HOOFDSTUK 1:
HET
"MARSILIAANSE LABYRINTH"
Mocht de waarde en betekenis van een
filosofische tekst recht evenredig zijn met de mate waarin hij
aanleiding gaf tot controversiële en uiteenlopende (zelfs
tegenstrijdige) interpretaties, dan zou Marsilius', begin 13de eeuwse, Defensor
Pacis
(voortaan: DP) zeer zeker tot één van de belangrijkste en
invloedrijkste moeten worden gerekend ("a massively
influential text",
Brett), binnen het West-Europese ideologische erfgoed.
De
interpretaties, inderdaad, die omtrent dit uitvoerige werk ontwikkeld
werden, zijn zó talrijk
en zó divergerend dat
althans de moderne literatuur eromtrent het predicaat heeft ontvangen
van "Literatur-Labyrinth".[1]
Damiata, in een andere beeldspraak, bestempelt de DP als "een
raadsel dat
geen oplossing heeft gevonden" (ibid.).
De
meningsverschillen worden onvermijdelijk vaak op een erg polemische
toon geformuleerd,[2]
en ze betreffen zowel het globale opzet van het werk als de
afzonderlijke stellingen die erin geformuleerd worden.
1.1. De
problemen beginnen nog vóór
de lectuur van het werk
zelf, met de kwestie van het auteurschap:
is de DP door Marsilius alléén geschreven,
of, zoals de Romeinse Curie het meende, samen door Marsilius' vriend en
medestander, de ons voor de rest vrij onbekende Johannes DE JANDUNO (was
een canon van Senlis na 1306 en schreef enkele filosofische commentaren
op Aristoteles)? Nà de veroordeling van de DP sloegen ze
in elk geval ook sàmen op de vlucht uit Parijs. Anderzijds, indien
Marsilius, zoals
nu vrij
algemeen aanvaard wordt,[3]
de énige auteur was, dan nóg
blijft de vraag, in welke mate hij werd bijgestaan
door Johannes: gebeurde dat bv. enkel in diens aanbrengen van
aristotelisch materiaal, of ook via de introductie van concrete
stellingen?
De vraag inzake de eenheid van auteur
herhaalt zich, d.w.z. neemt concrete vormen aan, zodra de structuur
van de DP wordt bekeken: het boek valt inderdaad uiteen in twéé
hoofddelen -
Dictio Prima (d. I) en Dictio Secunda (d.
II), plus nog een soort van appendixachtig aanhangsel (dictio
III) - die
een groot onderling verschil vertonen in stijl, argumentatiewijze,
thema's en stellingnames. Zijn die verschillen groot genoeg om aan twéé
auteurs te denken, of handelt het slechts om schijnbare tegenstrijdigheden?
Anderzijds, indién dan moet geconcludeerd worden dat de DP "van
het eerste tot het laatste woord" door éénzelfde auteur,
Marsilius, is geschreven (Scholz, loc.cit.), wààr
ligt dan het
zwaartepunt van het werk: in de politiek-theoretische
beschouwingen van d. I of, zoals de meeste pausen
nadien alvast meenden (zij lazen nóóit
het tweede deel - Brett, 2005:xvii), in de ecclesiologische en
evangelische argumenten en polemieken van (het langere) d. II?
En wat met d. III - dat niet echt een geslaagde conclusie lijkt? En hoe
moeten de "schijnbare contradicties" (Gewirth,
1979:23) onderling verzoend worden? Enz.
1.2.
De
probemen
nochtans die zich stellen rond het auteurschap zijn maar 'klein bier' -
zoals die uitdrukking in het Vlaams gebezigd wordt - in
vergelijking met de
inhoudelijke moeilijkheden, in de eerste plaats wat de opzet en de
(historische, filosofische, theoretische, ideologische...) betekenis
betreft van de DP in zijn
globaliteit. De sterk uiteenlopende, zo al niet
tegenstrijdige stellingnames hieromtrent in de moderne literatuur
kregen hun uitdrukking in een grote divergentie aan alvast
'modernistisch' klinkende thesissen.[4] Zij kunnen daarom
gemakkelijk worden samengevat binnen een aantal antitheses,
zoals
- 'modern'
versus 'middeleeuws';
- 'revolutionair' versus 'traditionalistisch';
- 'democratisch/republikeins'
versus
'totalitair/despotisch/absolutistisch/oligarchisch/imperialistisch'...
- 'aristotelisch/rationalistisch/laïciserend'
versus
'christelijk/religieus/integristisch'...
Bij dat
alles moet worden opgemerkt dat zulke grote divergentie niet alléén te
verklaren is vanuit de uiteenlopende ideologische vooropstellingen en
belangen van de moderne interpretatoren (zij spelen ongetwijfeld mee:
vergelijk met de appreciaties van de oud-Griekse sofistiek): maar zij
is óók uitdrukking van een reële
complexiteit en
ambiguïteit in het marsiliaanse exposee. Zoals Damiatia het formuleerde
(1983:1):
"zonder
overdrijven kan men bevestigen dat
elke afzonderlijke stelling die (in de DP) naar voor wordt gebracht,
vatbaar lijkt voor een dubbele en tegengestelde lectuur".
Laten we de belangrijkste antitheses snel
overlopen.
1.2.1. Tal van commentatoren
verkondigen op een of andere wijze de moderniteit
van de DP:
"Marsilius
has been hailed as the great prophet of modern times",
stelt Gewirth vast.[5] Zelf
oordeelt hij in het woord vooraf van datzelfde werk (p. ix): "Marsilius...
is one of the few truly revolutionary figures in the history of
political philosophy"; en in de inleiding van zijn vertaling
(Gewirth 1956:xix) aarzelt hij niet de subversiviteit van
diens theorieën te vergelijken met die van... het marxisme.
In
het kader van zulke 'pro-modernistische' benadering werd Marsilius in
de moderne literatuur afgeschilderd als de voorloper van omzeggens élke
belangrijke politieke theoreticus: Machiavelli (bien sûr), Hooker,
Bodin, Hobbes, Locke, Montesquieu, Rousseaux en Marx (verwijzingen bij
Gewirth 1951:4-15).
