|
OEFENING IN
COMPARATIEVE FILOSOFIE:
Grieks en Arabisch Atomisme: de rede tussen de
waarheid van het zijn en de waarheid van de schepping (2).
door Herman De Ley*
Deel 2: De Arabieren
Deel
1: De Grieken Literatuur |
|
B. DE
ARABIEREN
1. In de Griekse
traditie,
zo hebben we gezien, verwijst intentie altijd naar
(intellectuele) kennis,
en dus naar een objectief gegeven,
eeuwige, rationele zijnsorde -
als het adequate object van
(ware)
menselijke kennis. In de “bijbelse”
traditie, daarentegen ligt dat gans anders.
Met "bijbels" bedoel ik de
traditie van de drie abrahamitische religies: judaïsme, christendom en
islam. Alledrie zijn zij vormen van monotheïsme, d.w.z. van geloof in één,
persoonlijke God.
Het uitgangspunt van die
religieuze visie is het begrip van de absolute schepping, d.w.z.
van de schepping van de wereld uit het niets (creatio ex nihilo),
door Gods almachtige wil alléén1.
Daarmee werd het principe geïntroduceerd van een radicaal onderscheid
tussen de godheid, als schepper, en de natuurlijke werkelijkheid, als
schepping of schepsel. Even belangrijk: in zoverre de schepping het
resultaat is van de goddelijke wil, transcendeert die wil alle orde
en structuur binnen de wereld. Anders gezegd: de orde van de
natuur: de opeenvolging van dag en nacht, van de seizoenen, de scheiding
tussen water en vasteland, enz., dat alles is betrekkelijk want
afhankelijk van Gods wil en... gril. Die laatste is metterdaad gebleken
bij de zondeval, met Gods vervloeking van de natuur, maar nadien ook nog
eens met de zondvloed. Weliswaar heeft God, nà de zondvloed, een
“eeuwig verbond” gesloten met Noah “en zijn zonen”; een verbond
waarin God beloofd heeft
“nooit meer om de mens
de aarde te vervloeken... Zolang de aarde bestaat, zal er zaai- en
oogsttijd, koude en hitte zijn; zomer en winter, dag en nacht, nooit
houden ze op”
(Gen 8.21-22).
Zelfs dàn, echter,
precies omdat het om een “verbond” gaat, blijft de
natuurorde een kwestie van, zeg maar, goddelijk “voluntarisme”. De belofte,
daarom, van Jahwe aan zijn volk geldt als betrouwbaarder dan elke regel(maat)
of stabiliteit die de mens meent te ontwaren in de natuur. Zoals we kunnen
lezen in Jesaja, 54.10:
“Want bergen mogen
wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet
wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw ontfermer, de Here”.
In de latere Koran wordt
het beknopt als volgt uitgedrukt (sura 28.88): "Er
is geen god dan Hij. Alles gaat teniet, maar Zijn aangezicht niet".
In deze religieuze visie,
dus, ziet de mens (àls mens) zich niet zozeer geconfronteerd met de
wetmatigheden van een natuurorde, als wel met de wil en almacht
van een
schepper - dwz met diens geboden en verboden, “goedertierenheid”
maar ook jaloersheid, wraakzucht en bestraffing. Ook de Koran bevat zo tal
van zogenaamde straflegendes. Wat van de mens verwacht wordt, in
het kader van het verbond of convenant (mithâq, in het Arabisch van
de Koran) dat God met hem/haar heeft afgesloten, is niet in de eerste
plaats kennis of verstandigheid, als wel gehoorzaamheid aan,
vrees voor de goddelijke geboden. De mens moet zich toevertrouwen,
zich vertrouwvol overgeven aan de éne God. Nogmaals, het Arabisch
woordje islâm heeft precies die connotatie.
Het scherpste voorbeeld
hiervan, als een soort van extreme test, in de drie tradities, is Godes
bevel aan Abraham (Ibrahim) - een bevel dat vanuit het menselijke verstand
beschouwd, totaal onbegrijpelijk, ja zelfs weerzinwekkend is:
Abraham krijgt de goddelijke opdracht zijn zoon te doden-en-offeren, als
een brandoffer aan Jahwe (Gen kap. 22). In het bijbelse verhaal is
het slechts op het allerlaatste ogenblik, wanneer Abraham reeds het
offermes in de hoogte steekt, “om daarmee zijn zoon de keel af te
snijden” (Gen 22.10), dat “de engel van Jahwe”
tussenbeide komt en zegt (22.12):
“Ik weet nu dat gij God
vreest, want gij hebt mij uw enige zoon niet willen onthouden”.
Ook in de Arabische
Koran wordt ditzelfde offer als exemplarisch gepresenteerd voor ‘s mensen
overgave (islâm) aan God - niet enkel, trouwens, vanwege de oude
Abraham, maar ook vanwege zijn (niet met name genoemde) zoon, cf. s.
37:102-107:
“Toen (zijn zoon) zo ver
was dat hij met hem mee kon gaan, zei Ibrahim: ‘Mijn zoon, ik heb in de
slaap gezien dat ik je zal offeren. Zie eens wat jij ervan vindt’. Hij zei:
‘Mijn vader, doe wat je bevolen is. Je zult merken dat ik, als God het wil,
iemand ben die geduldig volhardt. Toen zij zich beiden (aan Gods wil)
overgegeven hadden en (Ibrahim) hem op zijn voorhoofd had neergelegd,
riepen wij hem: ‘Ibrahim! Jij hebt de droom doen uitkomen. Zo belonen wij
hen die goed doen. Dit was duidelijk een beproeving’. En wij gaven voor
hem een geweldig offer in de plaats”.
