguldens na...".
Southern (p. 41) bestempelt de kerkelijke organisatie die aldus in West-Europa
tot stand kwam tussen 1050 en 1300, als "the most splendid
system, both theoretically and practically, that the Church has ever known".
We zouden er trouwens verkeerd aan doen haar als louter 'middeleeuws' te
beschouwen: pas door het in het begin van de jaren '80 van de 20ste eeuw goedgekeurd nieuw kerkelijk
wetboek werd een eind gemaakt, in principe althans, aan een traditie waarin de Kerk
beschouwd
wordt "als een hiërarchische samenleving geregeerd door een monarch"[3].
De
grote historische betekenis van die pauselijke theocratie is onmiskenbaar, vooreerst op het theoretische vlak. Zoals nogmaals Southern,
p.105,
schrijft:
"de theorie van de pauselijke suprematie is ongetwijfeld één van de meest
grootse, meest geïntegreerde en best ontwikkelde systemen die ooit bedacht zijn
voor het beheer van het menselijk leven".
Niet
toevallig komt in de jaren rond 1300 ook de leer van de pauselijke
onfeilbaarheid,
sc. in geloofszaken, voor het eerst op het voorplan.[4] Maar
ook het 'praktische' belang ervan, met name voor de West-Europese,
politieke
ontwikkeling, kan nauwelijks overschat worden. De ontwikkeling van de
middeleeuwse Kerk vormde in zekere zin een voorafschaduwing van de latere
ontwikkeling van de moderne Staat. Zoals B.Tierney het puntig formuleert (in: Religion,
law and the growth of constitutional thought, 1150-1650, 1982:12): "de
kerk diende eerst een halve staat te worden vooraleer de staat een halve kerk kon
worden".
In het algemeen trouwens moet gewezen worden op de
betekenis van christendom en Kerk ter verklaring van de specificiteit
van
de West-Europese ontwikkeling. Anders gezegd, wanneer we de West-Europese 'middeleeuwen' bekijken als het civilisatieproces van een oorspronkelijk
primitieve, nog grotendeels tribale samenleving, dan bestaan er redenen om te stellen dat, vergeleken met gelijkaardige ontwikkelingsprocessen in de geschiedenis van de
mensheid, de differentia specifica van het West-Europese
proces gevormd
werd door het bestaan van een katholieke Kerk. Wat dan zó moet begrepen
worden, dat de specificiteit van de westerse ontwikkeling in
belangrijke mate
moet verklaard worden vanuit de uitzonderlijke rol van de Kerk in de
organisatie van de middeleeuwse
maatschappij (Tierney, o.c., p.10). Één
aspect van die rol was ongetwijfeld het volgende: de algemene, 'prerationele' of premoderne karakteristieken van het politieke in gelijk welke
archaïsche samenleving (bv. nog geen differentiatie tussen het
religieuze, ethische, juridische, politieke, economische, enz.; het sacrale karakter van eigendom
en
macht, enz.) namen in dit geval de specifieke gedaante aan van de
(ideologische) ondergeschiktheid van alle politieke, 'wereldlijke' gezag aan de Romeinse kerk. M.a.w.
indien het
juist is wat Southern, p. 16, schrijft, namelijk dat "de vereenzelviging van
de Kerk met het geheel van de georganiseerde samenleving de fundamentele
karaktertrek is die de middeleeuwen onderscheidt van vroegere en latere
historische periodes", dan
kunnen we zeggen dat die "overheersing" door het katholicisme[4bis] de
concrete en specifieke verschijningsvorm was van het premoderne of archaïsche
karakter
van de West-Europese samenleving. Maar
dat is slechts één zijde van de medaille. Het middeleeuws rationalisatieproces werd
immers óók - specifiek - gekenmerkt door de (materiële en
institutionele) aanwezigheid van overblijfselen van een voorbije civilisatie: de
antieke of
'Grieks-'Romeinse'. En ook op dít vlak kwam het christendom, of de Kerk, een
beslissende
rol te spelen: als de enige antieke institutie die de val van het West-Romeinse Rijk overleefd had, was zij
het die, zoals Anderson het formuleert in zijn andere boek, Passages
from Antiquity to Feudalism (1974:131),
"het voornaamste, frèle aquaduct (vormde) over hetwelke de culturele
reservoirs van de Klassieke Wereld nu naar het nieuwe universum liepen van
feodaal Europa, waar de geletterdheid klerikaal was geworden"
(zie ook Southern, p.22).
In
de mate, inderdaad, dat de Kerk, in de eerste plaats om eigen, interne redenen,
dat antieke erfgoed niet enkel hielp bewaren (cf. de rol van monniken-kopiisten) maar ook,
in haar scholen, actief ging herontdekken en ontwikkelen, werd zij een
van de belangrijkste, zoniet dé belangrijkste promotor van het
middeleeuwse
rationalisatieproces (waaraan ze aldus tegelijkertijd zijn typisch "scholastisch"
karakter gaf). Zo was zij, zoals gezegd, de eerste om
het
Romeins recht te
herontdekken en systematisch aan te wenden (d.m.v. de codificatie van
het canonieke recht).
En dat
betekent dat ook de elaboratie van het pauselijke theocratische systeem te
beschouwen is als (een onderdeel van) de eerste fase van het Europees rationalisatieproces.
In de Vroege Middeleeuwen was de politieke macht, de kerkelijke
zowel
als de wereldlijke, overwegend gebaseerd geweest op prerationele
elementen,
zoals ritueel en relikwieën. De
eenheid van de Kerk en van de christenheid, van de 8ste tot de 11de eeuw
was minder het product van handelingen en beslissingen dan van de veronderstelde aanwezigheid in Rome
van de gebeenten van Petrus,
evenals van
de bovennatuurlijke attributen van de heersers (cf. de "rex-sacerdos").
Met
de versnelde ontwikkeling, echter, en de groeiende complexiteit van alle aspecten van het maatschappelijk leven, vanaf ca
1050,
dienden zich als maar meer nieuwe problemen aan, voor dewelke de oude rituelen
niet langer doeltreffend waren, maar die integendeel nieuwe, d.w.z. rationele
bestuurstechnieken en kennis vereisten. M.a.w.,
zoals Southern, p.35, schrijft:
"administratie en specialisatie namen de plaats in van ritueel als
voornaamste regeerinstrument".
Die
ontwikkeling, echter, viel samen met de voltooiing van
een proces waarbij
de leken verzaakt hadden aan alle aanspraken op intellectuele en schoolse
vorming, op het einde van de 11de eeuw. De clerus verwierf daardoor het
monopolie
van alle disciplines die niet alleen de theoretische structuur of ideologie van de
samenleving bepaalden, maar ook de bestuurlijke instrumenten verschaften om
die
samenleving te beheersen. Dat verklaart waarom de clerici in een eerste fase (1) op het
'wereldlijke' domein een onmisbare rol gingen spelen
als
bestuurders en raadslieden van de vorsten, en (2) ook de eersten waren om
die
rationele bestuurs- en beheerstechnieken in het 'eigen huis' tot
volle ontwikkeling te brengen.[5]
5.2. De 'res publica christiana'
Vanuit één gezichtspunt kunnen de Middeleeuwen dus zeker gedefinieerd
worden als die periode in de West-Europese geschiedenis, waarin de Kerk
er redelijkerwijze aanspraak kon op maken, "de enige ware staat te zijn, en
wanneer de mensen (...) handelden op basis van de assumptie dat de Kerk een alles
overtreffende politieke autoriteit bezat" (Southern, p. 24).
Vanuit
een ànder gezichtspunt, echter, waarbij de Middeleeuwen niet zozeer vergeleken
worden met de Moderne Tijd, als wel met andere premoderne samenlevingen, kan met evenveel recht gesteld worden dat
"de meest in het oog springende onderscheidende karaktertrek van die
samenleving een ongewone
dualiteit van structuur was" (m.s., Tierney, p. 10). Vergeleken
bv. met de toenmalige moslimwereld, waar het religieuze en het politiek-maatschappelijke nauw(er) met elkaar verweven waren (de goddelijke Wet regelt in principe ook, tot
in de details, het dagelijkse samenleven en handelen van de mensen)[6],
onderscheidden de christelijke middeleeuwen zich door de constante
onderlinge oppositie en strijd tussen het 'wereldlijke' en het 'geestelijke'
gezagsinstituut, cf.
Tierney, ibid.:
"Nooit was er slechts één regeerstructuur, geleid door een onbetwist
theocratisch staatshoofd, maar altijd (ware er) twee structuren, een kerkelijk
en een wereldlijk: ze stonden altijd afgunstig t.a.v. de autoriteit van
de andere en verhinderden altijd dat de middeleeuwse samenleving zou versmelten
tot één enkele monolithische theocratie". (m.o.)
