Het Arabisch-Islamitisch Hellenisme
door Herman De Ley (© 2001)*
1. Het Arabisch-Islamitisch Humanisme
1.1. Tussen de 7de en de 9de
eeuw zette de Latijnse christenheid haar eerste, schuchtere stappen op
het moeizame pad van een nieuw civilisatie- en rationalisatieproces,
vanuit de "barbarij" teweeggebracht door de Germaanse invallen. Daarmee
in fel contrast, werd in diezelfde periode het Arabische moslimrijk
drager van de hoogste, menselijke cultuur en civilisatie, in het
uitgestrekte gebied van de mediterrane oikouménè,
gaande van de Atlantische tot de Indische Oceaan.
Bijna alle prestigieuze centra van (oudere en
jongere) geleerdheid en beschaving maakten er deel van uit (de
belangrijkste uitzondering, vanzelfsprekend, was Byzantium of
Constantinopel).
Om die algemene uitspraak toch even te
concretiseren, wat civilisatie in de zin van "materiële"
cultuur betreft: de nieuwe wereldhoofdstad Baghdâd,
"Stad van de Vrede", telde ca 1,5 miljoen inwoners; ze
beschikte over duizenden moskeeën en badhuizen, honderden
bibliotheken, talrijke scholen, hospitalen, enz. Het westerse Cordoba
in al-Andalus, anderzijds, door christenen verheerlijkt als het "Sieraad
van de Wereld" (1),
telde ca 300.000 inwoners en beschikte over honderden moskeeën
en badhuizen, tientallen bibliotheken, hospitalen, enz. (2);
het bezat waterleiding, straatverlichting, geplaveide straten, enz. Op
het hoogtepunt van het andalusische kalifaat, onder cAbd
al-Rahmân III en al-Hakam II (10de eeuw), was Cordoba zelfs
de belangrijkste politieke hoofdstad van de islam en tegelijkertijd de
meest geciviliseerde stad van Europa(3).
Maar ook wat de geestescultuur betreft (die
uiteraard samenhangt met de materiële cultuur), toonde de
islam zich een (méér dan) waardige erfgenaam van
de vele, oude cultuurtradities in de verschillende regio's die nu deel
uitmaakten van de dâr al-islâm.
Zoals W. Montgomery Watt hierover schrijft
(4):
"er is iets bijna ongelofelijks en,
daarom, fascinerend in het verhaal van hoe de antieke culturen van het
Nabije Oosten getransformeerd werden in een islamitische cultuur".
In dat verband moet op een belangrijk onderscheid
worden gewezen met de historische voorgangers van de Arabische
veroveraars: de Romeinen. Hoewel deze laatsten, bij de creatie van hun
imperium, de gehele Griekse of hellenistische wereld veroverd hadden,
blééf het Grieks de cultuurtaal - ook in Rome.
Gans anders was het met de Arabieren: hoewel het culturele peil van de
bedoeïenenlegers oorspronkelijk erg laag was; en hoewel zij,
in enkele jaren tijd, gebieden hadden veroverd (Syrië,
Perzië, Egypte...) waar een stedelijke beschaving bestond die
millennia jaren oud was, hebben zij na verloop van jaren aan de
meerderheid van die oude cultuurvolkeren hun Arabische taal
kunnen opleggen. Het prestigieuze erfgoed van die eeuwenoude culturen
werd voortaan in het Arabisch uitgedrukt - door christenen en joden
zowel als door moslims. De historische verklaring daarvoor moet
ongetwijfeld gezocht worden in de Qur'ân,
als een Arabische openbaringstekst die de
culturele kerntekst werd van deze civilisatie.(5)
In de Qur'ân was God a.h.w.
"Boek" (al-kitâb) geworden
ter lering van de mens.
(6) De Arabische taal (al-carabiyya)
verscheen als zodanig als de voorwaarde voor elk menselijke
begripsvermogen: "Wij hebben (het Boek) neergezonden als een
Arabische Koran; opdat jullie verstandig mogen worden". (7).
De Qur'ân gold daarom als onvertaalbaar en wanneer
niet-Arabische gemeenschappen moslim werden, dienden zij zich ook het
Arabisch eigen te maken.
De Arabieren hebben het diverse culturele erfgoed
van de veroverde gebieden quasi probleemloos geassimileerd - en dat
niet louter oppervlakkig maar in de diepte. Samen met de gearabiseerde
bekeerlingen, hebben zij aldus een nieuwe, Arabisch-islamitische
wereldcultuur geschapen. Die assimilatie of receptie, meer in het
bijzonder van de zogenaamde "vreemde", of "Griekse"
rationaliteit, kwam tot stand, niet ondanks, maar juist dank
zij de islam: d.w.z. dank zij de ontwikkeling - weliswaar in
een bestendige confrontatie met de oudere, meer gesofistikeerde
religieuze tradities - van eigen, "religieuze" of
"traditionele" wetenschappen. De
receptie, m.a.w., was intellectueel slechts mogelijk omdat gelijktijdig
en natuurlijkerwijze vanuit de eigen, onder meer religieuze
bekommernissen van de moslims een centrale, islamitische "kern" tot
stand kwam voor de nieuwe cultuur.
1.2. Laat ik eraan herinneren
dat bij Muhammads dood (632) de moslims "verweesd" waren achtergebleven(8).
Onvoorbereid en zonder duidelijke maatschappelijke directieven, werden
ze geconfronteerd met de zware taak, de "gemeenschap (umma)
van Muhammad" te organiseren en uit te bouwen - of misschien
nog eerder: te realiseren. De enige, "tastbare" aanwijzingen waarover
de komende generaties daartoe konden beschikken, waren bovenal de
richtlijnen vervat in de Qur'ân-recieten, neergezonden in de
al bij al beperkte context van eerst de Mekkaanse, nadien de
Medinensische omstandigheden.
In zoverre het om profetische, dus goddelijke
richtlijnen ging, kan gezegd worden dat de grondslagen voor de nieuwe,
islamitische samenleving autoritair en onveranderlijk "gegeven" waren;
maar in zoverre die richtlijnen - eerder impliciet dan expliciet -
vervat lagen in een religieus, en dat wil dus zeggen: symbolisch
taalgebruik, dienden zij geïnterpreteerd en binnen de
maatschappelijke praxis ge(re)produceerd te worden (9).
Als Woord Gods, is de Qur'ân voor alle gelovigen de ultieme
bron of wortel (asl) voor alle normen van
menselijk handelen en denken: geestelijk, ethisch, politiek,
economisch, enz. Dat veronderstelt dat de gelovige capabel is, niet
alleen de erin vervatte voorschriften, waarschuwingen, enz. te
reciteren en te memoriseren, maar óók en vooral
ze "in hun waarheid" (bi'l-haqq) te begrijpen en
er "in zijn/haar hart" (bi'l-qalb) mee in te
stemmen, ten einde ze toe te passen in zijn/haar leven, individueel en
maatschappelijk.
Vanaf de 2de helft, daarom, van de (1de) 7de eeuw,
toen er al sprake was van een rijk van enige grootte, kwam er in de
regionale centra een grootschalige hermeneutische arbeid op gang,
namelijk van interpretatie en toepassing van de overgeleverde
richtlijnen op de nieuwe, eigentijdse problemen. Die hermeneutiek vond
typisch plaats onder de vorm van min of meer georganiseerde discussies,
of "disputaties" (munâzarât)
- in de moskeeën en later, onder de Abbâsidische
kaliefen, ook in de kringen van het hof.
Uit die intense discussies en de problemen van
elke dag heeft zich het omvangrijke corpus ontwikkeld van het
islamitische recht (cilm al-fiqh,
kortweg: fiqh)
(10). Ook de vele tradities over het
leven van de Profeet en de Gezellen gingen het voorwerp uitmaken van
een systematisch onderzoek - wat resulteerde in de
wetenschap-van-de-Traditie (cilm
al-hadîth), die één van de
hoofdwetenschappen zou worden in het islamitisch hoger onderwijs, samen
met de verschillende hulpwetenschappen eraan verbonden: bv. de studie
van de biografieën van de autoriteiten die een rol speelden in
de (orale) overleveringsketen (isnâd).
Maar de discussies werden ook met niet-moslims gevoerd (de islam bleef
de eerste eeuwen een minderheidsgodsdienst binnen het rijk): met
christenen (in hun vele varianten), joden, manicheërs,
mazdeërs, boeddhisten, enz. Dank zij die confrontaties met de
vertegenwoordigers van de gevestigde religieuze tradities, kwamen de
jonge moslimintellectuelen tot de constructie van een eigen,
islamitische wereldbeschouwing en theologie, de zogenaamde cilm
al-kalâm, kortweg: de kalâm (11).
Het spreekt vanzelf, tenslotte, dat bovenal de
lectuur en exegese van de Qur'ân, met de grote commentaren
die eruit voortkwamen (de tafsîr-s),
een bijzonder stimulerende rol speelde, o.m. in de ontwikkeling van
grammatica en lexicografie
(12), van historisch en ethnografisch
onderzoek (13),
en van literatuur- en stijlstudies. Belangrijk hierin was niet enkel
het geloof in de onvertaalbaarheid van de Qur'ân - wat
impliceerde dat de Arabische taal wetenschappelijk moest beschermd
worden -, maar ook dat in de literaire onnavolgbaarheid ervan (14).
Ten einde beter de preciese betekenis van woorden en beeldspraak te
kennen, bestudeerde men ook de pre-islamitische orale poëzie
(en om die te begrijpen, had men dan weer kennis nodig van de legendes
en overleveringen van de bedoeïnen)
(15). Naarmate het aantal ontwikkelde
Arabisch-sprekenden toenam, trouwens, kwam de beoefening van de
Arabische poëzie in een stroomversnelling, waarbij de
thematiek ervan zich ging uitbreiden. Tenslotte ging ook het Arabische
literaire proza gecultiveerd worden
(16), voornamelijk in de vorm van mengelwerken (17).
Deze "belles-lettres" zouden dan, samen met de
hoger vermelde, "Arabische wetenschappen", de
vaste ingrediënten vormen van de "adab",
d.w.z. van de Arabisch-islamitische humanitas (18).
Reeds vanaf het begin van de 9de eeuw werd
daarrond een vorm van hoger onderwijs georganiseerd. Het was gebaseerd
op een volwaardige scholastische methodologie, die model zou staan voor
de latere, christelijke scholastiek
(19). Ze stoelde op 3 "peilers":
1) de "khilâf",
of de kunst van het formuleren van antithetische vragen (bv. "is
de ziel onsterfelijk of sterfelijk?") - de zogenaamde quaestio,
in onze middeleeuwse scholastiek;
2) de "jadal", d.w.z. de kunst van de dialectiek-
of disputeerkunst;
3) de "munâzara", als een
geïnstitutionaliseerde publieke discussie: ze zou model staan
voor de "disputatio" en de zogenaamde "quaestiones
disputatae" aan de Latijns-christelijke universiteiten.
Tegen het einde van de 11de eeuw kwamen er in de
belangrijkste stedelijke centra instellingen van hoger onderwijs tot
stand, de zogenaamde "madrasa-s". De eerste
stichting van staatswege was de beroemde al-Azhar, in Caïro
(in 969, onder de Fatimiden). Deze madrasas werden zeer actieve,
religieus-intellectuele centra. Ook zij hebben vermoedelijk inspirerend
gewerkt voor de creatie van de middeleeuwse universiteiten bij ons (20).
Ten einde dit dynamische intellectuele proces, met
zijn grote openheid naar andere, niet-islamitische tradities toe, in de
juiste context te plaatsen moet gewezen worden op de grote waarde die
vanuit de koranieke openbaring zelf gehecht wordt aan kennis en
kennisverwerving. De schepping is immers een reservoir van
"tekens" die alle terugverwijzen naar God, als "de
Waarheid" (al-haqq). Veel meer dan andere openbaringsteksten
doet de Qur'ân een beroep op het redeneer- en kenvermogen van
de mensen, en in de verzen ervan komen dan ook stelselmatig woorden
voor die wetenschap en studie - van het universum, van de aarde, de
schepselen, enz. - positief valoriseren (afgeleid van werkwoordelijke
stammen als faqaha, "leren", calima,
"weten", caqala, "redeneren",
enz.). De koranieke oproep, "zeg: mijn Heer, geef mij meer
kennis" (20.114), vinden we hernomen in de bekende
hadîth-s waarin de Profeet beveelt kennis te zoeken "van
de wieg tot het graf" en "als het moet, tot in
China". In andere gezegdes, wordt de inkt van geleerden
verkozen boven het bloed van martelaren; wordt van geleerden gezegd dat
ze de erfgenamen van de profeten zijn, enz. Tenslotte, tot die algemene
kennisverplichting (voor vrouwen zowel als mannen) behoort
uitdrukkelijk ook de kennis omtrent andere culturen, s. 49.13:
"O mensen, Wij hebben jullie uit een
man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen
gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen". (20bis).
