1.Wereldbeeld en Wetenschap
Het bilan van de
Arabische wetenschap wordt, zoals dat van de antieke, doorgaans gemaakt
vanuit een modern-wetenschappelijk oogpunt. Dat bij dergelijke
appreciaties het gevaar van anachronisme, zo al niet van etno- of
eurocentrisme, bijzonder reëel is, hoeft nauwelijks gezegd. Interessanter
lijkt het, vanuit een besef van de historische afstand te pogen de
specificiteit en eigen wetmatigheid van het klassieke
Arabisch-islamitische denken recht te doen. Tot de vele zinvolle
zaken die Mohammed Arkoun te vertellen heeft, in zijn weliswaar erg
beknopte "Introduction
à la pensée islamique classique",
behoort zeker de opmerking dat we het "rationalisme", "de
observatie" en "de experimentele geest" van de Arabische
wetenschap nooit los mogen zien van de
mentale context waarin ze zich
gemanifesteerd hebben en waaraan ze hun functie en draagwijdte te danken
hebben:
"overhaaste
gelijkstellingen met de moderne feiten kunnen slechts aanleiding geven tot
arbitraire waardeoordelen over «de mislukking», de «limieten», de «inconsequentie»,
enz. van het middeleeuwse intellect"[1].
Één van de belangrijkste, zoniet de allerbelangrijkste pijler van "le
contexte mental" van de middeleeuwse filosofie en wetenschap in het
algemeen, en van de Arabische in het bijzonder, was ongetwijfeld het geo-
en antropocentrische wereldbeeld dat overgenomen werd van de oudheid[2].
In dat wereldbeeld - sedert
Copernicus
en
Newton
zijn we er
in verregaande mate van vervreemd[3]
- werd de natuurlijke werkelijkheid ervaren, of beter: geconstrueerd, als een "kosmos", d.w.z. als een "mooie orde", waarin alles zijn
plaats, zin en
bedoeling had[4],
én tegelijkertijd als een rationeel, levend wezen,
d.w.z. beschikkend over intellect, (be)ziel(ing) en lichaam en tot in zijn
kleinste onderdelen doordrongen van geestelijke krachten[5].
De organische
eenheid - dus de
schoonheid en harmonie, het volmaakte evenwicht (summetria, ictidâl)
en de rechtvaardigheid (cadl) van de natuur (phusis,
al-tabîca) berustten op een allesomvattende, goddelijke
(eventueel: door God ingestelde),
hiërarchische orde.
Die orde was vooreerst van fysisch-kosmologische aard. In de kosmografie
ervan cirkelden rond de (sfeervormige) aarde als hun middelpunt, op
concentrische sferen, de zeven planeten[6]: Maan, Mercurius, Venus, Zon, Mars, Jupiter, Saturnus; het
sferisch complex werd om- en
afgesloten door het "firmament", d.w.z. de sfeer van de vaste sterren[7].
De belangrijkste interne scheidingslijn binnen dit kosmische organisme werd
gevormd door de maansfeer.
Het ondermaanse was de wereld van de phusis in de strikte zin
van het woord, als het domein van de (rechtlijnige) "beweging" en
"verandering". Fysisch was die ondermaanse natuur
opgebouwd uit de klassieke vier zogenaamde "elementen": vuur, lucht, aarde en
water. Elk beschikkend over een "natuurlijke beweging", waren
deze elementen nochtans zelf nog herleidbaar tot combinaties van vier
tegengestelde "kwaliteiten"
of vormen:
"het droge",
"het vochtige", "het warme" en "het
koude"[8].
Die actieve "vormen", die ontvangen of gedragen werden door een
louter passieve, "primaire stof" of materie (prima
materia, al-awwal al-mâdda)[9],
manifesteerden zich bovenal als een tegengesteld oerpaar: het
warme-droge, i.e. "vuur", versus het koude-vochtige, i.e.
"water"[10].
Elk natuurlijk wezen - als een "lichaam" (sôma,
corpus, jism)
samengesteld uit "vorm", of "watheid" (Ar.
mâhîyah), en "stof" - streefde naar verwerkelijking
van die vorm of essentie, en dus naar
vervolmaking. - De
bovenmaanse planeten- en sterrenhemel, daartegenover, als de wereld van de
cirkel- en sfeervormigheid, wàs
die volmaaktheid. Zij bestond, althans in de aristotelische
traditie, uit een superieur, "vijfde element" (de latere, zgn.
"quintessentia"),
nl. de aithèr
(Ar. athîr)[11].
Maar
behalve die
- in se
statische - fysische structuur, was de kosmische orde tevens een
dynamische, metafysische
zijnsorde. God - d.w.z.
"het Ene" (Ar.
al-wâhid), "het Eerste" (al-awwal), "het Eerste
Principe" (al-mabd' al-awwal), "de Eerste Oorzaak" (al-sabab
al-awwal), enz. - was het absolute en unieke startpunt
"van een hiërarchie
die rigoureus gecommandeerd werd door de noties van processie [of
emanatie, uitstroming] (Plotinos)[12]
en van causaliteit (Aristoteles)"[13].
Hemellichamen,
intellecten, zielen, geesten[14] en ondermaanse, lichamelijke wezens (met de mens als een soort van
tussen- of grenswezen: cf. zijn intellect), vormden alle samen "one great chain of
being"[15],
als zovele momenten van een universeel
emanatieproces. Hierin
was het "hogere" telkens weer de zijnsgrond voor het "lagere", en,
omgekeerd, trachtte het "lagere" zich voortdurend te herenigen met het
"hogere". Elke vorm van "leven", van activiteit of zelfs maar
van "er-zijn" (Dasein), van de natuurlijke wezens - mensen, dieren,
planten, tot de stenen en metalen toe - drukte in wezen een opwaartse beweging uit,
naar de hogere zijnsgrond[16].
De ouden en de middeleeuwers leefden aldus in een wereld
"die, bovenal een
wereld van essenties was"[17]. Alle wezenheden, anders gezegd, bezaten innerlijke "naturen", of
complexen van kwaliteiten, die hun "watheid", d.w.z. hun wàre "wezen" uitmaakten.
Die "essenties" waren geen louter conceptuele, abstracte
entiteiten, maar bestonden realiter. Hoewel "verborgen",
of "occult", nl. voor de leken of profanen, konden, en werden ze door de
Wijze ontdekt, en konden en wérden ze als "geheime"
of "occulte wetenschap"
overgedragen, sc. aan een élite van geprivilegieerden of ingewijden[18]. In overeenstemming met die innerlijke "essentie", was aan alle
natuurlijke fenomenen ook een status of waarde ("goedheid/waarheid")
toegewezen, die de uitdrukking was van hun plaats op de "chain of being"
- d.w.z. van hun (ontische) afstand tot het Opperste Principe (dat ook
"het Goede",
Grieks: to agathón, Ar.
al-mahd, sc. in absolute zin, genoemd werd). Net zoals de fysische kwaliteiten en fenomenen, hadden bijgevolg ook waarden als goedheid,
waarheid, perfectie, enz. een objectief of ontisch
statuut: "een wezen kon goed zijn, niet gewoon in de functionele
betekenis van goed voor een bepaald opzet, maar in een absolute
zin"[19].
De totaal vormloze "primaire materie", daarentegen, die op een
extreme afstand van het Eerste Principe stond, was "niet-zijnde",
en als zodànig "slecht".
De eerste taak, hier, van de mens - zelf een mikrokosmos, of "wereld-in-het-klein"
- bestond er niet in, de makrokosmos te domineren of technisch te
exploiteren, maar wel die wereld in haar zijns- en waardeorde te contempleren en, vooral, te
imiteren. 's Mensen
wezen, immers, berustte op dezélfde hiërarchische orde, en derhalve diende
ook bij hem het hogere, d.w.z. het geestelijke, te heersen over het
lagere, d.w.z. het lichamelijke. In die context had de studie en
contemplatie (theoria) van de sterrenhemel, d.w.z. de astronomie,
als primaire motivatie het nabootsen en reproduceren - wij zouden
zeggen: interioriseren - van de kosmische rationaliteit binnen ons zelve[20].
Voorwaarde daartoe, evenwel, was dat wij onze (rationele) ziel zoveel
mogelijk bevrijdden van haar bindingen met de aardse zintuiglijkheid en
stoffelijkheid (al-mâdda). Behalve morele ascese (praxis,
camal), vereiste dat bovenal een langdurige, intellectuele
en wetenschappelijke opleiding (tot de theoria, nazar).
Het curriculum ervan constitueerde de "filosofie" in de omvattende
zin van het woord. Pedagogisch-intellectueel "opstijgend", van de propedeutische en de
mathematische, over de fysische naar de metafysische wetenschappen, stelde
die studie de mens in staat, die zijnsorde zelf geestelijk te beklimmen, als was ze een soort van "ladder"[21].
