|
'My only ambition is to have no
ambition',
een liedje op de radio.
§
Er is één ding waar alle onderwijspedagogen en
-hervormers het tegenwoordig over eens lijken te zijn, samen
trouwens met de televisiemakers: Bildung kan niet meer, ten
minste niet in het hoger onderwijs. Bildung is het kneden,
bewerken, schaven, vormen van mensen, en dat is autoritair,
paternalistisch, ouderwets. In het woord Bildung zit ‘beeld’,
het betekent dat je individuen vormt naar een beeld dat je van de
mens hebt, een beeld van hoe mensen zouden moeten zijn. Neen, vinden
de hedendaagse pedagogen, je moet niet de pretentie hebben jongeren
tot echte mensen te kneden. Wat het betekent mens te zijn, hoe een
mens hoort te zijn, dat maken de jongeren zelf wel uit. Er zijn
genoeg mensbeelden en wereldbeelden waar ze zelf uit kunnen kiezen.
Daarvoor zijn er geen meesters nodig. Neen, in het hoger onderwijs
doe je kennis en vaardigheden op die je later professioneel kunt
inzetten.
De hedendaagse
pedagoog ziet het hoger onderwijs dus niet in het verlengde van de
opvoeding. Op de middelbare school moet je nog opvoeden, maar in het
hoger onderwijs houdt dat op. De student hoeft geen opvoeding meer
te krijgen in de zin dat er aan zijn menszijn moet worden gewerkt,
hij moet een opleiding krijgen waarin hij ‘competenties’
opdoet[1].
Dit betekent dat de student zich bekwaamt in een bepaald domein van
de kennis of de praktische vaardigheid. Het opvoedende aspect wordt
teruggedrongen naar een paar levensbeschouwelijke en deontologische
vakken. Omdat het dus niet vertrekt vanuit een vooropgezet idee van
hoe een mens moet zijn, lijkt het hoger onderwijs moreel en
ideologisch neutraal.
Deze radicale
professionalisering van het hoger onderwijs heeft de verhouding
tussen de student en de onderwijzende instantie grondig gewijzigd.
Vroeger koos de student niet zomaar voor een bepaalde opleiding, hij
onderwierp zich ook aan een bepaalde autoriteit die vooral werd
belichaamd door leraren. Leraren waren niet enkel mensen die de
student een bepaalde ‘competentie’ bijbrachten, maar ook symbolen en
doorgevers van een traditie waarvan het belang voor zich sprak.
Competenties zijn definieerbaar, omlijnbaar, formaliseerbaar. Dat is
wat leraren tegenwoordig ook steeds weer wordt gevraagd, om de
competenties die ze de studenten per vak bijbrengen nauwkeurig te
omlijnen, en daarbij ook te rechtvaardigen waarom deze competenties
in de opleiding worden bijgebracht. De intimiderende vraag die de
leraar voortdurend wordt gesteld is: wat kennen en kunnen de
studenten nu juist als ze jouw vak gevolgd hebben, en waarom is dat
vak nodig in het licht van de eindtermen die moeten worden bereikt?
Wat is de ‘finaliteit’ van wat je de studenten vertelt?
Hoe meer de
leraar dergelijke vragen moet beantwoorden, hoe meer hij echt begint
te geloven dat hij iemand is die competenties doorgeeft. Maar een
leraar was altijd veel meer dan iemand die professionele
competenties doorgeeft, hij was ook altijd de doorgever, het medium
van een complexe cultuur van al dan niet uitgesproken regels,
rituelen en van manieren van spreken en vragen stellen waarin elke
‘competentie’ ingebed is. Als medium van een morele en reflexieve
cultuur, deed de leraar de student aanvoelen dat geen enkele
competentie in zichzelf afgerond is of definitief veroverd is, dat
je eigenlijk niet competent bent als je alleen maar competent bent.