2. Het Arabisch-Islamitisch
Hellenisme.
Het is dus binnen die algemene, culturele context
van het Arabisch-islamitische "humanisme" (21),
dat we de belangstelling voor en de receptie én verdere
uitbouw van de laat-antieke, filosofisch-wetenschappelijke traditie
moeten situeren. Voorafgaandelijk, nochtans, past een algemene
opmerking.
Bij de studie van de inwerking op de islam van wat
we, gemakshalve, het Griekse denken noemen, gaat de aandacht
traditioneel quasi uitsluitend naar de literaire
transmissie van de laat-antieke erfenis via de zogenaamde "vertalingsbeweging"
vanaf de 9de eeuw. De Arabisch-islamitische cultuur, nochtans, heeft
dat hellenisme niet langs één, maar langs
twéé "wegen" ontvangen: naast de "geleerde", of
directe weg, inderdaad, moet ook een oudere, "diffuse",
of indirecte weg van hellenisering in rekening worden gebracht. Die
laatste ging terug tot het algehele helleniseringsproces dat het Nabije
Oosten al sedert de veroveringen van Alexander de Grote was gaan
kennen. Van doorslaggevende betekenis daarbij was niét
zozeer de "zuivere", filosofische en wetenschappelijke cultuur in
se, als wel de religieuze en theologische assimilatie ervan
in het oostelijke, d.w.z. Griekse en Syrische christendom. Vanuit de
belangrijke centra ervan - Alexandrië, Antiochië,
Damascus, Edessa, Nisibe, Harrân, Seleucia-Ctesiphon,
Gundishapûr, e.a. -, maar ook vanuit de vele kloosters in
Syrië en Opper-Irak, werd de christelijke lering, en dus ook
haar intellectuele (aristotelische) onderbouw (bv. logica en
grammatica) verspreid in de brede lagen van de bevolking. Zij heeft
aldus een essentiële bijdrage geleverd tot de creatie van een
gemeenschappelijke cultuur en mentaliteit bij de mediterrane en
klein-aziatische volkeren
(22).
Ook tijdens de eerste twee eeuwen van de islam was
dat christelijke onderwijs nog hét uitgelezen kanaal
langswaar een elementaire (want religieus
geïnstrumentaliseerde) vorm van Grieks denken voor de moslims
toegankelijk werd. De 9de-eeuwse introductie, vervolgens, van de
Griekse wetenschappelijke teksten als zodanig, eerst nog in Syrische,
nadien in Arabische vertalingen, dient gezien te worden als de "bekroning"
van dat eeuwenlange acculturatieproces - waarvan de islam ook
zélf een "product" was
(23). Die
introductie vond dus plaats, zoals Arkoun schrijft (24),
"op een terrein dat in mindere of
meerdere mate reeds doordrongen was van wat men de Grieks-Semitische épistèmè
zou kunnen noemen. Deze laatste is een complex waarin zich de bijdragen
vermengen van het platonisme, aristotelisme, plotinisme,
stoïcisme, epicureïsme, pythagorisme, de hermetica,
het zoroastrisme, het manicheïsme, het oude semitisme, de
joods-christelijke openbaringen, enz."
Met de rechtstreekse ontdekking, weliswaar, van de
Griekse teksten kwam een volledig nieuwe, "rationele" attitude tot
ontwikkeling, nl. die van de "filosofie" (in
Arabische transcriptie: falsafa).
Zij was niet zozeer gericht op Gods schepping (khalq)
als een verzameling van "tekens", maar op de
fysische wereld en de
mens-in-de-wereld. Vanuit die filosofische attitude was
àlles voorwerp van kennis en wetenschap (cilm,
macrifa), met inbegrip van God zelf,
middels een bijzonder, menselijk kenvermogen dat natuurlijkerwijze op
de waarheid gericht was: het intellect (caql).
De notie van een geopenbaarde belering, ontvangen als een genade, in
een geest van deemoed en onderwerping, werd hier vervangen door het
begrip van een (bijna) seculier, rationeel weten. Op een methodische en
systematische wijze werd dat weten geconstrueerd (beter: gededuceerd)
door een menselijke geest die zowel zijn beweegredenen als zijn
waarheidscriteria althans in eerste instantie in zichzelve vond. Het
weze dan dat het object ervan objectief, d.w.z. buiten de menselijke
geest, als "de Waarheid", gegeven was. De échte spanning, in
de islam, tussen caql en naql,
d.w.z. tussen rede en geloof, moet op dàt fundamentele
niveau gesitueerd worden. Zij bereikte haar culminatiepunt, en kreeg
tegelijk ook haar rijkste formulering, in de polemische werken van,
enerzijds, de mutakallim, of theoloog,
al-Ghazâlî (gest. 1111) en, anderzijds, de
Andalusische faylasûf Ibn Rushd (gest.
1198).(25)
De geschiedenis van die receptie van de "Griekse
wetenschap" in de islam, aldus Christopher Toll,
"is nog niet geschreven, net zomin als
die van de wetenschappen in de islam. Het is ook niet
mógelijk deze geschiedenis te schrijven, zolang de bronnen
ervan onvoldoende ontsloten zijn, en men mag betwijfelen, of ooit een
enkeling in staat zal zijn haar te schrijven, aangezien zoiets de
kennis zou vereisen van een hellenist, een arabist, een iranist, een
ideeën- en wetenschapshistoricus, een medicus, een fysicus -
kennisgebieden die een enkeling nog nauwelijks in zich zou kunnen
verenigen" (26).
In het kader van deze bespreking, hoe dan ook, kan
enkel een wat impressionistisch beeld worden geschetst van de
uitzonderlijke rijkdom van dit Arabisch-islamitisch hellenisme (27). Ik
beperk me bijgevolg, wat willekeurig, tot enkele aandachtspunten.
3. Filosofie en Geneeskunde
Een bijzonder opvallend kenmerk van de Arabische
(en daarom ook van de latere, westerse) filosofische traditie, is de
nauwe verbondenheid tussen filosofie en geneeskunde. Voor de
christelijke scholastici zou het "huwelijk"
tussen die twee disciplines bovenal exemplarisch belichaamd worden in
het encyclopedisch oeuvre van Ibn Sînâ (ca 980 -
1037; zijn naam werd door de Latijnen verbasterd tot "Avicenna"). Diens
Canon der Geneeskunde was lange tijd
het meest gezaghebbende handboek voor het medische onderwijs in de
West-Europese universiteiten (in 1528 werd het te Basel door Paracelsus
symbolisch verbrand).
De historische verklaring voor die verbondenheid
moet gezocht te worden in de laat-antieke traditie. Reeds in
Alexandrië, en allicht ook in andere grote centra, was er een
soort van institutionele koppeling tot stand
gekomen tussen beide disciplines. Het medisch-filosofische
schoolbedrijf dat aldus tot bloei kwam, was vooral gebaseerd op het
oeuvre van de Griekse arts-filosoof Galenos
(28).
Samen met de aristotelische logica, werd ook het
medisch-filosofische curriculum (overwegend gebaseerd op een selectie
van Galenostraktaten) in de 6de eeuw overgenomen door de
Syriërs en in het Syrisch vertaald en becommentarieerd. Aldus
kwamen overal scholen tot bloei waarin - behalve de christelijke
theologie - zowel geneeskunde (Galenos) als logica (Aristoteles) werden
onderwezen en beoefend. Een bijzondere vermelding als centrum van
hellenisme verdient hier allereerst Harrân (29). Deze
stad, gelegen in Opper-Irak, tussen Tigris en Eufraat, stond bekend als
de "stad der Grieken". Behalve door christenen,
werd ze bewoond door sterrenaanbidders
(30). Het was een centrum voor
astrologie-astronomie, wiskunde en geneeskunde; de
religieus-filosofische strekking was neoplatonisch, maar met gnostische
en hermetische accenten
(31). Maar de grootste faam genoot de
nestoriaanse school in het Perzische Gundishapûr,
stad die in 638 veroverd werd door de Arabieren. Deze stad (de naam
betekent "Shapûrs kamp") was in de 3de
eeuw (na de Perzische overwinning op de Romeinse keizer Valerianus, in
259/60) opgericht nabij Sûsa (in Khûzistan,
West-Iran) door de Sassanide Shapûr I en bevolkt met Griekse,
Syrische en Romeinse krijgsgevangenen, die hun eigen wetten, taal en
religie mochten behouden
(32). De bevolking ervan was in de loop
der jaren nog verrijkt met andere geleerden, filosofen en theologen die
het Romeins-Byzantijnse rijk moesten ontvluchten: zo na 489, met de
sluiting van de nestoriaanse school van Edessa, en na 529, met de
zogenaamde sluiting van de Atheense platonische school door keizer
Justinianos. Onder Khusrau I Anûshirwân (530-579),
die een groot bewonderaar was van de Griekse cultuur, had de school van
Gundishapûr haar (Perzisch) hoogtepunt bereikt (33).
De Syrisch-christelijke artsenscholen, vooral die
van Gundishapûr en Harrân, stonden aan de wieg van
de medische instellingen in de islam, en meer bepaald van de medische
en filosofische school van Baghdâd. Reeds in 765 werd de
christen Jirjîs (Grieks: Georgios) ibn Jibrîl ibn
Bakhtîshûc door
al-Mansûr naar Baghdâd geroepen om diens
spijsverteringsproblemen te komen behandelen. Hij zou de eerste geweest
zijn om, op verzoek van de kalief, Griekse medische werken in het
Arabisch te vertalen. Vanaf al-Mansûrs kalifaat werden de
moslimsteden centra van klinisch-medische opleiding en verzorging, nl.
met de oprichting van de zogenaamde bîmâristân-s (34):
hooggespecialiseerde instituten waar, in tegenstelling tot de Romeinse
of Byzantijnse "ziekenhuizen", de geneeskundige verzorging op een
wetenschappelijke basis gebeurde, en waaraan ook systematisch apotheken
verbonden waren.
Toch was de geneeskunde ook bij de Arabieren nog
altijd in de eerste plaats een kwestie van boekenkennis, d.w.z. een "medicina
doctrinalis", of geleerdengeneeskunde. Anderzijds was zij
net zomin als de andere wetenschappen immuun voor de aantrekkingskracht
van magische opvattingen - kón dat ook niet zijn, in het
kader van het heersende filosofisch-wetenschappelijke wereldbeeld. De
afstand tot de zogenaamde "occulte" wetenschappen, zoals astrologie en
vooral alchemie, was daarbij héél klein, zoniet
onbestaande (35).
Wanneer de Arabische geneeskundige literatuur, alle verhoudingen in
acht genomen, daarvan toch opvallend wéinig blijk geeft,
ligt dat aan het feit dat ze bovenal geïnspireerd was door het
rationalisme van de geschriften van Hippokrates en Galenos, en in
mindere mate door laat-antieke artsen als een Alexander van Tralleis
(6de eeuw).
De Griekse theoretische invloed op de Arabische
geneeskunde, inderdaad, is "uitzonderlijk groot"
geweest (36).
Via de vertalingen hebben de Arabieren het Griekse medische systeem in
zijn totaliteit overgenomen. Het belangrijkste ervan was de zogenaamde "humorale
fysiologie", d.w.z. de leer van de vier lichaamssappen (humores).
Ontworpen door de hippokratische artsen, was zij vooral door Galenos
uitgewerkt tot "een speculatief, tot in zijn details
doordacht systeem". In die vorm is zij toonaangevend geweest
voor de gehele Arabische geneeskunde
(37).
Na hun opleiding aan een bîmâristân
- behalve uit schools onderricht bestond zij ook uit een stageperiode
bij de Meester-Directeur -, legden de studenten de eed van Hippokrates
af (38).
Ze ontvingen vermoedelijk van de autoriteiten een certificaat om hun
beroep uit te oefenen; de controle echter over hun beroepspraktijk
behoorde tot de verantwoordelijkheden van... de marktprovoost of muhtasib.
Het aantal artsen in alle moslimsteden, maar vooral in
Baghdâd, was aanzienlijk. Veruit de meesten ervan waren
christen, anderen jood of Pers; de artsen nochtans die de grootste faam
hebben verworven (ook in het Westen), waren moslim.