Afsluitend: de
menselijke hoofdwaarde, hier, is niet kennis of verstand, maar “trouw”
(Hebreeuws: amunâh); in het Grieks: pistis, “geloof”; in
het Arabisch taqwâ’, “godsvrezendheid”, eventueel “liefde” (amor
Dei, Augustinus): in alle gevallen gaat het om aspecten van de
wilsfunctie. In de christelijke antropologie, daarom, ging vanaf Augustinus het
wilsbegrip (voluntas) een centrale rol spelen. Kennis werd
hierbij - naar het goddelijke model - ondergeschikt aan de wil. Wie vanuit
dit mensbeeld een (eventueel immorele of zondige) handeling stelt, doet
dat 'willens-en-wetens'. Anders gezegd: "willen" betekent dat
men onbedacht handelt maar 'wéét' wat men
doet.
1
In boek Genesis is de creatio ex nihilo nog
niét aanwezig, resp. nog niet expliciet geformuleerd; volgens de
protestantse theoloog, Rudolf Bultmann nochtans, in
Primitive Christianity in its Contemporary Setting
(1956), gaat het bij deze notie
- die z.i. “voor de Griekse geest compleet ondenkbaar was” - om
“een logische ontwikkeling uit de premissen van het joodse denken”
(met verwijzing naar Jubil. 12.4; 2 Macc. 7.28, etc.).
|
|
2. Laat ik
me hier echter richten op
de derde en laatste van die
abrahamitische tradities,
nl. de islam (de emigratie van
Muhammad en zijn getrouwen, van Mekka naar Medina in 622 wordt doorgaans
als het "geboorteuur" van de religie beschouwd; ook de islamitische
jaartelling greep ernaar terug - maar rekent, zoals bekend, met maanmaanden).
Pas vanaf het midden van de
2de eeuw ervan (2de helft van de 8ste eeuw in onze jaartelling) werden door
de vertegenwoordigers
van de zgn. "Mu'tazila"
de fundamenten gelegd van een
volwaardige
theologische wetenschap (ilm
al-kalâm). Als
"school", weliswaar, werd de Mu'tazila
gekenmerkt door een opvallende mate van doctrinale verscheidenheid, zeker in
haar
hegemonische periode (tot midden 9de eeuw). Desalniettemin, deelden de leden
ervan een "common spirit":
die van een principieel rationalisme,
op het vlak van de methodologie (argumentatie en
Koraninterpretatie)
zowel als op dat van de theologie, metafysica en ethiek.
Het
geloof in de
concordantie tussen rede en religieuze Wet vormde de grondslag van dat
rationalisme.
[PS De hierna
volgende uiteenzetting kan de lezer(es) nu uitvoerig(er) terugvinden in
hoofdstuk 1 van de syllabus, "Het Klassieke Arabische Denken",
op deze site. 6.5.2007]
De (zeker niet
lineaire) ontwikkeling van de Mu'tazila
tot een hegemonische, theologische school moet gesitueerd worden binnen de
cultureel-historische context
1) van de uitbouw van de islam, in de oude
cultuurlanden van het Midden-Oosten (van Syrië tot de Indus), van een
minderheids- tot een meerderheidsgodsdienst, en
2) de start van een systematische, "directe" receptie van
de Griekse filosofie en wetenschap.
De politieke
voorwaarde ervoor was de vestiging van de
Abbâsidische dynastie (vanaf
750) en de stichting van de nieuwe hoofdstad, Baghdâd, "de Stad
van de Vrede" (madînat
as-salâm).
Onder de cultuurpolitieke stimulans van het hofleven aldaar -
het ging het intellectuele
centrum vormen van een voortaan
als een "wereldrijk" geconcipieerde moslimgemeenschap - gaven de
mu'tazilî
aan het moslimgeloof de vereiste argumentatieve en rationele bovenbouw opdat
het metterdaad een "wereldreligie" kon worden.
De "culturele"
voorwaarde was de opbloei
van een open
disputatiecultuur. Woordvoerders van de verschillende religieuze
gezindten en overtuigingen: moslims, mazdeërs, manicheërs en andere
dualisten, joden, nestorianen, monofysiten,
boeddhisten, enz., kruisten met elkaar de
“degens” van de dialectiek. Beroemd werden de debatten die georganiseerd
werden door de (Perzische) vizierdynastie van de Barmakiden. Ook kalief al-Ma'mun
was "verslaafd" aan die debatcultuur. Een beroemd
gebleven voorbeeld ervan was de
disputatie (munâara)
die in 805 tussen 13 geleerden werd georganiseerd over de definitie van de
liefde.
Die regelmatige
confrontaties gaven aan de “jonge” moslimintellectuelen alle gelegenheid om
hun dialectische technieken (jadal, dialectiek)
te ontwikkelen en
aan te scherpen. Meer in het
bijzonder de mu'tazilî
zetten methodes op punt, die iemand in staat moesten stellen,
bewijzen op te bouwen en tegenstanders te
weerleggen en
overtuigen of minstens hen
in moeilijkheden te brengen. Zij golden daarom als dé "mutakallimûn"
(letterlijk: "redenerenden", later: “theologen”) bij
uitstek. Een voortrekkersrol werd op dat punt in de eerste plaats gespeeld door Abû
'l-Hudhayl:
hij legde niet alleen de grondslagen van de
mu'tazilitische
wereldvisie, maar was ook beroemd om zijn grote polemische gaven2. Hij heeft daartoe een aantal discussieregels
opgesteld:
** bij de aanvang
van het debat dienden 4 vragen gesteld
te worden
aan de opponent:
1) waaruit bestond
zijn thesis?