Wanneer de
onderwijzende instanties steeds meer alles geformaliseerd en
gereduceerd willen zien tot ‘competenties’, doen ze deze wolk van
cultuur verdampen die elke leraar met zich meedraagt. En die
‘cultuurwolk’ is nu juist de grondstof waaruit alle bevraging,
twijfel, reflectie, kritiek wordt geput. Het pedagogische regime dat
ons verplicht te spreken in termen van competenties wil het
onderwijs zogezegd efficiënter maken; het wil het onderwijs beter
afstemmen op vooropgestelde doelen. Maar door alles op te sluiten in
een strak schema van middelen en doelen, ontmoedigt het reflectie,
bevraging, twijfel, ook al wordt dat natuurlijk niet gezegd. Het
competentie-discours instrumentaliseert het onderwijs door het te
reduceren tot wat zogezegd essentieel en nuttig is: het overbrengen
van kennis of vaardigheden met zo weinig mogelijk nutteloze, lees:
culturele ruis.
Het hedendaagse
pedagogische regime, dat zich niet aan autoritaire Bildung
wil bezondigen, presenteert zich als wetenschappelijk, als moreel en
ideologisch neutraal. Dit is natuurlijk schijn. Het onderwijs wordt
in toenemende mate toegespitst op de arbeidsmarkt, en dat is wel
degelijk een ideologische keuze. Achter de pedagogische efficiëntie
schuilt een economische efficiëntie: rentabiliteit. De student wordt
klaargestoomd voor een job. Hij studeert met het oog op het
vervullen van een bepaalde taak in de maatschappij. En hiertoe wordt
hij wel degelijk gevormd. Maar hij wordt niet meer gevormd in
de oude, ‘ouderwetse’ zin dat hij wordt geďnitieerd in het complexe
weefsel van de traditie. Het gaat veel meer om een letterlijke,
naakte disciplinering. Met het oog op de job in de toekomst wordt
het denken en handelen voortdurend gestuurd, genormeerd,
gecontroleerd, geëvalueerd. De bedoeling is niet enkel dat de
student een bepaalde kennis en specifieke vaardigheid onder de knie
krijgt, maar dat hij zich als persoon naar de norm voegt. Hem wordt
geleerd te worden wat hij in het professionele leven zal moeten
zijn: ‘flexibel’, ‘communicatief’, ‘adaptief’, ‘assertief’,
‘zelfredzaam’, ‘gemotiveerd’, ‘vlot in de omgang’, kortom: hij moet
leren te beantwoorden aan het psychologische profiel van het
winnerstype, van iemand die het zal maken. Beter gezegd: hij wordt
erin getraind zich als dusdanig te presenteren.
De voortdurende
vraag aan de student om zichzelf tegenover zijn leraren of
begeleiders te evalueren maakt onderdeel uit van die training in
zelfpresentatie. Het doet allemaal heel erg denken aan maoďstische
praktijken. Onder Mao werd mensen gevraagd zichzelf en hun
organisatie en publique eerlijk te beoordelen. Het ging er
natuurlijk om dat zij hun problemen en dus ook de eventuele
oplossingen leerden formuleren in termen van de partij-ideologie. Zo
zetten zelfevaluaties studenten niet echt aan tot nadenken, maar
leren ze de studenten hun problemen zo te formuleren dat het bij hun
leraren in de smaak valt. De techniek om zichzelf te presenteren,
zichzelf aan te prijzen, zijn imago te construeren, is zoals we
weten in de maatschappij enorm belangrijk geworden, en wordt nu ook
in het onderwijs steeds belangrijker. Self branding noemt men
dat: hoe presenteer ik me zo dat anderen overtuigd geraken van mijn
bekwaamheid?
