"KERK EN STAAT" IN DE MIDDELEEUWEN

Een historische inleiding bij Marsilius van Padua's Defensor Pacis.

door Herman De Ley

• Marsilius-Index • CIE-Index • Filosofieën-Index •

HOOFDSTUK 4:

DE PADUAANSE "COMUNANZA" VAN 1256 TOT 1328





Aanvullend bij de historische schets over de Noord-Italiaanse commune, moeten we even nader ingaan op de ontwikkeling en de karakteristieken van de commune waarvan Marsilius een civis was: Padua. Gelukkig kunnen we daartoe beschikken over de uitstekende monografie die J.K.Hyde precies voor deze periode aan Padua heeft gewijd: Padua in the Age of Dante, Manchester 1966.[1] 


4.1. Institutioneel 

Zoals in een aantal naburige steden, droeg ook in Padua de organisatie van de popolo, die het bestuur in handen had, de naam van 'Comunanza'. Zij werd vermoedelijk gevormd in het begin van de 13de eeuw onder de begoede burgerij, met het oog op haar belangenbehartiging tegenover de adellijke families die tot dan over een machtsmonopolie hadden beschikt (Hyde, 1966:211). De beginfaze van deze comunanza ligt in het duister: we zijn vooral gedocumenteerd met betrekking tot de zogenaamde "tweede" of "nieuwe commune" + -d.w.z. de comunanza zoals ze 'gerestaureerd' werd na de bevrijding van Padua in 1256 en de uitschakeling van Ezzelino da Romano.[2

De onmisbare bron voor de Paduaanse constitutie is de Statutencodex van 1276 (in 4 boeken). Er blijkt uit dat commune en comunanza op dat ogenblik grotendeels waren samengevallen: de eed bv. die de leden van de comunanza moesten zweren, gold evenzeer het vrijwaren van de commune en de Paduaanse civitas; de podestà diende er zich toe te verbinden "de goede en vreedzame staat van de comunanza en van de gehele civitas van Padua" te handhaven; lidmaatschap van de comunanza was zo goed als zeker een conditio sine qua non om in de Grote Raad te zetelen. 

Zoals in andere, door de popolo gedomineerde communes, oefende ook in Padua de comunanza haar hegemonie normalerwijze vooral uit middels het college van de anziani, die in dit geval twaalf in getal waren: vier ervan vertegenwoordigden de niet-gildeleden, d.w.z. de popolo georganiseerd op territoriale basis (de zgn. anziani della comunanza); de acht overigen, de anziani pro frataleis, werden verkozen uit de acht "beste en nuttigste" gilden (NB in 1287 waren zesendertig erkende gilden, zie de lijst bij Hyde, 1966:311). Hun ambtstermijn bedroeg 2 maanden.[3] Het college beschikte over aanzienlijke prerogatieven, maar we zouden er fout aan doen de concluderen dat de Paduaanse comunanza in handen was van de plaatselijke ambachtslui. Weliswaar speelde de verhouding van 2 op 1 in het voordeel van de gildeafgevaardigden, in de praktijk zullen zij toch dikwijls de 'speelbal' geweest zijn van de anziani della comunanza, met hun superieure status en ervaring. Bovendien moet worden opgemerkt dat, terwijl slechts de 'hogere' gilden anziani mochten leveren, niet eens alle gildemeesters (de magistri) lid waren van de comunanza: meer dan waarschijnlijk was er een minimum vermogenskwalificatie (ook een maximum: om de magnates uit te sluiten). Dat was alleszins het geval voor het lidmaatschap van de Consiglio Maggiore: een minimum aanslag van £ 50 was daartoe noodzakelijk. Voor de lagere bestuursfuncties, tenslotte, was een minimum aanslag vereist van £ 25. Hyde (1966:216) concludeert derhalve dat wellicht 9/10 van de stedelijke bevolking en omzeggens alle inwoners van de contado uitgesloten waren van politieke rechten.[4] 

De Paduaanse comunanza heeft, in vergelijking met andere communes, een opmerkelijke institutionele stabiliteit vertoond. Zij berustte op een "dynamisch evenwicht" (zo Marangon, 1980:328) tussen de twee 'middenklassen': de gildemeesters (met uitsluiting van de lagere gilden, de arbeiders, dagloners, armen, enz.) en de 'kleine aristocratie' (met uitsluiting van de "magnaten"). Dat evenwicht was de vrucht van de strijd tegen Ezzelino da Romano (zijn schrikbewind zou tijdens de rest van de 13de eeuw een antityrannie-ideologie levend houden) en het zou getheoretiseerd worden in het ideologisch concept van de "medietas".[5] 

In de loop van de periode 1256-1310, weliswaar, kwam er een verschuiving ten gunste van de gilden; zij ging samen met een territoriale expansie en de strijd tegen de machtsposities van magnaten en clerus (zie verder). Zo werd in 1277 het aantal leden van de Consiglio Maggiore opgevoerd tot 1.000. Volgens Hyde (1966:210) moet die raad aldus minstens 1/10 van de volwassen mannelijke bevolking hebben omvat, d.w.z. "twice the proportion of enfranchised citizens in the united Italy of 1861". Hij was de enige wetgevende macht in de stadstaat; een deel van zijn bevoegdheden werd wel, zoals gebruikelijk, gedelegeerd naar een kleinere raad, verkozen uit zijn schoot, maar de soevereiniteit van de Grote Raad werd nooit aangetast.[6] 

Maar het was vooral vanaf 1293 dat de 'institutionele weegschaal' verder ging overhellen ten gunste van de (hogere) gilden: onder druk van de oorlog en de dreiging van een signoría gingen alle gilden zich verenigen in een 'Unio' en richtten zij een gezamenlijke militie op. In dat verband vinden we in een statuut van 1293 de volgende verklaring:

"Met het oog op de eer en de aanbidding van de almachtige God en de gelukzalige Maria altijd Maagd, en met het oog op de eer en de vreedzame staat van de comunanza en het behoud van de gilden en de gehele Paduaanse bevolking, en opdat de vijanden van de commune van Padua en degenen die de communale staat van de stadstaat Padua willen verstoren + -wat ver van ons moge blijven -, geheel en al hun vermetele stoutmoedigheid mogen verliezen, statueren en ordineren wij dat alle particuliere gilden van de stadstaat Padua, zowel degene die de anziani aanstellen als alle andere, mechanische gilden, voortaan moeten begrepen worden als, en zijn: één lichaam en één sociëteit, broederschap of liga ter handhaving en bewaring van de stadstaat Padua en haar district in een communale en vreedzame staat, vrij van de overheersing van enigerlei tyran of van enigerlei andere particuliere persoon...".[7]

De vestiging van deze "Unie" verliep analoog aan die van de comunanza, eertijds: gevormd in de eerste plaats ter bescherming van haar leden, ging zij eigen raden en officiëlen aanduiden (op 2 december 1300 werd een commissie opgericht van 15 Gastaldiones + -alle gildehoofden zaten erin -, en de functie ingesteld van 'defensor populi'), ten einde druk uit te oefenen op de communale organen. Hoewel, zoals gezegd, alle gilden verenigd waren in de Unie, ging de macht in toenemende mate geconcentreerd worden in de handen van de leden van een klein aantal leidende gilden: bovenal die van de notarissen (4 van de 15 leden van de commissie moesten notaris zijn en één ervan de voorzitter). In 1306 werd beslist dat wie niet tegelijkertijd lid was van een gilde en van de comunanza, niet als raadslid (sapiens) kon zetelen in de raden (cf. Hyde, 1966:246-7).


4.2. Sociaal-economisch

We mogen ons niet blind staren op de institutionele 'bovenbouw' van de Paduaanse commune. Volgens Hyde (1966:194) "is het duidelijk dat de constitutie in vele opzichten met meer was dan een façade die de ware kraohten verborg, die het Paduaanse politieke leven controleerden".

Die "ware krachten", aan wier onderlinge alliantie de Paduaanse commune haar opmerkelijke, langdurige stabiliteit te danken had, waren:

  • enerzijds de "magnates", d.w.z. enkele families van grootgrondbezitters, met de hen ondersteunende partes of 'partijen', wier belangen zich gewoonlijk uitstrekten over de gehele Marca Trevigiana: de Estensi, Carraresi, Camposanpiero, Dalesmanini, Maccaruffi, Lemici, enz. [8]
  • anderzijds, de overomvangrijke administratieve klasse ("the inflated administrative class", Hyde, p. 193), die gedomineerd werd door de professioneel getrainde notarissen en rechters.

De verklaring voor die sociale situatie moet gezocht worden in de economische structuur van de Paduaanse samenleving.

