Wat is Religie? Een Inleiding.
door Herman De
Ley (1)
( Ontstaan
van het Christendom) |
|
1.
Bij de bespreking van een religie of godsdienst - christendom, judaïsme,
islam... -, in het kader van een cyclus over "mens en religie",
ligt het voor de hand dat voorafgaandelijk zou aangegeven worden, wàt
religie of godsdienst voor iets is. Anders gezegd: dat althans zou
vertrokken worden van een definitie van wat onder "religie" dient
verstaan te worden. Wanneer we daarvoor te rade gaan, nochtans, bij de
"experts" op dit gebied, antropologen, sociologen,
godsdienstwetenschappers, theologen en noem maar op, doen we een
curieuze vaststelling:
a) enerzijds bestaat er, sedert jaar en dag, een quasi consensus dat
religie een algemeen of universeel menselijk verschijnsel is: m.a.w. het religieuze, het
hebben van religieuze gevoelens of aspiraties, het geloven in en het
vereren van bovennatuurlijke krachten, van god(en), enz., zou kenmerkend
zijn voor de menselijke natuur als zodanig - wat tot de stelling leidt
dat "er nimmer een volk (is) gevonden, dat geheel gespeend was van
godsdienstig besef, hoe primitief van aard dan ook"(2).
Dit is de stelling van de
"universaliteit van de religie".
b) anderzijds, en tegenstrijdig met die "vanzelfsprekendheid" van religie, is er in de
betreffende literatuur geen definitie van "religie" te
vinden, die algemene instemming heeft gevonden(3).
De grootste
struikelsteen voor het formuleren van een (algemeen geldige) definitie is
dat een dergelijke definitie niet enkel toepasselijk moet zijn op de drie
grote (Semitische), zogenaamde openbaringsgodsdiensten - judaïsme,
christendom en islam -, maar ook op alle andere vormen van religieus
leven, uit het verleden (bv. het Griekse polytheïsme)
zowel als uit andere, nog bestaande culturen, niet in de laatste plaats
de Aziatische.
Nemen we bv. het
zogenaamde
"Hindoeïsme":
omzeggens geen enkel element dat de drie hoger genoemde openbaringsreligies
intuïtief
tot een religie maakt, lijkt hier toepasselijk(4):
- er is geen sprake van een
stichter of profeet;
- het godsbegrip staat niet
centraal (het staat een "Hindoe" vrij te geloven in één god, in vele goden
of in géén god);
- er is geen "credo" of
religieuze leer die gedeeld wordt door alle "Hindoes";
- de heilige schriften, de
"Veda's" zijn niet meer dan een enorme verzameling van zeer heterogene
literaire en filosofische teksten en hebben al vele eeuwen omzeggens geen
praktische betekenis meer voor het spirituele leven (met uitzondering dan
van de zogenaamde "Upanisjaden");
- er is geen kerkelijke
organisatie(5),
enz.
Betekenisvol, in dit verband,
lijkt het feit dat zogenaamde oosterlingen dikwijls niet het minste probleem
hebben om zich tot verschillende "religies" tegelijkertijd te
bekennen: bv. in China bestempelen mensen zich als én confucianist én taoïst
én boeddhist; in de volkstelling van 1951, in Japan, vereenzelvigden,
van de 80 miljoen Japanners, 63 miljoen zich als "sjintoïst"
en daarvan noemden 44 miljoen zich tevens "boeddhist".
Van de meeste, zo niet àlle
omschrijvingen van "religie" kan worden aangetoond dat zij zélf binnen een
concrete religieuze/theologische traditie - met name de (judeo-christelijke-islamitische)
thuishoren. Om er enkele, als voorbeeld, te vermelden:
- religie is het aanvaarden van
of geloven in een "opperwezen";
- religie is "zin en gevoel
voor het oneindige" (Schleiermacher)(6);
- religie is "de ontmoeting
van de mens met het 'Heilige' en het daaraan beantwoordende handelen"
(R.Otto)(7);
- religie is "een samenhangend
systeem van geloofsinhouden en handelingen die betrekking hebben op
heilige dingen, d.w.z. op wat apart is gezet, verboden is; deze
geloofsinhouden en handelingen verenigen degenen die ze aanhangen, in één
enkele morele gemeenschap, 'kerk' genoemd" (Emile Durkheim)(8).
Friedrich Schleiermacher
(1768-1834) en Rudolf Otto (1868-1937) waren protestantse theologen, de
bekende socioloog Durkheim was jood en voorbestemd om rabbijn te worden.
Vertrekkend van dit soort
van godsdienstvisie, hebben de Europeanen ook in andere culturen naar
"religies" gezocht. Hoe onvermijdelijk het ook moge lijken dat wij
ideologische fenomenen die niet tot onze traditie behoren, op een
vooringenomen manier interpreteren, moet toch gewaarschuwd worden voor
een (al te) naïeve
"eurocentrische" benadering. Ter illustratie enkele vaststellingen:
- het Chinees heeft geen woord
voor "religie";
- het begrip "Hindoeïsme"
is een westerse creatie en heeft in Indië eigenlijk geen betekenis(9);
- een vraag als "Geloof jij in
Visjnoe?" kan in een Indische context zelfs niet gesteld worden.
|
|
2.
In het licht van het voorgaande dient alleszins een groot vraagteken te
worden geplaatst bij de universaliteitsthesis(10).
Een bespreking, nochtans, die zich beperkt tot één of meer van de grote
openbaringsgodsdiensten - judaïsme,
christendom en islam - kan bezwaarlijk voorbijgaan aan die thesis en het
eraan gekoppeld mensbeeld. In wat volgt, daarom, wil ik het fenomeen
"religie" - de oorsprong en functie ervan - beknopt maar kritisch duiden
vanuit het zelfbegrip dat werkzaam is binnen deze religieuze traditie
(met inbegrip, binnen de christelijke sfeer, van atheïsme
en vrijzinnigheid). Weliswaar niet zonder de waarschuwing dat dergelijke
"immanente" evidenties (bv. inzake de menselijke natuur) niet zonder
meer overdraagbaar zijn op analoge, zeg we maar: symbolische constructies in andere
culturele milieus.
Wanneer we ons dan vanuit
deze traditie de vraag stellen naar de betekenis en functie van de religie,
moeten we m.i. concluderen dat "religie", in de brede zin van het woord,
inderdààd
een essentieel gegeven is van de "menselijke natuur". Nochtans niét omdat
de mens door God zou geschapen zijn naar Zijn evenbeeld - zodanig dat,
onder alle "schepselen", de mens a.h.w. ontologisch een geprivilegieerde relatie zou hebben met dat Opperwezen. Ik zou bijna
zeggen: integendeel. Want wanneer de mens wezenlijk "religieus" is,
ligt dat - om in religieus-mythologische termen te spreken - juist aan
zijn/haar "verdreven-zijn, door God, uit het aards Paradijs", zoals
boek Genesis het verhaalt. Die
mythe omtrent de "val" van de mens -
a.h.w. de definitieve "scheiding" tussen mensen en god(en) - vinden we onder
een of andere vorm ook in andere culturen terug(11).
Hij drukt a.h.w. een "antropologische waarheid" uit: nl. dat de menselijke
soort (homo sapiens sapiens) haar ontstaan te danken heeft aan een
(plotse)
breuk met de natuur(12).