§
Eigenlijk benaderen de hordes pedagogen en
onderwijshervormers de student vanuit een mensvisie die door het
moderne management wordt uitgedragen. De mens wordt gezien als een
wezen dat weet wat het wil; hij heeft zijn doel helder voor ogen en
van daaruit kiest hij bewust de middelen om dit doel te bereiken,
wat natuurlijk inhoudt dat hij zichzelf regelmatig evalueert: dat
hij regelmatig checkt - onder andere door ‘feed back’ van anderen -
of hij wel efficiënt genoeg op zijn doel afgaat. Volgens dit model
is de student iemand die voor zichzelf een project heeft
uitgestippeld met een welbepaald doel en het onderwijs gebruikt om
dit project stapsgewijs te ‘implementeren’. Hij is een soort
zelfstandige ondernemer die investeert in kennis en het hele proces
van kennisverwerving zoveel mogelijk zelf in de hand houdt. Studeren
is dan niet langer een initiatie in een domein dat de student vreemd
is en zijn persoonlijke wensen en ambities overstijgt, maar een door
de student opgezet, individueel project waarbij iedere stap het
resultaat is van een bewuste keuze. De student houdt immers
voortdurend de finaliteit van zijn leerproces in het oog.
Vanuit deze
optiek moeten we ook het ondertussen gesacraliseerde concept
flexibiliteit zien. Met het oog op de taak die hij voor zichzelf op
de arbeidsmarkt ziet weggelegd, kan de student zelf zijn
pedagogische route uitstippelen. Hij kan steeds vrijer kiezen uit
een steeds ruimer aanbod aan vakken. De bedoeling is dat hij voor
zichzelf een ‘gepersonaliseerd’ pakket aan competenties samenstelt.
Niemand zal
beweren dat flexibilisering totale onzin is, maar het uitgangspunt
is vreemd. Men vertrekt immers vanuit een hersenschimmig idee,
namelijk dat van de zelfstandige student. Men neemt als
uitgangspunt wat pas in de toekomst misschien zal worden
gerealiseerd. Zelfstandigheid, vrijheid is het moeilijkste dat er
is. Het is niet iets wat men ‘van nature’ bezit, maar iets waar men
langzaam naartoe groeit, iets waarvoor opvoeding, Bildung
nodig is.[2]
De hedendaagse pedagogiek denkt vanuit van een student die reeds van
meet af aan zelfstandig is en als zodanig bekwaam om flexibel uit
het pakket dat de onderwijswinkel hem aanbiedt te kiezen wat het
best bij hem past. Dit is toch wel heel vreemd: vóór hij ook nog
maar iets weet of kan, kiest hij zogezegd ‘zelfstandig’ wat hij moet
weten en kunnen, wat voor hem ‘nodig’ is. De nieuwe pedagogen hebben
dus een wezen uitgevonden dat, nog vóór het kennis heeft gemaakt met
iets wat boeiend of bruikbaar is, kan weten of iets boeiend of
bruikbaar zal zijn geweest.
De flexibele
student is niet alleen een ondernemer, hij heeft natuurlijk ook veel
weg van de consument die naar een grootwarenhuis gaat en daar een
zogenaamd ‘vrije’ keuze maakt uit alles wat hij nodig heeft. Zoals
niemand de consument hoeft te vertellen wat hij moet kopen, zo hoeft
volgens de hedendaagse pedagoog niemand de student te vertellen
welke competenties hij nodig heeft, want niemand kent beter zijn
‘project’ dan hijzelf en niemand kan dus beter weten wat bijdraagt
tot de realisatie ervan.
§
Typisch voor het nieuwe pedagogische discours
is de nadruk op de ‘zelfwerkzaamheid’ van de student. De leraar zou
zogezegd minder bepaalde leerinhouden moeten opdringen, maar eerder
een ‘flexibel’ hanteerbare, ‘open’ ‘leeromgeving’ moeten aanbieden
waarin de student zelfstandig zijn weg kan zoeken. Hij moet niet
zozeer een bepaald corpus van kennis overbrengen, maar leren hoe de
student zelf zijn weg kan vinden in het eindeloze veld van de
kennis. Kortom: de leraar moet niet zozeer een bepaalde stof
aanleren - want dat is veel te beperkend en arbitrair en dus
autoritair -, maar hij moet de student ‘leren leren’. Dit klinkt
natuurlijk heel sympathiek en antiautoritair. Het onderwijs wordt
zo veel mogelijk in handen gelegd van de student. De meester wordt
een begeleider, een zoekmachine met menselijk gelaat.