Met een bevolking van, vermoedelijk, minstens 35.000 inwoners (in 1320) behoorde Padua tot de 'middenklasse' van de Italiaanse steden. Belangrijker, echter, is dat ze niet behoorde tot de groep van middeleeuwse steden in wier economie de langeafstandshandel een aanzienlijke plaats innam, maar tot de groep steden waarvan de markt overwegend lokaal van karakter was.[9] In vergelijking met Firenze, m.a.w., waren handel, manufactuur en zelfs het geldwezen in Padua relatief onderontwikkeld. Vandaar dat er noch een gil­de van groothandelaars aanwezig was, noch een uitgebreid industrieel proletariaat: de arbeiders waren tewerkgesteld in kleine ateliers of handelshuizen, die gemakkelijk te controleren waren door de gildemeesters. Padua kende dan ook niet, zoals Firenze, een opstand van de "Ciompi". Daarentegen speelde de landbouwproductie in de contado een veel grotere rol in de Paduaanse economie dan in die van Firenze. Dat Paduaanse platteland, dat min of meer een compact blok vormde van ca 1.000 vierkante mijl (de huidige provincie Padua, met inbegrip van Mirano en Oriago, "bevatte enkele van de rijkste gronden in Italië en heel weinig onvruchtbaar land; de producten ervan voedden niet enkel de stad maar leverden normaliter ook een surplus voor de export" (Hyde, p. 49).

De heersende klasse in haar geheel teerde dan ook in overwegende mate op de uitbuiting van de contado, hetzij direct, door het bezit van de rechten over de grond of zijn vruchten, hetzij indirect, via de administratie van de staat. Het veruit grootste deel van de productieve grond was eigendom van individuen, fami­lies of corporaties waarvan de hoofdresidentie in Padua was. Die verdeling van het grondeigendom dient volgens Hyde (p. 50) als de belangrijkste factor te worden beschouwd in "het economisoh evenwicht tussen de stad en het platteland".[10]

In deze economische situatie speelde de stad Padua de rol van ruil- en distributiecentrum speelde (niet toevallig, allicht, fundeert Marsilius de "vita sufficiens" op de ruil, die een goede circulatie van de waren als voorwaarde heeft).[11] We vinden haar ook weerspiegeld op het niveau van de gilden. Een aanzienlijk deel van de stedelijke, werkende bevolking, inderdaad, was tewerkgesteld in de distributie van de producten van de contado: de gilden van de slagers, de bakkers, de vishandelaren, groentenverkopers, herbergiers... Anderzijds gaf het vervoer van die producten werk aan de leden van vier gilden; die van de vrachtrijders, van de bootslieden van Ognissanti, de bootslieden van S.Giovanni (Padua was het centrum van een gans systeem van waterwegen en kanalen) en de wijnvervoerders. Het is bovendien significant, aldus Hyde (p. 44), dat de gilden waarvan de leden individueel enig gewicht hadden na de notarissen en de artsen, juist die gilden waren "which controlled the nexus between the city and the contado, particularly the butchers and the taverners, some of whom at least owed their own vineyards".

De monopoliepositie van de Paduaanse markt was niet louter een kwestie van geografische en economische voordelen: de commune vergemakkelijkte niet alleen het fysieke transport van goederen naar de stad + -door het onderhoud van bruggen en wegen -, zij vaardigde ook wetten uit om te beletten dat waren naar elders zouden getransporteerd worden, ten nadele van de Paduaanse markt; bovenal hing het stedelijke monopolie voor zijn instandhouding af van politiek(-militair)e dwang, of anders gezegd: "it presupposed the political domination of the countryside by the city" (Hyde, p.47). Die heerschappij gebeurde deels direct maar deels ook indirect: de Paduaanse commune erkende een aantal 'onderworpen communes', niet enkel in de grotere steden: Monselice, Este, Montagnana, maar zelfs in sommige dorpen; ze reserveerde voor zich de 'hogere' jurisdictie, en zond een podestà naar de belangrijkste communes + -27 hiervan staan vermeld in de statuten van 1276; op strategische punten onderhield ze ook forten.

Het economisch overwicht van de landbouwproductie verklaart waarom ondanks de discriminerende wetten en maatregelen die tegen hen genomen werden, de magnates + -zijnde in de eerste plaats de grote adellijke grondheren + -een doorslaggevende rol bléven spelen in de Paduaanse comunanza. De grote opbrengst, anderzijds, van die agrarische productie waarborgde substantiële winsten voor al diegenen die de administratie ervan in handen hadden. Het is op dit vlak, d.w.z. dat van de wijze waarop die winsten verdeeld werden, dat de Paduaanse oomunanza, in vergelijking met wat eraan vooraf ging en met wat erop volgde, een 'verschil' heeft gemaakt: na de restauratie van 1256 werden de bestuurstaken en hun opbrengsten veel breder over de burgers gespreid en kwam er een enorme toename van het professionele element. 

Met name de rechters (georganiseerd in een col­lege) en de notarissen (georganiseerd in een gilde) gingen voortaan een dominerende rol spelen in de interne aangelegenheden van de commune. Terwijl er in 1254, onder Ezzelino, slechts 14 rechters en 86 notarissen konden gevonden worden, zou het College van Rechters bij het begin van de 14de eeuw niet minder dan 140 actieve leden tellen (zij werden aangesteld via een rolbeurt, telkens voor 4 maanden); wat de fratalea notariorum betreft, het aantal leden ervan lag, volgens Hyde (p.162), in de buurt van 600 (verspreid over stad en district), hetgeen haar zonder enige twijfel tot de belangrijkste Paduaanse gilde maakte, zowel in aantal als qua invloed. Dat zulke "swelling of the pro­fessional administrative class" inderdaad karakteristiek was voor de communale periode, blijkt volgens Hyde (p. 49) uit de reacties tegen die klasse onder de Carrara signoria, na 1328, en het teruglopen, toen, van het aantal rechters. Als een creatie van de commune, vormde die administratieve klasse er spoedig ook het onmisbare cement van: terwijl de rechters graag dicht aanleunden bij de rijke bovenlaag, werden de notarissen al vlug a.h.w. de natuurlijke woordvoerders en 'tribunen' van de lagere leden van de popolo. Als zodanig hield de administratieve klasse de ganse popolo samen.[12]

Nochtans was het bovenal de aard van de Paduaanse economie,die maakte dat er geen scherpe belangenscheiding mogelijk was binnen de comunanza: de meeste gildeleden hadden een persoonlijk belang bij de voorspoed van de landbouw, terwijl de niet-gildeleden met eigendom in de stad de groei van de stad gunstig gezind moesten zijn. Ik besluit met een langer citaat van Hyde (p. 56), dat de essentiële economische en sociale krachtlijnen van de Paduaanse commune goed samenvat:

"Padua and its contado formed a single economic unit in uhich production was spread throughout the territory, and distribution and consumption were concentrated in the city. A high proportion of the city 's working population was employed in crafts organised on a small scale to meet local needs, most of the rest were in the victualling trades. But in the gover­ning class, while a few were mere professional moneylenders, and a few may have had interests in trade, all were rentiers of various kinds living directly or indirectly on the resources of the contado. The nobility and many of the popolani looked to rents as their main source of income; others were to varying degrees administrators in the service of the com­mune, drawing a part of their livelihood from taxation or the costs of justice and administration. It was this common interest which provided the indispensable economic foundation for the Paduan commune". 


4.3. Politiek

De politieke geschiedenis van de Paduaanse commune, tussen 1256 en 1328, valt uiteen in twee periodes: de eerste, die de langste is, loopt van 1256 tot 1310 en was er een van "dramatische expansie" (Hyde); de tweede, van 1310 tot 1328, was die van de crisis en, uiteindelijk, de ondergang van de commune.

De externe expansie, tijdens de bloeiperiode, verliep op haar beurt in twee fases:

  • in 1266 verwerft Padua de daadwerkelijke controle over het naburige Vicenza en het uitgebreide territorium ervan;
  • in 1308, na jarenlange inspanningen, slaagt de commune er eindelijk in haar macht uit te breiden naar het zuiden, over de Adige, door de annexatie van Rovigo (mede dank zij de verzwakking van de Estensi).

Op het interne vlak, anderzijds, deed er zich in de laatste decennia van de 13de eeuw een zekere radicalisering voor, waarover hoger, kap. 4.1., al iets gezegd werd. In wat volgt, wil ik even nader ingaan op de interne strijd die de comunanza op twee 'fronten' tegelijk aanging: tegen de magnates en tegen de clerus. Tenslotte belicht ik kort het belang van de notarissen, o.m. voor het 'Paduaanse prehumanisme'. 