De mens heeft op dat ogenblik, in tegenstelling tot de andere levende
wezens, de gelukkig-makende
symbiose - eenheid en harmonie - met de natuurlijke omgeving definitief
verloren; hij/zij is zich "bewust" geworden, zowel van zichzelf
als van zijn/haar situatie. Maar dat is natuurlijk een wat misleidende
formulering: pas het teloorgaan van die symbiose was het eigenlijke
geboorteuur van de mens; strikt genomen, heeft de mens als zodanig niéts
"verloren"(13). Hoe dan ook, dit "bewust-worden" vinden we in Genesis, 3.22,
uitgedrukt met de woorden:
"En Jahwe God zei: Nu de mens
in de kennis van goed en kwaad als een van ons (!) is geworden...".
Bewust geworden, is de mens ook
eenzaam geworden - en dat deed, dat doet nog altijd,
pijn. Eenzaamheid en ongelukkig-zijn behoren a.h.w. tot de existentiële
uitgangspositie van de mens, tot de "condition humaine", en vragen
om geheeld te worden. Citeren we
in dit verband Whitehead's omschrijving van religie, nl.:
"religie is wat de mens doet
met zijn eigen alleen-zijn"(14).
Bewust (geworden), werd/wordt de
mens geconfronteerd met de "chaos" van het leven: rampen, lijden,
schaarste, toeval, pijn en dood(15). Dat pijnlijke "ontwaken" in een vreemde, vijandige omgeving wordt
in Genesis, 3.16-19, als volgt uitgedrukt:
"En tot de
vrouw heeft (Jahwe
God) gezegd:
Zeer zwaar zal ik maken de
lasten van uw zwangerschap: met pijn zult gij kinderen baren. Naar uw man
zal uw begeerte uitgaan, hoewel hij over u heerst.
En tot de man
heeft hij gezegd:
Omdat gij hebt geluisterd
naar uw vrouw en hebt gegeten van de boom die ik u had verboden, zal de
grond vervloekt zijn omwille van u! Zwoegend zult gij van hem eten, alle
dagen van uw leven. Distels en doornen zal hij voortbrengen, met veld-gewas
zult gij u voeden. In het zweet zult ge u werken voor uw brood, tot gij
terugkeert naar de grond, waaruit gij zijt genomen: gij zijt stof, en tot
stof keert gij terug"(16).
Wou/wil de mens kunnen
leven, dan moest/moet hij/zij die chaos bezweren, moest en moet hij/zij
een minimale, symbolische orde kunnen brengen. Vandààr
dus "religie": religie" is niet méér
(maar ook niet minder) dan (een poging tot) bezwering van de chaos. Zoals de
bekende Amerikaanse cultuurantropoloog Clifford Geertz schrijft in zijn bekende bundel, The
Interpretation of Cultures (1973): er zijn wel degelijk grenzen
aan wat de mens kàn
begrijpen, aan wat hij/zij aan lijden kàn
verdragen en accepteren. Religie is z.i. dan een poging om door middel
van (de symbolische constructie van) een "algemene zijnsorde" de
wereld of het leven begrijpelijker, draaglijker en in zekere mate ook
rechtvaardiger te maken(17).
De vaak extreme
wisselvalligheden van het leven(18),
m.a.w., dwongen/dwingen de mens zich fundamentele vragen te stellen over
de natuur der dingen en de zin van het menselijke bestaan. Religies
leveren dus antwoorden op vragen die de dagelijkse routine overstijgen, en
"religie" als zodanig kan bijgevolg omschreven worden als "kennis"
omtrent het waarom der dingen. Antropologen onderscheiden in
dit verband twee dimensies in religie: een verklaringsdimensie
en een zingevingsdimensie. In de eerste dimensie,
aldus J.Tennekes(19),
gaat het om
"het zoeken naar verklaringen
die het mogelijk maken de gebeurtenissen in de feitelijke werkelijkheid te
beïnvloeden...
en beheersen";
in de tweede om
"het zoeken naar zingeving
aan het bestaan en het streven naar gemeenschap met zoiets als een 'laatste
werkelijkheid'".
Hoewel de meeste religies
ongetwijfeld een combinatie bieden van beide dimensies, wordt het eigen
karakter van elke concrete religie mede uitgemaakt door het domineren van
één van beide.
In het christendom is het,
zoals bekend, de zingevingsdimensie die centraal staat.
Ongetwijfeld heeft dat aan de wetenschap in het Westen de ruimte geboden
om de taak van het verklaren en beheersen in toenemende mate aan de
religie te onttrekken. Zoals Karel Dobbelaere schrijft(20):
"wij kunnen nu natuurrampen en
aardbevingen wetenschappelijk verklaren, een ziekteproces analyseren en
medisch prospectief beschrijven, de dood wetenschappelijk verklaren, we
kunnen ook de dramatische weekend-ongevallen waarin vele jongeren het
leven laten, voorspellen".
Maar verklaring kan de
behoefte aan zingeving nooit volledig opheffen. Zoals dezelfde
auteur schrijft, blijft de mens, ondànks
alle wetenschappelijke verklaringen
"zitten met 'zijn' en niet
'een ziekte', 'zijn' dood of 'die van een geliefde' en niet de
geobjectiveerde dood van de statistieken of de wetenschap, 'zijn'
verwerking van lijden en toeval. Hier blijft een terrein waar wetenschap
geen soelaas kan brengen en psychiatrie alleen kan begeleiden. Het is het
terrein waaraan het individu zelf zin en betekenis moet kunnen geven en
dat hij ritueel moet kunnen verwerken" (l.c.).
Naast zin en orde brengt
de religie ook eenheid, "wholeness": tussen de mensen onderling,
tussen mens en natuur en in de mens zelf, in de eerste plaats bij de
"overgangen" in het leven: nl. bij middel van de zogenaamde overgangsrituelen
("rites de passage") bij geboorte, puberteit, huwelijk, dood. Die
rituelen, die families en vrienden verenigen, scheppen (aldus Dobbelaere,
met verwijzing naar Durkheim) bovendien - los van de inhoud, los van de
cultuur - ook een nieuw levensélan, een nieuwe levenskracht(21). |
|
3.
Godsdiensten zijn bijzonder complexe fenomenen. Geschematiseerd laat die
complexiteit zich analyseren in een zestal aspecten of dimensies
die we bij godsdiensten in een of andere verhouding altijd kunnen
terugvinden. Ik steun me hierbij op het overzichtswerk van Ninian Smart,
The Religious Experience of Mankind(22).
3.1. De rituele dimensie:
Elke religie
pleegt zich althans ten dele uit te drukken door middel van bepaalde riten
of rituelen: gebeden, aanbidding, offerandes, dansen, e.d. Voor die
religieuze praxis werden/worden materiële structuren opgetrokken
zoals tempels, kerken, altaren, enz. Bekende voorbeelden van ritueel zijn de
misviering in de Rooms-Katholieke Kerk en de liturgie in de Orthodoxe Kerk.
Beide (maar de tweede in nog veel sterkere mate dan de eerste) hebben een
heel formeel en geëlaboreerd karakter en gaan gepaard met enige pracht en
praal(23). Maar ook de meest eenvoudige vormen van godsdienst
behelzen altijd enigerlei vorm van ritueel.
"Ritueel"
is dan een vorm van menselijke activiteit waarin de concrete, uitwendige
gedragingen verwijzen naar een (minstens even belangrijk) innerlijk
aspect; het gaat m.a.w. om een
symbolische handeling die de mens moet in staat stellen, in contact
te treden met een "onzichtbare" wereld of althans een algemene zijnsorde
(rituelen hoeven niet per se gekoppeld te zijn aan geloof in enigerlei
transcendente werkelijkheid).
