Hoofdstuk
3:
Moslims in Katholiek Spanje
1. De Mudéjares.
Behalve als dominante religie, zoals gezegd, bezit de
West-Europese islam ook als minderheidsgodsdienst een pre-moderne
geschiedenis. Vanaf de 9de eeuw werden moslimkrijgsgevangenen, in plaats van gedood, op grote schaal tot slaaf
gemaakt en eventueel verkocht door christelijke heersers. Dat fenomeen van moslimslaven kreeg vanaf de
11de eeuw vooral maatschappelijk belang op het Iberische schiereiland, in
Italië, Zuid-Frankrijk, Sicilië en de Balearen.[1] De vaak gedwongen
"kerstening" van deze mensen leidde onvermijdelijk tot het fenomeen van een
Europese "crypto-islam".[2]
Een positieve uitzondering daarop - althans in de periode
van de 11de tot de 16de eeuw - vormden een aantal christelijke koninkrijkjes
op het Iberische schiereiland. In het kader, inderdaad, van de zogenaamde
Reconquista veroverden christelijke vorsten, al dan niet permanent, soms uitgestrekte moslimse
gebieden.[3] Ondanks protesten van de Kerk en ongetwijfeld onder inspiratie van
de islamitische dhimma, werd aan de lokale moslimbevolking vaak een vorm
van godsdienstvrijheid en bescherming aangeboden (met ook behoud van hun
eigendomsrecht, bv.), ten einde hen ertoe te overhalen te "blijven".
De motieven van de vorsten om overwonnen moslims (vaak stedelijke groepen
van ambachtslui, maar ook landbouwers, vertrouwd met superieure
irrigatietechnieken) aldus tegemoet te komen, waren ongetwijfeld overwegend
van "economische" en financiële aard, m.a.w. gebaseerd op eigenbelang (cf.
het populaire gezegde "a más moro, más oro").
Die omvangrijke populaties van zgn.
mudéjares[4] - bv.
in Castilië (na de verovering van Toledo, in 1085), in Aragón (capitulatie
van Huesca, in 1096), in Navarre (val van Tudela, in 1119) - betaalden een
gelijkaardige "belasting" als hun christelijke tegenhangers in al-Andalus;
tevens waren ze aan vergelijkbare restricties onderworpen (het was hen bv.
verboden christenen te bekeren tot de islam; in Aragón en Castilië
wachtten christelijke bekeerlingen tot de islam de doodstraf).[5] Hun positie
was weliswaar niet altijd rooskleurig (net zoals, nogmaals, die van hun
christelijke tegenhangers), maar toch slaagden zij erin een eigen vorm van
cultuur - in moderne terminologie: een "frontier culture" - te
ontwikkelen.[6] In het koninkrijk Valencia - waar met de (definitieve) val van
de stad, in 1238, de meest omvangrijke groep moslims in één keer de
christelijke overheersing aanvaard had - behielden de mudéjares zelfs
hun Arabische taal tot op het einde (d.w.z. tot ca 1525).
Zo ontwikkelde zich bv. een hoogstaande
mudéjares-architectuur
en -sierkunst,[7] een
mudéjares-literatuur (in het Romaans), e.d. De 250
jaar vanaf het midden van de 13de tot het einde van de 15de eeuw vormden
daarbij de mudéjar-periode par excellence.[8] De essentie van het zgn. "mudejarisme", zoals Harvey beklemtoont,[9] bestond erin dat
moslims zich onderwierpen en dat ze een niet-moslimheerschappij
aanvaardden - ondanks het feit dat dit door moslimwetgeleerden in de
dâr al-islâm werd afgekeurd en de mudéjares in tal van fatwa’s
werden aangemaand alsnog de "hijra" te maken, d.w.z. te emigreren
uit het land van de ongelovigen (de zgn. dâr al-harb, of "het huis
van de oorlog") naar de eigen dâr al-islâm.
[10]
2. De Moriscos
2.1. Aan die vrij unieke, christelijke "convivencia" -
d.w.z. aan "la España de la tres culturas", zoals dit fenomeen vaak
genoemd wordt: christelijk, joods en moslim[11] - kwam er een einde met de "verovering" van het laatste
moslimbolwerk op het schiereiland, het koninkrijk Granada, in januari 1492.[12]
De veldtocht tegen Granada (nochtans een "vazal" van Castilië)[13] was al tien jaar
eerder ingezet als een nieuwe "kruistocht" tegen de islam; er mag daarom gesproken
worden "van een uitputtingsoorlog met een even methodisch als moorddadig
karakter".[14] Ze diende vanzelfsprekend het politieke belang van de nieuwe, zgn. "dubbelmonarchie", Ferdinand V van Aragón
(1482-1516) en Isabella van Castilië (1474-1504): nl. het hechter aaneensmeden van de vele
koninkrijkjes middels de confrontatie met een gemeenschappelijke vijand.[15] Maar toegewijd als zij
zich had aan de "servicio de Dios", had die monarchie ook
uitgesproken religieuze motieven met de oorlog tegen de moslims van
Granada. De Osmaanse verovering van Constantinopel, in 1453, en andere
verontrustende signalen van een zegevierende islam in het Oosten[16] hadden in
christelijk Europa weerom de roep doen weerklinken voor een "kruistocht"
tegen de volgelingen van de "Antichrist". Beide "katholieke vorsten"
voelden zich daarom speciaal uitverkoren, als kampioenen van de Mediterrane
christenheid, om in eerste instantie het eigen rijk eindelijk in zijn geheel
onder de éne, ware religie te brengen - in afwachting dat ook Afrika en Azië
aan de greep van de islam konden ontrukt worden.
[17]
De eerste slachtoffers, weliswaar, van de religieuze
euforie die volgde op de "verovering" van Granada,[18] waren niet de moslims,
maar de joden: zij werden, zoals bekend, nog hetzelfde jaar uit geheel
Spanje verdreven (het koninklijk Edict van 31 maart 1492 gaf hen 4 maanden
de tijd om - letterlijk - "hun biezen te pakken").[19] Die anti-joodse
maatregel, onmiddellijk na het wegvallen van de laatste moslimmacht op het
schiereiland, mag in eerste instantie verwonderlijk lijken, omdat Ferdinand
en Isabella zich omringd hadden met o.m. joodse en converso-raadgevers.
Alleszins in dat repressieve opzicht, nl. van het katholieke antisemitisme,
zou men kunnen spreken van een "herstel" van de pre-moslimse
situatie.