4.3.1.
Wat de strijd betreft tegen de zgn. magnates (ook genoemd: "potentiores" of "male ablati", letterlijk: "kwalijk gewonnen winsten"), moet erop gewezen worden dat onder die benaming niet uitsluitend de machtige adellijke families geviseerd werden: ook de 'burgers' die zich, bv. door woeker, zodanig verrijkt hadden dat ze over een klienteel een zodanige macht verwierven dat ze een gevaar vormden voor de communale orde, konden de kwalifikatie "magnaat" krijgen (zij schaften zich trouwens zo vlug mogelijk landeigendom en kastelen aan). Het ging m.a.w. veeleer om een wettelijke en politieke kategorie, dan om een sociaal begrip.[13]

Zoals in de andere communes waar de popolo de hegemonie verwierf, dateerde ook in Padua de basiswetgeving tegen de magnaten van het begin van de 13de eeuw. Er werden een aantal wettelijke handikaps ingesteld die de sociale en politieke druk van deze potentaten moest inperken; ze werden uitgesloten van lidmaatschap van de comunanza en van de meeste politieke functies, moesten 'gijzelaars' geven of een waarborgsom storten, en werden ook in gerechtszaken met popolani discriminerend behandeld; hun eventuele feodale jurisdicties werden afgebouwd.[14]

Terwijl die wetgeving na 1256 hernieuwd werd zonder dat er sprake was van een noemenswaardige verscherping, mag in het begin van de jaren '80 (met name september 1282) gesproken worden van een opvallende verharding in de houding van de popolo (cf. Hyde, p.238). Hoewel daarvoor enkele interne, Paduaanse factoren kunnen aangeduid worden (de spanningen teweeggebracht door een oorlog tegen Verona, en de verbanning van vier leidende magnaten, met een hoge borgsom, naar hun dorp), moet worden vermeld dat in deze periode in alle belangrijke communes waar de popolo aan de macht was, zich een gelijkaardige radicalisering voordeed (zo bv. in de eerste plaats in Bologna, en ook in Firenze: zie Larner 1980:120v.; Martines 1980:72-74; Hyde 1973:146). Hyde (1973:118), resumeert als volgt:

"De creatie van een wettelijke klasse van magnaten, onderworpen aan bijzondere, wettelijke handicaps en uitgesloten van het grootste deel van het politieke leven, was een opmerkelijke karaktertrek van het leven van de communes in de twee laatste dekaden van de 13de eeuw; het was echter slechts de voltooiing van een proces dat vele jaren eerder met de opkomst van de popolo in gang was gezet".

Van een echte uitschakeling , nochtans, van de magnaten en hun partes was geen sprake, in Padua net zomin als in de andere communes + -enkel een revolutionaire herverdeling van het eigendom had zoiets kunnen realiseren. Niet alleen kon men, de jaren nadien, magnaten voor hun commune de functie van ambassadeur of militair bevelhebber zien uitoefenen; bovenal moeten we vaststellen dat rond 1330 in bijna alle belangrijke communes signorieën geïnstalleerd werden die in de eerste plaats steunden op de leden van die klasse. Hyde 1973, p.146, bestempelt de antimagnatenwetten daarom als 

"een ondoeltreffende reactie tegen een diep gewortelde beweging die de macht deed aangroeien van de grote families die eventueel hun positie herbevestigd zagen onder de signorieën. Ondanks de voorspoed van de popolani en het politieke activisme van de gilden, bevond het natuurlijke zwaartepunt van de macht zich nog altijd bij het betrekkelijk kleine aantal families met een overweldige landelijke of commerciële rijkdom; voorkomen dat ze de communes domineerden kon enkel middels inspanningen en waakzaamheid, en deze laatste werden niet volgehouden". 


4.3.2.
De vervolgingen die, in de eerste jaren na 1282, tegen tal van magnaten werden ingespannen in toepassing van de nieuwe wetgeving, leidden tot wanordelijkheden. De situatie werd nog verergerd doordat de commune ook juist in deze periode zwaar in het offensief ging tegen de enige andere, in oorsprong feodale klasse die niet kon geabsorbeerd worden in de comunanza: de clerus.

Zoals in andere communes, bezat de clerus ook in Padua nog tal van voorrechten en 'immuniteiten' waarvan ze geen afstand wilden doen: de bisschop sprak recht over geschillen en rechtszaken waarbij clerici betrokken waren; eiste het alleenrecht op over de tienden geheven op kerkelijke domeinen; was heer en meester over de kloosters: "en bref, il avait une seigneurie complète dans la cité" (Quillet 1964:192). In het kader van die feodale 'immuniteiten' weigerde de clerus ook belasting te betalen, of bij te dragen in de kosten van infrastructuurwerken. Zo was er in 1266 een conflict ontstaan tussen com­mune en clerus rond een belasting voor het onderhoud van de wegen, dat jarenlang aansleepte; in 1274 trachtte de commune de clerus onder druk te zetten door aan de onderhorigen ervan het gebruik van de openbare wegen te verbieden (Hyde 1966, p.239). In het algemeen kan men zeggen dat het felle antiklerikalisme, dat deze situatie bij de burgerij onvermijdelijk uitlokte, zich uitte op een drietal vlakken:

-- het economische: het eigendoms- en erfrecht van de geestelijkheid werd zoveel mogelijk beperkt; de clerus werd gedwongen belastingen te betalen en werd het recht ontzegd om er zelf te heffen;

-- het juridische: alle kerkelijke jurisdictie over leken, in civiele zowel als in strafrechterlijke zaken, werd afgeschaft, zelfs wanneer één van de partijen een geestelijke was; de jurisdictie van de commune over de clerus werd beklemtoond (de rechter die als gevolg van zijn ambtsuitoefening een excommunikatie zou oplopen, moest haar negeren!); het verzet van de clerus, daarin gesteund door de paus, leidde er de commune toe, in 1282, een dekreet uit te vaardigen waarbij de clerus zo goed als buiten de wet werd gesteld: het doden van een geestelijke werd voortaan nog enkel bestraft met een boete van "slechts een Venetiaanse grosso"; volgens de kronieken werden er in deze periode dan ook heel wat geestelijken omgebracht.[15] Als gevolg van deze maatregel werd Padua geëxcommuniceerd. Het conflict zou nochtans nog verschillende jaren aanslepen: pas in 1290 kwamen commune en clerus tot een vergelijk.

-- het politieke: aan de clerici werden alle mogelijkheden ontnomen om te participeren aan het politieke leven; zo kon een geestelijke geen lid worden van de comunanza, of een civiel ambt uitoefenen - in moderne terminologie: een scheiding tussen 'kerk' en 'staat'.

Nog belangrijker, echter, met het oog op de Defensor Pacis, is de tendens die we kunnen vaststellen om ook de spirituele prerogatieven van de clerus in een zekere mate aan het burgerlijke gezag te onderwerpen. Zo kon een geestelijke verplicht worden, op last van de overheid, om aan een bepaald persoon het sacrament van de vergiffenis der zonden toe te dienen; cf. ook de uitdrukkelijke stipulering dat magistraten handelend in opdracht van de commune zich niet moesten storen aan een excommunikatie. Soortgelijke restricties op de religieuze activiteiten van de clerus treffen we ook in Marsilius' DP aan. We mogen derhalve veronderstellen, met Gewirth (1951:27), "that these relations of Padua to the clergy... provided the fundamen­tal background of the Defensor Pacis".

Anders gezegd, wanneer we vaststellen dat Marsilius, in radicale oppositie met de traditionele onderschikking van de 'wereldlijke' aan de 'geestelijke' samenleving, de eis stelt dat eerstgenoemde zich niet alleen moest emanciperen van de laatstgenoemde, maar ook dat zij haar in zekere zin moest vernietigen, kan, met Quillet (1964:191), de vraag worden gesteld, of hij niet dààrom tot zulke radicale stap in staat was,

"parce que, en vérité, ces cadres avaient déjà éclaté et parce que la com­mune italienne, et, plus encore, la Seigneurie, manifestaient cette rup­ture et réclamaient cette autonomie et cette indépendance à l'égard de l'autorité religieuse, qui sont la base et le thème constant de la pensée marsilienne".

Toch dient ook bij deze directe band die Quillet voorstelt tussen Marsilius' theorie en de Paduaanse context, enig voorbehoud te worden gemaakt.[16] Eerst en vooral moeten de restricties herhaald worden die hoger (kap. 3.6.3.) gemaakt werden m.b.t. het antiklerikalisme van de communes in het algemeen: ook in Padua ging het niet om uitingen van anti- of areligiositeit. De com­mune maakte terdege onderscheid tussen de religieuze problematiek en de problemen gesteld door de clerus als een gepriviligieerde en gecorrumpeerde categorie (wat dat laatste aspect betreft, meer speciaal de kwalijke naam van de Curie: op het einde van de 13de eeuw bestond er zelfs een Officium Sapientum deputatorum pro comune Padue super factis Romane Curie, cf. Marangon, 1980:329 n.75).

