|
Hoewel nu echt de toetredingsonderhandelingen van de EU met Turkije zijn
gestart, blijkt Turkije op het vlak van de mensenrechten nog een lange
weg te moeten afleggen. Het aantal veroordelingen in Straatsburg van
Turkije wegens ongepaste repressie van de expressievrijheid is niet meer
bij te houden. Helemaal tegen de stroom in roeit een recent arrest van
het Europees Hof in verband met
godslastering. De veroordeling van de uitgever van een boek met daarin
enkele beledigende passages betreffende de profeet Mohammed gaf volgens
het Hof terecht aanleiding tot een veroordeling in Turkije. Eén passage
in het boek is volgens het Hof een beledigende aanval op de persoon van
de Profeet van de islam.
De reden waarom in tal van arresten van de voorbije
jaren en maanden Turkije werd veroordeeld wegens schending van de
expressievrijheid heeft te maken met de veel hogere standaard van
expressievrijheid die het Europees Hof in
Straatsburg hanteert. Volgens het Hof mag de openbare uiting van
bepaalde opinies en standpunten kwetsend, schofferend, onrustwekkend en
zelfs provocerend zijn. Zolang er in het politieke en maatschappelijke
debat niet wordt aangezet tot racisme, geweld of terrorisme geldt de
bescherming van artikel 10 van het Europese
Mensenrechtenverdrag. De veroordeling in Turkije van de leider van een
islamitische sekte omdat deze tijdens een televisiedebat zich op
bijzonder beledigende wijze had uitgelaten over niet-gelovigen, over de
democratische profane instellingen en zij die de lekenstaat verdedigen,
vond het Europees Hof strijdig met de
expressievrijheid. Omdat geen enkele uitspraak van de sekteleider kon
beschouwd worden als aanzet tot haat of geweld, was het
Europees Mensenrechtenhof van oordeel dat er
onvoldoende pertinente redenen waren om de betrokkene (Müslüm Gündüz)
te veroordelen. Een uitspraak geheel in de lijn dus van de ondertussen
klassieke rechtspraak in verband met artikel 10 EVRM, waarin telkens
benadrukt wordt dat een democratische samenleving nood heeft aan
openheid van geest, tolerantie en pluralisme, waarin plaats moet zijn
voor botsende ideeën en confronterende standpunten, zolang inderdaad
niet wordt aangezet tot racisme, haat of geweld.
In een recent arrest kantelt de beoordeling van het Hof in de andere
richting. Aanleiding tot de uitspraak is de veroordeling in Turkije van
de uitgever van een boek onder de titel “Yasak Tümceler”, wat
betekent “De verboden zinnen”. Het boek bevat
in een romaneske stijl de filosofische en theologische zienswijzen
en ideeën van de auteur, Abdullah Riza Ergüven. Kort na de publicatie van
het boek werd de uitgever vervolgd in toepassing van art. 175 van het
Turkse Strafwetboek wegens het in een publicatie beledigen van “God, de
godsdienst, de profeet en het heilige boek”. De uitgever werd
veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, straf die
evenwel werd omgezet in een geldboete. De strafrechtelijke
veroordeling betrof vooral één passage in het boek, waarin gesteld werd
dat sommige uitspraken van de profeet inspiratie vonden in de armen van Aisha, het negenjarige meisje waarmee hij huwde en seks had
“na het eten
en voor het gebed”. Volgens het boek verbood Mohammed evenmin seks met
overledenen of seks met dieren. Het Turkse Hof van Cassatie bevestigde
de veroordeling van de in Frankrijk wonende eigenaar van de uitgeverij Berfin.