Lijnrecht tegenover dit front,
evenwel, wordt door andere auteurs juist het 'middeleeuwse' karakter
van de DP benadrukt, en wordt ontkénd dat het werk enige
'revolutionaire' betekenis zou hebben gehad. Zo schrijven de historici
van het westers politieke denken, R.W. en A.J.Carlyle, in hun
handboek, A History of Mediaeval Political Theory in the West
(Edinburgh 1903-36), vol. VI, p. 9:
"(Marsilius)
is not, as appears to be thought by some writers who are not very well
acquainted with medieaeval political literature, setting out some new
and revolutionary democratic doctrine, but is rather expressing, even
if in rather drastic and unqualified terms, the normal judgment and
practice of the Middle Ages: he represents not the beginning of some
modern and revolutionary doctrine, but the assertion of traditional
principles".[6]
Ook één van de belangrijkste Marsiliusspecialisten
van het
laatste kwart van de 20ste eeuw, Jeannine Quillet,
bekende zich tot het 'middeleeuwse kamp': hoewel de DP haars inziens
een belangrijke getuige vormt van de evolutie van de maatschappelijke
en politieke ideeën op één van de keerpunten van de middeleeuwen, gaat
het onder alle opzichten toch om een 'middeleeuws' werk:
"elle ne constitue en aucune façon une
rupture
radicale avec la pensée qui la précède" (1970:17).
Indién het werk dan al de weg opent naar "une
certaine modernité", dan heeft die haars inziens niet verder
gereikt dan de 16de eeuw (1968:47).
1.2.2.
Ook inzake de
politiek-ideologische opstelling van de DM werden
tegengestelde standpunten ingenomen.
Marsilius'
vereenzelviging van de 'legislator' met de 'universitas
civium', of de 'populus'; zijn funderen
van
alle politieke gezag in de wil van de burgers, enz.: tal van lezers
hebben eruit besloten dat het Marsilius erom te doen is in de DP, de
fundamentele principes van de
democratie en de volkssoevereiniteit
te verdedigen.
Zo
reeds Battaglia (1928), die in de DP een geniale
anticipatie vond van de moderne democratie; nog vroeger, 1882, vond
Labanca
er zelfs het hedendaagse socialisme in aangekondigd; de franciscaan
Damiata
(1983:281 en partim), vervolgens, stoot bij Marsilius op dezelfde
democratische conceptie als bij Ockham, "het zij dan met
alle beperkingen die het democratieconcept inhoudt voor een middeleeuws
denker".
Ook Gewirth
neemt een dergelijk standpunt in, alleen prefereert hij de notie van "republicanisme",
omdat ze ruimer is dan die van
"democratie".[7] Gewirth's
overtuiging dat Marsilius uitdrukking geeft aan het republikeinse libertà-ideaal
(popular sovereignty)
van de Italiaanse republieken van de 12de en de 13de eeuw, heeft na het
midden van de vorige eeuw vooral in de Angelsaksische literatuur ingang
gevonden. Zo bij Ullmann (1975) en natuurlijk ook bij Skinner, 1978,
vol. I, p. 64:
"As Prévité-Orton originally observed,
the result is a general account of the constitutional procedures
actually in operation in the surviving City Republics of Marsiglio's
own time".
Ronald Commers,
1982:58, vindt in de communis opinio
"de in een democratisch-republikeinse
toonaard
gestelde verdediging van het onafhankelijke en autonome wereldlijke
gezag, tegen de keizer, maar eveneens en uiteindelijk belangrijker
tegen de paus...".
Andere
interpretatoren, dan weer - hoeft het gezegd? - aarzelen geen minuut om
een
dergelijke gezindheid van de zijde van Marsilius radicaal te verwerpen.
Pierre Mesnard
(1936:9) stelde al eerder vast dat de 'pars principans', zodra
aangesteld door de 'legislator', de vollédige
organisatie van en controle over de civitas op zich
neemt. Marsilius - de organicistische analogie volgend van Aristoteles:
civitas=corpus - vergelijkt de rol
ervan met die van het hart in het lichaam.[8]
Het is o.m. haar taak de bevolking te spreiden over de verschillende
functionele partes
waaruit het "corpus civile"
moet samengesteld zijn. Verder stelde Mesnard daaromtrent vast:
- dat zulks weliswaar gebeurt op
basis van ieders natuurlijke capaciteiten, maar klaarblijkelijk
zonder mogelijkheid van beroep vanwege de individuen;
-
dat àlle
aspecten van het maatschappelijke leven georganiseerd worden door het
éne, centrale gezag, zonder dat er plaats lijkt te zijn voor
improvisatie of persoonlijk initiatief;
- dat
Marsilius het wel voortdurend heeft over het "algemene
welzijn", maar zo goed als nergens over de persoonlijke
aspiraties van de burgers, enz., enz.
Deze en andere (misschien wat anachronistische)
constataties deden Mesnard in de DP de eerste radicale theorie lezen
van... de totalitaire
Staat! Ook
de Braziliaanse rechtshistoricus, J.P.Galvâo de Sousa,
beschouwde de transfert van de pauselijke plenitudo
potestatis naar de legislator humanus,
en vandaar naar
de keizer, als een (verre) aanloop naar het moderne totalitarisme (van
de Sovjetunie).
Tenslotte kantte ook Quillet
zich tegen de democratisch-republikeinse interpretatie: verre van de
ideoloog te zijn van de republikeinse libertà, ontwikkelt
Marsilius zich haars inziens, doorhéén de DP (d. I en d. II), tot de ideoloog en apologeet van de
Roomse keizer (Gewirth identificeert dit als de "Romanistische
thesis"). Anders gezegd, volgens Quillet verdedigde Marsilius
"één van ergste conformismen van de late
Middeleeuwen", de
imperiale ideologie. Dat gebeurde op een ogenblik dat het imperium, op
het politieke terrein, weinig meer was geworden dan een mythe. Quillet
karakteriseerde haar interpretatie zélf als: "réformatrice,
oligarchique, et, pour tout dire, anti-démocratique"
(1970:19). Marsilius met andere woorden doet niets méér, haars inziens,
dan de bestaande maatschappijorde
herinterpreteren: van die sociale orde aanvaardt hij de
fundamenten maar de actuele organisatie ervan wil hij omkeren, namelijk
door de geestelijke macht te onderwerpen aan de wereldlijke.
PS Deze interpretatie kan onder meer een
beroep doen op de vaststelling dat Marsilius de verwijzing naar de "universitas
civium" regelmatig laat opvolgen door de relativerende
toevoeging: "sive valentior eius pars". Dit "belangrijkste
deel", dat in de plaats kan treden van de gehele gemeenschap
en derhalve die gehele gemeenschap doeltreffend kan "vertegenwoordigen",
kàn begrepen worden in de (aristotelische) aristocratische betekenis
van "noblesse". Wat méér is, Marsilius heeft het
niet enkel over een machtsdelegatie aan die "valentior pars",
maar
ook aan één
persoon, sc. de keizer. In het latere Defensor
Minor worden "legislator humanus" en
keizer zelfs zonder meer
vereenzelvigd met elkaar.