4. De Vertalingsbeweging.
4.1. Wat hoger de "directe"
of "geleerde" weg werd genoemd voor de Arabische
receptie van de Griekse filosofie en wetenschap, lijkt op het eerste
gezicht een combinatie van drie "routes" te zijn
geweest: een Alexandrijnse, een Syrische en een Indische.
Met de "Alexandrijnse"
route wordt in de overlevering een quasi "fysieke" en
materiële transfert bedoeld van de geleerdheid uit
Alexandrië, na de Arabische verovering van Egypte in 639 (39).
Volgens een Arabische traditie
(40), zou de "synode" van
Alexandrijnse professoren en artsen rond 718 mét hun boeken
verhuisd zijn naar Antiochië, en vandaar, rond 850, naar
Harrân; tenslotte migreerden ca 900 een aantal professoren
uit Harrân naar Baghdâd. Om historische redenen,
nochtans, roept dit verhaal van een - fysieke - translatio
studiorum tal van bedenkingen op. Het onderscheid met de
"Syrische" route lijkt daarom nogal artificieel; anderzijds was het
filosofische en wetenschappelijke materiaal dat het Arabische
hellenisme zich eigen maakte, hoe dan ook veel rijker dan wat de
gereduceerde, 6de-eeuwse schooltraditie van Alexandrië nog kon
aanbieden (41).
De "Indische" route, anderzijds, betrof
hoofdzakelijk de positieve wetenschappen (wiskunde en astronomie). Zij
waren door Indische geleerden ontwikkeld op basis van in oorsprong
Grieks materiaal dat hen, behalve via Iran
(Khorâsân) en Bactrië (koninkrijk gesticht
door Alexander de Grote), bereikt had langs de zeeroute die
Alexandrië verbond met Noordwest-Indië (42). De
betekenis van de Indische wetenschap voor de Arabische, hoe
reëel ook, mag in elk geval niet overdreven worden: "l'armature
de la pensée scientifique des Arabes est
entièrement grecque"
(43).
Het belang van het Syrische christendom is
hierboven al ter sprake gekomen. Wat daarbij onvermeld bleef, is de
sleutelrol die geleerden van Syrische origine gespeeld hebben in de "vertalingsbeweging",
i.e. de grootschalige en eeuwenlang aangehouden operatie van omzetting
van een omvangrijk deel van het Griekse erfgoed in het Arabisch. In
veel sterkere mate dan gelijkwelke fysieke translatio,
is die vertalingsbeweging een conditio sine qua non
geweest voor de creatie van een Arabische filosofie en wetenschap - net
zoals de Latijnse vertalingen (in de eerste plaats vanuit het Arabisch)
dat zouden zijn voor de Scholastiek in het Westen.
Die vertalingsbeweging werd
dus hoofdzakelijk gedragen door christelijke geleerden: zij
zouden de meeste vertalingen leveren van antieke teksten in het
Arabisch, eerst nog via het Syrisch (44), maar
vervolgens ook rechtstreeks uit het Grieks. Als zodanig liggen deze
(overwegend nestoriaanse) christenen mee aan de oorsprong van het
Arabisch-islamitische hellenisme. Toch zijn er tussen het
Syrisch-christelijke en het Arabisch-islamitische aristotelisme
belangrijke verschillen vast te stellen. De vertalingen die tot stand
waren gekomen in de pre-islamitische, Syrische centra, stonden volledig
ten dienste van de noden van apologetica en theologie, en waren
bijgevolg erg selectief en beperkt. Van een filosofisch curriculum als
zodanig was er daar geen sprake. De vertalingsbeweging in de
islam, daartegenover, werd helemaal niet georganiseerd vanuit de kalâm,
of theologie - ook al zou die er haar profijt mee doen -, en ze stond
zeker niet onder de auspiciën van de zogenaamde
Traditionisten. Deze laatsten bestreden juist
alle profane wetenschappen, in de eerste plaats de logica, met de
strijdleuze: "wie zich met logica bezighoudt, wordt een
ketter". De culamâ
en andere religieuze woordvoerders, in de belangrijke centra, zouden
integendeel voor lange tijd niet bij machte zijn om tussen te komen in
de betrekkelijk vrije, door de kaliefen en hun ministers gestimuleerde
circulatie en beoefening van de "vreemde"
wetenschappen van "de Grieken"
(45).
4.2. In de Arabische vertalingsbeweging worden drie
opeenvolgende "golven" of scholen onderscheiden
worden:
a. De "Veteres", of "de Ouden".
Kalief al-Mansûr (754-755) was de eerste
om actieve interesse te betonen voor de "oude" of
Griekse boeken, meer bepaald m.b.t. geneeskunde, filosofie en
astronomie. Op zijn instigatie vertaalde de christen Yahyâ (46) ibn
al-Bitrîq de Tetrabiblos, het klassieke
werk over astrologie van Ptolemaios (2de eeuw vK) en vijf medische
traktaten (47);
diens gelijknamige zoon zou nadien Platoons Timaios
vertalen evenals verschillende teksten van Aristoteles (o.m. het De
caelo). Vooral onder kalief Hârûn
ar-Rasjîd (786-809) en zijn wazir Jacfar
ibn Barmak, kwam het vertalen van wetenschappelijk materiaal echt op
gang, met de actieve medewerking van Jibrîl II ibn
Bakhtîshûc (gest. 827/8),
die Hârûns hofarts was. De vertalingen van de veteres
waren erg letterlijk en gebeurden woord voor woord (eerst van het
Grieks in het Syrisch, daarna van het Syrisch in het Arabisch).
b. Het Bayt al-Hikma ("Huis
van de Wijsheid").
Deze zogenaamde vertaalacademie zou in 830 door
kalief al-Macmûn opgericht zijn (48). Deze
kalief, aan wie volgens de traditie
(49) Aristoteles zelf in een droom verschenen
was, bracht een complete staf bijeen van geleerden-vertalers. Ze hadden
de opdracht, overal zoveel mogelijk Griekse filosofische en
wetenschappelijke handschriften te verzamelen
(50) en vervolgens te vertalen. De leiding over
het instituut (waaraan ook een sterrenobservatorium gehecht was) (51) werd
toevertrouwd aan de nestoriaanse arts Yuhannâ ibn Mâsawayh
(gest. 857/8) (52).
Tot de medewerkers van het instituut behoorde o.m. al-Bitrîq
"junior". Onder de volgende "directeurs" kwam ook de sabiër
Thâbit ibn
Qurra (geb. 826/7 of 835/6, gest. 900/1) uit
Harrân voor. Hij was één van de meest
representatieve, encyclopedische geesten en leverde vooral werk als
astronoom, mathematicus, fysicus, logicus en arts
(53). (Ps-)Apollonios van Tyana, Archimedes,
Eukleides, Ptolemaios, Galenos e.a. werden door hem, of onder zijn
leiding, vertaald of gereviseerd.
Maar de "prins van de vertalers" was
ontegensprekelijk Hunayn ibn Ishâq
(809-873) (54),
schoolhoofd onder al-Mutawakkil. Zijn avontuurlijk leven is door enkele
Arabische biografen beschreven. Een nestoriaans arts - hij werd vooral
als oogarts gewaardeerd (55)
-, was hij in Alexandrië Grieks gaan leren (hij kende Homeros
uit het hoofd) (56)
en was er ingewijd in de principes van de antieke filologie. Op nog
geen 20-jarige leeftijd werd hij met twee andere geleerden door al-Macmûn
belast met het bijeenbrengen van een bibliotheek van Griekse boeken en
handschriften. Voor zijn vertaalwerk aarzelde hij niet om verschillende
handschriften van éénzelfde tekst te
collationeren, om eerst tot een zo betrouwbaar mogelijke Griekse tekst
te komen. De omvang van zijn eigen vertaalwerk "tart alle
verbeelding" (57).
Onder de vertalingen die hem in de boekencataloog al-Fihrist
worden toegeschreven, treft men o.m. 34 traktaten van Galenos aan;
naast de werken van andere antieke artsen (bv. Hippokrates, Oreibasios,
Dioskorides, e.a.), vertaalde hij ook Platoon, Aristoteles, Eukleides,
Ptolemaios, Archimedes, Alexander van Aphrodisias, Porphurios, e.a. (58). Onder
al-Muttawakkil viel hij een tijdje in ongenade (hij zou geweigerd
hebben, de kalief gif ter hand te stellen).
Hunayn ibn Ishâq en zijn zoon, alsook
Thâbit ibn Qurrah en een ander schoolhoofd, Qustâ ibn Luqâ
(eveneens een christen, afkomstig van Baalbek), stapten af van de
woord-voor-woord vertaling van de veteres, ten
gunste van de zinsinterpretatie. Naast het collationeren van zoveel
mogelijk handschriften van één Griekse tekst,
vergeleken ze ook bestaande Syrische en Arabische vertalingen (59). Het
vertaalwerk van deze periode stond dan ook op een veel hoger peil en
legde de definitieve tekstuele basis voor het Arabische hellenisme (60). Het
oplossen van de talrijke linguïstische problemen waarmee ze
geconfronteerd werden, leidde tevens tot creatie van een gezaghebbende
Arabische terminologie (61).
Deze vertaalacademie zou in totaal 230 jaar blijven bestaan. Behalve de
opeenvolgende kaliefen waren er ook andere prominenten die als
"sponsors" van de wetenschap optraden. De bekendste zijn de Banû
Mûsâ, i.e. de (drie) "Zonen
van Mûsa, ook de "Drie Broers"
genoemd: Abû Jacfar Muhammad (gest.
872/3), al-Hasan en Ahmad (onder de regering van al-Ma'mûn) (62). Zelf
vooraanstaande mathematici, mechanici en astronomen, besteedden zij hun
fortuin aan het verzamelen en laten vertalen van Griekse manuscripten.
O.m. Hunayn ibn Ishâq en Thâbit ibn Qurra werkten
voor hen. Eveneens een "privee" instituut was het Dâr
al-kutûb, "Huis van de Boeken", in Basra.
c. De "Recentiores", of "jongeren"
(900-1050):
Zij behoorden tot de 10de-eeuwse, zogenaamde "peripatetische
school" van Baghdâd, die het resultaat was van de
verhuis (mét bibliotheek) van een aantal filosofen uit
Harrân (zie hoger), maar ook uit Merw. Het intellectuele
leven in Baghdâd werd bevorderd door het kosmopolitisch
klimaat dat er, onder de (shîcitische
dynastie van de) Bûyiden, doorgaans heerste. Regelmatig
werden er publieke disputaties (munâzara)
georganiseerd onder de leden van de elkaar bekampende richtingen (63). Het
vertaalwerk uit deze periode bestond vooral uit revisies en
"schooluitgaven" van de oudere versies. Zij leverden de literaire basis
voor wat "the second wave of Hellenism" in de
Islam wordt genoemd (64).
Onder de leden van deze school treffen we de grote
filosoof al-Fârâbî
aan (ca 870-950), de zogenaamde "Tweede
Meester", sc. na Aristoteles
(65). Zijn leermeester, de nestoriaan
Abû Bishr
Mattâ ben Yûnûs (gest.
940), vertaalde o.m. Aristoteles' Poetica en het
commentaar van Themistios (2de helft 4de eeuw vK) op Aristoteles' De
caelo. In 932 kruiste hij de degens in een geruchtmakend publiek debat
georganiseerd door de vizier, met de moslimgeleerde Abû Sacîd
as-Sîrâfî (jurist, theoloog en filoloog);
onderwerp van de disputatie waren de respectievelijke verdiensten van
de "Griekse" logica en de Arabische grammatica,
d.w.z. van de "vreemde" of Griekse wetenschap en
filosofie, enerzijds, en de traditionele moslimwetenschap, anderzijds (66). De
monophysiet Yahya ibn
`Adî, bijgenaamd al-Mantiqî,
i.e. "de logicus" (893-974)
(67), studeerde bij beide vorigen.
Mattâ's Themistiosvertaling werd door hem gereviseerd; zelf
leverde hij een vertaling van o.m. het commentaar van Alexander van
Aphrodisias (1e helft 3e eeuw nK) op Aristoteles' meteorologie. Zijn
filosofische "salon" (majlis)
genoot grote bekendheid. Abû Sulaymân
al-Sijistânî, eveneens bijgenaamd "al-Mantiqî"
(gest. na 1001), volgde ibn cAdî
op als leider (shaykh) van "de
peripatetici van Baghdâd" (die in zijn huis
bijeenkwamen) (68).
