Hoofdstuk 1:
Het Osmaanse Rijk
(Osmanlı
İmparatorluğu)
1.1. De publieke islam,
althans, werd tijdens de 15de- en 16de-eeuw in West-Europa zo goed als
volledig uitgeroeid. In
Zuid-Oost-Europa, daartegenover, was hij net tijdens diezelfde
periode - als in een soort van slingerbeweging (die in de
late 20ste eeuw weerom
in de andere richting zou gaan) - in volle opgang. De bekendste datum, in
dat verband, is vanzelfsprekend het voor de Christenheid noodlottige jaar
1453, met de verovering van Constantinopel door de Osmanen, onder leiding
van de jonge en ambitieuze Mehmet II Fatih (“de Veroveraar”).
Ze werd in de eeuwen erna gevolgd door een verdere expansie tot ver in
Midden-Europa (met het beleg van Wenen in 1529, onder Süleyman I de
Prachtlievende, 1520-1566).[1]
De eerste, Oost-Europese moslims waren al een kleine eeuw eerder verschenen: in Thrakië vanaf 1361, met de
verovering van Adrianopolis (Turks nu: Edirne), hoofdstad van Byzantijns
Thrakië; in Macedonië en Bosnië vanaf het begin van de 15de eeuw: het
stadje Mostar - de naam betekent “bewaker van de brug” - is een
Osmaanse vestiging van rond het midden van de 15de eeuw. Wat de
niet-moslims betreft, die in het Europese hartland van het Osmaanse rijk
de meerderheid vormden (ook in grote steden als Thessaloniki en zelfs
Istanbul), als ‘zimmi’s’ (Turkse schrijfwijze voor dhimmî-s)
genoten zij van het traditionele, islamitische ‘dhimma’-regime.
In het Osmaanse bestuurswezen werd dat
regime bijzonder doeltreffend georganiseerd, onder de vorm van de zgn. ‘milletler’,
of “(religieuze) naties”.[2]
Voor de betrokkenen had het ongetwijfeld reële nadelen: zo
moesten zij, zoals altijd, een speciale belasting betalen, de zgn.
‘haraç’.
Een bijzondere vermelding, echter, verdient de zgn.
'devşirme’
(letterlijk:
“inzameling”):
afgeleid uit het principe van de oorlogsbuit
die in de ‘darülharb’
(“huis-van-de-oorlog”) mocht worden gevorderd, werd van
christelijke gemeenschappen om de zoveel jaren een collectief tribuut
geheven onder de vorm van... (mannelijke) kinderen. Zij waren bestemd om het aantal van
de zgn.
‘kapı
kulları’,
letterlijk: “slaven van
de Porte”, op pijl te houden. Ze werden bekeerd en degelijk
opgeleid om de ruggegraat te vormen van het bestuurssysteem én van het
leger: zij bemanden het elitekorps van de bekende “Janissaren” -
het woord is een westerse verbastering van het Turkse ‘yeni çeri’, letterlijk:
“nieuwe strijdmacht”. Op die manier kon de Osmaanse élite zich ook
regelmatig verjongen met “vers bloed” (de fertiliteit van de
moslimbevolking was traditioneel erg laag).[3]
Verzet tegen die
‘devşirme’
kwam er in eerste
instantie vanwege de... moslims, wegens de vele voorrechten en de hoge
posities van de
‘kapı
kulları’
(zo poogden moslims regelmatig hun eigen kinderen in de
devşirme
binnen te
smokkelen).[4]
Het millet-systeem, hoe dan ook, hield ook reële voordelen in voor de
niet-moslimse, religieuze "naties" . Eén
van de belangrijkste
ervan was ongetwijfeld dat zij vrijgesteld waren van de verplichte legerdienst, “die voor
de moslimse jeugd een mogelijk doodvonnis betekende”.[5]
Weliswaar konden zij vrijwillig en in ruil voor fiscale vrijstellingen
instaan voor de lokale verdediging van hun stad of regio. Zoals Bakker,
Vervloet & Gailly daarom positief concluderen wat de
klassieke Osmaanse periode
betreft:[6]
“Vergeleken met het bestuur van de
feodale christelijke heren was dat van de Osmanen bijzonder mild en de
lokale christelijke bevolking had geen reden tot ontevredenheid. De
herendiensten werden in de Osmaanse gebieden afgeschaft, de rechtspraak
was correct en rechtvaardig en de belastingdruk was laag”.