De contemplatio Dei en de geestelijke gelukzaligheid (eudaimonia,
al-sacâda) waren hiervan de ultieme bekroning; in
zoverre zij enkel voor de filosoof weggelegd waren, realiseerde deze
laatste de ultieme menselijke natuur. In het kader, weliswaar, van
de aan de mens opgelegde nabootsing van de kosmische orde, diende die
"opstijging" eventueel haar dialectisch pendant te krijgen in een
nieuwe "neerdaling", sc. in de maatschappelijk praxis[22].
Van hieruit fungeerde de kosmische orde dan als natuurlijk fundament
voor de maatschappelijke orde en de ethiek[23].
|
|
2.Wereldbeeld en Menselijke Kunst
De (hiërarchisch-organische)
eenheid van de werkelijkheid
fundeerde dus zowel 's mensen hoogste, geestelijke finaliteit als zijn
moreel en maatschappelijk "in-de-wereld-zijn"; anders gezegd, zowel zijn[24]
"theoria"
als zijn "praxis", zijn "schouwen" als zijn "handelen"[25].
Maar er was méér: ze leverde tevens de mogelijkheidsvoorwaarden - en dus
ook de limieten - voor het menselijke, technische "kunnen" en
"maken", d.w.z. voor "technè"
en "poièsis",
als activiteiten van nabootsing en vervollediging of verbetering van de
natuurlijke orde[26]. Belangrijk hierbij was dat de mens zich niet geconfronteerd wist met een
levenloos, a.h.w. fysisch-chemische "het" - zoals dat in de moderne
wetenschap en technologie het geval is -, maar met een levende "Gij",
die evenzeer als hijzelf doordrongen was van geestelijke krachten die
aanhoudend naar vervolmaking streefden. De mens kon, eventueel door magie,
pogen die levende krachten te manipuleren of controleren. Een fenomeen als het
magnetisme bv. bij gesteenten en metalen werd verklaard als de werkzaamheid van een occulte
"kracht" (Ar.
khâssa), en tegelijkertijd werd het als bevestiging gebruikt
voor de stelling dat àlle
natuurlijke entiteiten en fenomenen zulke krachten bezaten[27]. Deze leer van de occulte eigenschappen der dingen zou vandaar a.h.w.
"een
rode draad trekken doorheen de islamitische natuurwetenschappen;
tegelijkertijd rukt ze die wetenschappen in de buurt van de magie"[28].
Het basisprincipe bij dit alles was dat van de "sympathie" (Gr.
sumpàtheia)[29],
zelf gebaseerd op de veronderstelde macht van de "gelijkendheid".
Anders gezegd, "gelijkend" en "ongelijkend" leken bijzondere
vermogens te bezitten, gebaseerd op het simpele feit van gelijk(end)heid en
ongelijk(end)heid. Zaken die op elkaar geleken, werden "fysisch" tot
elkaar aangetrokken, d.w.z. deelden een reële, onderlinge affiniteit voor
elkaar. Teruggaande op primitieve voorstellingen, lag dit principe
van "het gelijke naar het gelijke" ook al ten grondslag aan de
Griekse natuurfilosofie[30]. Het vertolkte zich vooral in twee complementaire principes: "het gelijke
brengt het gelijke teweeg", en "het gelijke werkt op het gelijke"[31].
Zo volgde uit de intieme samenhang en verbondenheid tussen de
verschillende niveaus van de wereldorde dat de planeten en sterren - die
volmaakte, levende en intelligente wezens waren - met hun omwentelingen en
hun onderlinge posities, maar ook door hun uitstralingen en emanaties, een
beslissende invloed hadden op de gebeurtenissen en processen in het
ondermaanse[32],
en meer bepaald ook op het menselijke levenslot. De
astrologie was, vanuit dit
natuurfilosofische uitgangspunt, de voor de hand liggende, "rationele"
techniek, of alleszins betrachting, om steunend op wetenschappelijke, d.w.z.
astronomische waarnemingen en berekeningen de "tekens in de hemel"
te detecteren, die "objectieve" informatie konden verstrekken over actuele
en toekomstige gebeurtenissen[33].
In haar klassieke vorm, met het typische begrip van de zgn.
"horoscoop" (horoskopos, d.w.z. het "het uur aangevend punt" op
de ecliptiek, dat, in een bepaalde locatie, aan de oostelijke horizon
opkomt, bv. op het moment van iemands geboorte), was ze een creatie van de
2de eeuw vK, vermoedelijk in Egypte; ze berustte op een verbinding van de
Babylonische, astrale waarzeggerij en de Griekse kosmologie. Ook de grootste Arabische geleerden vonden het niet beneden hun
waardigheid, zich met astrologie in te laten[34].
De (filosofische of doctrinale)
geneeskunde, vervolgens, vond al evenzeer haar theoretische én
praktische uitgangspunten in dat wereldbeeld. Menselijke gezondheid
- fysisch zowel als geestelijk/moreel - was een functie van de staat van
"evenwicht"
(Gr. summetría, Ar. ictidâl) of onevenwicht, en dus van de
samenwerking of strijd, tussen de tegengestelde kwaliteiten. In de
"Umwelt" uitte zich dat in het klimaat, de ligging en natuurlijke
kenmerken van het woongebied, enz. In het menselijke lichaam zelf
ging het om de verhouding tussen de zgn. "lichaamssappen"
(Lat.
"humores", Ar. akhlât), die iemands "temperament" (al-mizâdj)
vormde[35]. Zoals voor de ondermaanse natuur in het algemeen, was dat "evenwicht"
hoogst labiel, mede door de werking van de sterrenwereld (vandaar het
succes van de "medische astrologie")[36].
In alle geval waren gezondheid en ziektes - lichamelijk én psychisch[37]
- slechts manifestaties van die onstabiele verhoudingen tussen de
elementaire tegengestelden.
De taak van de arts bestond er bijgevolg in, bij een zieke diens
oorspronkelijke, particuliere evenwicht[38]
te herstellen. Daartoe moest hij stoffen vinden die, door de
kwaliteiten die ze belichaamden, bij machte waren, deze of gene
elementaire kwaliteit die onrechtmatig de overhand had, aan het lichaam te
onttrekken[39],
en/of deze of gene andere, die geminoriseerd werd, aan dat lichaam toe te
voeren. In concreto gebeurde dat door het toedienen van dranken en
drankjes, kruiden, via voedselvoorschriften (voornamelijk een gepast
dieet), eventueel aftappen van bloed, enz.
De geneeskundige therapie was grotendeels daartoe beperkt[40].
|
|
3. De Alchemie
Binnen die algemene,
natuurfilosofische context was geen plaats voor een absoluut onderscheid
tussen "levende" en "levenloze" natuur, of tussen mens en wereld.
Geneeskundige handelingen, daarom, verschilden nauwelijks of niet van die
van een andere, typisch laat-antieke en middeleeuwse wetenschap - een
“occulte”
wetenschap, weliswaar, maar “ met een grandioos project” -: nl. de
alchemie. Sterker nog: de geneeskundige handelingen waren in feite niet
méér dan een toepassing op het menselijke lichaam (Ar. badan) van de
algemene principes van die alchemie[41].
3.1. De Griekse Alchemie
De Arabische alchemie,
die via Latijnse vertalingen aan de basis ligt van de westerse alchemie
(van de middeleeuwen tot Goethe) - en bijgevolg, althans door haar
praktijk, ook aan die van "het mirakel van de moderne chemie"[42]
-, was zelf, eens te meer, een erfenis van de Grieken[43].
Het
Arabische woord,
al-kîmiyâ'[44],
waarvan het onze is afgeleid, gaat (via het Syrisch)
terug op het Griekse chèmía,
dat vooral twee mogelijke etymologieën heeft: 1) ofwel gaat het terug op
een Egyptisch woord (kamt, quemt, chemi) voor "zwart",
waarmee dan ofwel naar "Egypte" verwezen werd, als de "zwarte grond"
(cf. het Nijlslib), ofwel naar het "eerste zwart" als startpunt
voor alle alchemistische omzettingen; 2) ofwel is het een afleiding van
het Griekse werkwoord voor "doen vloeien/smelten" sc. van
metalen, nl. cheîn,
vandaar chumeia
of chèmeia.
Alternatieve benamingen voor
de alchemie zijn: "het (Grote) Werk",
"de (Heilige/Goddelijke/Zwarte) Kunst"
, "de Wijsheid",
e.a.
De laat-antieke alchemie was, zoals andere
occulte wetenschappen
(astrologie, magie), vermoedelijk een product van de "ontmoeting", in het
hellenistische Alexandrië, dus vanaf ca 300 vK tussen, enerzijds, Griekse
filosofie en wetenschap (m.i.v. "vulgair-filosofische"
ontwikkelingen, zoals hermetisme en gnosticisme) en, anderzijds,
eeuwenoude, Egyptische "chemische" technieken: zoals fabricatie van
verfstoffen voor weefsels (bv. een Ersatz voor het beroemde Fenicische purper), maar ook voor het vergulden, verzilveren, émailleren,
enz. van metalen (namaakjuwelen); van glas en namaakedelstenen; van
reukstoffen, wierook, parfums en cosmetica; van geneesmiddelen en
toverdranken; van alcoholische dranken, enz., enz.[45].