Hij legde zich vooral toe op het introduceren van de filosofie in de
wijdere kring van theologen, grammatici, rechtsgeleerden,
geschiedschrijvers, e.a., als een onderdeel van de adab,
of urbane cultuur (69).
Dankzij die eeuwenlang aangehouden arbeid kwam
tussen 750 en 1050 de vertaling tot stand van het gehele zogenaamde "aristotelische
conglomeraat": d.w.z. Aristoteles' eigen werken (met
uitzondering van de Politica), pseudepigrafen en
laat-antieke inleidingen, parafrasen, samenvattingen en commentaren. In
het geval van Platoon, daarentegen, gebeurde dat veel selectiever.
Vertaald werden de Timaeus, de Staat,
De Wetten, de Sofist;
voor de rest stelde men zich tevreden met parafrasen en samenvattingen:
vooral Galenos' overzichten van de platoonse dialogen waren een
geliefde bron. Het aantal apocriefe teksten, daarentegen, die aan
Platoon werden toegeschreven, is enorm (o.m. op het gebied van de
alchemie en de magie). Onder de laat-antieke filosofen die een groot
gezag genoten en wier werken op eigen naam vertaald werden, moet vooral
Porphurios vermeld worden. Naast de filosofische, werd ook een
zéér aanzienlijk deel van de Griekse
wetenschappelijke literatuur vertaald in het Arabisch: op het gebied
van de geneeskunde (Hippokrates, Galenos, Dioskourides en vele
anderen), maar ook inzake wiskunde
(70), astronomie, astrologie, geografie,
alchemie, fysica, optica, mechanica, enz. Tenslotte werd ook antieke
wijsheids- en spreukenliteratuur
(71) de moeite waard geacht om, eventueel in
nieuwe, pseudepigrafische compilaties, in het Arabisch verspreid te
worden (72).
Het eindresultaat was een, ondanks alle
beperkingen en tekortkomingen, unieke, grootschalige poging tot
integratie in de Arabische cultuur van de Griekse filosofische en
wetenschappelijke literatuur. Hierbij dienen nog twee punten te worden
opgemerkt. Vooreerst dat deze ontzagwekkende, literaire prestatie
materieel slechts mogelijk was door de algemene beschikbaarheid, vanaf
het einde van de 8e eeuw, van papier
(73). Die technische vooruitgang, die pas de
materiële mogelijkheid gaf voor de transformatie van de
overwegend orale Arabisch-islamitische cultuur in een rijke
schriftcultuur, was meer bepaald ook een conditio sine qua
non voor de vertalingsbeweging. Tweedens, en analoog aan wat
elders al werd opgemerkt i.m.v. de joodse en christelijke "wortels" van
de islam (74),
mogen we niet in de "val" lopen van Renan e.a., nl. door de
Arabisch-islamitische rationele en wetenschappelijke cultuur te herleiden
tot de helleense wortels ervan. Dat zou al even fout zijn (maar
tegelijkertijd even juist: zoals de Engelse romantische dichter
Shelley, geb. 1792, het al formuleerde: "We zijn allemaal
Grieken!"), als wanneer we dat zouden doen m.b.t. het
Latijns-christelijke hellenisme.
5. Internationalisme
Een opvallend gegeven van deze klassieke,
Arabisch-islamitische wetenschap en filosofie is haar uitgesproken
internationalistisch karakter.
De vele honderden, zoniet duizenden, geleerden en
-filosofen kwamen uit alle windstreken van het uitgestrekte rijk, en
vertegenwoordigden alle etnieën en culturele tradities die
erin waren opgenomen. Ik beperk me, ter illustratie, tot
énkele namen.
Abû Raihân
al-Bîrûnî (973-1048) bv.
was Pers van geboorte (uit Khwârizm, Z. van het Aralmeer) en
verbleef lange tijd in Indië. Filosoof, wiskundige, astronoom,
astroloog, geograaf, farmacoloog, historicus en encyclopedist, was hij
één van de allergrootste wetenschappers van de
islam, en één van de grootste aller tijden.
"Zijn kritische geest, tolerantie,
waarheidsliefde en intellectuele moed waren bijna zonder parallel in de
middeleeuwen",
aldus Sarton(75).
Ook de bekende cUmar
Khayyâm (ca 1038/48 -1123/24) was een Pers
(Nîshâpur, in Khurâsân). Hij
was vooral beroemd als wiskundige en astronoom: op basis van
Ptolemaios' geocentrisch wereldmodel ontwierp hij, voor de
Seldjukidensultan, een kalender die nauwkeuriger wordt genoemd dan de
Gregoriaanse. Sedert de vorige eeuw, echter, is hij in het Westen
vooral bekend als de dichter van de Rubâcîyât,
i.e. een verzameling van "kwatrijnen" die o.m.
ook in het Nederlands talrijke vertalingen heeft gekend.
De bekende filosoof
al-Fârâbî (ca 870-950) was dan weer van
Turkse afkomst. Ibn Sînâ (ca 980-1037) kwam van
Bukhâra (het huidige Uzbekistan). De bekende alchemist
Jâbir ibn Hayyân (2e helft 8e eeuw?), bekend in de
westerse middeleeuwen als "Geber Rex Maurorum",
was mogelijk een Sabiër van Harrân.
Mâshâllâh (gest. ca 815/20),
één van de eerste astronomen en astrologen in de
islam, was een (Egyptische?) jood; Ibn Yûnus (gest. 1009), "perhaps
the greatest Muslim astronomer"
(76), was een Egyptenaar; de
Bakhtîshûc artsen waren
nestoriaanse Perzen; de beroemde chirurg, Abû
l-Qâsim was een Andaloesiër, enz., enz. (77)
Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn met het
gebruik van de moderne notie van "nationaliteit".
Het multiculturalisme van de islam lag in het verlengde van dat van het
Romeinse Rijk, waar het principe van het toekennen van het burgerschap
aan mensen van verschillende achtergrond maar die eenzelfde culturele
en politieke loyauteit deelden, algemene gelding had. Toch mag de
vernieuwende inbreng van de islam t.a.v. de al bestaande Griekse,
Perzische, Indische e.a. wetenschappen ook in dit opzicht niet
geminimaliseerd worden. Zoals gezegd, bij de aanvang: in veel hogere
mate dan het Byzantijnse of het Duitse H.Roomse Rijk, betekende het cAbbâsidische
kalifaat van Baghdâd de historische bekroning van de
"alliantie" tussen wereldrijk en monotheïsme, die aangegaan
was onder Constantijn de Grote (begin 4e eeuw).
Met zijn "pax islamica"
heeft de islam omzeggens op wereldschaal de religieuze en culturele
voorwaarden geschapen, die geleerden van alle confessies en alle rassen
daadwerkelijk hebben gemobiliseerd "pour une oeuvre commune
en langue arabe"
(78). Precies omdàt de grote
geloofsijver van de moslims zo intens verbonden was met de verbreiding
en cultivering van het Arabisch, als taal van de Qur'ân,
hebben de Arabieren meer dan wie ook aan de wetenschap dat
internationaal karakter helpen verlenen, dat vandaag zo vanzelfsprekend
lijkt.
6. Overzicht van de Falsafa (79).
We zouden er verkeerd aan doen, zelfs bij een
summier overzicht van het klassieke Arabische denken, enkel aandacht te
schenken aan de figuren die traditioneel als "filosoof"
(faylasûf, mv. falâsifa,
in de Arabische transcriptie van het Grieks) gecatalogeerd staan: ook
tal van zogenaamde theologen (mutakallimûn)
verdienen vanuit speculatief-rationeel oogpunt onze volle
belangstelling.
6.1. De
"heroïsche" periode van het Arabische denken viel
samen met de bloeiperiode van het cAbbâsidische
kalifaat, van de 2de helft van de 8ste tot het begin van de 10de eeuw.
Als een periode waarin de latere - theologische én
filosofische - orthodoxieën nog niet van kracht waren, biedt
ze ons een bijzonder rijk spectrum van "vrijzinnige" ontwerpen van een
rationeel Arabisch-islamitisch wereldbeeld.
6.1.1. Vermelding
verdient hier in de eerste plaats de zogenaamde Muctazila,
een groep van denkers die de eerste theologische "school"
creëerden (zie daarover op
deze site). Zij waren het product van een rijke debatcultuur
waarvan het hof te Baghdâd het actieve centrum vormde. Ze
gaven aan het nog jonge moslimgeloof de rationele ideologische
bovenbouw, nodig om een wereldreligie te worden. Onder de
leerstellingen waarmee ze later vereenzelvigd werden, vermeld ik vooral
het principe van de eenheid en rechtvaardigheid van God en, inzake
antropologie en ethiek, dat van de menselijke handelings- en
wilsvrijheid. Voorts dient hun atomistische metafysica aangestipt: zij
theoretiseerde de nieuwe zijnservaring die symbolisch besloten lag in
de Qur'ân (en verschilde dus grondig van het Griekse
atomisme).
Laat ik me beperken, bij het namen noemen, tot
drie denkers "van het eerste uur": (1) Dirâr
ibn cAmr (ca728-815), die
onvervaard Aristoteles bekritiseerde; (2) Abû
'l-Hudhayl (ca752-841), die de "vijf
principes" van de school formuleerde, maar bovenal de
schepper was van de atomistische metafysica die ook latere scholen
overnamen; en (3) diens kleurrijke neef, al-Nazzâm
(ca782-836). Deze laatste schitterde evenzeer met zijn libertaire
poëzie (waarin hij de geneugtes van de wijn bezong en de
etherische schoonheid van jonge knapen), als met zijn filosofische
gaven (hij was een tegenstander van het atomisme van zijn oom, en
tegelijkertijd ook een fervent bestrijder van het
manicheïsme). Een tijdgenoot, en op tal van punten ook een
denkgenoot van de Muctaziliten, maar iemand die
gewoonlijk als de "eerste filosoof"
wordt gecatalogeerd, was al-Kindî
(ca800-870). In onderscheid met de meeste andere filosofen was hij van
Arabische afkomst en gold daarom als "de filosoof van de
Arabieren" (faylasûf al-carab).
Met zijn omvangrijk encyclopedisch oeuvre gaf hij blijk van een
indrukwekkende ontvankelijkheid voor de Griekse filosofie en
wetenschappen; hij was de eerste om een plaats op te eisen, binnen het
islamitische denken, voor het (geplatoniseerde) aristotelisme . Ook
onze middeleeuwers wisten hem te waarderen.
6.1.2. Maar deze
periode kende ook een hele reeks van zogenaamde "vrijdenkers"
(zanâdiqa, enkv.: zindîq).
Hoewel sommigen ervan vervolgd werden door de politieke machthebbers,
leveren zij een treffende illustratie van het pluralisme (ook t.a.v.
andere religies) dat de islam doorgaans, en zeker in haar klassieke
periode, heeft weten te respecteren. De (van oorsprong Perzische) term
van zandaqa ("vrijgeesterij")
is een vlag die een erg heterogene "lading" dekt
(80). Namen die hier althans vermelding verdienen
zijn die van Ibn al-Muqaffac (één
van de briljantste Arabische literatoren die is voortgekomen uit de
Perzische, zogenaamde secretarissenkaste, of kuttâb;
werd op nauwelijks 36-jarige leeftijd, rond 756,
om onduidelijke redenen geëxecuteerd); Abû
cIsâ al-Warrâq (aanvankelijk
een muctaziliet en nadien
één van islams aartsketters; leverde een zeer
omstandige kritiek op het christendom
(81); in gevangenschap gestorven ca 861) en zijn
goede vriend Ibn al-Râwandî
(aanvankelijk eveneens een gerespecteerd muctaziliet
maar evolueerde tot een extreme zindîq
die de grondslagen zelf van de islam radicaal verwierp; zou de
Qur'ân geparodieerd en de Profeet geridiculiseerd hebben;
stierf in zijn bed, nochtans, wellicht in het begin van de 10de eeuw).
De indrukwekkendste verschijning, evenwel, zowel vanuit filosofisch als
vanuit wetenschappelijk oogpunt, is hier zonder de minste twijfel
Abû Bakr Muhammad ibn Zakariyyâ'
al-Râzî
(ca 865-925) (82).
Ik kom verder uitvoerig op hem terug.