De confrontatie, anders gezegd, situeerde zich ook in Padua hoofdzakelijk op het terrein van de jurisdictie over het Paduaanse territorium. Ook op dit vlak, trouwens, ging het niet om een open oorlog, d.w.z. een soort van burgeroorlog die ten goede zou gekomen zijn aan de bevolking van de contado; men wou veeleer de dreigende sociale gevolgen van de klerikale misbruiken zoveel mogelijk beperken: Marangon (p. 331) spreekt daarom van "una guerra mascherata per limitare i danni". Zelfs het principe van de libertas Ecclesiae werd daarbij op geen enkel ogenblik door de commune in vraag gesteld; integendeel, uit tal van verklaringen blijkt dat de commune, i.t.t. Marsilius, die 'libertas' wou respecteren, mede omwille van het ideaal van de medietas, dat, zoals gezegd, het ideologisch fundament vormde van dit communale regime.[17]

Nog altijd volgens Marangon blijkt nergens uit de documenten dat ooit gedacht zou zijn aan een nieuw concept van de Kerk, zoals Marsilius voorafbeeldde. Hij concludeert daarom:

"Lo sforzo del comune dunque, a parte la lotta per la giurisdizione sul territorio, mirava a oontrollare l'organizzazione ecclesiastica, ma senza negarne le 'libertates '"(p.332).

Zo werd verkregen dat kanunniken geboortig van Padua moesten zijn, en werd aan de bisschop gevraagd zijn notarissen enkel onder de Paduanen te kiezen; het bureau van de Inquisitie werd erkend, maar men vroeg de rotatie van haar functionarissen elke vijf jaar; er werd gepoogd aan de onderworpen steden Paduaanse bisschoppen op te leggen, enz.

Dat alles belet niet dat er, onvermijdelijk, een soort van lekenstroming tot ontwikkeling kwam, zij het dan in bedekte vorm. We vinden die bv. weerspiegeld in de al vermelde, vergiliaanse mythe van de 'burgerlijke' stichting van de stad door de Trojaanse balling Antenoor, in contrast met de religieuze door de H.Prosdocimus (in deze context was het daarom wellicht geen toeval dat Marsilius zichzelf, in de DP, voorstelt als "Anthenoriede", DP I.1.6, zie Marangon, 1980:328). Nog in dezelfde zin: terwiji in de eerste helft van 13de eeuw de titel van "pater Paduae" nog werd voorbehouden aan heiligen en/of religieuzen (bv. de H.Antonius van Padua), zou in het begin van de 14de eeuw die titel worden toegekend aan een leek, namelijk de (eertijdse) notaris Albertino Mussato. Kritiek op de 'heidense' elementen in zijn gedichten had die zelfde Mussato trouwens geprovoceerd tot

"een radicale verdediging van de klassieke mythologie als belichaming van dezelfde onsterfelijke waarheden als het christendom, met de stelling dat de dichters van de oudheid dezelfde functies hadden uitgeoefend als de theologen" Hyde 1966:299).

Op de ontwikkeling van een lekencultuur komen we zo dadelijk terug.


4.3.3.
Dat er een verband bestond tussen, enerzijds, territoriale expansie en wettelijk offensief tegen magnaten en clerus en, anderzijds, de politieke radicalisatie, vooral vanaf 1293, lijkt erg aannemelijk. Wijzen we er trouwens op dat er m.b.t. die politieke radicalisering parallellen kunnen worden aangewezen met andere communes. Zo kwam er ook in Bologna, in het begin van de jaren '80, een meer radicaal 'populistisch' regime tot stand (zie Martines, p.72). De militie die daar werd opgericht, de "Sociëteit van het Kruis", werd aangevoerd door Rolandino Passaggieri. Deze laatste stond tevens aan het hoofd van... de notarissengilde (hij was sedert een 20tal ja­ren beroemd om zijn Summa Artis Notarie, dat hét standaard handbook werd voor de opleiding van de notarissen). 

Volgens Hyde (1973:168), inderdaad, waren de notarissen, die de ruggegraat vormden van de meeste communale raden, klaarblijkelijk de belangrijkste drijvende kracht achter dit soort van radicale bewegingen in de late 13de eeuw. Ook i.v.m. Padua zijn er, zoals we gezien hebben (cf. supra kap. 4.2.), enkele aanwijzingen die in dezelfde richting wijzen, met name hun oververtegenwoordiging in de "Commissie der XV Gastaldiones", en de leidende rol die een (ex?) notaris als Mussato speelde in de pars Guelpha, in de laatste jaren van de Paduaanse commune (Hyde, 1966:293, veronderstelt dat Mussato, die naarmate hij hoger klom op de sociale ladder een groter misprijzen kreeg voor het juristenberoep, zo vlug als zijn omstandigheden het toestonden, zijn beroep als notaris heeft opgegeven).

Zoals al herhaaldelijk werd opgemerkt, vormden de notarissen één van de belangrijkste pijiers van het communale regime; het lijkt me derhalve verantwoord even nader in te gaan op deze beroepscategorie.

Het notariaat was één van de meest typische en opmerkelijke producten van de heropleving van het recht en de handel in Italië in de 12de eeuw. De notaris duikt op rond 1150, na een lange graduele ontwikkeling, als een volledig toegerust publiek functionaris, wiens instrumenten - gewaarmerkt door zijn stempel en handtekening alleen - door gelijk welke rechtbank op elk ogenblik worden erkend als bindend en rechtsgeldig. Als zodanig droeg de notaris op een onschatbare manier bij tot de kommerciële heropleving. Zoals Hyde (1966:154) schrijft, fungeerden zijn universeel geldige akten "as a kind of international currency which did much to counterbalance the political fragmentation of the time".  Maar hun rol reikte vanzelfsprekend veel verder dan het terrein van de priva­te zakentransacties; zij gingen ook een monopoliepositie verwerven in de uitbouw van een nieuwe publiekrechterlijke orde, in de Italiaanse gebieden:

"over een uitgestrekt gebied van de westelijke mediterrane wereld en het hinterland ervan ging de notariële akte elke andere vorm van wettelijk document in de schaduw stellen, en notarissen monopoliseerden het secretariaat van de kerk en de Italiaanse staten" (ibid.).

Getraind als ze waren in de Latijnse grammatica, de redactie van contracten (met hun bijzondere formules) en de rudimenten van het recht, gingen de nota­rissen een sleutelrol spelen in de opstelling van de constituties en in al het schrijfwerk dat te pas kwam bij de belangrijkste organisaties in de steden:

"ridderlijke verenigingen, gilden, confrerieën en vanzelfsprekend de commune, alle verlieten zich op notarissen. De commune had er een team van: het stelde statuten op, gildeconstituties, verdragen, brieven, kopieën van documenten, circulairen, memoranda" (Martines, 1980:68).

Dus doende, gingen zij ook een kapitale rol spelen in de verspreiding van "literacy" en cultuur onder de leken, cf. Hyde, p. 157: "het bestaan van een talrijk en onderlegd notariaat is evident een factur van het grootste belang in een verklaring voor de opkomst van een lekencultuur in Italië". Op dit aspect wordt teruggekomen, infra, als we het zullen hebben over het "Paduaanse prehumanisme" (voor de eerder dubbelzinnige maatschappelijke status van de individuele notaris, zie supra, kap. 2.2.).


4.3.4.
De komst van Hendrik (VII) van Luxemburg, in 1310, viel in een periode dat er door de interventie van de paus in Ferrara een einde was gekomen aan de jarenlange vereenzelviging van de pars Marchionis en de pars Ecclesiae, en als zodanig aan een coalitie die eertijds gevormd was in de strijd tegen Ezzelino da Romano en die al die jaren aan dit oostelijke deel van Lombardije in het algemeen, en aan Padua in het bijzonder, een mate van rust en stabiliteit had bezorgd. Voor Padua betekende de inname van Ferrara tevens het verlies van haar "grootste bron van kracht, nl. het huis d'Este" (aldus de notaris Matteo Filarolo, op 9 april 1311, op een spoedvergadering van de belangrijkste lokale componenten van de pars Marchionis, cf. Hyde 1966:253).

De komst van de keizer luidde voor de Paduaanse comunanza dan ook de crisisjaren in, die zouden uitlopen op de signoría van de Carraresi. Weliswaar had Padua op dat ogenblik, i.t.t. andere communes, geen Ghibellijnse bannelingen te duchten, maar haar 'Achilleshiel' was het onderworpen Vicenza. De 'bevrijding' ervan, op 15 april 1311, en de aanstelling, begin 1312, van Can Grande della Scala als keizerlijk vicaris over Vicenza deden de Paduaanse Consiglio Maggiore besluiten, tegen het advies in van Mussato, het keizerlijke gezag af te wijzen en de rebellen te vervoegen (Firenze, Bologna, e. a.). Zoals Hyde (p. 256) schrijft, kwam die beslissing tegelijkertijd neer op een oorlogsverklaring aan Can Grande en Verona. Die oorlog zou duren tot 1328 en uitlopen op de definitieve overwinning van Can Grande.