3.2. De mythologische dimensie:
Die "algemene
zijnsorde", of "onzichtbare wereld" vinden we, behalve in een rituele
praxis, ook gesymboliseerd in verzamelingen van mythen, verhalen, beelden,
enz. Die verhalen vormen oorspronkelijk a.h.w. het "script" van de rituelen
(of omgekeerd: een ritueel is een dramatische actualisering van de mythische
waarheid). Onderwerp ervan vormen niet enkel de daden van God of de goden (bv.
het scheppingsverhaal in boek Genesis,
de Babylonische scheppingsmythe Enuma Elish). Ook "historische"
gebeurtenissen die in het kader van de traditie een religieuze betekenis
hebben gekregen, kunnen "gemythologiseerd" worden:
bv. in het joodse
Paasfeest wordt de bevrijding van de joden uit Egypte, onder leiding van Mozes, ritueel herdacht. Ook bij de apostel Paulus, die
Jezus van Nazareth
niet persoonlijk had gekend, maar een persoonlijke openbaring had ervaren
"op de weg naar Damascus", vinden we het historische leven en de historische
prediking van deze Jezus getransformeerd tot een kosmische verlossingsmythe,
compleet met de in die tijd klassieke elementen van nederdaling, incarnatie
en opstijging of verrijzenis.
3.3. De doctrinale dimensie:
De "doctrine" of
"leer" van een godsdienst poogt wat geopenbaard is en/of uitgedrukt
in de mythologische en symbolische taal van het geloof en het ritueel, te
systematiseren en organiseren; d.w.z. er een intellectuele kracht aan te
geven. Dat leidde (althans in het christendom en de islam) in een eerste
faze tot de formulering van (beknopte) credo's of belijdenissen, en
vervolgens tot de "rationalisering" van het geloof in de theologie. Toch
moet alle doctrinale elaboratie in eerste instantie gebeuren m.b.v. de
symbolen en mythen die werkzaam zijn in die bepaalde religie(24).
De grens tussen mythologie en doctrinale dimensie is daarom niet altijd
gemakkelijk te trekken. De doctrinale arbeid is hoe dan ook heel belangrijk:
de uitbouw van een coherent systeem van doctrines resulteert in de
constructie van een omvattend wereldbeeld. De klassieke
belichaming ervan binnen het christendom was het oeuvre van Thomas
van Aquino (13de eeuw:
zijn Summa Theologiae); maar ook in de islamitische kalâm werd door
theologen (met name de zogenaamde Mu(c)tazila) uit de Koran een
uitgewerkt, "atomistisch" wereldbeeld afgeleid(25).
3.4. De ethische dimensie:
Godsdiensten
bevatten meestal morele gedragsregels: "geboden" en verboden, die dan samen
de goddelijke "Wet" uitmaken (vgl. de "Tien Geboden" van Mozes). Die
geboden schrijven voor hoe de individuen zich te gedragen hebben. Op die
manier wordt een samenleving a.h.w. gecontroleerd en gemodelleerd door de
morele regels van de dominante godsdienst en worden de ethische opvattingen
in een samenleving in belangrijke mate bepaald door de betreffende
godsdienst.
Er moet
echter een onderscheid worden gemaakt tussen de morele leer, vervat in de
mythologie en/of doctrine van een religie, en de sociologische feiten: vgl.
het christelijke adagium "bemin je naaste zoals jezelf". Tussen beide
bestaat er altijd een zekere spanning; zodra die evenwel te groot wordt,
komt het voortbestaan van de betreffende godsdienst in het gedrang(26).
Niet onbelangrijk
in dit verband is dat de meeste godsdiensten na verloop van tijd geïnstitutionaliseerd
worden: d.w.z. ze gaan deel uitmaken van het
"establishment" - wat hen de
mogelijkheid geeft om, wanneer nodig, hun religieuze richtlijnen middels
politieke repressie afdwingbaar te maken, maar wat tegelijkertijd
onvermijdelijk de kloof tussen de leer en de praktijk nog groter maakt.
3.5. De sociale dimensie:
Hoewel elke
menselijke zingeving in laatste instantie een louter subjectieve
aangelegenheid is, is religie nooit een zaak van een individu alléén. Zoals
dat geformuleerd wordt in
Mediawijzer Geestelijke
Stromingen(27):
"Godsdienst
ontstaat en functioneert per definitie in een groep, een gemeenschap, een
gemeente. Dit sluit dan natuurlijk niet uit dat een godsdienst of
godsdienstige groepering de hoogste (religieuze) waarde kan toekennen aan
het individu... Maar in je eentje kun je geen godsdienst beheren en
continueren".
Een godsdienst is
derhalve niet louter een geloofssysteem: zij vereist ook in mindere of meerdere mate een
organisatie, en heeft bijgevolg
een maatschappelijke betekenis. De religieuze en ethische idealen worden
trouwens vaak aangepast aan de sociale omstandigheden, en/of gebruikt om de
bestaande maatschappelijke verhoudingen te legitimeren(28).
De wijze waarop
een godsdienst geïnstitutionaliseerd
wordt, hangt in belangrijke mate af van de aard van de rituelen.
Wanneer bv. de
doctrine vereist dat bepaalde ceremoniën of sacramenten worden uitgevoerd
door een speciale, religieus geordineerde categorie van personen (
"priesters", m.a.w.)-, wordt het karakter van het religieus instituut mede
bepaald door de tegenstelling tussen "clerus" en "leken" en door de
noodwendigheid om een professionele priesterkaste in stand te houden en te
beschermen.
Van groot belang is ook de institutionele omgeving binnen
dewelke de religie ontstaat of een religieuze gemeenschap zich vestigt.
Het
christendom bv. ontstond binnen een gevestigde, "heidense" politieke orde:
het Romeinse imperium; de islam in een tribale samenleving; vandaag moeten
moslimgemeenschappen in Europa zich institutionaliseren binnen de context
van een seculiere rechtsstaat, enz.
3.6. De ervaringsdimensie:
Op het
persoonlijke vlak is de (hoop op) religieuze ervaring - als een
ontmoeting met het "heilige" -, naast eventuele externe effecten (bv. de
genezing van ziektes, financieel of militair succes, enz.), een zeer
belangrijke motivatie voor de gelovige(29).
Maar dergelijke religieuze ervaringen - aan de authenticiteit waarvan niet
moet getwijfeld worden - zijn natuurlijk van nog veel groter belang bij de
zogenaamde "Stichters" van de godsdiensten: bv. Paulus, op zijn tocht naar
Damascus (Handelingen, ix.1-9); of Mohammed, die rond zijn 40ste
levensjaar, tijdens zijn meditaties in een grot, de engel Gabriël ziet
verschijnen(30).
Vanzelfsprekend
mag de authenticiteit van de religieuze ervaringen niet verward worden met
de waarheid van het "object" ervan (in de zin dat ze het objectief bestaan
van het "heilige" a.h.w. zouden bewijzen).
4.
Een laatste punt nog dient in deze inleiding kort te worden aangestipt:
religie is niet enkel een sociaal (cf. supra) maar ook een
cultureel fenomeen. Beter gezegd: religie is een cultureel
product. Als zodanig gehoorzaamt religie aan dezelfde wetmatigheden als
de rest van de menselijke cultuur, en staat ze in een gelijksoortige, "dialectische"
relatie tot haar schepper: de mens. Ik citeer nogmaals Tennekes(31):
"De verhouding
tussen mens en cultuur kan gezien worden als een dialectisch proces waarin
de mens een werkelijkheid creëert die een geheel eigen leven gaat leiden en
op haar beurt de mens maakt tot wat hij is".