6.2. De
hoofdstroming van de Arabische filosofie kwam pas tot volle bloei in de
periode dat de cAbbâsiden de
reële politieke macht moesten afstaan aan regionale
dynastieën. Het verlies van de politieke eenheid, evenwel,
betekende geen achteruitgang op het vlak van de materiële of
de intellectuele cultuur, wel integendeel: in de 10de- en 11de-eeuwse
"Renaissance" kreeg het Arabisch-islamitisch humanisme juist
zijn klassieke gestalte.
De grondlegger van die hoofdstroming was
Abû Nasr al-Fârâbî
(ca 870-950). Zelf de leerling van een christelijke aristotelicus, werd
hij de woordvoerder van de zogenaamde "peripatetische school
van Baghdâd": hij gold als de "Tweede
meester" van de filosofie (de "Eerste" was
natuurlijk Aristoteles). De basisgedachte van
al-Fârâbî's aanzienlijk oeuvre (meer dan
100 werken) was die van de "harmonie" tussen
Platoon en Aristoteles. Zijn politieke filosofie probeerde als eerste
de islam (en andere openbaringsgodsdiensten) kritisch te integreren in
de filosofie; Platoons theorie van de koning-filosoof werd a.h.w.
geacclimatiseerd binnen de moslimprofetologie. In zijn metafysica
werkte al-Fârâbî de emanatietheorie van
Plotinos (3e eeuw nK), in combinatie met Aristoteles, uit tot een
omvattende systeem van metafysische theologie, kosmologie en
psychologie, dat ook voor de joodse en christelijke filosofen en
theologen paradigmatisch werd.
Al-Fârâbî's
metafysisch systeem werd - met uitzondering van het politieke
verlengstuk ervan - grotendeels overgenomen door de al vermelde
Abû cAlî Ibn
Sînâ (ca 980-1037). Arts en
filosoof, maar ook mysticus, kende Ibn Sînâ een erg
bewogen bestaan. Dat belette hem echter niet omzeggens het gehele
oeuvre van Aristoteles te bespreken en uit te werken tot een
encyclopedie van alle Griekse wetenschappen: zijn "Boek der
Genezing van de Ziel" (de Arabische titel werd in het
Latijn verbasterd tot "Sufficientia"). Ondanks
een zeker gebrek aan originaliteit, zou Ibn Sînâ
zowel in het Oosten als in het christelijke Westen
al-Fârâbî in reputatie overvleugelen.
Voor vriend zowel als vijand (cf. al-Ghazâlî), ging
hij gelden als de belichaming van de falsafa
zonder meer.
6.3. Hierna moeten we
onze blik verplaatsen, van de oostelijke naar de westelijke
islamwereld, d.w.z. naar al-Andalus. Het is hier
niet de plaats om nader in te gaan op de geschiedenis van deze Europese
islam (83).
Arabieren, Berbers, bekeerde autochtonen, gearabiseerde joden en
christenen (de zogenaamde Mozaraben), Slaven, enz.: o.m. via gemengde
huwelijken gingen ze allen op in de smeltkroes van de islam. De steden
van al-Andalus vormden ware kolonies van wetenschapsmensen, juristen,
artsen, geleerden en dichters. Uit heel christelijk Europa kwamen leken
en clerici naar Cordoba, Toledo en Sevilla om er colleges te volgen aan
de moslimuniversiteiten en zich Hebreeuwse of Latijnse vertalingen aan
te schaffen. Maar naast zuiver wetenschappelijke bijdragen - inzake
filosofie, geneeskunde, wiskunde, astronomie, alchimie, enz. - bevatte
de schatkamer van dit Arabisch-Iberische humanisme ook literaire,
mystieke, theologische, juridische e.a. rijkdommen die grotendeels
onbekend bleven aan het christelijke Europa. Een aparte vermelding bv.
verdient het mystieke traktaat over de liefde, "De Ring van
de Duif",van de hand van de grootste religieuze geleerde uit
de moslim-Spaanse geschiedenis, Ibn Hazm
(994-1064) (84).
Na de val, weliswaar, van Toledo (in 1085) kwam al-Andalus onder
toenemende druk te staan van de Reconquista en moest de steun worden
ingeroepen van Noord-Afrikaanse Berberdynastieën.
Het leven van de grootste Andalusische filosoof
speelde zich af in deze roerige periode: Ibn Rushd
(geb. te Cordoba in 1126; gest. in 1198, in Marrakech) stamde uit een
juristenfamilie (wellicht van Iberische afkomst) en kreeg een zeer
verzorgde opleiding in de religieuze zowel als profane wetenschappen;
behalve (opper)rechter, zou hij ook lijfarts worden van de
Almohadenheersers. Zijn oeuvre was even volumineus en veelzijdig als
dat van de grote falâsifa uit het
Oosten, maar het is slechts gedeeltelijk bewaard in het Arabisch; het
merendeel kwam tot ons in een Hebreeuwse en/of Latijnse vertaling. De
hoofdbrok ervan vormen zijn Aristotelescommentaren - gestart op
instigatie van zijn vorst. Zijn latere bekendheid in het christelijke
Westen was vooral daarop gebaseerd: voor de scholastici was hij "de
Commentator" zonder meer (in Dante's Inferno,
z.4, 142-4, krijgt "Averrois, che' il gran comento feo",
een eervolle plaats in het Limbo, tussen de overige antieke meesters).
Ibn Rushds filosofisch project was in de allereerste plaats de
restauratie van de "zuivere" Aristoteles (althans zoals hij die
begreep), bevrijd van de aanwassen en vervormingen die "de
Wijze" (al-hakîm) o.m. vanwege
al-Fârâbî en Ibn Sînâ
had moeten ondergaan.
Wellicht géén andere
filosoof is meer misbegrepen of meer belasterd dan Ibn Rushd. Maar geen
andere moslimdenker ook heeft een grotere invloed uitgeoefend op de
Europese cultuur. Want de ironie van de geschiedenis heeft gewild dat
Ibn Rushd, die zich méér dan wie ook inzette om
het "akkoord" te bewijzen tussen religie en filosofie, in de eigen
moslimwereld nauwelijks weerklank heeft gevonden (hij viel zelfs
weliswaar een korte tijd in ongenade). Ook voor de Roomse kerk gold hij
als de exemplarische vijand van alle godsdienst, maar vanaf de 13de
eeuw was er ook een "heterodoxe" stroming die (al dan niet terecht) met
zijn opvattingen in verband werd gebracht: het zogenaamde "Latijnse
averroïsme". Ook al berustte het vooral op een
reeks misverstanden (zoals Ernest Renan voor het eerst heeft
aangetoond), dit "averroïsme" heeft een belangrijke rol
gespeeld in de Europese filosofische en wetenschappelijke ontwikkeling;
in Italië, meer in het bijzonder in Padua, zou men nog
"averroïsten" vinden tot in de 17de eeuw...
7. Illustratie:
al-Râzî.
Ten einde de uiteenzetting af te sluiten met een
wat meer concrete noot, zou ik de vorige, algemene beschouwingen willen
illustreren door éven wat dieper in te gaan op
één van de meest boeiende wetenschappers en
filosofen die de rijke Arabisch-islamitische cultuur heeft
voortgebracht, maar die omwille van zijn filosofisch non-conformisme
gewoonlijk niet veel aandacht krijgt: nl. Abû Bakr Muhammad
ibn Zakariyyâc
al-Râzî (ca 865-925) - behalve een geniaal arts en
alchemist, ook een groot filosoof en belijder van een
"integraal rationalisme"
(85).
Hij werd geboren ca 865 in de stad Rayy (enkele
kilometers verwijderd van het huidige Teheran - hij was dus "etnisch"
een Pers) - vandaar zijn (bij)naam ar-Râzî,
"van Rayy". Volgens de traditie zou hij pas rond zijn
dertigste geneeskunde zijn gaan studeren. Maar op enkele jaren tijd
verwierf hij zulk een faam dat hij werd aangesteld tot directeur van
het hospitaal van Rayy - wat dus ook het doceren van de geneeskunde
impliceerde. Hij zou ook een tijd lang de leiding krijgen over een
groot bîmâristân in
Baghdâd.
Ondanks zijn drukke praktijk als arts en als
professor, heeft al-Râzî een immens oeuvre
bijeengeschreven, op het gebied van de geneeskunde, de alchemie en de
filosofie. Naar eigen zeggen, schreef hij in één
enkel jaar tot 20.000 bladzijden, in een minuscuul handschrift. Op
latere leeftijd is hij ten gevolge van zijn grote lees- en schrijfwoede
zelfs blind geworden en raakten de zenuwen van zijn hand verlamd -
zoals hij schrijft in een autobiografie:
"Maar ook dan verzaak
ik niet aan deze bezigheden, in de mate van mijn mogelijkheden, maar
schakel ik altijd de hulp in van iemand om voor mij te lezen en te
schrijven".
Hij heeft aldus een 200-tal boeken geschreven.
Zijn grote beroemdheid en schier onaantastbare autoriteit, zowel binnen
de islam als in de latere, westerse christenheid, had
al-Râzî bovenal te danken aan zijn medische (alsook
alchemistische) geschriften.
Zo was er de immense verzameling van zijn
notitieboeken, met ontelbare citaten uit Griekse, Indische en Arabische
medische teksten, aangevuld met eigen klinische waarnemingen. Met een
omvang van 25 "boeken", werd het na zijn dood uitgegeven: het
zogenaamde "Kitâb al-Hâwî
fi'l-Tibb" (letterlijk: "Compendium",
of "Verzamelboek over de Geneeskunde"), kortweg:
de Hâwî. In 1279 werd het
vertaald in het Latijn, onder de titel "Continens",
en later verschillende malen heruitgegeven. Een ander beroemd handboek
van hem was het "K. al-Tibb al-Mansûrî",
opgedragen aan de lokale goeverneur van Rayy. Ook dit werk werd
vertaald in het Latijn, in de 12e eeuw, als de "al-Mansorem".
Het werd in het Westen bijzonder beroemd en populair, vnl. Boek IX, dat
over de bijzondere pathologie handelt. Verder noem ik nog enkele
kleinere monografieën, zoals "Stenen in de nieren
en de blaas", en "Over pokken en mazelen".
Dit laatste werd een 12-tal keren vertaald in het Latijn en in westerse
talen, en is tussen 1498 en 1866 een veertigtal malen gedrukt. Ook
vandaag wordt het nog geprezen door medici, omwille van de klinische
accuraatheid ervan.
Als filosoof, evenwel, was
al-Râzî heel wat minder populair: opvallend bv. is
dat geen enkele filosofische tekst van hem in het Latijn werd vertaald.
De algemene verklaring daarvoor moet ongetwijfeld gezocht worden in
al-Râzî's notoire vrijgeest en nonconformisme.
Terwijl de andere grote, Arabisch-schrijvende filosofen zich
uitdrukkelijk binnen de aristotelische traditie zouden situeren, was
al-Râzî platonist én atomist. Maar
bovenal was hij een - binnen de historische context - radicale
rationalist. Dat betekent niet dat hij een atheïst was:
al-Râzî was integendeel een overtuigd
theïst, die vast geloofde in de schepping van de wereld door
een persoonlijke God. Ter illustratie bv. de volgende passus uit zijn
autobiografie, "De Filosofische Levenswijze" (met
een duidelijke verwijzing naar Platoon):
"Aangezien de Schepper Alwetend en
Alrechtvaardig is, aangezien Hij absolute kennis, rechtvaardigheid en
erbarmen is, en aangezien Hij onze Schepper en Heerser is en wij Zijn
schepselen en onderdanen; terwijl dié dienaar bij zijn
meester het meest geliefd is, die het dichtst de richting en het
voorbeeld van zijn meester volgt, volgt daaruit dat het schepsel dat
het méést in Gods gunst staat, diegene is die de
grootste kennis heeft en de meest rechtvaardige, de meest barmhartige
en de meest mededogende is. Dát inderdaad is wat de
filosofen bedoelden toen zij zegden dat het opzet van de filosofie erin
bestond, 'zichzelf gelijk te maken aan God, in de hoogste mate dat
zulks mogelijk is voor een mens'
(86). Dat is de quintessense van het
filosofische leven".
Ook in zijn kennisideaal opponeerde
al-Râzî zich opvallend aan de andere falâsifa.
Deze laatsten namen t.a.v. kennis en bewustzijn een uitgesproken
elitaristisch standpunt in: filosofie en rationaliteit waren huns
inziens het voorrecht van een kleine elite (khâss);
de grote meerderheid van de mensen, d.w.z. het "gemeen" (camm),
waren ten gevolge van een of andere
deficiëntie niét capabel te begrijpen of leiding te
geven, maar enkel te geloven en te gehoorzamen; speciaal voor hen,
daarom, had God, in Zijn barmhartigheid, de profetische openbaring, en
dus de religie, voorzien.