De eerste min of meer historische (?) figuur waarin we de combinatie
aantreffen tussen een aantal
("verf")technieken
en een eclectische (mystieke) filosofie, en die bijgevolg het vaderschap
kan opeisen van de doctrine die ten grondslag zou liggen aan het "Grote
Werk", was Bolos Demokritos van Mendes, ca 200 vK. De latere Physica et
Mystica[46],
apocrief toegeschreven aan
de grote atomist Demokritos van Abdera (2de helft 5de eeuw vK), en één van
de eerste teksten in het Griekse alchemistische Corpus,
reproduceren grotendeels de ideeën van deze Bolos[47].
Van de eerste eeuwen van onze jaartelling dateren vervolgens een groot
aantal apocrypha (waarvan slechts uittreksels bewaard zijn), toegeschreven
aan allerlei goddelijke of mythische personages - uit de Hermetica: Hermes
Trismegistos, Thot, Isis, Agathodaimoon; de joods-christelijke gnosis:
Mozes, Salomon,
Maria[48],
Jezus; de Griekse filosofie (Demokritos), maar ook Perzische en Egyptische
wijzen: Othanes,
Zarathoestra, Kleopatra[49],
e.a.
Pas met de geschriften van Zosimos
van Panopolis (Akhmîm, voor
de Arabieren), begin van de 4de eeuw, en eveneens werkzaam in Alexandrië,
zette de antieke alchemie een nieuwe, beslissende stap vooruit, in de
richting van een uitgesproken filosofische, zelfs mystiek-religieuze
doctrine. Zosimos markeert m.a.w. de overgang van de
gnostisch-hermetische naar de neoplatonische alchemie. Alle
alchemistische operaties, aldus Festugière,
werden hier
"des sortes
de sacrifices, des cérémonies de mystères
qu'on n'accomplit qu' après
initiation. Ces rites à
leur tour se fondent sur une doctrine et ils exigent une préparation
spirituelle. La doctrine, en particulier le mythe de «l'Homme
Premier», l' Anthrôpos, émane certainement de milieux gnostiques et
rappelle les théories du Corpus Hermeticum"[50].
Na Zosimos, die weinig
of niets heeft bijgedragen tot de praktische alchemie, hebben we in de
Griekse overlevering nog enkel met commentatoren te doen. Zij geven
uiting aan een toenemende scheiding tussen techniekers en
pseudo-filosofische of mystieke theoretici: cf.
Sunesios en
Pelagios (4de eeuw); de neoplatonicus
Olumpiodoros (einde 6de eeuw), die specifiek filosofische elementen
introduceert in de alchemistische theorie;
Stephanos van Alexandrië, 7de eeuw, e.a. Met Olumpiodoros en
Stephanos (tijdgenoot van keizer Herakleios) begint de overgang van de Alexandrijnse naar de Byzantijnse alchemie.
3.2. Jâbir ibn
Hayyân
3.2.1.
Net zoals de andere "vreemde" wetenschappen in de islam, was de Arabische
al-kîmiyâ' geen simpele, organische voortzetting van een al beoefende
discipline, maar het ("kunstmatige") product van de "vertalingsbeweging".
Samen met de overige wetenschappelijke en filosofische teksten, inderdaad,
werd ook een aanzienlijk deel van de laat-Griekse alchemistische
literatuur in het Arabisch omgezet[51].
Exacte informatie echter over tijd en plaats van de introductie ontbreekt.
De eerste vertalingen stammen vermoedelijk van het einde van de 8ste eeuw,
terwijl het hoofddeel van het Griekse corpus in de 9de eeuw toegankelijk
werd voor de Arabieren. Aangezien deze Arabische vertalingen
ongeveer 200 jaar ouder zijn dan de oudste bewaarde Griekse handschriften
(het oudste is de codex Marcianus 299, 11de eeuw); die Griekse
overlevering bovendien van bijzonder slechte kwaliteit is én de Arabieren
ook een veel groter aantal Griekse geschriften kenden dan wij, vandaag, is
de (Syrische en) Arabische traditie (die nog grotendeels onbestudeerd is)
ook van bijzonder groot belang voor onze kennis van de Griekse werken[52].
De Arabische alchemie als zodanig is een uitermate pluriform fenomeen dat
vanuit de meest verschillende invalshoeken belangstelling verdient.
Ze kan ons bv. belangrijke informatie verschaffen over de middeleeuwse
natuurkunde zowel als godsdienstgeschiedenis, maar is ook vanuit
literair-wetenschappelijk oogpunt van betekenis[53].
Tenslotte waren het de Arabische, en niet de Griekse, alchemistische
teksten die de aanzet hebben gegeven voor de westerse-Latijnse alchemie,
die van start ging vanaf de 11de eeuw.
3.2.2.
De vroegste fase van de Arabische alchemistische literatuur - d.w.z. vóór
de creatie van het zgn. Corpus Gabirianum
- bestaat uit een quasi onoverzichtelijke massa aan
pseudepigrafen. Het gaat
daarbij zowel om vertalingen uit het Grieks (cf. supra), als om teksten
die, à la grecque,
in het Arabisch gefabriceerd werden. Wat al deze teksten - die tot
stand kwamen tussen de 8ste en 10de eeuw - gemeen hebben is dat ze
toegeschreven worden aan beroemde (Griekse, Egyptische, joodse,
christelijke, Perzische, Indische e.a.) wijzen en filosofen. Zo bv.
Puthagoras (Ar. Fîthâghoeras), Demokritos
(Dhîmoqurâîs), Sokrates (Soqrâtîs),
Platoon,
Aristoteles, Apollonios van
Tyana (Balîmîs, Balînâs of Balînoes),
Porphurios,
Kleopatra,
Zosimos (Zoesîmos),
Maria
en vele anderen[54];
maar natuurlijk ook
Hermes
Trismegistos (Hirmis):
bv. de Risâla al-falakîya al-kobrâ ("Het Grote Zendschrijven van
de Sferen"), van de Hermes van Dendera, en de beroemde, korte
Tabula Smaragdina (Kitâb al-Lau az-zomorrodî)[55].
Vermelden we tenslotte nog het Turba philosophorum (Moshaf al-jamâca,
letterlijk: "Het Boek van de Vergadering"), dat weliswaar later
ontstaan is[56]. Het pretendeert het verslag ("protocol") te geven, van de hand van
"de Pythagoreër Archelaos" (Arshilâwos al-Fîthâghoerî), van een
"alchemistencongres" van Griekse filosofen (allen voorsokratici:
Anaximander, Anaximenenes, Anaxagoras, Empedokles, Archelaos, Leukippos,
Ekphantos en Xenophanes), onder het voorzitterschap van Puthagoras[57]. Deze pseudepigrafische literatuur zou de basis leggen voor alle latere
Arabische alchemie: reeds Jâbir (resp. de auteurs van de geschriften op
zijn naam) en al-Râzî beroepen zich steeds weer op Demokritos, Maria,
Ostanes, enz.
3.2.3.
De beroemdste Arabische alchemist, die door alle latere auteurs geciteerd
werd, en die mógelijk de eerste historische verschijning is in de
Arabische alchemie[58],
was
Jâbir ibn Hayyân[59].
Helaas heerst er volledige onzekerheid, zowel over zijn data en
biografische gegevens als over zijn oeuvre[60];
de overlevering hieromtrent bevat tal van legendarische elementen.
Hij zou geboren zijn ca 721,
in het Perzische Toes of in Harrân, en gestorven ca 815. Als
gunsteling van de Barmekidevizier,
Djacfar ibn Barmak, zou hij de hofalchemist geworden zijn van
Hâroen al-Rasjîd (hij zou dan ook samen met de Barmekiden in ongenade zijn
gevallen, in 803). Bovendien zou hij persoonlijk bevriend geweest zijn
met de zesde sjîcitische imâm,
Jacfar al-Sâdiq. Hij zou beschikt hebben over een
laboratorium in Koefa, dat twee eeuwen na zijn dood werd teruggevonden.
Aldus
Ibn al-Nadîm in de al-Fihrist[61]. Volgens Kraus en Plessner, nochtans, zijn deze chronologische gegevens
strijdig met de interne aanwijzingen in de bewaarde geschriften, en moeten
Jâbirs relaties met de twee Jacfars vermoedelijk tot de legende
gerekend worden, gefabriceerd om de autoriteit van de teksten te vergroten[62].