Het geloof dat
religies te maken hebben met een zogenaamde "bovenempirische realiteit": God of
goden, is van aard ons te doen vergeten, zoals dezelfde auteur nogmaals
schrijft (p. 52):
"dat ook
religies in het handelen van mensen moeten worden voortgebracht en dat
religieuze betekenissen, religieuze kennis en religieuze symbolen dus op een
of andere wijze gebruikt moeten worden in het concrete menselijk bestaan".
Anders gezegd,
zoals elke andere culturele inhoud, moet een religie gereproduceerd
worden, wil zij voortbestaan, en dat betekent dan weer dat de betreffende
religieuze voorstellingen telkens opnieuw moeten gerealiseerd worden in
"religieuze vertogen en praktijken" (Tennekes). Welnu, een absolute
conditio sine qua non daartoe is dat mensen met die voorstellingen iets
moeten kunnen aanvangen in hun leven. Nogmaals Tennekes (l.c.):
"Daarom moet
een religieuze werkelijkheidsvisie geloofwaardig zijn binnen de betreffende
culturele context en relevantie bezitten voor het leven zoals dat binnen
een bepaald sociaal kader wordt geleefd. Zodra een bepaalde religieuze
voorstellingswereld aan geloofwaardigheid en relevantie heeft ingeboet, gaat
er het een en ander haperen aan de reproductie" (m.o.).
Met name
voor het hedendaagse christendom lijkt die reproductie, althans in de
geïndustrialiseerde wereld, niet langer zo vanzelfsprekend te zijn. |
|
 |
|
Het 0ntstaan van het Christendom
1. De Algemene
Context:
1.1.
In de Inleiding is gesproken over de zingevings- en verklaringsdimensies
die in elke godsdienst in mindere of meerdere mate werkzaam zijn. Zoals daar
al opgemerkt werd, wordt de christelijke boodschap bovenal beheerst door het
zoeken naar zingeving, en veel minder door het zoeken naar
verklaringen (d.w.z. voor fenomenen als ziektes, rampen, weersomstandigheden enz., met de bedoeling daar meer greep op te hebben)(32).
In
religieuze zingevingssystemen staat in de praktijk één bepaalde
probleemstelling centraal. In de antieke Egyptische religie bv. was dat de
dood; in het klassieke Boeddhisme is dat het lijden. Welnu, in het
christendom staat het probleem van het kwaad (en, daaraan
gekoppeld, dat van de dood) centraal.
Die
gerichtheid op het probleem van het kwaad wordt binnen de christelijke
doctrine weerspiegeld in de centrale positie van de notie "zonde":
alle kwaad wordt geïnterpreteerd
in termen van een "schuldig-staan t.o.v. God als schepper en onderhouder".
Aldus Tennekes, o.c., p. 54, die vervolgt:
"Tegen deze
achtergrond kan het evangelie worden begrepen als een boodschap die primair
betrekking heeft op het nieuwe levensperspectief dat wordt geboden door de
overwinning op zonde en dood door Christus die aan het kruis de zonden der
wereld droeg en als eerste opstond uit de dood. Het probleem van de zonde
vindt zijn oplossing in de goddelijke genade. Het kwaad zal in het komende
Koninkrijk van God zijn uitgebannen en de dood is niet het definitieve einde
van het menselijk bestaan. De christen leeft in de verwachting van de komst
van een nieuwe hemel en nieuwe aarde en hij sterft in de verwachting van de
weder-opstanding der doden".
1.2.
Die typische gerichtheid van het christendom op het probleem van het kwaad
- die we bv. niet aantreffen in de islam - moet ongetwijfeld verklaard
worden vanuit de bijzondere historische periode waarin deze godsdienst
ontstaan is, nl. de late (Grieks-Romeinse) Oudheid tussen grosso modo de
2de eeuw vóór en de 5de eeuw "na Christus".
Meer
bepaald het oostelijke deel van de mediterrane wereld - het antieke "Midden
Oosten" - was met de veroveringen van Alexander de Grote (gestorven in 323
vK) in versneld tempo gehelleniseerd. De oudere, regionale culturen
en levensbeschouwingen werden opgeslorpt in een enorm imperium dat het
Grieks als voertaal hanteerde en vertrouwdheid met de Griekse cultuur en
literatuur tot algemene norm maakte. Politiek, sociaal, cultureel enz.
heerste er eeuwenlang een quasi permanente crisistoestand. Dit crisisklimaat werd onvermijdelijk het scherpst aangevoeld in de (te) grote,
(te) snel gegroeide "wereldsteden": Efeze, Antiochië, Tarsos, Alexandrië,
Rome... De inwoners ervan, ontworteld uit hun oorspronkelijk milieu, levend
midden een bonte mengeling van tradities, religies en culturen (cf. het
fenomeen van het "syncretisme"), gereduceerd tot politiek
machteloze
onderdanen van absolute ("vreemde") monarchen, gingen al vlug lijden aan de
typisch (groot-)stedelijke kwalen van vervreemding en vereenzaming.
Vandaar de
ontwikkeling van een nieuwe religiositeit, een nieuwe spirituele nood.
De enkeling ging zich afwenden van een maatschappelijke realiteit die
hem in toenemende mate ontsnapte en waarin hij zich - met de talloze
politieke omwentelingen, burgeroorlogen, bezettingen, hongersnood,
verarming, enz. - niet anders dan "ongelukkig" kon voelen.
Gekweld
als hij/zij zich voelde door een soort van bestaansnood, vluchtte de mens in de "droomwereld" van het zieleleven, : "waartoe zijn wij geboren?"
is een vraag die steeds weer gesteld wordt in de literatuur van deze tijd(33).
Wat Sigmund
Freud (in Das Unbehagen in der Kultur) de "druk van de realiteit"
heeft genoemd, werd in de latere Oudheid steeds zwaarder. Het leven werd
waarde-negatief, en de ervaring van het kwaad en het lijden
in de wereld drong zich steeds sterker op aan de mens. Zijn/haar groeiend
"onbehagen" met de zichtbare werkelijkheid deden de mens hunkeren
naar een "verlossing" (in het Grieks "sotèria"
vandaar "soteriologie", verlossingsleer) uit dit "aardse tranendal" naar een
gelukzalig, goddelijk "Hiernamaals".
Vooral
vanaf de 1ste eeuw vK werd die spirituele nood effectief gelenigd door een
pleiade aan mysterie- en verlossingsgodsdiensten, dikwijls van
oosterse origine(34),
evenals door de vele gnostische sekten(35)
die ontstonden. In dit kader werd een (ziels- en) godsbegrip ontwikkeld
waarin de concrete machtsuitoefening niet langer centraal stond (eventueel
zelfs, zoals in het gnosticisme, als een
geüsurpeerde, boosaardige macht
werd geïnterpreteerd),
en dat a.h.w. "principieel onttrokken (was) aan de
druk van de realiteit"(36).
De
(onvermijdelijke) spanning tussen de feitelijke
irrationaliteit van de leefwereld en de spirituele tegenpool - het "Rijk
der Hemelen" - werd typisch opgelost bij middel van een driefasig
verlossingsschema:
1)
de paradijselijke "oerfase",
2)
de fase van de "val" in de wereld van het Kwaad,
3)
de fase van de definitieve terugkeer en verlossing.
Dank zij dit
schema kon een "zin" worden gegeven aan het actuele kwaad en lijden van de
mens: nl. als een noodzakelijk maar ook tijdelijk tussenstadium op de weg
naar het heil.
Een
bijzondere vermelding verdienen hierbij de (overwegend)
Joodse apocalyptische en eschatologische bewegingen(37).