Daartegenover nam al-Râzî het
standpunt in van een "filosofisch democraat": z.i. had God aan alle
mensen rede en verstand gegeven. Alle mensen, bijgevolg, niet alleen de
filosofen, waren qua aanleg in staat om hun leven op een rationele
manier te organiseren. Waarom de grote massa daarin dan, manifest, toch
niet slaagde, en al-Râzî wél? Wanneer
hij in de beroemde Disputaties (munâzarât)
met zijn ismâcîlitische
opponent, Abû Hâtim al-Râzî
(gest. 933/934), met deze opwerping geconfronteerd wordt, luidt zijn
repliek:
"Niét omdat ik het
privilegie heb van die wetenschappen. Ik, echter, heb me eraan gezet
ernaar te zoeken, terwijl de andere mensen getoond hebben erin
afgestompt te zijn. Zij zijn van dat weten beroofd omdat ze zich
onthouden van het studeren, en niét omdat zij een of andere
deficiëntie in zich zouden hebben. Het bewijs ervoor is dat
sommigen onder hen er verstand van hebben in hun levensonderhoud te
voorzien, handel te drijven en zich in dergelijke zaken te gedragen, en
dat ze door hun handigheid geleid worden naar zaken die te verfijnd
zijn om door velen onder ons begrepen te worden [sc. de ambachten en
kunsten]... - Maar, zei ik [sc. Aboe Hâtim],
zijn de mensen dan elkaars gelijken in intelligentie, in oplettendheid
en in scherpzinnigheid? - Mochten ze de inspanning (ijtihâd)
willen leveren en zich willen bezighouden met wat hen zou bevrijden,
dan zouden ze elkaars gelijken zijn in oplettendheid en intelligentie".
De praktische conclusie hieruit was dan
onvermijdelijk: aangezien alle mensen met rede begaafd waren, waren
profetische openbaringen - die trouwens aanleiding gaven tot strijd en
oorlogen tussen de aanhangers van verschillende profeten - overbodig.
Gods Wijsheid en Barmhartigheid vroegen daarom dat Hij
"aan de totaliteit van Zijn dienaars
de kennis inblies van wat hen tot nut is of schadelijk is, hier beneden
zowel als in het hiernamaals, en niet dat hij aan sommigen de voorkeur
gaf boven anderen, of zodanig handelde dat er rivaliteit tussen hen zou
zijn, en meningsverschillen die van aard zijn om hen te doen omkomen.
Dat was veiliger voor hen dan sommigen onder hen tot imâms te
maken voor de overigen, met als gevolg dat elke groep geloof hecht aan
zijn Imâm en de anderen voor leugenaars houdt; dat de mensen
elkaar met sabels in het gelaat slaan; dat de troebelen zich
veralgemenen en dat de mensen omkomen in de vijandigheden en de
gevechten. Vele mensen, we zien het inderdaad, zijn al op zulke manier
omgekomen" (87).
Hoe de mens dan kon/moest werken aan zijn/haar
verlossing uit dit aardse tranendal? Wel, door aan filosofie te doen.
Iedereen was daartoe in staat, en een kleine inspanning volstond al.
Op het vlak van de metafysica, anderzijds, is de
naam van al-Râzî bovenal verbonden met de doctrine
van de "Vijf Eeuwige (Principes)" (al-qudamâ'
al-khamsa): nl. God, de Ziel, de Materie, de Tijd en de
Ruimte. De filosofische precedenten ervan zijn zeer complex, maar zijn
belangrijkste bronnen waren ongetwijfeld Platoon (de kosmogonische Timaeus),
Aristoteles en de atomist Demokritos van Abdera. De vijf principes
spelen elk een rol in een kosmogonische mythe, over de val van de Ziel.
Met die mythe wou al-Râzî enerzijds bewijzen -
tegen de zogenaamde dahriyya
(88), of "atheïsten",
in - dat Gods schepping van de wereld in de tijd wel degelijk denkbaar
of "rationeel" was. Anderzijds wou hij God ontlasten van de
verantwoordelijkheid voor bestaan van het kwade en het lijden (89).
Laat ik ook nog even iets zeggen over
al-Râzî's ethische filosofie.
Méér nog dan in enig ander domein van zijn
filosofische bedrijvigheid, legt al-Râzî in zijn
ethiek getuigenis af van zijn eigenzinnigheid: zowel in principe,
inderdaad, als in praktijk kan hij een volgeling worden genoemd van de
oude Epikouros (einde 4de - begin 3de eeuw vK). Dank zij De
Geneeskunst van de Geest en het al vermelde De
Filosofische Levenswijze - twee werkjes van
al-Râzî die uitzonderlijkerwijze bewaard zijn
gebleven -, zijn we rechtstreeks geïnformeerd over de ethische
opvattingen die hij althans in die meer vulgariserend bedoelde teksten
verkondigde.
Hij volgde omzeggens dezelfde overwegingen als
Epikouros, die het genot of het lustvolle weliswaar had vereenzelvigd
met hét menselijke goede, maar desondanks het "vulgaire"
hedonisme van een Aristippos had verworpen. Ook
al-Râzî, anders gezegd, pleitte vanuit een
"hedonistische" standaard voor een gematigd-ascetisch levensideaal.
Centraal daarin stond zijn overtuiging dat genot en lustgevoelens geen
absolute, positieve waarden waren, die op zich konden nagejaagd worden.
Genot was integendeel slechts een "herstel", nl.
van de natuurlijke rust- of evenwichtstoestand, nàdat pijn
of een of andere fysiologische behoefte (honger, enz.) dat evenwicht
verstoord hadden. Eéns het evenwicht "hersteld", was het
lustgevoelen voorbij: de normale, "natuurlijke" toestand van het
organisme, inderdaad, was noch lustvol noch pijnlijk. Een citaat ter
illustratie (90):
"Genot bestaat simpelweg in het
herstel van de toestand die verdreven was door het pijnelement, terwijl
men overgaat van de staat waarin men zich actueel bevindt, tot men
terugkeert naar de staat die men tevoren kende. Een voorbeeld levert de
man die een rustgevende, schaduwrijke plaats verlaat om in de woestijn
te gaan; hij blijft daar onder de zomerzon tot hij last krijgt van de
hitte; vervolgens keert hij terug naar zijn eerdere plaats. Die man
blijft genot voelen op die plaats tot zijn lichaam terugkeert naar zijn
oorspronkelijke staat; dan verliest hij het lustgevoelen naarmate zijn
lichaam(stoestand) opnieuw normaal wordt. De intensiteit van zijn
plezier, bij het thuiskomen, is proportioneel aan de intensiteitsgraad
van de hitte, alsook aan de snelheid van zijn afkoelen, op die plaats
(thuis). Vandaar hebben de filosofen het genot gedefinieerd als een
terugkeer naar de natuurlijke staat".
Al-Râzî concludeerde als
volgt: lustgevoelens kunnen niet opgestapeld of opgeslagen worden, en
de zogenaamde "piekervaringen" van genot kunnen slechts bereikt worden
nadat we eerst overeenkomstige "ravijnen" van pijn zijn doorgegaan. Wie
behoeftes voedt, maakt ze alleen maar groter; uiteindelijk wordt hij de
slaaf van zijn passies (d.w.z. een mudmin, of
verslaafde) en gaat eraan ten onder. Vanuit zulke reductionistische
visie kan ook "de vrees voor de dood" à
la Epikouros (maar zonder diens levensvreugde) weggeredeneerd worden,
immers:
"de mens (...) zal na zijn dood door
geen enkele pijn nog gekweld worden; want pijn is een gewaarwording, en
gewaarwording is enkel een eigenschap van het levend wezen, (levend
wezen) dat gedurende zijn levensstaat gedompeld is in en verzadigd is
met pijn. Nu is de staat waarin er geen pijn is, evident heilzamer dan
de staat waarin pijn bestaat; de dood is derhalve heilzamer voor de
mens dan het leven".
Tenslotte, terwijl al-Râzî's
denken zich, in vergelijking met de andere falâsifa,
onderscheidde door een grote mate van originaliteit, zowel op het vlak
van de filosofische doctrines als op dat van (antieke) referenties en
methode, was hemzelf geen filosofisch "nageslacht" gegund.
Zélf was hij nochtans overtuigd van de gestage vooruitgang
van de menselijke kennis, over de verschillende generaties en culturen.
Anders gezegd, hij was de vaste overtuiging toegedaan dat de kennis van
de waarheid nooit "gegeven" was aan de mens, in een of andere, hetzij
filosofische hetzij religieuze "schatkamer", maar dat zij door de rede
middels eigen inspanning en studie progressief veroverd werd. Zodat
al-Râzî's eigen metafysica bv., in verhouding tot
de theorieën van de Ouden, (slechts) een "waarheid-in-vooruitgang"
was.
Een centraal begrip in deze râzische
visie was het uit de fiqh, of rechtsgeleerdheid,
gekende principe van de "ijtihâd", i.e.
de "persoonlijke inspanning"
(91). Maar terwijl
die persoonlijke inspanning in de fiqh per
definitie gebaseerd bleef op de openbaringsteksten en tradities; en
terwijl dezelfde notie voor de Ismâcîlî
de betekenis droeg van uitdieping van de Ismâcîlitische
weg, die a priori de enige geldige was, kreeg ijtihâd
bij de rationalist al-Râzî de meest ruime
betekenis, nl. van "vrij onderzoek".
Méér nog, daarom, dan een
al-Fârâbî, een Ibn
Sînâ of een Ibn Rushd (Averroës) - zijn
meer bekende mede-falâsifa -, toonde
al-Râzî zich daarmee de volwaardige erfgenaam van
de klassieke Helleense filosofen.
_______________________

NOTEN:
1. Zoals
het genoemd werd door de Saksische benediktijnerzuster, Hroswitha (ca
932-1002).
2. Volgens
de overlevering telde de bibliotheek van de kalief niet minder dan
400.000 "boeken". In werkelijkheid ging het allicht om even zovele deelboeken,
of katernen (vermoedelijk van 20 bladen elk), overeenkomstig het
toenmalige gebruik om manuscripten uit te geven in een aantal
zelfstandige deeltjes (Arabisch: djuz') die apart
bewaard werden. Zie hierover P.S. van Koningsveld, The Latin-Arabic
Glossary of the Leiden University Library. A contribution to the study
of Mozarabic manuscripts and literature (Leiden 1977), n.
89, pp. 68-70.
3. West-Europa
zou voor de meeste van die realisaties moeten wachten tot de 18de,
zoniet 19de eeuw. Openbare badhuizen en waterleidingen, meer in het
bijzonder, vormen één van de meest in het oog
springende, civilisatorische effecten van de islam als cultus (een
moslim moet zich, voorafgaand aan de dagelijkse gebedsstonden, vijfmaal
daags het hoofd, de handen en de voeten wassen, en eenmaal per week het
badhuis bezoeken; de toevoer van zuiver water, binnen de infrastructuur
van de moskee, is noodzakelijk). Pikant is het dan dat, na de
voltooiing van de zogenaamde Reconquista, de uitroeiing van de
islamcultuur in Spanje gepaard ging met de systematische vernieling van
de "islamitische" publieke badhuizen. Voor een rijkelijk
geïllustreerde presentatie van de materiële cultuur
en kunst van al-Andalus, zie bv. J.D.Dodds (ed.), Al-Andalus. The Art of
Islamic Spain (The Metropolitan Museum of Art, New York,
1992).
4. In zijn
boek, The
Influence of Islam on Medieval Europe (1972), p. 10.
5. Zie over
de Qur'ân onze syllabus, "Wortels van Islam",
kap. 4, op
deze site.
6.
Vergelijk met de rol van de Latijnse Vulgaat (vertaald door
Hiëronymus) in de romanisering van bijvoorbeeld
Gallië en Hispania.
7. Zoals
dat uitgedrukt wordt in s. 12, 2.
8. De
situatie is op het eerste gezicht vergelijkbaar met die van de
Apostelen, na de kruisiging van Jezus. Maar, als onbetekenende joodse
sekte binnen het gevestigde, Romeinse rijk, werden zij geenszins voor
dezelfde immense, maatschappelijke en politieke problemen geplaatst als
Muhammads Gezellen.