Volgens de traditie zou Jâbir alleen al over alchemie meer dan 500 boeken
hebben geschreven[63];
een 50-tal werken is bewaard gebleven. Dit
Corpus Gabirianum,
zoals het beschreven wordt in al-Fihrist[64], vormt een immense literatuurverzameling, die niet enkel de alchemie, maar
in feite "àlle
wetenschappen van de ouden behelst, die doorgegeven werden aan de islam"[65]:
d.w.z. ook filosofie, astronomie, astrologie, mathematica en muziek,
geneeskunde, aritmologie en magie, en tenslotte ook een aantal religieuze
werken. Het moderne historisch onderzoek[66]
heeft aangetoond dat dit enorme corpus (a) onmogelijk het werk kan zijn
van één man en (b) onmogelijk afkomstig kan zijn uit de 8ste eeuw. Het
bestààn van een
historische
Jâbir ibn Hayyân, in de 8ste of 9de eeuw, wordt hierbij nochtans niet
uitgesloten.
Volgens Kraus en Plessner moet, voor het
Corpus,
gedacht worden aan een lang ontstaansproces, waarbij wellicht een team
van auteurs betrokken was, en dat zijn beslag heeft gekregen einde 9de,
begin 10de eeuw[67]. Belangrijk hierbij is de integratie in het alchemistisch systeem van de
islamitische, syncretistische gnosis die aan het einde van de 9de eeuw
ontwikkeld werd in een aantal revolutionaire, sjîcitische
bewegingen, vooral binnen de Ismâcîlî. Zo wordt door "Jâbir" een nieuwe Imâm aangekondigd, die de Sharîca zou
afschaffen en de openbaring van de Qor'ân zou vervangen door het licht van
de Griekse wetenschap en filosofie. Jâbirs leer wou dan a.h.w. die
nieuwe, zuiver spirituele openbaring uiteenzetten[68].
In tegenstelling tot de laat-antieke zowel als met de meeste latere
alchemistische teksten, die overwegend hermetisch-allegorisch van
strekking waren, legde "Jâbir" de klemtoon op demonstratie in het
laboratorium, als het enige, onbetwistbare bewijs voor alchemistische
transmutaties[69].
Maar ook al was ze een "experimentele wetenschap",
dan was Jâbirs alchemie wel degelijk gebaseerd op een filosofische
theorie, bovenal op de fysica van Aristoteles. De vertalingen
benuttend van Honayn en diens school (alsook het nieuwe, Arabische conceptuele apparaat
dat ermee gecreëerd was), citeert hij in zijn teksten uit zowat alle
werken van
Aristoteles
, m.i.v. diens commentatoren (Alexander van
Aphrodisias,
Themistios, Simplikios, Porphurios, e.a.), maar ook uit Platoon, Theophrastos, Galenos, Eukleides, Ptolemaios, Archimedes, enz. Vandaar Kraus & Plessners commentaar, dat
"no
alchemical work of Islam reveals such vast knowledge of ancient literature
of such an encyclopaedic character as the writings of Djâbir. In
this way they resemble the Rasâ'il
Ikhwân al-Safâ',
which, by the way, come from the same source".
Filosofisch-wetenschappelijk, tenslotte, is
Jâbirs werk huns inziens nauw verbonden met "the pagan scholarship"
van Harrân (cf. de verwijzingen naar de "Sabeërs"), waarbij o.m. de
geschriften van de Ps-Apollonios van Tyana (Balînoes) een directe bron waren voor het
wetenschappelijke systeem ervan.
3.3.
Al-Râzî. Onder de namen van de bekende alchemisten uit de volgende eeuwen vermelden
we nog die van Mohammad
ibn Omayl (10e eeuw), auteur van een Tabula chemica en van andere
geschriften, eveneens "met een hermetisch-allegorisch karakter"[70];
de pseudo-al-Majrîtî, auteur van het Rotbat al-hakîm ("De Rang van de Wijze",
11e eeuw)[71];
de dichter en staatsman van Ispahân, Hosayn cAlî al-Toghrâ’î (terdoodgebracht in 1121), auteur van het Kitâb
Haqâ’iq
al-istishâd, "het meest belangrijke werk ter verdediging van de
alchemie"[72];
ook Aboe ‘l-Qâsim
al-Sîmâwî al-cIrâqî, midden 13de eeuw ("Boek van de kennis
verworven omtrent de cultivering van goud"); en, in de 14e eeuw, de
Egyptenaar Aydamir ibn cAlî
al-Jildakî, die "een nooit gezien aantal boeken produceerde waarin hij
alles wat vóór hem geschreven was over alchemie en magie samenvatte en
becommentarieerde"[73].
Maar allen werden in de schaduw gesteld door de grote arts en filosoof
Aboe Bakr Mohammad ibn Zakariyya
al-Râzî (gest.
925), Jâbirs "meest briljante opvolger"[74]
en tevens belijder van een "integraal rationalisme" (Badawi). Zijn alchemistische traktaten[75] vertegenwoordigen, volgens tal van moderne historici, de
"wetenschappelijke alchemie". Vermelden we bv. zijn Sirr
al-asrâr (Secretum secretorum)[76],
dat "voor de eerste maal een luciede classificatie geeft van chemische
substanties": in "geesten" (al-arwâh, bv. kwik en
zwavel), "lichamen" (al-ajsâd, de metalen), stenen,
vitriolen, boraxen en zouten[77]. Hij geeft ook een minutieuze beschrijving van de bewerkingen (distilleren,
kalcineren, oplossen, verdampen, kristalliseren, sublimeren, filtreren,
amalgameren, stollen) en de gebezigde toestellen (distilleerkolven met,
distilleerkolven zonder afvoerbuis, enz.)[78].
In de inleiding tot de afdeling "alchemie" van
Ibn al-Nadîms al-Fihrist wordt
al-Râzî de volgende verdediging in de mond gelegd:
"(ar-Râzî) beweert
dat het niet toegelaten is, de naam van filosofische wetenschap te geven
aan degene die niet de alchemie behelst, en dat een geleerde geen filosoof
zou mogen worden genoemd, als hij geen expert is in het Grote Werk.
Want wie dat wel is, kan iedereen missen, terwijl de andere mensen hem
nodig hebben omwille van zijn wetenschap en zijn situatie... Op een
andere plaats in zijn boeken beweert ar-Râzî dat een groot aantal
filosofen, zoals Puthagoras, Demokritos, Platoon, Aristoteles
en Galenos uiteindelijk alchemie
bedreven"[79].
|
|
Tweede Deel |
|
NOTEN:
[1] Arkoun
(1977), p. 14.
[2] Dat
wereldbeeld berustte op de filosofische autoriteit van
Aristoteles en op de mathematisch-astronomische van
Ptolemaios: cf. vooral diens "Grote Syntaxis" (voor de Arabieren
"de Almagest"), zeker niet het meest oorspronkelijke, maar wel
"het meest omvattende astronomische traktaat" dat van de oudheid tot
ons is gekomen, cf. Lloyd (1973), p. 113v. In de late oudheid was
het echter volledig geïntegreerd
in de neoplatonische metafysica (emanatieleer). Voor een
(christelijk geïnspireerd) cultuurfilosofisch essay over de betekenis
van de verschillende, Europese wereldbeelden zie M.Wildiers (1983).
[3] "Wij
kunnen ons vandaag moeilijk voorstellen wat het betekent in een
geestelijk klimaat te leven dat geheel wordt beheerst door de metafoor
van de hiërarchische orde",
Wildiers (1983), p. 126.
Of
Hansen (1978), p. 491: "It is hard for modern people to realize fully
the experience of living in a world infused with purpose".
[4] Cf.
voor deze teleologische visie natuurlijk reeds Aristoteles: "de
natuur maakt niets doelloos of om niets" (bv. Politica I, 1256b20-21) - wat ook door de Arabische filosofen
steeds weer herhaald werd. Cf. Ullmann, EoI, p. 111.
[5] Vgl.
in feite reeds
Thales (einde 7de eeuw vK): "alles is vol van goden" (D-K 11A22).
De visie op de wereld als een levend organisme wordt gewoonlijk
aangeduid met de term "hylozoïsme" (zie de syllabus De Ioniërs,
p. 49v.). Arkoun (1977), p. 38, spreekt van "cosmobiologie"
om de wetenschap van dit kosmische organisme aan te duiden; R.Berthelot
sprak van "astrobiologie" (geciteerd door Hutin, 1971, p. 34).
De "Bijbel" van de antieke kosmische religie was
Platoons Timaeus.
[6] Het
Griekse woord planètès betekent oorspronkelijk "dwaalster" en alludeert op de manifeste,
"onregelmatige" bewegingen van deze hemellichamen (cf. het maken van
"lussen"). In het astronomisch wereldbeeld, evenwel, dat werd
uitgewerkt in
Platoons Akademie (cf.