1.2.3. Zoals andere
geletterde Paduanen - noemt Marsillius zich een "Anthenorides"
(I.1.6), d.w.z. een afstammeling van de heidense, Trojaanse prins Antenoor,
die samen met Aeneas naar Italië vluchtte en er Padua stichtte (volgens
Vergilius' Aeneis, I, vv. 242-249) [8bis]:
"En aldus, met aandacht voor en
gehoorzaam aan de hogere gegegeven wijzing van Christus, de heiligen en
de filosofen, ik, een zoon van Antenoor..." [richt zich
enkele regels verder tot keizer Ludwig]...
De combinatie van christelijke en 'heidense'
autoriteiten moge hierbij eveneens opvallen. Een andere wezenlijke
controverse daarom betreft de
houding van de Paduaan ten
aanzien van religie,
meer in
het bijzonder het christendom en de in het Westen
geïnstitutionaliseerde vorm ervan: Kerk en paus.
Voor een
aantal commentatoren was Marsilius' positie t.a.v. de religie wezenlijk
vijandig en antagonistisch, maar hulde hij zich conformistisch in een
religieuze dekmantel. Verder is er (a) de wijze waarop hij het
maatschappelijke leven koppelt aan "wereldlijke"
doeleinden; (b) zijn Kritias-uitgangspunt dat godsdiensten
gecreëerd werden als een "truuk" van de wijzen of
filosofen, ten einde de mensen ook in hun privé-leven tot moreel gedrag
te brengen; (c)het feit dat hij de christelijke clerus omzeggens op
hetzelfde plan plaatst als de cultusbedienaren van de andere "wetten"...
Dit en ander materiaal zou de conclusie wettigen, niet dat Marsilius
als een regelrecht ongelovige, maar toch als een religieus scepticus mag of
moet worden beschouwd.[9]
Aan Marsilius'
'aristotelisme' moet in dat geval ook een
levensbeschouwelijke draagwijdte worden toegekend: zoals
Pighius hem reeds in de 16de eeuw voor de voeten werpt, "homo
magis Aristotelicus quam Christianus"! Anders gezegd, in
bewust verzet tegen het nog hegemonische christendom van zijn tijd, zou
Marsilius de "burgerlijke" en "wereldlijke"
mens- en maatschappijvisie van de oude Stagiriet hebben willen
doorduwen. De
marsiliaanse civitas krijgt daarmee als het ware de
allures te krijgen van... een eerste 'lekenstaat', voor dewelke religie
hooguit een middel kan zijn, een "instrumentum regni".[10]
De Lagarde, die het gehele
derde deel van zijn trilogie, La naissance de l'esprit
laïque, aan
Marsilius en diens DP wijdt (2e éd., 1948), kant zich weliswaar tegen
de rationalistische interpretatie maar ziet in Marsilius toch één van
de voornaamste bewerkstelligers van het laïciseringsproces in de late
middeleeuwen.
Een imponerende, architecturale uitdrukking van
en
bijdrage aan dit communale en civiele 'rationalisme', een bouwwerk
gestart vanaf
1218,
wordt vanzelfsprekend geleverd door het nog in al zijn glorie
pronkende, Paduaanse "Palazzo
della Ragione" (voor
enkele treffende foto's alvast van
buiten- en binnenzijde - met bv. het gigantische houten paard, dat
echter
niet Donatello's is; en met aan de houten wand twee eerder zeldzame,
intacte astrologisch-astronomische cycli... - zie Sebastiano
Scatto,
2003:4-5 en 34-39.
Tegelijkertijd is er nog Marsilius' stelling
(maar die we eigenlijk al bij Augustinus vinden, in diens discussies
met de donatisten) dat geloof niet zozeer een kwestie is van uiterlijk
gedrag maar
van innerlijke overtuiging;
en dat het dus vanuit religieus
oogpunt geen zin heeft te pogen mensen door fysiek en ander geweld tot
het praktisch naleven te brengen van de geboden en het aankleven van de
orthodoxie -
"want
degenen die op die wijze gedwongen worden, zouden door zulke dwang
helemaal niet naar hun eeuwige zaligheid vooruitgeholpen zijn" (d.
II, 5.6).
Het is een standpunt waarvan
het verleidelijk (!) is het te evalueren, al was het maar in aanleg,
als
een principiëel pleidooi voor de vrijheid
van geweten en voor
verdraagzaamheid. We moeten echter de beperkingen inzien
van dergelijke principiële pleidooien voor gewetensvrijheid. Zie reeds
Augustinus, die ondanks zijn filosofische principes finaal aan het
katholieke keizerrijk, in diens strijd tegen de Noord-Afrikaanse
donatistische scheurkerk, aanbeval: "compelle/coge intrare!
Dwing ze binnen te komen!" Dat principe van doorvoering van
de pax catholica zou vanaf dan algemeen van
toepassing blijven in de r-k kerk - tenminste, zolang de kerk over een
doelmatige 'wereldlijke arm' kon beschikken.[10bis] Voor Marsilius, nog, zie
ook II, 10.3.
Tegenover die
'rationalistische/secularistische' strekking, echter, moeten
we eens te meer een quasi tegenovergesteld pleidooi inzake de DP
plaatsen. Het werd
vanaf het midden van de 20ste eeuw vooral vanuit Duits-protestantse hoek
ontwikkeld, met verdedigers als Hashagen (1941), Heckel (1958) en
Segall (1959). Die auteurs kanten zich tegen wat zij bestempelen als
een "tendentieuze modernisering en een arbitraire actualisering"
van de marsiliaanse' tekst.[11]
Huns inziens is de DP het werk van een overtuigd christen, die
in tal van passussen "een duidelijke katholieke
geloofsbelijdenis aflegt" (De Lagarde, ibid., p. 29). Hij
kant zich wel heftig tegen de misbruiken, corruptie, hebzucht,
verrijking, enz.
vanwege paus en clerus maar hij wil wel het essentiële van de
christelijke
boodschap behouden.