Volgens Christiane Stallaert moet de uitwijzing van de
joodse bevolking vooral gekaderd worden in het 15de-eeuwse
"integratiebeleid met betrekking tot de converso-minderheid.
De aanwezigheid van joden belemmerde de integratie van de nieuw-christenen
en het maatschappijtype van convivencia werd dan ook definitief
ingeruild voor een christelijk exclusivisme".
[20]
In het kielzog, inderdaad, van de bijzonder gewelddadige,
anti-joodse pogroms in tal van steden van Castilië en Aragón, in de zomer
van 1391, hadden vele joden - d.w.z. wellicht meer dan de helft (op een
totaal van oorspronkelijk ca 200.000) - zich in de eerste helft van de
15de eeuw bekeerd tot het christendom. Onder de naam van conversos of
Marranos, vormden zij een goed herkenbare en tegelijk maatschappelijk
vaak erg suksesvolle minderheid van zgn. "nieuw-christenen" (nuevos
cristianos). Vanwege de zgn. "oud-christenen" werden zij - al dan
niet terecht[21] - verdacht van crypto-judaïsme, en in het midden van de eeuw
kwamen ze net zo goed als de echte joden bloot te staan aan toenemende
discriminaties en gewelddaden, vooral dan in de zuidelijke steden van Spanje.[22]
Ook de oprichting van de beruchte Spaanse Inquisitie (el Santo Oficio)
moet binnen die context worden gesitueerd van etnisch-religieuze,
antisemitische verdachtmaking en intolerantie.[23] Haar eerste optreden, in 1481
in het andalusische Sevilla, deed onder de lokale conversos
onmiddellijk een algemene paniek uitbreken, waarbij duizenden de stad
ontvluchtten.[24] Ook het al vermelde uitdrijvingsedict van 31 maart 1492
vermeldt uitdrukkelijk de "nauwe communicatie tussen christenen en joden"
als de voornaamste oorzaak voor "slechte christenen [conversos]
die judaïseren
en afvallig worden".[25]
Het jaar 1492, vanzelfsprekend, was ook - en voor
Europeanen is het dat quasi uitsluitend[26] - het jaar waarin Christoffel
Columbus, in opdracht van hetzelfde Spaanse koningspaar, vertrok op zijn
eerste reis naar "las Indias" - om in werkelijkheid de zgn.
"Nieuwe Wereld" te ontdekken. Tussen die drie gebeurtenissen: de val van
moslim-Granada, de uitdrijving van alle resterende joden én de expeditie van
Columbus, bestaan er wel degelijk allerlei verbanden. Zo was het op dezelfde
dag, nl. 2 augustus 1492, toen de joden massaal vanuit Cádiz inscheepten op
weg naar een nieuwe diaspora,[27]
dat uit een kleinere haven even verder
noordelijk, nl. Palos (bij Huelva), Columbus’ drie (kleine) schepen
vertrokken.[28] Bovenal, kunnen alle drie de gebeurtenissen gesitueerd worden
binnen het messianistische gedachtengoed van het koningspaar. Op die
context wordt door Columbus zelf, in zijn dagboek, regelmatig gealludeerd.[29]
Net trouwens zoals hijzelf,[30] stond met name ook Isabella[31] onder sterke
invloed van de zgn. Spirituele franciscanen en hun profetische traditie: de
verovering van de islam, de bevrijding van Jerusalem en de bekering van de
joden werden daarin als het voorspel aangekondigd voor het Millennium en de
tweede komst van Christus. Én de verovering, daarom, van Granada (gevolgd
door een reeks van minder succesvolle "kruistochten" o.m. tegen het Noord-Afrikaanse Oran, in 1493), én het uitdrijvingsedict van de joden[32] én de
missie van Columbus moeten geplaatst worden binnen het messianistische
zelfbeeld van het koningspaar, nl. als degenen die vanwege God geroepen
waren om Jerusalem te veroveren, Afrika en Azië te bevrijden van de islam en
het universele christendom te realiseren, als een preludium voor het
Millennium.[33]
2.2. T.a.v. de (voortaan Spaanse) moslims, daartegenover, werd
na de val van Granada nog enkele jaren een "zacht" integratiebeleid gevoerd.
Mede onder impuls, echter, van de machtige kardinaal Cisneros werd nog vóór
het einde van de eeuw overgestapt naar de organisatie van zgn. massadopen:
d.w.z. zowel de mudéjares, in de verschillende christelijke
koninkrijkjes, als de moslims van het ex-koninkrijk Granada - en zulks
ondanks het plechtige Capitulatieverdrag dat gesloten was met de laatste
Nasride[34] - werden tussen 1499 en 1526 onder verschillende graden van dwang
"bekeerd" tot het christendom.[35] Aan die "nieuw-christenen" van zgn.
Moorse origine (in overgrote meerderheid waren zij ongetwijfeld van
autochtone afkomst) ging men de naam geven van Moriscos.[36] Zij
behoorden zo goed als allemaal tot de lagere sociale klassen (als
ambachtslui in de steden, maar vooral ook als lijfeigenen op het platteland)
en werden vrijwel onmiddellijk het slachtoffer van verregaande
discriminaties (de bekeerde mudéjares moesten hun taksen blijven
betalen, bv.), zo al niet van harde repressie en vervolging: eens bekeerd,
immers, mochten ze Spanje niet meer verlaten, werden ze verdacht van
ketterij of afvalligheid (crypto-islam) én als zodanig vervolgd door de
Inquisitie. Islamitische of Arabische boeken werden vernietigd,[37] en er werd
opgetreden tegen gebruiken die men verbonden dacht met de islam - zoals
voedingsgewoonten en... het zich regelmatig baden en wassen.
[38]
Zodra alle ex-moslims geacht waren gekerstend te zijn en
de Inquisitie met haar werkzaamheden gestart was, vormde nominale of
schijnbekering nog de enige uitweg voor Spaanse moslims. Generatie na
generatie werden zij aldus uit lijfsbehoud verplicht centrale islamitische
geloofsregels nog hoogstens in een erg gereduceerde vorm en clandestien te
belijden (bv. het publiek gebed; de verplichting tot rituele reinheid; de
ramadan, e.a.) en religieuze verboden (zoals het drinken van wijn, het eten
van varkenvlees, het aanvaarden van rente, e.a.) regelmatig publiekelijk te
overtreden. Zij kwamen daardoor in een situatie terecht die vrij uniek is in
de geschiedenis van de (soennitische) islam. Weliswaar is de praktijk van
taqiyya (lettl.: het "op-zijn-hoede-zijn") - d.w.z. het zich,
onder dwang, uitwendig conformeren aan het heersende (on)geloof - binnen de
islam niet onbekend, maar als doctrine was zij vooral door de shicitische
minderheid ontwikkeld.[39] Zoals het geformuleerd wordt door Harvey:[40]
"It was the misfortune of the Moriscos to be the first
large population of orthodox Mâlikî Sunni Muslims to find themselves in a
situation in which their continued existence in their homeland depended on
their willingness to conceal their true beliefs, not just with respect to
one isolated incident, but regularly and throughout their lives".