Eudoxos) en
Aristoteles' Lyceum, werden die "dwaalbewegingen", vanuit het postulaat
van de volmaaktheid van cirkel en sfeer, per planeet "gedeconstrueerd"
en vervolgens verklaard als het effect van combinaties van sferen en cirkelvormige
omlopen.
[7] Terwijl
er in de oudheid zelf nog een heliocentrische theorie verdedigd was
(door Aristarchos van
Samos, ca 275 vK, en Seleukos van
Seleukia, midden 2e eeuw vK), hebben de Arabische astronomen dit
geocentrisch systeem nooit in vraag gesteld. Behalve de autoriteit
van
Aristoteles en
Ptolemaios, vormden de eisen van de astrologie daar een onoverkomelijke
hinderpaal voor.
"In any case
heliocentrism could not be demonstrated irrefutably, nor, in the absence
of the telescope, could it be of any use in practical astronomy",
Anawati (1970), p. 760.
[8]
In de aristotelische doctrine (zelf een verderzetting van de ideeën van
Platoons Timaeus) worden de vier elementen dusdanig gedefinieerd
door de vier kwaliteiten, dat samen met hun onderlinge tegenstellingen
ook de onderlinge verbanden en overgangen verklaard worden: vuur= droog-warm;
lucht= warm-vochtig; water= vochtig-koud; aarde= koud-droog.
Die kwaliteiten zijn hierbij niet te begrijpen als betrekkelijke
fenomenen, "koud" bv. niet als kouder, "droog" niet als
droger in vergelijking met warmere/vochtigere dingen, maar in een
absolute zin. Gradaties bijgevolg, bv. van warmte,
zijn het resultaat van een combinatie, in verschillende
verhoudingen, van de tegengestelden zelf (hier bv. van "het warme"
en "het koude").
Zie bv. Aristoteles, De generatione et corruptione, 330a30.
Dit "paradigma van de
tegengestelden", dat teruggaat op het mythische wereldbeeld, vinden
we voor het eerst kosmogonisch aangewend bij
Anaximander (6de eeuw).
Zie de syllabus De
Ioniërs (1992), p. 82v.
Hoe het ten grondslag ligt aan
de gehele natuur, en dus ook aan zo goed als alle wetenschappen en
kunsten, vinden we uitvoerig (zij het opzettelijk onsamenhangend)
uiteengezet in
Platoons Sumposium, door de arts
Eruximachos, 186D5v.
[9] Aansluitend
bij
Platoons Timaeus (49Av.), waar de stof, als volledig onbepaalde
en onkenbare, universele "ontvangster" voor alles, quasi tot een niet-zijnde herleid werd, beschouwde ook
Aristoteles de "stof" (hulè), àls stof, als louter potentie, dus niet(-actueel)-zijnde.
[10] Vgl.
reeds de kosmogonie van
Anaximander van Milete (geb. 610), voor wie de wereld het product is van
de strijd tussen "het warme" en "het koude".
Zie de syllabus, De Ioniërs, p. 82.
[11] Cf.
Aristoteles' De Caelo. Waar die aristotelische visie niet
gevolgd werd, werd "ether" vereenzelvigd met het "vuur", als het hoogste
van de vier "elementen".
[12] Zie
de syllabus De Late Oudheid, p. 46v.
[13] Arkoun
(1977), p. 37.
[14] In
onderscheid met "intellect" (Gr. nous, Lat.
mens/ratio, Ar. caql), als het absoluut onlichamelijke
ken- en ordeningsprincipe, en met "ziel" (psuchè,
anima, nafs), als onlichamelijk levensbeginsel verbonden met het
lichamelijke, wordt met de notie "geest" (pneuma,
spiritus, roeh) stricto sensu verwezen naar het fenomeen
van de actieve, kinetische vermogens, krachten of kwaliteiten die in
alle natuurlijke fenomenen schuilgaan. Een "geest" ("spirit")
is een soort van tussenvorm tussen het onstoffelijke en het stoffelijke:
het is a.h.w. de meest subtiele, bijna onlichamelijke
“essence” van stoffen, die zich bv. kan manifesteren onder vorm van
damp, warmte, geur, enz. In de antieke filosofie hebben vooral de
stoïcijnen een "pneumaleer" ontwikkeld. In het alledaagse
taalgebruik, zoals bekend, worden "intellect", "verstand", "rede",
"ziel" en "geest(elijk)" vaak gewoon als synoniemen gebruikt.
[15] Naar
de bekende uitdrukking van A.O.Lovejoy, The Great Chain of Being
(Cambridge, Mass., 19668).
[16] Cf.
Plotinos, zie de syllabus De Late Oudheid, p. 49.
[17] Hansen
(1978), p. 489.
[18] Cf.
Hansen, l.c.: "as in alchemical operations and in the use of
talismans. Fortified by this sense of the reality of particular
essences and qualities, medieval scholars had no difficulty in assuming
hidden or occult qualities".
Cf. de vele "boeken der
geheimen" die bij Arabieren en Latijnse middeleeuwers circuleerden (bv.
op naam van al-Râzî, Ps-Apollonios van Tyana, e.a.); zie hierover nu
William Eamon, Science and the Secrets of Nature.
Books of
Secrets in Medieval and Early Modern Culture
(Princeton 1994), cf. p. 40: "The philosophical
foundation of the Arabic 'secret science' was the doctrine that the
world was a network of hidden correspondences and a reservoir of
powerful occult forces".
[19] Hansen
(1978), p. 490.
[20] Vgl.
reeds
Platoon, in de Timaeus, 47A1 e.v.: "Het gezicht... (is ons
door God geschonken) opdat wij, door een grondige studie (van de
omwentelingen van het intellect in de hemel) en door het deelhebben aan
de natuurlijke juistheid van de berekeningen, de volkomen dwalingloze
bewegingen van de God nabootsen, en opdat we de omwentelingen binnen
ons, die (bij onze geboorte) van hun baan zijn afgedwaald, een houvast
bezorgen".
[21] Cf.
de Latijnse uitdrukking "scala naturae", of "scala creaturarum".
Zie Wildiers, o.c., p. 116v. ("De metafoor van de ladder").
[22] Vgl.
natuurlijk de bekende vergelijking van "de Grot", in
Platoons Politeia, VII, 514Av. Bij
Plotinos, daarentegen, en in het neoplatonisme in het algemeen, was er
voor dit aspect nauwelijks of geen aandacht (cf. de afwezigheid van een
politieke filosofie).
[23] Vgl.
nogmaals
Platoon, natuurlijk. Bij de Arabieren vinden we die koppeling het
meest expliciet bij
al-Fârâbî: cf. zijn politiek-filosofisch werk, Principes van de
Opvattingen van de Burgers van de Beste Staat, waarvan de
argumentatie "neerdaalt" van de theologie (kap. 1-2), naar de
bovenmaanse wereld (kap. 3), de ondermaanse (4-9) en de mens (10-14), om
het dan in kap. 15-19 over politiek te hebben. Zie Walzer (1985).
Een comparatistische benadering van de band tussen kosmogonie en ethiek
is te lezen in de bundel uitgegeven door R.W.Lovin & F.E.Reynolds
(1985). Hoewel hierin bijdragen opgenomen zijn, zowel over
(archaïsch) Griekenland als over de islam, komt de betekenis van het
aristotelisch-ptolemaïsch wereldbeeld spijtig genoeg niet aan bod.
[24] De
voortdurende vereenzelviging, in deze paragrafen, tussen mens en
mannelijk geslacht is geen seksistische slordigheid van de opsteller.
Het Griekse en middeleeuwse wereldbeeld is niet enkel antropo- maar ook
uitdrukkelijk androcentrisch.
[25] Volledigheidshalve
moet hier op het impact gewezen worden van de gnostische bewegingen in
de late oudheid. In de Griekse, filosofische traditie werd,
ondanks alle "Weltschmerz", de wereld finaal toch, optimistisch,
als een "mooie orde" beschouwd en vereerd. Vanuit een
Iraans geïnspireerd dualisme, daarentegen, beschouwden de gnostici de
wereld als het werk van een boosaardige Demiurg (eventueel vereenzelvigd
met de joodse Jahwe). De materie, in plaats van niet-zijnde, was
het gesubstantifieerde Kwaad zelf. Het
filosofisch-wetenschappelijk curriculum, aangevuld met tal van
mystisch-magische liturgieën, beoogde daarom niet zozeer een
contemplatieve Wijsheid (die vervolgens eventueel leiding kon geven aan
de praxis), als wel de gnosis, d.w.z. de kennis die de menselijke
geest onmiddellijk "bevrijdde" van haar gevangenschap in dit
kosmische tranendal. Zie de syllabus De Late Oudheid, pp.
70-72. In de praktijk was de scheidingslijn tussen (neo)platonisch-aristotelisch
en gnostisch wereldbeeld vaak erg dun (ook een
Plotinos, ondanks zijn polemieken “Tegen de Gnostici”, kon
moeilijk weerstaan aan de gnostische verleiding om de aardse
werkelijkheid en het kwade met elkaar te vereenzelvigen).