Nog altijd volgens Tierney vormde die omstandigheid juist één van de hoofdvoorwaarden voor het
zich
eventueel ontwikkelen
van een constitutioneel denken en handelen (hoewel we die dualiteit toch moeten
nuanceren: zie hieronder).
Die
tegenstelling trad in de middeleeuwen voor het eerst in volle
scherpte naar voren in de zgn. 'investituurstrijd', d.w.z. in het conflict
tussen Keizer (Hendrik IV) en Paus (Alexander II en Gregorius VII) rond de
lekeninvestituur van de bisschoppen (waarbij laatstgenoemden zich tot 'leenman'
maakten van de wereldlijke vorst). De wortels ervan,
nochtans, ideologisch zowel als institutioneel, waren reeds te vinden in de keizerskroning van Karel
de Grote door Leo III (Kerstdag 800), en zelfs nog
veel vroeger, in de late
Oudheid.
Het
christendom was ontstaan en tot ontwikkeling gekomen binnen
een reeds gevestigde Staat (of beter: politieke orde), het
Imperium Romanum (in vergelijking daarmee, was profeet Mohammed niet enkel de stichter van een
nieuwe, Arabische religie, maar tegelijkertijd ook van een nieuw, Arabisch
rijk).
Het
fundamentele politieke principe van dat bestaande, Romeinse rijk was de almacht
van
de Keizer, die de Staat a.h.w. personifieerde (cf. de keizercultus).
T.o.v.
dat gevestigde gezag had
de 'apostolische Kerk'
zich opgebouwd tot een essentieel spirituele samenleving, met als grote
'politieke' principes: de absolute scheiding tussen Kerk en Rijk, de civiele onderwerping aan dat Rijk ("Geef aan Caesar
wat van Caesar is, en aan God wat van God is", Mattheus 22.21),
en de visie dat zelfs
de "heidense" Staat participeerde aan het werk van de goddelijke
Voorzienigheid. Zoals Paulus het eens en voor altijd formuleerde in zijn Brief
aan de
Romeinen, kap. 13, 1:
"Laat
elke ziel onderdanig zijn aan de hogere machten.
Want er is geen
macht dan van God: de machten die zijn, zijn geordonneerd door God"
(cf. Pacaut, 1957:15).
Die
relatief eenvoudige verhouding tot het zgn. "saeculum" werd overhoop gegooid met de
erkenning van het christendom als 'staatsgodsdienst' (cf. 313: Constantijn
de
Grote, en, vooral keizer Theodosius, 380 en 392: alle 'heidense' culten
buiten de wet gesteld). Als gevolg daarvan
werden de
kerkelijke structuren, en dus de clerus, opgenomen in het
staatsapparaat. Pas vanaf dat moment ging zich echt het probleem stellen van
de
verhouding tussen de Kerk en het (nu christelijke) Rijk. Er ontwikkelde zich
daarbij een
dubbele, in zekere zin contradictorische dynamiek:
1)
enerzijds een beweging van integratie van de Kerk in het Rijk, wat
vooral in het oostelijke deel van het Rijk zou gaan doorwegen
(het zgn. 'caesaropapisme' als kenmerkend voor de zgn. Orthodoxie: de Keizer als het hoofd van de Kerk,
in een soort
van voortzetting van de keizercultus);
2)
anderzijds diende de Keizer, als gelovige en lid van de Kerk, zich te
onderwerpen aan de geestelijke leiding van die Kerk, wat vooral in het Westen
zou beklemtoond worden: bv. bedreigde Ambrosius, bisschop van Milaan, in 384
keizer Theodosius met excommunicatie (mocht hij ingaan op de vraag van de 'heidense'
Senaat in Rome).
De
situatie werd nog complexer met de verzwakking van het Rijk in het Westen. Bijvoorbeeld
in 410, amper 18 jaar na het definitieve verbod op de heidense culten, werd Rome,
dé "Urbs", ingenomen en geplunderd door Alarik en zijn West-Gothen: in christelijke
middens
bracht dat een algemene consternatie teweeg. Met de kerstening immers van het
Rijk waren de christenen het meer dan ooit gaan beschouwen als
het uit
verkoren instrument in Gods verlossingsplan. Ingevolge die verregaande
vereenzelviging van Kerk en Imperium (cf. de 'imperiale theologie' van Eusebios
van Cesarea)
dreigde de val van het Rijk ook de Kerk te zullen meesleuren. Augustinus schreef
zijn De
civitate Dei ten einde meer speciaal aan die verwarring en malaise een einde
stellen. Het onderscheid dat hij doorvoerde tussen twee 'civitates': de
"hemelse" en de "aardse", moest de christenen doen inzien dat zij in feite
enkel aan
de eerstgenoemde toebehoorden; het verdwijnen van een of andere "aardse"
maatschappij,
het weze dan het Romeinse Imperium, kon voor hen bijgevolg geen onoverkomelijke ramp
betekenen.[7]
Die
desintegratie en 'val' van het Rijk in het Westen (de voortaan 'Byzantijnse' keizer
zou finaal moeten verzaken aan zijn aanspraken) versterkte de
al bestaande trend dat de bisschop van Rome ging optreden als een eigen regeerinstelling, met eigen
'wetten' (de eerste om
zichzelf, in het Grieks,
de titel van 'papas', of "paus", te geven was ene Siriccius, gest. 399). Zo
was het paus Leo I (440-461) die de doctrine verkondigde dat de paus,
als opvolger van Petrus - die rechtstreeks van Christus de "sleutels" had
ontvangen (cf. Mattheus,
16.19), en wier relikwieën in Rome bewaard werden -, daarmee de plenitudo potestatis bezat,
binnen de Kerk.[8] Gelasius I (492-496), anderzijds,
ontwikkelde
t.o.v. de keizer
van Byzantium de voortaan 'klassieke' doctrine van de "twee
heerschappijen" die door God zijn ingesteld, en waardoor deze wereld
geregeerd
wordt, de kerkelijke (auctoritas) en de koninklijke (potestas):
"Duo
quippe sunt quibus principaliter mundus hic regitur: auctoritas sacrata pontificum et regalis potestas" (Pacaut,
1957:23).
Beide
moeten samenwerken, d.w.z. het wereldlijke gezag moet, op zijn terrein,
helpen de mensen naar hun eeuwige zaligheid te voeren (reeds hier heeft de 'staat' dus geen
éigen bestaansreden meer). Deze doctrine kan men dus
wat paradoxaal karakteriseren met de noties van dualisme én coöperatie.
T.a.v.
het Oost-Romeinse, of (voortaan) Byzantijnse Rijk stond de Romeinse paus nog in het defensief (de Keizer werd door hem aangesproken als Dominus
Imperator) . Dat was geenszins het geval in zijn relaties met de
barbarenkoninkjes
in het Westen (die hij zijn "carissimi filii"
noemde).
Na
de val van het Rijk in het Westen (voltooid einde 7de eeuw), in een situatie waarin
het staatsidee geen enkele reële betekenis meer had, was
het de
Romeinse Kerk, d.w.z. de paus, die zich ging opwerpen als de erfgenaam
van het
imperium. Terwijl, dus, het civilisatieproces dat tijdens de "Dark Ages"
moeizaam op gang kwam temidden van de (materiële, culturele...) 'ruïnes'
van de
antieke beschaving, zichzelf wel móest ervaren als een proces van 'reconstructie van het
imperium'
(precies
deze poging tot reconstructie , aldus
Southern,
p.24, geeft aan de middeleeuwen "a measure of unity"), was
het idee dat bij die 'heropbouw' domineerde, dat van het
'imperiale pausdom'. Anders gezegd: het idee dat de (verloren) unitaire autoriteit van het Imperium moest vervangen worden door de unitaire autoriteit van het
pausschap.
Vanuit dit perspectief is het niet onzinnig, aldus
nog Southern (p.25), te stellen
dat het Imperium Romanum zijn volledigste ontplooiing kende... in de
13de eeuw,
met Innocentius IV als Caesar en Frederik II als Pompeius!
Die
pauselijke ideologie kreeg a.h.w. haar tekstuele fundering in de zogenaamde
"Donatie van Constantijn", zogezegd een brief
aan
paus Silvester I
(314-335) waarin keizer Constantijn het 'Westen', samen met alle
keizerlijke
waardigheidstekens, overdragen had aan de paus. In werkelijkheid ging het om
een
vervalsing van ca 750
(voor
de auteurs ervan zal het echter niet zozeer om een historische
fabricatie gegaan hebben, maar, binnen een prerationele context, om
de a.h.w. symbolische bevestiging van een gegeven 'waarheid').