Maar uiteraard
kan onderwijs niet zonder de autoriteit van een meester. Dat wil
zeggen: onderwijs kan niet zonder iemand die tegen de studenten
zegt: ‘híer gaat het over’, ‘dít is belangrijk’, ‘dít is waard om op
door te gaan’, ‘als je dit niet begrijpt, begrijp je niets’, ‘dit
moet je overnemen van de traditie en dit is pulp’. Het probleem is
dat leraren hiervoor steeds meer terugschrikken. Net als de
hedendaagse televisiemaker zijn ze bang om het verwijt te krijgen
dat ze te opdringerig aan Bildung doen. Het verlangen om de
student in een bepaalde richting te vormen is verdacht. Alles moet
open blijven, relatief, contingent. De student wordt ontmoedigd om
zich te verdiepen in een bepaald kennisonderdeel, hij moet vooral
technieken aanleren om kennis te vergaren, op te slaan, te
combineren, te distribueren. Kortom: de nadruk op het leren beheren,
managen van kennis wordt belangrijker dan het passionele
engagement voor een bepaalde inhoud.
Men denkt dat
dit tot een openheid van geest leidt. Men denkt dat de student een
kritisch en breeddenkend mens wordt wanneer hij in een oneindig veld
van mogelijkheden wordt gegooid. Het tegendeel is waar: iemand wordt
alleen tot kritisch denken uitgedaagd in confrontatie met wat door
een meester als noodzakelijk naar voren wordt gebracht. De poging de
meester te omzeilen, hem te reduceren tot een bescheiden gids in het
oneindige, anonieme veld van de kennis, leidt tot onbehagen bij de
student. De pedagogen merken dat de student zijn ‘motivatie’
verliest, en ze begrijpen niet waarom. Dus gaan ze allerlei
pedagogische formats bedenken om de student te ‘motiveren’,
zijn ‘engagement’, zijn ‘betrokkenheid’ bij de stof te verhogen.
Nadat men bij de student het geloof in het meesterschap van de
meester heeft afgebroken, wordt van diezelfde meester verwacht dat
hij allerlei technieken zou gebruiken om de student te
enthousiasmeren. Het gevolg is dat de meester nog zieliger wordt.
Het nieuwe
pedagogische discours verzwijgt iets dat nochtans vanzelfsprekend
is, namelijk dat opvoeding, en onderwijs, steeds een breuk inhoudt
met de spontane motivaties en interesses van wie wordt opgevoed en
onderwezen. De complexiteit van de bestaande cultuur, van alle
kennis en kunde, breekt per definitie met de spontane wensen en
interesses van de nieuwkomers, hoe gericht en bewust hun keuze voor
een bepaalde studie ook mag zijn. Deze breuk met wat de student wil
en verwacht is het uitgangspunt van alle Bildung. Bildung
neemt de student in bescherming tegen zichzelf, en wel omdat het
jeugdige ‘Zelf’ iets problematisch is. Het jeugdige Zelf is in elk
geval niet ‘zelfstandig’, het wordt vaak opgeslorpt door de
verleidelijke waan van de dag, door de thema’s die het in de media
doen. Het jeugdige Zelf neigt tot actualiteitsmanie en tot het enge
nutsdenken dat overal oprukt.
Het nieuwe
pedagogische regime brengt ons eigenlijk een managementversie van de
naďef-rousseauiaanse jaren 70'-pedagogie. De taak van opvoeding
en onderwijs zou erin bestaan een proces van spontane
zelfontplooiing of -realisatie professioneel te sturen en te
begeleiden. Ging het in de linkse jaren zestig en zeventig nog om
een brede affectieve en spirituele ontplooiing, onder het regime van
het gemondialiseerde managementkapitalisme gaat het om een
ontplooiing gericht op eigenbelang. Kennis en vaardigheden worden
benaderd als zaken die men zich in eigen voordeel ten nutte moet
maken. De objectieve en maatschappelijke waarde van kennis en
vaardigheden wordt minder belangrijk geacht dan de vraag of het om
een investering van tijd en energie gaat die opbrengt. De vraag die
wordt gesteld is: wat brengt deze kennis of vaardigheid bij tot de
ontwikkeling van mijn levensproject?