[26] Volgens
de aristotelische en plotinische traditie.
Aristoteles' natuurvisie was fundamenteel teleologisch. Alle natuurlijke
wezens streven continu naar verwerkelijking van hun eidos of
vormprincipe (als hun telos, of finaliteit), d.w.z. naar de "entelechie"
(Ar. kamâl), of volmaaktheid; die entelechie impliceert zelf dan
weer het vermogen, zichzelf te reproduceren of voort te planten (zie bv.
volwassen dieren of planten). De ondermaanse Natuur (Phusis),
derhalve, als een soort van personificatie, streeft naar (of "wil")
"het beste". In tegenstelling nochtans tot de volmaakte,
bovenmaanse hemellichamen, slaagt zij daar niet altijd in (cf. de
contingentie). De menselijke technè,
hoewel fundamenteel gebaseerd op het nabootsen van de natuur, kan van
hieruit, als een supplementair vormprincipe, eventuele
tekortkomingen van het natuurlijke proces aanvullen, d.w.z. helpen tot
(hun voorbestemde) verwerkelijking of volmaaktheid te komen. Voor
de kunstvisie van
Plotinos, die, ondanks zijn platonisme, hierin sterk aanleunt bij
Aristoteles' technè-begrip,
zie
op deze site.
[27] Vgl.
nogmaals
Thales die uit het fenomeen van het magnetisme concludeerde dat zelfs
stenen (en metalen) een "ziel" (psuchè,
"levensbeginsel") hebben (D-K 11A22); cf. de syllabus De
Ioniërs, p. 66. Zo heeft ook nog de grote arts
al-Râzî - nochtans "geroemd om zijn empirisme, de trefzekerheid van
zijn diagnostisch oog en de koele precisie van zijn
ziektebeschrijvingen" - een "Sympathieboek" geschreven over
de occulte eigenschappen (khawâss) van de natuurobjecten. Zo
Ullmann (1970), p. 3.
[29]
In de oudheid als kosmisch principe vooral ontwikkeld binnen de Stoa (cf.
Poseidonios van Apameia in Syrië, ca 135-51 vK).
[30] Vgl. C.W.Müller, Gleiches zu Gleichem. Ein Prinzip
frühgriechischen Denkens, Wiesbaden 1965. Vgl. bv.
Demokritos, D-K 68 B 164: "Net zoals de dieren het gezelschap
opzoeken van hun soortgenoten: duiven bij duiven, kraanvogels bij
kraanvogels, enz., zo is het ook gesteld met levenloze dingen, zoals we
kunnen zien bij graankorrels die gezeefd worden en bij stenen in de
branding..., alsof de gelijkheid die in de dingen ligt, er een of andere
samenvoegende kracht op uitoefent".
[31] Vgl.
nogmaals
Demokritos, D-K 68 a 63 (bij
Aristoteles, Gen. et Corr., 323b10): actie en passie
zijn enkel mogelijk tussen "gelijken".
[32] De
manifeste correlatie tussen de getijden en de maanstanden was hiervan
het voor iedereen zichtbare "bewijs".
[33] Vgl.
Festugière
(1944), p. 89v., over "L'astrologie hellénistique": "La
doctrine philosophique (de l'astrologie) est celle de l'unité du Kosmos
et de l'interdépendance de toutes les parties de ce vaste ensemble.
Comme le Kosmos des anciens est composé d'une série de sphères
concentriques ayant pour centre la terre, la doctrine de l'unité suppose
un incessant échange d'actions et de réactions entre la terre et les sphères
planétaires et d'une sphère à
l'autre... Depuis l'âge hellénistique et jusqu'à
la Renaissance, cette doctrine de l'unité du Kosmos et de la sympathie
qui en lie tous les membres a eu valeur de dogme".
De enige filosofische scholen in de oudheid die eraan ontsnapten, waren
de Skepsis en
Epikouros. Het oudste, systematische leerboek over astrologie, in
het Grieks, dateert van het midden van de 2de eeuw vK, uit Egypte. Onder
de naam van de legendarische personages Nechepso en
Petosiris, beriepen de auteurs ervan zich op de Grieks-Egyptische god
Hermes-Thoth, "but it seems reasonable to assume that they were
familiar with Babylonian traditions", Luck (1985), p. 310; zie ook
Boll (1913), p. 42. Het definitieve handboek, voor de latere
eeuwen, was ook hier van de hand van Ptolemaios, nl. zijn Tetrabiblos (1e helft 2de eeuw nK).
[34]
Zo heeft
al-Bîroenî, toch hét hoogtepunt in de geschiedenis van de Arabische
wetenschap, "die als mathematicus en astronoom het exacte denken in
zijn volmaaktheid vertegenwoordigt en wiens historische werken
getuigenis afleggen van zijn opmerkelijk vermogen om een zelfstandig
oordeel te vormen" (Ullmann, 1970, p. 3), de principes van de
astrologie uiteengezet in een omvangrijk boek, De Elementen van de
Astrologie, dat voor vele eeuwen het standaardwerk hierover zal
blijven. Cf. Nasr (1978), pp. 151-165. Wanneer
Ibn Sînâ, anderzijds, althans in een aantal van zijn werken de
astrologie aanvalt (in andere, daarentegen, geeft hij er een
beschrijving en verdediging van), dan is het hem niet te doen om de
principiële uitgangspunten ervan: ook voor hem waren alle processen in
het ondermaanse wel degelijk het product van hemelse invloeden. Z.i.,
evenwel, zijn enkel profeten en heiligen, dankzij een bijzondere gave
van God, bij machte om de effecten ervan te berekenen, en dus correcte
toekomstvoorspellingen te doen; de gewone astrologen waren z.i.
charlatans. Zie Nasr, o.c., pp. 238-240.
[35] Die
vier constitutieve lichaamssappen waren: bloed, flegma (slijm), gele gal
en zwarte gal (zo althans volgens de hippokratische of Koïsche school,
in de klassieke periode; de Knidische school verkoos het viertal: bloed,
flegma, gal en water). Hierbij werd bloed als vochtig-warm
beschouwd (cf. de lente), zwarte gal is droog-warm (cf. de zomer); gele
gal droog-koud (cf. de herfst), flegma als vochtig-koud (cf. de winter).
Zie bv. het traktaat Over de natuur van de mens, § 7, in het
Corpus Hippocraticum. Voor bv. Ibn Sînâ's overname hiervan,
zie Nasr (1978), pp. 251-262.
[36] De
astrologie nam het beeld van de mens als een "kleine kosmos" en,
dienovereenkomstig, de kosmos als een "grote mens", letterlijk,
zodat er een direct verband kon gelegd worden tussen de "ledematen"
van de wereld (bv. hoofd= hemel; ogen= zon en maan; intellect= ether;
schouders, borst en rug= lucht; buik= aarde, enz.) en de menselijke
ledematen. Zie voorbeelden bij Festugière
(1944), p. 92v. Over "geneeskunde en astrologie" zie
Ullmann (1970), pp. 254-256.
[37] Geneeskunde
van het lichaam en geneeskunde van de ziel (al-tibb al-roehânî)
gaan hand in hand.
[38] Dus
niét het ideale of volmaakte, maar het evenwicht dat zijn/haar lichaam
bezat, voordat hij/zij ziek werd. Cf. het aforisme van
Ibn Mâsawayh, nr. 68: “Als ze zieken genezen, moeten geneesheren
ernaar streven dat hun lichaam de toestand hervindt waarin het verkeerde
toen het gezond was, en niét het evenwicht in de totaliteit van zijn
substantie”; andere aforismen van hem stellen: "Ge moet de zieken
een voedingsregime toedienen tot ge het evenwicht benadert" (nr.
61), en "In zijn behandeling moet de arts zich gelijkschakelen aan de
actie van de natuur" (nr. 64). Geciteerd bij Arnaldez e.a. (1966),
p. 517. (Arnaldez noemt nr. 68 “le plus profond”).
[39] Via
de ontlasting, braken, bloedaftappen, enz.
[40] Hoewel
Arabische artsen met succes de "kleine chirurgie" beoefenden (bv.
het opereren van staar), werd de chirurgie over het algemeen geminacht;
ze werd overgelaten aan barbiers en charlatans. Zie Arnaldez e.a.
(1966), p. 518. De eerste grote arts die haar "droit de cité"
heeft gegeven, was
de Andaloesiër Aboe 'l-Qâsim.
[41] Zo
Arkoun, p. 39; Arnaldez e.a. (1966), p. 502 ("la pratique de
l'alchémie comme de la médecine, consiste
à
trouver des corps qui déplacent telle qualité élémentaire et qui
apportent telle autre").