Padua, nochtans, leek in 1312 op het hoogtepunt van haar macht te staan. Toch was ze in haar verweer tegen Can Grande fel gehandikapt. De sociale spanningen die binnen de commune onvermijdelijk ontstaan waren, als gevolg van de toegenomen sociale mobiliteit en de nieuwe bronnen van rijkdom maar die men tot dan toe had kunnen beheersen, kwamen onder druk van de langdurige en succesloze oorlog steeds meer aan de oppervlakte (Hyde 1966:261-262). Tegenover de militaire macht van een alleenheerser als Cangrande - één van de beste "kapiteins" van zijn tijd - werd de commune bovendien gedwongen een machtskoncentratie door te voeren, ten nadele van de traditionele collectieve beleidsorganen. Tenslotte vergrootten de oorlogsomstandigheden intern de macht en invloed van de meer krijgshaftige magnaten en hun militair onderlegde aanhangers. In afwezigheid van een militair opperbevelhebber van zelfs middelmatige capaciteiten, werd het politieke leven van de commune "in toenemende mate gedomineerd door rivaliserende leiders die tegenstrijdige politieken voorstonden, en die, als het nodig was, bereid waren hun rivalen te bedreigen met een burgeroorlog" (Hyde, p.262).

Naarmate de oorlog aansleepte en successen uitbleven, ging de pars Marchionis, die Padua een halve eeuw lang geleid had, uiteenvallen in haar verschillende componenten, d.w.z. de verschillende magnatiale families en hun aanhang (die tot alle klassen behoorden, Hyde, p. 263). De combinatie van, enerzijds, de fysieke uitschakeling van concurrenten (door verbanning, door de oorlog, of door moord: in 1325 werd het jonge hoofd van de Lemici - de laatste pars om nog weerwerk te bieden aan de Carraresi, vermoord door Ubertino da Carrara), en, anderzijds, de toenemende desertie van de grote families, die de zijde van Cangrande gingen kiezen (bv. de Maccaruffi, in 1318, gevolgd door de Estensi; cf. Hyde, pp.269-270, die het, p. 307, niet ondenkbaar acht dat Marsilius' definitief vertrek uit Padua daarmee in verband stond), liet tenslotte de commune onder de uitsluitende controle van de Carraresi.

Laten we snel nog even de voornaamste etapes van deze ontwikkeling overlopen:

-- hoewel Padua sedert 1256 geen noemenswaardige Ghibellijnse fractie meer had gekend, warden, bij het begin van de oorlog, een aantal magnatiale families, die, eventueel om andere redenen, verdacht waren, uit Padua verbannen; daardoor kwamen ze, uiteraard, effectief in het Ghibellijnse kamp te staan;

-- in 1313 werden door een pars Guelpha een aantal institutionele veranderingen ingevoerd, waardoor de macht geconcentreerd wordt in de handen van een kleine groep van overwegend rijke popolani (de Maccaruffi, Polafrisana, Altichini, Da Terradura en Mussato, cf. Hyde, p.265); een poging, echter, om de Carrare­si uit te schakelen, begin 1314, mislukte: gedurende een dag en een nacht van burgeroorlog, in april 1314, haalden de Carraresi, geholpen door "the mob", de overhand op de troepen van de comunanza; de Altichini werden geëxekuteerd, Mussato moest tijdelijk vluchten naar de contado. Hoewel de constitutie van 1392 hierna hersteld wordt, markeerde dit conflict, aldus Hyde, p.266, "the first step in the advance of the Carraresi towards the signoria".

-- I.t.t. de Maccaruffi, die een totale oorlog voorstonden tegen Verona, was Giacomo da Carrara voorstander van een compromisvrede; in september 1314, na een reeks militaire nederlagen, kon hij een eerste vredesovereenkomst doen sluiten met Cangrande; ze duurde tot juli 1317.

-- De tweede vrede die hij met zijn partij bewerkstelligde, in 1318, dwong Padua haar Ghibellijnse ballingen terug op te nemen; na enkele maanden van coëxistentie gingen de Welfen in ballingschap: de Maccaruffi, de Lemici, de Camposanpiero en Mussato. Op die wijze effenden ze de weg voor de verkiezing van Giacomo, op 25 juli 1318, als capitaneus en dominus generalis.

-- Giacomo's signoría, tijdens deweike hij poogde de verschillende fracties met elkaar te verzoenen ("at heart he was a patriot and a man of the commune", Hyde, p.277), duurde, als gevolg van de blijvende druk van Cangrande, slechts 18 maanden. Ten einde beter weerstand te kunnen bieden aan Verona, droeg hij in januari 1320 de signoría over aan Frederik van Oostenrijk, één van de twee pretendenten voor de keizerstitel; bovendien richtte hij een oproep tot de Wel­fen om terug te keren en Padua te helpen verdedigen. Terwijl Mussato inderdaad terugkeerde, stapten de Maccaruffi over naar de vijand. Cangrande's belegeringsleger leed in augustus 1320 een verpletterende nederlaag en als "keizerlijke stad" kreeg Padua een adempauze van enkele jaren.

-- Giacomo sterft in 1324; de moord op Guglielmo Lemici, in 1325, en de verdrijving van diens partij, verplichtten Mussato definitief in ballingschap te gaan (hij sterft in 1329).

-- Giacomo's opvolger, Marsiglio da Carrara, wordt uiteindelijk, in 1328, gedwongen de signoría te aanvaarden onder de voorwaarden die Giacomo geweigerd had: namelijk een satelliet worden van Cangrande en zijn heerschappij vestigen, niet op basis van verzoening, maar op die van de dominantie van zijn eigen pars. Na de verkiezing van Cangrande tot Keizerlijk Vicaris en dominus generalis van Padua, wordt Marsiglio door een resolutie van de Consiglio Maggiore aangesteld tot "capitaneus, protector et defensor generalis", wat bij acclamatie 'bekrachtigd' wordt door de algemene arengo van alle inwoners ("but the electors were hard­ly free agents", Hyde, p.279).

De 'verkiezing' van 1328 betekende het einde van een periode:

"de communale vorm van regering, waarin de executieve strikt ondergeschikt was aan een raad met brede basis, verdween daarmee uit de belangrijkste steden van Noord-Italië. De pars Marchionis, die de stad had bevrijd van de tyran Ezzelino, in 1256, was gedesintegreerd en had zelf een tyran voortgebracht" (Hyde, p.282).

Voegen we aan dit historisch overzicht volledigheidshalve nog toe dat de Paduaanse Carrara signorie, die nooit méér was dan een bufferstaat tussen de Della Scala's en de Visconti's, aan de ene kant, en de Venetianen, aan de andere, haar relatieve onafhankelijkheid nog een 57-tal jaren wist te handhaven. In 1405 werd ze tenslotte ingepalmd door Venetië, "and Padua relapsed into the more tranquil role of the university city of the Venetian state" (ibid.). Op dezelfde bladzijde waarschuwt Hyde er ons nog voor, een al te negatief bilan te trekken op basis van de laatste jaren van de Paduaanse commune:

"Hoewel willekeurig in haar behandeling van onderworpen steden en soms onderdrukkend ten aanzien van degenen die niet tot de popolo behoorden, vertegenwoordigde de Paduaanse commune desalniettemin een merkwaardig experiment en een rekenschap verschuldige regering, met een burgerschap (franchise) dat opmerkelijk breed was voor die tijd. Het kwam ten val, niet door enige inherente zwakte, maar door de spanningen gecreëerd door een lange en hopeloze oorlog. Als kind van gunstige omstandigheden, kon de commune zich niet aanpassen aan de harde voorwaarden van de 14de eeuw".


4.4. De communale cultuur.

De betekenis van de popolo beweging in de Italiaanse stadstaten was niet beperkt tot het politieke, of zelfs het sociaal-economische domein. De rijke popolani deden weliswaar hun best om zo goed mogelijk de levenswijze van de adel na te apen, maar toch had de opbloei van de vita civile ook belangrijke culturele en intellectuele effecten.

Zo kan op het literaire vlak verwezen worden naar de poëtische school bekend als de dolce stil nuovo (cf. Dante, Guido Cavalcanti): met haar adaptatie van de hoofse liefde aan de omstandigheden van het Italiaanse burgerlijke leven moet ze, volgens Hyde (1973:175), beschouwd worden als de karakteristieke expressie van de idealen van het communale leven.

Ook de sociale gedragsregels gingen zich wijzigen (Martines, 1980:81). De 13de eeuw leverde trouwens de eerste gedragsboeken op, geschreven door popolani als Brunetto Latini en Bonvesin de la Riva.[18] Gewoonlijk in versvorm, beoogden ze o.m. het verbeteren van de tafelmanieren, het 'presenteerbaar' maken van de "nieuwe mannen" en hun dochters, en een grotere urbaniteit. Notarissen verzamelden voor de onervarenen gepaste zinswendingen en formules, en poogden aan de popolo een politiek-administratieve opvoeding te geven. Dikwijls vertaalden ze de statuten van communes en gilden uit het Latijn in de volkstaal. Ook het onderwijs werd hier vanzelfsprekend door beroerd:

"De opgang van de popolo introduceerde een eis voor de laïcisering van scholen: voor meer geletterdheid, zoals vereist in commerciële aangelegenheden, en voor nieuw studiemateriaal, zoals rekenkunde voor de boekhouding, en voor een meer op de praktijk gericht Latijn voor contracten en zakelijke transacties. Tegen 1200 overtroffen de niveaus van geletterdheid die van gelijk waar elders in Europa" (Martines, l.e.).