9. Cf.
Catherine Cornille, Vrouwen
in wereldgodsdiensten (Rotterdam 1994), p. 14: "Een
religieuze tekst bestaat... grotendeels uit symbolische en metaforische
taal, die op verschillende manieren kan worden geduid en in praktijk
omgezet. De geschiedenis van een wereldgodsdienst kan dan ook beschouwd
worden als de geschiedenis van de interpretatie van het heilige boek".
Sedert Bourdieu's "theorie van de praktijk" weten
we bovendien dat normen en waarden gevat zitten in een dialectische
wisselwerking met de (historische) maatschappelijke praktijken waarin
ze voortdurend gereproduceerd (en dus ook geconstrueerd) worden. Zie
hierover bv. D.Cohen,
Law, Sexuality, and Society. The enforcement of morals in classical
Athens (Cambridge 1991), ch. 2, met een omstandige kritiek
op de traditionele positivistische en filologische benadering (die met
name ook in de Oriëntalistiek en t.a.v. de islam nog vaak
gehuldigd wordt).
10. Zie
onze syllabus, "Wortels van Islam", kap.
8, op deze
site.
11. Zie
hierover De Ley (1993) en 1995.
12. Voor
het Griekse woord "grammatica" ging men het Arabische woord "al-naw",
letterlijk: "weg, pad", gebruiken.
13. Ten
behoeve van het beter begrip van de Qur'ântekst, werd o.m.
een grootschalig onderzoek gevoerd naar de taal, de leefgewoontes, de
stammen, enz. van de bedoeïnen in Arabië: wat na
verloop van tijd en in een gans verschillende culturele omgeving,
vooral nood had aan toelichting, waren de zogenaamde
"omstandigheden" of "oorzaken van de openbaring",
d.w.z. vragen als: op welke plaats? op welk tijdstip? in welke concrete
context is de openbaring neergezonden? Aan welke gebeurtenis was ze
gekoppeld? enz. Dat alles samen vormde de wetenschap van de "asbâb
an-nuzûl".
14. Zie
over de Qur'ân de syllabus, "Wortels van Islam",
kap. 4, op
deze site.
15. Het
zou een normale praktijk worden dat jonge mensen met poëtische
ambities een soort van "stage" zouden lopen bij Arabische nomaden, in
de eerste plaats om er de zogenaamde zuivere carabiyya
te leren.
16. De
pionier hiervan was Ibn al-Muqaffac, van
Perzische afkomst (zie verder).
17. Bv.
het gesofistikeerde literaire genre van de "maqâma"
(letterlijk: "vergadering").
18. Voor
een systematische bespreking van de literatuur ervan, in haar vele
onderdelen, zie Helmut Gätje (ed.), Grundriß der
Arabischen Philologie, Band II: Literaturwissenschaft,
Wiesbaden 1987.
19. Zie
G.Makdisi, The Rise of Humanism in Classical Islam and the
Christian West. With special reference to Scholasticism,
Edinburgh 1990. Over de scholastische methode in de (latere)
christelijke filosofie, zie De Ley, Filosofie als "Ambacht".
Thomas van Aquino en de Scholastische Methode (1993).
20. Met
name voor wat in het Engels "colleges" wordt
genoemd. Zie G.Makdisi, The
Rise of Colleges: Institutions of Learning in Islam and the West,
Edinburgh 1981.
20bis. Zie
Abdelali Elamrani-Jamal, "Le Coran: l'invitation au savoir:
une base éducative de l'Islam", in: la Medina,
n° 11 (2001), pp. 28-30.
21. Cf. de
studie van M.Arkoun, Contribution
à l'étude de l'humanisme arabe au IVe/Xe
siècle: Miskawayh 320/325-421) = (932/936-1030), Philosophe
et Historien. Paris 1977.
22. Zie
het deel over "Islam en de Oudheid", § 3, p. 10.
23. M.Arkoun
(1975), p. 36, geeft als voorbeeld de aristotelische notie van het "juiste
midden" (wasat), reeds aanwezig in de Qur'ân, hadîth
en volksgezegden, en nadien door de Arabische moralisten hernomen "dans
la même perspective qu' Aristote".
24. Arkoun,
l.c.
25. De
"heidense" oorsprong en aard van deze kennis vormden voor de
moslimfilosofen geen beletsel. Vergelijk daarmee in contrast, in de
hedendaagse periode, de afwijzing van het moderne, "seculiere" (en
constructivistische) wetenschapsbegrip en de promotie van een
"islamitische wetenschap" door een aantal islamistische en mystieke
stromingen (met overname weliswaar van de westerse technologie maar met
afwijzing van bv. darwinistische theorieën over de evolutie).
Een vertegenwoordiger hiervan is het Amerikaans(-Turks)e magazine,
The Fountain, A Magazine of critical, scientific, and spiritual thought
(hyperlink:
http://www.fountainlink.com). Zie
ook de bundel, The History and Philosophy of Islamic Science,
van Osman Bakar, 1999: "Being based on the metaphysical,
cosmological, epistemological, ethical and moral principles of Islam,
Islamic science adopts goals and methodological principles that are
different in several respects from those of modern science" (tekst
op de achterflap). Voor een kritische bespreking ervan, in het kader
van het politieke, islamistische project, zie Bassam Tibi,
Islam between Culture and Politics (2001), pp. 4-7.
26. C.Toll,
Arabische
Wissenschaft und Hellenistisches Erbe (1976), p. 31.
27. Voor
een meer gestoffeerd, encyclopedisch overzicht verwijs ik naar mijn
syllabi (1993) en (1995).
28. ca 129
- ca 199 nK. Galenos wou aan de geneeskunde, tegen de "empirische"
richting in, opnieuw een filosofisch-wetenschappelijke basis geven. Hij
hechtte, vandaar, groot belang aan de aristotelische logica, als
fundament voor de bewijsleer en de wetenschapstheorie. In zijn teksten
beroept hij zich vooral op Hippokrates en Platoon, maar het algemeen
kader van zijn medische filosofie/filosofische geneeskunde is
aristotelisch (cf. ook de overname van Aristoteles' teleologische
natuurvisie, bv. voor de studie van de organen), met weliswaar ook
stoïsche invloed. Van zijn immens oeuvre is een aanzienlijk
deel verloren gegaan (o.m. door een brand in 192), maar toch zijn, in
de eerste plaats dank zij de Arabische receptie ervan, nog meer dan 120
medische en filosofische werken op zijn naam bewaard.
29. Vandaag
is Harrân weinig meer dan een dorp met typisch gevormde,
lemen huizen (gelegen op Turks grondgebied).
30. Ten
einde de vervolgingen vanwege al-Ma'mûn te vermijden
vereenzelvigden zij zich met de zogenaamde Sabiërs of
Sabeërs, die in de Qur'ân (bv. s. 5,69) tot de "volkeren-van-het-Boek"
werden gerekend.
31. De
Harraniten voerden hun godsdienst terug op "Hermes".
32. De
religieuze vrijheid, met name voor de christenen, zou er dan ook vaak
groter zijn dan in het Imperium. Nochtans zou de Pers Mani, stichter
van de manicheïsche kerk, omwille van zijn afvalligheid van de
mazdeïsche staatsreligie, in 277 precies in
Gundishapûr ter dood gebracht zijn. Zie D.D. De Lacy O'Leary,
How Greek Science Passed to the Arabs (1980), p. 16.
33. De
academie die de koning er oprichtte, volgde het alexandrijnse
curriculum. Behalve een astronomische faculteit, met observatorium, en
een theologische school, bezat ze ook een medische faculteit, met eraan
verbonden hospitalen. Zij beschikten, behalve voor het verzorgen van de
zieken, ook over voorzieningen voor het theoretisch en praktisch
onderwijs in de geneeskunde. De stad huisvestte ware
dynastieën van medische families, waarvan de nestoriaanse
Bakhtîshûc de bekendste was.
34. Het
woord is van Perzische oorsprong.
35. Over
de Arabische alchemie, en het aristotelisch-platonische wereldbeeld dat
eraan ten grondslag ligt, zie De Ley (1993), pp. 140-165.
36. Zo
M.Ullmann, Die
Medizin im Islam (Leiden 1970), p. 97.
37. Zo
Ullmann, l.c.
38. Over
de beroepsethiek van de Arabische artsen en de ermee samenhangende
literatuur, zie Ullmann (1970), pp. 223-227.
39. Of bij
die verovering Alexandrië's bibliotheek door de Arabieren in
brand is gestoken, zoals de christelijke traditie het wil, is
twijfelachtig. I.Opelt, Griechische
Philosophie bei den Arabern (1970), p. 11, merkt hierbij
op: "Die Hauptgegner der griechischen Philosophie waren die
christlichen Bischöfe".
40. Bewaard
in drie versies, waarvan er één teruggaat op de
filosoof al-Fârâbî.
41. Eén
van de meest recente auteurs die de traditie bespreken, G.Strohmaier, "Von Alexandrien nach
Bagdad" - eine fiktive Schultradition, in: J.Wiesner
(ed.), Aristoteles,
Werk und Wirkung, P.Moraux gewidmet, 2.Bd (Berlin/New York
1987), pp. 380-389, komt tot de conclusie dat er weliswaar geen reden
bestaat om te twijfelen aan de verhuis van (eventueel een deel van) de
Alexandrijnse school naar Antiochië, maar dat de betekenis
ervan voor de Syrisch-Arabische Aristotelesreceptie als verwaarloosbaar
moet beschouwd worden.
42. Voor
Indië's rol zie D.D.De Lacy O'Leary, o.c. (1980), ch. VII-VIII
("Indian Influence") en ch. IX ("Buddhism
as a Possible Medium").
43. R.Arnaldez,
L.Massignon & A.P.Youschkevitch, La science arabe,
in: La science
antique et médiévale (des origines 1450),
ed. R.Taton (Paris 1966²) p. 445.
44. Het
Syrisch is een christelijk literair dialect van het (Oost-)Aramees, dat
tot de groep van noord- of noordwestelijke Semitische talen behoort;
het (Noord-)Arabisch behoort tot het zuid- of zuidwestelijk Semitisch,
maar deelt een aantal kenmerken met het noordwestelijk Semitisch (de
Arameërs waren een soort van noordelijke tak van de
Arabieren). Zie H.Gibb (1963), p.3; art. cArabiyya
in EoI, pp. 561-562; De Lacy O'Leary (1980), p.
182.
45. "al-Yunâniyyûn",
i.e. "de Ioniërs", of "Yunân",
naar hun veronderstelde stamvader (ook vandaag nog in het Arabisch en
het Turks gebruikt voor Griekenland, Grieken, enz.)..
46. Yahyâ
is het Arabisch equivalent voor het Syrische Yuhannâ
(Johannes).
47. Het
Arabische al-Bitrîq (of batrîq)
staat voor het Griekse patriarchès.
Al-Bitrîq was vermoedelijk een (Oost-)Romein.
48. Al-Macmûn
had drie jaar eerder de mu`tazilitische doktrine van de "geschapen
Qur'ân" tot orthodoxie uitgeroepen; mogelijk was
hij op zoek naar nieuwe intellectuele wapens voor de theologische
strijd.
49. Cf.
het verhaal in de boekencatalogus, al-Fihrist,
van Ibn al-Nadîm (voltooid in 987), "the single
most important document on philosophy among the Arabs",
Peters (1968), p. 277.
50. Zij
werden ook naar het buitenland gestuurd, zo naar Sicilië,
Constantinopel en andere steden in het Byzantijnse rijk. Anderzijds
werd bv. ook een vredesverdrag met keizer Michael II door al-Macmûn
voor dit opzet gebruikt: de keizer moest volgens de termen van het
verdrag de bibliotheek van Constantinopel (voor een totaal van 100.000
boeken) afstaan aan de kalief.
51. "This
was the most ambitious undertaking of its kind since the foundation of
the Alexandrian Museum (first half of third century B.C.)",
Sarton (1927), p. 558.
52. Zijn
eigen medische traktaten (o.m. het oudste bewaarde, gespecialiseerde
traktaat over oogziektes: het Kitâb Dadjal
al-`ain, "B. van de Deficiëntie van
het Oog", zie Ullmann, 1970, p. 205) waren in het Arabisch
geschreven, maar hij vertaalde verschillende Griekse medische traktaten
in het Syrisch. Grote bekendheid (ook bij ons, in een Latijnse
vertaling, op naam van "Mesu") verwierven zijn Medische Aforismen.
Vgl. bv. afor. 68: "Als ze zieken genezen, moeten
geneesheren ernaar streven dat hun lichaam de toestand hervindt waarin
het verkeerde toen het gezond was, en niet het evenwicht in de
totaliteit van zijn substantie". Arnaldez e.a. (1966), p.