Het Osmaanse imperium kon zichzelf met
recht en reden als de historische erfgenaam beschouwen van het
Romeinse of Byzantijnse keizerrijk. De verfijnde Osmaanse cultuur en
civilisatie - één van de meest kenmerkende en unieke kunstuitingen ervan
werd de 16de-eeuwse moskee-architectuur[7]
- oefende een grote aantrekkingskracht uit, ook op het Westen. Vooral de
prachtige Süleymaniye-moskee in Istanbul (1550-1557, vandaag bewaard met
het oorspronkelijke gebouwencomplex - külliye,
in het Turks: hamams,
hospitaal, medische faculteit, armen-eethuis (darüzziyafe, nu een
restaurant), bibliotheken, scholen, grafmonumenten van de sultan en
zijn Russische vrouw, Hurrem Sultan, enz.), werd in opdracht van Süleyman
gebouwd door zijn beroemde architect, Sinan. Ze moest fungeren als een
soort van analogon van Joustinianos’ beroemde Aya Sofia (door de
moslims omgevormd tot een moskee). O.m. door het hergebruik van
Romeins-Byzantijnse monolithische zuilen, in roze graniet en purpersteen,
moest dit gebouw de aanspraak op imperiale
continuïteit
architecturaal “proclameren”.[8]
Belangrijke delen van de Balkanbevolking -
uit de aristocratie zowel als uit de lagere klassen - bekeerden zich in
die eerste, expansieve faze vrijwillig en diepgaand tot de islam. Zo
bv. in Bosnië, waar
“al vroeg een aanzienlijk deel van de
bevolking - en zeker niet alleen het Patareense[9]-
tot de islam overging; de vele islamitische immigranten (Turken, maar ook
Albanezen, Bulgaren, enz.) die zich vooral in de stedelijke centra in
Bosnië vestigden, werden geassimileerd... Het ging om een spontaan proces,
dat resulteerde in een islamitisch overwicht binnen de bevolking van
Bosnië vanaf het begin van de 17de eeuw”.[10]
Tegelijkertijd, en op
het eerste gezicht misschien wat paradoxaal,[11]
maakte de snelle instelling van een doeltreffend Osmaans bestuursapparaat,
mét uitgewerkt millet-systeem, dat de Balkan gedurende die 500 jaar
tóch overwegend christelijk bleef.
Het contrast hier met Anatolië is opvallend.
Reeds in de 2de helft van de 11de eeuw was dat Klein-Aziatische gebied
grotendeels veroverd door de Seljukieden (in 1098 werd het Seljukide
sultanaat van ‘Rum’ gevestigd, met centrum in Konya); het Byzantijnse rijk
werd omzeggens herleid tot enkele versterkte steden (Constantinopel,
Nikaia, Trebizonde...). Hiermee werd, wat de christelijke
aanwezigheid betreft, een lang proces ingezet van (religieuze) erosie en
desintegratie (nog versterkt door de staat van anarchie volgend op de
moordende invallen van de westerse zgn. kruisvaarders, de Mamelukken en
vooral de Mongolen). De grotendeels vrijwillige islamisering werd
versterkt door de tolerantie die de Seljukidische islam (doorgaans) aan de
dag legde, en de ruimte die geboden werd binnen die islam aan (o.m.
ook christelijk geïnspireerde) mystieke en syncretistische bewegingen. Zie bv.
de bekende Mevlevi-orde, met haar beroemde ‘draaiende derwisjen’: zij
voert haar ontstaan terug op de grote mysticus en dichter, Mevlânâ (“Onze
Meester”) Jalâl ad-Dîn Rumî (1207-1273, afkomstig uit het Perzische
Balkh, Khorasân, maar onder de druk van de Mongolen naar Konya uitgeweken;
zijn prachtig grafmonument is daar nog altijd te bezichtigen). Te
vermelden is ook de Bektashi-orde, met als legendarische stichter Hacı
Bektash.[12]
Terwijl in de 11de eeuw de overgrote meerderheid in Anatolië nog altijd
christelijk was (een bevolkingstotaal van 7 à 8 miljoen), was rond de
inname van Constantinopel dat aantal teruggevallen op amper 400.000.