Één
van de belangrijkste historische momenten in die 'reconstructie' van
de
staatsorde: de keizerskroning van Karel de Grote door Leo III, stamt
uit dezelfde periode (kerstdag 800). Voor het pausdom moest die kroning van een wereldlijke
machthebber (die eerder het Lombardisch koninkrijk had veroverd) de
beslissende stap
zijn in de emancipatie van Byzantium. Tegelijkertijd toonde de paus met
deze
"translatio Imperil" - d.w.z. de transfert van het
keizerrijk van het Oosten naar
de Franken - dat hij wel degelijk de juridische autoriteit bezat om in het Westen de
keizerstitel toe te wijzen aan wie hij wou.[9] Helaas, terwijl de paus meende daarmee
een
instrument te creëren te zijner dienste, creëerde hij eigenlijk een
rivaal,
of zelfs - althans in het geval van Karel - een meester. Southern,
p.99, merkt
hierbij daarom op:
"Deze handeling was de grootste vergissing die de middeleeuwse pausen ooit
maakten in hun pogingen om de theorie te vertalen in de praktijk".
Wat
dat middeleeuwse Imperium betreft, nochtans, moet in vergelijking met het antieke
gewezen worden op de wezenlijk religieuze dimensie
ervan: de Keizer is
de dienaar van God en van diens vertegenwoordiger op aarde, de roomse paus. Belangrijk
hierbij
is het feit dat de Keizer, vóórdat hij gekroond wordt door de
Paus, reeds
koning is (in het antieke Rome was zoiets ondenkbaar). Zoals
P.F.Moreau hierbij opmerkt, in zijn bijdrage Le Saint-Empire (in Châtelet &
Mairet, p.66):
"L
'Empire apparaît, à la limite, comme une fonction religieuse,
conférée a quelqu'un qui, en tant que roi, détenait déjà le pouvoir politique".
Hij
citeert daarbij Schnürer, L'Eglise et la civilisation au
moyen âge (Paris
1933, I,p. 479), die opmerkt dat het bij de kroning van Karel
geenszins ging
om een simpele restauratie van het (antieke) Romeinse imperium:
"De
nauwe eenheid tussen de Kerk en de gekroonde Keizer, die er de beschermer van
werd, markeerde het begin van een nieuwe periode. De
Romeinse keizers deden hun macht teruggaan tot Augustus. Het nieuwe Imperium,
daarentegen, steunde in zekere zin op de goddelijke wil en genade. De nieuwe Keizer moest de samenleving van de aan zijn gezag onderworpen
naties zodanig regeren dat hij overal de goddelijke wetten en de
christelijke orde deed heersen".[10]
Het
is vanuit déze, essentieel religieuze functie van het keizerrijk
dat
we de latere confrontaties tussen Keizer en Paus dienen te begrijpen.
Het
ging daarbij geenszins om een strijd tussen 'kerk en staat', als
tussen twee zelfstandige instituties, met elk hun specifiek project;[11] evenmin
was het een gevecht om de
'soevereiniteit' in de strikte zin van het woord.[12]
De
strijd tussen de twee 'machten' in de middeleeuwen was a.h.w. een
strijd
binnen de 'Kerk', namelijk rond de vraag wíe er, binnen de éne societas
reipublicae christianae, namens God - als bron en principe van alle macht
- het opperste gezag uitoefende op aarde. Vandaar dat Karel de Grote zichzelf -
feitelijk
terecht - als de unieke leider van het christendom beschouwde: hij ging
ervan
uit dat de christelijke orde op aarde gerealiseerd werd door het
Imperium. Wat
geenszins betekent dat de Kerk in deze visie geabsorbeerd werd in de
'Staat';
veeleer
het ómgekeerde was het geval, cf. Pacaut (p. 44):
"deze christelijke staat, omdat hij in zijn wezenheid dusdanig (i.e.
christelijk) is, is in de grond binnen de Kerk, waarbij deze laatste ondanks
alles haar spirituele jurisdictie behoudt" (m.o.).
Er
mag hier dus van 'theocratie' in de bréde zin van het woord
worden gesproken, in de mate namelijk dat de middeleeuwers allen het geloof
deelden
in de ene, universele societas christiana. Dat ene idee, evenwel, kon in de praktijk op verschillende manieren worden gerealiseerd: onder de leiding van de
christelijke Keizer; onder die van de Paus; onder
die van
beiden samen, of door de universitas fidelium...
Zoals Southern (p. 21) opmerkt, waren dat allemaal middeleeuwse ideeën, maar "'het
idee dat het
dichtst bij het praktische succes kwam, was ongetwijfeld de theorie van
de pauselijke monarchie". Globaal genomen, inderdaad, was het de
katholieke Kerk die
wat structuur en universaliteit betreft, nog het meest van al op het
Romeinse
Imperium kwam te gelijken; zij dient dus, op het 'logische' vlak,
erkend te
worden als de eigenlijke erfgenaam van Rome.
Hoewel
de middeleeuwers dus onderling van mening verschilden inzake de
instrumenten die dienden aangewend te worden om die 'theocratie' te realiseren, waren ze het over
één punt roerend eens, namelijk dat de 'Kerk' over
een universele potestas coactiva (letterlijk: coërcitieve of dwingende macht) beschikte:
"of het nu was in de handen van paus, keizer, koning of gemeenschap, het
opzet van menselijke heerschappij bestond erin de mensen binnen één enkel
christelijk pad te richten"
(Southern, p. 21).
Vandaar
het algemene basisbeginsel van de middeleeuwse 'politieke filosofie' in de oorspronkelijke betekenis van het woord: de
'Staat' (maar
zelfs het
woord is hier misplaatst, want anachronistisch) heeft géén eigen bestaansreden, maar
hij heeft een ethisch-religieuze, a.h.w. eschatologische missie, namelijk het zieleheil
te
helpen
realiseren
van de gelovigen (en correlatief ermee: het bestraffen van de ongelovigen: alleen de goedgelovige christen heeft
'recht' op eigendom, autoriteit,... leven; cf. de
hachelijke positie van de joden); dat diende dan te gebeuren met de specifieke,
'wereldlijke' middelen (bv. het gebruik van fysiek
geweld).
Anders gezegd: alle wereldlijke gezag, van keizer en koningen, heeft essentieel een religieuze functie: het dienen van de Kerk, wat hetzelfde is
als
het realiseren van de christelijke iustitia en pax.
Het
hoeft geen betoog dat binnen dit alomvattend theologisch
kader de ideologen van de wereldlijke macht fundamenteel gehandicapt waren in de
confrontatie met de verdedigers van het pausdom: wie
binnen een dergelijke context argumenteert, m.a.w.
de principiële ondergeschiktheid aanvaardt van het wereldlijke aan het
geestelijke,
moet logischerwijze uitmonden bij de erkenning van de superioriteit van
het
kerkelijke gezag, en dus van de paus (dat gold bv. ook voor Dante,
wiens De
Monarchia nochtans de bedoeling had het
concept
van het universele Imperium
te verdedigen).
5.3. Het 'politieke augustinisme'.
De basisideologie van de middeleeuwse theocratie werd geleverd door het
zogenaamd
"politiek augustinisme". Die doctrine was het product van een selectieve lectuur van Augustinus, waarvan een aantal
stellingen gingen geaccentueerd
worden.
De
doctrine wordt gekenmerkt door een combinatie van minachting en
(betrekkelijk) respect voor de 'Staat', vanuit de principiële weigering om aan
staatsorde,
recht, instellingen, maatschappij enz. gelijk welke autonome betekenis
of
draagwijdte toe te kennen: het essentiële immers voor de mens ligt elders, namelijk in
zijn of haar (directe) relatie van schepsel tot Schepper. In dat licht vormt de
politieke orde veeleer een obstakel, dat zich opwerpt tussen de mens en
zijn
god. Die politieke orde heeft geen 'natuurlijk' fundament (de mens is
"van
nature", d.w.z. zoals geschapen naar Gods evenbeeld, vrij): zij behoort veeleer tot het domein van de zonde en de
wanorde (gevolg van de zonde), dan tot die van de (natuurlijke=)
goddelijke
ordo. Zij is inderdaad het gevolg van de
zondeval
van Adam en Eva, en het bijgevolg "non posse non peccare" ("niet
kunnen niet zondigen") van hun
nageslacht. Politieke macht is daarom in laatste instantie altijd terug te voeren tot de
hebzucht van de (gevallen) mens. Zoals Augustinus zelf al schreef:
"quid
sunt regna nisi magna tactrocinia?"', i.e. "wat zijn de rijken [of
heerschappijen] anders
dan grote roversbenden?" (De civitate Dei,
IV.4).