2) op welke
bewijzen berustte ze?
3) welk dieperliggende
reden lag eraan ten grondslag?
4) hoe werd die
reden gedemonstreerd?
** Vervolgens gaf
hij aan hoe je het aan boord moest leggen je opponent te weerleggen: je
moest hem zichzelf doen tegenspreken; de discussie verplaatsen, tonen dat de
opponent zijn doel niet bereikte en aldus over hem triomferen. Wie
discussieerde moest zich nochtans ten doel stellen de waarheid te bereiken en
blijk geven van intellectuele integriteit; hij moest zich inspannen de
juiste betekenis van de vraag te preciseren en vermijden principes te
gebruiken die door de andere niet aanvaard werden (bv.
mocht geen beroep op Mammads
profetie, t.a.v. een niet-moslim).
** Tenslotte
formuleerde hij 3 procédé's van bewijsvoering:
1) oorzaak en
gevolg met elkaar verbinden; 2) de thesis
weerleggen b.m.v. haar tegengestelde en er de noodzakelijkheid van
ontkennen; 3)de eigen
theorie bevestigen m.b.v. een doctrine die door de tegenstander aanvaard
wordt.
Abû 'l-Hudhayl
gaf de volgende formulering van het principe van de
niet-tegenstrijdigheid:
"het is
absoluut onmogelijk te aanvaarden dat iemand wéét dat een lichaam bestaat en
dat hij, terzelfdertijd, niét weet dat het bestaat".
Bouamrane (1978:
75) vermeldt als voorbeeld van toepassing van die
mu'tazilitische
jadal, of dialectiek, de discussie, in aanwezigheid van
kalief al-Ma'mûn, tussen de mu'taziliet
Thumâma b. Ashras (gest. 828?) en een zekere Yahyâ
b. al-Akthâm over de oorsprong van de menselijke handelingen. Thumâma
plaatste zijn opponent met de rug tegen de muur door hem te doen kiezen
tussen 3 mogelijke posities:
(1)
menselijke handelingen zijn het werk van God alleen; (2) zij zijn
het werk van God én de mensen; (3) zij zijn het werk van de mensen.
De keuze voor (1)
schrijft aan God het kwade toe; evenzo de keuze voor (2).
Beide stellingen zijn onaanvaardbaar, dus
is (3) de enig juiste stelling.
2
Hij had als bijnaam, al-'Allâf, letterlijk: "de
veevoederhandelaar". Data: ca 752-841?; van Perzische afkomst. Hij
bracht het grootste deel van zijn leven door in Basra en kwam pas in
820, wanneer hij al een 70 jaar oud was, naar Baghdâd, op uitnodiging van
al-Ma'mûn.
Meer dan drieduizend
andersgelovigen, voor het merendeel mazdeërs en manicheërs, zo wordt verteld, zouden zich dank zij zijn
dialectische
gaven - dus op rationele gronden - bekeerd hebben
tot de islam.
|
|
3. De mu'tazilî waren natuurlijk niet de énigen die hun dialectische wapens
konden scherpen, in de confrontaties met andersdenkenden. Maar
behalve het feit dat ze knappe dialectiekers waren, hadden zij nóg een
belangrijk pluspunt: zij boden ook inhoudelijk een rationeel en
universeel concept aan van islam. Precies door die rationaliteit en
(poging tot) universaliteit kon ze de tegenstellingen tussen de oudere
theologische tendensen overstijgen, en dat gaf aan de Mu'tazila "a broad appeal", tenminste onder de élite.
Tegelijkertijd bood ze aan de (geletterde) volgelingen van de oudere
religies, zoals mazdeïsme
(of zoroastrisme)
en manicheïsme,
een veel attractievere vorm van islam, met het oog op hun
eventuele bekering.
Wat de grote
krachtlijnen betreft van dat mu'tazilitische
systeem, ook in de recente literatuur geldt Abû 'l-Hudhayl
als de geestelijke ontwerper ervan - of alleszins als de eerste mutakallim
bij wie die
krachtlijnen duidelijk zichtbaar
worden. Hij was het, klaarblijkelijk, die de zgn. "vijf principes" (al-uûl
al-khamsa)
formuleerde, die later a.h.w. de "identiteitskaart" zouden vormen van de
mu'taziliten. De twee belangrijkste ervan waren:
1) de absolute
eenheid (tawîd)
van God;
2) de
rechtvaardigheid ('adl)
van God.
De gehele mu'tazilitische dogmatiek kan logisch worden afgeleid uit die twee
basisprincipes. De mu'taziliten
beschouwden zichzelf daarom bovenal als "de Mensen van de
Rechtvaardigheid en de Eenheid (sc. van God)": ahl al-'adl
wa'l-tawîd.
Maar bovenal was
Abû
'l-Hudhayl
de schepper van een atomistische metafysica die later de gemeenschappelijke
leer zou worden van àlle
mutakallimûn
- ash’aritische zowel als mu’tazilitische. We mogen haar dus beschouwen als
dé filosofische uitdrukking par excellence van de nieuwe en
unieke zijnservaring die in de Qur'ân openbaring symbolisch besloten lag.