Deze taqiyya vanwege de Morisken - die dit keer
wél op begrip konden rekenen vanwege de islamitische rechtsgeleerden[41] - had contradictorische effecten: enerzijds werden ze in staat gesteld althans
tijdelijk als (crypto-)moslims te overleven in een mono-religieuze,
katholieke Staat; maar anderzijds, door de uitwendige tekenen en levensstijl
te adopteren van de christenen, stelden zij zich bloot aan erosie van hun
religieuze en culturele identiteit. Op het culturele vlak dient in dat
verband nog de creatie vermeld te worden van een omvangrijke islamitische
literatuur - bestemd voor crypto-moslims, en dus geheim - in de
volks-Romaanse of Spaanse taal (zij het met sterke Arabische invloed), maar
mede ter wille van de geheimhouding geschreven in het Arabische schrift, en
vaak (wellicht opzettelijk) nogal duister geformuleerd: dit is de zgn.
literatura aljamiada, of kortweg aljamía.[42] Harvey geeft hierbij
als commentaar:[43]
"It is curious to think that at the same time that Lope
de Vega and Cervantes were creating the great masterpieces of Spanish
literature, Morisco authors were struggling with Spanish to mould it into
a medium fit for the transmission of Islamic culture".
De Spaanse, repressieve politiek - die, zoals gezegd,
ideologisch-doctrinaal gedragen werd door het principe van de "limpieza
di sangre", d.w.z. de "zuiverheid van bloed", als een
ethnisch-culturele notie[44] - lokte uiteraard verzet uit bij de slachtoffers
ervan. Zo brak op het einde van 1568 een massale revolte uit in de
andalusische Alpujarras;[45] ze breidde zich heel snel uit doorheen het gehele
koninkrijk Granada en werd pas in 1571 volledig en bloedig onderdrukt (er
stond een prijs van 20 dukaten op iedere dode Morisk).[46] Hierna volgden de
repressieve maatregelen elkaar nog sneller op, tot uiteindelijk, in 1609, de
politieke beslissing viel om alle overgebleven Morisken uit Spanje te
deporteren - om redenen, zo luidde het, van nationale veiligheid (cf. de
groepssolidariteit onder de Morisken en hun vermeend samenheulen met vreemde
mogendheden: Marokko, het Osmaanse rijk, Frankrijk...). Die massale
deportatie van een althans in naam dan toch gekerstende bevolking uit
een katholieke koninkrijk[47] trof vermoedelijk rond de 330.000 mensen (op een
totale bevolking van 8 of 9 miljoen, d.w.z. 3% van de bevolking).[48] Ze werd,
allicht om praktische redenen, doorgevoerd in verschillende fazen, tussen
1609 en 1614. Sommige gemeenschappen werden direct, via de havens in het
zuiden, getransporteerd naar Noord-Afrika;[49] anderen trokken naar Frankrijk
(waar ze als minder orthodoxe christenen konden leven), of via Italië naar
het Osmaanse rijk, of Egypte. Als ontheemden - die er verdacht erg Europees
en christelijk uit zagen - ondervonden ze overal in de moslimwereld grote
aanpassingsmoeilijkheden, zo al niet vijandigheid.[50] Vooral in Noord-Afrika gingen zij een substantiële minderheid vormen en, althans in
Tunesië, genieten van een mate van lokaal zelfbestuur.
[51]
Volgens een aantal hedendaagse Spaanse historici, had de
maatregel van 1609 zonder meer de bedoeling "om de Morisken op het
grondgebied totaal uit te roeien";[52] vaak trouwens kregen ze maar drie
dagen de tijd om te vertrekken en waren daarna volledig vogelvrij, d.w.z.
mochten straffeloos beroofd en gedood worden.[53] Er zijn nochtans tal van
aanwijzingen dat, zoals reeds een eeuw vroeger met de jodendeportatie het
geval was, ook vele Morisken zich aan de deportatie of de dood hebben weten
te onttrekken,[54] of nadien het land opnieuw zijn binnengekomen. Zij zouden dan
zijn opgegaan in de laagste klassen, en vooral in de zigeunerbevolking, met
haar traditionele gastvrijheid t.a.v. alle marginalen.[55] Niet toevallig,
allicht, heeft de Spaanse zigeunerbevolking precies in die periode een
plotse en dramatisch aangroei gekend.[56] Met de massale deportatie van de Morisken werd dus géén einde gesteld aan het bestaan van een West-Europese
crypto-islam (cf. ook de verdere verslaving van moslimkrijgsgevangenen). Op
grond van Arabische bronnen kan, met name voor Spanje en andere Mediterrane
landen, de aanwezigheid van crypto-moslims worden aangetoond tot in de 19de eeuw.[57] Hedendaagse familiegetuigenissen, anderzijds, vanwege
andalusische
"bekeerlingen", of neo-moslims, bevestigen iets dergelijks ook voor deze 20ste
eeuw.
3. Epiloog
Vandaag wordt "Europa" heropgebouwd en post-Franco Spanje
heeft, samen met de democratie en het pluralisme, ook haar islamitische
erfenis herontdekt. Met de Comisión Islamica de España (erkend in
1992, d.w.z. 500 jaar na de val van Granada) is Spanje vandaag één van de
weinige West-Europese land waar een (betrekkelijk) representatief lichaam
van moslims bij wet erkend en geïnstitutionaliseerd
is; voor vele West-Europese moslims geldt Spanje daarom als een voorbeeld.
[58]
In de autonome regio Andalusië in het bijzonder is er sprake van een
"revival" van de islam, via een opvallende stijging van het aantal
bekeringen; ook een aantal ambtsdragers (zoals burgemeesters) bekennen zich
tot de islam. Deze neo-moslims ervaren hun bekering als de
"herontdekking" van een verloren, oorspronkelijke identiteit, als een
"terugkeer" naar hun "wortels".[59] In alle belangrijke steden is een
islamitische stichting actief (Jama’a Islamica de al-Andalus), en in
Cordoba bestaat sedert enkele jaren een kleine, maar sterk gemotiveerde "Universidad
Islámica Internacional Averroes de Al-Andalus". Rector ervan was
tot aan zijn onverwacht overlijden Prof. Ali Kettani, uit Rabat, maar het professorencorps is quasi
volledig "autochtoon" Spaans.