Met de vestiging, evenwel, van het Osmaanse bestuur en een consequent
toegepast millet-systeem werd die trend omgebogen (met een
spectaculaire daling van het aantal bekeringen): van ca 8%, in de 16de
eeuw, was tegen het einde van de 19de eeuw (1881) het aantal christenen
gestegen tot 16%. Weliswaar droeg de al vermelde (traditioneel)
kleinere fertiliteit van de moslimbevolking daartoe bij.[13]
Met de installatie van
de Grieks-orthodoxe patriarch in Istanbul, als het zowel ‘wereldlijke’ als
‘geestelijke’ hoofd van de voornaamste christelijke millet (de tweede was
de - monophysitische - Armeense kerk), en met de verregaande integratie en
participatie van de Grieks-christelijke aristocratie in het bestuur, kon
het Osmaanse rijk althans tot aan de Griekse opstand (1821-1830) de facto
zelfs een “Grieks-Turkse diarchie” worden genoemd.[14]
1.2. Vanaf het midden
van de 17de eeuw gingen de Osmanen in toenemende mate binnen- en
buitenlandse problemen kennen. Verantwoordelijk ervoor waren o.m. de langdurige en
destructieve oorlogen met de Perzische Savafieden (1578 tot 1639), alsook
een enorme inflatie die het rijk als het ware vanuit het Westen
‘doorgespeeld’ kreeg. De fiscale en sociale druk op de eigen
boerenbevolking werd daardoor als maar groter.[15]
De toenemende economische en militaire superioriteit van de Europese
absolutistische staten bracht, ondanks een kortstondige ‘relance’ in de
tweede helft van de 17de eeuw (met het tweede beleg van Wenen, in 1683),[16]
een onomkeerbaar proces op gang van voortdurend Europees gebiedsverlies
(reeds in 1654 een deel van Oekraïne; in 1699 een groot deel van
Hongarije, enz.). Die tweede faze, bijgevolg - d.w.z. vooral de 18de en
19de eeuw -, stond, aldus Ger Huijzings, veeleer
“in het teken van de
verzwakking van het centrale gezag, van groeiende onveiligheid op het
platteland en onderdrukking van de christelijke bevolking. Dwang en
lijfsbehoud werden de overheersende motieven voor de overgang tot de
islam”.[17]
Het overgaan,
anderzijds, van Europese delen van de Osmaanse darülislam in
christelijke handen zou twee eeuwen lang gepaard gaan met moordpartijen en
militair geweld, en vandaar ook met massale vluchtelingenstromen van
moslims (én joden) naar Osmaans gebied: de zgn. muhacirler,
letterlijk: “degenen die de hijra maken”, sc. uit de darülharb
naar de darülislam.[18]
De verklaring voor die ongemeen felle repressie (onder de lokale moslimpopulaties
werd meer dan eens een bloedbad aangericht; zie ook verder, kap. 2.1) moet allicht deels gezocht worden in de toenemende negatieve effecten,
in die laatste eeuwen, van
een Osmaans bestuur dat alsmaar verzwakte.[19]
Tegelijkertijd gaven de Europese (o.m. Oostenrijkse) en Russische legers
blijk van een fanatieke ‘kruistochtenmentaliteit’ ten aanzien van moslims
- maar ook van joden: vergelijk met het 15de-eeuwse Spanje. De ideeën van de Europese
Verlichting inzake godsdienstvrijheid en tolerantie hadden hierop nauwelijks
enig effect.[20]
Hoofdstuk 2 |
NOTEN:
[1] Zie R.Bakker, L.Vervloet &
A.Gailly, Geschiedenis van Turkije (1997), p.73 (afk.: GvT),
natuurlijk ook B.Lewis, Istanbul en de Wereld van het Ottomaanse Rijk
(1992); e.a. Voor een gedetailleerde
historische studie, zie bv. de bundel onder redactie van Robert Mantran,
Histoire de l’Empire Ottoman (1989), 812 blz. Voor de geschiedenis van
"al-Andalus tot katholiek Spanje", zie op
deze site.
[2] Voor een beschrijving en
bespreking van dit millet-systeem, zie R.Detrez, Het Osmaanse
Millet-Systeem, in: R.Detrez & J.Blommaert, Nationalisme
(1994), pp. 290-303.