4.
De
historische verdienste van de Mu'tazila bestond dus niet enkel in het definiëren en
argumenteren van een aantal doctrinale leerstellingen waardoor ze zichzelf
onderscheidden van andere scholen. Zij construeerden ook een omvattend
conceptueel kader, een systematische beschrijving van de structuur van het
universum, kortom: een filosofisch-theologisch wereldbeeld, binnen en
middels hetwelke die leerstellingen konden worden uitgedrukt.
Die
moslimmetafysica verschilt in een aantal opzichten nogal sterk van de
Griekse
metafysica
- waaraan wij, westerlingen, dan toch een paradigmatische betekenis
plegen toe te kennen. Ook de kalâm, weliswaar, is als speculatieve
wetenschap gericht op het begrijpen van de waarheid, maar de vraag is, wat
de natuur is van de gezochte waarheid.
Voor de moslimdenker gaat
het, kort gezegd, niét om waarheid in de Griekse zin van de (verborgen,
intrinsieke en onveranderlijke) "ware natuur" (phúsis) der
dingen -, maar om "al-haqq"
- d.w.z. om de "waarheid" van de schepping
àls
"schepping" (khalq). De paradigmatische, religieuze
formulering ervan - die als zodanig ten grondslag ligt aan de islamitische
metafysica - vinden we in de Qur'ân-verzen
volgens dewelke "God de hemelen en de aarde geschapen heeft bi’l-haqq",
d.w.z. "in (hun) waarheid" (o.m. 14.19; 15.85, en elders).
In s. 55.29 wordt tevens
uitdrukkelijk gesteld dat God constant met zijn schepping bezig is: "Alle
in de hemelen en op de aarde wenden zich met vragen tot Hem. Elke dag houdt
hij zich met [Zijn schepping] bezig".
Anders gezegd, al
het bestaande - dus: al wat zich voordoet, elk fenomeen, elke activiteit of
ontwikkeling - heeft géén andere waarheid, géén andere werkelijkheid dan
God, d.w.z. dan
die
van geschapen te zijn, en dus: dan zijn relatie tot de
Schepper (daarom ook
al-haqq,
dé Waarheid, genoemd). Al wat bestaat moet bijgevolg teruggevoerd worden
tot de almacht van God, als "de Heer der Werelden".
De gehele schepping, hemel en aarde, is aldus een réservoir van "tekens"
(ayât).
Vanuit déze
optiek kan er géén sprake zijn van een eeuwige en objectieve, autonome
kosmische orde, "à
la grecque"
(m.i.v. een causale relatie tussen de natuurlijke fenomenen); of van,
daaraan gekoppeld langs de "subjectzijde", het "onthullen" én
assimileren door de menselijke rede van de waarheid/werkelijkheid van
die dieper-liggende, rationele structuur (van de natuur zowel als van de
mens zelf), als 's mensen primaire
opdracht. De waarheid, zo geldt nu, hoéft niet
"onthuld" te worden:
ze is ons gegeven door de schepping, en slechts door de
schepping. Indien de mens
opgeroepen wordt in de Qur'ân, het universum te bestuderen en zoveel
mogelijk kennis te verwerven (en dat islamitische kennisideaal wordt
inderdaad keer op keer beklemtoond), dan gebeurt dat vanuit een symbolisch
wereldbeeld: de wereld, zoals gezegd, is een
réservoir van "tekens" die ons alle terugverwijzen naar
onze Schepper als de Waarheid. Kennis staat dus ten dienste van het "zich
toevertrouwen" (islâm) aan de ene God.
De
typische, atomistische metafysica die door de mutakallimûn
werd ontwikkeld, kunnen we van hieruit in de eerste plaats begrijpen als een
vorm van rationalisering van die fundamentele afhankelijkheidsrelatie
tussen de schepping en God, als de almachtige schepper - waarin elke
entiteit of gebeurtenis ontstaat of vergaat alleenlijk door Gods wil,
en dus als een "teken Gods". Specifiek
ervoor is o.m. dat dit atomistische
model niet beperkt bleef tot het domein van de "kosmologie" maar ook
uitgebreid werd tot dat van het menselijke handelen,
d.w.z. de ethiek.
|
|
5. Zoals gezegd,
de eerste, volwaardige atomistische metafysica die ons in de kalâm
bekend is, staat op naam van Abû
'l-Hudhayl.
Zij behelst dat de geschapen wereld een verzameling is van "lichamen"
(ajsâm; enkv.: jism) die zelf samengesteld zijn uit
"atomen" (ajzâ; enkv.: juz) en hun "accidentia" (acrâd;
enk.: carad)3.
Het bestaan
van dergelijke “lichamen” is te danken aan Gods creëren "in" de (natuurlijk óók
door hem geschapen) atomen van bijzondere accidentia van compositie,
juxtapositie, contiguïteit
en conjunctie - zodanig dat
de atomen inderdaad met elkaar specifieke configuraties vormen. Wat de
“gewone” accidentia betreft, die aan de lichamen hun fysieke kwaliteiten
geven: zoals kleur, smaak, warmte, enz., zij hechten zich eveneens aan de
individuele atomen, maar sléchts in zoverre die atomen daadwerkelijke
combinaties vormen met elkaar4.
Die relatie tussen atomische substantie en accidens wordt aangeduid als "inherentie"
(maar in het Arabisch letterlijk: “neerdaling”).