In het kader van het hedendaagse, andalusische
nationalisme speelt ook de kwestie van de 17de-eeuwse, achtergebleven of
teruggekeerde Moriscos een belangrijke ideologisch-politieke rol.[60] Niet
verwonderlijk, zijn de andalusische nationalisten geneigd om de Morisco-sporen
in de huidige andalusische samenleving eerder te over- dan te onderschatten.[61]
_______________________

NOTEN
[1] Bij
de finale verovering van Minorca, bv., in 1287, werd de gehele bevolking
ervan door de Aragonezen verkocht als slaven - met uitzondering van
de heel rijken, die tegen een hoge losprijs konden emigreren naar Noord-Afrika; zie Fletcher, o.c., p. 136.
[2] Zie
Van Koningsveld, l.c., maar vooral zijn “inaugurele oratie”,
Islamitische slaven en gevangenen in West-Europa tijdens de late
Middeleeuwen (Leiden 1994).
[3] “Zogenaamde”
Reconquista, omdat de notie van een “hérovering”
- sc. van het “oorspronkelijke”, christelijke Spanje op de vreemde
bezetter - een puur ideologisch begrip was, gecreëerd door een
bewustzijn dat pas ontstond in de loop van de militaire machtsstrijd
(zie ook de creatie door Rome van de kruistochtideologie). Zie Christine Stallaert, Etnisch Nationalisme in Spanje. De historisch-antropologische grens tussen Christenen en Moren
(1996), pp. 23-24: “In de acht eeuwen durende Reconquista groeide
het collectief bewustzijn van het christelijke Spanje. Centraal in dit
bewustzijn stond de godsdienstige identiteit... De hedendaagse
Spaanse geschiedschrijving wijst de traditioneel-nationalistische
interpretatie van de Reconquista af: het ging niet om een strijd
tussen ‘Spanjaarden’ en de Moorse vreemde bezetter of om een
kruistocht voor het geloof, wél om een interne machtsstrijd tussen twee religieus-etnische groepen, zodat de Renconquista eerder moet
begrepen worden als een burgeroorlog”.
[4] Spaanse
verbastering van het Arabische al-mudajjanûn, d.w.z. “degenen
die gebleven zijn”, sc. in plaats van te emigreren naar de dâr
al-islâm; ook: de ahl al-dajn, “de mensen van de dajn”
genoemd (het werkwoord dajan wordt ook gebruikt voor
het temmen/getemd-zijn van dieren).
[5] Een
belangrijk, zo niet essentieel, verschil met de dhimmî-s in de
andalusische moslimstaat, was wel dat deze laatsten een statuut genoten
dat religieus-politiek gewaarborgd was, nl. in het kader van de
islamitische Wet; zij stonden bijgevolg onder “de bescherming van
God en Muhammad”. De dajn, daarentegen, die de mudéjares
beschermde, was louter te danken aan een particuliere
“diplomatieke” bepaling in het eventuele verdrag afgesloten
bij een militaire overgave, of in lokale charters. Naarmate de
krachtsverhoudingen zich verder wijzigden in het voordeel van de
christenen, verslechterde de situatie van de mudéjares
steeds sneller. Voor een kritische bespreking van deze zgn.
Convivencia, of vreedzame coëxistentie, tussen christelijke
heersers en een onderworpen moslimbevolking, zie ook Fletcher, o.c., pp.
131-156.
[6] Voor
de christelijke Mozaraben (het woord is afgeleid van het Arabische
mustacrab, d.w.z. “gearabiseerd”) in
al-Andalus was dat in mindere mate het geval, precies als gevolg van de
veel grotere aantrekkingskracht van de Arabisch-islamitische
cultuur; tegelijkertijd was er in Moslim-Spanje een toenemende
christelijke “brain-drain”, als gevolg van de sterke propaganda
vanuit het Noorden: “Ainsi pris en étau, les Mozarabes étaient
condamnés soit à
passer à
l’Islam, soit à
émigrer vers les royaumes chrétiens...”,
D.Urvoy, Pensers d’al-Andalus
(1990), p. 30. Zie ook M.de Epalza, Mozarabs: an Emblematic
Christian Minority in Islamic al-Andalus, in: Jayyusi (1994),
vol. 1, pp. 149-170; Margarita López Gómez, o.c.
[7] Prachtige
voorbeelden daarvan zijn vandaag bv. nog te bewonderen in Sevilla: zo in
het zgn. Casa de Pilatos (16de eeuw), en vooral het Real
Alcázar: meer in het bijzonder in het zgn. Palacio del Rey Don
Pedro, dat tussen 1364 en 1366 gebouwd werd op last van koning Pedro
de Wrede door moslimkunstenaars en -ambachtslui (Sevilia - Isbîlia
- was in 1248 verloren gegaan aan de Castiliaanse koningen).
[8] Zie
het artikel, “Mudejar”, van de hand van P.Chalmeta, in de EoI,
pp. 286-289; alsook L.P.Harvey, The Mudejars, in: Jayyusi (1994),
I, pp. 176-187, cf. p. 176: “It was in the mid-13th century, with the
enormous successes achieved by the armies of the Christian conquest,
that ‘Mudejarism’ became firmly embedded in the social fabric of late
medieval Spain”.
[10] Zo lezen we in een fatwa: “Met ongelovigen te
leven, wanneer ze geen dhimmî zijn en (als zodanig) een
inferieure status hebben, is niet toegestaan, zelfs niet voor één uur
per dag, omwille van al de onreinheid en vuiligheid die ermee
gepaard gaat, en omwille van de zowel religieuze als wereldlijke corruptie die de hele tijd aanhoudt”. Gecit. bij Harvey, o.c., p.
179. Wat de mogelijke verklaring betreft voor de “halsstarrigheid”
van de mudéjares, stelt Harvey de (suggestieve) vraag: “Was it
love of the country in which they were born that motivated them to do
so?”.
[11] Behalve christenen en moslims, waren ook de joodse
gemeenschappen er actief bij betrokken, cf. Toledo, als internationaal
vertaalcentrum.
[12] “Wat men de ‘verovering van Granada’ pleegt te
noemen is een al even aanvechtbare term als de ‘ontdekking van Amerika’ in
ditzelfde jaar”, E.M.Janssen Perio, Een Nieuwe Wereld. Europese
ontdekkingsreizen en renaissance rond 1500 (1994), p. 99.