§
Schematisch gesteld: vroeger was de student een
oningewijde die zich liet initiëren in een complex veld van weten en
kunnen dat alles wat hij zelf wilde of nastreefde ver te buiten
ging. Hij moest maar vertrouwen op de autoriteit van diegenen die
werden verondersteld te kennen en te kunnen. Hij moest maar geloven
dat datgene wat hem werd geleerd, ooit relevant of bruikbaar zou
blijken te zijn voor hemzelf.
Vandaag wordt
het leerproces beschouwd als iets dat door de student zelf wordt
gestuurd en dat zo veel mogelijk in al zijn etappes transparant moet
zijn voor de student. De student is de manager van zijn eigen
opleiding die door middel van zelfobservatie en zelfevaluatie nagaat
of de competenties die hij opdoet bijdragen tot de realisatie van
zijn project.
Een dergelijke
onderwijsconcept gaat terug op het naďeve psychologisch model van de
mens als een wezen dat voortdurend checkt of de input
(prikkels, ervaringen, informatie...) die hij ontvangt en de manier
waarop hij met die input omgaat, wel bijdragen tot zijn persoonlijke
ontwikkeling, zijn groei als individu. Volgens dit model is de mens
zelf niets anders dan een soort (zelf)evaluatiemachine. En als het
niet goed met hem gaat is dat omdat hij zichzelf niet genoeg en op
de juiste manier evalueert. In dezelfde lijn wordt de student ertoe
gestimuleerd om niet zomaar met blind vertrouwen de geboden stof tot
zich te nemen, maar voortdurend de input die hij te verwerken krijgt
te toetsen op zijn relevantie, zijn nut, zijn toepasbaarheid. Hij
wordt dus gestimuleerd zich af te vragen in welke mate de stof in
zijn ‘project’ past. Dit is natuurlijk absurd. Iedereen weet dat het
belang dat een inzicht of vaardigheid voor iemand heeft niet op het
moment zelf gemeten kan worden, maar pas achteraf blijkt. Wat op het
eerste gezicht interessant lijkt kan van geen belang blijken te
zijn. Datgene wat je schijnbaar onverschillig aanhoort, kan nadien
zeer interessant blijken. Het interessante is vaak juist iets
waarmee je op het moment zelf niets weet aan te vangen.
Het concept van
de student als een subject dat het pedagogische proces zelf stuurt
klinkt heel wijs en geëmancipeerd en kritisch en verlicht, maar het
is misschien wel de dood van het onderwijs, namelijk het einde van
het onderwijs als een domein dat nog weerstand biedt tegen de
ideologie van de mens als manager van zijn eigen leven, als
ondernemer van zijn levensproject.
We zitten dus
met een paradox: hoe meer we anti-autoritair oreren over de
zelfstandigheid van de student en die student flexibel zijn eigen
route laten uitstippelen, hoe meer het onderwijs zijn autonomie
verliest, hoe meer het wordt ingepalmd door het
liberaal-kapitalistisch model van het subject dat van zijn leven een
project maakt dat moet slagen, een onderneming waarvan de baten de
kosten moeten overtreffen.
Serieus
onderwijs, onderwijs dat niet slechts slimme en handige individuen
produceert, maar kritische en zelfdenkende burgers, is enkel
mogelijk voor zover bij de student de vraag of het aangebodene voor
zijn persoonlijke project nuttig is niet aan de orde is.