De formele
werkelijkheid, dus, van elk "ding" (shay'),
in zoverre het is wàt
het is, bestaat in de aanwezigheid van het totale complex van zijn
afzonderlijke accidentia - waarbij de atomen het substraat vormen waarin die
accidentia inhereren. In zóverre is elk ding zijn (complex van)
accidentia; is de werkelijkheid van z'n zijn (niets anders dan) de
werkelijkheid van de specifieke accidentia in het lichaam. Het accidens
kleur, bv., is "het gekleurd-geschapen-zijn van iets".
Anderzijds, is
de eenheid van het ding die van een "lichaam", en dat wil
zeggen: de eenheid van een verzameling, van een aggregaat. Het is
m.a.w. slechts in zoverre de constitutieve eenheden ervan: de atomen (alle
met hun accidentia), met elkaar een verbinding vormen (dank zij de accidentia van compositie, enz.), in ruimtelijke afzondering en met
uitsluiting van de atomen die niét tot dit specifieke compositum behoren,
dat het ding zelf als een eenheid bestaat. Die eenheid, bijgevolg, is vanuit
een bepaald opzicht een louter ruimtelijke eenheid. Vanuit een ander
opzicht, natuurlijk, is zij gefundeerd in een unieke en afzonderlijke
scheppingsdaad, nl. die van de accidentia van
compositie, enz. Van een "essentiële" eenheid van het ding, of een intrinsieke "natuur" die zou
determineren welke particuliere "accidentia" of kwaliteiten erin kunnen
bestaan (ook: welke niet), en die in hun totaliteit de volledige natuur
ervan zouden vormen - zoals het geval is in
de (Griekse) aristotelische substantieleer -,
daarvan ís er, daarvan kàn
er geen sprake zijn.
M.a.w. dat een
ding überhaupt bestààt,
betekent voor Abû
'l-Hudhayl énkel dat het bestaat-in-de-ruimte, of beter:
in of op een "plaats"
(makân); het "is" slechts in zoverre het in de wereld is: van
enig ànder
"zijn", van een ding in se of an Sich, is geen sprake. Elk
schepsel bestaat dus louter als een composiet geheel van een eindig aantal
afzonderlijke elementen (atomen en hun accidentia) - een geheel waaraan door
ons een bepaalde naam wordt gegeven5.
De specifieke attributen en hoedanigheden ervan hebben géén ander
gemeenschappelijk principe voor hun samen-zijn in het ding dan de
scheppingsact van de goddelijke wil; die goddelijke wil heeft het lichaam
tot een lichaam gemaakt en heeft de verschillende accidentia erin doen
"neerdalen"6.
De ontkenning van
elke essentie houdt ook in dat er geen sprake kan zijn van énig bestaan van
het "ding" vóór het actueel bestaan-in-de-wereld ervan. Anders
gezegd: ook voor de (aristotelische) notie van het "in-aanleg-zijn"
(dunamei)
is er geen plaats - behalve dan dat het ding door God reeds vooraf gekend
was als een voorwerp van zijn almachtige wil. Hoe
dan
ook mogen we niet zeggen
dat "het" potentieel bestaat, maar enkel dat Gods potentialiteit
bestaat,
namelijk
als Zijn macht-tot-scheppen.
Zoals gezegd, het
geschapene vormt, per definitie, een verzameling van een eindig
aantal elementen: Gods alwetendheid, inderdaad, vereist dat hij het
precieze aantal kent van de "delen" van de lichamen. Dat is enkel
mogelijk als er een grens is aan de deelbaarheid, en zulks veronderstelt
dus een vorm van atomisme. Ook alle schepselen sàmen
moeten een dergelijke, begrensde en eindige verzameling vormen. Abû’l-Hudhayl
hanteerde in dat verband het belangrijke begrip van het "geheel" (kull),
sc. van alle atomen en accidentia. Op basis daarvan argumenteerde hij dat de
wereld niet enkel een absoluut begin had, maar noodzakelijk ook eens een
einde zou hebben; aan het einde van de tijden, m.a.w., zou elke beweging
ophouden7.
Uit bovenstaande,
summiere en onvolledige schets zal duidelijk zijn dat, ook al staat de
concreetheid of "materialiteit" van de "atomen" buiten kijf, zij toch geen
rol spelen in
zoiets als
het (fysisch) verklaren van de fysische hoedanigheden
der objecten: in en op zichzelf (voorzover dit zinnig kan gezegd worden:
dus abstractie gemaakt van de accidentia)
zijn ze in feite volledig kwaliteitsloos en absoluut inert. Het "atoom", in
deze vroege kalâm, is constitutief principe in de
ontologische structuur van de geschapen wezens; het is niét bedoeld om
enige verklaring te geven voor de fysische
samenstelling of hoedanigheden van de fenomenale werkelijkheid.
Het verschil met
het antieke, Griekse atomisme kon niet groter zijn. Zoals Josef van Ess het
formuleert (1987:227):
"This is Greek
atomism turned upside down. Democritus and
Epicurus intended to explain
nature by the principle of chance (therefore the church fathers abhorred
their philosophy). For the Mu'tazila,
on the contrary, atomism served as an accomplice of divine omnipotence. As
mere conglomerates, things do not possess any essence of their own; this
demonstrates their dependence on God. However, although objects are reduced
to purely material composites, this was not a materialistic theory. The
Greek atomists were searching for the monad: they wanted to explain nature.
