CIE-INDEX

Dirk VOORHOOF*,

"Europees Hof tolereert geen beledigingen aan adres van profeet".

In : De Juristenkrant 2005/115, 1 en 13 (Referenties).

Hoewel nu echt de toetredingsonderhandelingen van de EU met Turkije zijn gestart, blijkt Turkije op het vlak van de mensenrechten nog een lange weg te moeten afleggen. Het aantal veroordelingen in Straatsburg van Turkije wegens ongepaste repressie van de expressievrijheid is niet meer bij te houden. Helemaal tegen de stroom in roeit een recent arrest van het Europees Hof in verband met godslastering. De veroordeling van de uitgever van een boek met daarin enkele beledigende passages betreffende de profeet Mohammed gaf volgens het Hof terecht aanleiding tot een veroordeling in Turkije. Eén passage in het boek is volgens het Hof een beledigende aanval op de persoon van de Profeet van de islam.

 



De reden waarom in tal van arresten van de voorbije jaren en maanden Turkije werd veroordeeld wegens schending van de expressievrijheid heeft te maken met de veel hogere standaard van expressievrijheid die het Europees Hof in Straatsburg hanteert. Volgens het Hof mag de openbare uiting van bepaalde opinies en standpunten kwetsend, schofferend, onrustwekkend en zelfs provocerend zijn. Zolang er in het politieke en maatschappelijke debat niet wordt aangezet tot racisme, geweld of terrorisme geldt de bescherming van artikel 10 van het Europese Mensenrechtenverdrag. De veroordeling in Turkije van de leider van een islamitische sekte omdat deze tijdens een televisiedebat zich op bijzonder beledigende wijze had uitgelaten over niet-gelovigen, over de democratische profane instellingen en zij die de lekenstaat verdedigen, vond het Europees Hof strijdig met de expressievrijheid. Omdat geen enkele uitspraak van de sekteleider kon beschouwd worden als aanzet tot haat of geweld, was het Europees Mensenrechtenhof van oordeel dat er onvoldoende pertinente redenen waren om de betrokkene (Müslüm Gündüz) te veroordelen. Een uitspraak geheel in de lijn dus van de ondertussen klassieke rechtspraak in verband met artikel 10 EVRM, waarin telkens benadrukt wordt dat een democratische samenleving nood heeft aan openheid van geest, tolerantie en pluralisme, waarin plaats moet zijn voor botsende ideeën en confronterende standpunten, zolang inderdaad niet wordt aangezet tot racisme, haat of geweld.

In een recent arrest kantelt de beoordeling van het Hof in de andere richting. Aanleiding tot de uitspraak is de veroordeling in Turkije van de uitgever van een boek onder de titel “Yasak Tümceler”, wat betekent “De verboden zinnen”. Het boek bevat in een romaneske stijl de filosofische en theologische zienswijzen en ideeën van de auteur, Abdullah Riza Ergüven. Kort na de publicatie van het boek werd de uitgever vervolgd in toepassing van art. 175 van het Turkse Strafwetboek wegens het in een publicatie beledigen van “God, de godsdienst, de profeet en het heilige boek”. De uitgever werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, straf die evenwel werd omgezet in een geldboete. De strafrechtelijke veroordeling betrof vooral één passage in het boek, waarin gesteld werd dat sommige uitspraken van de profeet inspiratie vonden in de armen van Aisha, het negenjarige meisje waarmee hij huwde en seks had “na het eten en voor het gebed”. Volgens het boek verbood Mohammed evenmin seks met overledenen of seks met dieren. Het Turkse Hof van Cassatie bevestigde de veroordeling van de in Frankrijk wonende eigenaar van de uitgeverij Berfin.