De sleutel tot de 'geheimen' van de DP moet dus niet gezocht worden in
een ideaal van het "wereldlijke leven", maar binnen
een religieus protest dat
op zijn manier reeds de Reformatie van de 16de eeuw aankondigt, of zou
aankondigen.[12]
In dat verband wordt Marsilius' "aristotelisme" meer
schijn dan werkelijkheid genoemd.[13]
Wat
Marsilius' zogenaamd pleidooi voor de vrijheid van geweten betreft,
dient er huns inziens op gewezen te worden dat het Marsilius niet te
doen is om (kritiek op) de toepassing van geweld in geloofskwesties op
zich, maar om
misbruiken. Meer in het bijzonder wil hij (huns inziens) het recht op
bestraffing van ketterijen onttrekken aan de geestelijkheid en
overdragen aan de wereldlijke heerser. Het feit dàt een dergelijke
inbreuk op het ware geloof een maatschappelijke correctie vereist, is
voor Marsilius net zo evident als voor ieder van zijn tijdgenoten;
alleen, is het z.i. het
politieke, niet het geestelijke gezag, dat
daartoe de jurisdictie betreft, zie II. 5.7:
"met deze overwegingen willen wij
geenszins zeggen
dat het ongepast is dat ketters, of wie op een andere manier ongelovig
is, gedwongen worden maar (enkel) dat de autoriteit daartoe - wanneer
het
legitiem is dat te doen - uitsluitend bij de menselijke wetgever ligt".
Hiermee althans wijkt Marsilius niet ver af van de
praktijk in
de middeleeuwen: zodra het kerkelijke tribunaal van de Inquisitie
iemand gevonnist had als 'ketter', werd hij of zij overgedragen aan de
de 'wereldlijke arm' (bv. ook van de stadsrepubliek) om zijn of haar
'rechtmatige straf' te ondergaan.[14]
1.3. De
politiek-theoretische analyses en beschouwingen van eerdere,
scholastische aristotelici zoals Albertus Magnus of Thomas van Aquino
schenken weinig of geen aandacht aan de concrete,
politiek-maatschappelijke actualiteit. In contrast daarmee valt de DP
op door de uitdrukkelijke bekommernis van de auteur ervan om in die
maatschappelijke realiteit
in te grijpen. Met zijn DP beoogt hij uitdrukkelijk
politieke acties mogelijk
te helpen maken. Zie bv. de inleiding van de slotparagraaf van d. I
(kap. 19 § 13 - ik vertaal uit Brett):
"En aangezien deze verderfelijke
plaag, die zo fundamenteel vijandig is jegens alle menselijke rust en
geluk, bij machte is om - vanuit het gif van dezelfde wortel - alle
andere gebieden te besmetten van christelijke gelovigen in deze wereld,
beschouw ik het van de allereerste noodzakelijkheid om haar terug te
slaan, zoals ik in de inleiding zei. Vooreerst door de vernoemde opinie
te ontmaskeren als de wortel van voorbij en toekomstig kwaad en
vervolgens, indien noodzakelijk, door de aanhangers of bedenkers ervan
(of ze nu onwetend zijn of onbillijke en obstinate verdedigers ervan)
te bedwingen door externe actie...".
Daarmee
in overeenstemming is het gegeven dat de tekst tal van verwijzingen
naar en allusies op de politieke realiteit bevat. Zo komen bv. ter
sprake: Ludwig van Beieren; paus Johannes XXII; de taxatiepolitiek van
koning Filips de Schone en diens strijd tegen paus Bonifatius VIII,
enz. Het is bijgevolg niet louter retorisch dat onze auteur een beroep
doet op de "rerum experientia magistra", d.w.z.
ervaring en proefondervindelijkheid, als "leermeesteres der
dingen".[15]
In dit opzicht neemt de DP wel degelijk de vorm aan van "een
monumentaal strijdschrift" (Sternberger, 1981:6).
Des te curieuzer moet het worden genoemd dat het
niet direct duidelijk
is wélke politieke entiteit of structuur door de
marsiliaanse
civitas a.h.w. gethematiseerd wordt: de Noord-Italiaanse
stadsrepubliek? het opkomende, nationale koninkrijk, zoals Frankrijk en
Engeland? of bovenal, misschien, het Duitse Roomse Keizerrijk (dat, de
iure, universeel was)?
Vooral sedert
C.W.Prévité-Orton (bv. 1935:149), is de zogenoemde
"Italiaanse interpretatie" (uitdrukking van Sternberger)
in deze kwestie omzeggens de communis opinio geworden.[16] Met
name bij Angelsaksische historici vindt zij traditioneel verdedigers.[17] Zo ziet
bv. J.K.Hyde - zowel in zijn boek over Padua zelf: Padua in
the Age of Dante. A Social History of an
Italian City State (1966), als in zijn algemene studie: Society
and Politics in Medieval Italy
(1973) - in de DP de (meest radicale) theoretische analyse van de
Commune:
"So far as
the principles of secular government were concerned, Marsiglio remained
indelibly marked with the creed of the Paduan commune in which he had
been brought up; he was one of the last as well as the most able
defenders of the living ideals of the free Lombard communes before they
were submerged by the ideology of the signoríe".[18]
Uit de lectuur van de DP, nochtans, blijkt dat
directe
verwijzingen naar de Paduaanse toestanden, of naar gelijkwelke
Noord-Italiaanse commune überhaupt, bijna volledig ontbreken. Bovendien
wordt een
regelrechte vereenzelviging van Marsilius' 'civitas'
met de
stadsrepubliek bemoeilijkt door het gegeven dat onze auteur vrij
stelselmatig de Latijnse term 'civitas' - waarmee
bv.
in Willem van Moerbekes Aristotelesvertalingen het centrale Griekse
woord polis is vertaald - laat vergezeld gaan door
de term "regnum", "rijk". Uit de manier waarop dat
gebeurt ("civitas seu regnum", regnum aut civitas"...),
kan worden opgemaakt dat Marsilius ze als synoniemen beschouwt.