Serieus onderwijs, Bildung, is ondenkbaar zonder een
vertrouwensvolle overgave aan de interne logica van de kennis of de
vaardigheid die men aanleert. Een student kan maar gevormd worden in
zoverre hij de vraag naar wat hij persoonlijk aan het geleerde zou
kunnen hebben, radicaal opschort. Bildung kan dus niet zonder
vertrouwen in de meester. Zonder het ‘irrationele’ vertrouwen dat
datgene wat de meester aanbrengt van belang zal zijn geweest,
is Bildung onmogelijk. Uiteraard is wat de leraar zegt niet
per definitie waar of waardevol, maar onderwijs zou onmogelijk zijn
als voor de student de leraar niet de symbolische positie zou
innemen van iemand in wiens discours waarheid en waarde steekt.
Het vertrouwen
in de meester bevrijdt de student van de plicht zijn studie te zien
als gericht op een doel dat hij moet realiseren. Dit vertrouwen
houdt de student jeugdig en onbekommerd in de goede zin: het
ontslaat hem van de plicht zichzelf voortdurend af te vragen of hij
wel op het goede pad is. Het bevrijdt hem van de dwang van de
voortdurende zelfevaluatie, de zelfcontrole, van het dwangmatige
afwegen van middelen en doelen, van deelcompetenties en
hoofdcompetenties.
Er is geen
onderwijs mogelijk zonder een onverantwoordelijk en speels opgaan in
de stof, zonder grondige desinteresse in waar het allemaal toe
dient. Pas zo’n desinteresse opent de ruimte waarin kritische
reflectie in vrijheid kan gedijen, waarin problemen niet meteen
hoeven worden opgelost, maar op een nieuwe manier kunnen worden
geformuleerd, waarin vragen kunnen worden beantwoord met vragen.
[3]
§
Het nieuwe pedagogische regime is een
obsessieve operationalisering van de naďef-humanistische idee van
het leven als een project dat de mens zelf stuurt of toch in elk
geval zou moeten kunnen sturen. De ‘vrijheid’ of ‘zelfstandigheid’
van de mens zou er in gelegen zijn dat hij op flexibele wijze
allerlei situaties en informatie kan aanwenden om door hemzelf
vooropgestelde doelen te verwezenlijken. Iedereen die denkt en niet
alleen slim wil zijn, weet dat dit een grote vergissing is,
misschien wel de vergissing der vergissingen. Iedereen die denkt,
weet dat alles wat het leven enigszins de moeite waard maakt, breekt
met de middeldoellogica, met de logica van de zelfrealisatie.
De mens is in wezen en in laatste instantie
geen project. Hij is blootgesteld aan wat vreemd en onbekend is, aan
iets waarvoor hij eeuwig ongeschikt is, in extremis aan de dood die
een radicale grens stelt aan zijn vermogen zijn leven als een
project te zien. In het perspectief van de dood handelt en denkt de
mens niet doelgericht, maar kan hij slechts ondoelmatig,
onverantwoordelijk spelen. Dat is zijn vrijheid.
Wanneer je
iedereen voortdurend aanspoort om hun activiteiten te vertalen in
termen van middelen en doelen, dan kun je er zeker van zijn dat die
logica in zichzelf zal doldraaien, dat het managen (sturen,
controleren, observeren, evalueren...) al gauw een doel op zich
wordt dat veel tijd en energie opslorpt. ‘Efficiëntie’ is vooral een
stijl die men zich aanmeet, een jargon en een look. Van de
managermens wordt niet zozeer verwacht dat hij uitblinkt in
concrete vaardigheden of kennis, maar dat hij overkomt, ook voor
zichzelf, als iemand die zijn leven in handen heeft, iemand die weet
wat hij wil en die de zaken weet aan te pakken, iemand die
gemakkelijk anderen met zich mee krijgt, ‘positieve energie’
uitstraalt.
Maar moet het
onderwijs dan niet efficiënt worden georganiseerd? Onderwijs is toch
een ernstige zaak en niet zomaar een esthetische, speelse bedoening?