[42] "Die
Alchemie ist der Boden, aus dem unsere Chemie hervorging, ihre
unsicheren und tastenden Versuche halfen, das moderne methodische
Experiment mitbegründen, und ihre grossen und kleinen, voreiligen und
selbsttrügerischen Vorstellungen des Unbekannten führten oft zu
Entdeckungen und Erfindungen, die selbst wieder neue wissenschaftliche
Bedürfnisse schufen. Viele Inhalte ihrer Erkenntnisse gelten auch
heute noch, wenn auch die Formen andere sind, in denen sie sich
ausdrücken",
Franz Strünz, met instemming geciteerd door Ullmann (1972), p. 145.
Cf. ook de verwijzingen bij Ullmann, EoI, p. 112.
[43]
De pogingen om de alchemie in het algemeen, en de Arabische in het
bijzonder, terug te voeren op oud-Babylonische technieken, hebben geen
instemming gevonden. Zie Ullmann (1972), p. 146 n. 4 en p. 148 n.
3.
[44] Voor een volledige lijst van alle (zeven) etymologieën die voorgesteld
zijn, zie Hopkins (1934), p. 94 n. 7. - Zie Von Lippmann (1931), pp. 64-65 (met verwijzingen);
Festugière
(1944), p. 218 (met verwijzingen); Ullmann (1972), en art. "al-kîmiyâ'",
in EoI,
p. 110; Luck (1985), p. 361. Voor deze korte bespreking heb ik me
verder gebaseerd op Hopkins, o.c.; Read (1936); Mieli (1938), pp.
130-138; E.J. Holmyard (1990; oorspr. 1957); Arnaldez e.a. (1966), pp.
503-511; Hutin (1971); Anawati (1970), pp. 774-775; Jüttner-Telle, art.
"Alchemie", in: LdM, kk. 329-342; M.Plessner (1975).
Zie ook Jacques van Lennep, Alchemie. Bijdrage tot de geschiedenis
van de alchemistische kunst (Brussel 1984; met bibl.); Johannes
Fabricius, Alchemy. The Medieval Alchemists and their Royal Art
(Kopenhagen 1989R;
London 1994): een bespreking van een grote massa illustratief materiaal,
vanuit Jungiaans perspectief). Voor verdere bibliografie zie Ullmann,
EoI, p. 115; Jüttner-Telle, o.c., kk. 340-342.
[45] Vgl.
Festugière, o.c., pp. 218-9: "L'alchimie gréco-égyptienne... est née
de la rencontre d'un fait et d'une doctrine. Le fait est la pratique,
traditionnelle en Égypte, des arts de l'orfèvrerie.
La doctrine est un mélange de philosophie grecque, empruntée surtout à
Platon et à
Aristote, et de rêveries
mystiques".
Zie ook Hopkins (1934), o.m. pp. 12-88. Maar volgens Luck, o.c., p. 362,
is deze reconstructie "largely speculative". Cf. ook Ullmann, o.c.,
p. 111: "the beginnings of this science... are still largely wrapped
in darkness". In plaats van Egypte is ook China voorgedragen als
"the possible original home of alchemy", zie Read (1936), pp. 5-8.
[46] Het
Griekse woord "phusikós" ging in de hellenistische periode
gebruikt worden m.b.t. al wat behoort tot de occulte wetten van de
natuur, d.w.z. voor het magische. Met het genre van de "Physica"
werd een reeks van geschriften bedoeld, "in which the secret forces
of nature, its phuseis
or dunameis
(i.e. "krachten, vermogens"), are brought to light. These
forces are used to make men healthy, rich and prosperous. Accordingly,
the theory of sympathy and antipathy between men, animals, plants and
stones is here of great importance", Waegeman (1987), p. 7.
[47] Het
werk, gewijd aan de "chrusopoiïe"
(creatie van goud)
en de "arguropoiïe"
(creatie van zilver),
maar ook aan de fabricatie van purper en van kunstmatige edelstenen, is
slechts fragmentarisch overgeleverd; zie Festugière,
o.c., pp. 223-238 (met verwijzingen). Ullmann (1972), p. 159,
nochtans, ontkent uitdrukkelijk het auteurschap van Bolos Demokritos. -
Voor een kleine selectie van Griekse alchemistische teksten (in
vertaling) zie ook Luck, o.c., pp. 367-378; wetenschappelijke in M.R.Cohen
& I.E.Drabkin (1948), pp. 352-373. De standaardverzameling is
voorlopig nog altijd, ondanks de vele tekortkomingen, die van M.
Berthelot (1888). In de Budé-reeks (Les Belles Lettres) is
al enkele jaren geleden een nieuwe uitgave van Griekse alchemistische
teksten gestart, Les Alchimistes Grecs, in 12 vols, met
inleidingen, vertaling en noten (1e deel, door R. Halleux, gepubliceerd
in 1981).
[48] Ook
"Maria, de Jodin/Hebreeuwse" genoemd: cf. ook de bewaarde Griekse
fragmenten (zie Berthelot, 1988, p. 103.5v.). Later vereenzelvigd
met de moeder van Jezus (cf. haar rol in de gnostische evangelies).
Volgens Von Lipmann (1931), p. 142, zou er wel degelijk een relatie
bestaan met de Mariacultus die zich, als erfgename van de oeroude,
klein-aziatische cultus van de "Grote Moeder" (Magna Mater),
vooral in de 4de eeuw ontwikkelde. Met name in Egypte, waar al heel
vroeg de oude verering van Isis met het Horuskind geassimileerd werd met
die van Maria en het Jesuskind. Eén van de bekendste
alchemistische toestellen, waarvan de uitvinding aan Maria wordt
toegeschreven, het "Bad van Maria" (Arab. ammam Mâriâ; cf.
nu nog, in onze keuken, de bereiding "au bainmarie"!), heette
volgens Von Lipmann oorspronkelijk "Bad van Isis". Maar ook
een ander alchemistisch toestel, de zgn. kerotakis (waarin dunne
plaatjes van een of ander metaal onderworpen werden aan de inwerking van
allerlei dampen), werd in de traditie aan deze "Maria" toegeschreven.
De Arabieren zouden Maria o.m. vereenzelvigen met Mirjam,
de zuster van Mozes (op basis van een vergissing in de Qor'ân, s. 19,
28: Marjam als zuster van Haroen, i.e. Aaron), maar ook met "Maria de
Koptische". Zie Ullmann (1972), p. 182.
[49] Hutin
(1971), p. 40, spreekt van "Cléopatre la Copte", als één van de
beroemde vrouwelijke alchemisten in 4de-eeuws Alexandrië (samen met "Marie
la Juive" en "Théosébie, «soeur hermétique» de Zosime").
[50]
Festugière, o.c., p. 260 (pp. 260-282, met twee lange citaten van
Zosimos in vertaling); ook Hopkins (1934), pp. 69-77.
[51]
D.w.z. gedeeltelijk door bemiddeling van de Syrisch-nestoriaanse
vertaalcentra, gedeeltelijk direct uit antieke bronnen. Cf. M.Berthelot,
La Chimie au Moyen Âge, Paris 1893: t. I, Essai sur la
transmission de la science antique au moyen âge. Doctrines et
pratiques chimiques. Traditions techniques et traductions
arabico-latines; t. II: L'Alchimie Syriaque; t. III:
L'Alchimie Arabe (Arabische teksten en Franse vertaling).
[52] Cf.
Ullmann, EoI, p. 111; (1972), pp. 147-148..
[53] Aldus
Ullmann (1972), p. 150 n. 4: cf. de vrije hand die - ongebruikelijk voor
Arabische literatuur - gegeven werd aan de literaire fictie, in teksten
als het Kratesboek, de Ostanesgeschriften, de Turba, enz. (met
verwijzing naar M.Ferid Ghazi, La littérature d'imagination en arabe
du IIe/VIIIe au Ve/XIe s., in: Arabica 4, 1957, pp. 164-178).
[54] Zie
de gedetailleerde bespreking van de belangrijkste pseudepigrafen (zelfs
met opgave van de Arabische handschriften), bij Ullmann (1972), pp.
152-191.
[55] "Sie
galt als der Schlüssel zu den letzten Geheimnissen der Natur und war den
Alchemisten des Mitelalters so heilig wie dem Volke Israel die Tafeln
des Dekalogs",
Ullmann (1972), p. 170. Uitgegeven en bestudeerd door J.Ruska,
Heidelberg 1926; Engelse vertaling met verklarende noten in Luck, 1985,
pp. 368-370.
[56] Vermoedelijk
einde 9de, begin 10de eeuw, aldus Ullmann (1972), p. 213.
[57] Van
de oorspronkelijke Arabische tekst zijn slechts enkele fragmenten
bekend, maar de volledige tekst is bewaard dank zij een Latijnse
vertaling. Zie Plessner (1975), e.a.