Sluit Marsilius zich met dit woordgebruik al bij
al gewoon aan bij de
traditie - àlle voorgangers, te beginnen met Thomas, maakten gebruik
van de uitdrukking "civitas seu regnum"?[19] Of zou
hij in deze context het woordje
"regnum" op een volledig
nieuwe,
zelfs "volledig unieke" wijze gebruiken?[20]
Het kan in elk geval niet ontkend worden dat zijn bijzondere aandacht
uitgaat naar het "regnum": niet voor niets start
hij zijn theoretische uiteenzetting met een overzichtje of lexicon van
de
verschillende gebruikswijzen van het woord (I.2).[21]
De Italiaanse auteur van een algemene studie over
Marsilius, Carlo Pincin
(1967), meent dat ons dit moet doen besluiten dat
"de beperking (sc. van Marsilius'
prototype tot de
Commune) in de tekst zelf niet aanwezig schijnt te zijn".[22]
Vooral Dolf Sternberger
zélf heeft in zijn publicatie van 1981 de "Italiaanse
interpretatie" op de meest resolute manier afgewezen. Zijns
inziens gold Marsilius' belangstelling nauwelijks de
stadstaat, maar was zij in hoge mate' gericht op het "Rijk":
"Der ganze politischo-publizistische
Eifer deses
Autors gilt dem 'regnum', gilt dem Verständnis, der Konstruktion, der
autonomen Rechtfertigung und der geistigen Stärkung der weltlichen
Regierungsgewalt im Reich" (ibid., pl. 13).
Zijn inspiratie, aldus Sternberger, haalde
Marsilius niét in
de Paduaanse Comunanza, maar geheel en al bij
Aristoteles. Méér nog, de reëel-historische overeenkomsten tussen
de oud-Griekse
πόλις
(polis)
en de Italiaanse stadstaat zouden zelfs als "zuiver toevallig" te
beschouwen zijn .[23]
Aristoteles leverde aan Marsilius 'gewoon' het theoretische model met
behulp
waarvan hij de eigentijdse problemen te lijf wou gaan:
"Kort
geformuleerd, de civitas
van Marsilius is éénduidig de 'polis' van Aristoteles - weliswaar
onvermijdelijk niet begrepen als een historische verschijning en
beschrijving, maar als een waarheidsgetrouwe filosofische
wezensbestemming" (p. 13).
Nog
altijd volgens Sternberger, gaat het Marsilius erom het theoretische
model van de antieke stad toe te passen op de politieke realiteit van
het "rijk":
het Imperium Romanum zowel als de particuliere regna: Francia,
Brittania en misschien vooral het zgn. regnum Italicum. Dààrin ligt
de historische vernieuwing, de 'breuk' met de eraan voorafgaande
traditie:
"Daarin, dat het rijk opgevat en
ook omgeduid is naar de wijze van de stad - zodanig dat
de 'onderdanen' van het rijk 'cives',
"burgers", worden - ligt
de grote vernieuwing en de blijvende verdienste van dit klassiek werk
van de politieke filosofie" (flaptekst).
Dat
alles betekent dat de toevoeging door Marsilius van de term "regnum" aan de
klassieke "civitas", verre
van banaal te zijn (zoals De Lagarde e.a. het willen), doorslaggevend
is
voor de actualisering, en zo ook concretisering van deze
staatsconstructie (Sternberger, p.45). De gecombineerde
uitdrukking, "civitas
et regnum", krijgt bijgevolg een sleutelfunctie
voor het goed-begrijpen van de marsiliaanse politieke theorie:
"De uitdrukking 'civitas et
regnum' is centraal en kan in haar betekenis nauwelijks overschat
worden; het geheim van de marsilische theorie van de politiek ligt erin
besloten". (p. 16)
Tenslotte,
moeten we nog even opmerken (met Sternberger, p. 41) dat Quillet in
deze een "tweeslachtige"
positie inneemt. Weliswaar rekent zij Marsilius, zoals gezegd, tot de
ideologen van het keizerrijk, maar het belet haar niet om haar studie, La Philosophie de Marsile de
Padou, aan te vatten met een beschrijving van de
Paduaanse commune, en de ontwikkeling ervan naar een signoría. Het is
precies die historische evolutie die ze weerspiegeld ziet in de
theoretische verschuivingen, binnen de DP, van d. I naar d. II.[24]
1.4.
Tot hier enkele van de opvallendste
tegenstellingen op het
gebied van de globale interpretatie van DP.
1.4.1.
Andere,
meer omschreven problemen betreffen vragen als:
--
kan Marsilius beschouwd worden als een verdediger van een echte
'sociaalcontracttheorie' (zo Grignaschi, 1955), namelijk in de mate dat
hij ontstaan en eenheid van de civitas
terugvoert op een
wilsakte van de mensen; dan wel moet hij veeleer als een
'naturalist' worden beschouwd ("de
mens is van nature...", Aristoteles)?
--
Essentieel aan
'wet' en 'recht'
in hun éigenlijke betekenis is voor
Marsilius de "potestas
coactiva" - d.w.z. hun reële afdwingbaarheid b.m.v.
straffen e.d., resulterend uit hun afkondiging door het burgerkorps:
moeten we hem daarom beschouwen als een
rechtspositivist (zo o.m.
Gewirth, 1959:90 en 134; andere verwijzingen bij Damiata, 1983:5 n.
11)?
Of wordt hiermee enkel gewezen op een conditio sine qua non, en blijft
voor Marsilius de inhoudelijke eis gelden van een
(inhoudelijke) overeenstemming met de ideeën
van rechtvaardigheid en waarheid, en met name met de lex evangelica?
Voorschriften die daarmee strijdig zijn, mogen dan niét opgevolgd
worden (zie II, 5.4).
-- Marsilius toont zich blijkbaar de verdediger
van... een 'handelaarsideologie'. Deze laatste ziet in het maken van
winst een morele dimensie op basis waarvan zich een verband kan
vestigen van algemene sociabiliteit. Wel, volgens Mairet
(1978:216-217), kan Marsilius vandaag gelezen worden in het licht van
dergelijke (liberale) positie dat wat goed is voor de handelaar, goed
is voor iedereen:
"il est très remarquable de voir ce
théoricien de la société civile non pas, certes, faire l'apologie du
marchand, mais assigner comme finalité de l'organisation civile des
hommes la bonne marche des échanges, pour déduire de là la nécessité de
la puissance politique du prince".
Het uitschakelen van schaarste en behoefte,
dankzij de handel, realiseert het "zelfsufficiënte"
en (dus) het "goede leven". Marsilius leest dat
natuurlijk al bij Aristoteles (zie DP, I.5), maar het krijgt bij hem
een - wij zouden zeggen - meer 'materialistische' teneur;
met vandaar een grotere aandacht voor handel en handelaar.