The mu'tazilî
atomists were searching a pivot of God's will and power: they wanted to
explain creation".
Dat
laatste is precies de reden waarom de Mu'tazila, in contrast met de Grieken,
het atomisme uitbreidden tot het domein van het menselijke handelen. In alle
geval, creatie, canonisering en voortbestaan van het atomisme in het
moslimdenken waren gefundeerd in het feit dat het daadwerkelijk een
coherente en inzichtelijke verklaring gaf voor de ontologische of
metafysische structuur van het zijn, zoàls
dat zijn gegeven was aan een ervaring die paradigmatisch gevormd was door
de islam -
misschien beter: door de Qur'ân.
3 De vertaling
van de Arabische term door de scholastische term “accidens” (zelf
een Latijnse vertaling voor een Griekse technische uitdrukking van Aristoteles, letterlijk: “het bijkomende”, of “bijkomstige”)
is weliswaar wat misleidend: binnen dit islamitische systeem gaat het in
feite om
àlle
hoedanigheden, niet enkel de “bijkomstige” (zie verder).
PS Ik volg de internationale (Engelse) transcriptie van het Arabisch:
een "j" moet daarin uitgesproken worden als "dj", de
combinatie "sh" als "sj"; voor een "j", zoals in "Jan", wordt de "y"
gebruikt; de combinatie "dh" wordt uitgesproken als het Engelse "the",
zoals in "the man"; voor de klinkers staat de "u" voor onze "o";
de "û" voor "oe" (ik gebruik weliswaar het Nederlandse woord "moslim",
niet het Engelse "muslim").
4 In de
kalâmliteratuur zouden er zeer spitsvondige discussies gevoerd worden
over de vraag wat het minimale aantal atomen is, nodig om een
"lichaam" te vormen: sommigen hielden het bij 2, anderen bij 4 of bij 6.
Maar ze waren het erover eens dat een combinatie van acht atomen hoe
dan
ook een drie-dimensionaal lichaam vormde.
5 In de literatuur wordt er in dit verband vaak van een
"islamitisch nominalisme" gesproken, naar analogie met de confrontatie
tussen de "reales" en de "nominales" in de christelijke
scholastiek.
6 Ook de (betrekkelijke) permanentie van een lichaam is te
danken aan een accidens, nl. dat van "duur" (mudda).
7 Het uit de Qurzân afgeleide dogma van de eeuwigheid van het Paradijs
verplichtte Abû
’l-Hudhayl
te stellen dat de paradijsbewoners, wanneer alle beweging zou ophouden,
eeuwig gefixeerd zouden blijven in de toestand waarin ze zich net op dat
ogenblik zouden bevinden!
|
|
6. De informatie
over de antropologie, of mensvisie van de mu'tazilî,
alsook omtrent hun theorie over het menselijke (morele) handelen is spijtig
genoeg erg schaars en bovendien vaak regelrecht inconsistent. Bij de latere,
zgn. heresiografen kan er een soort van tegenzin geconstateerd worden om
daarover uit te weiden - allicht vanuit het
(foutieve) vermoeden dat die abstracte
theorieën in laatste instantie afkomstig waren van de Griekse filosofie.
Ondanks hun
complexiteit vertonen de opvattingen van de belangrijkste mu'tazilitische
doctores de volgende twee gemeenschappelijke trekken:
a) een centrale
bekommernis
om de ethische problemen van de autonomie van de mens en
zijn/haar onderworpen-zijn aan morele en religieuze verplichtingen
(taklîf);
b) de betrachting
deze antropologie te doen kaderen in een algemeen aanvaarde, theorie
over substantie en accidens.
In wat volgt,
beperk ik me nogmaals tot een korte presentatie van de opvattingen van Abû ’l-Hudhayl.
Zoals alle andere
schepselen, vanuit Abû ’l-Hudhayls
atomistisch perspectief, is ook de mens (al-insân) in éérste
instantie niets méér dan een complex van geschapen "accidentia", gedragen
door het lichaam waardoor het individu gedefinieerd wordt. In die optiek kon
Abû ’l-Hudhayl
de mens definiëren als zijnde (niet méér dan) "dit manifeste en
zichtbare, etende en drinkende lichaam".
In onderscheid
met sommige andere lichamen, hebben we in het geval van de mens weliswaar
te doen met een "levend" ayy)
lichaam, maar ook "leven" is hier als een accidens te beschouwen, en dus
als verschillend van “de mens”. Evenzo is de mens in het bezit van een
"ziel" (nafs) en een "geest" (rûh),
maar de plaats van beide in het systeem is duister, aangezien ze in de
bewaarde fragmenten nauwelijks ter sprake komen. Alleszins wordt de nafs
als een accidens beschouwd - en dus als verschillend van het lichaam en van
de rûh.
Noch "leven" noch "ziel" noch "geest" noch de "wil"
(zirâda)
- die dus alle vier van elkaar te onderscheiden zijn - mogen, als accidentia,
vereenzelvigd worden met de menselijke persoon als zodanig.