[58] Volgens
o.m. de al-Fihrist van
Ibn al-Nadîm zou de Omayyadeprins
Khâlid ibn Yazîd (gest. 704), die de kunst in Alexandrië was gaan leren,
de eerste Arabische alchemist geweest zijn (met een traktaat, getiteld
"Paradijs van de Wijsheid"); met hem zou ook het vertaalwerk
begonnen zijn; cf. ook Anawati (1970), p. 774. Ullmann, EoI,
p. 111, evenwel, wijst de historiciteit hiervan met beslistheid af; z.i.
stamt deze overlevering uit de apologetische praktijk van latere
alchemisten (ook de schoonzoon van de Profeet, de zesde sjîcitische
imâm, e.a., werden zo tot alchemisten-van-het-eerste-uur
gemaakt). Zie ook Ullmann (1972), pp. 192-195.
[59] Hij
werd al-soefî, "de mysticus", genoemd. Hij was in de
Latijnse middeleeuwen bekend als
Geber, rex Araborum" (maar de geschriften die op deze naam zijn
overgeleverd, stammen van een late recensie, van de hand van een
Latijnse auteur uit de 13de eeuw). Zie vooral het artikel "Djâbir
b. Hayyân", in EoI, van de hand van P.Kraus & M.Plessner, vol.
II (1965), pp. 357-359; ook Corbin (1964), pp. 184-189, e.a.
[60] Reeds
in de al-Fihrist van
Ibn al-Nadîm, waarvan de 10de sectie gewijd is aan de alchemie en
bijzonder waardevolle informatie bevat over de geschiedenis van de
alchemie in het algemeen, en over de Arabische in het bijzonder, in de
biografische noot over Jâbir gerefereerd naar de opinie van "een
groot aantal geleerden en grote boekhandelaren", die de auteur (al-Nadîm) verzekerd hebben dat Jâbir "in werkelijkheid nooit bestaan
heeft"; van de op zijn naam overgeleverde werken zou enkel het
Boek van de Barmhartigheid van zijn hand zijn. Zie de
vertaling bij Berthelot (1893), p. 32.
[61] Bij
Berthelot, o.c., pp. 31-32. Overgenomen o.m. door Anawati
(1970), pp. 774-775.
[62] Kraus
& Plessner, EoI, verwijzen ook naar een notitie bij
Soelaymân al-Sijistânî (2de helft 10de eeuw), die beweert persoonlijk
bevriend te zijn geweest met de echte auteur (een zekere al-Mawilî).
[63] Aldus
in het op zijn naam overgeleverde Boek van het Vuur van de Steen,
p. 217 bij Berthelot.
[64] In
de vorm van een uitvoerige lijst, op naam van Jâbir zelf, cf. pp. 32-36
Berthelot. Volgens Kraus & Plessner, o.c., p. 357, is deze lijst
"on the whole correct".
[65] Kraus
& Plessner, o.c., p. 358. Zij onderscheiden binnen het Corpus
vooreerst vier alchemistische collecties: 1) de "112" boeken, als
een reeks onsamenhangende essays, met zeer veel verwijzingen naar de
antieken; 2) de "70" boeken, waarin een systematische
uiteenzetting werd gegeven van het alchemistisch onderricht van Jâbir;
3) de "144" boeken Kutûb al-Mawâzin, i.e. "Boeken van
de Balansen", een uiteenzetting van de theoretische en filosofische
grondslagen van de alchemie en van alle occulte wetenschappen (zie
verder); 4) de "500" boeken: die particuliere problemen
behandelden van de zgn. "theorie van de balans" (zie verder).
Deze vier reeksen vormen a.h.w. de opeenvolgende stadia van de evolutie
van de Jâbirdoctrine. Vervolgens zijn er nog een aantal kleinere
collecties, over diverse onderwerpen.
[66] Cf.
vooral Paul Kraus, een leerling van J.Ruska, met zijn Jâbir ibn Hayyan.
Contribution à l'histoire des idées scientifiques en Islam, 2 vols,
Le Caire 1942-43.
[67] Kraus
& Plessner, l.c. Later in hun tekst, nochtans, wordt gesproken van
ca 942 als terminus antequem.
[68] Zo
Kraus & Plessner, o.c., p. 358. Vgl. met de Encyclopedie
van de
Ikhwân al-Safâ'.
[69]" The alchemy of Djâbir is fundamentally distinct from all that has survived
of ancient alchemy. It deliberately avoids hermetic allegorism (of
Egyptian origin) represented in antiquity by the writings of Zosimus and
others and revived in Islam by most of the alchemists... The
alchemy of Djâbir is an experimental science based on a philosophical
theory",
Kraus & Plessner, o.c., p. 358; cf. ook Hopkins (1934), pp.
134-140.
[70] Ullmann,
o.c., p. 112.
[71] De
historische Maslama al-Majrîtî (d.w.z. "van Madrid"), gest. 1007,
was geïnteresseerd in astronomie en mathematica, maar niet in alchemie.
[72]
Ullmann, o.c., p. 114. Al-Togrâ'î werd in het Latijnse Westen
bekend als
Artephius.
[74] Hopkins
(1934), p. 146. Zie ook Von Lipmann (1931), pp. 181-184. Als
Kraus' datering van het Corpus Gabirianum bij benadering juist
is, was al-Râzî bijna een tijdgenoot van Jâbir. Volgens de
al-Fihrist verwees al-Râzî in zijn boeken naar Jâbir als "onze
meester Aboe Moesa Jâbir ibn Hayyân" (zie Berthelot, p. 32).
Voor al-Râzî als medicus en, vooral, filosoof, zie de syllabus,
Het Klassieke Arabische Denken, deel 2 (1995), pp. 129-177.
Samenvatting op deze site, in: "Het
Arabisch-Islamitisch Hellenisme", kap. 7.
[75] De
Arabische biografen wijzen hem een 20-tal alchemistische traktaten toe.
Cf. vooral de lijst die hiervan 200 jaar later werd opgesteld door
al-Biroenî.
[76] Een
Duitse vertaling ervan van de hand van J.Ruska, Al-Râzî's Buch
Geheimnis der Geheimnisse, verscheen in 1937 in Berlijn. Het
is wellicht identisch met een andere titel, het Kitâb al-asrâr,
"Boek der Geheimen".
[77] Anawati,
o.c., p. 777. "De toekomst van de chemie was inderdaad in hoge mate
afhankelijk was van de door de islamitische industrie massaal
geproduceerde artikelen als soda, aluin, ijzersulfaat, salpeter en
andere zouten die werden geëxporteerd en overal, vooral in de
textielindustrie, werden gebruikt", Bernal (1976), p. 200. Cf.
Das Buch der Alaune und Salze (De Aluminibus et Salibus,
in de traditie aan
Rhazes toegeschreven), uitgegeven (met het grootste deel van het
Arabische origineel) door Ruska (1935). Weliswaar hebben, volgens
J.Ruska, al-Râzî's substanties en basisconcepten niet het minste
ekwivalent in de moderne scheikunde. Arnaldez e.a. (1966), p. 509,
noemt dit "un jugement sévère",
en voegt eraan toe: "Il est exact que la matière
de ce traité est pour nous tout à
fait aberrante. Mais il est intéressant de noter combien Râzî fait
preuve de qualités positives; il rompt avec la mystique des nombres et
avec le symbolisme, pour tenter de ce rapprocher des conditions de
l'expérience, et le soin qu'il apporte à
la description des instruments et des opérations, marque un souci réel
de rendre les expériences communicables en permettant de les refaire
effectivement".
De vraag is, nochtans, in hoeverre dit soort van discriminatoir,
modern waardeoordeel historisch zinvol is.
[78] Anawati
(1970), p. 777: "His great merit was that he rejected magical and
astrological practices, while adhering to what could be proved by
experiment. Al-Râzî's insistence on promoting research work in the
laboratory did not fail to bear fruit in pharmacology...". Ullmann
(1970), p. 129, nochtans, staat hieromtrent veel kritischer: "Ar-Râzî
war gleich bedeutend als Arzt wie als Alchemist. Dennoch blieben
beide Wissenschaften praktisch unverbunden nebeneinander. Die
Chance oder Möglichkeit einer chemischen Begründung und darüber hinaus
einer naturwissenschaftlichen Grundlegung der Medizin wurde nicht
gesehen, weder von ar-Râzî, noch von einem anderen Arzt. Kaum
einmal in Ansätzen wurden alchemistische Methoden auf die Herstellung
zusammengesetzter Heilmittel angewendet".
[79] f.
Berthelot (1893), pp. 26-27.
|
|
* (licht)
bewerkt onderdeel uit de syllabus, "Het Klassieke Arabische Denken, Deel 1:
Inleiding", Gent 1993, pp. 140-165.
Zie ook de de website, "The Alchemy Web
Site", onderdeel "Islamic Alchemy in the Context of Islamic Science",
http://www.levity.com/alchemy/islam.html |
|