-- Controverse: Is de marsiliaanse mens- en
maatschappijvisie finaal bepaald door een aristotelisch
optimisme:
de mens heeft een natuurlijke drang tot samenleven; de natuur zorgt
ervoor dat het menselijke streven naar autarkie of vita sufficiens,
het bene vivere,
daadwerkelijk realiseerbaar is - in de polis? Dan wel door een
augustiniaans
pessimisme:
de (postzondeval) mens is een zondaar en recht en politiek
hebben in de eerste plaats een repressieve functie; het is dus de beul
die de menselijke samenleving 'recht houdt', enz.?[25]
Als voorlopige commentaar herinneren we aan wat
eerder opgemerkt werd: dat
de bestaande, verregaande divergenties in de Marsiliusinterpretatie
binnen bepaalde grenzen kunnen verklaard worden vanuit de structuur van de
DP (cf. Quillet, 1968:34). Zoals gezegd, immers, valt het werk uiteen
in twee erg verschillende delen. Naargelang van de (interesses van de)
onderzoeker en naargelang daarin de voorrang wordt gegeven aan dictio I
óf dictio II, krijgen we
interpretaties ontwikkeld die
- de betekenis
van de DP op het politiek-theoretische
vlak situeren, én tevens doorgaans kiezen voor het éérste lid dan de
supra opgesomde antitheses: d.w.z. 'modern',
'democratisch-republikeins'...
-
of we krijgen interpretaties die in de DP bij voorrang een
ecclesiologisch, godsdienstig-reformatorisch traktaat ontdekken, en
vandaar het 'middeleeuws', 'christelijk' en 'keizerlijk-absolutistisch'
karakter beklemtonen.
1.5.
Er is nochtans niet enkel
het (interne) probleem van de
verhouding tussen d.
Prima en d.
Secunda: willen we tot een
verantwoorde, historische interpretatie komen, dan moeten we
evidenterwijze ook rekening houden met de externe
conxtext
waarbinnen de DP tot stand kwam.
1.5.1. Vooreerst
zijn er de gegevens die ons verstrekt worden door het leven en werk van
Marsilius zelf. Zo dadelijk zullen we daarop uitvoeriger ingaan, maar
in het kader van deze interpretatie willen we toch al wijzen op de
volgende twee moeilijkheden waarmee de democratisch-republikeinse
interpretatie geconfronteerd wordt: nog vóór het opstellen van de DP
trad Marsilius voor enkele kortere periodes in dienst van de twee
Noord-Italiaanse signori:
Can Grande
della Scala, alleenheerser van Verona, en Matteo Visconti (Milaan). Zij
voerden de 'Ghibellijnse' of 'keizerlijke partij' aan in Italië en
stonden tevens (vooral
de
eerstgenoemde) bijzonder vijandig ten aanzien van de Paduaanse
commune. Nà
de DP, werkte Marsilius actief mee aan de 'Italiaanse
expeditie' van Ludwig van Beieren - een militaire actie die niet enkel
gericht was tegen de paus maar die ook de zoveelste poging vormde om de
republieken in het Noorden weer onder het politiek-militaire gezag te
brengen van de keizer en zijn tussenpersonen. Zo had ze met name de
definitieve
overgave voor gevolg van Padua aan... Can Grande.
Gewirth
1951:21 erkent zelf dat het belang van Marsilius' 'carrière' gelegen is
in
het licht dat ze werpt op diens "praktische
interpretatie van de betekenis van zijn traktaat". We
kunnen echter niet loochenen dat die 'praktische interpretatie'
problemen
stelt voor Gewirth's interpretatie (1951:29-30 tracht hij er zich nog
van af te maken door van "paradoxen"
te gewagen, maar dat lijkt nauwelijks te volstaan).
1.5.2.
Er zijn ook de latere Opera
Minora. Met name Quillet hecht groot belang aan de
gegevens die erdoor verstrekt worden. Onder meer in het De Translatione Imperii
schrijft Marsilius zelf dat het zijn bedoeling is het bestaan van het
Imperium Romanum als historisch fenomeen te justifiëren en de
legitimiteit ervan aan te tonen - met de toevoeging dat het om
een vervolg gaat
van de DP. In dit laatste werk, aldus Marsilius, was de wijze waarop het
Romeinse keizerrijk zich georganiseerd heeft, theoretisch
geanalyseerd[26].
Wel
dient te worden opgemerkt dat die latere teksten tot stand kwamen in
een volledig verschillend milieu (het keizerlijke hof, met actieve
aanwezigheid van bv. ook de franciscaan Willem Ockham); en dat zij
uiteraard ook mee bepaald
zijn door Marsilius' ervaringen sedert zijn vertrek en vlucht uit
Parijs, de Römerzug, enz. Het moet ons daarom
misschien toch wel enige vraagtekens doen
plaatsen bij de probleemloze theoretische continuïteit waarvan Quillet
uitgaat.
1.5.3. Zoals al eerder
opgemerkt, valt het
Marsiliusdebat ook in de 2Oste eeuw op door zijn extreme partijdigheid.
En zoals reeds aangestipt, heeft die situatie ongetwijfeld
ook veel te maken met de ideologische geladenheid van het onderwerp -
ook vandaag (vanaag meer dan ooit?). Zij drukt evenwel ook een reële
complexiteit
uit
van het
marsiliaanse exposee, en die laatste is gedeeltelijk ongetwijfeld mede
een gevolg van de
subjectieve beperkingen van Marsilius als theoreticus
en als auteur:
vrijwel
iedereen is het erover eens dat er heel wat aan te merken valt op de vorm van de DP:
langdradig en omslachtig; te lange zinnen, te veel herhalingen (vooral
in d. II);
gebrekkig organisatie en methode; inconsistenties tussen d. I en d. II,
enz.
De Lagarde 1970:49 wijst ook
op intellectuele
tekortkomingen. Zijns inziens hebben we te doen met "un empirique, beaucoup plus
qu'avec un penseur soucieux de porter une idée à la plénitude de son
développement... L'auteur, dont il est peut-être excessif de faire un
penseur et un philosophe... " (p. 57 en 53,
sic). Maar
laten we ons misschien hieromtrent wat terughoudend opstellen. De lezer
van
de DP wordt wel degelijk ook geconfronteerd met een
(positieve) "conceptuele
complexiteit". In dit verband onderscheidt Gewirth
(1956:xxx)
drie basisthema's: een 'rationalistisch', een
'positivistisch' en een 'voluntaristisch thema. Hij presenteert
ze achtereenvolgens onder de hoofdingen: "(1) Reason and human values",
"(2) Conflict and coercive power", en "(3) Will and popular
sovereignty". Als zodanig, meent Gewirth, moet
Marsilius gewaardeerd worden als uitdrukking van de reële complexiteit
van de historische situatie, in de beginjaren van de 14de eeuw.