Het
enige nut dat de politieke orde kàn hebben, haar enige rechtvaardiging,
is dat ze zich ten dienste stelt van wat werkelijk telt, namelijk het Heil, en
het zichtbare teken ervan op aarde: de (christelijke) iustitia
(het
citaat van zonet wordt voorafgegaan door de zinsnede; "remota
itaque
iustitia", "als de rechtvaardigheid er aldus van verwijderd is").
Wat
Augustinus zelf nog betreft (354-430), diens 'politieke theologie' vertoont een dubbel,
op het eerste gezicht ietwat contradictorisch of alleszins ambivalent karakter.
Augustinus'
basisintuïtie komt hierop neer, dat de werkelijkheid - de
natuurlijke zowel als de maatschappelijke - slechts
"ís",
slechts bestaansreden en bestaan heeft, in de mate dat ze in een directe
relatie tot God staat (de zgn.
ordo ad Deum); zijzelf bezit zelfs geen
betrekkelijke autonomie. Dat
geldt uitdrukkelijk ook voor de mens: het essentiële voor hem is zijn
directe
relatie, via de genade, tot zijn Schepper (dat geldt ook voor onze
kennis, cf.
de zogenaamde "illuminatietheorie" van Augustinus). Wat het sociale
betreft, d.w.z. de relatie tot onze
medemensen: weliswaar is de mens "van nature sociaal" (niét: politiek!)
en zijn de uitverkorenen voorbestemd voor de societas sanctorum, maar als
relatie is zij secundair ten overstaan van die relatie tot God.
De
menselijke persoon staat als gevolg daarvan voor een fundamentele keuze,
tussen twee amores (cf. het belang van de wil;
ik maak hier abstractie van de predestinatieleer): ofwel
die tot God - en dat is
dan de keuze voor het wàre leven, de wàre vrijheid, enz., waarbij
het lichamelijke, het aardse wel "gebruikt" maar niét "genoten"
wordt (cf. de tegenstelling
tussen "uti" en "frui", "gebruiken" en "genieten", en
tussen "utile" en "honestum") , ofwel die tot de
mens, het
lichamelijke, aardse, enz. Wat de waardering betreft van het politieke fenomeen die eruit voortvloeit, wordt Augustinus ertoe gebracht
te stellen dat er eigenlijk nooit een 'respublica
Romana' bestaan heeft. Volgens de definitie, immers, van
Cicero, mag enkel van een "respublica" gesproken worden wanneer
een populus zich verenigd
heeft op de basis van de iustitia; welnu, de deugd van de "rechtvaardigheid"
- zoals alle andere deugden - wordt enkel gerealiseerd in
het kader van de 'amor Dei'.
Nochtans,
zoals Gewirth (1951:37 e.v.) opmerkt, is dat niet Augustinus'
laatste (of enige) woord. Het geloof, immers, in Gods almacht dwingt tot de conclusie dat
de gehéle werkelijkheid geschapen is door God, zodat ze ook in haar negatieve aspecten
of effecten toch een minimale orde of rationaliteit moet vertonen. Anders gezegd, ook het
'perverse' is noodzakelijk onderworpen aan de
goddelijke
ordo en dat impliceert dat zelfs de 'civitas
terrena' - per definitie niet gewijd
aan God of aan de 'pax aetema' - een functie heeft
in de heilsgeschiedenis (wij leven nu in "het laatste uur" ervan): in de
'historische' context van de erfzonde (waarvan ze zelf het resultaat is), moet
de politiek, doorheen repressie en ongelijkheid (bv. de slavernij), de aardse pax helpen handhaven (het
politiek augustinisme zal daarom de klemtoon leggen op
de 'coërcitieve' en bestraffende functies van de Staat). Om die reden krijgen de
"dienaren van Christus" van Augustinus het gebod mee om "zelfs de
slechtste en, als dat nodig is, de nog het meest de-zweep-hanterende overheid te
verdragen" ("tolerare Christi famuli iubentur pessimam etiam ac, si ita
necesse est, flagitiosissimam rem publicam", Epistula 138).[13]
Die "aardse vrede" is
het resultaat van het realiseren van alles dat noodzakelijk is voor het
behoud en
de reproductie van het menselijke leven: d.w.z., zoals hij het zelf
uitdrukt,
van het realiseren van
"de
goederen die geschikt zijn voor dit leven, d.i. de tijdelijke vrede
(pax temporalis) naar de maat van het sterfelijke leven: de
gezondheid,
de veiligheid en de gemeenschap (societas) van je soortgenoten,
en alles dat
noodzakelijk is voor het behoud of het herstel van deze vrede, zoals
al wat
geschikt en passend beschikbaar is voor onze zintuigen: licht, spraak,
lucht
om te ademen, water om te drinken, en al wat geschikt is voor
'het
voeden, bedekken, verzorgen en versieren van het lichaam"
(CD,XIX, 13).
Vanuit
dit perspectief kunnen de vorige, theologische
normen terzijde worden
gelaten, zodat Augustinus vrede kan nemen met een definitie van "respublica"
in louter neutrale of positivistische termen: opdat we een
bestaande
maatschappij een populus zouden kunnen noemen, en haar politieke organisatie een
respublica, volstaat
dan de aanwezigheid van een consensus m.b.t. die
"aardse" belangen.
De
augustiniaanse politieke theorie herbergt dus twee benaderingswijzen
van de maatschappij, een "neutrale" en een religieus-normatieve. De
laatste
kon een theocratische ideologie ondersteunen, de eerste kon een secularisering
van de politiek stimuleren. Zoals F.C.Copleston het formuleert, in zijn A
History of Medieval Philosophy (1972:47):
"(Augustinus') definitie van een samenleving specificeert niet het soort
van basisbelangen waaromtrent een consensus een groep mensen verenigt in een
gemeenschap. We kunnen daarom zeggen dat ze, bij implicatie, de mogelijkheid
openlaat voor een leken- of seculiere staat. Tegelijkertijd beweegt Augustinus'
denken zich in de richting van een theocratische Staat, in elk geval in die mate
dat het in latere tijden mogelijk was zich op hem beroepen ter ondersteuning van
dit idee".[14]
Gewirth (l.c.) wijst er in dit verband op dat, terwijl in de vroeg-middeleeuwse
ontwikkeling
van het augustinisme het religieus-normatieve aspect de voile aandacht
kreeg,
de 'positivistische' oriëntatie merkwaardig genoeg terug opgenomen werd
door
Marsilius.
Augustinus,
echter, leefde in een tijd dat het Imperium Romanum weliswaar in verval kwam maar toch nog een politieke realiteit was. Met
zijn
De civitate Dei had hij bijgevolg niét de
bedoeling een theorie van de
civitas terrena te ontwikkelen; integendeel,
het was
hem erom te doen, zoals
gezegd, de toebehorigheid van de christen tot de "goddelijke civitas"
te
beklemtonen. Het 'politiek augustinisme' ging zich daarom pas ontwikkelen wanneer het Romeinse Rijk verdwenen was in het Westen, en was
opgevolgd
door o.m. het Frankische koninkrijk. In die nieuwe context kwam men tot een lectuur
van Augustinus' werk, die er wel degelijk een 'staatstheorie' wou in vinden.
Dat gebeurde voor het eerst, niet toevallig , in de Karolingische tijd, toen,
vooral onder impuls van Alcuinus, Karels rijk vereenzelvigd ging worden
met
Augustinus' Civitas Dei.
Het
centrale idee van dit politieke augustinisme was, zoals gezegd, dat
alle gezag op aarde tot doel heeft de christelijke religieuze moraal
en orde te doen
heersen. Ook wanneer in de latere doctrinale ontwikkeling van de
pauselijke
theocratie het onderscheid erkend werd tussen het geestelijke en het
wereldlijke gezag, dan gebeurde dat altijd in het kader van de onbetwiste
suprematie
van het geestelijke. De wereldlijke heersers dienden hun
moreel-religieuze
zending - het lichamelijk bestraffen van de boosdoeners, het vestigen
van de
iustitia en de pax christiana
(wat ook het uitroeien van de "ketters" impliceerde) - uit te oefenen onder de auctoritas, en
dus controle van de
Kerk. Een typische uitdrukking hiervan was de leer van de "twee
zwaarden"
(cf. Lucas, 22.38; vgl. DP, II.3.6),
die beide door Christus in het bezit
waren
gesteld van de Kerk, en waarvan het "wereldlijke" door de paus gedelegeerd werd aan de wereldlijke vorsten.
5.4. Het 'aristotelische naturalisme'.
Onder impuls van de alles omvattende maatschappelijke veranderingen die
vanaf
de 12de eeuw op gang kwamen - cf. de ontwikkeling van de steden, met
hun geldeconomie, nijverheid en stedelijke cultuur ("Stadtluft macht
frei!") -, ging de middeleeuwse samenleving zich langzamerhand 'ontklerikaliseren' - of, om het te
formuleren in aansluiting bij hoger:
het rationalisatieproces ging in twééde instantie de vorm aannemen van een laïciseringsproces.