[13] En betaalde als zodanig jaarlijks een tribuut, gewoonlijk in goud.
[15] Het initiatief leverde het vorstenpaar ook tal van
financiële voordelen op, zoals extra-subsidies vanwege de kerk, en
van de paus het recht op de inkomsten van de verkoop van bijzondere
aflaten (met de opbrengst daarvan zou in 1492 de expeditie van Columbus
gefinancierd worden). Zie Kagan, o.c, p. 57.
[16] Bv. de verovering van het Zuid-Italiaanse Otranto,
in 1480. Janssen Perio, l.c., merkt hierbij op: “de luxe van enig
begrip voor de islam konden christenen en geleerden zich pas in de 18de en
19de eeuw permitteren”.
[17] Over het “messianisme” van dit koningspaar,
zie verder.
[18] Het vorstenpaar kreeg van de paus de eretitel van
“Katholieke Koningen” (los Reyes Católicos) precies als dank
voor de inname van Granada; anderen bestempelden Ferdinand dan weer
als de nieuwe Karel de Grote, enz. Zie Kagan, o.c., p. 58.
[19] Het aantal niet-bekeerde joden tegen het einde van
de 15de eeuw wordt geschat tussen de 80.000 en 100.000. Sommige joden
verkozen wellicht in Spanje te blijven als crypto-joden. De Nederlandse
vertaling van het belangrijkste deel van de tekst van het Edict is te
lezen bij Janssen Perio (1994), pp. 117-118 (met verwijzingen).
[20] Stallaert, o.c., p. 36. Zie natuurlijk reeds de
anti-joodse politiek van de Visigothische heersers (cf. supra).
[21] De ophefmakende studie van B.Netanyahu, The
Origins of the Inquisition in Fifteenth Century Spain (1995),
heeft precies als hoofdstelling dat, ondanks de massa documenten/bekentenissen
van de Inquisitie, de overgrote meerderheid van de Marranos wel
degelijk overtuigde christenen waren (dat was trouwens ook de opinie
van de eigentijdse, joodse rabbijnen, hoofdzakelijk in Noord-Afrika,
die geconsulteerd werden over het probleem hoe, als jood, om te gaan met
zulke conversos). Zie ook de kritische bespreking van Netanyahu’s boek door H.Kamen, in The New York Review of Books,
XLIII.2 (February 1, 1996), pp. 4-6. Kamen stipt als verwonderlijk aan
dat N. doorheen het gehele boek judaïsme en christendom als de
belangrijkste componenten presenteert van de Spaanse religieuse
cultuur: “Few readers would suspect that Islam was the largest
faith in the peninsula, not Judaism”. Van de hand van Netanyahu
verscheen ondertussen ook de bundel, Toward the Inquisition.
Essays on Converso and Jewish History in Late Medieval Spain
(1997).
[22] Enigszins vergelijkbaar met de situatie van zgn.
genaturaliseerde allochtonen, vandaag, in onze samenleving, werden
joden en Marranos door de oude katholieken over één kam
geschoren. Zie Kagan, o.c., p. 58. Zoals gezegd, was dat ook al onder de
Visigothen het geval, zie hoger.
[23] Het nieuwe aan de Spaanse Inquisitie, in
vergelijking met de middeleeuwse (opgericht door paus Gregorius IX, in
1233), was dat zij onder koninklijke, en niet onder bisschoppelijke,
jurisdictie stond. De toenmalige paus (Sixtus IV) gaf daartoe in
november 1478 zijn toelating. Volgens Netanyahu was de groeiende
intolerantie in werkelijkheid sociaal-economisch geïnspireerd, maar
zocht men de concurrentie van de nieuw-christenen uit te schakelen door
ze te beschuldigen van crypto-judaïsme (bv. in Toledo, in de jaren
1440). In het identiteitsconflict dat eruit volgde, moet z.i. de
eigenlijke geboorte van het racisme (en meer in het bijzonder van het anti-semitisme) worden gezocht: cf. de leer van de zgn. “limpieza
de sangre” (alleen oud-christelijk bloed was “zuiver”), die
in tal van steden in statuten werd gegoten om mensen met
“onzuiver bloed” (d.w.z. van joodse oorsprong) te weren uit
stadsraden, universiteiten, religieuze ordes, enz. (zie ook verder). De wrede repressie waaronder de Marranos te lijden hadden - cf.
de zgn. auto’s de fe, i.e. publieke “vieringen” van het
Tribunaal, tijdens dewelke de afvalligen opnieuw “verzoend” werden met
het ware “geloof” (dank zij straffen, gaande van zweepslagen en
publieke vernedering, voor berouwvolle zondaars, tot dood op de
brandstapel) -, bracht mee dat vele vervolgden zich in wanhoop inderdààd
weer tot hun oude geloof wendden: “It was not the judaizing of the
Marranos that produced the Inquisition, but the Inquisition that
produced the judaizing of the Marranos” (Kamen, o.c., p. 6, in
zijn weergave van Netanyahu’s boek).
[24] Maar dat belette niet dat er tegen 1486 in Sevilla
al 600 “ketters” aan hun eind waren gekomen op de brandstapel (PS de
bevoegdheid van de Inquisitie betrof énkel katholieken; noch moslims
noch joden waren eraan onderworpen). Ondertussen had de koning in 1483
“Broeder” Tomás de Torquemada aangesteld als eerste Groot-Inquisiteur. Onder de leiding van Torquemada werden in Sevilla
1.664 mensen levend verbrand en werden 32.456 tot “berouw” gebracht;
over het totaal aantal slachtoffers van de Spaanse Inquisitie lopen de cijfers erg uiteen, gaande van 341.021 tot 800.000. Zie Manuel Barrios,
Gitanos, Moriscos y Cante Flamenco (1989), p. 81.
[25] Geciteerd bij Kagan, o.c., p. 59. De repressieve
maatregelen hadden zich in de decennia daarvoor opgevolgd: met een edict
van 1480, bv., waren de joden reeds gedwongen geweest zich binnen
een termijn van twee jaar in een volledig omheinde wijk (de judería)
te vestigen, volledig afgesloten van de christelijke bevolking, die
aldus moest gevrijwaard blijven van “besmetting”.
[26] Zie María Rosa Menocal, Al-Andalus and 1492:
The Ways of Remembering, in: Jayussi (1994), I, pp. 483-504.