Naarmate de politieke strijd van de joden (denk bv. aan de Makkabeërs, 2de
eeuw vK) uitzichtlozer werd, werd ook de psychische behoefte groter aan hoop
én wraak op de zegevierende tegenstander. De hoop op een reëel herstel van
een onafhankelijke joodse natie werd a.h.w. gesublimeerd in de notie van een
kosmische bevrijding, waarbij in een nakende "Eindtijd" de
Messias, d.w.z. de "Gezalfde" (in het Grieks "Chrèstos"),
zou neerdalen om de rechtschapenen te verlossen (inclusief de heropstanding
van de doden). Apocalyptische geschriften, zoals het Boek Daniël,
moesten daarbij een antwoord geven op de vraag waarmee het joodse religieuze
denken bovenal "in zijn maag zat": nl. hoe te verklaren dat de joodse natie,
ondanks haar loyauteit aan Jahwe, zo onophoudelijk vervolgd werd. De
geschiedenisvisie die daartoe werd ontwikkeld, maakte gebruik van
bovenvermeld driefasig schema. Het aanzwellend kwaad in de wereld werd
daarbij niet zozeer als een waarschuwing van God
geïnterpreteerd - nl. dat de mens tot inkeer moest komen - dan
wel als een soort van waarborg dat de heersende wereldperiode inderdààd
op haar einde aan het lopen was, en het goddelijke Eindgericht dus nabij was(38).
 |
|
2. Jezus van
Nazareth
In ons
traditioneel ("christelijk") religiebegrip nemen de noties "stichter" en
"stichtingsteksten" begrijpelijkerwijs een centrale plaats in: aan beide
immers wordt, binnen elke godsdienst, een "goddelijk", d.w.z. absoluut statuut
toegekend; zij belichamen a.h.w. de betreffende religieuze
Waarheid. De vraag naar de specifieke doctrine van een
godsdienst lijkt dan ook bij voorrang een antwoord te moeten krijgen middels
een studie van zowel de prediking van haar stichter als de inhoud van haar
basisteksten.
Wanneer we het
christendom dan vooreerst vanuit het oogpunt van zijn "stichter" bekijken,
worden we geconfronteerd met een bevreemdende stand van zaken.
In het
dogma van de Rooms-katholieke kerk geldt Jezus van Nazareth nog altijd
onverminderd als de historische stichter van de christelijke kerk. Zoals we
kunnen lezen in het Handboek der Kerkgeschiedenis, van R.R.Post en G.Abbink,
vol. I, p.14:
"De Kerk is
door onze Heer Jezus Christus zelf gesticht"(39).
Daar staat echter
tegenover dat - in radicaal verschil met de situatie in de islam - de
hedendaagse godsdienstwetenschapper tot de paradoxale vaststelling komt dat
een historisch-exegetische reconstructie van Jezus' prediking géén antwoord
geeft op de vraag naar christelijke doctrine(40).
Het gaat niet op, m.a.w., om bv. het "Onze Vader" te citeren, dat door de
Evangelies op Jezus zelf wordt teruggevoerd (Lucas 11, 2-4;
Mattheus 6, 9-13). Weliswaar kunnen daaruit een aantal centrale thema's
van de christelijke spiritualiteit worden afgeleid, maar de doctrine
als zodanig van de christelijke religie vloeit er niet uit voort.
Het
katholieke dogma druist in elk geval volledig in tegen de resultaten van het
moderne historische Jezusonderzoek (in de vorige eeuw
gestart in vooral Duitse protestantse kringen)(41).
Dat onderzoek is nl. tot de conclusie gekomen
"dat het
christendom geheel en al een post-Jezus fenomeen was, en (bovendien) een
fenomeen dat hem (sc. Jezus) vreemd en onbegrijpelijk zou hebben
toegeschenen"(42).
Of, wat
paradoxaler geformuleerd: "Jezus was geen christen; hij was een jood"(43).
In zijn
synthese-artikel van 1984 komt Peter Fuller tot de conclusie dat de
zogenaamde
"Christologie" - d.w.z. elk soort van denken over Jezus van Nazareth
in termen van de "Christus": Zoon van God, Messias, Godmens, enz. - een late toevoeging was:
"Jezus dacht
niet over zichzelf als 'zoon van God' in enige betekenis die ook maar van
verre te maken heeft met de betekenis die die titel naderhand kreeg in de
christelijke belijdenissen; hij had niets te zeggen over zijn eigen natuur
als god-mens, over incarnatie, verrijzenis uit de doden of de
verlossingsdoctrines (soteriologie) waarop het christelijk geloof is
geconstrueerd"
(o.c., p. 119).
Anderzijds kan
ook niet langer worden volgehouden dat Jezus een "nieuwe ethiek"
aan de wereld zou hebben geschonken. Tussen de 20ste-eeuwse onderzoekers
bestaat er integendeel een ruime consensus dat er in zijn ethisch onderricht
weinig origineels te vinden was: dat onderricht was volledig doordrongen van
de "liberale", farizeïsche
traditie (een belangrijk deel ervan vindt men al geanticipeerd in de
teksten van Rabbi Hillel, ca 40 jaar vroeger):
"er is niet
één ethische stelregel die volgens de overlevering werd uitgesproken door
Jezus van Nazareth, waarvoor geen parallel (vaak zelfs woordelijk) te vinden
is in de rabbinale literatuur"
(ibid.).
Zoals al
geconcludeerd is door Albert Schweizer, was de historische Jezus in feite een "hervormingsgezinde
jood". Hij hoorde thuis in de (Galileïsche) apokalyptisch-eschatologische traditie in het late judaïsme:
hij verkondigde de komst van het "Koninkrijk Gods", of het
"Koninkrijk der
Hemelen", nog tijdens zijn generatie. Hij had helemaal niet de
bedoeling een nieuwe religie te stichten, laat staan een kerk.
"De essentie
van zijn boodschap was: 'Heb berouw! Het Koninkrijk der Hemelen is op
komst!"
(ibid.).
Vanuit die
optiek moet dus gezegd worden dat Jezus' prediking gebaseerd was op een
fundamentele historische vergissing, op een
foutieve profetie.
Het
"christendom" als een nieuwe religieuze beweging is dan te beschouwen als
een poging om het falen van die profetie te verklaren. Vooral
Paulus heeft daarin een
beslissende rol gespeeld (zodanig zelfs dat hij als de
eigenlijke "stichter" zou kunnen bestempeld worden).
Het
hoofdprobleem waarvoor Jezus' volgelingen zich na zijn dood geplaatst zagen,
was het uitblijven van de "Tweede Komst", de zogenaamde Parousia, van
Jezus als de start van het Koninkrijk Gods. De oplossing werd
gebracht door de al vermelde christologie. Terwijl aanvankelijk aan de
"verrijzenis" slechts belang was gehecht als de voorwaarde voor de naderende
Parousie, ging men voortaan die Parousie vereenzelvigen met de
Paaservaring van de verrijzenis. M.a.w. het komende Godsrijk, dat door Jezus
van Nazareth verkondigd was, werd geïdentificeerd
"met de
verrezen Gekruisigde zelf: in hém, als 'Christus', is het rijk Gods
gekomen"
(aldus Schillebeeckx, o.c., p. 444). |
|
3. De "Canonieke"
Teksten: het "Nieuwe Testament"
Op grond van het
historisch onderzoek moet de betekenis van Jezus van Nazareth als
"stichter" van de christelijke kerk dus heel sterk gerelativeerd worden.
Een analoge
vaststelling is te maken wat de constitutieve betekenis betreft van de
oudste, "funderende" geschriften van deze godsdienst: de
zogenaamde "canonieke"
teksten die samen het "Nieuwe Testament" vormen, zijnde de Evangelies,
de Brieven (vooral van Paulus) en de Handelingen van de Apostelen.