Dat
zou met name ook de ontvoogding met zich brengen, op termijn,
van het
staatsgezag.
5.4.1. In
de aanzet van dit proces kunnen, in samenhang met het herontdekken van de
antieke ideologisch-theoretische tradities, a.h.w. twee "golven"
onderscheiden worden:
5.4.1.1. Vooreerst was er de al vermelde herontdekking van het Romeinse recht
(cf. Irnerius 1130, Bologna). Ze leidde ertoe dat men er zich niet
langer
mee ging vergenoegen om een 'onderscheid' te maken tussen de
wereldlijke en
de geestelijke jurisdictie: het kwam nu tot een theoretische scheiding
tussen beide domeinen (tegelijkertijd kwam, met de vestiging van nationale
koninkrijken, een definitief einde aan de politieke eenheid van het
christendom).
Die
renaissance, echter, van het Romeins recht kwam, zoals gezegd, in
eerste instantie ten goede aan de uitbouw van de pauselijke monarchie,
met behulp van de codificatie van het canoniek recht.
De beslissende
stap
werd hier gezet door Gratianus, met zijn Concordia
Discordantium Canonum,
kortweg ook Decretum genoemd, ca
1140 in
Bologna. Hierrond ontstond een zeer
omvangrijke commentaarliteratuur (van de zgn. "decretisten"), die het
werk
was van de intellectuele elite van die tijd. Tierney (1982:13 e.v.) wijst erop dat in geen andere periode
sedert de klassieke dagen van het Romeins recht zo'n groot deel van
de totale intellectuele bedrijvigheid besteed is aan de jurisprudentie. De
hoofdtaak van die 'canonisten' of 'decretisten' bestond erin, "een geschikte
juridische formulering te vinden voor de oude theologische doctrine van de kerk
als een volk Gods, een geordende communauteit van de gelovigen" (Tierney,
l.c.).
Maar
die canoniek-rechterlijke cultuur, waarin religieuze en wereldlijke ideeën en
concepten met elkaar vervlochten waren (cf. het Romeins recht), vormde
tevens
"een soort van zaaibed waaruit het hele, ingewikkelde woud groeide van het
vroeg moderne constitutionele denken" (Tierney, p.1): zie
bv. de notie van de consensus als fundament van de
samenlevingsorde; van de universitas als een "persona
fictiva", d.w.z. met
een eigen rechtspersoonlijkheid los van die van haar leden; het
principe van "quod omnes tangit ab omnibus approbetur" ("wat iedereen
raakt, moet door iedereen worden goedgekeurd").
5.4.1.2. De tweede, belangrijke bijdrage van de oudheid tot het ontvoogdingsproces van het politieke in de
middeleeuwen dateert van de 13de eeuw - d.w.z.
van de
eeuw waarin de pauselijke theocratie juist haar volledigste ontplooiing
vond.
Zij betreft de herontdekking van de ethisch-politieke werken van Aristoteles.
Weliswaar mogen we de rol van de Aristoteles
Latinus an sich niet overdrijven: van Aristoteles'
werken waren vele al vroeger in Latijnse
vertaling
beschikbaar; zij begonnen, in het algemeen, hun filosofisch-ideologische werking
pas uit te oefenen vanaf het ogenblik dat de intellectuele (en 'psychologische') voorwaarden daartoe binnen de middeleeuwse samenleving waren tot stand gekomen; zij waren
m.a.w. niet de 'bewegingsoorzaak' van die ontwikkeling. Toch was de impact van dit oud-Griekse denken op het middeleeuwse was
aanzienlijk.
Wanneer W.Ullmann, Medieval Political Thought
(1975:159), daarom schrijft:
"De invloed van Aristoteles vanaf de 2de helft van de 13de eeuw bracht een
transformatie van het denken teweeg die neerkomt op een conceptuele revolutie"; of
Copleston (1972:297):"De vertaling in het Latijn van werken zoals Aristoteles'
Politica veranderde het karakter van de politieke theorie in de Middeleeuwen", dan
moet dat alleszins op zulke manier begrepen worden dat de aan de gang
zijnde theoretisch-ideologische ontwikkeling aanzienlijk versneld
werd
door die confrontatie met de theoretisch volwaardige politieke
filosofie van de Stagiriet
(die
bovendien vrij was van elke theocratische problematiek).
Het
centrale
idee in die Aristotelesreceptie was de "natuurlijkheid"
van de 'Staat', d.w.z. het idee dat de mens naar zijn natuur
of van nature een 'zôion politikón', een
'animal politicum' (civile) was
("van
nature" betekent dan niet enkel, of zelfs niet in de eerste
plaats vanuit zijn biologische maar vanuit zijn
"rationele"
natuur: cf. de link die Aristoteles in zijn Politica, I.2,
maakt tussen 's mensen 'politieke' geaardheid en zijn uniek bezit van de
'logos').[15]
De civitas
(terrena) en alwat ermee samenhoort, zijn van hieruit dus niét het
product van de zondeval: ook zónder zondeval zou de mens met zijn rnedemensen in
een maatschappelijk, d.w.z. politiek of burgerlijk, verband hebben geleefd, of
daar in elk geval naartoe hebben geleefd (in de mate dat polis of
civitas "de beste gemeenschap" vormen, voor Aristoteles). Dat impliceert niet enkel
dat de
politieke orde ook vóór Christus een legitiem karakter bezat, maar óók:
dat de
'Staat', het 'politieke', het 'wereldlijke', enz. een
eigen
finaliteit
hebben, namelijk het "bene vivere". Nogmaals:
het begrip "natuur" moet hier in zijn teleologische
zin
begrepen worden: zeggen dat de civitas "natuurlijk" is, betekent
dat zij de noodzakelijke voorwaarde is voor het optimaal realiseren van het
menselijke "telos", i.e. zijn rationele natuur.
4.2. De (betrekkelijk) harmonieuze integratie van het aristotelisme in
het bestaande christelijk-theologische kader was, zoals bekend, niet uitsluitend
maar vooral het
werk van
de Italiaanse dominikaner THOMAS VAN AQUINO (1224-1274; hij was de
tweede
zoon van een edelman van Roccasecca, in het
Koninkrijk Napels).
Thomas'
'politiek naturalisme' blijkt bv. uit het volgende citaat uit zijn
Summa Theologiae, la, quaestio 96, art. 4:
"De
mens is van nature een maatschappelijk dier. Vandaar dat hij ook in
een staat van onschuld (d.w.z. indien er geen zondeval zou geweest zijn)
in samenlevingsverband (socialiter) zou hebben
geleefd";
iet
wat
(ook) voor Thomas uitdrukkelijk een hiërarchische maatschappelijke orde
impliceert - het artikel draagt trouwens als titel: "utrum homo
in statu innocentiae homini dominabatur" - waarop Thomas in positieve zin
antwoordt, in uitdrukkelijke oppositie met Augustinus. Er is hier dus geen sprake meer
van
een essentiële connectie tussen 'Staat' en zonde. De burgerlijke
maatschappij
en het burgerlijke gezag zijn vereist voor de vervulling van de
menselijke
natuur en voor het leiden van een volwaardig menselijk leven.
Copleston (1972:456) wijst erop dat het onderscheid tussen Augustinus en Thomas niet enkel aan Aristoteles mag geweten worden, maar
dat er ook andere factoren mee in rekening moeten worden gebracht.
Augustinus, die nog een levendig besef had als christen van de christenvervolgingen door het
'heidense' imperium, maar aan dat imperium als 'Staat' tegelijkertijd toch een aantal nuttige functies toewees - cf. supra -, manifesteert van daaruit de tendens om de
functies
van de Staat te beperken, met name tot die functies die elke Staat,
ook de 'heidense', kan vervullen. Thomas daarentegen leefde en werkte
in de 13de eeuw, d.w.z. na een eeuwenlange, min of meer vreedzame coëxistentie tussen een
christelijke 'Staat' en de Kerk; voor hem was het derhalve veel gemakkelijker om de
oud-Griekse politieke theorie te adopteren,
en de 'Staat' te beschouwen als een instelling die "natuurlijk" is voor
de mens.
Dat
'naturalisme' van Thomas op het gebied van zijn politieke leer moet
ingekaderd worden in het geheel van zijn christelijk-aristotelische
filosofie en theologie.[16] De centrale impetus ervan treedt duidelijk naar
voren uit
een vergelijking met Augustinus (zie De Lagarde, La naissance
de l'esprit laïque (II, p. 51 e.v.).