[27] Joodse rabbijnen bestempelden de expulsie als een
nieuwe "exodus", vergelijkbaar met het vertrek van de joden uit Egypte. Het
aantal Sephardische joden dat vertrok wordt door Kagan, o.c., p. 60,
geschat op minimum 40 tot 50.000; ze vertrokken vooral naar
bestemmingen in Portugal (waaruit ze opnieuw zouden verdreven
worden in 1496), Noord-Afrika, Italië, Polen en het Osmaanse rijk: in dat
laatste
werden ze door sultan Beyazit II gastvrij ontvangen en gevestigd in
steden als Istanbul en Saloniki (nog op het einde van de 19de eeuw was
de helft van de bevolking van deze belangrijke stad joods; tijdens de Nazi-bezetting, W.O.II, werden 42.830 joden uit Saloniki naar Birkenau
weggevoerd), maar een groot aantal vestigde zich ook in de Arabische
wereld: Damascus, Caïro, Baghdâd...(nauwelijks of geen dus in... Palestina). Zie hierover: Avigdor Levy, The Sephardim in the Ottoman
Empire (Princeton 1992). In Janssen Perio (1994), pp. 114-115, wordt
een kaart van Europa afgedrukt die de verdrijvingen van de joden
tussen 1000 en 1500 aangeeft.
[28] Het hoofdstuk, bij Janssen Perio (1994), over
“de verdrijving van de joden uit Spanje”, pp. 112-118, evenals dat
over de val van Granada worden niet toevallig in het Columbusdeel (Deel
II: De vijftien jaren van Columbus) behandeld.
[29]
Columbus start zijn dagboek (dat gericht is aan het koningspaar) met een
verwijzing naar de recente overwinning op “de Moren die heersten
in Europa”, heeft het ook over de expulsie van alle joden “uit
al uw koninkrijken en gebieden” en koppelt beide aan zijn eigen
opdracht om “las Indias” te verkennen, ten einde uit te maken
“hoe hun bekering tot het Heilige Geloof zou kunnen ondernomen
worden” (gecit. bij Kagan, o.c., p. 60). Terloops mag hier vermeld
worden dat de eerste om in alle scherpte de mishandeling en uitroeiing
aan te klagen van de Indianen in de “Nieuwe Wereld”, nl.
Bartolomé de Las Casas (1475-1566; cf. o.m. zijn controversieel boek,
“Kort relaas van de verwoesting van de West-Indische landen”,
van 1552), van afkomst een... converso was (hij trad in de jaren
‘20 van de 16de eeuw toe tot de orde van de Dominikanen).
[30] Cf. zijn Boek van Profetie, geschreven in 1498, waarin hij uitrekent dat het
Millennium nabij is. Tegelijkertijd belijdt hij ook voor zichzelf
messianistische ambities (“God maakte mij de boodschapper van de
nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarover hij sprak in de Apokalyps van
H.Johannes, na erover te hebben gesproken door de mond van Isaiah; en
hij toonde mij de plek waar ik ze kon vinden”, nogmaals geciteerd
bij Kagan, l.c.).
[31] Cf. haar invloedrijke biechtvader, de Franciscaner
kardinaal Cisneros. Voor bibliografische verwijzingen, zie Kagan,
o.c.
[32] Zoals gezegd, kregen de joden vier maanden de tijd
om zich klaar te maken voor het vertrek (ze konden hun eigendommen
ondertussen verkopen en mochten ook eigendom meenemen, zij het met
uitzondering van goud en zilver en enkele andere zaken verboden bij
wet). Er zijn aanwijzingen dat Isabella erop rekende dat het
uitdrijvingsedict alsnog een massale bekering van de overgebleven
joden zou uitlokken (in werkelijkheid was het omgekeerde het geval:
de joodse gemeenschap, die tot dan toe scherp verdeeld was, werd
erdoor verenigd). Zie Kagan, o.c., p. 60.
[34] De 67 artikels van het verdrag “garandeerden” o.m.
de godsdienstvrijheid voor de moslims en verzekerden dat er geen
bekeringsbeleid zou worden gevoerd, cf. Stallaert, l.c.; voor een lang
uittreksel ervan (in Engelse vertaling), zie Ahmad Thomson, Blood
on the Cross. Islam in Spain in the light of Christian persecution
through the ages, London 1989, pp. 249-251; voor korte selectie in
Nederlandse vertaling, zie Janssen Perio (1994), pp. 105-106. Cf. artikel
32: "Evenzo is vastgesteld en overeengekomen dat tegen geen enkele Moor
of Moorse geweld mag worden gebruikt om hem of haar christen of christin
te laten worden".
[35] De opstanden waartoe dat beleid aanleiding gaf,
vooral in Granada, werden met harde hand onderdrukt. De moslims kregen
de keuze tussen “o todos moros o todos cristianos”, d.w.z. tussen
collectieve bekering of ballingschap. Wie wou emigreren naar
Afrika diende daar weliswaar een hoge som geld voor te betalen;
bekeerlingen mochten hoe dan ook niet vertrekken. Op die manier kon men er
in 1501 officieel van uitgaan dat het koninkrijk Granada christelijk
was geworden.
[36]
Zie
het artikel “Moriscos”, van G.A.Wiegers, in de EoI, vol. VII,
fasc. 117-118 (1991), pp. 241-244; maar vooral L.P.Harvey, The
political, social and cultural history of the Moriscos, in: Jayyusi,
I (1994), pp. 201-234 (pp. 201-203 over de dubbelzinnigheid van de
benaming: “morisco” betekent op zich weinig meer dan “moors”;
Janssen Perio,o.c., p. 471 n. 19, geeft als letterlijke vertaling van
Moriscos: "Moortjes"). Zoals bekend, komt de benaming
“Moor” van de naam “Mauri”, d.w.z. de Berberbewoners van de
Romeinse provincie Mauretanië. Het gebruik ervan heeft niet enkel
raciale connotaties, nl. van zwarte huidskleur (in werkelijkheid zijn
vele Berbers blond en blauwogig), maar beklemtoont ook de Berberse
component in de Andaluscultuur. Zie Glick (1979), pp. 14-15.
[37] Tijdens de bekeringskampagne onder de “Moren” van
Granada, in 1500, zou kardinaal Gimenez op het marktplein van Vivarrambla meer dan 1 miljoen boeken verbrand hebben, waaronder unieke werken uit de
andalusische cultuur (Thomson, o.c., p. 255).