Ook hier is de situatie radicaal verschillend van die in de islam, evenals
van die in het judaïsme.
Vooreerst
is het niet overbodig, erop te wijzen dat niet enkel literaire vorm en
inhoud ervan sterk beïnvloed
zijn door bestaande modellen van het hellenisme, maar dat bovendien alle
teksten, met inbegrip van de vier "evangelies", oorspronkelijk geschreven
zijn in het Grieks. Jezus' verkondiging, daarentegen,
is vermoedelijk
in het Aramees gebeurd(44)
Het Grieks van het NT is de zogenaamde "Koinè",
d.w.z. de algemene omgangstaal in de Grieks-Romeinse wereld sedert de dood van Alexander (323 vK). Wel zijn er tussen de evangelies in dit opzicht
variaties vast te stellen: terwijl Marcus een erg rudimentaire,
"volkse" Koinè hanteert (nadien door Mattheus
op tal van punten gecorrigeerd), staat Lucas nog het dichtst bij de
"verheven Koinè" van de ontwikkelde Hellenen..
Bovendien
zou het latere, westerse christendom niet gevestigd worden op basis
van die "oorspronkelijke" Griekse teksten, maar wel op basis van een
Latijnse vertaling, de zogenaamde "Vulgaat", die het werk was van
Hiëronymus (op het einde van de 4de eeuw). Alleen al om redenen van de taal,
dus (Hiëronymus' Latijn was tevens sterk gekleurd door de taal van de
Romeinse juristen), ging dit "Latijnse christendom" al direct een aantal
specifieke trekken vertonen(45).
Vervolgens
heeft het historisch-kritisch onderzoek van die teksten, sedert de 19de
eeuw, eens en voor altijd aangetoond dat de Evangelies geen
zelfstandige "ooggetuigenverslagen" zijn van Jezus' leven en daden;
dat zij integendeel slechts een indirecte relatie hebben tot
de (vermoedelijk) historische Jezus van Nazareth. Ze zijn immers pas decennia later tot
stand gekomen, op basis van uiteenlopende, zelfs tegenstrijdige tradities
en in antwoord op erg particuliere en praktische noodwendigheden van lokale
gemeenten.
Van groot
belang hierbij is het feit dat de oudste, schriftelijke
documenten van het christendom niet de Evangelies zijn,
maar wel de (meeste) Brieven van Paulus, die Jezus niet persoonlijk
had gekend. Die Brieven, geschreven in de jaren '50, dienen geen
theologische maar veeleer praktische en propagandistische doelstellingen (Köster
spreekt van "kerkpolitieke instrumenten"). Ouder dan de evangelies,
hebben Paulus' brieven de auteurs ervan vermoedelijk beïnvloed.
Wat dan de
vier "canonieke" Evangelies betreft, heeft de 19de-eeuwse historische
kritiek al vroeg erkend dat we niet met vier zelfstandige bronnen te doen
hebben: drie ervan, nl. Marcus, Mattheus en Lucas, zijn
onderling nauw met elkaar verbonden (zodanig dat ze in 3 kolommen naast
elkaar kunnen worden afgedrukt: vandaar dat men is gaan spreken van de
"synoptische" evangelies. Marcus is vermoedelijk de oudste
(geschreven ca 65-70), gevolgd door Mattheus (ca 80) en Lucas
(ca 90). Johannes, daarentegen, geschreven ca 100, geeft een
afwijkend relaas, gebaseerd op een verschillende theologie, topografie en
chronologie.
De
20ste-eeuwse "vormkritiek" (Formgeschichte, in het Duits) bracht groter
inzicht in de wijze waarop de Evangelies tot stand zijn gekomen, en met
welke doeleinden. Het uitgangspunt vormden uiteenlopende, gedeeltelijk zelfs
tegenstrijdige (orale) Jezustradities die als fundering waren gaan
dienen voor de religieuze praxis en de vroomheid van een aantal christelijke
gemeentes:
- verzamelingen
van wonderverhalen (mirakels, geestesuitdrijvingen, e.d.), waarin Jezus,
naar het model van een hellenistische traditie, werd opgevoerd als de
"goddelijke (wonder)man" (in het Grieks:
theîos anèr);
- verzamelingen
van spreuken die, aansluitend bij de Joodse Wijsheidsliteratuur, Jezus
toonden als wijsheidsleraar en zelfs belichaming van de goddelijke
Wijsheid (vgl. het Thomasevangelie);
- apocalypsen en
profetieën waaruit Jezus naar voren kwam als eschatologische profeet (vgl.
de Openbaring van Johannes);
- tenslotte
teksten die gecentreerd waren op het zogenaamde christologisch "Kerygma"
van de kruisiging en herrijzenis (vgl. reeds Paulus, 1Kor 15.1-8,
waar het "evangelie", of de "blijde boodschap", zonder meer vereenzelvigd
wordt met het passieverhaal).
Het was
hoofdzakelijk in Syrië - de prediking onder de "heidenen" heeft een aanvang
genomen in Antiochië en daar duikt ook voor het eerst de naam van "christen"
op - dat het tot de schriftelijke vastlegging is gekomen van deze tradities.
"Marcus"
was dan de eerste poging, vanuit gemeenten die zich oriënteerden aan het
Kerygma (zij zouden de "orthodoxie" gaan vormen), om die verschillende
tradities te unifiëren en te organiseren, en wel rond dat Kerygma van de
kruisiging-en-herrijzenis. Het materiaal dat omtrent Jezus' daden en
gezegdes in gans uiteenlopende samenhangen was overgeleverd, werd daarbij geïntegreerd
in een biografische raamvertelling (theologisch-functioneel ondergeschikt
aan het passieverhaal). Met Marcus werd dus a.h.w. een nieuw literair
genre gecreëerd, terwijl Mattheus en Lucas weinig meer waren
dan be- en herwerkingen van het Marcus-evangelie(46).
Hoewel bij
dit alles ongetwijfeld materiaal werd bewaard uit de
eerste, orale tradities, werd de presentatie ervan toch aanzienlijk bemiddeld door wat zich had voorgedaan lang nà
Jezus' dood (bv. de
val van Jeruzalem in het jaar 70), of wat zich juist niét had
voorgedaan (bv. de Parousie, of Tweede Komst). Zoals Fuller, pp. 115-166,
schrijft:
"alles erin
werd gemedieerd door post-factum kennis: alles bv. wat over Jezus werd
gezegd, werd omgebogen door de assumptie van zijn 'Verrijzenis'".
Ook het groeiende
antagonisme tot de
joden vinden we weerspiegeld in de Evangelies,
vooral bij Mattheus en Johannes. Men ging de Romeinen -
allicht ook uit "politiek opportunisme" - zoveel mogelijk verontschuldigen
voor de kruisiging en de schuld volledig bij de joden leggen: zij werden de
"moordenaars van Christus" (Mat 27.25), en hadden "de duivel tot
vader" (Jezus tot de joden, in Joh 8.42-44) - wat in latere eeuwen,
tot aan het Tweede Vaticaans Concilie, de bloedige jodenvervolgingen binnen
het christendom op zijn minst heeft gejustifieerd,
zo al niet uitgelokt(47).
Voor een
correcte appreciatie van het religieus statuut van de evangelieteksten
moeten we goed beseffen dat Jezus van Nazareth zelf géén "Heilige
Schrift" heeft geproduceerd (nogmaals een belangrijk verschil met
Mohammed). Zoals gezegd: hij was een jood, en voor hem was er, net zoals voor
de andere joden, slechts één "heilige schrift": de bestaande boeken van de
Bijbel (de "Tenach" in het Hebreeuws). Hij heeft natuurlijk wel gepredikt.