In een arrest van 13 september 2005 laat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de veroordeling van de uitgever (geanonimiseerd met de initialen I.A.) overeind. Het Hof verwijst naar zijn principiële zienswijze betreffende het cruciale belang van de expressievrijheid in een democratische samenleving, maar erkent tegelijk dat aan de lidstaten toch wat beleidsvrijheid toekomt bij het inperken van die vrijheid in geval van het offensief beledigen van de meest intieme gevoelens van gelovigen. Hoewel personen die een religie belijden enige kritiek op hun godsdienst moeten kunnen verdragen, is het Hof van oordeel dat de gewraakte passage in het boek te beschouwen is als een beledigende aanval tegen de persoon van de Profeet van de islam, “une attaque injurieuse contre la personne du prophète de l’Islam”. Wanneer het een aanval op de religieuze dogma’s betreft, kunnen gelovigen zich legitiem aangevallen voelen door ongeoorloofde beledigingen en kan de expressievrijheid ingekort worden. Het Hof vindt de gewraakte passage in het boek een beledigende aanval op de religieuze gevoelens van moslims; het gaat volgens het Hof om “des attaques offensantes concernant des questions considérées comme sacrées par les musulmans”. De bestraffing van dergelijke uitlatingen beantwoordt volgens het Hof aan een dwingende sociale behoefte.

Het Hof komt tot deze beslissing met de kleinst mogelijke meerderheid, omdat drie van de zeven rechters van oordeel zijn dat de veroordeling van de uitgever in strijd is met artikel 10 EVRM. De drie “dissenters”, waaronder vice-voorzitter van het Europees Hof en kamervoorzitter, J.-P. Costa, voeren aan dat het tijd is dat het Hof afstand neemt van de eerdere rechtspraak in de zaak Otto-Preminger-Institut (1994) en Wingrove (1996), rechtspraak waarin het Hof té verregaand was meegegaan in de repressieve aanpak in Oostenrijk en in het Verenigd Koninkrijk van godslasterlijke films. Godslasterlijk toen voor christelijke gelovigen. De drie “dissenters” pleiten ervoor om deze rechtspraak te herbekijken (“revisiter”), aangezien ze te veel steun geeft aan het conformisme en aan de “pensée unique” en een kouwelijke en bangelijke benadering impliceert van de expressievrijheid. De in de minderheid gestelde rechters beklemtonen dat het uitgangspunt van het Hof volgens hetwelke ook plaats moet zijn voor standpunten en opinies die kwetsen, choqueren of tot onrust aanleiding geven, niet mag herleid worden tot een inhoudsloze of rituele formule, maar ernstig moet genomen worden en effectief aan de basis moet liggen van de eindbeoordeling door het Hof.

De meerderheid van het Hof (waaronder de Turkse rechter Türmen, naast de rechters van Georgië, San Marino en Hongarije) kon zich wél vinden in de veroordeling van de uitgever en liet aan de Turkse overheid een ruime beoordelingsruimte om beledigingen van “God, de godsdienst, de profeet en het heilige boek” strafrechtelijk te sanctioneren.

Ten opzichte van kritiek op de islam en de daarmee verbonden denkbeelden en iconen had het Europees Hof van Turkije net zo goed iets meer “absorptiecapaciteit” mogen verwachten. Er zijn goede redenen om de zaak I.A. t. Turkije nog eens voor te leggen aan de Grote Kamer van het Europees Hof.

 

  _______________________

Referenties:

EHRM, 13 september 2005, I.A. t. Turkije.

Zie ook J. Vrielink, “Profeet beledigen mag, maar niet te vaak”, Juristenkrant 2005/107, 4.

Vgl. EHRM 20 september 1994, Otto-Preminger-Institut t. Oostenrijk; EHRM 25 november 1996, Wingrove t. Verenigd Koninkrijk, en EHRM 4 december 2003, Müslüm Gündüz t. Turkije. Voor de meest recente veroordelingen van Turkije wegens ongeoorloofde inmenging in de expressievrijheid, zie EHRM 7 juni 2005, Pamak; EHRM 16 juni 2005, Ergin (n° 1-5) en Ergin and Keskin (n° 1-2); EHRM, 21 juni 2005, Perinçek; EHRM 13 september, Han; EHRM 20 september 2005, Veysel Turhan; en EHRM 27 september 2005, Asli Güneş.

* De auteur is hoogleraar Mediarecht en Auteursrecht aan de Universiteit Gent en de Universiteit van Kopenhagen
< dirk.voorhoof@ugent.be >

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 6 juni 2011