Verderop
zal nader ingegaan worden op die historisch-maatschappelijke context.
Voorgaande stelling, echter, impliceert dat de vraag, welke
politiek-ideologische betekenis te hechten aan Marsilius' DP, slechts
een déélaspect is van de
algemene vraag, hoé de historische
ontwikkeling zelf van middeleeuwen naar moderne tijden vanuit
politiek-idologisch oogpunt dient geïnterpreteerd worden te worden.
Wij
noemen onszelf (meer dan ooit!) graag 'erfgenamen van de
Verlichting'. Vanuit die positionering zijn we spontaan geneigd de
overgang naar de moderniteit te evalueren in termen van 'ontvoogding' -
sc. van het individu, van de menselijke rede, mensenrechten, enz., enz.
Veel oog voor de negatieve, historische ontwikkelingen (racisme,
antisemitisme,
kolonialisme, totalitarisme, judeocide, ...) wordt hierbij niet altijd
gehad. We
prefereren daarom een meer kritische benadering, zoals te vinden bij
Commers (1982:54). Zij houdt in dat het bij die overgang in de
allereerste plaats ging om het doordrukken van "(een) onder de Staat
gesubsumeerde maatschappelijke ordening en rationalisatie van het
openbare leven" (m.o.).
'Rationalisatie',
dus, in de (vroeg) weberiaanse zin van het woord: de feodale
samenleving, in de verschillende ritmes van de regio's waar zij zich
had doorgezet en met een afgenomen rol (cf. de Honderdjarige
Oorlog en de Vrede van Munster, 1648) van de centrale religie, d.w.z.
het katholicisme, wordt nu,
nogmaals op een gedifferentiëerde wijze, opgevolgd door de creatie van
(telkens) één,
gecentraliseerde, efficiënt (i.e. burokratisch) georganiseerde en
zichzelf legitimerende staatsmacht. In de mate dat die ontwikkeling
gepaard gaat met
"de al of niet gedwongen
homogeneïsering
van
de ondergeschikte bevolking - wat een radicale
onderdrukking en uitroeiing vergt van 'afwijkende' sociale en culturele
patronen en attitudes", [27]
is er
derhalve sprake van een
groeiende macht van mens over mens.
De
creatie van nieuwe, 'rationele' beheerstechnieken ging noodzakelijk
gepaard met de vorming van een middellaag van intellectuelen. Die
ontwikkeling ging al van start in de middeleeuwen - naarmate relikwieën
aan directe functionaliteit verloren (zie nog het symbolische belang
vandaag van de
beenderen van Sint-Pieter, onder het Vatikaan). Die nieuwe
(kerkelijke) intellectuelen - het zgn. scholium
- waren het product van de 'Gregoriaanse Hervormingen', in de Kerk
(paus Gregorius VII, 1073-85). Zij
traden daarbij in een soort van concurrentieslag met het sacerdotium (de
'relikwiebeheerders'), ofte de 'priesters-medicijnmannen', die nu in
toenemende mate afunctioneel zouden worden (cf. het groeiend belang van
kanoniek en Romeins recht, naast de Artes, enz.).
Zie hierover mijn syllabus "Filosofie als Ambacht",
op
deze site.
Mogelijk,
echter, zondigt ook dergelijke benadering door eenzijdigheid, en
verdient het de voorkeur te pogen aan béide invalshoeken
van de historische ontwikkeling recht te doen, als keerzijdes van een inherent contradictorisch
proces. Habermas' notie van de "dialectiek van de vooruitgang" kan
daarbij misschien nuttig zijn. Zie zijn Zur Rekonstruktion des
historischen Materialismus, 1976:180. Hij heeft het daar
(als voorbeeld) over de overgang van een verwantschapssysteem naar een
politieke
klassenmaatschappij:
"Ondanks (de) vooruitgang
[sc.
het verwerven van nieuwe bekwaamheden om problemen op te lossen],
moeten in vergelijking met de veel onbeduidender ongelijkheden die het
verwantschapssysteem toestaat,
de uitbuiting en onderdrukking, die in de politieke
klassenmaatschappijen noodzakelijk
uitgeoefend worden, tegelijkertijd als een achteruitgang geappreciëerd
worden.
Ook de doelstellingen
en uitdrukkingsvormen van Marsilius' DP zouden dan in hun (blijkbaar
onoverkomelijke)
ambivalentie historisch althans 'begrijpelijk' worden.
_____________________________________
NOTEN:
[1]
H.Segall, 1959:1, geciteerd bij Damiata, 1983:1.
[2]
Bv.
Sternberger, 1981:35, over Gewirth: "Selten hat sich wohl ein
Forscher so weit verrannt"; Pincin, 1967:62 n.13, over
Segall: "questa ricerca mi sembre un esempio di vasta
informazione... e di singolare incomprensione"...
[3]
Zie Scholz,
1932:lii.
[4]
Vergelijk ter illustratie titels van bijdragen zoals: "Republicanism
and absolutism in the thought of M. of P.", van Gewirth
(1979); "Democrazia o totalitarismo in Marsiglio da Padova", van
Piaia (1976)... Een hier minder bekend historicus, de Brit
F.J.C.Hearnshaw, in zijn lezingenreeks, The Social and
Political Ideas of Some Great Mediaeval Thinkers, London
1923, p. 171, stelde daartegenover nuchter vast: "Language
has sometimes been used about the DP which implies that the book did
not really belong to its time and was, in some obscure sense,
unmediaeval. Such language seems to me grotesquely false... The (...)
appearance (of the book) in 1324 is in no way whatever surprising: some
such book was, I think, bound to appear just about then... If the year
1324 belongs to the Middle Ages the book was certainly thorough
mediaeval".
[5]
1951:4. In zijn
Marsiliusartikel, in de Encyclopaedia of Philosophyy
(ed. P.Edwards), vol. 5 (1967), p. 167, bestempelt Gewirth zelf deze
evaluatie als "understandable".
[6]
Geciteerd
bij Gewirth, 1951:5 n. 13, samen met andere verwijzingen.
[7]
In contrast
met democratie, laat
zij wél ongelijkheid toe inzake participatiegraad e.d.
[8]
Dergelijke
machtsdelegatie zou de cives a.h.w. tot
privépersonen maken: tot wat Hegel later "bourgeois"
(in onderscheid met "citoyens") zou noemen. In de
tegenstelling tussen de pars principans, die alle
politieke macht monopoliseert, enerzijds, en de burgers, anderzijds,
lijkt het moderne onderscheid tussen de staat (de "société
politique") en de "société civile" reeds
in de kiem aanwezig. Zie Berti, 1979:180v.