Vergeleken met zijn optreden als prediker, hebben de Evangelies
vanuit religieus-doctrinaal oogpunt een belangrijke verschuiving
teweeggebracht: in het centrum stond voortaan niet meer in de eerste plaats
de verkondiging van Jezus van Nazareth, als wel de verkondiger
zelf. Voor de christenen, daarom, heeft Jezus niet zozeer een nieuwe
"heilige schrift" of openbaring gebracht: hij was zélf de Openbaring, de
"Blijde Boodschap".
Het
voorgaande helpt ons begrijpen waarom deze zogenaamde "basisteksten" van het
christendom slechts in een heel betrekkelijke zin als doctrinale bron voor
deze religie kunnen beschouwd worden. Het historisch-kritisch onderzoek
heeft inderdaad een grote discrepantie aan het licht gebracht tussen
de uitspraken in het NT en de latere dogmatische leer van de Kerk (Schlette,
o.c., pp. 64-65).
Het NT
heeft in het christendom inderdaad niet de status van een direct door God
geopenbaard "Boek" (i.t.t. de Koran in de islam). Het maakt slechts op
indirecte wijze het "voorwerp" uit van het christelijke geloof (in het
katholicisme zijn trouwens in het verleden altijd grote beperkingen opgelegd
aan de lectuur ervan door "leken"). De eigenlijke christelijke doctrine
is pas eeuwen later dogmatisch vastgelegd door het (keizerlijke en) kerkelijke gezag. De
oudste ervan zijn de zogenaamde Symbola, of geloofsbelijdenissen (naar het
eerste Latijns woord ervan ook Credo's genoemd), uitgesproken bij de doop.
De bekendste daarvan is de zogenaamde Apostolische Geloofsbelijdenis.
Aanvankelijk zeer kort ("Ik geloof dat Jezus Christus de zoon van God is",
Hand 8.37), groeide ze uit tot de "klassieke" tekst die ook nog
vandaag in de catechismussen of "geloofsboeken" van de Roomse Kerk te lezen
is:
"Ik geloof in
God de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde,
En in Jezus
Christus, zijn enige Zoon, onze Heer,
Die ontvangen
is van de heilige Geest, en geboren uit de Maagd Maria;
Die geleden
heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, gestorven en begraven;
Die
nedergedaald is ter helle; de derde dag verrezen uit de doden;
Die
opgeklommen is ten hemel, en zit aan de rechterhand van God, zijn almachtige
Vader;
Van daar zal
Hij komen oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in
de heilige Geest;
De heilige
katholieke Kerk; de gemeenschap van de heiligen;
De vergiffenis
van de zonden;
De verrijzenis
van het vlees;
Het eeuwig
leven. Amen".
De eerste
eeuwen, nochtans, was er geen sprake van een gesloten of geünifieerd
christelijk geloofssysteem. Volgens de platonist Kelsos (Celsus, 2de eeuw) was het
christendom integendeel opgesplitst in een groot aantal elkaar bestrijdende
sekten die weinig meer dan hun naam gemeenschappelijk hadden. Van een
gezaghebbende christelijke leer was in elk geval nog geen sprake, evenmin
van een vaste canon van gezaghebbende teksten. Ook tussen de christelijke en
de gnostische secten waren de grenzen nog heel labiel.
Daarin kwam
geleidelijk aan verandering met de toenemende institutionalisering van een
christelijke kerk (vooral de instelling van een "monarchisch" episcopaat) -
wat tevens de verwereldlijking ervan meebracht. Maar de definitieve
"Wende" kwam in de 4de eeuw, wanneer door keizer Constantijn en zijn
opvolgers het christendom - waarvan de aanhang tot dan toe nauwelijks meer
dan 5% van de rijksbevolking bedroeg - als rijksreligie werd erkend. De Kerk
ging voortaan tot het imperiale "establishment" behoren. Vooral onder
impuls van die keizers - die er alle belang bij hadden dat de doctrines van
de nieuwe rijksideologie éénduidig
werden vastgelegd én opgelegd
(als ideologische basis voor de "nieuwe"
rijksorde)
- werden er systematische pogingen ondernomen
om tot één, "katholiek" of "orthodox" (letterlijk:
"rechtgelovig") geloof te komen, dat dan, waar nodig,
manu militari verplichtend kon worden gemaakt
- eventueel middels het uitmoorden of verdrijven van andersdenkenden. Het
beslissend element daartoe zouden de zogenaamde "oecumenische concilies" zijn(48).
De
doctrinale arbeid is ook in latere eeuwen voortgezet, tot vandaag eigenlijk
(cf. nog in de 19de eeuw werden dogma's geformuleerd over de onfeilbaarheid
van de paus en de "onbevlekte ontvangenis" van Maria). In het katholieke
geloof wordt dat gerechtvaardigd met behulp van het onderscheid tussen "de
heilige schrift of de Bijbel" en "de overlevering of traditie". In de
vroegere "Mechelse Catechismus" werd die "traditie" omschreven als
"het
onfeilbare voortleren door het kerkelijk gezag van geopenbaarde waarheden
die in de H.Schrift niet geschreven staan, maar door de Apostelen mondeling
werden gepredikt"
(pp. 15-16). |
|
4. Het Geloof en
de Werken
Het heeft dus
3 tot 4 eeuwen geduurd vooraleer de hoofdstellingen van de
christelijke geloofsleer dogmatisch waren vastgelegd (vgl. nogmaals de
islam, waar het geloof al bij al in een erg korte periode vorm heeft gekregen, nl. in
de laatste periode van Mohammeds leven, zodat het in de Koran als quasi
voltooid verschijnt). Dat betekent dat de christelijke doctrine werd
uitgewerkt in een proces van groeiende adaptatie van deze oorspronkelijk
joodse religie aan de toenmalige Grieks-Romeinse, behalve
politieke ook culturele en intellectuele omgeving - wat de
voorwaarden heeft geschapen voor een verregaande beïnvloeding
van de christelijke doctrine door o.m. de antieke filosofische traditie. Het
christendom in de oudheid was m.a.w. het product van syncretisme.
Dit gegeven
is des te belangrijker omdat deze godsdienst zich juist onderscheidt
- o.m.
van haar zusterreligies: judaïsme
en islam - door het (over)accentueren van geloof en geloofsleer, d.w.z.
van de "doctrinale dimensie", ten koste a.h.w. van de religieuze
praktijk (traditioneel aangeduid als "de werken").
Samen met
het judaïsme
en de islam behoort het christendom tot de zogenaamde "Volkeren van het Boek"
(de uitdrukking is afkomstig uit de islam). Zoals zij, m.a.w., is het christendom in
principe gebaseerd op een goddelijke openbaring vastgelegd in een "heilig
schrift", de Bijbel. Daarin wordt aan de gelovigen niet enkel de religieuze
Waarheid verkondigd, maar worden ook gedragsregels geformuleerd voor het
leven en handelen van de gelovigen. In de drie religies heeft de openbaring
m.a.w. ook het karakter van een goddelijke "Wet".
Voor de
joden is dat de Torah (torah is Hebreeuws voor "leer, lering") - i.e.
de eerste vijf boeken van de Bijbel, ook wel de "Boeken van Mozes"
genoemd; voor de moslims is dat natuurlijk de Koran. Voor de
christenen gaat het om de combinatie van het "Oude" en het "Nieuwe
Testament", vgl. bv. de Kerkvader Augustinus, in De Stad Gods, II.19,
waar hij het heeft over
"onze
voorschriften, gegeven door de profeten, door het heilige evangelie, door de
Handelingen der apostelen en door hun brieven".