4.4.1. Gold het voorgaande in mindere of meerdere mate voor élke commune waarin de popolo dominant werd, dan lijkt, op het intellectueel-culturele vlak, vooral Padua een bijzondere plaats te hebben ingenomen:

"Méér dan in bijna elke andere stad van die tijd was er in Padua een kenmerkende intellectuele traditie thuis; in sommige opzichten was zij even voortijdig als de constitutie archaïsch was" (Hyde 1966:283).

Het einde van de Paduaanse commune, daarom, betekende niet enkel het einde van een politiek systeem maar ook van een intellectuele beweging. Sommige van de ideeën die er door intellectuelen - vooral door de zgn. "Paduaanse prehumanisten" - geformuleerd werden, vormen een voorafschaduwing van een aantal kenmerken van de Florentijnse renaissance, terwijl andere de wetenschappelijke school anticiperen waarvoor Padua later beroemd zou worden.[19]

Typisch voor de Paduaanse intellectuele traditie was dat ze in de eerste plaats een civiel karakter droeg: de wortels van de specifiek Paduaanse cultuur zijn m.a.w. niet te vinden in de hogere faculteiten van de universiteit (in Italië overwegend praktisch: recht en geneeskunde), maar in de stedelijke annalen en familiegeschiedenissen. Na wat in de vorige bladzijden al opgemerkt is over hun centrale positie, zal het geen verwondering baren dat de Paduaanse geschiedschrijving haar oorsprong had in de administratieve klasse, in het bijzonder bij de notarissen, "de meest talrijke vertegenwoordigers van het nieuwe, stedelijke, geletterde lekendom'' (Hyde 1966:286). Het was vervolgens ook een notaris, ROLANDINO van Padua, die deze lokale geschiedschrijving tot op een literair en intellectueel peil verhief. Opgeleid in de rhetoriek in Bologna, schreef hij in de jaren '60 een kroniek van zijn geboortestad, waarin de tyrannie van Ezzelino centraal kwam te staan. Die zgn. Rolandina"één van de meest geslaagde fusies tussen kroniekmateriaal en de middeleeuwse rhetorische traditie van de scholen" (Hyde, p.288) - ging vlug een deel vormen van de politieke traditie van de commune: op een analoge manier als de volksliederen rond de legende van Ezzelino, hielp ze het politieke ethos handhaven van de herstelde comunanza.

Wat hier voren gezegd werd over de Paduaanse kroniekschrijvers, is ook van toepassing op de Paduaanse "prehumanisten": omzeggens de gehele school is afkomstig uit de administratieve klasse, en de twee leidingevende figuren ervan, LOVATO LOVATI (ca 1237-1309) en ALBERTINO MUSSATO (1261-1329), waren notaris (Lovato later rechter) en politicus. Kenmerkend voor Lovato - "a scholarly rather than an inspired poet", volgens Hyde (p.291) - is zijn opzoekingswerk op het terrein van de antieke literatuur, waarvoor hij ook Karolingische manuscripten ging bestuderen. Dat dit vroege Italiaanse humanisme geïmporteerd zou zijn uit Frankrijk, zoals o.m. geargumenteerd werd door O.Kristeller, Studies in Renaissance Thought and Letters (1956:569v.; zie ook Skinner, 1978:35-37), wordt door Hyde (p.292) ontkend, alleszins wat Lovato betreft. Dezezelfde historicus neemt in de ontwikkeling van de vroege Paduaanse humanistische beweging ook twee fasen waar:

"In den beginne was het een zaak van literaire studies en oefeningen die de het private tijdverdrijf vormden van een kleine groep vrienden; later werden de onderwerpen en interesses veel publieker en politieker" (p.295).

Die wijziging, door Hyde gesitueerd rond 1290, is vooral merkbaar bij Lovato's meest briljante leerling, Mussato. Zijn twee belangrijkste werken, de Historia Augusta en de Ecerinide, die door Hyde de culminatie worden genoemd van de ganse vroeg-humanistische beweging in Padua, dateren uit de periode dat Mussato's politiek engagement het grootst was, 1311-1315:

"hoeveel hij ook te danken had aan de Ouden en aan Lovato, was het zijn rol als Paduaans burger die hem inspireerde tot zijn hoogste verwezenlijkingen" (p. 296).

Dit vroege humanisme nochtans vertoont in de persoon van Mussato nog een opvallend gebrek aan synthese en integratie. Van de klassieke literatuur werd wel reeds de vorm, maar nog niet de (burgerlijke) geest geassimileerd. Achter Mussato's 'klassieke façade' vinden we een geschiedschrijving die nog essentieel middeleeuws is. Even goed als Dante, werd Mussato meegesleept door de 'tover' van de Keizer (Hendrik VII was voor hem de opvolger van Augustus), en was hij niet bij machte een revolutionaire herwaardering te maken van de Romeinse geschiedenis ten gunste van de republiek (Hyde, 1966:301). Anderzijds manifesteert Mussato nog een verregaande gespletenheid tussen de politicus en de literator: ook wanneer hij, ten behoeve van zijn klassegenoten, politiek actuele thema's koos, zoals de tyrannie in zijn Ecerinide, sneed hij zich af van zijn 'natuurlijk' publiek door al te zeer de Ouden te willen navolgen (de gilde van de notarissen moest hem dan ook om een ander werk vragen, dat ze konden begrijpen! - cf. Hyde, p.299). Dat alles belet niet, dat Mussato in 1315 door de commune gelauwerd werd als dichter en geschiedschrijver en uitgeroepen werd tot "pater Paduae" - wat volgens Hyde, p.302, moet beschouwd worden als "het culturele hoogtepunte van de Paduaanse commune".


4.4.2.
We hebben daarjuist al even gealludeerd op Padua's universiteit. Zij ontstond rond 1222, als het resultaat van een "secessio", d.w.z. een migratie van dissidente meesters en studenten uit Bologna.[20] Net zoals in de Bolognese universiteit - waarvan ze feitelijk een 'satelliet' bleef , was ook in de Paduaanse de rechtsgeleerdheid de dominante faculteit. De kloof tussen de juristenprofessoren en de lokale commune (ook met het Paduaanse College van Rechters!) was en bleef groot, niet alleen omdat de professoren wettelijk vreemdelingen moesten zijn (in de praktijk: afkomstig van Bologna), maar ook omdat de Italiaanse universiteitsjuristen te allen tijde zeer academisch van ingesteldheid waren (Hyde, 1966:284). Anderzijds, om rechter voor de commune te worden hoefde men geen universitaire studies gedaan te hebben. Een aantal humanisten gaven dan ook blijk van een uitdrukkelijke antipathie voor de rechtsstudies (cf. Mussato ontraadde ze aan Marsilius).

De bijdrage van de Paduaanse universiteit aan het vroege humanisme moet daarom veeleer gezocht worden op het niveau van de faculteit der Artes. De studenten werden daar niet alleen onderwezen in de grammatica, rhetorica, logica en filosofie, maar ook in de geneeskunde. Er bestond inderdaad een zeer nauwe relatie tussen de Artes en de geneeskunde, zowel op het vlak van het curriculum, als op dat van de academische corporaties (cf. Siraisi, p. 9, 19, 22-26): zo waren de doctores in de Artes en die in de geneeskunde gegroepeerd in hetzelfde Collegio artistarum; dit laatste oefende een verregaande controle uit op alle professoren in de Artes en de geneeskunde en op de ghele "Universiteit van de Artes en de Geneeskunde"; de professoren in de geneeskunde (in onderscheid met die in de rechten) waren tevens lid van de fratalea van de artsen, dus samen met de praktiserende artsen in de stad (zodat ze ook een greep hadden op het verstrekken van de licenties voor de artsenpraktijk).[21]

Die omstandigheden gaven een bijzonder karakter aan de relatie tussen de natuurwetenschap van de Artes, in haar context van aristotelische natuurfilosofie, en de geneeskunde. Studenten in de geneeskunde moesten klaarblijkelijk alle zeven Artes Liberales alsmede natuurfilosofie studeren, net zo goed als geneeskunde; vele doctores waren gegradueerd "in de Artes en de geneeskunde", cf. Siraisi (1973:9):

"Thus at Padua the Faculty of Arts, instead of being, as in the university centers of northern Europe, merely a preparatory stage through which aspirants to the higher faculties must pass, was itself indissoluble linked with a higher faculty, namely that of medicine".