[8bis]
In de de 13de werd een lijkkist gevonden in een
marmeren tombe; ze werd onmiddellijk (en tot vandaag) 'geïntegreerd'
als de "tombe van Antenoor". Zie hierover, met
foto's, Sebastiano Scatto, Padua.
City of Art and Light
(2003), pp. 72-73.
[9]
Zie bv.
Gewirth 1951:166, waar hij het heeft over "religious
indifference"; ook Battaglia, Passerin d'Entrèves 1939;
Checchini 1942; Dethier 1977; e.a. [Kritias was een oom van Platoon,
lid van de Dertig Tyrannen na Athenes nederlaag, en wordt gewoonlijk
als sofist beschouwd - wat hij strikt genomen niet was (hij was een
rijk aristocraat). Voor de overgeleverde fragmenten, zie
H.Diels-F.Kranz, Fragmente der Vorsokratiker,
Dublin 1952, vol. II; het betreft hier fr. D-K 88B25, uit Kritias' Sisuphos
Saturikos].
[10]
Deze visie vinden we o.m. in François Châtelet (dir.), Histoire
des Idéologies, vol. 2 (Paris 1978): "De L'Église à
l'État du IXe au XVIIe s.: ch.4, L'ordre nouveau,
4.: La genèse de l'État laïque: de Marsile de Padoue à Louis
XIV, par Gérard Mairet, pp. 292-293: "...La cité
pour Marsile de Padoue est, de part en part, terrestre...".
[10bis]
Over die op het eerste gezicht paradoxale, intrinsieke band tussen
rationalisme en... autoritaire intolerantie, zie mijn bijdrage,
"Rationaliteit en racisme: het Griekse model", in W.A.Shadid
& P.S. van Koningsveld (red.), Religie, cultuur en
minderheden (Tilburg 1999), pp. 102-114 (ook op deze
site).
[11]
Gecit. bij De Lagarde, vol.
III, 1970³:27.
[12]
Zie Heckel's artikel, "Marsilius
von Padua und Martin Luther" (1958). Voor een reactie hierop
vanuit een andere hoek, zie Skinner, 1978:19. Hij gewaagt er van een "remarkable
'Lutheran' vision of the powers and jurisdictions which Marsilius
thinks it legitimate to claim on behalf of the clergy and the Church".
[13]
Grignaschi 1955:331: "(une) apparence aristotélicienne".
[14]
Dat het
Marsilius, vanuit dit perspectief, inderdaad om een 'christelijke' veeleer
dan om een 'lekenstaat' te doen is, blijkt ook uit het koppelen van het
"volmaakt"-zijn van de communitas
aan het "gelovig"-zijn van legislator
en pars principans, zie bv. II, 17.1.
[15]
Zie bv.
II, 21.9 en 12 (vgl. ook met II, 18.2: "disciplinarum
experientia magistra").
[16]
Verwijzingen bij
Sternberger, 1981:118-124.
[17]
Bv. door Gewirth, bv.
1951:28. Zijns inziens, echter, treedt er binnen het werk, in d. II,
een verschuiving op ten gunste van het vorstelijke absolutisme: "The
'pars principans' of the first discourse is the republican 'podestà' of
Padua and the ruler of the Aristotelian polity; but in the second
discourse he is frequently the king of France or the Holy Roman
Emperor".
[18]
Hyde 1973:193. Vgl.
natuurlijk ook o.m. Skinner, 1978:53 n. 1: "... I take
Marsiglio's main aim in the First Discourse to be that of analysing and
seeking to vindicate the form of popular sovereignty embodied in such
Italian City Republics as his native Padua".
[19]
In tegenstrijd met zijn
voorgangers, zoals Thomas en Aegidius. Hén was het er enkel om te doen
Aristoteles' genealogische reeks van huis-dorp-stadstaat aan te vullen
met het "rijk"
als territoriale staat (hoewel Aristoteles zelf reeds "ethnos",
of "ethnie", als een -
minderwaardig - territoriaal alternatief vermeldde, Pol.
I.2). Marsilius daartegenover gaat voor een eigen definitie
van "regnum",
als: "commune quiddam ad omnem regiminis temperati speciem"
(I.2). Hierin wordt het
constitutionele element ontwikkeld: het regnum is wat
gemeenschappelijk is, niet aan alle civitates, maar
aan alle constituties die gemàtigd zijn
van karakter - zodanig
dat civilitas-regnum
en civilitas
met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. Zie ook Berti, 1979:169;
Sternberger 1981:16.
[20]
De
Lagarde, III, pp. 84-91.
[21]
Zie Gewirth, 1951:117 en
126-127; en 1956, p. lxxvi-lxxix, p. 8. n. 2; Berti 1979:170, sluit
zich daarbij aan, wegens het feit dat Marsilius niet enkel 'civitas'
en 'regnum' met elkaar 'vereenzelvigt' maar beide
ook nog eens identificeert
met 'civilitas', of (in het Grieks) "politeía"
- d.w.z.
het
Griekse 'politieke regime'.
[22]
Pincin,
o.c., pp . 57-58; gecit. bij Sternberger, 1981:14.
[23]
Sternberger, o.c., p. 36.
[24]
In Jeudy-Quillet, 1979:27, dan weer, komt zij tot een evaluatie die de
Sternbergerse zeer nabij komt: "L'originalité de Marsile de
Padoue est de défendre l'Empire en 'bourgeois' des Communes".
[25] In
de
confrontatie, in d. II, tussen wereldlijk en geestelijk gezag is
er, zoals gezegd, een duidelijke verschuiving vast te stellen ten
nadele van de universitas
civium en ten gunste van de (alleen)heerser: vgl.
formuleringen als
"humanus fidelis legislator superiore carens", "supremus legislator",
"universalis legislator fidelis", in Dictio II,18.8, die
naar het Romeinse keizerrijk lijken te verwijzen; in 21.2, gaat
Marsilius zover om - door een lapsus? - naar Keizer Constantijn (zgn.
de Grote) te
verwijzen als
"legislator".
[26] Quillet 1968:45: "Dans
son esprit, le Defensor Pacis est l'exposé rationnel et normatif de
l'organisation de l'Empire romain, tant sur le plan de la raison et de
l'expérience (Prima Dictio) que sur le plan de la Révélation (Secunda
Dictio)".
[27]
Commers 1983:8 (op basis
van Wallerstein).
|