Terwijl
voor Augustinus, zoals gezegd, de wereldorde zich quasi herleidde tot
de ordo ad Deum, erkent Thomas daarnaast nog een
twééde ordeningsprincipe: de ordo of ordinatio ad invicem,
d.w.z. de
"orde" op
basis van onderlinge,
wederzijdse relaties. De betekenis ervan kan als volgt worden
samengevat.
God,
als de ordo aeterna, of "eeuwige orde", is de
schepper van de ordo
universalis; tussen beide is er een essentiële, niet te
overbruggen zijnskloof (cf. de leer van de analogia entis). De
"universele orde" is weliswaar
een afspiegeling van de "eeuwige orde", maar ze realiseert haar relatie
tot
God - i.t.t. wat Augustinus verkondigde - niet onmiddellijk of direct. De
wereld immers is een wereld van "naturen" (of, vanuit een meer dynamisch perspectief:
"bewegingen").
Alle 'natuurlijke wezens' (die dus hun bewegingsprincipe in zichzelf
hebben) hebben als taak doorheen die "beweging" hun "natuur" optimaal
te verwezenlijken. Als zodanig zijn alle individuen binnen een bepaalde
soort of
species ondergeschikt aan hun specifieke essentie. Dat is een
eerste
element van orde.
Vervolgens bestaan er
tussen die essenties onderling allerlei (intrinsieke) verbanden en relaties, die samen
de hiërarchische structuur of "onderlinge orde" van de natuur
uitmaken (cf. de
feodale structuren, met de betrekkelijke autonomie van de
verschillende niveau's?).
Men
kan dat dan als volgt formuleren, dat de wereld, of de werkelijkheid,
die als schepsel Gods per definitie rationeel is (en dus intelligibel), haar ordo ad Deum
realiseert door middel
van haar ordinatio ad invicem. Welnu, de menselijke
maatschappij is één van
de vormen, één van de aspecten van die universele orde. Ook voor Thomas dient de
verklaring daarvoor te worden gezocht in de rationele natuur
van
de mens. Die menselijke ratio is voor Thomas niets anders dan een
participatie
aan het eeuwige licht, en dat laatste heeft als kenmerk dat het er
voortdurend
naar streeft zich te communiceren, te verspreiden. "La
raison dont l' homme est doté le situe donc au coeur de la vie de communication"
(De Lagarde,
p. 67 - zie al bij Aristoteles, citaat in noot 15). Anderzijds is het eigen aan de eeuwige Wijsheid alles te ordenen
en ordonneren, te leiden en te bevelen met het oog op het doel van alles. Dat
geldt ook
voor de menselijke rede: rationis est imperare et ordinare, "het is eigen aan
de ratio te bevelen en te ordineren". M.a.w.: "la raison
situe donc l'homme au coeur de l'ordre" (De Lagarde, p. 68).
Vanuit
de vaststelling dat de mens, enerzijds, door
natuurlijke noodzaak in gemeenschap leeft (ten einde zich te voeden, te beschermen, enz.), en dat,
anderzijds, zijn
rationele
natuur hem drijft tot communicatie en
organisatie, van zichzelf en de andere wezens, kan dus geconcludeerd
worden dat de sociale natuur van de mens een eis is
van zijn rationele
natuur
(zo De Lagarde, l.c., die er in een voetnoot nog op wijst dat voor
Thomas - natuurlijk ook reeds voor Aristoteles, zie nogmaals citaat in noot 15 - het belang van de maatschappij zich niet beperkt tot de uitwendige steun die ze aan de menselijke persoon verleent, maar dat ze ook
een waarde heeft als vereiste van de morele natuur
van de mens:
"sans la société, l'homme est impuissant à remplir sa 'mission', à réaliser la perfection de son
essence'',
n.43).
Voor
Thomas heeft de menselijke samenleving daarmee een eigen
taak in het
geheel van de universele orde; zij bestaat in het realiseren van het "bonum
commune". De civitas terrena kan derhalve
met Aristoteles (Pol. I.2, 1252b28) als "societas perfecta", de "volmaakte gemeenschap", worden bestempeld -
het weze dan enkel in
de mate dat ze, behalve de materiële weldaden die ze oplevert, ook een
gemeenschap van de morele orde is (cf. Aristoteles). Die maatschappij
stelt de mens in staat, als "natuurlijk", d.w.z. rationeel, wezen, zich in
te
schakelen in die universele orde. De eigen finaliteit die de
maatschappij op
die manier bezit, is analoog aan de eigen finaliteit van de Natuur.
Wat
Thomas' eigenlijke politieke theorie betreft, ondanks het 'burgerlijke' cachet dat zij meekrijgt vanuit zijn aristotelisme, hierin
"reveleert Thomas zich (ten volle) als een edelman uit
de Mezzogiorno" (Larner, 1980:241). Weliswaar erkent hij
voor een
ogenblik, in zijn
De regimine principum, Bk I, kap.iv, dat "de
ervaring leert dat een
stad die bestuurd wordt door regeerders die jaarlijks aangesteld worden, soms meer bereikt dan een koning die over drie of
vier steden
heerst", maar dat belet niet dat hij de monarchie tot de
beste regeervorm verklaart, en wel omdat zij het best overeenstemt met de
heerschappij van God.[17]
Keren we terug naar Thomas' ordinatio ad invicem. We mogen ons niet laten
misleiden door
dit christelijk-aristotelisch 'naturalisme': die eigen finaliteit plaatst zich
wel degelijk binnen het kader
van
de ordo ad Deum. Enerzijds is de ordo
ad invicem
gewoon de manier waarop de geschapen wereld haar ordo
ad
Deum realiseert (daarom heeft
de wereld God absoluut en constant nodig). Anderzijds, en bovenal, is
het aan
de
mens eigen om, naast die indirecte relatie als lid van zijn species,
dank zij de goddelijke genade ook een direkte relatie
tot God te hebben,
namelijk als persona. Anders gezegd: voor de mens geldt niet
enkel de ordo
ad invicem maar ók, direct, de ordo ad Deum.
Naast zijn menselijke - sociale of wereldlijke - finaliteit, heeft de
mens bijgevolg ook een
bovennatuurlijke
finaliteit; behalve zijn 'burgerlijke' verplichtingen t.a.v.
de maatschappij, of de 'Staat', heeft hij ook, beter: bovenal, zijn verplichtingen aan God.
Dat
betekent, m.a.w., dat, ondanks het principe van de scheiding tussen
de twee domeinen, en met name tussen het wereldlijke en het geestelijke
gezag - ze komen beide van God -, ook voor
deze dominaan uiteindelijk
de superioriteit
Van het geestelijke geldt, en dus van de Kerk (ook zij ,
trouwens, is een
"societas perfecta"). Ook voor hem bezit de
paus het supremus
principatus en
kan hij de vorst straffen ratione peccati, "om reden van de
zonde".[18]
5.4.3. Die dubbelzinnigheid a.h.w. van de thomistische positie - die de 'autonomie' verdedigt van het politiek-maatschappelijke, maar binnen
een alles omvattende theologische orde (vgl. ook met de betrekkelijke 'autonomie' die hij aan de
filosofie geeft t.o.v. de theologie) - vinden we geïllustreerd door de
tegengestelde wegen die door twee van zijn leerlingen op dit vlak bewandeld
zijn:
1°) AEGIDIUS
VAN ROME (Giles de Rome), augustijnermonnik, zou met zijn
traktaat De Ecclesiastica Potestate (1301) de meest
radicale verdediger worden
van een onbeperkte pauselijke suprematie, die de middeleeuwse theologie
heeft
voortgebracht. Hij
inspireerde de fameuze bulle Unam Sanctam van Bonifatius VIII,
van 1302, "which marked the zenith of the papal
ecclesiastical polity
in the middle ages" (R.Lerner & M.Mahdi, Med.
Political Philosophy,
p. 392).
Vertrekkend
van de eenheid van het universum, waarin alle wezens in een axiologische, hiërarchische orde geplaatst zijn, besluit hij onvermijdelijk
tot de
ondergeschiktheid van de politieke aan de theologische orde, en dus van
de
wereldrijken aan de Kerk:"possumus enim ex ordine universi hoc
liquido declarares
quod super gentes et vegna ecclesia sit constituta".
2°) JEAN
DE PARIS (ook: Jean Quidort), dominikaner, formuleerde met zijn
De potestate regia et papali (ca 1302) de
meest
verregaande poging tot weerlegging van de leer van de pauselijke theocratie binnen het heersende
aristotelisch-theologische kader (het was bedoeld als steun voor
de Franse koning Filips de Schone, in diens conflict met Bonifatius VIII).