Vanuit deze structurele verbondenheid van professoren in de grammatica, rhetorica, logica, filosofie en geneeskunde werd een belangrijke invloed uitgeoefend op de Paduaanse cultuur in het algemeen. Niet het minst op het gebied van de wetenschappelijke methode die deze professoren, mede in het kader van hun medisch onderzoek, ontwikkelden (zie Marangon, 1977:96 e.v.): het principe van het "naturaliter" te werk gaan in de filosofie, en het methodologisch onderscheid tussen wetenschap en geloof kan bv. teruggevonden worden bij leden van de bedelorden (zo bij de dominikaan Albertus Magnus, die in Padua zou gestudeerd hebben).[22]

Het meest beroemde 'product' van die medisch-filosofische cultuur was natuurlijk PIETRO D'ABANO (cf. reeds supra, kap. 2.1.). Vooral dank zij hem kwam er, in de laatste faze van Padua's communale cultuur, ''de injectie van een wetenschappelijk element in een traditie die tot op dat ogenblik overwegend literair was geweest" (Hyde, p.303).


4.4.3.
Marsilius, zoals in hoofdstuk 2 reeds ter sprake kwam, onderhield nauwe persoonlijke banden, zowel met Mussato, de belichaming van het Paduaanse vroege humanisme en notaris van beroep, als met Pietro d'Abano, geneesheer-filosoof, zoon van een notaris en wiens zoon en neef eveneens notarissen zouden zijn (Hyde, 1966:163). Dat dit méér waren dan vriendschapsrelaties, d.w.z. dat beide figuren ook een essentiële rol gespeeld hebben in Marsilius' intellectuele vorming, lijkt vanzelfsprekend en wordt trouwens bevestigd door de biografische gegevens. De verbinding - het weze gezegd - van een 'notariële' achtergrond met de geneeskunde in figuren als d'Abano en Marsilius was verre van uniek. Er was in Padua een gans milieu "dove si trovano notai figli di medici, medici figli di notai, notai che sono contemporaneamente medici" (Marangon, 1977:95); ook de functie van Marsilius' vader, Bonmatteo Mainardini, als notaris van de universiteit zal voor Marsilius die koppeling vergemakkelijkt hebben.

Het zal duidelijk zijn dat een onderzoek naar de theoretische en ideologische inbreng van dit Paduaanse intellectuele milieu van prehumanisten en geneesheren in de vorming van Marsilius, en, op die manier, ook in de Defensor Pacis, een belangrijk 'cultureel luik' zou kunnen opleveren in de zgn. "Italiaanse interpretatie" (zie hoger, hoofdstuk 1, kap. 1.3.), ter aanvulling van het 'politiek' luik, waarop tot hiertoe de klemtoon is gevallen in de literatuur. Marangon, in zijn artikel Marsilio tra preumanesimo e cultura delle arti, van 1977, levert een belangrijke eerste bijdrage tot het nader identificeren van die Paduaanse culturele komponent in de DP. Hij start daartoe met een opmerkelijke vaststelling inzake de 'autoriteiten' die Marsilius in de eerste paragrafen van zijn traktaat citeert[23]: niet enkel het Cassiodoruscitaat dat Marsilius vooraan zet, maar àlle 'autoriteiten' in die inleiding, met inbegrip van Sallustius en Cicero's De Officiis, kunnen worden terugvonden in het Compendium moralium notabilium van HIEREMIAS van Montagnone, meer bepaald in de rubriek ervan "De tranquillitate populorum", die eveneens geopend wordt met het Cassiodoruscitaat (Marangon, p.91). Deze Hieremias, lid van het Paduaanse College van Rechters, schreef dat werk in Padua tussen 1295 en 1315, In de rubriek in kwestie analyseert hij de oorzaken van tweedracht onder de burgers op basis van boeken IV en V van Aristoteles' Politica (de rechter schreef o.m. óók een Compendium de significatione vocabulorum medicorum, of een "Compendium over de betekenis van medische termen").

Die nauwe overeenkomsten nodigen ons ertoe uit, aldus Marangon, het probleem van de Paduaanse vorming van Marsilius opnieuw te bekijken, en vooral, ons de vraag te stellen 

"of de vriendschap met Mussato geen participatie inhield in de politieke elaboratie van de groep van prehumanisten, bewaarders van de 'ideologie' van de commune en geëngageerd om front te vormen tegen het verval van de stadstaat" (p.93).

Na het overlopen van een aantal raakpunten tussen Marsilius' DP en, vooral, d'Abano en Mussato m.b.t. (1) de "natuurlijke" methode van de filosofie (en dus het methodologisch onderscheid met de theologie); (2) Marsilius' fundering van de soevereiniteit in de universitas civium, en zijn organicistische staatstheorie (ook Marangon, p.101, ziet een "incompatibiliteit" met Marsilius' wisseling van politiek kamp ten gunste van Cangrande, en de ideologische verschuiving van zijn denken in DP II en de Defensor Minor); (3) de noodzakelijkheid van de pax en van de eenheid van het gezag, schrijft Marangon, p. 115, in zijn besluit;

"Il Mainardini apprese dai medico-filosofi molto nozioni particolari e ne assorbi lo spirito naturalistico e radicale; dai preumanisti - che erano non solo notai guidici storici, ma anche uomini politici abituati a cercare le motivazioni immediate delle azione - il metodo storico induttivo e il referimento alle leggi della civitas; dagli uni e dagli altri il concetto e la pratica di una ricerca razionale autonoma non solo dalla teologia, ma anche dalle auctoritas di Aristotele..." ("de Mainardini [i.e. Marsilius] leerde van de arts-filosofen vele bijzondere noties en nam de naturalistische en radicale geest ervan op; van de prehumanisten - die niet enkel notarissen, rechters en historici waren maar ook politici, gewend naar de onmiddellijke motivaties te zoeken van de handelingen - (leerde hij) de inductieve historische methode en de verwijzing naar de wetten van de civitas; van beiden (leerde hij) het begrip en de praktijk van een rationeel onderzoek dat autonoom was, niet enkel t.a.v. de theologie, maar ook t.a.v. de autoriteit van Aristoteles...).

Hij wijst er verder op dat vanuit deze benadering ook licht kan geworpen worden op het zogenaamde 'averroïsme' van Marsilius. Dat IBN RUSHD door Marsilius uitdrukkelijk geciteerd wordt (diens commentaar op een passus in Aristoteles' Metaphysica, DP I.11.3) mag ons alleszins niet overdreven verwonderen, aangezien de filosoof van Cordoba ten minste vanaf het midden van de 13de eeuw 'thuis' was in Padua: "il filosofo di Cordova era conosciuto da tutti e citato comunemente anche dai lettori degli Studi religiosi" (p. 117). Wat anderzijds de karakteristieke thema's betreft van dat marsiliaanse 'averrolsme' - de utilitaristische interpretatie van de religie, het vermelden van de eer en de roem als streefdoel van de politieke leiders, en de theorie van de "generatio aeterna" (I.5.11; 16.14; 17.10), na een vlugge "Rundschau" komt Marangon tot de bevinding dat zij niet enkel een ruime verspreiding kenden, maar dat sommige ervan "sono mediati da una cultura umanistica" (p.118).

Marangons algemeen besluit in dit artikel luidt daarom:

"il nucleo fondamentale del pensiero di Marsilio, la ricerca della pace, possibile solo nella elezione popolare e nell'unità del governo, in un sistema regolato da leggi frutto dell' equilibrio delle componenti sociali, si trova tutto non solo nella cultura dei padovani, ma nella storia stessa della città" ("de fundamentele kern van het denken van Marsilius: het onderzoek naar de vrede, die enkel mogelijk is in de verkiezing door het volk en in de eenheid van het gouvernement, in een systeem dat gereguleerd wordt door wetten die de vrucht zijn van het evenwicht tussen de sociale componenten, is in zijn geheel niet alleen te vinden in de cultuur van de Paduanen maar in de geschiedenis zelf van de stad", p.119) .

Dat dit fundamentele, Paduaanse uitgangspunt in het geval van Marsilius tot een heel andere ontwikkeling heeft kunnen leiden dan in dat van Mussato, moet dan toegeschreven worden aan de snelle evoluties in de politieke context, tussen 1311 en 1320 (ook Marangon, p.119 n.1, wijst op een mogelijk verband tussen Marsilius' politieke keuze en de groeiende desertie van de Paduaanse partijen ten gunste van Cangrande), en misschien bovenal nog aan de nieuwe ervaringen en inzichten die Marsilius verworven heeft in het toenmalige Europese centrum van de scholastiek: de universiteit van Parijs. De assimilatie van de (ook politiek-ideologische) tradities van de scholastiek door Marsilius, en, daarin geïmpliceerd, het verlaten van de tradities van de rhetoriek, die tot dan toe ook de politieke analyse in de Italiaanse stadstaten gedomineerd hadden (zie hierover Skinner, p.27 e.v.), verklaren wellicht in belangrijke mate waarom in de marsiliaanse politieke theorie, met zijn scholastieke vormgeving, de Italiaanse commune in verregaande mate 'onzichtbaar' is geworden. Het heeft er alleszins toe bijgedragen dat zijn werk een meer 'Europees' dan lokaal-Paduaans karakter heeft gekregen. In het hiernavolgende hoofdstuk zal daarom kort op de (politieke) tradities van de Scholastiek worden ingegaan.