517, die een kleine selectie afdrukken, noemen nr. 68 "l'aphorisme
le plus profond".
53. Zie
bv. de publicatie met commentaar van één van zijn
verhandelingen over een probleem in de statica: Khalil Jaouiche, Le Livre du
Qarastûn de Tâbit Ibn
Qurra. Etude sur l'origine de la notion de travail et du calcul du
moment statique d'une barre homogène (Leiden
1976). Sarton (1927), pp. 599-600.
54. Geboren
in al-Hîra, nadien werkzaam in Gundishapûr.
55. Hij
schreef een groot oftalmologisch traktaat (in 1928 door M.Meyerhof
uitgegeven samen met een Engelse vertaling: "The book of the
ten treatises on the eye ascribed to Hunain ibn Ishâq. The
earliest existing systematic text-book of ophthalmology").
Het is het eerste oftalmologisch overzichtswerk dat tot ons is gekomen,
niet alleen van de islam, maar ook van de klassieke oudheid (het biedt
een compilatie van Griekse artsen, vooral Galenos, maar ook Oreibasios,
Paulos van Aigina, e.a.); het bevatte ook tal van diagrammen, waarin
voor het eerst de anatomie van het oog getoond werd. Zie
Ullmann (1970), pp. 205-206. Over Hunayn in het algemeen, zie De Lacy
O'Leary (1980), pp. 164-170.
56.
Hunayn beheerste daarmee de vier cultuurtalen van zijn tijd: Arabisch,
Grieks, Perzisch en Syrisch.
57. G.Anawati
(1977), "Science", in: The Cambridge
History of Islam (1970), vol. 2B, p. 768.
58.
Hunayn schreef daarnaast ook nog eens een 100-tal eigen boeken, meestal
i.v.m. de geneeskunde. In de Latijnse middeleeuwen was hij vooral
beroemd om zijn Ars
parva Galeni, ook bekend als de Isagoge Johannitii.
59. Voor
een omstandige bespreking van de vertaaltechniek zie o.m. A.Badawi,
La transmission de la philosophie
grecque au monde arabe (1968), pp. 15-34.
60. "The
importance of this activity can be measured... by stating that the
translations prepared by hunain and his school were the foundation of
that Muslim canon of knowledge which dominated medical thought almost
to modern times", G.Sarton, Introduction to the
History of Science, vol.I: From
Homer to Omar Khayyam (1927), p. 611. Eén vb.: de
nieuwe vertaling door Hunayn, gereviseerd door Thâbit ibn
Qurra, van Ptolemaios' astronomisch hoofdwerk waarvan de titel
verarabiseerd werd tot al-Majistî (in het
Latijn tot: Almagest). Eens bekend, verdrong dit
werk de Indische en Perzische astronomische teksten waarop de eerste
Arabische astronomen zich hadden gesteund. In het christelijke Westen
zou het dé absolute autoriteit zijn tot aan Copernicus. Zie
Anawati (1977), p. 759.
61.
Hunayn schreef zelf o.m. een Syrische grammatica en het vroegste
Syrisch lexicon, "Verklaring van Griekse termen in het
Syrisch".
62. Zie
G.Sarton, Introduction
to the History of Science, vol. I: From Homer to Omar Khayyam
(1927), pp. 560-561.
63. Cf.
M.Galston (1990), Politics and Excellence. The Political
Philosophy of Alfarabi, pp. 18-19.
64. Zo bv.
W.M.Watt, Islamic Philosophy and Theology (1979),
p. 91v.
65. Zie
bv. bijdragen in R.Walzer, Greek into Arabic. Essays on
Islamic Philosophy (1962). Onder de recente
al-Fârâbî studies kunnen vermeld worden:
M.Galston, Politics
and Excellence. The Political Philosophy of Alfarabi,
Princeton 1990; I.R.Netton, Al-Fârâbî
and His School, London 1992.
66. Het
verslag van de disputatie is bewaard gebleven, in een tekst van de
essayist Abû Hayyân al-Tawhîdî
(gest. 1023). De Grieken worden er misschien niet toevallig
systematisch "Yunân" genoemd: cf. Bishr
Mattâ's alternatief patroniem (zie hoger). Opgesteld door
al-Tawhîdî, een voorstander van de "traditionele
wetenschappen", wijst het de "overwinning" toe aan
as-Sîrâfî (die overtuigend argumenteerde
dat de aristotelische logica, als een product van de Griekse taal,
enkel geldig kon zijn voor Griekse geesten). Voor een bespreking zie M.
Mahdi, Language
and logic in classical Islam, in: Logic in
Classical Islamic Culture, ed. G.E.von Grunebaum (Wiesbaden
1970), pp. 51-83. Een samenvatting in De Ley, Het Klassieke Arabische
Denken, Deel 2.1 (1995), pp. 21-26.
67. Zie
Netton (1992), pp. 8-11.
68. Zie
over al-Sijistânî: M.Arkoun, Essais sur la
pensée islamique (1977), p. 102 ("que
nous devons retenir comme le maître à penser de
toute la génération qui relie celle de
Fârâbî à celle d'Avicenne");
Netton (1992), pp. 11-13. In tegenstelling tot Ibn
Sînâ en Ibn Rushd, heeft
al-Sijistânî's werk geen Latijnse vertaler
gevonden, "and so the scholastic Middle Ages in the West
remained in ignorance of what he had written".
69. Zie
vooral zijn anthologie Siwân
al-Hikma, "Kast van Wijsheid", dat
een ontzaglijk aantal gezegdes bevat - dikwijls in de vorm van citaten
- van de "wijzen" (hukamâ'), moslim
zowel als niet-moslim, voornamelijk maar niet uitsluitend over ethische
en metafysische onderwerpen. "The form of the book thus
presupposes a considerable period during which the translations of
philosophical texts were in the hands of the Arabic reading public"
(geciteerd in Netton, o.c., p. 12). Over "adab"
zie het gelijknamig artikel in EoI, van
F.Gabrieli.
70. Archimedes,
Eratosthenes, Apollonios van Perge, Menelaos, Heroon van
Alexandrië, Diophantos van Alexandrië, Pappos en vele
andere.
71. Homeros,
Soloon, Hippokrates, Puthagoras, Sokrates, Platoon, Aristoteles en
Alexander de Grote zijn slechts enkele van de Griekse "wijzen" die
(reeds in de late oudheid) maximes en stichtende zegswijzen in de mond
gelegd kregen.
72. Bv.
het schrift "Over de appel", dat de dood van
Aristoteles schildert naar het model van de platoonse
Phaedo, en gecompileerd is uit Griekse sententiën.
73. In 704
reeds was Samarkand, waar de Chinezen kort tevoren een
papiermanufactuur hadden gevestigd, door de moslims veroverd. Pas in
794 startte de papierfabricatie in Baghdâd, maar het papier
zou van daaruit zeer snel de rest van de Mediterrane wereld veroveren,
ten koste zowel van het minder praktische en duurdere papyrus als van
het perkament.
74. Zie
de syllabus, Wortels van Islam, op deze site.
75. G.Sarton,
Introduction
to the History of Science, vol. I: From Homer to Omar Khayyam
(1927), p. 707.
76. Sarton
(1927), p. 716-717.
77. Het is
vanzelfsprekend ondoenbaar om hier al was het maar een namenlijst te
geven van de grote Arabische geleerden en wetenschappers. Zie de drie
delen van Sarton (1927v.), waar de bespreking van de Arabische auteurs
chronologisch verweven is met die van de wetenschappelijke ontwikkeling
in de rest van de wereld. Een overzichtelijk "tableau"
van de grote namen, op basis van Sarton, is te vinden in R.Arnaldez,
L.Massignon & A.P.Youschkevitch, La science arabe,
in: La science antique et médiévale (des
origines à 1450 (1966),
pp. 464-471.
78. Arnaldez
e.a. (1966), p. 447, waar vervolgd wordt met: "La science
est effectivement une des institutions de la cité musulmane".
79. Het
hierna volgende, summiere overzicht is (met lichte aanpassing)
overgenomen uit: H.De Ley, De
Arabische Filosofie (Falsafa), in: Van algebra tot pyjama,
Arabieren in de Vlaamse Cultuur, ed. G.Dauwen, Brussel
1996, pp. 27-33. Voor verdere lectuur verwijs ik naar: M.Arkoun, La Pensée
Arabe, in de reeks: Que sais-je?
(nr. 915), Paris 1975e.v. ; Martin, Aubert, Averroès
entre l'Orient et l'Occident, fasc. G31 (1992), in de
reeks "Faculté Ouverte", van de
Université de Liège, fac. Phil. &
Lettres; Nasr, Seyyed Hossein & Oliver Leaman (edd.), History of Islamic
Philosophy, 2 volumes, Routledge, London & New
York 1996; Van Koningsveld, P.S., Sprekend over de islam
en de moderne tijd. Teleac-Prometheus, Utrecht/Amsterdam
1993. Zie nu ook: Michiel Leezenberg, Islamitische filosofie.
Een geschiedenis, A'dam 2001.
80. Zie De
Ley (1995), pp. 113-116. In de politiek-repressieve aanwending ervan
werd hij vooral gekoppeld aan het manicheïsme. Voor recente
publicaties, zie Melhem Chokr, Zandaqa et
zindîqs en islam au second siècle de
l'hégire (Damas 1993); Dominique Urvoy, Les penseurs libres dans
l'Islam classique. L'interrogation sur la religion chez les penseurs
arabes indépendants, Paris 1996. Voor een
algemene bespreking, zie De Ley (1995).
81. Zijn
tekst, "Tegen de Drievuldigheid", is de meest
uitvoerige polemiek tegen dit christelijke geloofspunt die ons uit de
vroege periode bewaard is. Het weerlegt zowel de argumenten van de
Orthodoxen, de Nestorianen als de Monophysiten. De tekst is onlangs
uitgegeven en vertaald in het Engels (door D.Thomas, Cambridge UP,
1992).
82. Andere
namen van beroemde "ketters", die niet tot de filosofische traditie
behoorden, zijn (1) die van de mysticus, al-Husayn b. Mansûr
al-Hallâj, met zijn beruchte uitspraak, "Ik ben
de (goddelijke) Waarheid"; hij werd in 922 om een combinatie
wellicht van politieke en religieuze redenen geëxecuteerd in
Baghdâd; (2) de grote blinde Syrische dichter, Abû
'l-cAlâ' al-Macarrî
(973-1057): in zijn "Brief van de Vergiffenis" ondernam
hij o.m. een bezoek aan de Hel en het Paradijs, à la Dante,
waarbij tal van notoire 'vrijdenkers' in het paradijs werden geplaatst;
hij poogde ook een rivaliserende Qur'ân te schrijven, maar
werd niet vervolgd.
83. Zie
hierover H.De Ley, Van
Cordoba tot Mostar (1998), hst. 1.
84. Zie
hierover nogmaals De Ley, (1998), hfst. 1, § 2.
85. Dat is
althans de formulering van A.Badawi, Histoire de la
Philosophie en Islam (Paris 1972), II, p. 577.
"Rationalisme", nochtans, in deze historische context, kon
moeiteloos samengaan niet alleen met het beoefenen van de alchemie maar
ook met geloof in de magie, d.w.z. in de occulte ("sympathetische")
eigenschappen der dingen.
86. Cf.
Platoon, Theaetetus, 176B1-2, natuurlijk, waar de
zinsnede weliswaar geformuleerd wordt in het kader van een oproep om
deze wereld te ontvluchten.
87. Voor
verwijzingen zie mijn al vermelde syllabus (1995), p. 148.
88. D.w.z.
voorstanders van de filosofische leer van de eeuwigheid van de wereld.
89. Voor
een beknopte bespreking, zie De Ley, Het Klassieke Arabische
Denken, Deel 2.1. (1995), pp. 152-167.
90. Geneeskunde van de Geest
(Arberry, 1950), p. 39 (vertaald uit het Engels). Voor een uitvoeriger
(inleidende) bespreking, zie De Ley, o.c., pp. 169-176.
91. De
vaste tegenpool ervan is: taqlîd, "nabootsing",
in de zin van een (passief) gehoorzamen en zich conformeren aan een
gegeven autoriteit.
*
Overgenomen uit de
syllabus "Islam en Europa. Deel 1: Islam en Hellenisme", UGent 1998. Zie nu
op deze
site, eBook "Klassiek Arabisch-Islamitisch Denken".