[38] Het uitroeien van alle sporen van islam ging bv.
gepaard met de systematische vernieling van publieke
badhuizen. De gevolgen voor de volksgezondheid laten zich raden. Cf. L.Catherine, Vuile Arabieren (1993), p. 7: "De heren
inquisiteurs herkenden moslims trouwens aan hun lichaamsgeur: wie
tekenen van geregeld wassen van lichaam en kleding vertoonde,
was een moslim. Zo bepaalde het de groot-inquisiteur in zijn
handboek. Wie kwalijk rook was een waar kind van onze moeder de Heilige Kerk". Ook verschillen in voedingspatroon wekten
wantrouwen: “Verbruik van wijn en varkensvlees werd de maatstaf om
een goed, overtuigd christen te onderscheiden van de nieuwe
‘schijn’christenen. Christen-zijn werd in de Spaanse zestiende-eeuwse
maatschappij haast herleid tot een dieetkwestie”, Stallaert, o.c.,
p. 49. Tenslotte, werkte ook het waanbeeld van de grotere vruchtbaarheid van de Morisken (cf. vandaag, i.v.m. Marokkanen en
Turken, in ons land) bij de zgn. oud-christenen de angst in de hand dat
hun meerderheidspositie en machtsmonopolie bedreigd werden
(vandaar radicale voorstellen om bv. alle Morisken-mannen tussen de
achttien en veertig jaar te... castreren). Zie Stallaert, o.c., p. 48 en
n. 186 (p. 193).
[39] Cf. reeds de Qor’ân, 16.106 (veroordeling van
apostasie): “Wie ongelovig wordt aan Allah na geloofd te hebben, -
tenzij wie gedwongen is, terwijl zijn hart rustig verzekerd is in het
geloof -, maar wie zijn borst verruimt met ongeloof, op hen is toorn
vanwege Allah en voor hen is een ontzaglijke bestraffing” (vert.
Kramers).
[41] Belangrijk is hier de fatwa daaromtrent
uitgesproken door een mufti in Oran, tussen 1503 en 1504 - de tekst werd
nadien ook vertaald in het Spaans, maar in Arabisch schrift -, die een
tolerant patroon verschafte voor de klandestiene Morisco-variant van
islam. Zie Harvey, o.c., pp. 209-210. Er is bijgevolg een opvallend
verschil tussen de houding vanwege moslimgeleerden t.a.v. de
Moriscos en die van joodse rabbijnen t.a.v. de Marranos. Het lijden
van deze laatsten lokte vanwege hun eertijdse geloofsgenoten, in
plaats van sympathie, integendeel heel wat leedvermaak uit (ze kregen
“hun verdiende loon”). Zie Netanyahu, bij Kamen, o.c., p. 4.
[42] Het oorspronkelijke Arabische woord, cajamî,
betekent “niet-Arabisch, vreemd”. Zie Harvey, o.c., pp.
212-220, die opmerkt, ibid., p. 213: “To the best of my knowledge there
is no evidence that any Christian Spaniard, however well-informed, was
ever aware of its existence”.
[44] Zoals gezegd (zie hoger), na de oprichting
van het Tribunaal van de Inquisitie, werden ook de zgn. limpieza-
of zuiverheidsstatuten ingevoerd: “De invoering van een zuiverheidsstatuut
betekende dat men, om toegang te krijgen tot een sociale instelling
of ambt, moest kunnen aantonen dat men van zuivere oud-christelijke
origine was, dat men dus geen Moors, joods of ‘ketters’ bloed in de
aderen had of dat men nooit te maken had gehad met de Inquisitie”,
Stallaert, o.c., p. 38. De vorming, in deze eeuwen, van de Spaanse natie-staat gebeurde dus a.h.w. op basis van een “biologisch
katholicisme” (Stallaert). De verschuiving van dit Spaanse
racisme in 15de en 16de eeuw, nl. van joden naar “Moren”, vertoont
parallellen met de verschuiving van het moderne racisme, nl. van het
antisemitisme (anti-judaïsme), in de jaren ‘30 van de 20ste eeuw, naar het hedendaagse anti-moslimisme.
[45] Min of meer gelijktijdig was ook in de noordelijke
Spaanse gebieden (Vlaanderen en Nederland) een grootschalige opstand
uitgebroken.
[46] Naar schatting ca 60.000 Morisco’s zouden in deze
jaren de dood hebben gevonden, voor een “kostprijs” voor de overheid van
3 miljoen dukaten; cf. Thomson, o.c., p. 293.
[47] Stallaert, o.c., p. XVIII, noemt de maatregel
“een uniek geval in de geschiedenis van het christendom, aangezien
het de uitwijzing betreft van een groep christenen uit christelijk
grondgebied”.
[48] Zie Harvey, o.c., pp. 230-231; Stallaert, o.c., p.
49, houdt het bij “zo’n 275.000". Tegelijkertijd werden de
christelijke landheren schadeloos gesteld voor hun economisch verlies wegens
het gedwongen vertrek van hun werkvolk...
[49] Dat kon echter gepaard gaan met repressieve
maatregelen: zo kwam er bij de inscheping van de Moriscos in Sevilla een
koninklijke order die hen verbood naar een moslimland te vertrekken met
kinderen onder de zeven jaar. Een duizendtal kinderen moesten aldus
achtergelaten worden. Een belangrijk eigentijds ooggetuigeverslag over de
omstandigheden van de Moriscos, hebben we te danken Ahmad Ibn Qâsim
al-Hajarî (gest. na 1640). Zijn boek is nu uitgegeven, met inleiding en
geannoteerde vertaling, door P.S. van Koningsveld, Q. al-Samarrai & G.A.Wiegers
(in de reeks Fuentes Arábico-Hispanas, 21, Madrid 1997).
[50] Zo spraken de Morisken die in 1610 Tunesië en
Marokko bereikten, blijkbaar geen Arabisch meer, maar Spaans, cf. G.S.Colin,
art. al-Andalus, in: EoI, p. 502. Vooral in de westelijke Maghreb werden de ballingen vaak het slachtoffer van geweld en doodslag.
[51] “Their traces... still survive in many spheres
and many North Africans proudly proclaim their Andalusian origin which
is in many cases apparent from their patronyms” [bv. Castillo, Blanco,
Negro, enz.], J.D.Latham, in EoI, I (1960), p. 496 (Appendix:
the ‘Andalus’ in North Africa”). Harvey, o.c., p. 212, wijst
nog op de moskeeën in Spaanse barokstijl die sommigen oprichtten in
hun Tunesische verblijfplaats (Testour). Verwijzen we bv. ook naar
de huidige Arabo-andalusische muziek van de Maghreb-landen:
Marokko, Algerije, Tunesië en Libië. Een van de belangrijkste stijlen
van deze muziek vindt volgens de orale traditie zijn oorsprong in Granada - Gharnata in het Arabisch - en wordt de Tarab Gharnati,
“stijl van Granada”, genoemd, Deze stijl is dominant in de
Algerijnse Arabo-andalusische muziek. In Marokko wordt de Tarab
Gharnati beoefend in de oostelijke stad Oujda en de oude keizerstad
en huidige hoofdstad Rabat.