Terwijl hij
enerzijds een meer corporatieve kerkopvatting ontwikkelt, trekt hij Thomas'
onderscheid tussen de twee domeinen verder door: het wereldlijke mag niet
louter
als een middel of werktuig worden beschouwd, maar vormt een goed op zich. Dat betekent dat de morele deugden kunnen geperfectioneerd worden zónder de theologische; dat, m.a.w., zelfs zónder
Christus, de ware en volmaakte iustitia
kan worden tot stand gebracht. Het is slechts per
accidens dat de theologische
de ethische deugden vervolmaken (in de mate dat de mens, als christen,
ook een
bovennatuurlijke finaliteit heeft). Toch moet ook Jean de Paris, van
hieruit,
de superioriteit 'in laatste instantie' erkennen van de religieuze op de
wereldlijke
doeleinden. Het sacerdotium, of
priesterschap, is wel degelijk "hoger
in waardigheid" dan het regnum, alleen mag dat z.i.
niet vertaald worden in
termen van politieke superioriteit (hij maakt m.a.w. een onderscheid
tussen
de orde van de waarden en die van het politieke gezag).
Hoewel
hij dus de specificiteit beklemtoonde van het politieke zowel als
van het religieuze, kon ook Jean er toch niet onderuit, te erkennen
dat, 'in
laatste instantie', de Paus het recht heeft om tussen te komen in het
wereldlijke: in bepaalde gevallen heeft de Paus het recht, met name, om
de heerser
te excommuniceren. Deze onbevredigende oplossing was, zoals Gewirth (1951:18) opmerkt, in zekere zin onvermijdelijk: "zo
lang als politiek bekeken werd in axiologische termen en de theologische waarden
beschouwd werden als superieur aan alle andere waarden, moest een gelijkaardige
superioriteit toegestaan worden van de paus over wereldlijke heersers".
Dat
kan trouwens ook worden vastgesteld bij de thomist DANTE, met zijn
De Monarchia: hoewel beide finaliteiten, z.i., "ultiem" moesten worden
genoemd, was de wereldlijke orde toch op een bepaalde manier
ondergeschikt aan
de religieuze, en dus de Keizer aan de Paus, zij het dan als een
"zoon" aan
zijn "vader" (maar dat was niet weinig, in het kader van de
alleenheerschappij
van de paterfamilias). Dat verklaart wellicht mede waarom Marsilius al
zo
vlug na zijn 'landgenoot' een nieuwe theoretische poging ondernam
om de
suprematie van het wereldlijke gezag op het pauselijke te funderen.
Zoals nogmaals Gewirth, p. 19, schrijft:
"Het was deze achtergrond van mislukking om een definitieve weerlegging te
verschaffen van de reductie door de pausaanhangers van alle zaken, alle
concepten en alle waarden tot de theologische, die de specifieke uitdaging
vormde voor het werk van Marsilius van Padua".
5.5. Epiloog
Ter
afsluiting moet er tenslotte nog op gewezen worden dat Aegidius Romanus en Jean de Paris verre van de enige auteurs waren om
een traktaat te wijden aan "de macht van de paus", rond het einde van de 13de en
het
begin van de 14de eeuw. Er kwam integendeel een 'lawine' van dergelijke
geschriften, in de eerste plaats aan het pauselijke Hof (de Curie), of
daaraan
gericht (cf. ook Tolomeo van Lucca, Matteo van Aquasparta, Hendrik van
Cremona, e.a.); anderzijds kwamen er ook, vooral op instigatie van het
Franse hof,
kritieken op de theocratische koncepties.
Zie
J.Miethke, Die Traktate 'De potestate papae'. Ein Typus
politik
theoretischer Literatur im spaten Mittelalter, 1982, die er,
p.194,
op wijst dat niet toevallig op het einde van de 13de eeuw, met Coelestinus V (die verzaakte aan zijn pausschap) en Bonifatius VIII (wiens
agressieve politiek uitmondde in zijn vernederende gevangenneming door
Franse troepen, te Agnani in 1303), op een dramatische wijze de mislukking van de pauselijke politiek was duidelijk geworden -
"waß aber Erörterungen hervor(rief), wie sich diese
päpstliche
Politik
begründen lasse".
Al
die geschriften (waartoe Miethke ook de DP van
Marsilius rekent) kunnen,
ondanks een aantal verschillen, toch tot één type gerekend worden. Er
is,
in dat verband, niet enkel hun gemeenschappelijke thematiek,
maar ook, en
vooral: "literarisoh ihre gemeinsame Form und die
sozialgeschichtlich ähnlichen Entstehungsbedingungen" (Miethke, p.200). Wat de vorm
betreft, kan worden vastgesteld dat zij allemaal afhankelijk zijn van het genre van het scholastische traktaat. Daartegenover valt het op dat, hoewel alle auteurs
een universitaire vorming hadden genoten,
en zij zich ook richtten tot een
universitair
gevormd publiek, geen enkele tekst geschreven was voor de
universitaire leszaal:
"So
'modern' also die theoretischen und formalen Mittel waren, mit denen
das vorgegebene Thema behandelt wurde, so wenig schrieb man eigentlioh
für die Universität selbst" (p.201-2).
De
meeste auteurs kenden een carrière, hetzij binnen de Kerk, hetzij aan
de
wereldlijke hoven (cf. Marsilius, Ockham, Quidort), en iets
gelijkaardigs mag
gezegd worden van het lezerspubliek tot het welke zij zich richtten; cf.
ook de
klemtoon die in alle teksten valt op het belang van de "periti",
"sapientes",
d.w.z. de leden van de - opkomende - intellectuele elite.
Zoals nogmaals Miethke, p.203,
het samenvat:
"Die
polemische Literatur erreicht damit mit ihren Texten, soweit es uns
erkennbar bleibt, genau jene Schicht von universitär ausgebildeten
Fachleuten, die in den Zentrum der politischen Entscheidungen zwar nicht
selbst
Entscheidungen zu treffen hatten, die aber als Berater, Gutachter und
dergleichen an der Entscheidungsfindung in zunehmende Masse beteiligt wurden"
("Voor zover ze voor ons herkenbaar blijft, bereikt de polemische literatuur
...met haar teksten juist die laag van universitair gevormde vaklui die in het
centrum van de politieke beslissingen weliswaar niet zelf beslissingen moesten
treffen, maar die als raadgevers, adviseurs en dergelijke in toenemende mate
betrokken werden bij het vinden van de beslissingen").[19]
Deze
intense controverse "de potestate papae" (die in de
15de eeuw een nieuwe actualiteit zou krijgen, zij het dan vooral binnen de Kerk), met haar
nieuwe,
rationele, systematische aanpak van het thema, met behulp van de op
dat ogenblik meest moderne wetenschappelijke methodes, speelde een
belangrijke rol
in de ontwikkeling van het politieke denken. Enerzijds maakte ze het
mogelijk
om, op het hoogtepunt van de pauselijke monarchie, "gegenläufige"
tradities herop te nemen (het middeleeuwse corporatisme, de oude
consensustraditie, het
recht op verzet vanwege de onderdanen, e.d.). Anderzijds hielp zij de
voor
waarden voorbereiden voor de moderne soevereiniteitstheorie , cf.
nog éénmaal Miethke, p.206:
"Ideengeschichtlich war es die Leistung der Kontroverse, sowohl die Voraussetzungen für die neuzeitliche Souveränitätstheorie des
politischen
Verbandes entscheidend vorzubereiten, wie auch in gegenläufiger
Tendenz
die ständischen Ansprüche auf Anteilhabe vorgreiflich mit Argumenten
zu
versehen" ("ideeënhistorisch was het de prestatie van de controverse, zowel op
beslissende wijze de voorwaarden voor te bereiden voor de souvereiniteitstheorie
van de Nieuwe Tijd inzake het politieke verbond, als ook tegenstroom inwaarts de
aanspraken van de standen op participatie anticiperend van argumenten te
voorzien").