In een arrest van 13 september 2005 laat het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens de veroordeling van de
uitgever (geanonimiseerd met de initialen I.A.) overeind. Het Hof
verwijst naar zijn principiële zienswijze betreffende het cruciale
belang van de expressievrijheid in een democratische samenleving, maar
erkent tegelijk dat aan de lidstaten toch wat beleidsvrijheid toekomt
bij het inperken van die vrijheid in geval van het offensief beledigen
van de meest intieme gevoelens van gelovigen. Hoewel personen die een
religie belijden enige kritiek op hun godsdienst moeten kunnen
verdragen, is het Hof van oordeel dat de gewraakte passage in het boek
te beschouwen is als een beledigende aanval tegen de persoon van de
Profeet van de islam, “une attaque injurieuse contre la personne du
prophète de l’Islam”. Wanneer het een
aanval op de religieuze dogma’s betreft, kunnen gelovigen zich legitiem
aangevallen voelen door ongeoorloofde beledigingen en kan de
expressievrijheid ingekort worden. Het Hof vindt de gewraakte passage in
het boek een beledigende aanval op de religieuze gevoelens van moslims;
het gaat volgens het Hof om “des attaques offensantes concernant des
questions considérées comme sacrées par les musulmans”. De
bestraffing van dergelijke uitlatingen beantwoordt volgens het Hof aan
een dwingende sociale behoefte.
Het Hof komt tot deze beslissing met de kleinst
mogelijke meerderheid, omdat drie van de zeven rechters van oordeel zijn
dat de veroordeling van de uitgever in strijd is met artikel 10 EVRM. De
drie “dissenters”, waaronder vice-voorzitter van het
Europees Hof en kamervoorzitter, J.-P. Costa, voeren aan dat het
tijd is dat het Hof afstand neemt van de eerdere rechtspraak in de zaak
Otto-Preminger-Institut (1994) en Wingrove (1996),
rechtspraak waarin het Hof té verregaand was meegegaan in de repressieve
aanpak in Oostenrijk en in het Verenigd Koninkrijk van godslasterlijke
films. Godslasterlijk toen voor christelijke gelovigen. De drie
“dissenters” pleiten ervoor om deze rechtspraak te herbekijken (“revisiter”),
aangezien ze te veel steun geeft aan het conformisme en aan de “pensée unique” en een kouwelijke en bangelijke benadering impliceert van de
expressievrijheid. De in de minderheid gestelde rechters beklemtonen dat
het uitgangspunt van het Hof volgens hetwelke
ook plaats moet zijn voor standpunten en opinies die kwetsen, choqueren
of tot onrust aanleiding geven, niet mag herleid worden tot een
inhoudsloze of rituele formule, maar ernstig moet genomen worden en
effectief aan de basis moet liggen van de eindbeoordeling door het Hof.
De meerderheid van het Hof (waaronder de Turkse rechter
Türmen, naast de rechters van Georgië, San Marino en Hongarije) kon zich
wél vinden in de veroordeling van de uitgever en liet aan de Turkse
overheid een ruime beoordelingsruimte om beledigingen van “God, de
godsdienst, de profeet en het heilige boek” strafrechtelijk te
sanctioneren.
Ten opzichte van kritiek op de islam en de daarmee
verbonden denkbeelden en iconen had het Europees
Hof van Turkije net zo goed iets meer “absorptiecapaciteit” mogen
verwachten. Er zijn goede redenen om de zaak I.A. t. Turkije nog
eens voor te leggen aan de Grote Kamer van het
Europees Hof.
_______________________ |
Referenties:
EHRM, 13
september 2005, I.A. t. Turkije.
Zie ook J. Vrielink, “Profeet
beledigen mag, maar niet te vaak”,
Juristenkrant 2005/107, 4.
Vgl. EHRM 20 september 1994,
Otto-Preminger-Institut t. Oostenrijk; EHRM 25 november 1996, Wingrove
t. Verenigd Koninkrijk, en EHRM 4 december
2003, Müslüm Gündüz t. Turkije. Voor de meest recente veroordelingen van
Turkije wegens ongeoorloofde inmenging in de expressievrijheid,
zie EHRM 7 juni 2005, Pamak; EHRM 16 juni 2005, Ergin (n° 1-5) en Ergin and Keskin
(n° 1-2); EHRM, 21 juni 2005, Perinçek; EHRM 13 september, Han; EHRM 20 september 2005, Veysel Turhan;
en EHRM 27 september 2005, Asli Güneş. |