_________________________

NOTEN:

[1] Ook J.Quillet 1968 en, vooral, 1970, bespreekt de institutionele ontwikkeling van Padua, maar haar exposé vertoont ook op dit punt een gebrek aan samenhang en klaarheid.
PS De afbeelding reproduceert een zegelstempel van Padua: de inscriptie rondom noemt de Muson rivier, de berg Athes en de zee als de "vaste grenzen" van de stadstaat. Voor de gegevens omtrent de afdruk: klik hier!

[2] Strikt genomen is het onjuist van een 'restauratie' te spreken, aangezien de commune formeel was blijven bestaan onder Ezzelino; maar er was in 1256 hoe dan ook een belangrijke wisseling van 'personeel' en, terwijl Ezzelino in de laatste jaren van zijn heerschappij blijkbaar vooral was gaan steunen op de gilden en ambachtslui, werd in 1256 het aantal leden van de Consiglio Maggiore teruggebracht tot 600, cf. Hyde, p. 208).

[3] De twee soorten van anziani vertegenwoordigden twee vermogenscategorieën, en dus verschillende sociale klassen, zoals blijkt uit de censusvoorwaarden die werden gesteld: de anziani della comunanza moesten "ridder" (miles) zijn, d.w.z. met paard en harnas strijden in geval van oorlog, een belastingsaangifte hebben van meer dan £ 200, en onroerend goed bezitten dat £ 500 waard was; die van de gilden moesten onroerend goed bezitten van £ 200 en een belastingsaangifte hebben van £ 100 (ik neem munteenheid en cijfers over van Hyde). Onder de eerste groep kwamen leden voor van de oude feodale families, ridders en vermogende burgers.

[4] "Unless they happened to be guildsmen, in which case they might exert some influence through their guild and its officials, they were entirely without a voice in public affairs. Generally they were purely passive members of the commonwealth, powerless unless led in arms by the leaders of a faction".

[5] Zie P.Marangon, Marsilio tra Preumanesimo e cultura delle arti, 1977, pp. 110-114.

[6] Hyde, l.c., ziet in deze Consiglio Maggiore het historische model voor Marsilius' legislator; ibid., p. 212, legt hij een verband tussen de comunanza en de pars valentior van Marsilius' universitas civium.

[7] P.Marangon, La teoria politica nella Marca Trevigiana (1980), p. 321, citeert de oorspronkelijke, Latijnse tekst van deze aanhef.

[8] De laatste twee behoorden tot de families van burgerlijke afkomst die opgekomen waren na 1256 (de Lemici met name door de geldwoeker), en die een vooraanstaande rol zouden spelen na 1310, in de oorlog tegen Can Grande, en weerstand bieden aan de Carraresi; deze laatsten zouden uiteindelijk een signoría vestigen.

[9] Cf. Hyde, p.37, die wijst op de voor de handel ongunstige ligging van de stad, op het eerder bescheiden karakter van de industriële ontwikkeling, en op het feit dat ook de activiteiten van de geldschieters/woekeraars, waarvoor Padua in de 14de eeuw berucht was, beperkt waren tot Padua en onmiddellijke omgeving.

[10] De relatie tussen landheer en landbewerker berustte vrijwel altijd op de 'livello', i.e. een geschreven contract (cf. notarissen) dat in theorie een pacht voor 29 jaar, maar in de praktijk een van onbeperkte duur toestond.

[11] Cf. G.Mairet, L'Éthique Marchande, in: Châtelet & Mairet (1978), p. 217: "dans het ch. iv... Marsile fonde une véritable théorie de la justification sociale de l'échange".

[12] Cf. Hyde, p. 216; ook p. 247: "the professional administrators provided the leadership both in the comunanza and among the guildsmen; the common interests of the judges and notaries were a bond which united the leaders of both parts of the comunanza".

[13] Cf. Hyde, p.62: "The Paduan commune was not interested in defining nobility, which uas a matter of reputation and prestige, but only with naming those who, through their preponderant power in the city or a part of its territory, consti­tuted a danger to its public authority". Er werden in de praktijk regelmatig lijsten opgesteld met de namen van personen en hun families die als "magnaat" gekwalificeerd werden. Zo geeft een statuut van 1278 een lijst met de namen van personen uit een 20tal families,"but there is no guaran­tee that the list is complete" (Hyde, p.63). De klassering van iemand als "potentior" was uiteraard een politieke kwestie, en als zodanig een reflectie van "the obscure shifts of power uithin the communal government" (ibid.).

[14] Zie in het algemeen ook Larner, 1980:118 e.v., die erop wijst dat het de communes er in de eerste plaats om te doen was, het traditioneel gewelddadig optreden van de adel een halte toe te roepen.

[15] Gewirth, 1951:2627. Quillet, 1964:193, citeert, zij het zonder preciese verwijzingen, reeds een decreet van 1279, van de podestà Jacopo Goncolini, waarin dezelfde boete gestipuleerd wordt voor manslag "in persona alicujus eoclesiasticae personae"; de motivatie ervan luidde: "quod statum factum fuerat propter multa et enormia scelera quae committebantur per clericos, de quibus nulla fiebat justitia per Episcopum paduanum". Over deze problematiek zie ook P.Marangon, 1980:326v., die verwijst naar L.A.Botteghi, Clero e comune in Padova nel secolo XIII, in: Nuovo archivio veneto, n.s.9 (1905), pp. 215-230.

[16] Cf. ook Hyde 1966:308: "The Paduan commune had reached a working compromise with its clergy about the year of Marsiglio's birth, so this conflict, which never really threa­tened to overthrow the state, is unlikely to have made a deep impression on him". Hyde hecht veel meer belang aan de pauselijke militaire interventie in Ferrara, in 1308, die een slag betekende voor de tranquilitas van NoordoostItalië.

[17]  Marangon, l.c., wijst erop dat men die traditionele libertates niet had kunnen afschaffen zonder tegelijkertijd politieke rechten te geven aan de clerus; aangezien het aantal clerici meer dan 5% van de actieve bevolking bedroeg, zou dat het maatschappelijke evenwicht in het gedrang hebben gebracht.

[18] Bonvesin de la Riva, ca 1250 - ca 1314, was een Milanees 'meester in de grammatica'; Brunetto Latini, ca 1220 - 1294, was een Florentijn, zoon van een notaris en zelf ook opgeleid als notaris, zie Martines,, 1980:155-167.

[19] Zie Hyde, l.c.; ook Martines, p. 281; Skinner, p.38; vooral P.Marangon, Alle origini dell' aristotelismo padovano, sec. XII-XIII, Padua 1977. Galileo Galileï, bv., heeft in Padua zijn theorieën ontwikkeld; ook Copernicus studeerde er aan de universiteit (geneeskunde en astrologie), etc.

[20] Zie nu Nancy G.Siraisi, Arts and Sciences at Padua. The Studium of Padua before 1350, Toronto 1973. Over het mechanisme van de 'secessio', bij het ontstaan van nieuwe universiteiten, zie op deze site.

[21] Over de artsengilde zijn er voor de communale periode weinig of geen gegevens, wellicht mede wegens het klein aantal leden ervan (de census van 1320, die 264 notarissen vermeldt, geeft slechts 17 medici). Als geschoold beroep stond de gilde, zoals die van de notarissen, boven de 'mechanische gilden', en de leden ervan genoten enkele voorrechten (ze moesten bv. geen eigendomsbelasting betalen). Toch kwamen de artsen niet uit de leidende Paduaanse families; evenmin slaagden ze erin een fortuin te verzamelen. Dat geldt ook voor de professoren, hoewel zij een salaris ontvingen van de commune (in het geval van Pietro d'Abano £ 500 per jaar). Zie Hyde 1966, pp. 175-178.

[22] Zie Marangon, p.98. Naas de notarissen-humanisten en de geneesheren-filosofen speelden de bedelorden een belangrijke rol in het cultureel conglomeraat van de communes. Zo was de productie van politieke traktaten in de Marca Trevigiana, begin 14de eeuw, aanvankelijk uitsluitend het werk van leden van de bedelorden: de fraciskaan Paolino da Venezia, de dominikaners Enrico da Rimini, Guido Vernani, Bartolomeo Capodilista van Padua, e.a. Zie Marangon, 1980:318-319.

[23] Over de rol van de "auctoritates" in middeleeuwse, scholastische traktaten, zie de syllabus, "Filosofie als Ambacht", op deze site.

• Marsilius-Index • CIE-Index • Filosofieën-Index •

Update: 4 juli 2008