_____________________________
|
| NOTEN: [1] Ik volg Annabel Brett,
2005:xlvii-xlviii, in haar overwegingen om bij het vertalen van de Latijnse
termen "principatus", principans", "principari" (alle natuurlijk afgeleid
van "princeps", en dit laatste etymologisch verwant aan "primus,
eerste") de etymologische band te behouden. [2] Niet toevallig, daarom ook, ging die Gregoriaanse hervormingsbeweging
gepaard met een reorganisatie en democratisering van het hoger onderwijs, ten
einde voor de kerkelijke institutie het nodige 'kaderpersoneel' te leveren (zie
daarover op
deze site). [3]
Newsweek van 7 februari 1983,
waarin een Amerikaans expert in canoniek recht werd geciteerd, die het
had
over "a whole new way of thinking about the church as a
bonding of the faithful, not as a spiritualized civil government". Maar of
dat ook nog geldt onder de huidige paus? [4] Zie daarover B.Tierney, Origins
of papal infallibility, 1150-1350. A study on the concepts of infallibility,
sovereignty and tradition in
the Middle Ages. Leiden 1972. [4bis] Zoals de
"overbekende frase" luidt omtrent de middeleeuwen, waar Karl Marx naar
refereert in een voetnoot van Het Kapitaal (Deel I, vertaling van I.Lipschits,
1972, p. 39 n.33). [5] Tot dit vroege 'proefmodel' van staatsvorming behoorde ook reeds "de
al of niet gedwongen
homogeneïsering van de ondergeschikte bevolking, (met) een radicale onderdrukking en
uitroeiing van 'afwijkende' sociale en culturele patronen en attitudes"
(cf. Commers
1983-84:8; geciteerd in hoofdstuk 1, kap. 1.5.3.): denken we aan de
systematische uitroeiing van de "ketters", waarover we het hadden in hfst.
3, kap. 3.6.4. [6] We moeten ons nochtans hoeden voor
(eurocentrische) simplificaties, wat de islamgeschiedenis betreft: ook al was
(en is) er geen sprake van een gecentraliseerd kerkelijk instituut, dan waren er
wel degelijk periodes van spanning of zelfs conflict: denken we aan het verzet
van de wetgeleerden aangevoerd door Ibn Hanbal, tweede kwart van de 9de eeuw,
tegen de pogingen van de Abbasidische kaliefen om, bij middel van een soort van inquisitie
(de zgn. Mihna), de leer door te drukken van de "geschapen Qur'ân".
Nadien zagen de meeste heersers af van religieuze aanspraken t.g.v. de klasse
van god- en wetgeleerden (de culamâ') en kwam het tot een
'historisch compromis' tussen beide sferen (zie hierover op deze site, de
syllabus "Wortels van de Islam",
kap. 9.2.).
[7] Zie over deze (weliswaar complexe) theorie uitvoeriger op deze site de syllabus, "Geschiedenis van de
Antieke Wijsbegeerte",
hfst.
10, kap. 3.5. - Over de kerstening van het Romeinse rijk, zie Danny Praet, De God der Goden. De christianisering van het Romeinse Rijk,
Kapellen-Kampen 1995.
[8] Zie Marsilius, DP, o.m. II.3.2, die trouwens
ontkent
dat de Paus de
eigenlijke 'opvolger' van Petrus zou zijn, cf.II.16.14.
[9] Voor het verband tussen "Donatie" en
"translatio", en de belangrijke ideologische
functie
ervan, zie ook Quillet, in Jeudy-Quillet, 1979:33-29.
[10] In vergelijking met het antieke Imperium (maar ook met het Byzantijnse)
werd de relatief religie-politiek omgekeerd, cf. J.B.Morrall, Political
Thought in Medieval Times, 1958:10: "Instead of
religion, as hitherto, forming the
buttress for a communal political tradition, it was now elevated
essentially above the
political sphere and from this position of transcendence it bestowed on
political authority whatever limited justification the latter possessed... The
Reformation (...)
marks the point beyond which a visible and permanent religious conflict
finally ended
the medieval struggle to organize the whole of western Christendom on
the basis of a
universally accepted interpretation of Christianity".
[11] Cf. nogmaals Morrall, p. 28: "The
common description of the struggle as a conflict between Church and
State is misleading, the Church and State problem in its modem
sense of a tension between two separate societies with different aims did not exist in
the eleventh century".
[12] Cf. G.Mairet, "La genèse de l'état laïque", in: Châtelet & Mairet,
1978. Hij wijst erop dat het concept 'soevereiniteit', zoals het voor het eerst
gelanceerd werd door Bodin, in 1576, het samenvallen impliceert van het
principe van de macht en de uitoefening ervan - en derhalve een
profane conceptie van de politieke macht vereist.
[13] Zie nogmaals (het slot van) de al vermelde syllabus (waar de link wordt
gelegd met Joseph de Maistre [1753-1821, actief tijdens de Franse Revolutie], en
diens argumentatie dat niemand anders dan de beul (carnifex) de
samenleving samenhoudt... De augustiniaanse visie op het politiek bestuur als een remedie tegen
de menselijke zondigheid, en de
wet
als een dam tegen de slechtheid der mensen, treffen we ook aan in
de politieke
cultuur van de Italiaanse commune, cf. Martines, 1980:167-168, die een
leerboek met modelbrieven en redevoeringen citeert van de hand van Guido Fava
(een
Artesprofessor
aan de universiteit van Bologna, begin 13de eeuw). In de brief van een podestà staat o.m.: "De
engelen zijn gevallen uit de Hemel en de mens uit het Paradijs... Geen
wonder,
dan, dat er op aarde zowel tweedracht als rede aanwezig is, want ze
bevat een overvloed aan zonden, die de podestà's op een wijze manier moeten trachten
te verwijderen".
[14]
Dat mag in zekere zin typisch genoemd worden voor het latere christendom
in
het algemeen: het theologisch, a.h.w. metafysisch, onderscheid tussen het geestelijke
en het wereldlijke of profane, tussen clerus en leken, enz., met de monopolisering van het morele door het religieuze, maakte het juist mogelijk
om
het wereldlijke of politieke (ook de natuur), op zichzelf te beschouwen, los
van elke ethisch-religieuze context. Voor Augustinus, zie de al vermelde
syllabus, hoofdstuk
10.3.8.
[15] Politica I.2, 1253a1 e.v.: "...Hieruit is dus zonneklaar
dat de polis behoort tot de natuurlijke (wezenheden) en dat de mens van nature
een poliswezen is (politikón zooion), maar dat wie polisloos is door zijn
natuur, en niet door toeval, ofwel een inferieur wezen is, ofwel een wezen dat
boven de mens staat. (...) De reden waarom de mens in hogere mate een polisdier
is dan gelijk welke bij of gelijk welk kuddedier, is duidelijk. De natuur, zoals
we zeggen, maakt niets om niets. Welnu, de mens is het enige dier dat over rede
(logos) beschikt. Het stemgeluid (phonè is weliswaar een signaal (sèmeíon) voor
wat pijnlijk en wat aangenaam is, en daarom behoort het ook toe aan de andere
dieren: hun natuur is zover gegaan dat ze gewaarwording hebben van wat pijnlijk
en wat aangenaam is, en dat ze dat aan elkaar signaleren; de rede, echter, dient
voor het reveleren van het nuttige (sumphéron) en het schadelijke, en bijgevolg
ook van het rechtvaardige (díkaion) en het onrechtvaardige. Vergeleken immers
met de overige dieren is dit eigen aan de mensen, nl. dat zij alleen een zin (aísthèsis)
hebben voor goed en kwaad, rechtvaardig en onrechtvaardig, en de rest; welnu,
het is [precies] de gemeenschap daarin die een huishouden en een polis maakt"
(mijn vertaling). Voor de volledige vertaling boek I, zie deze site.
[16] Voor een zeer beknopte introductie, zie de kleine syllabus op deze site,
"Filosofie als Ambacht",
kap.4.3.
Zoals daar opgemerkt wordt, nochtans, bevatte Thomas' 'aristotelisme' ook een
belangrijke (neo)platonische component.
[17] De regimine principum, kap.ii; zie ook zijn Summa Theologiae, la qu.103, art.3,
en Summa contra Gentiles, IV, 76; vgl.Larner, p.241: "God
himself...
appears as an all-powerful emperor of the time, one who wages vendetta
against offending man..."; zie ook de inleiding van
A.P.D'Entrèves, in
A.P.D'Entrèves & J.G.Dawson, Aquinas. Selected
Political Writings,
Oxford 1959, p.xxvii. Zeer leerrijk, in dat verband,
is dan weer de
voortzetting van Thomas' Reg.princ. (vanaf Bk II, kap.v),
die geschreven werd
door een dominikaan afkomstig van de Noord-Italiaanse commune Lucca,
Tolomeo (of: Bartolomeo) van Lucca (gest. 1327), en die in een anti-monarchische en pro-republikeinse vorm
geredigeerd is.
[18] Er
moet op gewezen worden dat Aristoteles' eigen teleologische
oriëntatie, met haar dubbelzinnig telosbegrip, deze christelijke aristotelici
a.h.w. 'de pap in de mond' had gegeven; wat verklaart waarom Aristoteles,
ondanks zijn naturalisme, ook door de 'voltooide' papistische ideologie dankbaar zou aangewend worden.
[19] Zie hierover ook J.Miethke, Marsilius und Ockham. Publikum und Leser
ihrer politischen Schriften im späteren Mittelalter, 1980.
|