[3] Naast de
devşirme
hanteerden de Osmanen ook de politiek van de
surgun,
d.w.z. het massaal en gedwongen verplaatsen van hele bevolkingsgroepen of
families, ten einde verwoeste of ontvolkte gebieden te herbevolken. Dat
gold niet enkel voor moslimpopulaties, maar bv. ook voor christenen en
joden ten einde na de verovering ervan Constantinopel in haar oude glorie te
herstellen (wat op termijn gunstige effecten had voor die groepen).
[4] Met de latere
opkomst van de nationalistische bevrijdingsbewegingen in de christelijke
Balkan zou die
devşirme ervaren worden als
wreedaardige kinderroof of “bloedpacht”. Zie GvT, p. 79; ook Y.Courbage &
Ph.Fargues, Christians and Jews under Islam (1997), pp.
101-102. Het Janissarensysteem zelf geraakte, precies wegens de
verregaande privilegies (ambachtelijke “cumuls”,
erfelijkheid, e.a.), vanuit militair opzicht reeds in de 16de-eeuw in
ernstig verval. Tenslotte, wegens hun verzet en rebellie tegen militaire hervormingen,
werden zij in 1826 in een bloedbad vernietigd. Tegelijkertijd werd de
soefi orde van de Bektashis - die a.h.w. het spirituele hart vormde van
het korps - opgeheven.
[5] GvT, p.
81, zie ook ibid., pp. 115-116. In die tijden bedroeg de dienstplicht al
vlug 15 jaar. In de Turkse volksmuziek gingen vooral treurliederen rond
Jemen een bekend thema vormen: de kans dat soldaten daar levend van terug
keerden, was heel gering. Ook in de volksliederen (türküler)
vandaag is “Jemen” nog altijd een begrip en symbool: bv. de bekende
oppositionele chansonnier, Ruhi Su, zingt in zijn
Kadıköy
Tiyatrosu Konseri
drie versies ervan.
[7] Zie hierover F.De Miranda,
The Mosque as work of art and as house of prayer. Wassenaar 1977;
maar ook, algemeen over Seljukidische en Osmaanse bouwkunst, het prachtige
platenboek in de reeks “Taschen Wereldgeschiedenis van de Architectuur”:
Henri Stierlin, Turkije. Van de Seltsjoeken tot de Ottomanen,
Keulen 1998. Vermelding verdienen ook de prachtige Iznik-keramiek, de
Osmaanse kalligrafie, e.a.
[8] Zie Stierlin, o.c., p.134:
“door aan de basis van zijn moskee essentiële, aan de
Romeins-Byzantijnse wereld ontleende elementen te plaatsen, eist de sultan
de geweldige erfenis van Justinianus op”. Vergelijk met de Koepel van
de Rots, in Jeruzalem, en de Grote Moskee, in Damascus (einde 7de
eeuw), gebouwd als gelijkaardige ‘proclamaties’ vanwege de
Omayyadenheersers.
[9] De aanhangers van de
ketterse Bosnische kerk werden “Patarenen” genoemd; zij beriepen
zich op de christelijk-manicheïsche leer van de Bogomilen (vgl. met de
Katharen, in het Westen).
[10] R.Detrez
(1996). Zie ook Carretto, G.E. (1983a), L’Empire Osman, in:
Gabrieli (1983), pp. 111-151. Voor de wijze waarop zulke
bekeringsbewegingen ook in verband stonden met de geografie - met name met
het contrast tussen bergland en laagvlakten (en steden) - zie Fernand
Braudel, The Mediterranean and the Mediterranean World in the Age of
Philip II (transl. & abridged, 1992), pp. 11-12, die het heeft
over een “afzonderlijke religieuze geografie” voor het gebergte:
“In the Balkans in the fifteenth century, whole areas of the mountains
went over to Islam, in Albania as in Herzegovina around Sarajevo... The
same phenomenon was to recur during the war of Candia, in 1647. Large
numbers of Cretan mountain dwellers, joining the Turkish cause, renounced
their faith”.
[11] Te meer omdat de
Osmanen wel dégelijk door een religieus-politieke impuls gedreven
werden, nl. van verovering van de christelijke dâr al-harb (darülharb,
in het Turks) en, dus, uitbreiding van de dâr al-islâm (darülislam).
[12] Zie hierover verder,
hoofdstuk 2.
[13] Zie over het
voorgaande Courbage, Y. & Ph. Fargues (1997), ch. 5: “From
Multinational Empire to Secular Republic: The Lost Christianity of Turkey”,
pp. 91-130.