Op het vlak van
de kenactiviteiten kan iets analoog worden vastgesteld: de vijf zintuigen,
d.w.z. hun percepties, zijn eveneens accidentia, en als zodanig te
onderscheiden van het lichaam en de ziel. De intelligentie of het verstand,
anderzijds, d.w.z. de caql, is een soort van
"zintuig" (hiss) inzoverre de betreffende perceptie "intelligibel" (macqûl)
is; de caql is terzelfdertijd zijn inhoud én
het "vermogen
tot kennisverwerving". Perceptie, als
handeling, is een innerlijke
kenakt: zij is volledig onafhankelijk van de fysische staat van het lichaam
en van de operaties van de zintuigelijke organen. Het is een
handeling die door
God rechtstreeks in het hart wordt geschapen. Het betekent dat
aangezien de mens de inhoud van de perceptie niet bepaalt
overeenkomstig zijn/haar eigen vrije keuze,
hij/zij niét
echt de "agent"
van de kenact kan worden genoemd.
7. Vanuit strikt
atomistisch perspectief, bijgevolg, wordt de basis van 's mensen eenheid
geleverd door de spatio-temporele cohesie van de atomen, namelijk als een
geünifieerd
lichaam waarin al die verschillende en zelfstandige accidentia
vóórkomen door de wil van de Schepper. Als zodanig verschijnt de mens (net
zoals de andere schepselen) als slechts een hol, materieel aggregaat:
hij/zij beschikt niét over een existentiële eenheid van interioriteit en
hij/zij vormt géén individueel, op-zichzelf-centrerend centrum van
bewust in de wereld zijn.
Mààr,
in tégenstelling tot elk ander schepsel bezit de mens wél het vermogen, door
"vrije keuze" (qâdir, mustatîc) éigen handelingen
te realiseren of produceren - ze wezen psychisch of fysiek. Het is dàt
"vermogen" (qudra, istitâca) dat nog het meest van
al bijdraagt tot de eenheid van het menselijke bestaan. Het betreft hier een
permanent accidens (dat echter verdwijnt in het
Hiernamaals) en het
karakteriseert de mens als fundamenteel een moreel wezen: d.w.z. een
wezen waarvan het het "wezen" is, zijn/haar eigen handelingen te produceren
om finaal (cf. het Eindgericht) beoordeeld te worden in zijn/haar
individuele en persoonlijke verantwoordelijkheid ervoor.
Vanuit
ontologisch perspectief heeft dat belangrijke implicaties. Van alle andere
geschapen "dingen", immers, kan gezegd worden dat zij in geen enkel
opzicht méér zijn dàn
ze ("nu") zijn: ze zijn
àf,
in de eindigheid van hun actueel-zijn op elk ogenblik van hun bestaan. De
mens, daarentegen, doordat hij een "willend agent" (mukhtâr,
“kiezend”; mustatîc, “vermogend”) is, heeft ín zich, als een
bestendig attribuut van zijn/haar zijn, een principe van
transcendentie: d.w.z.
hij/zij is, in zijn/haar keuze of intentie, vanuit het heden georiënteerd naar de
toekomst; de potentie of het vermogen (qudra) van zijn/haar handelen is
toekomstgericht en overstijgt dus het actueel gegeven heden. Dat kan wat
worden verduidelijkt vanuit Abû ’l-Hudhayls
visie op de structuur van de menselijke handeling.
Het menselijke
vermogen een (morele) handeling te realiseren is, voor Abû ’l-Hudhayl,
niét te herleiden tot gewoon een kwestie van het beschikbaar-zijn van de
nodige fysieke kracht of energie om een of andere handeling te effectueren.
Het gaat integendeel om het vermogen, of de potentialiteit, een bewust
gekozen doelstelling tot stand te brengen. Inderdaad, dat "vermogen"
(al-istitâca) bestààt
enkel indien er, van de zijde van de vrije agent, de reële mogelijkheid is
van een dwangloze "keuze" (ikhtiyâr). En omgekeerd: er kan geen
wilsdaad zijn, behalve wanneer de reële potentialiteit gegeven is, het
voorwerp ervan teweeg te brengen. Als zodanig impliceert al-istitâca
altijd het gegeven-zijn - als een "idee" (khâir)
in ‘s mensen geest - van tegengestelden (diddân) en van de
mogelijkheid, een concrete handeling wél te stellen of niét
te stellen. Zoals Abû ’l-Hudhayl
het formuleert (citaat in het
latere Kitâb al-Intisâr):
"om werkelijk
capabel te zijn een handeling te stellen, moet men ook capabel zijn ze niét
te stellen. Indien het vermogen betrekking heeft op de verwezenlijking van
een daad, moet het ook betrekking hebben op het nàlaten
van diezelfde daad, net zoals, waar het vermogen ze na te laten ontbreekt,
ook het vermogen ontbreekt ze te stellen... En de potentialiteit moet aldus
opgevat worden: als ze waar is m.b.t. een handeling of een daad, is ze óók
waar m.b.t. het tégendeel van die handeling of daad, en omgekeerd".
Die capaciteit,
te handelen of niét te handelen,
is volgens Abû ’l-Hudhayl
in overeenstemming met de fysieke gezondheid en integriteit van onze organen: noch de zieke,
noch de blinde, noch de kreupele beschikken over het volle vermogen te
handelen.
Een handeling,
daarom, die niét vrijelijk door 's mensen wilsact bepaald is, zoals het
geval is bij een "onvrijwillige" (ghayr ikhtiyâriyya)
handeling (of niet-handeling), ís niét zijn/haar handeling; ze moet
integendeel de handeling van God worden genoemd. Dat geldt óók voor een
actie of gebeurtenis waarvan de mens de natuur of het karakter niet kent
of
niet
begrijpt: een handeling, immers, die niét gesteld is "met kennis van
zaken", kan per definitie niet als zodanig gewild of bedoeld zijn.