Maar naast
overeenkomsten vertoont het christendom hier ook belangrijke verschillen
met de joodse religie, waaruit het is voortgekomen, zowel als met de
islamitische, die zichzelf als de voltooiing beschouwt van de twee vorige.
Die verschillen betreffen o.m. de verhouding tussen het "geloof" en de
"werken".
In judaïsme
en (in mindere mate) islam valt het gewicht op de "werken", d.w.z. op het concrete
handelen van de gelovige overeenkomstig de goddelijke geboden.
Vandaar de ruime aandacht die in de teksten geschonken wordt aan
(vaak erg gedetailleerde) voorschriften m.b.t. het dagelijkse leven (niet
enkel op het vlak van strikt religieuze activiteiten: gebeden, offers,
bedevaarten, enz., maar ook i.v.m. lichaamshygiëne, voeding, kledij,
seksualiteit,
oorlogen, e.d.). In het judaïsme is het gehele leven van de vrome jood bepaald door (het navolgen van)
die voorschriften (in de allereerste plaats inzake de besnijdenis)(49). In de koranieke openbaring, anderzijds, kan er
t.a.v. de joodse Wet ongetwijfeld van een “liberalisering” worden gesproken (bv.
op het vlak van de voedingsvoorschriften, worden de verbodsbepalingen sterk
ingeperkt; de sabbathvoorschriften gelden niet meer, enz.); ook
wordt groot belang gehecht aan het geloof en aan de innerlijke gesteldheid (“in het hart”)
waarmee de gelovige zijn/haar handelingen stelt. Desalniettemin is de
islam een op de Wet gecentreerde religie
(uitgewerkt in de zogenaamde sharî’a), zodanig dat de (religieuze) fiqh, of rechtswetenschap, er de
belangrijkste wetenschap is (in het christendom: de theologie).
In het
christelijke boodschap, daarentegen, heerst de overtuiging dat (het navolgen
van) de Wet niet voldoende is en valt de klemtoon in de eerste plaats op het
geloof (in Christus). Dat moet o.m. verklaard worden vanuit de beslissende rol die
de "apostel" Paulus heeft gespeeld in de creatie van deze godsdienst.
De eerste,
oorspronkelijke volgelingen van de nieuwe beweging leefden in Jeruzalem,
onder de leiding van Jezus' broer, Jacobus, en de leerlingen Petrus en
Johannes; voor hen was het "christendom" nog onbetwistbaar een vorm van judaïsme
en zij hielden zich aan de joodse "Wet" (dit oerchristendom wordt daarom
vaak als "judeo-christianisme" aangeduid).
Paulus,
daarentegen, was afkomstig van Tarsos (Cilicië), een kosmopolitisch centrum,
a.h.w. op het kruispunt gelegen van Oost en West. Na zijn religieuze ervaring
"op de weg naar Damascus", wou hij het nieuwe geloof ook bekend maken onder
de "volkeren" (gentes,
d.w.z. de niet-joden). Het kwam er voor hem dus op aan, de
gelijkwaardigheid te beklemtonen tussen de "joodse" (i.e. besneden) en de
"heidense" christenen. Vandaar zijn stelling dat het geloof in Christus
in feite volstaat. Zoals hij schrijft in Rom 3.28:
"Ik beweer
juist, dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niét door de
werken der Wet. Is God soms alleen de God van de joden en niet van de
heidenen?"
Ook uit de
verdere geschiedenis van het christendom blijkt overduidelijk dat de
centrale plaats in deze religie wordt ingenomen door de geloofsinhouden,
vastgelegd in de dogmatiek(50). Zoals Schlette, o.c., p. 67, schrijft:
"het
christelijk 'geloof' bestaat in het aanvaarden van leerstellingen, in het 'voor-waar-houden'
van dogma's zoals die door de kerkelijke leiding... vastgelegd zijn; het is
een 'dat-geloof' (Dass-Glaube)".
Dat had/heeft
belangrijke gevolgen op het vlak van de problematiek van
tolerantie-intolerantie. De verschuiving van "werken" naar "geloof" bracht
immers een verinwendiging
(interiorisatie) met zich van religie en moraliteit. Theologisch uitgedrukt:
God kent niet enkel ieders doen en laten, maar ook ieders gedachten;
en nog vóór de daad gesteld is, is de innerlijke instemming ermee al zonde (bv.
het "begeren" van andermans vrouw). De christelijke moraal bracht als gevolg
daarvan niet alleen een disciplinering met zich van het menselijke
handelen, maar ook van het denken van de mensen (Gedankenpolizei).
Anderzijds is het christendom naar zijn wezen noodzakelijk een religie die
een absolute aanspraak maakt op de Waarheid en tevens een exclusiviteitskarakter bezit
(daarmee vergeleken zou men de islam, in zekere zin, een inclusieve
religie kunnen noemen: de voorgaande openbaringsgodsdiensten worden immers
geïntegreerd in de profetische traditie waarvan Mohammad het "zegel"
is; in de maatschappelijke praktijk leidde dat tot de institutie van de zgn.
"dhimma"). In de eeuwen dat het christendom nog géén
staatskerk was, betekende dit dat de christenen
weigerden (moésten weigeren) de vereiste "civieke" rituelen uit te voeren
(in het kader van de keizercultus), en om die reden
vervolgd werden (in tegenstelling tot de volgelingen van de andere religies
in het imperium, die, zoals gezegd, geen dergelijk exclusivisme aanhingen) . Zodra ze echter over maatschappelijke
macht beschikte (via de "wereldlijke arm" van het Rijk), ging de Kerk (onvermijdelijk) een principiële
onverdraagzaamheid aan de dag leggen jegens àlle andersdenkenden.
Het fenomeen van de "ketterij" (haíresis,
d.w.z. "keuze"
in het Grieks) is dan ook een typisch product van het christendom (door
Augustinus wordt dat ook uitdrukkelijk erkend, maar z.i. gaat het om een
vondst van de Duivel, die weliswaar ook positief kan worden beschouwd,
namelijk als een "test", zie op
deze site). De eerste
vervolgingen van "ketters" dateren vanaf de 4de eeuw. Maar reeds in Marcus
16.16 worden de "herrezen Christus" de volgende woorden in de mond gelegd:
"wie gelooft
en gedoopt is, zal gered worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld
worden"(51).
Om terug te
keren tot de relatie tussen het "geloof" en de "werken", in de loop van de
geschiedenis van het christendom kunnen ook hier verschuivingen en accentverschillen worden vastgesteld. Zo is met name de ganse Reformatie
in de eerste plaats te begrijpen als een terugkeer ("herstel") naar het
paulinische standpunt dat de mens "enkel gerechtvaardigd wordt door het
geloof" (cf. de strijd van Luther, vanaf 1517, tegen de aflaten, d.w.z. tegen
het misbruik dat Rome was gaan maken van de rituele dimensie van de godsdienst). In de verschillende protestantse bewegingen werden de
uitwendige rituelen, "sacramenten", e.d. in toenemende mate afgebouwd. Het
verst van al zijn hierin de "Quakers" gegaan: huns inziens is de waarheid
zelfs niet in de H.Schrift te vinden, maar enkel in het "Innerlijke Licht"
in elk gelovig mens.
|
|
 |
|
NOTEN:
(1)
De oorspronkelijke versie van
deze (nu aangepaste) tekst werd opgesteld in het kader van een
vormingscyclus over "mens en religie", die ik jaren
geleden organiseerde voor de Nevelse afdeling van het A.Vermeylenfonds. De
tekst was meer in het bijzonder bedoeld als inleiding bij een bespreking van
het christendom.
| |