[14] Courbage & Fargues,
o.c., p. 99. Amper een eeuw na haar verovering telde Istanbul (zoals
de stad na verloop van tijd genoemd werd; de naam werd pas echt officieel
onder Kemal) 700.000 inwoners en was een wereldmetropool die tevens één
van de drie grote christelijke steden was (1/3 van de inwoners was
christelijk). Tot aan Wereldoorlog I bleef ongeveer 40% van de
bevolking niet-moslim (d.w.z. christelijk of jood). Zie ibid.
[15] Zie hierover Perry
Anderson, Lineages of the Absolutist State (1974), pp. 361-394. De
Europese inflatie had haar oorsprong in de enorme voorraden goud en zilver
die door de kolonisatoren uit de “Nieuwe Wereld” waren geroofd. In
de studie van Resat Kasaba, The Ottoman Empire and the World Economy
(New York 1988), wordt de impact bestudeerd van het zich expanderende
wereldsysteem op het Osmaanse rijk. De auteur beschouwt de
ontbinding van dat rijk als de culminatie van een lang proces: de Osmaanse
gebiedsdelen werden ingeschakeld in de Europa-gecentreerde wereldeconomie
en de Osmaanse staat verwerd tot een ondergeschikt lid van het interstatensysteem.
[16] Het mislukte beleg
van Wenen, in 1683, “geldt algemeen als een waterscheiding, waarna het
terugdringen van de Osmaanse Turken in Europa een aanvang nam”, hoewel
er al vóór die datum gebied verloren ging in Midden-Europa. Zie GvT,
p. 118. De mislukking ervan leidde tot de ineenstorting van de globale
Osmaanse positie in Centraal-Europa.
[17] Ger Duijzings,
“De Balkan”, in: H.Driessen (1997), p. 62. Zie ook Carretto, G.E.
(1983b), Le déclin Osman et l’éveil des nationalités, in: Gabrieli
(1983), pp. 227-244.
[18] Muhacir (spreek
uit: moehaadjir) is vanzelfsprekend de Turkse spelling van het Arabische
woord muhâjir. Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw zou de
meerderheid der Europese muhacirler - hun toenmalig aantal wordt
geschat op twee miljoen - zich vestigen in Anatolië. Over deze
Oost-Europese, 19de eeuwse “ethnical cleansing”, zie nu Justin
McCarthy, Death and Exile. The ethnic cleansing of Ottoman Muslims
(1999). De auteur typeert zijn studie als volgt: “It is a history
of Muslim suffering, not because Muslims alone suffered, but because a
corrective is needed to the traditional one-sided view of the history of
the Turks and the Muslims of these regions”, p. xi); cf.
ook zijn oudere studie, Muslims and Minorities. The Population of
Ottoman Anatolia at the end of the Empire (1983).
[19] Cf. Duijzings, o.c.,
p. 63: “veel moslims (kregen) de rekening gepresenteerd van de
langdurige Osmaanse overheersing”.
[20] “Er bestond in de
18de en 19de eeuw wel een Europees oorlogsrecht, maar het heeft er alle
schijn van dat dit in Oost-Europa niet werd toegepast als het om moslims
gebied ging. De gevolgen voor de moslimse burgerbevolking waren enorm: ze
kon in slavernij raken of vermoord worden, ze was vogelvrij”, GvT,
l.c. Over de Griekse Verlichting, en haar dubbelzinnige visie op de
Osmanen (“Turken”), zie nu de bijdrage van Katja De Herdt,
Greeks about Turks in the Age of Enlightenment: from Illumination to
Denigration, in: (Acten van het 1e Europese Congres van Niew-Griekse
Studies, Berlijn 2-4 oktober 1998, De Griekse Wereld tussen Oost en West,
1453-1981), vol. 2, Athena 1999, pp. 381-393. De Griekse
Onafhankelijkheidsoorlog ging van start met het uitroeien van de
moslimbevolking (w.o. ook Turken en Albanezen) in de Peloponnesos.
|
|
* Oorspronkelijk gepubliceerd in H.De Ley, "Van
Cordoba tot Mostar", CIE-Cahier Nr 2, Gent 1998. Voor een afbeelding
van de oorspronkelijke brug van Mostar (dus vóór haar vernieling en
recente restauratie), klik hier. |
|