Een gedwongen handeling, daartegenover, zoals bv. varkensvlees eten
om niet van honger om te komen, is niét afkomstig van God, maar is te wijten
aan een externe dwang.
De mens, m.a.w.,
transcendeert zijn momentane staat uitsluitend wanneer zijn/haar handeling
een bewuste en dwangloze projectie is van zijn potentialiteit, vanuit een
actuele situatie, naar de toekomst. Wanneer dat niét het geval is, wordt de
mens bewogen door externe krachten, middels een reeks van discrete
momenten waarin z'n zijn, net zoals dat van de niet-menselijke, materiële
schepping, exhaustief gedetermineerd wordt; van een participatie in de
handeling als een moreel wezen is dan geen sprake. Bijgevolg, kunnen de wil
(cirâda) en het vermogen (qudra) de basisfaculteiten
worden genoemd van elk moreel - i.e. éigenlijk menselijk - handelen;
tegelijkertijd vormt kennis sc. van de alternatieven een conditio
sine qua non.
De nexus tussen
menselijke wil en menselijke handeling wordt dus gevormd door de menselijke
qudra. In tegenstelling tot God, gaan ‘s mensen wilsact en intentie
altijd vooraf aan de uitwendige verwezenlijking van hun object (innerlijke
handelingen, daarentegen, gebeuren gelijktijdig met de wilsact). Maar ook
de qudra gaat - noodzakelijk - vooraf aan de act, want anders kan er
geen sprake zijn van vrijheid van keuze. Daaraan dient nochtans toegevoegd
dat, strikt genomen, de mens énkel het vermogen heeft beweging of rust te
initiëren: bv. een pijl af te schieten - niét om bv. lichaamskracht, leven
of een lichaam te produceren. Ook wat op de act volgt, maar niét
resulteert uit beweging, rust, enz., zoals bv. de perceptie en het
begrijpen van je handeling en kennis in het algemeen worden geproduceerd
door God.
8. Plaats- en
tijdsgebrek dwingen ons de bespreking hier af te breken. Voor de ethische
en cognitieve problematiek die met het voorgaande samengaat - zoals de
perceptie van het moreel goede en het moreel kwade, als objectieve
hoedanigheden van de dingen, en de vraag of die perceptie (die, als een "accidens",
een onmiddellijke creatie is van God) al dan niet (en het is: niet)
motiverend werkt naar een of andere handeling, enz. -, verwijs ik naar de
gespecialiseerde
literatuur.
Uit het
bovenstaande zal ondertussen wel duidelijk zijn geworden, dat de optiek
van waaruit Abû
’l-Hudhayl
het menselijke handelen beschouwde, bovenal een
"juridische" optiek
moet genoemd worden - wat
overeenstemt met één van basisgegevens van de islamitische mensvisie8:
wat hem in de eerste plaats interesseerde, was te weten welke de voldoende
en noodzakelijke voorwaarden waren om in het kader van de taklîf
("obligatie") de mens verantwoordelijk te kunnen stellen
- zodat beloningen en straffen vanwege God rechtvaardig kunnen worden
genoemd.
Een beruchte
crux, bv., in de discussies tussen de
theologische
scholen, was het theoretische
geval van de man die een pijl afschiet maar zelf gedood wordt nog vóórdat
die pijl zelf een slachtoffer maakt: wie of wat is aansprakelijk voor deze
(laatste) doodslag? De schutter (maar hoe kan iemand die dood is op het
ogenblik van de doodslag, schuldig zijn?)? God? de pijl? Voor Abû ’l-Hudhayl
is de mens enkel verantwoordelijk voor
(door de mens) gegenereerde handelingen
waarvan hij vooraf weet heeft: in het geval van de boogschutter,
indien hij gemikt heeft, is hij, óók als dode, verantwoordelijk; heeft hij
echter de pijl
per ongeluk gelost,
bijvoorbeeld omdat hij juist zelf getroffen
werd op dat ogenblik, dan is hij niét aansprakelijk.
Of: hoe dit
islamitische “voluntarisme” toch een flinke brok
"Grieks
intellectualisme” bevat.
____________________________
8
Over de
fundamentele contractverhouding (mithâq) waarin de mens àls mens
staat tot zijn/haar Schepper, zie op deze site de syllabus, "Wortels van
Islam", § 10.4, onder "mithâq".
|
|
LITERATUUR:
Voor
meer uitvoerige inleidingen (met inbegrip van voetnoten en literatuurlijsten) omtrent deze
comparatieve bespreking worden lezer en lezeres in de eerste plaats verwezen
naar de syllabi van H.De Ley, "De Ioniers", "De Late Oudheid" en "Het
Klassieke Arabische Denken, deel 1".
Voor de Mu'tazila werd o.m. gebruik gemaakt van (in
alfabetische orde):
- Bouamrane, Ch. (1978), Le problème de la liberté humaine
dans la pensée musulmane (solution mu'tazilite). Paris 1978.
- Frank, Richard M. (1966), The Metaphysics of Created
Being according to Abû l-Hudhayl al-'Allâf. A philosophical study of the
earliest kalâm. Istanbul 1966.
- Van Ess, Josef (1983), "Abu'l-Hodhayl al-'Allâf", in:
Encyclopedia Iranica, I, f. 3, pp. 318-322.
- Van Ess, Josef (1987), "Muctazilah", in: The Encyclopedia of
Religion, X (1987), pp. 220-229.
|
|