[52] Cf. Stallaert, o.c., p. 58.
[53] Manuel Barrios, Gitanos, Moriscos y Cante
Flamenco (1989), p. 49, aarzelt daarom niet om met citaten van
uitdrijvingsverordeningen in de hand te spreken van een "esquema de
un genocidio".
[54] Soms, zoals in de kuststreek van de diocees van
Tortosa (Aragón), gebeurde dat met de steun en medewerking van de
kerkelijke autoriteiten van hun streek, zie Harvey, o.c., p. 231.
[55] De zigeuners hebben Spanje in twee "bewegingen"
bereikt: (a) de zgn. gitanos via Afrika (cf. de etymologie die ze
met Egypte in verband brengt) en Andalusië, vermoedelijk al sedert
vele eeuwen, en (b) de zgn. cingaros via het Noorden (Balkan,
Hongarije, Duitsland, Frankrijk), wellicht pas in de 15de eeuw. Hun oorspronkelijke
“thuisland” zou het noorden van India geweest zijn, dat ze tussen de
8ste en 10de eeuw zouden verlaten hebben - maar dat zijn speculaties. Zie Barrios, Gitanos, Moriscos y Cante Flamenco (1989), p. 23 e.v.
Ook de zigeuners kwamen op het einde van de 15de en in de 16de eeuw bloot te staan
aan toenemende repressie (de eerste anti-zigeunerwet kwam er in
1499). Die nam weliswaar nooit dezelfde extreme vorm aan als die tegen
(crypto-)joden en moren. Zo stemde de Spaanse Raad van State in juli 1611
dat ook de zigeuners dienden verdreven te worden, maar mede door de
dubbelzinnige houding o.m. vanwege de Spaanse adel bleek dat niet
uitvoerbaar. Nog in 1749 werd door de bisschop van Oviedo een
regelrechte liquidatiecampagne opgezet, met levenslange
dwangarbeid voor alle zigeuners. In 1783, echter, kwam er een radicale
ommekeer in het beleid (zigeuners werden verplicht hun kinderen naar
school te sturen, ten einde ze te integreren).
[56] Zo Barrios, Gitanos, Moriscos y Cante
Flamenco (1989), pp. 90-91. Zoals de titel van dit polemische
boek(je) al aangeeft, voert de auteur niet enkel een uitgebreide en
gedocumenteerde argumentatie om de opname van een massaal aantal Morisken in de zigeunerbevolking (gitanos) aan te tonen
(hoewel, zoals gezegd, regelmatig vervolgd, was de situatie van de
zigeuners in vergelijking met die van crypto-joden en crypto-moslims veel
gunstiger; zo zijn er bijna geen gevallen bekend van vervolging door de
Inquisitie), maar tevens om de creatie, precies in deze periode,
van een totaal nieuwe Spaanse muziekstijl, nl. de flamenco, als een
uniek product van die versmelting van Gitanos en Moriscos
te presenteren.
[57] Ook het zgn. Morisco-vraagstuk kwam opnieuw
in de actualiteit in 19de-eeuws Spanje, maar dat had veel zo niet
alles te maken met de militair-koloniale conflicten tussen Spanje
en Marokko.
[58] Zo Shadid & Van Koningsveld (1995), p. 51.
De Comisión zoekt echter geen samenwerking met de (vele)
verenigingen die niet toegetreden zijn. Voor een meer kritische kijk op de
positie van de moslimminderheid in de hedendaagse Spaanse Staat , zie Montserrat Abumalhan, The Muslim Presence in Spain: Policy and Society
(1996), pp. 80-92; vooral Jordi Moreras, "Musulmanes en España",
in: Musulmanes en Barcelona, 1999 (op
deze site). Met de val van de Spaanse socialistische
regering, na de laatste verkiezingen, en het aan de macht komen van de
conservatieven is de situatie hoe dan ook fel verslechterd. Ook de
katholieke kerk blijft zich sterk verzetten tegen elke opening naar de
moslims (typerend bv. is de weigering om de Mezquita, of Grote Moskee,
van Cordoba - onder Karel V werd er barokkerk middenin geplant -, als
moslimmonument open te stellen voor gebedsstonden van moslims).
[59] De vraag, of de betrokkenen wel of niet afstammen
van moslimse voorouders (sommigen verwijzen in hun persoonlijk
verhaal ook naar restanten van crypto-islam bij hun ouders of
grootouders), is hierbij irrelevant. Cf. P.S.van Koningsveld (1994), p.
32: "De afgedwongen kerstening van deze groepen is een van de
belangrijkste factoren die het hedendaagse succes kunnen verklaren
van de revival-bewegingen in het Westen waarbinnen de islam wordt
'herontdekt' als een oorspronkelijke identiteit die verloren was geraakt.
Dit geldt niet alleen voor de zgn. 'Renaissance' van de islam onder
mensen van Spaanse origine, vooral in Andalucía, maar ook voor de
'Black Muslims' in de V.S. van Amerika. Daarbij is minder relevant of
de bedoelde groepen zelf nu wel of niet direct of indirect afstammen van
islamitische voorouders. Van belang is vooral het feit dat zij in de
islam een inspiratiebron konden vinden voor hetgeen zij zien als het herwinnen van een verdrukte cultuur en identiteit, juist omdat het
wegdrukken van de islam in het Westen een historisch feit was".
[60] Zie Stallaert, o.c., pp. 58 en 59, die zich
daarbij ook de vraag stelt “waarom de hedendaagse Spaanse
geschiedschrijvers zoveel belang hechten aan het naspeuren van resten
van Moors of joods bloed in de etnische samenstelling van de huidige
Spanjaard... Met hun zoektocht of vraagstelling vertolken (zij) de typisch
casticistische denkwijze die de Spaanse etniciteitsgeschiedenis
beheerst, nl. het zoeken naar biologische overblijfselen van een religieus-etnisch onderscheid”.
[61] Manuel Barrios, auteur van het enkele malen
geciteerde boekje over "Gitanos, Moriscos y Cante Flamenco",
behoort mogelijk tot deze "neo-Morisco" beweging.
|