De moderne maatschappij is complex, de professionalisering is nu
eenmaal ver doorgevoerd, de concurrentie is hard, mensen moeten
worden opgeleid. Ja natuurlijk, maar niet zomaar tot competente en
communicatieve dwazen die meteen het nuttige van het nutteloze, het
voordelige van het nadelige weten te onderscheiden, datgene wat ze
weten of kunnen van datgene wat ze niet weten of niet kunnen. Mensen
moeten ook opgevoed worden tot mensen, namelijk wezens die
eindeloos hun eigen competentie bevragen en betwisten, en dit vanuit
het bredere perspectief van wat men ‘het leven’ noemt, of ‘de
gemeenschap’, domeinen waarin iedereen eeuwig ongeschikt blijft,
waarin men sensibel is voor de incompetentie die de achtergrond
vormt van elke competentie, waarin iedereen de luxe, de vrijheid
heeft te twijfelen of hij wel weet wat hij weet, of hij wel kan wat
hij kan.
Over die
domeinen, van het ‘leven’ en de ‘gemeenschap’ valt wel degelijk iets
zinnigs te zeggen. Alle zin is daarvan afkomstig. Elke leraar,
iedereen die aan Bildung doet, leidt de student binnen in die
domeinen, of die leraar dat nu wil of niet. Bildung is de
cultuur, de discipline van de twijfel, van het verwijlen bij de
vraag. Bildung leidt binnen in de wolk van niet-weten en
niet-kunnen die rondom elk weten en kunnen hangt. Dit is nu juist
opvoeding tot ‘zelfstandigheid’, tot ‘vrijheid’. Vrijheid betekent
afstand kunnen nemen tegenover datgene wat men denkt te kennen of te
kunnen. ‘Vrijheid’ is het denken, het ter sprake brengen, het in
cultuur brengen van die afstand, het in cultuur brengen van de
eeuwige incompetentie van de mens.
§
Men kan natuurlijk zeggen: ‘geen paniek, de
soep wordt nooit zo heet gegeten als hij wordt opgediend. Niemand
gelooft echt in de nieuwe pedagogie. Er is niemand die er niet
schamper over doet. Iedereen laat het gewoon over zich heen komen.’
Dat is waar, maar het resultaat van deze kloof tussen principes en
realiteit, tussen het officiële discours en het werkveld, is een
cultuur van gegeneraliseerde ironie, en heel vaak ook van cynisme.
De vraag is of dat gezond is.
Frank Vande Veire
Gent, juni 2006
* Uitgesproken ter gelegenheid van de Dies
Natalis van de Hogeschool Gent.
[1]
Verraderlijk aan het woord competentie is dat het zowel
bekwaamheid als bevoegdheid betekent. ‘Bekwaam’ duidt
op de beheersing van een bepaald corpus aan kennis of een bepaalde
vaardigheid. ‘Bevoegd’ klinkt juridisch: men heeft het recht
om in een professionele situatie binnen een bepaald gebied te
oordelen of te handelen. Alleen afgestudeerde verpleegsters zijn
bevoegd om patiënten te verzorgen. Alleen afgestudeerde sociale
werkers zijn bevoegd om mensen wegwijs te maken in het doolhof van
hulporganisaties.
[2]
Vergelijk: ‘De opvoeding tot vrijheid werd ongemerkt een
opvoeding van vrije mensen. Ongemerkt werd de student plots
voor een vol vrij mens aangezien en het onderwijs moest nu op de
maat van zijn vrijheid - exacter, zijn keuzevrijheid - hervormd.’
(Marc De Kesel, ‘Onderwijs en Bildung anno 2005’,
ongepubliceerde interventie op een studiedag van de Arteveldehogeschool)
[3]
Kant zag de doelmatigheid zonder doel als wezen van de esthetische
ervaring. Schiller verruimde de esthetische sfeer tot de
opvoeding. Volgens Schiller is er geen wetenschap, geen kunst,
geen denken, zelfs geen techniek mogelijk zonder het cultiveren
van een doelmatigheid zonder doel, dat wil zeggen: zonder dat men
zich verliest en verlustigt in een doelmatigheid waarvan het doel
in het ongewisse blijft.
|